A2 MRE - Bijlage - Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat - MIRT
Tekst van het document
Aan de uitwerking en uitvoering van het realisatiepact Venlo is - bovenop de in 2023 toegezegde middelen – een bijdrage vanuit het Rijk van € 500.000 toegekend. De budgettaire verwerking volgt bij voorjaarsnota 2025. In het realisatiepact Rotterdam en omgeving worden afspraken gemaakt voor het Pagina 18 van 31
versterken van het multimodale vervoer van verse levensmiddelen en landbouwproducten via een vers-corridor vanuit de Rotterdamse haven, het versterken van initiatieven om de filedruk op de weg tegen te gaan en een inzet op de logistieke efficiëntie te verbeteren met verdere digitalisering van processen. Voor de verdere uitwerking, verkenning en uitvoering van dit programma stelt IenW een bijdrage beschikbaar van € 2,5 mln. De provincie Zuid-Holland en het Havenbedrijf Rotterdam leggen elk € 2 mln. in.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
Ten behoeve van de in ontwikkeling zijnde realisatiepacten voor de knooppunten Zeeland, Moerdijk, Amsterdam, Sittard-Geleen, Nijmegen en Tiel maakt IenW een reservering van € 1 mln. per pact. Dit gebeurt onder voorwaarde van cofinanciering vanuit de regio. Het is daarbij de verwachting dat deze realisatiepacten bij het BO GVC in 2025 kunnen worden gesloten. 1.6.2. Truckparking Limburg In het BO MIRT 2023 is een onderzoek aangekondigd naar een pilot voor een beveiligde truckparking die wordt ontsloten via een verzorgingsplaats. Het afgelopen jaar zijn verschillende mogelijke locaties in kaart gebracht. Vanwege het tekort aan beveiligde parkeerplaatsen voor de lange rust, met name in de provincie Limburg, heeft IenW besloten om in twee fases een budget van in totaal € 2,5 mln. beschikbaar te stellen. De budgettaire verwerking volgt bij voorjaarsnota 2025. Daarmee kan deze pilot in detail worden uitgewerkt en indien kansrijk ook gerealiseerd worden op een daarvoor geschikte locatie. 1.6.3. Pilot emissieloos rangeren Op de ‘uiteinden’ van het spoorgoederennetwerk wordt veel gebruik gemaakt van diesellocomotieven. Uit een haalbaarheidsonderzoek komt naar voren dat voor de haven van Moerdijk de inzet van een batterijlocomotief op korte termijn de meest haalbare oplossing is om tot zero emissie te komen.
Met een batterijrangeerlocomotief zal in de praktijk worden getest of deze locomotief geschikt is om onder verschillende omstandigheden de gangbare rangeeroperatie in de haven van Moerdijk uit te voeren en welke operationele en financiële impact dat heeft. Lessen uit de pilot kunnen worden toegepast op soortgelijke ‘uiteinden’ bij andere herkomsten en bestemmingen van het spoorgoederenvervoer, zoals in andere havengebieden. 1.6.4. Beter benutten last mile spoor Door het gebruik van sensoren en camera’s kan de capaciteit op emplacementen effectiever benut worden. In 2022 en 2023 zijn middelen beschikbaar gesteld voor pilotprojecten bij spooremplacementen Botlek, Maasvlakte West, Moerdijk en Amsterdam Houtrakpolder. Met de pilots wordt beoogd om de planbare capaciteit op deze emplacementen met 25% te verhogen. Vanwege positieve resultaten wordt ingezet op doorontwikkeling van de instrumenten binnen Last Mile Spoor, het verdiepen van de pilot op emplacement Houtrakpolder, het uitwerken van de wijze waarop de toepassing op de diverse pilotlocaties kan worden bestendigd en de uitwisseling van data met de digitale systemen van de havens. 1.6.5. Machinistenpool Brabantroute In november 2024 start een periode van 80 weken waarin er intensief gewerkt wordt aan de realisatie van het Derde Spoor in Duitsland (het spoor tussen Emmerich en Oberhausen).
De aanleg van het Derde Spoor is nodig om de capaciteit op de Betuweroute te vergroten. Verspreid over deze 80 weken zijn er ruim 20 weken met dubbelsporige buitendienststellingen. Al het spoorgoederenvervoer moet in deze periode worden omgeleid van de Pagina 19 van 31
Betuweroute. IenW steunt het voorstel van de spoorgoederenvervoerders om een gezamenlijke machinistenpool in te richten, waarmee de beschikbare goederenpaden op het traject Rotterdam – Venlo tijdens de periodes van buitendienststellingen maximaal benut kunnen worden. 1.6.6. Vervolg nachtelijke weekendbediening op de Maas en Brabantse Kanalen In samenwerking met de corridorpartijen heeft IenW besloten om extra budget in te zetten voor een maatwerkoplossing waarmee nachtelijke weekendbediening van bruggen en sluizen op de Maas en de Brabantse kanalen tot en met 2030 kan worden voortgezet. Dit is onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring van de begroting 2025 van IenW door beide Kamers. Hiermee kunnen deze waterwegen 24 uur per dag, zeven dagen per week worden gebruikt door de binnenvaart en kan het bedrijfsleven profiteren van een efficiënte logistieke doorstroming.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
1.6.7. Meldingen Verstoringen Infrastructuur ProRail is dit jaar toegetreden als partner in het online platform Meldingen verstoringen infrastructuur (Melvin) van het Nationaal Dataportaal Wegverkeer (NDW). De mobiliteitsafstemming wordt verder verbeterd door verrijking van het Melvin systeem met informatie over stremmende overwegen en beperkingen van spoorbrugopeningen. 1.7. Algemeen 1.7.1. Mobiliteitsvisie In december 2023 is een verkenning van varianten van bereikbaarheidsdoelen aan de Kamer gezonden voor personenvervoer in het Uitwerkingsdocument bereikbaarheidsdoelen.21 In maart 2024 is dat aangevuld met varianten voor het goederenvervoer.22 In het Uitwerkingsdocument is een stappenplan opgenomen om te komen tot een afweging, in antwoord op de verzoeken van de Kamer om bereikbaarheidsdoelen te ontwikkelen.23 De afgelopen maanden zijn er concrete stappen gezet in de uitvoering hiervan: • Het in kaart brengen van het burgerperspectief. Dit vindt plaats door middel van een Participatie Waarde Evaluatie (PWE). Deze is in de zomer van 2024 afgerond. Op basis van de uitkomsten wordt een analyse uitgevoerd en een rapportage voorbereid. • Een kwantitatieve analyse van de huidige reisafstanden naar voorzieningen vanuit het perspectief van de eerder ontwikkelde perspectieven op bereikbaarheid (zogenoemde nulmeting). Deze analyse bevindt zich op dit moment in een afrondende fase.
