CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

A2 MRE - Bijlage - Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat - MIRT

Gemeenteraad 19 december 2024, gemeente NuenenBij agendapunt: Ingekomen stukken ter kennisname15.423 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

> Retouradres Postbus 20901 2500 EX Den Haag

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat Rijnstraat 8 2515 XP Den Haag Postbus 20901 2500 EX Den Haag T F

070-456 0000 070-456 1111

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Datum Betreft

12 november 2024 MIRT-brief najaar 2024

Bijlage(n) 7

Geachte voorzitter, Goede mobiliteit en bereikbaarheid zijn van cruciaal belang voor onze samenleving. Voor onze welvaart, onze economie en ons welzijn. Met een groeiende bevolking en groeiende economie groeit ook de behoefte aan mobiliteit. Ook de eisen die daaraan worden gesteld nemen toe, bijvoorbeeld als gevolg van het veranderende klimaat of op het terrein van cyberveiligheid. De veiligheid, betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de infrastructuur en het gebruik ervan moeten op orde zijn en blijven. Dit kabinet doet veel op het gebied van bereikbaarheid, zowel op instandhouding als op aanleg. Ook heeft het kabinet € 2,5 mld. beschikbaar gesteld voor investeringen in het infrastructuurnetwerk en ontsluiting van woningbouw. Dit in aanvulling op de middelen die het vorige kabinet beschikbaar heeft gesteld. Door een combinatie van verschillende ontwikkelingen (onder andere beschikbaarheid van vakmensen en vergunningen voor stikstofruimte) staat de uitvoering van plannen van het Mobiliteitsfonds (MF) wel in toenemende mate onder druk en daarmee ook de bereikbaarheid en mobiliteit van Nederland. Daarnaast is de aankomende decennia sprake van groeiende opgaven op het gebied van instandhouding, waardoor een groter deel van de beschikbare middelen en vakmensen hiervoor nodig is en dus niet kan worden ingezet om de netwerken verder te ontwikkelen.

Ook kunnen prijsontwikkelingen van de Grond-, Weg- en Waterbouwsector in de praktijk tot toekomstige budgettaire knelpunten op het MF leiden, zoals in de eerder verzonden Kamerbrief over de prijsbijstellingssystematiek is aangegeven.1 Alles bij elkaar is het in toenemende mate merkbaar dat niet alles tegelijk mogelijk is. De ruimte om nieuwe projecten te starten is schaars. Dit geldt voor de vergunningsruimte, financiële middelen en de beschikbaarheid van vakmensen bij uitvoeringsorganisaties en de markt. Het vorige kabinet werd geconfronteerd met de gevolgen van bovenstaande ontwikkelingen. Dit heeft in 2023 geleid tot de herprioritering van het MF waarbij belangrijke projecten zijn gepauzeerd.2 Een groot deel van het budget bij de projecten die gepauzeerd zijn, is ingezet voor het dekken van tekorten op in uitvoering zijnde projecten en instandhouding. Dit alles om – met datgene wat wel 1

Kamerstuk 36410-XII, nr. 50

2 Kamerstuk 29 385, nr. 119

Pagina 1 van 31

kan – Nederland veilig, bereikbaar en leefbaar te houden. Deze projecten zijn behouden in het MIRT-overzicht, omdat de onderliggende opgaven niet zijn verdwenen. Deze projecten blijven belangrijk. Zoals in het Regeerprogramma is vermeld (en met de Kamer tijdens de begrotingsbehandeling is besproken), is het de ambitie om binnen deze context op infrastructuurterrein toch het maximale te doen binnen de kaders van het Regeerprogramma en het Hoofdlijnenakkoord. Daarbij gaat het zowel om de instandhouding, het naar behoren uitvoeren van gestarte investeringen in de afgelopen jaren én de ontwikkeling van de netwerken. De Kamer is eerder geïnformeerd over de adviezen en aanbevelingen uit twee rapporten (validatierapport Rebel Group en rapport Kohsiek), die het belang onderstrepen van de huidige focus op instandhouding gelet op de forse opgave en daarmee het vergroten van de maakbaarheid.3 Daarom gaat het jaarlijkse onderhoudsbudget voor Rijkswaterstaat (RWS) omhoog van € 2 mld. naar € 3 mld. in de periode tot 2030. Ook is extra budget vrijgemaakt voor instandhouding van het spoor waardoor het jaarlijks onderhoudsbudget voor spoor stijgt naar ongeveer € 2,3 mld. per jaar. Voor zowel de RWS-netwerken als het spoor is het basiskwaliteitsniveau (BKN) vastgesteld.

Dat geeft aan waar een weg, vaarweg, waterwerk of een spoorweg in de basis aan moet voldoen om gebruikers goed te kunnen blijven bedienen. Het vormt de basis van de instandhoudingsopgave. Door daarop te richten en binnen de gehele keten van beleid, uitvoering en marktpartijen goed samen te werken, kan toch zo veel mogelijk gedaan worden met de beschikbare mensen en middelen.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Voor wat betreft de MIRT-projecten is aan het lid Van Dijk toegezegd om voorafgaand aan het notaoverleg MIRT een prioritering aan te brengen in de MIRT-projecten en daarbinnen inzichtelijk te maken op basis van welke afwegingen volgend uit het analysekader deze prioritering is aangebracht. Daarbij wordt ook de motie van de leden Stoffer en Grinwis betrokken.4 Benadrukt wordt dat er ten aanzien van de MIRT-projecten nog geen keuzes zijn gemaakt. Hiervoor is meer tijd nodig. De integrale afweging kan pas plaatsvinden bij de voorjaarsbesluitvorming. Er is baat bij een ordentelijk proces. Dat is ook besproken met de regio’s. Uiteraard is bij de regio’s sprake van teleurstelling, maar er is ook begrip. De regio heeft met vergelijkbare problematiek te maken. In de Bestuurlijke Overleggen (BO’s) MIRT is daarom slechts een beperkt aantal nieuwe besluiten genomen ten aanzien van infrastructuurprojecten. Het budgettaire kader is - naast de vergunbaarheid en maakbaarheid - voor deze kabinetsperiode echter het uitgangspunt waarbinnen, wederom, scherpe keuzes moeten worden gemaakt. Grote projecten die in het Regeerprogramma expliciet zijn genoemd, kunnen alleen een stap verder worden gebracht door het bestaande MIRT-programma erbij te betrekken en integraal af te wegen. Deze scherpe keuzes moeten daarnaast ook hand in hand gaan met het verbeteren van de beheersing.

Voorkomen moet worden dat het starten van nieuwe of gepauzeerde projecten met onvoldoende beheersing leidt tot kostenoverschrijdingen en daarmee een nieuwe ronde herprioritering noodzakelijk maakt. Alleen zo kan de jaarlijkse investeringsruimte weer ingezet worden om nieuwe opgaven aan te pakken. Op dit moment komt jaarlijks na aftrek van verplichtingen circa € 1,5 mld. aan investeringsruimte beschikbaar door extrapolatie van de meerjarenraming van het 3

Kamerstuk 29 385, nr. 139

4 Kamerstuk 36 600-XII, nr. 49

Pagina 2 van 31

MF. In de Ontwerpbegroting 2025 is deze ruimte voor 2038 toegevoegd. In de Ontwerpbegroting 2025 is een deel hiervan (€ 400 mln.) ingezet ter dekking van het BKN spoor. Er resteert hiervan dus nog circa € 1,1 mld. In de ontwerpbegroting 2026 wordt hier weer een nieuwe tranche aan toegevoegd waardoor deze ruimte verder aan zal groeien.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Een substantieel deel van deze middelen zal ingezet moeten worden ter dekking van tegenvallers, reeds voorziene kostenstijgingen bij de projecten die al in realisatie zijn en onvoorziene tegenvallers, zoals bij de A27 Houten – Hooipolder en de ViA15. Het gaat hier om grote bedragen. De inzet is vanzelfsprekend om deze kostenstijgingen door scopeaanpassing en een andere fasering en contractering zoveel mogelijk te beperken. De mogelijkheid hiertoe bij projecten die reeds een vastgesteld projectbesluit hebben is evenwel beperkt. Bij projecten die ook al zijn gecontracteerd is er nog minder ruimte om dit te doen. Tegenover de (al dan nog resterende) investeringsmiddelen, staan dan onder meer de ambities en opgaven opgenomen zoals in het Regeerprogramma. Aan de toezegging aan het lid Van Dijk om een prioritering aan te brengen in de MIRT-projecten en daarbinnen inzichtelijk te maken op basis van welke afwegingen volgend uit het analysekader deze prioritering is aangebracht, zal stapsgewijs worden voldaan. De eerste stap is om criteria vast te stellen aan de hand waarvan de weging plaats zal vinden.

