2022-51 Bijlage Verordening Leerlingenvervoer gemeente Nuenen
Tekst van het document
Symbiose Wanneer een leerling van een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs gedurende ten minste 180 minuten per week onderwijs volgt op een basisschool, een speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs, is er sprake van symbiose (artikel 24 van de WEC en Titel IV van het Onderwijskundig besluit WEC). Daarvoor moet een overeenkomst tussen de scholen gesloten zijn. De leerling volgt in dat geval onderwijs op twee verschillende locaties. Wanneer de leerling een vervoersvoorziening heeft naar de school waar hij staat ingeschreven, dan is er in principe ook aanspraak op vervoer naar de school waar een symbiose-overeenkomst mee gesloten is, als deze reis voldoet aan de voorwaarden van de verordening. Het betreft vervoer in aansluiting op het begin en einde van de schooldag. Artikel 8. Afstandsgrens Eerste lid Artikel 4, achtste lid, van de WPO en artikel 4, zevende lid, van de WEC stellen dat de gemeentelijke regeling kan bepalen dat geen aanspraak op bekostiging bestaat op grond van de afstand. Artikel 4, zevende lid, van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. De afstand wordt per route voor de heen- en terugweg bepaald. Een combinatie van afstandsgrens en leeftijdscriterium is op grond van de wet niet mogelijk 19
(artikel 4, achtste en negende lid, van de WPO en artikel 4, zevende en achtste lid, van de WEC). Een voor de hand liggend onderscheid in afstand tussen jongere en oudere kinderen is niet toegestaan. De afstandsgrens kan wel per schoolsoort verschillen. Tweede lid Volgens artikel 4, het vierde lid, van de WEC en artikel 4, eerste lid, van de WVO komen leerlingen alleen voor een vervoersvoorziening in aanmerking als zij wegens hun handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen of vanwege hun handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken. Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de WEC) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 4, eerste lid, van de WVO) geldt dat alleen gehandicapte leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening. Om te beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen kan advies van een onafhankelijke deskundige nodig zijn. Artikel 9. Peildatum leeftijd leerling In artikel 16 is het leeftijdscriterium bepalend om in aanmerking te komen voor vervoer met begeleiding. Omdat 1 augustus de wettelijke start is van het schooljaar is dit de peildatum die geldt voor het hele schooljaar. Wanneer een leerling op 1 augustus van een schooljaar acht jaar is, wordt deze het hele schooljaar als acht jaar aangemerkt. Artikel 10.
Andere vergoedingen Als een aanvrager van leerlingenvervoer via een andere weg vergoeding ontvangt voor de kosten van het vervoer naar school, mag de gemeente die vergoeding aftrekken van de bekostiging die de aanvrager krijgt. Ook is het mogelijk deze vergoeding als bijdrage in rekening te brengen bij aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of laat verzorgen. Dit geldt niet voor vergoedingen die ouders van leerlingen in het voortgezet onderwijs ontvangen op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Artikel 11. Schooltijden en wachttijden Eerste lid Het vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap maar een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan tijdens schooltijd worden vervoerd. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd.
De ouders moeten een verzoek om een vervoersvoorziening op afwijkende tijden onderbouwen door: een verklaring van de leerplichtambtenaar, waaruit een leerplichtakkoord blijkt; een opbouwschema om te komen tot een volledig schoolprogramma/onderwijstijd; een verklaring van de (directie van de) school waaruit de medische noodzaak blijkt; of een verklaring van een deskundige (bijvoorbeeld een arts, psycholoog of orthopedagoog) al dan niet door het college ingewonnen, waaruit de medische onmogelijkheid blijkt om de volledige schooltijden te volgen. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) vallen buiten het leerlingenvervoer. Tweede en derde lid In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook dan vindt het vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan bij aangepast vervoer een wachttijd hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten of eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden. 20
De gemeente probeert zoveel mogelijk om leerlingen met afwijkende schooltijden van één of meerdere scholen gezamenlijk te vervoeren, wanneer de begin- en/of eindtijden ongeveer hetzelfde zijn (zie artikel 1 het begrip ‘reistijd’). Artikel 12. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente Een aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Dit hoeft niet de gemeente te zijn waar de leerling is ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode (zes weken) in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en een vervoersvergoeding kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf tijdelijk aangemerkt als verblijf in de gemeente. Voor de feitelijke vervoer maakt het college afspraken met de gemeente waarin de leerling tijdelijk verblijft. Als het verblijf langer dan zes weken duurt moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd bij de gemeente waar de leerling feitelijk woont. Artikel 13. Vervoersvoorziening naar stageadres Eerste en tweede lid Stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van het voortgezet onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs.