• De nulmeting wordt aangevuld met een analyse naar mogelijke maatregelen en hun doelbereik. In deze effectanalyse wordt – naast andere sturingsinstrumenten – ook de motie van het lid Temmink over de afstanden van bushaltes tot woonlocaties meegenomen.24 • Oefenen met het werken met bereikbaarheidsdoelen op regionaal niveau op zowel inhoud als proces. Dit is opgestart en wordt in drie gebieden samen met de decentrale overheden ingevuld (metropoolregio Rotterdam-Den Haag; groene metropoolregio Arnhem-Nijmegen en Parkstad Limburg).
21
Kamerstuk 31 305, nr. 439
22 Kamerstuk 34 244, nr. 10
23 Motie Krul en Van der Graaf (Kamerstuk 29 398, nr. 1047), motie Van der Graaf (Kamerstuk 29
385, nr. 126), motie Krul c.s. (Kamerstuk 29 385, nr. 130), motie Temmink (Kamerstuk 29 697, nr. 132), gewijzigde motie Van der Graaf en Bushoff ter vervanging van nr. 122 (Kamerstuk 29 697, nr. 122) 24 Kamerstuk 29 697, nr. 132 Pagina 20 van 31
De komende periode zal deze beleidsinformatie worden gebundeld op basis waarvan een reactie inclusief kabinetsstandpunt wordt geformuleerd op de genoemde verzoeken uit de Kamer. Het voornemen is om deze reactie met alle onderliggende verzamelde inzichten in het eerste kwartaal van 2025 aan de Kamer te verzenden.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
1.7.2. Integrale Mobiliteitsanalyse Naar verwachting wordt de volgende Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA) eind 2026 uitgebracht. Normaal gesproken publiceert IenW deze analyse elke vier jaar, maar vanwege de vervroegde verkiezingen vorig jaar is besloten om in december 2023 een update van de IMA 2021 uit te brengen.25 De IMA voorziet het nieuwe kabinet van inzichten over de lange termijn mobiliteitsontwikkeling, effecten daarvan op verkeersveiligheid, leefomgeving en gezondheid, en potentiële bereikbaarheidsen mobiliteitsopgaven op de hoofdnetwerken van weg, spoor en water (in gebieden en voor groepen mensen). De volgende IMA baseert zich onder meer op de verkeersgegevens van 2023, de nieuwe Welvaart en Leefomgeving Scenario’s van PBL en post-covid gedragseffecten uit 2023 en 2024. Rekening houdend met verwerkingstijden van de modellen, vormt eind 2026 de eerste mogelijkheid voor publicatie van de IMA. 1.7.3. Landelijke aanpak benutten mobiliteitsnetwerken De Hoofdlijnennotitie Mobiliteitsvisie 2050 beschrijft hoe IenW werkt aan bereikbaarheid in de context van grote maatschappelijke opgaven zoals wonen, de energietransitie, sociale inclusie en leefbaarheid. 26 Een belangrijk uitgangspunt is ‘de juiste mobiliteit op de juiste plaats en tijd’.
Dat vraagt, naast de aanleg en onderhoud van infrastructuur, ruimtelijk- en voorzieningenbeleid om een optimale benutting van bestaande mobiliteitsnetwerken. Rijk, IPO, VNG, vervoerregio’s en regionale partners hebben in een gezamenlijk traject het afgelopen jaar gewerkt aan de landelijke aanpak. Daar is afgesproken om te blijven samenwerken, onder meer aan de thema’s zoals genoemd in het plan van aanpak, te weten: hubs, deelmobiliteit, publiek vervoer, digitalisering en spits spreiden. Binnen al deze thema’s wordt volop gewerkt om de bereikbaarheid voor de reizigers te verbeteren. Vanuit de landelijke aanpak zal worden bekeken op welke wijze kennis en best practices gedeeld kunnen worden en hoe toepassing eruit ziet in verschillende type gebieden (verstedelijkt, suburbaan en landelijk). Dit zal, waar aan de orde, worden toegepast bij de uitwerking van andere gezamenlijke trajecten (bijvoorbeeld in de uitwerking programma hubs in het kader van ontsluiting woningbouw en binnen gezamenlijke gebiedsprogramma’s). In 2025 wordt een landelijke overlegstructuur ingericht ten behoeve van het versterken van de samenhang, samenwerking en effectieve implementatie en uitvoering. Ook zal verder onderzocht worden welke mogelijke knelpunten reizigers ervaren in hun mobiliteitskeuzes en bezien welke mogelijkheden er zijn om hierin stappen te zetten.