In willekeurige volgorde betreft het de volgende criteria: • de benodigde personele en financiële middelen, • de bijdrage aan de woningbouwopgave, • de fase waarin het MIRT-project zich bevindt (realisatie, planning- en studies, verkenning of onderzoek), • de mate waarin het MIRT-project bijdraagt aan maatschappelijke opgaven op terrein van bereikbaarheid, (verkeers)veiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid, • de mate waarin het project bijdraagt aan het functioneren van internationale, nationale of regionale netwerken, • de mate waarin sprake is van cofinanciering door andere overheden of partijen, • de regionale verdeling, • het zicht op de vergunbaarheid (stikstofruimte). Het doel is om richting het voorjaar te komen tot een integrale afweging tijdens de voorjaarsbesluitvorming. De onderdelen van de motie van de leden Stoffer en Grinwis over de strategische keuzes met betrekking tot de budgetspanning en de mogelijke risico’s van budgettekorten worden hierin meegenomen. Het gaat hierbij nadrukkelijk om een politieke en bestuurlijke weging. De inzet van IenW is daarom om in de eerste plaats recht te doen aan de prioriteiten zoals deze in het Regeerprogramma zijn opgenomen.

Naast het mogelijk maken van de groeiende opgave van instandhouding, betekent dat het zetten van bijvoorbeeld vervolgstappen met de Lelylijn, Nedersaksenlijn en OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer, en is het de wens van IenW om ieder jaar één van de gepauzeerde projecten op te starten (onder voorbehoud van de benodigde vergunningsruimte, financiële middelen en personeel waarna al dan niet wordt begonnen met de opstart, zoals vermeld in het Regeerprogramma). Daarnaast is het de intentie om met de aannemerscombinatie tot overeenstemming te komen over de realisatie de ViA15 en de “kansrijke” stikstofprojecten verder te brengen. Tot slot is de inzet om een aantal kleine maatregelen te treffen om de Pagina 3 van 31

bereikbaarheid zo goed mogelijk op orde te houden. Gegeven het hierboven geschetste financieel kader en de beperkte maakbaarheid, is dit zeer ambitieus te noemen en kan dit alleen met een combinatie van enerzijds een verscherpte beheersing op de inzet van de beschikbare middelen, capaciteit en stikstofruimte en anderzijds prioritering binnen het bestaande MIRT-programma waarbij rekening wordt gehouden met de opgave voor instandhouding. Zoals hierboven aangegeven wordt de Kamer bij de voorjaarsnota 2025 nader geïnformeerd over de integrale afweging binnen het MF.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Het besluit rond de inzet van de restbudgetten van de gepauzeerde projecten (in totaal zo’n € 700 mln.), moet in dit licht worden bezien. De Kamer heeft op 20 juni 2024 het beoordelingskader voor de inzet van restbudgetten ten behoeve van mitigerende maatregelen ontvangen, waarin ook het besluitvormingsproces daaromtrent is uiteengezet.5 In lijn met dit proces heeft de regio – na samenspraak met ambtelijk IenW – in september voorstellen voor de maatregelpakketten ingediend. IenW heeft hierover vervolgens besloten. Daarbij zijn niet alle voorstellen gehonoreerd. De gereserveerde budgetten zullen als volgt worden ingezet: 1. € 47 mln. wordt ingezet voor een tweetal kleine, maar belangrijke maatregelen: de A4/N211 Harnaschknoop en verbindingsboog A1/A30. Hierbij worden delen van de projecten A4 Haaglanden – N14 en A1/A30 gerealiseerd. Vanwege schaarse RWS-capaciteit, is een voorwaarde van IenW dat de provincie Zuid-Holland de realisatie (incl. planuitwerking) van de A4/N211 op zich neemt. 2. € 159 mln. wordt beschikbaar gesteld aan de regio’s voor de voorstellen van de regio tot mitigerende maatregelenpakketten. Mitigerend in de zin dat ze een (beperkte) oplossing bieden voor de oorspronkelijke problematiek die een gepauzeerd project beoogde op te lossen.

Deze voorstellen zijn positief beoordeeld door IenW langs de lat van het gezamenlijk afgestemde beoordelingskader tussen Rijk en regio. Het betreft maatregelen(pakketten) voor een werkgevers- en logistieke aanpak, voor OV en fiets, voor een aanpak van sluipverkeer op het onderliggend wegennet of een korte termijn aanpak met ondersteunende fysieke maatregelen. Het gaat om de volgende projecten: A58 Stedelijke Regio Breda Tilburg (€ 23 mln.), A2 Deil – Vught (€ 54 mln.), A15 Papendrecht-Gorinchem (€ 16 mln.), A4 Haaglanden – N14 (€ 16 mln.) en A1/A28 knooppunt Hoevelaken (€ 50 mln.). Ook voor deze maatregelen geldt dat de regio deze moet kunnen uitvoeren. 3. De verdeling van de resterende circa € 490 mln. loopt mee in de voorjaarsbesluitvorming 2025. Intentie is om dit bedrag deels te reserveren voor de herstart van projecten en deels voor kleine maatregelen, gericht op het verbeteren van het autonetwerk (op OWN of HWN) of de doorstroming van automobiliteit op het nationale netwerk. Een eventuele reservering voor kleinere maatregelen kent daarbij een maximum van € 290 mln. Onder voorbehoud van de integrale weging blijft er zo minimaal € 200 mln. beschikbaar voor de herstart van projecten. Maakbaarheid en stikstofruimte zijn daarbij randvoorwaarden. De regio’s is gevraagd met voorstellen te komen die op korte termijn te realiseren zijn.

Definitieve besluitvorming over deze maatregelen loopt mee met de integrale besluitvorming rond het MF in het kader van de voorjaarsbesluitvorming 2025. De exacte voorwaarden aan de hand waarvan deze maatregelen worden getoetst, zullen nog dit najaar, na 5 Kamerstuk 36 410-A, nr. 61

Pagina 4 van 31

overleg met de regio’s door IenW worden vastgesteld. Anders dan de besluiten 1 en 2 hoeft er geen directe koppeling te zijn met de opgaven waarvoor de gepauzeerde projecten een oplossing bieden. Voorwaardelijk is wel dat de maatregelen maakbaar moeten zijn (onder andere stikstof) en er geen personele inzet van RWS voor de realisatie van de maatregelen nodig is. Dit betekent dat de resterende projectbudgetten op nul worden gezet en niet meer beschikbaar zijn binnen het project. Wel blijven de projecten in het MIRT-overzicht opgenomen.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Verder verzoekt de motie van de leden Stoffer en Grinwis om inzicht te geven in de precieze budgetbehoefte voor instandhouding en nieuwe infrastructuurprojecten tot 2038 in verhouding tot de hiervoor beschikbare middelen. Om aan dit deel van de motie invulling te geven, wordt verwezen naar het overzicht met mogelijke financiële tegenvallers en nieuwe beleidswensen van meer dan € 500 mln. dat eerder aan informateur Plasterk is verstrekt. Dit overzicht biedt een grof overzicht van de mogelijke financiële vraagstukken over de gehele looptijd van het MF. Het overzicht laat ook zien dat er scherpe inhoudelijke keuzes nodig zijn om het lopende programma in te blijven passen binnen het MF. Het spreekt voor zich dat dit binnen de begrotingsregels moet gebeuren. Bij het overzicht moeten de volgende punten in acht genomen worden: • De motie vraagt om de precieze budgetbehoefte voor nieuwe infrastructuurprojecten. Een gedetailleerd actueel inzicht, post per post, kan niet openbaar gemaakt worden omdat het hier om marktgevoelige informatie gaat. Desgewenst kan de Kamer hier vertrouwelijk over worden geïnformeerd. • Voor wat betreft de instandhouding RWS wordt verwezen naar de brief aan de Kamer inzake de validatie van de budgetbehoefte van de RWSnetwerken. • De tegenvaller op het BKN spoor is verminderd door alsnog een stevig pakket aan versobering en efficiencymaatregelen te treffen.