In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage voor ten hoogste vier dagen per week zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de WEC). Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in principe ook aanspraak op vervoer naar het stageadres. Voor stagevervoer moet een aparte aanvraag worden ingediend. Derde tot en met vijfde lid Het college kan vragen om een stageovereenkomst. Omdat stage een schoolactiviteit is, komen de dagen en tijden van de vervoersvoorziening overeen met reguliere schooltijden. De vervoersvoorziening wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke stage en naar één stage-locatie. In het derde lid onder d is bepaald dat de stageplaats op de route van de woning naar school moet liggen, tenzij dit voor de leerling onmogelijk blijkt. Hierdoor kan het college een maximale afstand van de woning of de school bepalen. Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.
21
Paragraaf 4. Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening In de onderzoeksfase wordt onderzocht welke goedkoopste passende vervoersvoorziening wordt bekostigd. Hierbij staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal. Artikel 14. Verstrekking van de vervoersvoorziening Eerste lid Uitgangspunt bij het onderzoek naar passend vervoer is hoe de leerling zo zelfstandig mogelijk van en naar school kan reizen. Het advies van deskundigen kan van belang zijn. Tweede lid Uit het onderzoek naar de zelfstandigste manier van reizen kan blijken dat de leerling niet in staat is alleen met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Dit kan te maken hebben met de leeftijd en/of de handicap van de leerling. Dan worden ook vervoerskosten van de begeleider vergoed. Soms is begeleiding in het aangepast vervoer noodzakelijk, wanneer een leerling verzorging nodig heeft of bij ongewenst gedrag. Dan worden alleen de kosten van het vervoer die aan deze begeleiding verbonden zijn vergoed. De gemeente kan een plaats beschikbaar stellen in het aangepast vervoer. Salariskosten worden niet vergoed. Voor medische begeleiding tijdens het vervoer is de gemeente niet verantwoordelijk. Artikel 15.
Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets Eerste lid Deze vergoeding kan worden verstrekt voor de leerling die een basisschool of school voor speciaal basisonderwijs (artikel 4 van de WPO) of een school voor speciaal onderwijs (artikel 4 van de WEC) bezoekt. De gemeente bekostigt de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het gaat hierbij om de kosten die met de OV-chipkaart worden gemaakt, rekening houdend met kortingen die voor de leerling kunnen gelden. Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat een fietsvergoeding kan worden verstrekt. Het college moet dan van oordeel zijn dat de leerling, al dan niet onder begeleiding, per fiets kan reizen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met factoren als leeftijd, eventuele handicap, de veiligheid van de route en de afstand. Derde lid Voor de kilometervergoeding voor de fiets hanteren we de jaarlijkse publicatie van de VNG ‘Basisnormbedragen Leerlingenvervoer’. De vergoeding bedraagt in schooljaar 2022/2023 € 0,09 per kilometer. Artikel 16. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider Eerste lid In een aantal gevallen is het voor een leerling niet mogelijk zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen.
