2022-51 Bijlage Verordening Leerlingenvervoer gemeente Nuenen
Tekst van het document
De raad van de gemeente Nuenen gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 10 mei 2022; gelet op artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 4 van de Wet op het voortgezet onderwijs; gezien het advies van de oordeelsvormende bijeenkomst; besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Nuenen 2022 Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: aangepast vervoer: vervoer per besloten busvervoer, schoolbusvervoer, taxi, taxibus, bustaxi of touringcar; -
afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg;
-
begeleider: ouder of persoon die door de ouders wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
deskundige: onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, de school of de in het OOGO bepaalde onafhankelijk deskundige;
-
eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of fiets;
-
gehandicapte leerling: een leerling als bedoeld in dit artikel, die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken;
-
gemeente: de gemeente Nuenen c.a.;
-
inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;
-
leerling: de leerling die is ingeschreven bij een school als bedoeld in dit artikel;
-
ontwikkelingsperspectief: een voor de leerling van het primair onderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs dan wel voortgezet onderwijs vastgesteld plan als bedoeld in artikel 40a van de Wet op het primair onderwijs, artikel 41a van de Wet op de expertisecentra of artikel 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs, dat door het bevoegd gezag en na op overeenstemming gericht overleg met de ouders is opgesteld. Ingeval van het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs adviseert hierin de commissie voor de begeleiding of de commissie van onderzoek;
-
OOGO: het Op Overeenstemming Gericht Overleg tussen het samenwerkingsverband en de gemeenten binnen het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a, negende lid, van de Wet op het primair onderwijs en artikel 17a, negende lid, van de Wet op het voorgezet onderwijs; 1
-
openbaar vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer;
-
ouders: ouder(s), voogden of verzorgers van de leerling;
-
reistijd: totale tijdsduur die ligt tussen het verlaten van de woning en de aanvang van de schooldag volgens de schoolgids, minus maximaal 10 minuten, wanneer en voor zover de leerling het schoolgebouw met bijbehorend terrein gewoonlijk eerder bereikt dan de schoolgids aangeeft, dan wel de totale tijdsduur die ligt tussen het einde van de schooldag volgens de schoolgids en de aankomst bij de woning, plus een eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer of maximaal 10 minuten bij gebruikmaking van aangepast vervoer;
-
samenwerkingsverband: 1°. voor het primair onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs; 2°. voor het speciaal en voortgezet speciaal onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of 3°. voor het voortgezet onderwijs: samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
school: de schoollocatie waar de leerling onderwijs volgt. Dit is: 1°. het primair onderwijs: basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs; 2°. het speciaal onderwijs: school voor speciaal onderwijs of het speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; 3°. het voortgezet speciaal onderwijs: school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs binnen een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of 4°. het voortgezet onderwijs: school voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs;
-
toegankelijke school: school waarop de leerling is aangewezen van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school;
-
vervoer: openbaar vervoer, aangepast vervoer of eigen vervoer tussen de woning en de school dat plaatsvindt in aansluiting op het begin en einde van de schooldag volgens de schoolgids, tenzij de structurele handicap van een leerplichtige leerling die aansluiting onmogelijk maakt;
-
vervoersvoorziening: 1°. bekostiging van de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig diens begeleider; 2°. aanbieding van aangepast vervoer dat de gemeente verzorgt of doet verzorgen; of 3°. gehele of gedeeltelijke bekostiging van de door het college noodzakelijk geachte vervoerkosten van de leerling en zo nodig diens begeleider;
-
woning: plaats waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.
Artikel 2. Doelstelling Deze verordening heeft tot doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke bekostiging toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2
Paragraaf 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure 1. Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt gedaan in de gemeente waar de leerling zijn woning heeft door indiening bij het college van een volledig ingevuld en door de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling ondertekend formulier, voorzien van de op het formulier vermelde gegevens. 2. Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is kan het college de ouders verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 3. De gegevens voortvloeiend uit de aanvraag voor een vervoersvoorziening worden slechts gebruikt om de aanvraag te beoordelen en uitvoering te geven aan de vervoersvoorziening voor de leerling. 4. Het college besluit binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 5. Het college kan het in het vorige lid bedoelde besluitvormingstermijn met ten hoogste vier weken verdagen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis. 6. Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze: a. wanneer het een bekostiging betreft, met ingang van de door de ouders verzochte datum, met dien verstande dat de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag; b. wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de door de ouders verzochte datum. Artikel 4. OOGO met het samenwerkingsverband 1.