Hierdoor was circa € 900 mln. extra benodigd vanuit het MF ter dekking hiervan. • De budgetten van projecten- en programma’s zijn in beginsel taakstellend. Dit betekent dat tegenvallers ingepast dienen te worden middels scopeaanpassingen of fasering. De regels budgetdiscipline stellen dat departementen tegenvallers zelf inpassen door middel van keuzes elders binnen de eigen begroting. Dat geldt ook voor het MF. • Er zijn ook kostenstijgingen en tegenvallers die kleiner zijn dan € 500 mln. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het project Kornwerderzand. • Bij de A27 Houten – Hooipolder worden de ontwerpen en planningen momenteel nader uitgewerkt door de opdrachtnemers. Hierbij is het beeld dat de kosten aanzienlijk hoger uitvallen dan eerder was voorzien. Deze inzichten zullen worden betrokken bij een besluit over deze tegenvaller bij de integrale besluitvorming voorjaarsnota 2025, waarna de Kamer hierover zal worden geïnformeerd. • Er zijn nieuwe kostenramingen voor de Lelylijn en Nedersaksenlijn met de Kamer gedeeld.6 • Ook heeft de Kamer inzicht gekregen in de mogelijke meerkosten van de intelligente wegkantstations.

6 Kamerstuk 36 600-A, nr. 6

Pagina 5 van 31

Naast het voorgaande is er in de BO’s MIRT 2024 gesproken over verschillende MIRT-projecten en -programma’s. Met het vervolg van deze brief wordt de Kamer, mede namens de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, geïnformeerd over de uitkomsten van de BO’s MIRT 2024 en over de laatste ontwikkelingen binnen de verschillende MIRT-projecten en -programma’s. Een volledig overzicht van alle gemaakte bestuurlijke afspraken is te vinden in de bijlage bij deze brief.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Het vervolg van deze brief is als volgt opgebouwd: 1. Terugmelding afspraken BO’s MIRT en voortgang MIRT-projecten en programma’s 1.1. Regio Zuidwest 1.2. Regio Zuid 1.3. Regio Noord 1.4. Regio Noordwest 1.5. Regio Oost 1.6. Goederenvervoercorridors 1.7. Algemeen 2. Moties en toezeggingen in het kader van het MIRT 3. Slot 1. Terugmelding afspraken BO’s MIRT en voortgang MIRT-projecten en programma’s In het MIRT is afgelopen periode weer hard gewerkt aan het volbrengen van tal van MIRT-projecten. Zo kan na de uitspraak van de Raad van State een vervolg worden gegeven aan de ViA15, om de doorstroming rond Arnhem en Nijmegen te verbeteren. Dat is in Groningen al gebeurd; eerder dan gepland ging daar de Zuidelijke Ringweg open, belangrijk voor de bereikbaarheid en veiligheid van weggebruikers. Ook op het spoor gebeurt veel; begin 2025 starten de werkzaamheden voor verbetering van de Maaslijn, een belangrijk regionaal spoortraject dat er voor zorgt dat dieseltreinen vervangen kunnen worden voor elektrische treinen. Tevens zijn afspraken gemaakt over de cofinanciering van twaalf doorfietsroutes door het hele land, zodat mensen makkelijker en veiliger met de fiets naar het werk kunnen. Op en aan het water houdt ons werk ook niet op. Met de feestelijke opening van de Nieuwe Sluis in Terneuzen krijgt Zeeuws-Vlaanderen een economische boost en kunnen schepen sneller doorvaren.

Ook is de aanleg begonnen van de projecten Meanderende Maas en Lauwersmeer-Vierhuizergat, om de waterveiligheid in Brabant, Gelderland en Groningen te vergroten. Ten slotte zet IenW ook in op infrastructuur ten behoeve van nieuwe woningen. Dit kabinet voegt € 2,5 mld. toe aan het MF om deze (nieuwe) woningen te ontsluiten. De ministeries van VRO en IenW stemmen de gebiedsgerichte investeringen voor nieuwe woningbouw (onderdeel van de € 5 mld.) en de investeringen in bijbehorende infrastructuur (€ 2,5 mld.) op elkaar af. De verwachting is om komend voorjaar bij de Bestuurlijke Overleggen Leefomgeving (BOL’s) 2025 de eerste afspraken hierover te kunnen maken. 1.1. Regio Zuidwest In het BO MIRT Zuidwest is een open gesprek gevoerd over het Regeerprogramma, opgaven in de regio én over de samenwerking Rijk-regio de komende jaren. Aandacht is gevraagd voor gezamenlijke realisatiekracht en randvoorwaarden. Vanuit Rijkszijde is uitgesproken om na de studie van het Pagina 6 van 31

Toekomstbeeld Midden-Zeelandroute met gelijkwaardige inspanning de ruimtelijke en infrastructurele keuzes te maken die zullen landen in een gezamenlijke propositie ter besluitvorming aan het kabinet, Gedeputeerde Staten en betreffende colleges van burgemeester en wethouders. Met Zeeland is een afspraak gemaakt voor financiering van Zeeland Bereikbaar voor de periode 20252028. Hiermee kan het samenwerkingsverband voor een gezamenlijke hinderaanpak opgestart worden.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Met Zuid-Holland zijn afspraken gemaakt over het inzetten van een deel van de restbudgetten van de gepauzeerde projecten A4 Haaglanden – N14 en A15 Papendrecht – Gorinchem. Voor beide projecten zijn maatregelen afgesproken die een bijdrage leveren aan het tegengaan van de negatieve gevolgen van pauzeren met een omvang van € 16 mln. voor de A4 Haaglanden – N14 en € 16 mln. voor de A15 Papendrecht – Gorinchem. Voor de capaciteitsuitbreiding van de aansluiting van de N211 op de A4 (Harnaschknoop) is het besluit tot realisatie genomen. IenW draagt de kosten en de provincie Zuid-Holland zal het werk uitvoeren. Op het BO MIRT Zuidwest is een terugmelding gedaan uit het BO goederenemplacement IJsselmonde dat op 5 november plaatsvond en waarin Rijk, gemeente Rotterdam en Havenbedrijf Rotterdam deelnamen. Voor de verdere uitwerking van het project station Stadionpark wordt, met het oog op o.a. ruimte voor extra woningbouw, verplaatsing van goederenemplacement IJsselmonde als uitgangspunt gehanteerd. De betrokken partijen (Rijk, gemeente Rotterdam en Havenbedrijf Rotterdam) werken, onder voorbehoud van diens politieke besluitvorming (waaronder financiering), het daarvoor benodigde investeringsbesluit richting BOL en/of BO MIRT verder uit en spreken elkaar hierover in februari 2025.Dit onder voorbehoud van (politieke) besluitvorming van genoemde betrokken partijen. 1.1.1.

Openstelling Blankenburgverbinding Op 7 december 2024 wordt de Blankenburgverbinding opengesteld voor het verkeer. Deze nieuwe snelweg, de A24, verbindt de A20 bij Vlaardingen (noordoever) en de A15 bij Rozenburg (zuidoever) en draagt bij aan een robuust netwerk. Hiermee neemt de drukte op de A15 en de Beneluxcorridor af en verbetert de bereikbaarheid tussen de Rotterdamse haven en de Randstad. Met de openstelling is het project nog niet volledig afgerond. Er vinden nog afrondende werkzaamheden plaats, zoals het asfalteren van de A15 en het verder aanleggen van diverse groenvoorzieningen. Dit in samenwerking met de omgevingspartijen. Deze afrondende werkzaamheden lopen naar verwachting nog door tot eind 2025. 1.1.2. Bestuursovereenkomst Randstadrail Metronet Tijdens het BO MIRT 2024 hebben de Metropoolregio Rotterdam Den Haag (MRDH) en IenW de bestuursovereenkomst (BOK) Randstadrail Metronet ondertekend. In de BOK zijn afspraken gemaakt over investeringen in uitbreiding van het Metronet Rotterdam en de Randstadrail door de MRDH. In totaal gaat het om een investering van € 550 mln., waarvan de MRDH en IenW ieder de helft voor hun rekening nemen. De uitbreiding behelst: 1. Het gekoppeld rijden op RandstadRail Lijn 4 (Den Haag – Zoetermeer Station Lansingerland); 2.