Daarnaast werken Rijk en regionale partners samen aan een gezamenlijke werkwijze voor monitoring en evaluatie met als doel om de effecten van maatregelen beter in beeld te brengen. 1.7.4. Landelijke aanpak spits spreiden De drukte op de weg en het spoor neemt toe door groei van de economie, inwoneraantallen en werkzaamheden. De bereikbaarheid staat hierdoor onder druk. In het BO MIRT 2024 heeft IenW met regionale overheden afgesproken om dit probleem gezamenlijk aan te pakken. Het Rijk stelt op dit moment een 25
Kamerstuk 36 410 A, nr. 21
26 Kamerstuk 31 305, nr. 388
Pagina 21 van 31
landelijke aanpak op. Dit plan wordt voor het einde van het jaar separaat naar de Kamer gestuurd. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie van het lid Van Dijk en het regeerprogramma.27 Onderdeel van de aanpak is een eerste landelijke reservering van € 16 mln. IenW werkt samen met regionale partijen aan specifieke knelpunten en opgaven. Landelijk en regionaal worden onder meer werknemers, werkgevers en onderwijsinstellingen betrokken. Het streven is om in het BO MIRT van 2025 de regionale aanpakken vast te stellen, inclusief eventuele bijbehorende financiering van Rijk en regio.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
1.7.5. Vernieuwing MIRT In maart 2024 is de Kamer geïnformeerd dat het van belang is om het gesprek te blijven voeren over het bereikbaarheidsbeleid.28 IenW is het traject ‘Vernieuwing MIRT’ gestart om het MIRT-proces toekomstbestendig te houden. IenW is in gesprek met de vijf MIRT-regio’s, koepels IPO en VNG, de vervoerregio’s VRA en MRDH en de betrokken departementen over de perspectieven op het huidige MIRT en mogelijke verbeteringen hierin. Hierbij is een aantal punten geïdentificeerd om bij de doorontwikkeling van het MIRT aandacht aan te besteden. Dit gaat onder meer om het behoud van de sterke elementen van het MIRT-proces, de positie van het MIRT in het ruimtelijk domein en het type afspraken in het BO MIRT. In 2025 gaat IenW samen met de andere betrokken partijen verder aan de slag met de uitwerking van deze denkrichtingen, zodat in het najaar van 2025 hier de eerste richtinggevende besluiten op kunnen worden genomen. 1.7.6. Woningbouw en Mobiliteit In heel Nederland wordt aan de slag gegaan om de woningbouwproductie zo snel mogelijk te verhogen naar 100.000 woningen per jaar. Om deze bouw te ondersteunen, stelt het kabinet verschillende middelen beschikbaar. Voor het stimuleren van de woningbouw heeft het kabinet € 5 mld. vrijgemaakt. Een deel van deze middelen is voor een zogeheten realisatiestimulans.
Aanvullend op de realisatiestimulans zet het Rijk met een gebiedsgerichte aanpak in op locatie specifieke uitdagingen, onder andere met het voorzetten van de woningbouwimpuls en het gebiedsbudget. Om de nieuwe woningen te ontsluiten wordt door het kabinet € 2,5 mld. toegevoegd aan het MF. De komende periode werken VRO en IenW de investeringsrichtingen, uitgangspunten en criteria voor de inzet van de vanuit het Regeerprogramma extra beschikbare middelen verder uit. Het is de bedoeling om de uitgangspunten op de Woontop in december 2024 te delen tussen Rijk, regio en andere bij de woningbouw en infrastructuur betrokken partijen. De Kamer wordt per brief over de Woontop geïnformeerd. De verwachting is om komend voorjaar de eerste concrete beslissingen te nemen over de inzet van de gebiedsgerichte middelen voor de ‘reguliere’ woningbouwlocaties. Parallel voert het Rijk het gesprek met de bestaande grootschalige woningbouwlocaties. Het kabinet wijst in de Nota Ruimte (verwacht in de zomer van 2025) door heel Nederland nieuwe locaties voor grootschalige woningbouw aan. Investeringsbeslissingen voor de bestaande en nieuwe grootschalige woningbouwlocaties zullen worden genomen bij de BO’s MIRT en Leefomgeving 2025.
27
Kamerstuk 36 410-XII, nr. 43
28 Kamerstuk 36 410-A, nr. 49
Pagina 22 van 31
1.7.7. Maatregelpakket draaiend houden ringen De Kamer is eerder geïnformeerd dat het maatregelpakket voor het draaiend houden van de ringen rond de grote steden binnen vijf ‘werksporen’ zal plaatsvinden.29 Rijk en regio hebben in de afgelopen periode overeenstemming bereikt over een nadere invulling van en toedeling van budgetten voor deze werksporen.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
Het beschikbare budget van IenW van € 300 mln. wordt als volgt over de werksporen verdeeld: • werkspoor 1 (incidentmanagement) maximaal € 65,6 mln., verminderen van de effecten van ongeplande verstoringen door een snellere start en afhandeling van incidentmanagement in combinatie met in-car veiligheidswaarschuwingen. • werkspoor 2 (verkeersinformatie) maximaal € 58,6 mln., effectiever informeren van de reiziger pré-trip en on-trip via in-car informatie over met name verkeershinder en routering. • werkspoor 3 (verkeersmanagement) maximaal € 49 mln. betere benutting van het bestaande netwerk met behulp van investeringen in verkeersmanagementsystemen: matrixborden, lussen, camera’s, toeritdosering (TDI’s) en verkeersregelinstallaties (iVRI’s). • werkspoor 4 (kleine infrastructurele maatregelen) maximaal € 76,8 mln., vergroten buffercapaciteit op-/afritten, betere inrichting van knooppunten, verbetering van belijning, verbindingen en aansluitingen en ontwikkelen van mobiliteitshubs. • Voor werkspoor 5 (netwerkoptimalisatie Ring Eindhoven) is al eerder € 50 mln. overeengekomen. Tot uiterlijk medio 2025 zal worden onderzocht hoe de maatregelen van het Rijk kunnen worden ingepast in de werkplanning van RWS, waarna zal worden besloten over de realisatie in relatie tot voor het geheel van projecten op het gebied van exploitatie, onderhoud, vernieuwing en aanleg.