Leerling is jonger dan negen jaar Op grond van artikel 16 komen ouders van leerlingen van het primair onderwijs en speciaal onderwijs in aanmerking voor bekostiging van vervoerskosten als de afstand van de woning naar de school meer dan zes of vier kilometer is. Als de leerling jonger dan negen jaar is kunnen de ouders bekostiging van de vervoerskosten voor een begeleider ontvangen. De ouders moeten dan op een voor het college bevredigende wijze kunnen aantonen dat het kind niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken. Enkele voorbeelden zijn: de leerling moet een of meerdere malen overstappen; de route van het uitstappunt van de bus naar de school kent gevaarlijke punten; 22
het is voor de leerling door zijn handicap niet veilig om alleen naar school te fietsen. De grens van negen jaar is gebaseerd op onderzoek (2001). Over het algemeen kan een kind van negen jaar zonder begeleiding met de fiets over straat. Structurele handicap Ouders van leerlingen die door hun structurele handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen kunnen bekostiging van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider ontvangen ongeacht de afstand van de woning naar de school. Bij de aanvraag moeten ouders verklaringen van deskundigen voegen. Het college kan ook advies van onafhankelijke deskundigen inwinnen. Bij een tijdelijke handicap (bijvoorbeeld een gebroken been) zijn de ouders verantwoordelijk voor het vervoer. Wanneer de leerling een groot gedeelte van het schooljaar in verband met herstel van een operatie en/of revalidatie niet of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kan reizen, kunnen ouders een aanvraag voor een vervoersvoorziening indienen. Begeleiding Begeleiding in het vervoer is primair een taak van de ouders. Als zij hun kind niet zelf kunnen begeleiden moeten zij zelf voor een oplossing te zorgen. Zo kan een familielid, een kennis, een oppas, een van de buren, een ouder van een andere leerling of een klassenassistent de leerling begeleiden.
Alleen voor het deel van de reis dat de leerling begeleid wordt ontvangen ouders bekostiging. Als een begeleider meer dan een leerling tegelijk begeleidt, wordt de begeleider slechts één maal bekostigd. Artikel 17. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Eerste lid Aangepast vervoer wordt in principe alleen in uitzonderingsgevallen verstrekt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 17 vastgelegd. Onderdeel a Bij een reisduur tot anderhalf uur met het openbaar vervoer komt de vrijheid van de ouders om voor een bepaalde school te kiezen niet in de knel. Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer door aangepast vervoer de reistijd ten opzichte van het openbaar vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht. Ouders kunnen overigens niet van het college eisen dat de reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht. Het aangepast vervoer wordt in combinatie van een aantal leerlingen georganiseerd. De reistijd is dan meestal langer dan gemeten op individuele basis. Hier is de omschrijving van het begrip ‘reistijd’ (zie artikel 1) van belang. De praktijk leert dat leerlingen, ongeacht de manier waarop zij reizen, zo’n tien minuten vóór de aanvang van de lessen op het schoolplein aankomen. Deze tijd is uitgesloten van de reistijd. De eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend.
Wanneer een leerling met aangepast vervoer wordt vervoerd is er tijd nodig de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is in dit geval dan ook redelijk enige tijd (tien minuten) op te tellen bij de berekende duur van de rit (zie ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Onderdeel c De ouders moeten op een voor de gemeente bevredigende wijze aantonen dat zij hun kind onmogelijk in het openbaar vervoer kunnen begeleiden of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin leidt. Per ouder(paar) en per aanvraag beoordeelt het college of de gevraagde inzet redelijk is. Artikel 18. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer Eerste lid Als ouders de leerling zelf wensen te (laten) vervoeren is toestemming van het college nodig. Een maatstaf voor toestemming is dat de bekostiging van het vervoer door de ouders voor 23
de gemeente goedkoper is. Daarvan is geen sprake als de leerling in aanmerking komt voor aangepast vervoer en er plaats is in bestaand vervoer. Het college kan ouders vragen of zij bereid zijn de leerlingen naar school te vervoeren, maar verplichten is niet toegestaan. Tweede lid De bekostiging van het eigen vervoer is gerelateerd aan de voorziening waarvoor de ouders in principe op basis van de verordening in aanmerking komen: Onderdeel a Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van de fiets en zij de leerling (met toestemming van of op verzoek van het college) zelf vervoeren, wordt de bekostiging gebaseerd op het vervoer per fiets. Wanneer zij in aanmerking komen voor vergoeding van het fietsvervoer met begeleiding, wordt alleen voor de leerling de vergoeding verstrekt. Het verstrekken van een vergoeding voor een begeleider is alleen zinvol als er daadwerkelijk meegereisd wordt. Wanneer met eigen vervoer wordt gereisd draagt dit niet bij aan het mogelijke resultaat, dat de leerling op termijn zelfstandig naar school kan fietsen. Onderdeel b Als ouders aanspraak maken op bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer en zij de leerling (met toestemming van of op verzoek van het college) zelf vervoeren, wordt de bekostiging gebaseerd op het openbaar vervoer. Het college berekent wat de kosten van het openbaar vervoer zijn.