Het gekoppeld rijden op RandstadRail Lijn 2 (Den Haag – Leidschendam) of Lijn 3 (Den Haag – Zoetermeer Centrum) in het stedelijk gebied van Den Haag;

Pagina 7 van 31

3. Verhoging van het aantal metro’s op de E-lijn (Den Haag Centraal – Pijnacker – Rotterdam Centraal – Slinge) per 2030 en op de C-lijn (Capelle aan den IJssel – Blaak – Schiedam – Spijkenisse) per 2032-2035; 4. Het vergroten van de capaciteit en doorstroming van metrostation Beurs rond 2035; 5. Het vernieuwen van de spoorbeveiliging van het gezamenlijk spoor van RandstadRail en Metronet om hier vaker te kunnen rijden.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

1.1.3. Opening Nieuwe Sluis Terneuzen Op 11 oktober 2024 is door de koning van Nederland en de koning van België de Nieuwe Sluis in Terneuzen officieel geopend. De gezamenlijke opening onderstreept de prettige onderlinge samenwerking waarin dit project met succes tot stand is gekomen en het grensoverstijgende belang van de Nieuwe Sluis in Terneuzen. De Nieuwe Sluis zorgt voor een betere toegang en snellere doorstroming voor scheepvaart vanaf de Westerschelde naar het Kanaal van Gent naar Terneuzen en verder. De komst van de Nieuwe Sluis zorgt voor nieuwe economische activiteiten in zowel de Zeeuws-Vlaamse als de Vlaamse regio en een betere benutting van het economisch potentieel van de Kanaalzone in beide regio's. De capaciteit van de sluizen neemt toe, waardoor de wachttijd voor binnenvaartschepen afneemt. 1.2. Regio Zuid In het BO MIRT Zuid is gesproken over de brede waaier aan opgaven in Brabant en Limburg. Hoewel het pauzeren van enkele wegenprojecten met name in Brabant behoorlijke impact heeft, werken regio en Rijk samen aan het zo goed mogelijk bereikbaar houden van de regio. Daarbij is ook de aandacht voor de grensoverschrijdende projecten. Door de ligging van Brabant en Limburg lopen er meerdere goederencorridors door deze provincies. Beide provincies hebben daar sociaal economisch voordeel van, maar ondervinden lokaal ook de lasten.

Ook voor personenvervoer zien Rijk en regio mogelijkheden om Nederland beter met de buurlanden te verbinden. Om dit in samenhang te doen, is het afgelopen jaar een Multimodale Agenda voor Zuid-Nederland opgesteld. Hierin zijn zes hoofdopgaven gedefinieerd, die het komende jaar verder worden uitgewerkt. 1.2.1. Brainport Met de extra impuls uit het Beethovenconvenant onderstreept het kabinet het belang van de Brainportregio voor heel Nederland.7 De afspraken uit het Beethovenconvenant zijn tijdens het BO MIRT verder uitgewerkt en vastgelegd. Over de mobiliteitsprojecten die daar onderdeel van uitmaken, zijn afspraken gemaakt om zo snel mogelijk tot uitvoering te komen. Naar verwachting kan in 2025 een voorkeursbeslissing voor de multimodale OV-Knoop Eindhoven worden genomen. Daarmee verbetert de lokale en regionale bereikbaarheid door een nieuw busstation en wordt tegelijk de spoorknoop Eindhoven toekomstvast aangepakt. Ook is afgesproken om richting het volgende BO MIRT te kijken of en hoe de extra perrons ten aanzien van de spoorknoop Eindhoven op een slimme wijze kunnen worden gerealiseerd, zodat werk met werk kan worden gemaakt in de spoorknoop. In de eerste helft van 2025 kunnen de bussen over de vluchtstrook van de A67 rijden. De andere Bus op Vluchtstrook-trajecten – eerst de A2, dan de A50 – worden met prioriteit daarna gerealiseerd.

Tot slot zijn voor de MIRT-verkenning naar het verbeteren van de A2/N2 en de Brainportlijn afspraken gemaakt om in het voorjaar van 2025 formeel te kunnen starten.

7 Kamerstuk 33 009, nr. 141

Pagina 8 van 31

1.2.2. Wilhelminakanaal Sluis II IenW heeft de projectbeslissing genomen waarmee de realisatie van het project Wilhelminakanaal Sluis II kan worden opgestart en Tilburg uiteindelijk bereikbaar kan worden gemaakt voor klasse IV schepen. Nadere afspraken over onder andere de cofinanciering van het project door Noord-Brabant en Tilburg zullen uiterlijk begin 2025 in een bestuursovereenkomst definitief worden bevestigd.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

1.2.3. AROV/Spoorbrug Maastricht Rijk en de provincie Limburg hebben in lijn met en binnen de gestelde kaders van de Kamerbrief van 20 juni 2024 (en binnen het beschikbare budget van € 36,7 mln. (prijspeil 2024)) afspraken gemaakt over de herbestemming van de Rijksbijdrage voor de tram Hasselt – Maastricht, in het kader van het Actieprogramma Regionaal Openbaar Vervoer (AROV) voor het verbeteren van de regionale en internationale bereikbaarheid.8 De provincie Limburg zal er met deze middelen voor zorgdragen dat de overwegaanpassingen tussen Maastricht en Eijsden voor de tweede Drielandentrein naar Luik worden uitgevoerd en de spoorbrug in Maastricht inclusief de pijlers wordt gesloopt, wat leidt tot het oplossen van een maritiem knelpunt en daling van de waterstand in de Maas van circa 5 cm. Daarnaast worden de gronden en assets van ProRail westelijk van de spoorbrug door de provincie Limburg verworven. Tevens zal de provincie Limburg een afspraak maken met de gemeente Maastricht over de AROV-bijdrage aan de nieuwe langzaam-verkeersbrug onder de voorwaarde dat gemeente Maastricht uiterlijk in 2026 de benodigde vergunning voor sloop van de spoorbrug zal afgeven. De AROV-overeenkomst zal met een bestuursovereenkomst worden beëindigd en zullen door de provincie Limburg nieuwe projectovereenkomsten worden opgesteld. In lijn met de motie van het lid De Hoop c.s.

zijn verschillende mogelijkheden voor de spoorbrug samen met de regio onderzocht in Toekomstbeeld Spoorbrug Maastricht.9 Dit heeft aan de basis gelegen van deze afspraak. 1.2.4. Meanderende Maas Op 9 juli 2024 is de Bestuursovereenkomst Realisatie Meanderende Maas door alle betrokken partijen ondertekend.10 Dit project is daarmee officieel overgegaan naar de realisatiefase. Gewerkt wordt aan maatregelen op het gebied van hoogwaterveiligheid (dijkversterking en rivierverruiming), de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) en regionale (gebieds)opgaven zoals natuur, recreatie en cultuurhistorie. Vanuit IenW is hiervoor in totaal € 46,88 mln. beschikbaar vanuit het Deltafonds. Het project is naar verwachting in 2030 gereed. 1.3. Regio Noord In het BO MIRT Noord is uitgebreid gesproken over de Lelylijn en de Nedersaksenlijn. Er is veel waardering geuit voor de uitgevoerde onderzoeken en de opgestelde rapporten. Er is geconcludeerd dat beide lijnen en de daarmee samenhangende gebiedsontwikkeling inhoudelijk de intentie onderstrepen om een vervolgstap te willen zetten. In het Hoofdlijnenakkoord en Regeerprogramma is er geen budget vrijgemaakt voor de Lelylijn en Nedersaksenlijn.