Parallel vindt overleg met de regio plaats over de door de regio te realiseren maatregelen. 1.7.8. Spooremplacementen en woningbouw Binnen een aantal grootschalige woningbouwlocaties wordt door Rijk en regio gekeken naar woningbouw in de nabijheid van of op (binnenstedelijke) spooremplacementen. Zo lopen er concrete trajecten in Rotterdam (bij Stadionpark), Dordrecht (Maasterras), Arnhem-Oost en Amsterdam Zaanstraat (Havenstad). Daarnaast zijn in het BOL afspraken gemaakt voor een haalbaarheidsonderzoek naar de kansen en mogelijkheden van gedeeltelijke uitplaatsing van Roosendaal West en optimalisatiemogelijkheden voor het emplacement Maastricht. Dit zijn complexe vraagstukken waar alle betrokken partijen zich maximaal inspannen om enerzijds woningbouw mogelijk te maken en anderzijds de functies van de emplacementen -bij mogelijke uitplaatsing- te borgen. Om meer inzicht te krijgen in de kansen en randvoorwaarden bij woningbouw rond spooremplacementen hebben IenW en VRO gezamenlijk een quickscan laten uitvoeren (zie bijlage). Parallel werkt ProRail aan het opstellen van een langetermijnvisie op emplacementen. Deze visie geeft vanuit het perspectief van het spoorsysteem inzicht in waar op de lange termijn (2050 en verder) opstelcapaciteit nodig is en geeft daarmee ook meer richting waar eventueel 29 Kamerstuk 36 410-A, nr. 16
Pagina 23 van 31
kansen liggen voor woningbouw op of bij emplacementen. Emplacementen hebben een essentiële rol in dit systeem. Gezien de gewenste groei van het (internationale) personen- en goederenvervoer blijft voldoende emplacementscapaciteit ook richting de toekomst van groot belang. Zowel uit de quickscan als uit de langetermijnvisie komt naar voren dat de aanvullende locatiemogelijkheden voor woningbouw op en bij emplacementen beperkt zijn. Veelal komt dit doordat het spoorsysteem in de regio geoptimaliseerd is rondom de functie die het emplacement biedt. Emplacementen zijn daardoor op korte en middellange termijn niet altijd kosteneffectief elders te beleggen. De komende periode gaat het kabinet met de regio's in gesprek over de uitwerking van haar ambities op het gebied van de woningbouwopgave en ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit de maatschappelijke kosten en baten ligt t.a.v. het benutten van de woningbouwkansen nabij en op spooremplacementen de prioriteit bij de reeds genoemde trajecten.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
1.7.9. Ingebruikname PHS-infrastructuur en dienstregeling 2025 In december 2024 start NS de dienstregeling 2025. In deze dienstregeling gaan ongeveer 1600 treinen per week extra rijden ten opzichte van dit jaar. NS voert een grote structuurverandering door. Een aantal voorbeelden van verbeteringen zijn: de invoering van de Airport Sprinter, meer tienminutentreinen, herstel van kwartierdiensten (bijvoorbeeld tussen Utrecht en Woerden), verruiming van de reismogelijkheden in de avonduren en de nacht en meer treinen in de spits en aan de randen van de dag. Met de start van de dienstregeling 2025 zal een nieuwe tienminutensprinter tussen Den Haag en Rotterdam gaan rijden. Dit is mogelijk omdat het grootste deel van de extra infrastructuur binnen het Programma Hoogfrequent Spoor (PHS) is opgeleverd. Met deze verbetering wordt het reisgemak en treinaanbod op dit drukke corridor verhoogd. 1.7.10. Spoorcapaciteit 2030 Met het programma Spoorcapaciteit 2030 wordt ervoor gezorgd dat spoorvervoer ook op de middellange termijn voldoende capaciteit en kwaliteit heeft om in de vervoersvraag te voorzien en dat deze veilig, betrouwbaar en betaalbaar is. Sinds 2022 ligt het accent op het voorzien in de extra vervoersbehoefte voortvloeiend uit de nieuwe woningbouwlocaties en het op peil houden van het nationale spoornetwerk richting 2030.