Hierbij wordt het meest goedkope tarief als uitgangspunt genomen. Wanneer zij in aanmerking komen voor vergoeding van openbaar vervoer met begeleiding, wordt alleen voor de leerling de vergoeding verstrekt. Het verstrekken van een vergoeding voor een begeleider is alleen zinvol als er daadwerkelijk meegereisd wordt. Wanneer met eigen vervoer wordt gereisd draagt dit niet bij aan het mogelijke resultaat, dat de leerling op termijn zelfstandig met het openbaar vervoer naar school kan reizen. Onderdeel c Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer en zij met toestemming van op of verzoek van het college de leerling zelf vervoeren, wordt een kilometervergoeding verstrekt. Voor de hoogte van deze kilometervergoeding hanteren wij de ‘Basisnormbedragen Leerlingenvervoer’ van de VNG. Voor schooljaar 2022/2023 bedraagt de kilometervergoeding € 0,38 per rit waarbij de leerling in de auto zit, per dag is dat twee maal € 0,38. Vervoer tussen de middag wordt niet vergoed. Derde lid Ouders maken aanspraak op een kilometervergoeding als zij (na toestemming van het college) meer dan één leerling tegelijk vervoeren. Dit geldt ook wanneer ouders aanspraak maken op vergoeding van de kosten van openbaar vervoer. De kilometervergoeding geldt voor de auto en wordt niet per leerling verstrekt.
Vierde lid Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college op grond van artikel 24 (de hardheidsclausule) een andere bekostiging vaststellen. Dit vervoer kan goedkoper zijn dan aangepast vervoer per leerling. Artikel 19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Mogelijk wil een leerling of ouder op een andere manier reizen. Artikel 19 maakt maatwerk mogelijk zodat de vergoeding aansluit bij de vermogens van de leerling en/of de ouder. Het zelfstandig reizen wordt hierbij mogelijk gestimuleerd. Voorbeelden zijn een handbike, elektrische fiets of bakfiets. Het college kan hiermee instemmen wanneer de kosten van dit vervoermiddel niet hoger zijn dan het openbaar vervoer. 24
Artikel 20. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie Eerste tot en met derde lid Op grond van artikel 4, zesde lid, van de WEC moeten in de verordening bepalingen worden opgenomen voor het weekeinde- en vakantievervoer. Dit artikel bevat twee belangrijke componenten: 1. Een vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is voor het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning ligt. Het college kent dit vervoer niet toe als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikbaar is. Ook wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft en daar in de buurt een school bezoekt. Ouders van leerlingen van het regulier en speciaal basisonderwijs en van het regulier voortgezet onderwijs ontvangen geen vervoersvoorziening voor weekeinde of vakantie. 2. Het college van de gemeente waar de ouders wonen verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer als de ouders daarvoor in aanmerking komen.