Het college heeft de mogelijkheid om het leerlingenvervoer op te nemen als agendapunt in het OOGO met het samenwerkingsverband. 2. Het college kan in het OOGO met het samenwerkingsverband afspraken maken over: a. de spreiding van het onderwijsaanbod binnen het samenwerkingsverband en de vervoersmogelijkheden die hieruit voortvloeien; b. de deskundige die het college adviseert over de vervoersmogelijkheden van een leerling en het proces dat hierbij gevolgd wordt; c. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verwijzing van de leerling naar de best passende school met dien verstande dat slechts een vervoersvoorziening wordt verstrekt naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school; d. de wijze waarop scholen ondersteund kunnen worden in hun informatievoorziening over het leerlingenvervoer aan ouders; e. de wijze waarop vorm wordt gegeven aan een gezamenlijke verantwoordelijkheid om de vervoerskosten te beheersen; f. de invulling en frequentie van een overleg als bedoeld in het derde lid; 3. Het college organiseert periodiek uitvoerend overleg met het samenwerkingsverband. In dit overleg kunnen de volgende onderwerpen worden besproken: a. de ontwikkelingen in het onderwijs, het gemeentelijk beleid leerlingenvervoer en het samenwerkingsverband; b.
de wijze waarop situaties als genoemd in artikel 6, vierde lid, kunnen worden voorkomen, dan wel op te heffen en dit onderwijs bij de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, aangeboden kan worden. Artikel 5. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening 1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van de in de gemeente verblijvende leerling op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening. 2. Bij toepassing van het eerste lid vraagt het college van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van 3
3. 4. 5. 6. 7. 8.
de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen. Als de leerling een meerderjarige en handelingsbekwame leerling is wordt de vervoersvoorziening op aanvraag toegekend aan de leerling. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening. Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden. Het college verstrekt een vervoersvoorziening voor het vervoer van de leerling van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school en terug. het college kan voor de uitvoering van deze verordening nadere regels stellen.
Artikel 6. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening 1. De ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college. 2. Als sprake is van een wijziging die van invloed is op de vervoersvoorziening vervalt de aanspraak daarop en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe. 3. Als de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid en het college een wijziging als bedoeld in het tweede lid vaststelt waardoor blijkt dat ten onrechte een vervoersvoorziening is verstrekt, vervalt de vervoersvoorziening direct en kent het college al dan niet opnieuw een voorziening toe. Het college deelt het besluit schriftelijk mee aan de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling. 4. Het college kan een besluit als bedoeld in deze verordening herzien, opschorten dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij of krachtens deze verordening; b.
beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend geweest, een ander besluit zou zijn genomen; c. de verstrekte vervoersvoorziening niet meer de meest passende voorziening is; d. sprake is van onaanvaardbaar wangedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer; of e. het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie in het aangepast vervoer. 5. De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepaste vervoer berust bij de ouders. 6. Ten onrechte genoten bekostiging kan van de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling worden teruggevorderd dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.
4
Paragraaf 3. Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel 7. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee brengt en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen. 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, ontstaat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening dan dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. 3. Met inachtneming van het bepaalde in de voorgaande leden wordt eveneens een vervoersvoorziening verstrekt over de afstand tussen de woning en: a. de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is; of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in het onder a bedoelde samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen dan het vervoer naar de speciale school voor basisonderwijs als bedoeld onder a. 4.
Als de ouders vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling een voorziening aanvragen naar een school op een grotere afstand dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte van de leerling is; b. aan het college is door de ouders genoegzaam aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod. Artikel 8. Afstandsgrens 1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor: a. basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan zes kilometer; b. speciaal basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs meer bedraagt dan vier kilometer; of c. speciaal onderwijs meer bedraagt dan vier kilometer. 2. In afwijking van het eerste lid wordt geen afstandsgrens gehanteerd wanneer aan het college genoegzaam is aangetoond dat het een gehandicapte leerling betreft. Zo nodig kan het college hierover advies vragen aan een onafhankelijk medisch deskundige.
De deskundige betrekt in zijn advies de mogelijkheden van de gehandicapte leerling om zelfstandig, al dan niet met begeleiding, met de fiets of het openbaar vervoer te reizen. Artikel 9. Peildatum leeftijd leerling Voor het verstrekken van een vervoersvoorziening op basis van artikel 16 is de leeftijd van de leerling op 1 augustus van het schooljaar waarop het vervoer betrekking heeft bepalend. Artikel 10. Andere vergoedingen De aanspraak op een toelage, voor zover die voor de leerling betrekking heeft op de reiskosten, wordt op een bekostiging van leerlingenvervoer in mindering gebracht, dan wel als eigen bijdrage in rekening gebracht.
5
Artikel 11. Schooltijden en wachttijden 1. Bekostiging van het aangepast vervoer vindt plaats op standaard schooldagen en schooltijden zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 2. Wanneer binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren om aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer. 3. Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele handicap van een leerplichtige leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt. Artikel 12. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente 1. Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening voor een periode van maximaal zes weken toekennen aan de ouders van een leerling die als gevolg van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de leerling blijft zijn eigen school bezoeken; b. in de periode voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening; en c. de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente. 2.
Het besluit waarin de vervoersvoorziening is toegekend voorafgaand aan een tijdelijke vervoersvoorziening wordt opgeschort met ingang van de datum van tijdelijk verblijf buiten de gemeente en herleeft weer zodra de leerling terugkeert in de gemeente, tenzij de geldigheidsduur van dit besluit is verstreken. Artikel 13. Vervoersvoorziening naar stageadres 1. Als al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar een school voor voortgezet speciaal onderwijs of een school voor voortgezet onderwijs kan op verzoek een vervoersvoorziening worden toegekend voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een afzonderlijke aanvraag ingediend. 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, eerste lid, kan een aanvraag voor stagevervoer ook door de school voor voortgezet speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs worden gedaan. 3. De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt slechts toegekend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract; b. de stagetijden komen overeen met de reguliere schooltijden; c. de stage vindt plaats op één stageadres; en d. het stageadres is gelegen op de route van de woning naar de school.