Doordat er evenwel geen zicht is op 75% van de financiering, kan voor zowel de Lelylijn als de Nedersaksenlijn nog geen startbeslissing worden genomen voor een MIRTverkenning. Er is afgesproken dat Rijk en regio voor het eind van het jaar een vervolggesprek hebben over deze lijnen. Kamerstuk 36 410-A, nr. 61 Kamerstuk 29 9844, nr. 959 10 Staatscourant nr. 23 978, d.d. 24 juli 2024 8 9

Pagina 9 van 31

Verder is kort stilgestaan bij het sluiscomplex Kornwerderzand en de bereikbaarheid van Ameland. Voor beide onderwerpen wordt een vervolgoverleg georganiseerd. Tot slot is de Hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl aan bod gekomen. Voor de Friese bruggen Kootstertille en Spannenburg zullen uiterlijk in december 2024 bestuurlijke afspraken worden gemaakt. Voor de Groningse Paddepoelsterbrug zijn afspraken gemaakt over de bouw van een nieuwe brug.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

1.3.1. Zuidelijke Ringweg Groningen Op 1 september 2024 is de Zuidelijke Ringweg Groningen opengesteld voor verkeer. Dit is eerder dan de geplande openstelling in 2025 die eerder is gecommuniceerd.11 De nieuwe infrastructuur verbetert de bereikbaarheid van belangrijke bestemmingen in de stad, de doorstroming van het verkeer en is met aandacht voor detail ingepast in de stad-Groninger leefwereld. Rondom de opening zijn diverse activiteiten georganiseerd om dit moment te markeren. Met de openstelling is het project nog niet volledig klaar. Er vinden nog afrondende werkzaamheden plaats, zoals het afbreken van oude infrastructuur en de aanleg van het Zuiderplantsoen. Dit loopt naar verwachting nog door tot in het derde kwartaal van 2025. 1.3.2. N33 Midden en N33 Noord Tijdens het BO MIRT 2024 hebben Rijk en regio besloten tot een programmatische benadering voor de N33 Midden en Noord. Het doel hiervan is om samenhangende keuzes te maken voor de tracédelen Midden (Zuidbroek – Appingedam) en Noord (Appingedam – Eemshaven). Daarnaast zal samen met onder meer het project Eelwerderbrug (onderdeel van het Programma Vernieuwing Hoofdwegen), ingezet worden op overkoepelende communicatie richting de omgeving. Het MIRT-onderzoek N33 Noord wordt momenteel voortvarend uitgevoerd.

Hierbij wordt nadrukkelijk ingezet op brede participatie van medeoverheden, bewoners, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Tijdens het BO MIRT 2025 worden de uitkomsten van het onderzoek geagendeerd. Het streven is dat partijen dan besluiten over het vervolg kunnen nemen. Voor de N33 Midden hebben partijen afgesproken om een kwartiermakersfase in te stellen voor de gefaseerde herstart. Het uitgangspunt is dat dit zo snel mogelijk plaatsvindt, zodra er voldoende zicht is op de benodigde stikstofruimte, financiën en personele capaciteit. 1.3.3. Knelpunten hoofdwegennet en onderliggend wegennet In het BO MIRT 2023 hebben het Rijk en de provincie Drenthe afspraken gemaakt over de aanpak van een drietal knelpunten op het snijvlak van het hoofdwegennet en het onderliggend wegennet. Vanwege een herijking van het investeringsprogramma Verkeer en Vervoer van de provincie, zijn de twee voorgenomen maatregelen voor de knelpunten A28/N855 en A37/N376 komen te vervallen. Ter vervanging hebben partijen afgesproken de middelen nu in te zetten voor kortetermijnmaatregelen bij de N33/N34 knooppunt Gieten en realisatie van een rotonde op de kruising van A32 aansluiting 4. Deze maatregelen worden uitgevoerd door de provincie en zijn uiterlijk 2026 gereed. Over de aanpak van het knelpunt A7 afrit 34 Leek hebben Rijk en de provincie Groningen definitieve afspraken gemaakt.

De infrastructurele maatregelen zijn gericht op voorkomen van terugslag op de A7 en het bevorderen van de veiligheid en afwikkeling van het lokale verkeer. Maatregelen worden uitgevoerd onder regie 11 Kamerstuk 36 600-A, nr. 4

Pagina 10 van 31

van de provincie Groningen. Het streven is om de maatregelen uiterlijk halverwege 2027 gereed te hebben. 1.3.4. Lelylijn en Nedersaksenlijn In het Regeerprogramma en het Hoofdlijnenakkoord staan de Lelylijn en Nedersaksenlijn opgenomen als belangrijke spoorlijnen. Het kabinet zou graag een stap willen zetten. De afgelopen twee jaar is door Rijk en regio constructief samengewerkt aan de MIRT-onderzoeken Lelylijn en Nedersaksenlijn. Daarbij is de afgelopen periode gewerkt om de deelrapportages, die eerder naar de Kamer zijn gezonden, samen te voegen tot eindrapportages.12 Met deze brief worden deze eindrapportages ook aangeboden (zie bijlagen). In het BO MIRT zijn beide rapportages vastgesteld. De rapportages onderstrepen de intentie om voor beide lijnen een vervolgstap te willen zetten.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Op dit moment is de tijd daar echter nog niet rijp voor. Met het kabinet is nog geen standpunt ingenomen hoe het beste verder gegaan kan worden met deze twee projecten. Enerzijds zijn er grote ambities en wordt gezien dat beide spoorlijnen van meerwaarde kunnen zijn voor Noordelijk Nederland. Uit de vastgestelde rapportages blijkt dat de Lelylijn en Nedersaksenlijn een belangrijke rol kunnen spelen in de toekomst van Noordelijk Nederland. De twee spoorlijnen bieden in potentie een grotere kans op werk voor de inwoners van Noordelijk Nederland en belangrijke voorzieningen zoals ziekenhuizen, scholen en culturele instellingen worden beter bereikbaar. Daarnaast zouden de spoorlijnen veel nieuwe woningen kunnen ontsluiten. Anderzijds is er op dit moment geen zicht op de financiële middelen die nodig zijn voor deze projecten en liggen er ook op het gebied van maakbaarheid uitdagingen. Volgens de MIRT-spelregels ontbreekt het benodigde zicht op 75% van de financiering van het meest waarschijnlijke alternatief, waardoor er nu nog geen stap naar een MIRT-verkenning gezet kan worden. Op dit moment heeft het kabinet ruim € 3,4 mld. voor de Lelylijn gereserveerd en € 87 mln. voor de Nedersaksenlijn. Voor de Lelylijn is nog zo’n €7 mld. nodig en voor de Nedersaksenlijn zo’n € 1,3 mld. om aan de eis van zicht op 75% financiering te voldoen.

In het BO MIRT 2024 tussen het ministerie en provinciale bestuurders, is nadrukkelijk gevraagd om zo spoedig mogelijk duidelijkheid over het vervolg te verschaffen. Daarvoor is ook vanuit Rijkszijde veel begrip. Toch vraagt zo een belangrijk besluit om zorgvuldigheid. Gegeven alle invalshoeken en de grote hoeveelheid betrokken partijen (o.a. zes provincies, tientallen gemeenten, zes waterschappen, veel maatschappelijke organisaties – scholen, ziekenhuizen, milieuorganisaties – en het regionale bedrijfsleven) wordt het een grote uitdaging om voor het eind van dit jaar tot een gedragen besluit te komen. Het ministerie gaat zich hiervoor maximaal inspannen. Het kabinet blijft de komende periode met de betrokken partijen in gesprek en ook binnen het kabinet worden de gesprekken vervolgd. In het overleg met de regio is afgesproken om voor het einde van dit jaar een vervolggesprek te plannen, waarin met de regio over een vervolgstap van Lelylijn en Nedersaksenlijn gesproken wordt. Dit ook conform de aangehouden moties van de leden De Hoop en Vedder over de Lelylijn13 en van de leden Grinwis c.s. over de Nedersaksenlijn14, en de kamerbreed aangenomen motie van de leden Pierik en Van Dijk over de Nedersaksenlijn.15 Uiterlijk bij voorjaarsnota (april

Kamerstuk 36 600-A, nr. 6 Kamerstuk 29 984, nr 1211 14 Kamerstuk 36 600-XII, nr. 52 15 Kamerstuk 36 600-XII, nr. 42 12 13

Pagina 11 van 31

2025) zal door het kabinet het definitieve besluit over de vervolgstappen voor de Lelylijn en de Nedersaksenlijn worden genomen. 1.3.5. Spoor Meppel ProRail heeft in opdracht van het Rijk en met nauwe betrokkenheid van de regio een brede pre-verkenning uitgevoerd naar maatregelen rond Meppel. Hieruit is een voorstel naar voren gekomen voor het uitvoeren van maatregelen in drie stappen; op korte, middellange en lange termijn. Rijk en regio constateren dat het beschikbare budget ontoereikend is om het spoorknooppunt Zwolle-Meppel in volledigheid te kunnen aanpakken, in lijn met het amendement van het lid Grinwis c.s.16 Rijk en regio zijn daarom overeengekomen dat het beschikbare budget wordt ingezet voor de aanpassing van emplacement Meppel (waarbij er een vierde perronspoor wordt aangelegd) en verscheidene maatregelen op de korte termijn die de robuustheid verhogen. Overwegen behoeven nader onderzoek, waarbij resultaten van de studie naar de verbetering van bestaand spoor in het kader van het Deltaplan Noordelijk Nederland worden meegenomen. Tot slot is gekeken naar de inpassing van extra stations, waaronder station Staphorst conform de motie van het lid Pouw-Verweij.17 Voor een stop in Staphorst is extra rijtijd nodig. Deze moet gevonden worden bovenop de geplande tijdwinst uit lopende projecten. Hiermee is invulling gegeven aan de motie.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