Wanneer de leerling in aanmerking komt voor dagelijks vervoer van het internaat of pleeggezin naar de school en terug verstrekt het college van de gemeente waar de leerling in het internaat of het pleeggezin verblijft deze voorziening. Vierde lid Het vierde lid geeft aan dat artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing is. Verder geldt het volgende: Leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs komen in aanmerking voor een vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie wanneer zij wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen of niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen. De bekostiging wordt gebaseerd op de kosten van openbaar vervoer. Het college bekostigt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider als de leerling wegens zijn structurele handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken (zie artikel 16). Het college verstrekt aangepast vervoer als openbaar vervoer ontbreekt, begeleiding in het openbaar vervoer niet mogelijk is of de leerling wegens zijn structurele handicap ook met begeleiding niet in staat is gebruik te maken van het openbaar vervoer (zie artikel 17). Het college kan toestaan dat de ouders de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren.
De bekostiging is afhankelijk van de vervoersvoorziening waarop de ouders aanspraak zouden maken (zie artikel 18). Artikel 21. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag Eerste en tweede lid Op grond van artikel 4, zevende lid, van de WPO kunnen gemeenten een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel. Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan geldt een drempelbedrag per auto (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1959). Als voor een leerling maar voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend of voor enkele dagen per week. Bij het drempelbedrag is de ouderbijdrage gekoppeld aan de door de gemeente vastgestelde kilometergrens, de afstand van de woning tot de school waarboven aanspraak kan bestaan op een vervoersvoorziening. Het drempelbedrag houdt in dat de kosten van het openbaar vervoer tot aan deze kilometergrens voor rekening van de ouders zijn. Artikel 4, zevende lid, 25
van de WPO stelt een afstand van zes kilometer als bovengrens. Alleen ouders van leerlingen van basisonderwijs of speciale scholen voor basisonderwijs met een gezamenlijk inkomen boven een bepaalde grens betalen een drempelbedrag. Aan ouders van leerlingen die op grond van deze verordening aangemerkt worden als gehandicapt wordt geen drempelbedrag gevraagd. Aan ouders van leerlingen die een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs bezoeken wordt geen drempelbedrag opgelegd omdat de WEC deze mogelijkheid niet biedt. Onder ‘inkomen’ wordt verstaan: het inkomensgegeven, zoals bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in het peiljaar. De inkomensgrens voor het drempelbedrag en de wijze van indexering zijn bepaald in artikel 4, zevende lid, van de WPO. Als peiljaar geldt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint (zie artikel 1). Als grenswaarde wordt in de wet een gezamenlijk inkomen genoemd van € 17.700,- voor het school jaar 1998-1999; dit bedrag moet per 1 januari 1999 jaarlijks worden geïndexeerd op een voorgeschreven wijze. In de verordening is de grenswaarde van het gezamenlijk inkomen voor het heffen van een drempelbedrag voor het schooljaar 20222023 (dus voor het peiljaar 2020) vastgesteld op € 27.900,-.
Derde lid Voor de berekening van het drempelbedrag is het college gebonden aan de wet. Het betreft de kosten van het openbaar vervoer om de afstand tot de kilometergrens te overbruggen. Bij de vaststelling van het drempelbedrag maakt het niet uit of de leerling daadwerkelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Ook wanneer de leerling gebruik maakt van aangepast vervoer of wanneer geen openbaar vervoer aanwezig is, moeten ouders de kosten van het openbaar vervoer over de afstand tot aan de kilometergrens zelf dragen. Aantonen van het inkomen De aanvragers sturen een kopie van de belastingaanslag. Ouders kunnen een inkomensverklaring opvragen bij de belastingdienst. Wanneer ouders weigeren de informatie over hun inkomen te verstrekken, wordt op grond van artikel 4:15 van de Awb de beslistermijn opgeschort tot de dag waarop de aanvraag met de ontbrekende gegevens is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In het laatste geval kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. De aanvragers worden hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Als het gezamenlijk inkomen van het peiljaar nog niet bekend is, kan het derde jaar voorafgaande aan het schooljaar als voorlopig uitgangspunt worden genomen. Wanneer later het inkomen van het peiljaar wel bekend is wordt de definitieve berekening gemaakt.