Als wordt aangetoond dat dit niet mogelijk is, dan kan het stageadres gelegen zijn binnen een door het college te bepalen maximale straal van de woning of de school. 4. Een vervoersvoorziening wordt slechts toegekend over de afstand tussen de woning van de leerling en het dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke stageadres. 5. Het college kan het stagecontract opvragen.
6
Paragraaf 4. Onderzoeksfase: verstrekking aard en omvang van de vervoersvoorziening Artikel 14. Verstrekking van de vervoersvoorziening 1. Het college betrekt bij de verstrekking van de vervoersvoorziening eventuele adviezen van deskundigen die voor de onderzoekfase van belang zijn. 2. Als begeleiding in het vervoer vereist is vergoedt het college geen andere kosten dan de vervoerskosten die verbonden zijn aan de begeleiding van de leerling in het vervoer. Artikel 15. Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer en vervoer per fiets 1. Als voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 8, eerste lid, verstrekt het college aan de ouders van de leerling die een school voor primair onderwijs of speciaal onderwijs bezoekt bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 2. Als aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in het eerste lid en de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets, verstrekt het college de ouders bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets. 3. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de in de laatst bekend gemaakte VNGpublicatie Basisnormbedragen Leerlingenvervoer genoemde fietskilometervergoeding, gemeten langs de kortste afstand. Artikel 16.
Bekostiging van de kosten van openbaar vervoer of vervoer per fiets ten behoeve van een begeleider 1. Het college verstrekt aan de ouders van de leerling bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer of vervoer per fiets van de leerling en een begeleider als: a. voldaan is aan de afstandsgrens genoemd in artikel 8, eerste lid, de leerling jonger dan negen jaar is en door de ouders ten behoeve van het college genoegzaam wordt aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken; of b. het een gehandicapte leerling betreft. 2. De kilometervergoeding voor de fiets is gelijk aan de in de laatst bekend gemaakte VNGpublicatie Basisnormbedragen Leerlingenvervoer genoemde fietskilometervergoeding, gemeten langs de kortste afstand. 3. Als een begeleider meer dan één leerling tegelijk begeleidt worden de kosten van het vervoer van één begeleider bekostigd. Artikel 17. Vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school bezoekt, als: a.
aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 15 of 16 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht; b. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in de artikelen 15 of 16 en openbaar vervoer ontbreekt, tenzij de leerling naar het oordeel van het college al dan niet onder begeleiding gebruik kan maken van het vervoer per fiets; c. aanspraak bestaat op bekostiging zoals bedoeld in artikel 16 en door de ouders aan het college genoegzaam wordt aangetoond dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is; of d. de leerling, naar het oordeel van het college ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken. Artikel 18. Bekostiging op basis van de kosten van eigen vervoer 1. Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening kan het college de ouders vragen, of op aanvraag toestaan, één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren. 7
2.
3.
4.
Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend, bekostigt het college aan de ouders die een leerling zelf vervoeren dan wel laten vervoeren: a. een bedrag op basis van de kosten van het vervoer per fiets voor de leerling zonder begeleiding als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het vervoer per fiets al dan niet met begeleiding. b. een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer voor de leerling zonder begeleiding als aanspraak zou bestaan op bekostiging op basis van de kosten van het openbaar vervoer al dan niet met begeleiding; of c. een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, als aanspraak zou bestaan op een voorziening in de vorm van aangepast vervoer, behoudens het bepaalde in het vierde lid. De kilometervergoeding voor eigen vervoer is opgenomen in de jaarlijkse publicatie van de VNG ‘Basisnormbedragen Leerlingenvervoer’. Als toestemming ingevolge het eerste lid aan de ouders is verleend bekostigt het college aan de ouders die meer dan één leerling tegelijk zelf vervoeren dan wel laten vervoeren een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto, behoudens het bepaalde in het vierde lid. Aan de ouders die één of meer leerlingen laten vervoeren door andere ouders die voor het vervoer van één of meer leerlingen bekostiging van het college ontvangen, wordt geen bekostiging verstrekt.
Artikel 19. Bekostiging andere passende vervoersvoorziening Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouders desgewenst een bekostiging verstrekken voor een andere passende voorziening die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer. Artikel 20. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie 1. Met inachtneming van artikel 7 kent het college een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toe aan de in de gemeente wonende ouders van de leerling die, met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, in een internaat of pleeggezin verblijft. 2. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor weekeindevervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft naar de woning van de ouders en terug voor zover de weekeinden niet vallen binnen de schoolvakanties. 3. Het college kent aan de ouders een vervoersvoorziening toe voor het vakantievervoer van de leerling voor de eenmaal per schoolvakantie van twee dagen of meer gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft naar de woning van de ouders en terug, voor zover de vakantie voorkomt in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt. 4.
Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing. Artikel 21. Eigen bijdrage in de vorm van een drempelbedrag 1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt en van wie het inkomen samen meer bedraagt dan € 27.900,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 8 bepaalde afstand te boven gaan. 2. Wanneer het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt of doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 8 bepaalde afstand, als het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 27.900,-, tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart voor de in artikel 8 8
4.