Dat is in het BO MIRT van 2022 bekrachtigd met een bijdrage van € 585 mln. vanuit de middelen voor woningbouw en mobiliteit. Eind 2023 is een eerste pakket urgente inframaatregelen van € 121 mln. uit deze middelen beschikt. Hiervoor wordt met name de tractie- en energievoorziening uitgebreid en verzwaard voor een nieuwe dienstregelingsstructuur vanaf eind 2024. Voor de zomer van dit jaar heeft IenW een tweede maatregelenpakket van € 437,8 mln. beschikt. Dit pakket bevat een combinatie van studies en realisatieprojecten van verdere verbetering van de tractie-energievoorziening, baanstabiliteit en geluidsmaatregelen. Hiermee wordt onder meer de verdere instroom mogelijk gemaakt van de nieuwe ICNG-treinstellen en de introductie van een zesde IC Direct tussen Rotterdam en Amsterdam. Voor baanstabiliteit voorziet dit pakket in realisatie van structurele maatregelen tussen Delft en Schiedam. Ook financiert IenW hiermee drie gerichte studies naar baanstabiliteit op de corridors Schiphol – Amsterdam – Almere – Lelystad, Alkmaar – Amsterdam en Breda – Tilburg om meer treinen op die trajecten mogelijk te maken. Deze studies vinden plaats parallel aan het wetenschappelijk onderzoek naar baanstabiliteit. Ook met Pagina 24 van 31
dit tweede maatregelenpakket draagt IenW bij aan de ontsluiting van woningbouwlocaties in de Metropoolregio Amsterdam, Schiphol, Groene Hart, Zuidelijke Randstad, Utrecht-Amersfoort, Stedelijk Brabant, Regio Zwolle en Groningen. 1.7.11. Doorfietsroutes IenW heeft jaarlijks € 6 mln. beschikbaar op het MF om via cofinanciering bij te dragen aan een landelijk dekkend netwerk van doorfietsroutes. Voor 2024-2026 is het geld gebundeld tot een eerste tranche van € 18 mln. Het Rijk heeft hiervoor in mei 2024 een uitvraag voor projecten gedaan bij provincies en vervoerregio’s. In reactie hierop zijn 34 projecten ingediend. De ingediende plannen kenmerken zich door een hoge kwaliteit. Alle voorgestelde routes dragen substantieel bij aan de versterking van het fietsnetwerk en bevorderen de verkeersveiligheid voor fietsers. Een beoordelingscommissie heeft deze beoordeeld en een selectie van meest effectieve projecten voorgedragen. Tijdens de BO’s MIRT hebben Rijk en regio afspraken gemaakt over de financiering en verdere uitwerking van twaalf doorfietsroutes door het hele land. De routes maken het voor meer mensen aantrekkelijk om de fiets te pakken naar het werk. Daarnaast wordt op veel trajecten de verkeersveiligheid voor fietsers aanzienlijk verbeterd.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
1.7.12. Participatieve Waarde Evaluatie De onderzoeksbureaus MuConsult en Ecorys hebben in 2024 een verkennende evaluatie gedaan naar de toegevoegde waarde van de Participatieve Waarde Evaluatie (PWE) voor het MIRT. Dit rapport bevestigt dat de PWE toegevoegde waarde kan hebben bij MIRT-projecten, met name in de analyse- en beoordelingsfase, als participatiemiddel evenals effectenraming. Het onderzoek naar de PWE was aangekondigd in de MIRT-najaarsbrief van 2022 en inmiddels afgerond.30 In de bijlage is het rapport te vinden. De PWE is een instrument ontwikkeld door een start-up van de TU Delft. Het betreft een nieuwe manier om maatschappelijke waarde van effecten van voorgenomen overheidsbeleid af te leiden door het bevragen van grote groepen mensen. In een PWE worden mensen op grote schaal één of meerdere dilemma’s voorgelegd. Met deze methode kan in beeld worden gebracht wat de bereidheid van mensen is om een euro overheidsgeld meer/minder uit te geven aan het adresseren van een bepaalde opgave. Binnen het MIRT wordt de PWE al incidenteel toegepast, onder meer onlangs bij de Oude Lijn en Lelylijn en binnenkort bij de Mobiliteitsvisie. In de evaluatie komen de onderzoekers tot de conclusie dat de PWE vooral toegevoegde waarde lijkt te hebben voor twee fasen van het MIRT.
Zo zou de PWE kunnen worden ingezet bij het bepalen van de scope van oplossingsrichtingen en bij het beoordelen van effecten van projectalternatieven. Het instrument kan helpen bij het onderbouwen van strategische keuzes of een afweging tussen meerdere (uiteenlopende) effecten. De onderzoekers concluderen daarnaast dat de PWE een effectief middel is om grote groepen mensen te bevragen over een project. De PWE is minder effectief als participatiemiddel bij projecten waar het draait om een zeer lokale opgave voor een zeer kleine niche, een zeer technisch of een te eenvoudig vraagstuk. Net als de MKBA, kan de PWE ook worden ingezet om effecten op welvaart te ramen. Dit doet de PWE door contextafhankelijk naar de voorkeuren van burgers te vragen en die effecten in samenhang te beschouwen. Dit is wezenlijk anders 30 Kamerstuk 36 200-A, nr. 9
Pagina 25 van 31
dan de MKBA, dat zich baseert op kengetallen per projecteffect. Daarmee komt de maatschappelijke waarde in een PWE op een andere manier tot stand dan in de MKBA. Vanwege de verschillende benadering van maatschappelijke waarde, kunnen de methoden elkaar versterken. Bij verdere ontwikkeling en bredere toepassing van deze nieuwe methodiek zien de onderzoekers een mogelijke rol voor de planbureaus.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
2. Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT 2.1. A2 Het Vonderen – Kerensheide De motie Van Aalst verzoekt de regering om de verbreding van de A2 tussen knooppunt Het Vonderen en Kerensheide in overleg met de provincie sneller te realiseren.31 In september 2023 is het project gegund aan de aannemer en is de realisatie gestart. De aannemer is sindsdien gestart met het prepareren van de grond en het treffen van andere voorbereidingen om te beginnen met de verbetering van het tracé. Hiermee is invulling gegeven aan de motie. 2.2. Vervanging geluidsschermen A10 Noord De Kamer is eerder geïnformeerd dat RWS mogelijk al in 2024 in plaats van 2025 kon starten met de vervanging van de geluidsschermen aan de A10 Noord bij Amsterdam.32 RWS heeft de opdracht in maart 2024 gegund en kort na de zomer zijn de werkzaamheden begonnen. Volgens de huidige planning lopen de werkzaamheden door tot medio 2025. Hiermee is invulling gegeven aan de toezegging om de schermen versneld te vervangen. 2.3. BRT-pilots Haarlem – Schiphol – Amsterdam en Eindhoven (A50 – Meierij) Via een amendement van de leden Minhas en Van Ginneken is € 2 mln.