1.3.6. Bereikbaarheid Ameland Over de bereikbaarheid van Ameland is afgesproken dat er op korte termijn een bestuurlijk overleg volgt met de Provincie Fryslân en de gemeente Ameland. De Kamer wordt nog voor het notaoverleg MIRT van 25 november a.s. met een separate brief geïnformeerd over de uitkomsten hiervan. 1.3.7. Hoofdvaarweg Lemmer – Delfzijl (fase 2) Voor diverse bruggen in Friesland en Groningen is vervanging voorzien in het kader van het nu lopende MIRT-programma voor de Hoofdvaarweg Lemmer Delfzijl. Het gaat om vijf Friese bruggen (Spannenburg, Uitwellingerga, Oude Schouw, Kootstertille en Schuilenburg) en drie Groningse bruggen (Paddepoelsterbrug, Gerrit Krolbrug en Busbaanbrug). In 2020 is afgesproken dat het Rijk en de regio een haalbaarheidsstudie voor het realiseren van aquaducten voor de bruggen Spannenburg en Kootstertille opstellen. Het Rijk heeft een financieringsvoorstel van de provincie ontvangen. Dit voorstel is aanzienlijk hoger dan het Rijk aan middelen beschikbaar heeft. Provincie en Rijk hebben afgesproken om uiterlijk in december 2024 tot bestuurlijke afspraken te komen over de bruggen Spannenburg en Kootstertille. In 2023 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân aangegeven te overwegen een financieringsvoorstel voor een aquaduct voor Uitwellingerga in te dienen. De gemeente heeft aangegeven hiervan af te zien.

Voor de bruggen Spannenburg en Uitwellingerga gaat de voorkeur uit naar een draaibrug met een doorvaarthoogte van 7,40 m. Voor brug Spannenburg geldt dit tenzij er uit het bestuurlijke overleg over het financieringsvoorstel een andere uitkomst komt. Over brug Uitwellingerga is de Kamer recent afzonderlijk geïnformeerd met de beantwoording van schriftelijke vragen.18 In juni 2024 is de voorkeursbeslissing voor Oude Schouw genomen. Er is gekozen voor een draaibrug met een doorvaarthoogte van 7,40 m. Voor de aanleg van de Kamerstuk 36 410-A, nr. 43 Kamerstuk 36 200-XII, nr. 40 18 Aanhangsel van de Handelingen 2024-2025, nr. 234 16 17

Pagina 12 van 31

Paddepoelsterbrug heeft het Rijk een extra bijdrage van € 9,34 mln. aan de gemeente Groningen toegezegd, zodat de bouw van een nieuwe brug door kan gaan. Dit is onder voorbehoud van parlementaire goedkeuring van de begroting van IenW door beide Kamers. 1.3.8. Kornwerderzand Aan het lid Stoffer is toegezegd de Kamer zo mogelijk voorafgaand aan het notaoverleg MIRT te informeren over de resultaten van het gesprek met de regio inzake het sluizencomplex Kornwerderzand. Op 24 oktober 2024 heeft er overleg plaatsgevonden met de gedeputeerden van Friesland, Overijssel en Flevoland. Dit overleg heeft niet geresulteerd in een (financiële) oplossing voor het verschil tussen de beschikbare middelen en de kosten. Hiermee is invulling gegeven aan de motie.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Tijdens het BO MIRT 2024 heeft IenW aangegeven dat het budget ontoereikend is. Op korte termijn wordt het overleg voortgezet om het eens worden over een (financiële) oplossing voor het vraagstuk Kornwerderzand en te komen tot een oplossing/voorkeursvariant. De regio is uitgenodigd om met een alternatief te komen. 1.3.9. PAGW-Project Lauwersmeer-Vierhuizergat Binnen de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) is voor het project Lauwersmeer-Vierhuizergat (onderdeel van de dijkversterking op dit traject) op 3 juni 2024 de Uitvoeringsovereenkomst getekend en is de realisatie gestart. Het gaat om het aanleggen van een dijkdoorgang met getijdengebied van 70 hectare in de Marnewaard, de aanleg van kunstmatige riffen en getijdenpoelen langs de dijk en het maken van een natuurlijke kwelder. Voor de realisatie is een PAGWbijdrage verstrekt van € 13,5 mln. De maatregelen kosten in totaal € 24,84 mln. Voor de overige kosten zijn bijdragen uit de regio verkregen. 1.4. Regio Noordwest Voor de Metropoolregio Utrecht (MRU) zijn in het BO MIRT Noordwest afspraken gemaakt over de vervolgfasen van de lopende MIRT-verkenning OV en Wonen en het MIRT-onderzoek A12-zone en Rijnenburg. In deze trajecten wordt integraal onderzoek gedaan naar de benodigde ingrepen voor de grootschalige woningbouwontwikkeling van Groot Merwede en Rijnenburg.

Voor de bereikbaarheidsopgaven zetten Rijk en regio zich in voor het nemen van een (voorlopig) voorkeursbesluit voor de Merwedelijn (MIRT-verkenning) in combinatie met vervolgstappen voor het HWN, OWN en fietsnetwerk (MIRT-onderzoek) in het BO MIRT 2025. Rijk en regio hebben de urgentie van een snelle realisatie van het gepauzeerde MIRT-project A1/A28 knooppunt Hoevelaken herbevestigd. Omdat er op dit moment geen zicht is op de volledige herstart is afgesproken dat het Rijk in samenspraak met de regio kijkt naar de mogelijkheden van fasering en opdeling in kleinere projecten. Daarnaast heeft IenW besloten € 50 mln. beschikbaar te stellen voor een maatregelenpakket uit de Mobiliteitsagenda Regio Amersfoort 2040, ter mitigatie van de effecten van het pauzeren van het project A1/A28 knooppunt Hoevelaken. De regio stelt eveneens € 50 mln. voor het maatregelenpakket beschikbaar. Rijk en regio werken het maatregelenpakket in 2025 nader uit. In de Metropoolregio Amsterdam (MRA) zijn verschillende (vervolg)afspraken gemaakt over de voorbereiding van grootschalige woningbouwlocaties in Flevoland. Onder meer is de ruimtelijk strategische verkenning voor grootschalige woningbouw in Almere Pampus vastgesteld. Afgesproken is te beginnen met de Pagina 13 van 31

uitwerking van de eerste fase van 7.500 woningen in dit nieuwe stadsdeel, waarbij het doel is ruim voor 2030 te starten met de bouw. Voor de (OV-)ontsluiting wordt € 54 mln. gereserveerd voor een HOV-verbinding tussen Almere Pampus en Almere Centraal. Verder is op initiatief van de regio afgesproken een ‘Pverkenning’ te starten naar de mogelijkheden en kansrijkheid van alternatieve bekostiging van een IJmeerverbinding, als alternatieve route naar de start van een MIRT-verkenning. Over Almere/Zeewolde Oosterwold hebben Rijk en regio afgesproken in fase 2 op basis van bestaande afspraken meer woningen toe te voegen. Na besluitvorming over de mogelijke komst van een defensiekazerne in Flevoland worden in 2025 nadere afspraken gemaakt over de verdere ontwikkeling van Oosterwold. Voor de HOV-verbinding Haarlem-Schiphol-Amsterdam is afgesproken te starten met een pilot Bus Rapid Transit.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

De MRA heeft aandacht gevraagd voor de grote beheer en onderhoudswerkzaamheden aan het hoofdwegennet in de komende jaren. Om de hinder hiervan zoveel mogelijk te beperken zijn alternatieve maatregelen nodig, waarbij het openbaar vervoer een belangrijke rol speelt. De regio is van mening dat dit haaks staat op de door het Rijk doorgevoerde korting op de BDU vanaf 2026 en stelt dat cumulatieve effecten moeten worden voorkomen. Voor het draaiend houden van de Ringen rond grote steden, waaronder die voor Amsterdam en Utrecht, zijn nadere afspraken gemaakt over de invulling en financiering. Voor Noord-Holland Noord is afgesproken dat er met medewerking van het Rijk een onderzoek start naar de bereikbaarheids- en verkeersveiligheidsopgaven van de multimodale Ring Alkmaar (spoorzone-N9N242), mede in relatie tot de woningbouwopgave en economische ontwikkelingen in het gebied. 1.4.1. Overdracht Merwedekanaal Utrecht-Vaartsche Rijn – Catharijnesingel Zuid Sinds de aanleg van het Amsterdam-Rijnkanaal hebben delen van de Vaartsche Rijn, het Merwedekanaal, en de Catharijnesingel alleen nog maar een regionale en lokale recreatieve en waterhuishoudkundige functie. Zodoende zou het doelmatiger zijn als het Rijk het eigendom, onderhoud en beheer overdraagt aan de gemeente Utrecht en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden.