5.
bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden. Het inkomensbedrag van € 27.900,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 27.900,-. Dit bedrag wordt jaarlijks door de VNG bekend gemaakt. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
Artikel 22. Eigen bijdrage in de vorm van een draagkrachtafhankelijke bijdrage 1. Als de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag. 2. Wanneer het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen, het vervoer zelf verzorgt of doet verzorgen en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan twintig kilometer bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer. 3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders. Zij bedragen: Inkomen in euro’s Eigen bijdragen in euro’s per gezin per schooljaar per 0-36.900 Nihilgezin per schooljaar 36.900-43.650 145 43.650-50.400 630 50.400-56.700 1.170 56.700-64.800 1.715 64.800-71.100 2.300 71.000 en verder Voor elke extra € 5.000: € 550 erbij 4.
De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-. Deze bedragen worden jaarlijks door de VNG bekend gemaakt. 5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-. Deze bedragen worden jaarlijks door de VNG bekend gemaakt. 6. Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen.
9
Paragraaf 5. Slotbepalingen Artikel 23. Beslissing college in gevallen waarin de regeling niet voorziet In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 24. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen. Artikel 25. Intrekking oude regeling De Verordening leerlingenvervoer Gemeente Nuenen 2014 wordt ingetrokken. Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2022. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bekostiging leerlingenvervoer gemeente Nuenen 2022. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 juli 2022. De voorzitter,
De griffier,
10
Toelichting Algemeen Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. In sommige gevallen is de afstand naar de school groot of kan het kind door een structurele handicap niet zelfstandig naar school. Ouders kunnen dan een beroep doen op de Verordening bekostiging leerlingenvervoer. Wettelijke plicht De raad heeft de wettelijke plicht een regeling vast te stellen voor het leerlingenvervoer. Dit is vastgelegd in artikel 4, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO), artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: WVO) en artikel 4, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra (hierna: WEC). Het gaat om scholen voor basisonderwijs, speciaal basisonderwijs, (voortgezet) speciaal onderwijs en regulier voortgezet onderwijs die zijn aangesloten bij samenwerkingsverbanden primair of voortgezet onderwijs en om instellingen voor cluster 1 en cluster 2.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities Afstand De afstand wordt consequent gemeten. Voor elke afstand wordt eenzelfde professionele routeplanner gebruikt. De route hoeft niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer, volgens een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ((hierna: Afdeling) ABRvS 12 juni 1995, nr. R03.93.5575). Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg (zie ABRvS 27 december 1989, nr. R03.88.7309). Begeleider Ouders zijn verantwoordelijk wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om te begeleiden zijn zij verantwoordelijk voor vervanging. Gehandicapte leerling Een leerling die door een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, is een gehandicapte leerling in de zin van de verordening. Wanneer een leerling ondanks zijn handicap zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de verordening geen gehandicapte leerling.
De beperking van de leerling ten gevolge van een handicap moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan drie maanden duren. Er is geen sprake van een beperking in de zin van deze verordening als de beperking met medicijnen te verbeteren is. Inkomen Als peiljaar voor het inkomen wordt op grond van de WPO (artikel 4, zevende lid) aangemerkt het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor bekostiging wordt gevraagd, begint. Het verzamelinkomen van het huishouden waarin de leerling leeft, zoals staat in de aanslag inkomstenbelasting, is bepalend. Wanneer de aanslag inkomstenbelasting ontbreekt, wordt uitgegaan van het bij de Belastingdienst geregistreerde inkomen. Leerling Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs moeten kinderen vier jaar zijn om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de WPO). In het derde lid van artikel 39 van de WPO is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden maximaal vijf 11
dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn geen leerlingen in de zin van de wet en hiervoor wordt geen vervoersvoorziening toegekend. Ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs kunnen aanspraak maken op een vervoersvoorziening wanneer aan de voorwaarden van de verordening wordt voldaan, ongeacht de leeftijd van de leerling. Een uitzondering zijn rijdende scholen voor kermisexploitanten of circusmedewerkers (Titel B van het Besluit trekkende bevolking WPO). Ouders van deze leerlingen maken geen aanspraak op een vervoersvoorziening. Ontwikkelingsperspectief Scholen zijn verplicht een ontwikkelingsperspectief op te stellen voor leerlingen in het speciaal basisonderwijs, het speciaal onderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs (hierna: pro) én voor leerlingen, die in het regulier basis- en voortgezet onderwijs extra ondersteuning krijgen. Het in overleg met ouders opgestelde ontwikkelingsperspectief bevat onderwijsdoelen en het uitstroomprofiel (vervolgonderwijs, arbeidsmarktgericht en dagbesteding). OOGO Artikel 18a, negende lid, van de WPO en artikel 17a, negende lid, van de WVO bepalen, dat samenwerkingsverbanden en gemeenten een Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) moeten voeren over het ondersteuningsplan.