beschikbaar gesteld om pilots op te starten voor het vervoerssysteem Bus Rapid Transit (BRT).33 Op de Landelijke OV- en Spoortafel van december 2023 zijn Einhoven (A50) – Meierij in Noord-Brabant en Haarlem – Schiphol – Amsterdam in Noord-Holland gekozen als trajecten voor de uitwerking van pilots. De provincie Noord-Brabant en de Vervoerregio Amsterdam hebben als trekkers van deze pilots ieder een plan van aanpak uitgewerkt met daarin het type maatregelen, de kosten en de planning. De pilots zijn onderdeel van een bredere multimodale mobiliteitsaanpak in de regio en bevatten elementen van BRT met perspectief op een volwaardige BRT-verbinding. Op basis hiervan hebben Rijk en regio afgesproken gezamenlijk maximaal € 2 mln. per pilot beschikbaar te stellen op basis van een 50/50 verdeling Rijk-regio. Beide pilots kunnen binnen twee jaar worden uitgevoerd. De voortgang van de pilots wordt jaarlijks geëvalueerd en gemonitord door middel van een voortgangsrapportage. Bij afronding wordt een afsluitende rapportage gemaakt met leerpunten. Deze leerpunten worden gebruikt bij de verdere ontwikkeling van BRT in Nederland. Tevens worden de leerpunten landelijk gedeeld, zodat ook regio’s elders ervan kunnen leren en profiteren. 2.4.
Baanstabiliteit spoordijken Tijdens het NO MIRT van 22 januari 2024 is toegezegd de Kamer te informeren over het landelijke onderzoek naar de stabiliteit van spoordijken (de baanstabiliteit).34 De "landelijke netwerkanalyse” van ProRail brengt voor het volledige spoorwegennetwerk de baanstabiliteit in kaart. Voor het huidige vervoer Kamerstuk 35 300-A, nr. 21 Aanhangsel van de Handelingen 2022-2023, nr. 1888 33 Kamerstuk 36 200-A, nr. 48 34 Kamerstuk 36 410-A, nr. 46 31 32
Pagina 26 van 31
beoordeelt ProRail de baanstabiliteit als veilig. Voor toekomstige groei van het treinverkeer op een aantal trajecten is nader onderzoek nodig.35 ProRail voert nu verdiepend onderzoek uit op baanvakken waar groei van het treinverkeer wordt voorbereid. De Kamer zal in de brieven waarin infrastructuurmaatregelen voor die specifieke productstappen aan bod komen, worden geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek voor die baanvakken.36
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
Het wetenschappelijk onderzoeksprogramma van ProRail verdiept de kennis over berekenings- en beoordelingsmethodieken voor baanstabiliteit en over maatregelen om de stabiliteit te verbeteren. Dit onderzoek heeft inmiddels opgeleverd dat goederentreinen van 740 meter op de internationale goederencorridors kunnen rijden zonder dat aanpassingen aan de spoordijk nodig zijn. Dat geldt ook voor internationale reizigerstreinen met zware locomotieven op de corridors waar eerder een vergelijkbare zware locomotief reed. Baanstabiliteit speelt ook een rol in andere spoordossiers, zoals de implementatie van de herziene TEN-T-verordening, klimaatadaptatie, en het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer. De Kamer wordt hierover via de desbetreffende Kamerbrieven op de hoogte gehouden. 2.5. Inventarisatie knelpunten in relatie tot de hoofdrailnetconcessie De motie van het lid De Hoop verzoekt de regering om voor het komende MIRTdebat een inventarisatie naar de Kamer te sturen over welke infrastructurele knelpunten de komende periode opgelost moeten worden om de afspraken uit de nieuwe concessie voor het hoofdrailnet (HRN) uit te kunnen voeren.37 Uitgangspunt van de concessie van het hoofdrailnet 2025-2033 is het zogenaamde ‘6basismodel’. Hiervoor zijn voldoende MF-middelen beschikbaar in de budgetten voor PHS en spoorcapaciteit 2030.
Er zijn dan ook geen (vervoer)knelpunten aan de orde zolang er niet meer treinen zouden moeten worden gefaciliteerd dan 6basis. Gezien de actuele vervoerontwikkeling is een dergelijke stijging van het aantal treinen de komende jaren niet voorzienbaar. Bovendien is het in dat geval niet reëel dat extra inframaatregelen binnen enkele jaren uitvoerbaar zijn. Bij de midterm review van het volume van de hoofdrailnet concessie in 2027 wordt integraal stilgestaan bij de ontwikkeling, het eventuele extra treinaanbod dat daarvoor nodig is en de benodigde maatregelen. 2.6. Dubbelspoor Zwolle – Deventer Tijdens het CD Spoor van 12 september 2024 is aan het lid De Hoop toegezegd in gesprek te gaan met de regio en ProRail over spoorverdubbeling tussen Zwolle en Deventer. Het eerste gesprek is inmiddels gevoerd met de drie aanliggende gemeenten en de provincie Overijssel. Dubbelspoor tussen Zwolle en Deventer maakt het versnellen van de Intercity, het laten rijden van een sprinter en het aanleggen van een extra station in Zwolle of Deventer mogelijk. Dit biedt kansen voor woningbouw langs dit traject. In het verleden is hier onderzoek naar gedaan. Er is vastgesteld dat actualisatie van die onderzoeksgegevens nodig is om te bepalen hoe en met welke urgentie dit dossier verder op te pakken.
Dit heeft te maken met de woningbouwopgave in de regio en de beperkte budgetten uit het MF en bij de regionale partners. Rijk en regio gaan hierover verder in gesprek.