Structurele daling van inkomen Wanneer het inkomen van de ouders in de periode tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend structureel is gedaald kan in het voordeel van de ouders een later peiljaar gekozen worden op grond van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 24. Pleegouders Pleegouders kunnen als ‘ouders’ in de zin van de verordening worden aangemerkt. Zij kunnen als zij voldoen aan de voorwaarden een vervoervoorziening ontvangen. In tegenstelling tot bij vrijwillige plaatsing zijn de natuurlijke ouders bij een justitiële plaatsing niet meer aan te spreken voor de extra kosten, tenzij de natuurlijke ouders en niet de pleegouders de aanvraag hebben ingediend. In de bekostiging op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg zit geen component voor de kosten van schoolbezoek die door de gemeente in mindering gebracht kan worden op de kosten van het leerlingenvervoer. Pleegouders die bekostiging ontvangen op basis van de Regeling vrijwillige pleegzorg moeten bij een toekenning van leerlingenvervoer ook het drempelbedrag aan de gemeente betalen als hun inkomen boven de inkomensgrens ligt. Pleegouders moeten de eventuele bijdrage naar financiële draagkracht aan de gemeente 26
betalen. Eventueel kunnen zij deze kosten verhalen op de natuurlijke ouders of voogden van de leerling. Voogdijinstellingen kunnen ook als ‘ouder’ worden aangemerkt en kunnen een aanvraag indienen. Bij hen kan geen drempelbedrag worden vastgesteld omdat zij geen inkomen in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting hebben. Artikel 22. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage Op grond van artikel 4, elfde lid, van de WPO kunnen gemeenten een bijdrage vragen in de kosten van het vervoer wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Dit geldt alleen voor een school voor regulier basisonderwijs. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht en wordt per gezin geheven. In dit artikel staat een aantal inkomensblokken waaraan vooraf vastgestelde draagkrachtafhankelijke ouderbijdragen zijn gekoppeld. De bedragen en de wijze van indexeren sluiten aan bij artikel 4 van de WPO.
Paragraaf 5. Slotbepalingen Artikel 23. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In de verordening liggen de hoofdlijnen voor de bekostiging van het leerlingenvervoer vast. Mogelijk voorziet de verordening niet in alles. Voorbeelden zijn gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. Op grond van artikel 23 beslist het college in dergelijke situaties. Artikel 24. Hardheidsclausule Het college kan alleen in het voordeel van ouders afwijken van de verordening. Deze bepaling sluit aan bij artikel 4, twaalfde lid, van de WPO, artikel 4, tiende lid, van de WEC en artikel 4, zevende lid, van de WVO. Voorbeelden hiervan zijn toekenning van bekostiging van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning aangepast vervoer, bekostiging van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders of toekenning van vervoer naar een verder weg gelegen school. De ouders moeten aantonen dat sprake is van een bijzondere situatie. Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs en niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling.
De Afdeling heeft in de casuïstiek nadere richtlijnen gegeven voor de toepassing van de hardheidsclausule: Hardheidsclausules hebben tot doel onbillijkheden van overwegende aard, die zich ten aanzien van personen bij een strikte toepassing van de bepalingen van de verordening zouden voordoen, weg te nemen. De toepassing ervan is niet aan enige beperking gebonden. Met alle feiten en omstandigheden kan rekening worden gehouden, zoals bijvoorbeeld medische, pedagogische en sociale factoren (ABRvS 12 mei 1989, nr. R03.88.7057/Sp347/26-41). Door middel van toepassing van de hardheidsclausule kan van alle bepalingen van de verordening worden afgeweken, inclusief het heffen van het drempelbedrag (ABRvS 2 april 1990 R03.87.7147/58-43). Precedentwerking Ter voorkoming van ongewenste precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben. Artikel 25. Intrekking oude regeling In artikel 25 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt. 27