Daarnaast is overleg mogelijk over de aansluiting tussen de ondersteuning in het onderwijs en de (jeugd)zorg, leerlingenvervoer, leerplicht en onderwijshuisvesting. Het overleg moet leiden tot een goede afstemming en samenwerking tussen het samenwerkingsverband en de gemeente. Openbaar vervoer Voor de definitie van ‘openbaar vervoer’ is aangesloten bij de begripsomschrijving in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000, met uitzondering van de zinsnede ‘volgens een dienstregeling’. Hierdoor is het mogelijk de regiotaxi als openbaar vervoer te beschouwen. Ouders De omschrijving volgt de begripsbepalingen van de WPO en de WEC. Ook pleegouders zijn aan te merken als verzorgers en vallen daarmee onder het begrip ‘ouders’. Reistijd De reistijden van het openbaar en aangepast vervoer worden vergeleken. Als de leerling met openbaar vervoer van de woning naar school of terug meer dan anderhalf uur onderweg is én de reistijd met aangepast vervoer wordt teruggebracht tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer, bestaat aanspraak op aangepast vervoer (artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a). In de praktijk komen leerlingen, ongeacht de vervoersvorm, ongeveer tien minuten voor de start van de lessen op school aan. Deze tijd valt niet onder de reistijd. Eventuele wachttijd voor het openbaar vervoer aan het einde van de schooldag wordt wel meegerekend.
Bij aangepast vervoer is tijd nodig om de school te verlaten en in de taxi(bus) te stappen. Het is redelijk tien minuten op te tellen bij de berekende duur van de rit. Deze periode is ook volgens de Afdeling redelijk (ABRvS 5 oktober 1990, nr. R03.90.6236/86538). Samenwerkingsverband Onder 1° Een samenwerkingsverband primair onderwijs omvat volgens artikel 18a van de WPO alle binnen een bepaald gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daar speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering zijn vestigingen van scholen waarvan het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. 12
Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. Onder 3° Een samenwerkingsverband voortgezet onderwijs omvat volgens artikel 17a van de WVO alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van scholen voor voortgezet onderwijs, scholen voor voortgezet speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan voortgezet speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Een uitzondering zijn vestigingen van scholen waarvan het bestuur is aangesloten bij een landelijk samenwerkingsverband. Scholen voor voortgezet speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband. Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband. School Onder 1° In de WPO gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs.
Onder 2° In de WEC gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. De WEC onderscheidt de volgende clusters: Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap, Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden en meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps, Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen en meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten. Het onderwijs van cluster 1 en 2 wordt gegeven in instellingen, deze vallen onder het begrip ‘school’.
Onder 3° In de WVO gaat het om scholen voor voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (hierna: vwo), hoger algemeen vormend onderwijs (hierna: havo), voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (hierna: vmbo) en pro. Leerwegondersteunend onderwijs is geen aparte schoolsoort, maar betreft extra ondersteuning aan leerlingen in het vmbo. Toegankelijke school Leerlingen kunnen vanwege hun lichamelijke of geestelijke toestand zijn aangewezen op een bepaalde school. Op grond van artikel 18a, zesde lid, van de WPO beoordeelt het samenwerkingsverband primair onderwijs of een leerling toelaatbaar is tot een speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband of tot het speciaal onderwijs van cluster 3 en cluster 4. 13
Op grond van artikel 17a, zesde lid, van de WVO beoordeelt het samenwerkingsverband voortgezet onderwijs of een leerling toelaatbaar is tot het voortgezet speciaal onderwijs. Beide samenwerkingsverbanden laten zich daarbij adviseren door deskundigen. Voor instellingen voor cluster 1 en cluster 2 geldt een afwijkende procedure. In artikel 41, tweede lid, van de WEC is bepaald dat de commissie van onderzoek beoordeelt of een leerling in aanmerking komt voor het onderwijs op de instelling óf op begeleiding vanuit de instelling, waarbij de leerling dan is ingeschreven op een andere school Vervoer Het vervoer sluit aan op het begin en einde van de schooldag zoals in de schoolgids van de school is aangegeven. Alleen wanneer de leerplichtige leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan tijdens schooltijd worden vervoerd. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor vervoer tijdens schooltijd. Met afwijkende roosters in het voortgezet onderwijs wordt geen rekening gehouden. Woning Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet van belang in welke gemeente de ouders en/of het kind ingeschreven zijn.
Het adres waar kinderen een bepaalde tijd voor of na de schooldag worden opgevangen (buitenschoolse opvang) valt in beginsel niet onder het begrip ‘woning’.
Paragraaf 2. Aanvraag van de vervoersvoorziening Artikel 3. Aanvraagprocedure Eerste lid Ouders dienen een aanvraag voor een vervoersvoorziening in bij het college. Een meerderjarige en handelingsbekwame leerling kan dit ook zelf doen. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een logeeradres zijn waar de leerling op vaste dagen verblijft. Tweede lid Onder gegevens wordt mede verstaan eventuele verklaringen (bewijsstukken). Voorbeelden zijn een medische verklaring, werkgeversverklaring, verklaring rijksinspecteur van de belasting of een verklaring van overwegende bezwaren. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. De gemeente kan zelf een onafhankelijke deskundige inschakelen. Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht deze gegevens te overleggen als deze relevant zijn voor de beslissing. De gegevens moeten juist en volledig zijn. Het college bepaalt of dat het geval is. Wanneer nodig worden ouders in de gelegenheid gesteld om binnen een door het college te bepalen termijn het aanvraagformulier aan te vullen of te corrigeren.