Kamerstuk 29 893, nr. 264 Kamerstuk 32 404, nr. 124 37 Kamerstuk 36 410-A, nr. 54 35 36
Pagina 27 van 31
In Deventer spelen ook andere opgaven; zo kijkt ProRail wat nodig is voor een robuuste inpassing van de treinverbindingen van en naar Oost-Nederland en de Berlijnlijn, bijvoorbeeld door het ontwikkelen van een vierde perron op station Deventer. Verwacht wordt dat ProRail de resultaten medio 2025 kan opleveren. 2.7. Verkeerssituatie fietsers Jan Blankenbrug Aan de Kamer is toegezegd dat deze wordt geïnformeerd over de gewenste maatregelen en aanpak over de verkeersveiligheidssituatie van fietsers op de Jan Blankenbrug.38 RWS gaat de verkeersveiligheid van fietsers in 2024 verbeteren door het fietspad op de Jan Blankenbrug met 45 cm te verbreden en een lamellenscherm op de reeds aanwezige barrier te plaatsen. De werkzaamheden zullen in 2024 worden uitgevoerd. Het Rijk en de provincie Utrecht financieren elk 50% van de investeringskosten. Voor IenW betekent dit een investering van € 250.000. Dit is onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring van de begroting van IenW door beide Kamers. Hiermee is ook invulling gegeven aan de toezegging.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
2.8. EU-fondsen fietsinfra Aan de Kamer is toegezegd dat deze voor 1 december wordt geïnformeerd naar aanleiding van het onderzoek of er EU-fondsen zijn voor fietsinfra. Er wordt een onderzoek uitgezet om meer inzage te krijgen in kansen voor EU-financiering van fietsinfra. De resultaten worden in het voorjaar van 2025 met de Kamer gedeeld. 2.9. Doorfietsroutes en woningbouwgelden fietsinfra Aan het lid Van Dijk is toegezegd dat de Kamer nader wordt geïnformeerd over de stand van zaken van de doorfietsroutes en de bestemming van de woningbouwgelden voor fietsinfra. Over de doorfietsroutes is de Kamer geïnformeerd in paragraaf 1.7.11. Onder het programma Woningbouw en Mobiliteit (WoMo) wordt breed ingezet op de bereikbaarheid en ontsluiting van nieuwe woningen. Onderdeel hiervan zijn investeringen in fietsmaatregelen. De Kamer is eerder geïnformeerd over de verdeling van de € 7,5 mld. vanuit het programma WoMo.39 Hierbij is voor circa € 780 mln. geïnvesteerd in 505 maatregelen (mede) gericht op fietsinfrastructuur. Samen met cofinanciering van de regio telt dit op tot een investering meer dan € 1,1 mld. in fietsinfrastructuur. Het gaat hierbij onder andere om betere fietsaansluitingen richting OVknooppunten, fietstunnels, doorfietsroutes en stationsstallingen.
Dit om de bereikbaarheid en ontsluiting van nieuwe woningen met de fiets te garanderen en bij te dragen aan de mobiliteitstransitie. In 2023 en 2024 zijn de bedragen vanuit de € 7,5 mld. als onderdeel van specifieke uitkeringen via beschikkingen toegekend aan gemeenten. Met de eerste voorschotten die gemeenten inmiddels ontvangen hebben kunnen zij aan de slag met de uitvoering van de maatregelen. Over de voortgangsrapportage van het programma WoMo wordt de Kamer geïnformeerd in paragraaf 2.10. Hiermee is invulling gegeven aan de toezegging. 2.10. Voortgangsrapportage Woningbouw en Mobiliteit Aan de Kamer is toegezegd dat de voortgangsrapportage van het programma Woningbouw en Mobiliteit (WoMo) vanaf 2024 jaarlijks samen met de MIRTnajaarsbrief naar de Kamer wordt gestuurd.40 Het doel van deze voortgangsrapportage (VGR) is om de Kamer te informeren over de voortgang van en ontwikkelingen in de scope, planning, realisatie, risico’s en financiën van de
Kamerstuk 35 925-A, nr. 76 Kamerstuk 36 200-A, nr. 9 40 Kamerstuk 36 410-A, nr. 16 38 39
Pagina 28 van 31
gemaakte afspraken uit het programma WoMo die betrekking hebben op het jaar 2023 (zie bijlage). De resultaten uit de eerste voortgangsrapportage laten zien dat de realisatie van infrastructurele maatregelen en woningbouw is gestart. Op basis van deze eerste resultaten is het nu niet mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over het verdere verloop van de realisatie ten opzichte van de vastgestelde scope. Vanaf de VGR 2025 en latere jaren is het wel mogelijk om in de voortgangsrapportages trends over het verloop van de realisatie weer te geven. Aan het eind van deze rapportage wordt de aanpak voor de monitoring en evaluatie op brede welvaart geïntroduceerd. Hierdoor zal op termijn inzicht worden verkregen in de effecten van het programma Woningbouw en Mobiliteit op brede welvaart.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
2.11. Analyse-instrument Mobiliteitsfonds Op Prinsjesdag 2024 is de Kamer geïnformeerd over het analyse-instrument Mobiliteitsfonds. In het wetgevingsoverleg begrotingsonderzoek IenW van 3 oktober 2024 is gevraagd om dit in de MIRT-brief toe te lichten. Met het analyseinstrument MF kan de beschikbare beslisinformatie over mogelijke investeringsopties en andere maatregelen met betrekking tot het MF worden verzameld, gestructureerd en geanalyseerd. Mede naar aanleiding van de motie Van Dijk c.s. hebben brede welvaart, de Mobiliteitsvisie 2050 en ‘Elke Regio Telt!’ een plek gekregen in het instrument.41 Meer concreet wordt bij nieuwe investeringen bijvoorbeeld ook getoetst in hoeverre deze verschillen tussen regio’s verkleint. Het instrument is een hulpmiddel voor de politieke afweging over investeringsbeslissingen waarover in de BO’s MIRT afspraken worden gemaakt. 2.12. Instandhouding in het MIRT De motie Krul en Van der Graaf verzoekt het kabinet de instandhoudingsopgave te integreren in alle onderdelen van de MIRT-cyclus.42 Op 19 september 2023 is de Kamer geïnformeerd over hoe RWS hier invulling aan wil geven.43 In de verdere uitwerking hiervan is meegewogen dat de productie op instandhouding van de RWS-netwerken fors moet worden verhoogd. Dit vereist continuïteit in de opgave en ruimte voor RWS om het werk slim vorm te geven in samenwerking met de markt.