Rijk en regio hebben daarom afgesproken om te streven naar een overdracht in het voorjaar van 2027. Het Rijk stelt voor de overdracht een budget van ten hoogste € 125 mln. beschikbaar en zal deze afspraak opnemen in de financiële programmering van RWS. De budgettaire verwerking volgt bij de voorjaarsnota 2025. De komende twee jaar worden gebruikt om een conceptovereenkomst uit te werken met daarin afspraken over onder andere de assets, het beheer en de onderhoudstaken, de exacte overdrachtsdatum, de definitieve overdrachtsvergoeding en de eventuele resterende risicoverdeling. 1.4.2. OV-verbinding Amsterdam – Haarlemmermeer Rijk en regio werken samen aan de verkenning OV-verbinding AmsterdamHaarlemmermeer. Doel van de verkenning is om ruimte te creëren in de Schipholtreintunnel waardoor meer nationale en internationale treinen kunnen rijden dan nu. Dit sluit aan bij de ambitie om over het gehele treinnetwerk meer treinen te rijden. Daarnaast is het doel om knelpunten op te lossen die zijn gesignaleerd in de Integrale Mobiliteitsanalyse (IMA). De toenemende mobiliteit binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) levert problemen op voor de OVbereikbaarheid. Als er niets wordt gedaan, worden de problemen in de toekomst steeds groter. Dit heeft gevolgen voor een (goede) ontsluiting van nieuwe woon-

Pagina 14 van 31

en werklocaties. Er moeten immers tot aan 2050 ruim 325.000 woningen worden bijgebouwd om in de vraag naar woningen te voorzien. In een Samenwerkingsovereenkomst hebben de samenwerkende partijen afspraken over o.a. financiën en risico’s vastgelegd.19 Eerder was de beoogde planning om eind 2025 de voorkeursbeslissing te kunnen nemen. Gebleken is dat deze planning te ambitieus is en bijgesteld moet worden. Dit komt omdat rekening gehouden moet worden met stedelijk gebied en bestaande infrastructuur, waaronder start- en landingsbanen van Schiphol. Het is geen sinecure om in deze omgeving een OV-verbinding toe te voegen. Daarnaast is er sprake van krapte van personeel, waardoor het ingewikkeld is om op het juiste moment de juiste expertise te kunnen verkrijgen. Dit is een algemene zorg die voor meer projecten helaas aan de orde is. De hernieuwde planning is om eind 2026 de beslisinformatie gereed te hebben voor het kunnen nemen van de voorkeursbeslissing.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

1.4.3. OV-verbinding Amsterdam Sloterdijk – Amsterdam Centrum Rijk en de regio Amsterdam hebben de samenwerkingsovereenkomst voor de MIRT-Verkenning OV-Verbinding Amsterdam Sloterdijk-Amsterdam Centrum ondertekend. Met deze overeenkomst leggen partijen afspraken vast over de samenwerking in de verkenningsfase. Het onderzoek richt zich op een betere bereikbaarheid en ontsluiting met openbaar vervoer tussen Sloterdijk en Amsterdam Centrum, specifiek voor de eerste fase van de grootschalige woningbouwontwikkeling in Haven-Stad. Deze samenwerkingsovereenkomst is een belangrijke mijlpaal in het verdere gezamenlijke proces. 1.4.4. Station Lelylaan In het BO MIRT 2020 is besloten om voor het project verbetering station Amsterdam Lelylaan door IenW € 15,8 mln. uit te trekken. Het project realiseert onder andere een nieuw stationsgebouw met een gecombineerde stationshal, een nieuwe fietsenstalling, een middeneiland en tramkeerlus. Hierdoor wordt de sociale veiligheid, beleving en kwaliteit van het station flink verbeterd. Op 9 juli 2021 is hierover een bestuursovereenkomst afgesloten met daarin een verdeelsleutel voor de kosten. Nu het project richting aanbesteding gaat is het noodzakelijk om de reserveringen te actualiseren.

Door de gestegen bouwkosten en langere doorlooptijd van het project leidt dit, volgens de afgesproken verdeelsleutel, tot een aanvullende bijdrage van IenW van € 10,01 miljoen. De budgettaire verwerking volgt bij voorjaarsnota 2025. 1.5. Regio Oost In het BO MIRT Oost is gesproken over maatregelen ten behoeve van de verkeersveiligheid bij het knooppunt A1/A30 en op de N36. Er is afgesproken dat Rijk en regio in gesprek blijven over de aanpak van het resterende deel van de N36. Over het realiseren van de verbindingsboog op de A1/A30 is een afspraak gemaakt. Ook is afgesproken om te starten met de eerste fase van de alternatievenstudie voor de keervoorziening Veluwelijn bij Hardewijk. Verder is er aandacht geschonken aan de planuitwerking van de N50 Kampen – Kampen Zuid en de afspraak voor een bijdrage van ruim € 1,3 mln. van het Rijk voor de doorfietsroute het Picobello Pad tussen Ede en Wageningen. Ten slotte is de voortgang op lopende zaken besproken, zoals de Landelijke Aanpak Benutten 19 Staatscourant 2024, 1439 nr. 1

Pagina 15 van 31

Mobiliteitsnetwerken. IenW maakt € 2,25 mln. vrij voor de Regionale Bereikbaarheidsaanpak in de provincie Gelderland. 1.5.1. ViA15 Ressen – Oudbroeken De Raad van State heeft op woensdag 2 oktober 2024 uitgesproken dat het Tracébesluit ViA15 onherroepelijk is. Het Tracébesluit lag sinds 2017 voor bij de Raad van State. De afgelopen jaren stond de beroepsprocedure voornamelijk in het teken van effecten van stikstofdepositie, de manier van berekenen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden en de manier waarop mogelijke schade aan deze natuurgebieden kon worden voorkomen. Met het onherroepelijke Tracébesluit ViA15 is zeker dat de A15 doorgetrokken mag worden tot de A12. Dit is belangrijk voor de bereikbaarheid van de regio Arnhem-Nijmegen, en voor een goede verbinding voor het goederenvervoer vanuit de Rotterdamse haven naar Duitsland en achterliggende aangrenzende landen.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Het onherroepelijk Tracébesluit betekent echter niet dat gelijk de schop in de grond kan: nadat alle voorbereidingen aan het Tracébesluit waren afgerond, is de projectorganisatie afgebouwd. Deze projectorganisatie moet, door RWS en door de aannemer, weer worden opgebouwd en er moeten nieuwe afspraken worden gemaakt over de kosten en over de bijbehorende nieuwe planning. De Kamer wordt geïnformeerd wanneer hierover meer duidelijkheid is. 1.5.2. Uitbreiding A1 Apeldoorn – Azelo Het project A1 Uitbreiding Apeldoorn – Azelo nadert zijn voltooiing. Met het project worden extra rijstroken in beide rijrichtingen toegevoegd, waarmee de doorstroming en de verkeersveiligheid verbeteren en de economische ontwikkeling wordt gestimuleerd. Tussen Twello en Azelo zijn de werkzaamheden al in 2020 en 2021 afgerond. Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan het traject tussen Apeldoorn-Zuid en Twello. Op dit traject, waar emissieloos gewerkt wordt, vinden in het laatste kwartaal van 2024 nog diverse asfalteerwerkzaamheden plaats. Afhankelijk van het weer lopen deze nog door tot in het eerste kwartaal van 2025. Zodra deze werkzaamheden gereed zijn kan de weg in zijn geheel worden opengesteld. Na openstelling vinden er nog diverse afrondende werkzaamheden plaats, zoals het terugbrengen van beplanting en herstel van aansluitingen op het onderliggend wegennet.