Wanneer ouders geen gebruik maken van deze gelegenheid, maakt het college de afweging of de aanvraag in behandeling wordt genomen (artikel 4:5, eerste lid, van de Awb). Op grond van artikel 4:5, vierde lid, van de Awb moet aan de aanvrager bekend gemaakt worden dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Uit jurisprudentie blijkt dat gemeenten zich bij een afwijzing niet louter kunnen beroepen op een onjuist of onvolledig ingevuld aanvraagformulier. Bij de beoordeling moet de gemeente mede betrekken wat de kennelijke bedoeling van de aanvrager is, zoals die uit aanvragen van de voorafgaande jaren gebleken is (ABRvS 9 november 1989, nr. R03.89.5831/S6535). 14
Artikel 4:15 van de Awb bepaalt dat de beslistermijn wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. In artikel 3, vierde lid, is bepaald dat het college binnen acht weken na ontvangst van alle benodigde gegevens een beslissing neemt. Derde lid Op de verstrekte gegevens is de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van toepassing. De verstrekte persoonsgegevens mogen uitsluitend worden gebruikt voor het behandelen van de aanvraag en de organisatie van het vervoer en of de bekostiging. Vierde lid Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat een redelijke termijn waarbinnen een beschikking wordt gegeven in ieder geval is verstreken na acht weken. Vijfde lid Wanneer de beslistermijn door omstandigheden niet haalbaar is, kan het college de beslissing voor ten hoogste vier weken verdagen. Uiterlijk een dag vóór het verstrijken van de tweede termijn moet een beschikking door het college zijn afgegeven. Als ook de verdagingstermijn onvoldoende is, moet een beschikking worden afgegeven. Een beschikking treedt pas in werking als deze bekend is gemaakt (artikel 3:44 van de Awb). De termijnen in artikel 3 zijn inclusief de tijd die nodig is om de beschikking aan aanvragers bekend te maken.
Bezwaar en beroep Het is mogelijk bezwaar te maken tegen een besluit van de gemeente, tegen het feit dat de gemeente te laat beslist en tegen het verdagen van een besluit. Dit bezwaarschrift moet binnen zes weken worden ingediend. Als de beslistermijn van acht weken (en eventueel de verdaging van vier weken) overschreden worden, kan een aanvrager op grond van artikel 6:2 van de Awb bezwaar maken en beroep instellen. In dat geval is het bezwaar en beroep niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12, eerste lid, van de Awb). Het bezwaar- of beroepschrift wordt niet-ontvankelijk verklaard wanneer het onredelijk laat is ingediend (artikel 6:12, derde lid, van de Awb). Zesde lid Een toegekende vervoersvoorziening kan bestaan uit een bekostiging aan de ouders of door de gemeente verzorgd aangepast vervoer in de vorm van busvervoer of een taxi(busje). De ingangsdatum van een bekostiging is in principe gelijk aan de in het aanvraagformulier verzochte ingangsdatum. Deze kan echter niet zijn gelegen vóór de datum waarop de aanvraag door de gemeente is ontvangen. Bekostiging met terugwerkende kracht is niet mogelijk. Bij aangepast vervoer kan het inschakelen van een vervoerder enige tijd kosten (onder b). Artikel 4.
OOGO met het samenwerkingsverband Eerste en tweede lid In de Wet passend onderwijs is bepaald dat samenwerkingsverbanden OOGO voeren met gemeente(n) over het ondersteuningsplan. Het beleid van samenwerkingsverbanden en gemeenten kan over en weer gevolgen hebben. Het leerlingenvervoer kan bij het OOGO ter sprake kan komen. In het ondersteuningsplan staat welke scholen extra ondersteuning bieden en welke tussenvoorzieningen er zijn. Dit kan gevolgen hebben voor het leerlingenvervoer. Advies van deskundigen Het is voor de gemeente niet altijd duidelijk wat een kind op het gebied van zelfstandig reizen kan. Het onderzoek daar naar is belangrijk bij de behandeling van een aanvraag. De mening van ouders en het advies van de school zijn niet altijd voldoende. Soms is onafhankelijk onderzoek, op kosten van de gemeente, noodzakelijk. Adviezen kunnen worden gegeven 15
door een pedagogisch deskundige, ambulante begeleider van de leerling, directeur van de school, samenwerkingsverband, jeugdgezondheidsdienst, geneeskundige dienst, een sociaal-medische adviesdienst, medicus gespecialiseerd in de betreffende handicap, orthopedagoog, kinderpsycholoog, e.a. Derde lid Het college spreekt met het samenwerkingsverband een periodiek uitvoerend overleg af. In dit overleg houden beiden elkaar op de hoogte van de ontwikkelingen in beleid en uitvoering. Wanneer het samenwerkingsverband een leerling naar een school verwijst waardoor de leerling ver moet reizen, bespreken partijen wat gedaan wordt om dit onderwijsaanbod dichter bij huis te organiseren. Artikel 5. Algemene voorwaarden voor toekenning van de vervoersvoorziening Eerste lid De hoogte van deze eigen bijdrage is afhankelijk van het inkomen van de ouders en de afstand tussen de woning en school (zie de artikelen 21 en 22). Wanneer de ouders de bijdrage weigeren te betalen of nalatig zijn, leidt dit tot het stopzetten van de bekostiging of het taxivervoer. De eigen bijdrage geldt alleen voor het basisonderwijs en speciaal basisonderwijs, ongeacht de vervoersvorm. Derde lid De verantwoordelijkheid voor schoolbezoek ligt op grond van de Leerplichtwet altijd bij de ouders en is hierin nog eens expliciet vastgelegd. Ouders kunnen deze verantwoordelijkheid niet op- of overdragen aan de gemeente.