RWS programmeert de instandhoudingswerkzaamheden met een jaarlijks geactualiseerde meerjarenplanning. In de uitwerking van deze planning voert RWS regelmatig het gesprek met decentrale overheden, in verschillende samenstellingen en over verschillende thema’s. Dit is al jaren de werkwijze die RWS hanteert. Aan de Kamer is toegezegd dat RWS in het najaar de planning met de regio’s bespreekt.44 Ook dit jaar heeft RWS het gesprek gevoerd met de regio’s. Deze heeft daar kennis van genomen en dat heeft dit jaar niet tot nadere afspraken in het BO MIRT geleid. Aanvullend wordt nu ter integratie van instandhouding in het MIRT het volgende ondernomen: • Jaarlijks in het najaar deelt RWS de geactualiseerde programmering met de regionale partijen en ProRail in een bijeenkomst per RWS regio. Centraal staan informeren over de voorziene geprogrammeerde werkzaamheden voor de komende drie jaar en kennisnemen van de bijbehorende hinder en de te ontwikkelen hinderaanpak. Voor de projecten die drie jaar of verder vooruit
Kamerstuk 36 410 A, nr. 37 Kamerstuk 29 385, nr. 131 43 Kamerstuk 36 410-A, nr. 8 44 Kamerstuk 36 410-A, nr. 9 41 42
Pagina 29 van 31
•
•
geprogrammeerd staan, wordt ook bezien of er ruimte is voor het benutten van eventuele meekoppelkansen. In de daaropvolgende BO’s MIRT worden de belangrijkste instandhoudingswerkzaamheden die in de komende paar jaar gepland staan ter kennisname opgenomen. Dit is inclusief bijbehorende hinderaanpak en eventuele afspraken over meekoppelkansen. Jaarlijks worden vanaf 2025 in de MIRT-brief in het najaar de belangrijkste brede ontwikkelingen in de instandhoudingsopgave vermeld.
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
2.13. Herplantplicht RWS en ProRail In de MIRT-brief van 15 december 2021 is er voor het eerst gerapporteerd over de herbeplantingsplicht op grond van de Wet natuurbescherming die geldt bij infrastructurele werken. Hiermee wordt invulling gegeven aan de motie Schonis c.s.45 In deze MIRT-brief wordt over de stand van zaken over het jaar 2023 gerapporteerd. Het kappen van bomen wordt gemeld bij het bevoegd gezag; dit is veelal de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). De compensatieopgave wordt vervolgens berekend en uitgedrukt in hectares. Het afgelopen jaar is de registratie geactualiseerd en afgestemd met de RVO. De gerapporteerde omvang is daardoor en als gevolg van uitgevoerde herbeplanting en nieuwe projecten gewijzigd ten opzichte van de vorige opgave. De herbeplantingsopgave ziet er per 1 januari 2024 als volgt uit: Voor RWS bedraagt deze opgave 600 hectare. In 2023 is ongeveer 25 hectare herbeplant. Voor ca. 389 hectare is de wettelijke termijn voor herbeplanting verstreken. Daarnaast is sprake van 524 hectare onverplicht (extra) aangeplante bomen. RWS overlegt met het ministerie van LVVN in hoeverre deze als invulling van de herplantplicht kan worden gezien. Voor ProRail bedraagt deze herplantingsopgave 4,2 hectare. In 2023 is 0,6 hectare herbeplant. Voor 2,6 hectare is de wettelijke termijn voor herbeplanting verstreken, maar deze zal alsnog worden uitgevoerd.
Daarnaast is sprake van 0,27 hectare onverplicht (extra) aangeplante bomen. 2.14. Dom-tot-Dam doorfietsroute In het CD MIRT van 5 juli 2023 is aan de Kamer toegezegd dat de inzet is dat eind 2024 besluiten genomen kunnen worden over het al dan niet realiseren van de Dom-tot-Dam doorfietsroute. Deze zomer is gestart met een werkgroep van alle vertegenwoordigde wegbeheerders ten behoeve van het opstellen van het voorlopig ontwerp. De benodigde beslisinformatie is eind dit jaar nog niet beschikbaar, maar zal naar verwachting bij het BO MIRT van 2025 gereed zijn. 3. Slot Ondanks de krappe financiën op het MF gebeurt er dus nog enorm veel binnen het MIRT. Op basis van de afspraken uit de BO’s MIRT worden hier komende periode weer verdere stappen in gezet. Dat is goed voor de veiligheid, bereikbaarheid en leefbaarheid van Nederland. In het voorjaar van 2025 vinden de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving plaats. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer zoals gebruikelijk per brief geïnformeerd, in aanloop naar het volgende commissiedebat MIRT.
45 Kamerstuk 35 300-A, nr. 43
Pagina 30 van 31
Hoogachtend, DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT,
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat
Kenmerk IENW/BSK-2024/322815
Barry Madlener
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT – OPENBAAR VERVOER EN MILIEU,
C.A. Jansen
Pagina 31 van 31