Naar verwachting loopt dit door tot in het tweede kwartaal van 2025. 1.5.3. MIRT-verkenning A50 Ewijk – Bankhoef – Paalgraven Eerder dit jaar is het voorkeursalternatief A50 Ewijk – Bankhoef – Paalgraven vastgesteld en de bestuursovereenkomst met regionale partijen getekend. Hiermee is de MIRT-verkenning afgerond. Rijk en regio blijven vooruitlopend op de planning- en studiefase in gesprek over de vergunningsruimte, de vervolgstappen in (of uitwerking van) de strategische mobiliteitsagenda voor de A50 tussen Nijmegen en Eindhoven, en mogelijke andere maatregelen die een bijdrage leveren aan het oplossen van de knelpunten op deze corridor. 1.5.4. Optimalisatie verkeersveiligheidsaanpak N18 Vanuit de € 200 mln. voor het verbeteren van de verkeersveiligheid van Rijks-Nwegen worden maatregelen getroffen op de N18: delen van de berm worden verbeterd en er wordt een verkeersregelinstallatie geplaatst op het kruispunt Lichtenvoordseweg. Met aanvullende middelen die beschikbaar zijn gekomen via het amendement van de leden Koerhuis en Van der Graaf wil IenW samen met de

Pagina 16 van 31

regio de huidige aanpak optimaliseren.20 Concreet gaat het om het plaatsen van de verkeersregelinstallatie op het kruispunt Lichtenvoordseweg, gecombineerd met het opheffen van het kruispunt Landstraat. Dit draagt bij aan het verminderen van kop-staartongevallen en zorgt voor een betere doorstroming. Daarnaast worden de resterende obstakels in de berm verwijderd. Na realisatie van deze maatregelen is de N18 in zijn geheel ingericht volgens ontwerpeisen voor Rijks-Nwegen.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

Met het oog op deze optimalisatie investeert IenW € 5,8 mln. extra in de N18. De overige beschikbare € 1,2 mln. uit het hiervoor genoemde amendement waren nodig om financiële tekorten te dekken bij lopende projecten binnen de verkeersveiligheidsaanpak op de N18. RWS voert momenteel gesprekken met de regio over de planstudie en realisatie van de diverse verkeersveiligheidsmaatregelen op de N18. Naar verwachting start de realisatie van de maatregelen in 2025. 1.5.5. Elektrificatie regionale spoorlijnen Met de voorjaarsnota 2024 is € 98 mln. beschikbaar gekomen voor de elektrificatie van de trajecten Almelo – Mariënberg en Zutphen – Oldenzaal. Met Gelderland en Overijssel wordt nu overlegd welke financiële bijdragen er vanuit deze provincies aan deze elektrificaties kunnen worden gedaan om zo met elkaar tot een sluitende begroting te komen. Ook wordt gesproken over bijvoorbeeld de inrichting van de governance, projectbegeleiding en risicoverdeling. Alle afspraken worden met elkaar vastgelegd in één of meerdere bestuursovereenkomsten. Alle betrokken partijen zetten zich in om zo spoedig mogelijk tot deze afspraken te komen om zo de planuitwerkingen van deze projecten verder te kunnen brengen. 1.5.6. Vaarweg IJsselmeer – Meppel In het voorjaar van 2023 is het project Vaarweg IJsselmeer – Meppel (VIJM) als onderdeel van de herprioritering binnen het MF gepauzeerd.

Het project gaat om het verdiepen van de vaarweg voor het kunnen toelaten van grotere schepen van klasse Va/b en betreft daarmee grotendeels een baggeropgave waarmee zand/grond beschikbaar komt voor andere doeleinden. Rijk en regio hebben daarom afgesproken om samen met het waterschap Zuiderzeeland meekoppelkansen te onderzoeken bij het project Versterking IJsselmeerdijk. Dit bleek echter niet haalbaar gelet op de planning en aanbestedingsstrategie van dat project. Vervolgens is de blik verlegd naar mogelijkheden voor het meekoppelen van de opgave voor de VIJM met 3e tranche Kaderrichtlijn Water (KRW) en/of Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) projecten. Dit lijkt meer perspectief te bieden, mits de kwaliteit van de bodem in de VIJM hiervoor geschikt is. RWS heeft in juli 2024 opdracht gekregen om de bodemkwaliteit te onderzoeken en is gevraagd een offerte op te stellen voor de mogelijke meekoppeling met KRW en/of PAGW projecten. Voor de uitvoering van het bodemonderzoek heeft RWS inmiddels een specialistisch bureau ingeschakeld. Naar verwachting zal in de eerste helft van 2025 duidelijk worden of en onder welke voorwaarden de projectopgave van de VIJM via deze wijze kan worden gerealiseerd. 1.5.7. Overnachtingshaven Spijk De nieuwe overnachtingshaven Spijk is sinds 1 februari 2024 toegankelijk voor het scheepvaartverkeer.

De 50 extra ligplaatsen in Spijk bieden de schippers de mogelijkheid goed uitgerust en veilig hun reis aan te vatten of voort te zetten. De 20 Kamerstuk 36 200-A, nr. 55

Pagina 17 van 31

ligplaatsen zijn duurzaam ingericht met walstroom om daarmee ook uitstoot te beperken. Naast 50 reguliere ligplaatsen heeft de haven twee ligplaatsen voor duwschepen met duwbakken en speciale ligplaatsen voor schepen met gevaarlijke ladingen. Met de realisatie van dit project kan Nederland zijn rol als schakel in de logistiek en het goederenvervoer in Europa in de toekomst nog beter vervullen.

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

Kenmerk IENW/BSK-2024/322815

1.5.8. Reevesluis Eind 2023 is met het weghalen van de voormalige IJsseldijk het project Reevesluis volledig uitgevoerd. Hiermee is het watersysteem als onderdeel van het programma IJsseldelta in werking getreden. Met het gereedmaken van de waterinlaat kan bij hoogwater circa een kwart van het IJsselwater via het Reevediep worden afgevoerd richting het Drontermeer en IJsselmeer. Bij het hoogwater van december 2023 heeft het nieuw aangelegde watersysteem direct zijn meerwaarde getoond toen het Reevediep meestroomde met de IJssel. 1.5.9. Pannerdensch Kanaal Met het project krib- en oeververlaging Pannerdensch Kanaal zijn 35 kribben en vijf oevers tussen de Pannerdensche Kop en de tunnel van de Betuweroute verlaagd. Hiermee kan het rivierwater in het Pannerdensch Kanaal bij hoge waterstanden beter doorstromen, waardoor de waterstand in de Boven-Rijn bij zeer hoogwater met vijf cm daalt en de kans op overstromingen afneemt. Zo kunnen twee miljoen mensen in het Nederlands rivierengebied veilig blijven wonen, leven en werken. Daarnaast heeft het project een positieve bijdrage geleverd aan de ambitie klimaatneutrale en circulaire Rijksinfraprojecten. Bij de uitvoering zijn de vrijkomende materialen (klei en breuksteen) maximaal hergebruikt. Daarbij zijn de werkzaamheden voor een groot deel met emissieloos materieel uitgevoerd. Eind 2023 is het project succesvol opgeleverd. 1.6.

Goederenvervoercorridors De rol van onze internationale, multimodale goederenvervoercorridors voor de aan- en afvoer van zeehavens en andere economische clusters in het achterland wordt alleen maar belangrijker. Ze zijn nodig om de extra groei van (internationale) transportstromen in de toekomst te faciliteren. Dat wordt ingevuld door de individuele modaliteiten te versterken en om de onderlinge uitwisselbaarheid van modaliteiten te vergroten (multimodaliteit). Tegengaan van congestie op de weg en het beter benutten van de (extra)capaciteit binnen spoor, binnenvaart, weg en buisleidingen zijn daarin belangrijk. De afspraken uit het BO Goederenvervoercorridors (GVC) worden gedekt uit het budget van € 160 mln. voor het programma Goederenvervoercorridors. 1.6.1. Realisatiepacten Bij de grotere multimodale knooppunten op de goederenvervoercorridors ontwikkelen IenW en provincies/gemeenten en (haven)bedrijven samen programma’s voor het versterken van deze knooppunten als motor van een efficiënt, multimodaal en duurzaam goederenvervoer op de corridors en als schakelpunt tussen de corridors en de regionale logistiek. Voor de uitvoering ervan worden door Rijk en regio ‘realisatiepacten’ gesloten. Het proces van het ontwikkelen van deze programma’s gebeurt daarbij onder aanvoering van onafhankelijke pactregisseurs.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14809096/2