Vijfde lid Het college legt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de termijn van de verstrekking vast in de beschikking. Wanneer te verwachten is dat de lichamelijke of geestelijke toestand van de leerling niet wijzigt en deze dus aan de criteria blijft voldoen streven we naar een toekenning voor meerdere schooljaren of de hele schoolperiode. Wanneer wel verandering wordt verwacht, wordt voor een kortere periode verstrekt. De eigen bijdrage wordt jaarlijks vastgesteld op basis van recente inkomensgegevens. Zevende lid De vervoersvoorziening heeft betrekking op het vervoer tussen de woning en de school. Een vergoeding van het vervoer naar een opvanglocatie, zorglocatie, buitenschoolse voorziening of andere instelling anders dan een school zijn uitgesloten voor een vergoeding. Artikel 6. Herziening, opschorting, intrekking of terugvordering van de vervoersvoorziening Eerste lid Ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed zijn op de vervoersvoorziening zo snel mogelijk door te geven aan het college. Het college kan ook zelf wijzigingen constateren die van invloed zijn op de vervoersvoorziening.
Vierde lid Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere wijziging in het woonadres van de leerling, verandering van school, het adres van de school, andere schooltijden, de reistijd in het openbaar vervoer en wijziging in de gezinssituatie, in verband met begeleiding. Aan ouders kan een eigen bijdrage worden gevraagd (zie de artikelen 21 en 22). Een wijziging in het inkomen van ouders heeft in principe geen invloed op de bekostiging voor datzelfde jaar. Wanneer sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college de bekostiging aanpassen. Het college kan een leerling de toegang tot het aangepast vervoer ontzeggen wanneer deze herhaaldelijk door onaangepast gedrag 16
of anderszins de orde verstoort of de veiligheid van het voertuig en inzittenden in gevaar brengt. Vijfde lid De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de minderjarige leerling tijdens het aangepast vervoer ligt bij de ouders. Zij krijgen de gelegenheid hun kind te begeleiden bij het vervoer. Wanneer het gedrag beïnvloedbaar is door begeleiding, is er geen reden om de leerling individueel te vervoeren. Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Onaanvaardbaar gedrag kan een reden zijn om de vervoersvoorziening stop te zetten. Onaanvaardbaar is gedrag dat onder de gegeven omstandigheden in het maatschappelijk verkeer onacceptabel is. Voorbeelden zijn beschadiging van het interieur van de taxi(-bus), mishandeling van medepassagiers, grove belediging of bedreiging van de chauffeur etc. Voordat daar consequenties aan worden verbonden gaat het college na of het gedrag verwijtbaar is. Vanwege een aandoening is bepaald gedrag soms niet verwijtbaar. In dat geval wordt beoordeeld of een andere vervoersvoorziening, zoals eigen vervoer, passend is. Zesde lid Ten onrechte genoten bekostiging kan op grond van het zesde lid worden teruggevorderd (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:165).
Paragraaf 3. Beoordelingsfase: beoordeling van de aanspraak op vervoersvoorziening Artikel 7. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school Eerste lid Op grond van de artikelen 4 van de WPO, de WEC en de WVO moet de raad in de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school eerbiedigen. In deze artikelen is bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Een toegankelijke school is de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting of openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand. Als dichtstbijzijnde school wordt aangemerkt de school die qua afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende (meest) begaanbare, veilige weg. Wanneer een leerling een school bezoekt die, met voorbijgaan van een vergelijkbare school van de gewenste richting, verder van de woning is verwijderd, blijft de aanspraak in principe beperkt tot de kosten van het vervoer naar en van de dichtst bij de woning gelegen school. Het college is niet verplicht in dat geval deze kosten te vergoeden.
Het college kan besluiten geen bekostiging te verstrekken, als vervoer aanwezig is waardoor de kosten voor de gemeente gelijk blijven, ongeacht het feit of de leerling van dat vervoer gebruik maakt. Wanneer vervoer naar een verder van de woning van de leerling gelegen school van dezelfde richting voor de gemeente goedkoper is (of even duur), kan het college aan de ouders vragen ermee in te stemmen dat de leerling naar die school wordt vervoerd. Richting Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). Een onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen, Iederwijsscholen, etc. 17
Instellingen voor cluster 1 en cluster 2 De instelling of de reguliere school waar de leerling is aangemeld of staat ingeschreven vraagt de toelaatbaarheid aan bij de commissie van onderzoek. Deze commissie beoordeelt of een leerling is aangewezen op onderwijs of op begeleiding vanuit de instelling. Als de leerling niet toelaatbaar is tot de instelling, kunnen ouders hun kind inschrijven bij een reguliere school of bij een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs. De ouders kiezen zelf voor een school, maar kunnen daarbij advies krijgen van de commissie van onderzoek van de instelling. Bepaalt deze commissie dat de leerling extra ondersteuning nodig heeft op een reguliere school, dan krijgt de leerling begeleiding vanuit de instelling. Dislocaties en nevenvestigingen Als een school meerdere locaties heeft wordt de locatie die de leerling bezoekt aangemerkt als ‘school’. Tweede lid Het tweede lid bepaalt dat niet eerder een aanspraak op een vervoersvoorziening ontstaat dan dat de ouders of de meerjarige en handelingsbekwame leerling de keuze voor de toegankelijke school schriftelijk hebben gemeld. Dit lid is geformuleerd naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling (21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2467).
De Afdeling heeft het volgende bepaald (rechtsoverweging 5): “Artikel 4, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: Wvo) vereist dat een regeling als bedoeld in het eerste lid van die bepaling over de vergoeding van leerlingenvervoer de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school eerbiedigt. Dat ouders op grond van godsdienst of levensbeschouwing een bepaalde school kiezen, hoeft niet te betekenen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen een openbare school of een bijzondere school van een andere richting. Artikel 3, tweede lid, van de Verordening leerlingenvervoer gemeente Utrecht 2015 stelt voor het kunnen maken van aanspraak op een vervoersvoorziening daarom ten onrechte de eis dat ouders schriftelijk verklaren dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen. Daarmee is artikel 3, tweede lid, van de Verordening in strijd met artikel 4, derde lid, van de Wvo. Het college had bij zijn besluit op de aanvraag van [appellant] om vergoeding van de kosten van leerlingenvervoer deze bepaling dan ook buiten toepassing moeten laten.
Door aan [appellant] op grond van die bepaling de voorwaarde te stellen dat hij in een schriftelijke verklaring de dichterbij gelegen scholen van andere (geloofs)richtingen afwijst voordat hij een kostenvergoeding krijgt om zijn zoon naar de door hem gekozen verder weg gelegen islamitische school te kunnen brengen, heeft het college de op godsdienst berustende schoolkeuze van [appellant] ten onrechte niet geëerbiedigd. Nu [appellant] – die als liberale moslim in zijn algemeenheid geen overwegende bezwaren heeft tegen een openbare school of een bijzondere school van een andere richting – ervoor kiest zijn zoon islamitisch voortgezet onderwijs te laten volgen, kan hij aanspraak maken op een vervoersvoorziening van en naar de door hem voor zijn zoon gekozen school.”. Volgens de Afdeling moet het college de op godsdienst of levensbeschouwing berustende keuze van ouders voor een school eerbiedigen. Het eerste lid omschrijft voldoende op welke grond recht op een bepaalde omvang van de bekostiging van leerlingenvervoer ontstaat. Op basis van het tweede lid kan een oneigenlijk beroep op leerlingenvervoer worden herkend. In het tweede lid is gekozen voor het woord “gemeld” en niet voor “gemotiveerd” om zoveel mogelijk in lijn te blijven met de uitspraak van de Afdeling.
Het begrip “melding” ziet meer op administratieve verwerking van bepaalde voor het nemen van een besluit noodzakelijke gegevens.
18
Derde lid Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de WPO moet het vervoer naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband worden bekostigd. Dat is niet altijd de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband dichterbij de woning is gelegen. Het samenwerkingsverband beoordeelt of leerlingen toelaatbaar zijn tot het onderwijs aan speciale scholen voor basisonderwijs in het eigen samenwerkingsverband (artikel 18a, zesde lid, aanhef en onder c, van de WPO). Een ‘toelaatbaarheidsverklaring’ voor een speciale school voor basisonderwijs afgegeven door het samenwerkingsverband, geldt alleen binnen dat samenwerkingsverband (artikel 40, achtste lid, van de WPO). In de praktijk kan het voorkomen dat leerlingen geplaatst worden op een speciale school voor basisonderwijs buiten het samenwerkingsverband. In het derde lid wordt gesproken van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is. Dit is op grond van de voorgaande leden van artikel 8 de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool.
Daarnaast geldt, bij toepassing van het derde lid, aanhef en onderdeel b, ook hier het vereiste van schriftelijke instemming van de ouders. Passend onderwijs De zorgplicht van de school waar de leerling wordt aangemeld is een van de kernpunten van het passend onderwijs. Wanneer de school waar het kind is aangemeld niet zelf de nodige onderwijsondersteuning kan bieden, is het de verantwoordelijkheid van deze school om een school te vinden die wel passend onderwijs kan bieden. Wanneer plaatsing in het regulier onderwijs niet haalbaar is kan (voortgezet) speciaal onderwijs worden aangeboden. Hierbij is het schoolondersteuningsprofiel het uitgangspunt. In dit profiel wordt aangegeven welke ondersteuning deze school kan bieden. In het ondersteuningsplan van het samenwerkingsverband staat welk niveau van basisondersteuning voor elke school geldt, hoe scholen samen een samenhangend geheel aan ondersteuningsvoorzieningen bieden, hoe verwijzing naar het (voortgezet) speciaal onderwijs plaatsvindt en hoe zij ouders informeren. Het college kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke en door het samenwerkingsverband geadviseerde school. De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet overtuigend worden aangetoond aan het college, bijvoorbeeld door een onderbouwing van het samenwerkingsverband of onderzoek.