2022-39 RV Bijlage 3 - Gewijzigd Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen-West - Toelichting Bijlagen toelichting ex artikel 6.10 Awb, 2
Tekst van het document
Werken buiten de kwetsbare periode, zijnde de voortplantingsperiode (december augustus). Bij aanwezigheid van de steenmarter wordt, voordat de steenmarter eventueel wordt verjaagd, gekeken naar de aanwezigheid van alternatieve locaties waar de steenmarter heen kan om de gunstige staat van instandhouding van de steenmarter te waarborgen. De ze toetsing naar alternatieve locaties wordt uitgevoerd door een ter zake kundige. Indien geen alternatieve locaties aanwezig zijn dient in overleg met een ter zake kundige worden gezocht naar een andere bevredigende oplossing. Het verjagen gebeurt enkele uren voorafgaand aan de sloop door luide muziek af te spelen.
Zoals al aangegeven is weinig informatie beschikbaar over de manier waar op met de steenmarter omgegaan moet worden onder de Wet natuurbescherming. Bovenstaande manier van werken is gebaseerd op de manier van werken onder de Flora- en Faunawet. Geadviseerd wordt om, zolang er geen nieuwe gedragscodes zijn, een ontheffing aan te vragen bij het “raken” van een verblijfplaats van de steenmarter. Mogelijk is het daarbij nodig om een aantal mitigerende maatregelen voor de soort te nemen om de ontheffing te kunnen verkrijgen. Hierbij kan gedacht worden aan: Het creëren van nieuwe verblijfplaatsen in de vorm van nestkasten onder takkenhopen o.i.d. Creëren van nieuw leefgebied, of de optimalisatie van bestaand leefgebied.
Blad 11 van 26
Soortmanagementplan Ontwikkeling van Nuenen West in relatie tot soortenbescherming projectnummer 411948 8 februari 2019 Nuenen West B.V.
3.8
Vleermuizen Basisdocument: Vleermuisprotocol, 2017 (Netwerk Groene Bureau’s, 2017) en Kennisdocument gewone dwergvleermuis (BIJ12, 2017). Bescherming: artikel 3.5 Wnb.
Eenzelfde gebouw kan meerdere typen verblijfplaatsen herbergen en in meerdere aantallen. Voor het gehele netwerk aan verblijfplaatsen zal voldoende vervanging plaats moeten vinden. Een vleermuisdeskundige kan in al deze gevallen het benodigde aantal bepalen. Verblijfplaatsen moeten: Binnen het kerngebied van de groep, en dan bij voorkeur zo dicht mogelijk maar altijd binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats, worden geplaatst en dit buiten de invloedsfeer van de activiteiten. Een locatie hebben die gelijk is aan of beter van kwaliteit is dan de oorspronkelijke situatie. Wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. Als het permanente voorzieningen zijn, zich alle inwendig in het gebouw bevinden of als een combinatie van inwendig en uitwendig. Zo mogelijk worden ze geïntegreerd in het bouwplan opgenomen. Uitwendige vleermuiskasten zijn niet geschikt als permanente vervanging. Bij voorkeur komt de oorspronkelijke verblijfplaats weer beschikbaar na de renovatie- of restauratiewerkzaamheden. Vervangende voorzieningen voor zomerverblijfplaatsen zonder kraamfunctie van < 10 dieren mogen zich ook allen uitwendig aan het gebouw bevinden. verschillende microklimaten aanbieden (clustering met verschillende richtingen).
Veel van in de handel aangeboden inmetselkasten zijn te klein om in variatie aan microklimaten te voldoen en vaak ook te klein om grotere groepen te huisvesten. als het tijdelijke voorzieningen zijn, bij voorkeur aan gebouwen geplaatst worden, bij uitzondering aan bomen (paarverblijfplaatsen) en kunnen de vorm hebben van bij voorkeur meerlaagse platte vleermuiskasten of plaatvormige voorzieningen. Vervangende zomerverblijfplaatsen moeten bij voorkeur: Van model A zijn bij tijdelijke vervanging van zomerverblijfplaatsen (zonder kraamfunctie) met < 10 dieren. Van model B zijn bij tijdelijke vervanging van zomerverblijfplaatsen (zonder kraamfunctie) met >10 dieren. Wat betreft locaties van tijdelijke vervangende zomerverblijfplaatsen van > 10 dieren worden afgestemd op aansluiting op een nabije vliegroute. Voor tijdelijke vervanging van zomerverblijfplaatsen met < 10 dieren een gewenningsperiode kennen van minimaal 3 maanden (waarbij alleen de maanden april tot en met oktober meetellen). Voor tijdelijke vervanging van zomerverblijfplaatsen met >10 dieren een gewenningsperiode kennen van minimaal 6 maanden (waarbij alleen de maanden april tot en met oktober meetellen).
Wat betreft nieuwe locaties voor zomerverblijfplaatsen met > 10 dieren bij grootschalige ingrepen afgestemd worden met de functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-) winterverblijfplaatsen, vliegroutes, vliegroutes, foerageergebied) en met al bestaande territoria.
Blad 12 van 26
Soortmanagementplan Ontwikkeling van Nuenen West in relatie tot soortenbescherming projectnummer 411948 8 februari 2019 Nuenen West B.V.
Vervangende kraamverblijfplaatsen moeten bij voorkeur: Bij tijdelijke vervanging van (meerlaags) model C zijn. Bij permanente vervanging geschakelde inbouwkasten of grotere inbouwkasten zijn die plek kunnen bieden aan grote aantallen gewone dwergvleermuizen, waar voldoende wegkruipmogelijkheden in aanwezig zijn en die voldoende buffering voor temperatuurverschillen bieden. zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke locatie geplaatst worden en bij voorkeur niet verder dan 50 meter hier vandaan. Bij voorkeur geplaatst worden in het zwermgebied van de oorspronkelijke verblijfplaats waarbij de locaties worden afgestemd op de nabije vliegroute. Een bezonning kennen van meer dan 10 uur per dag om een grotere kans op benutting te hebben. Bij een tijdelijke vervanging een gewenningsperiode hebben van minimaal één volledig kraamseizoen waarin de oude en de nieuwe kraamverblijfplaats beiden aanwezig zijn. • Vervangende paarverblijfplaatsen moeten bij voorkeur: Van model A zijn bij tijdelijke vervanging. Wat betreft de nieuwe locaties worden afgestemd met functies die het gebied tot geschikt paargebied maken: (massa-) winterverblijfplaatsen, vliegroutes, foerageergebied en met al bestaande territoria van mannetjes. Een gewenningsperiode van minimaal 6 maanden voorafgaand aan de start van het paarseizoen kennen.
• Ten aanzien van vervangende winterverblijfplaatsen: Voor vervanging van winterverblijfplaatsen zijn geen standaard oplossingen bekend. Dit is maatwerk. Vervangende winterverblijfplaatsen moeten altijd onder begeleiding van een gewone dwergvleermuisdeskundige bepaald worden. Het verbeteren van de kwaliteit van bestaand of het realiseren van nieuw geschikt foerageergebied voor gewone dwergvleermuizen. Het vervangende foerageergebied moet zo goed en zo snel mogelijk de oorspronkelijke situatie (gaan) benaderen wat betreft hoogte, dichtheid, structuur, oriëntatie, en dergelijke. Het kost een beplanting veelal minimaal 2 tot 3 jaar om uit te kunnen groeien en vergelijkbaar te functioneren als de oude beplanting en zo een voldoende beschut gebied met een voldoende groot insectenaanbod te leveren dat ook gebruikt wordt door de gewone dwergvleermuis. Belangrijk is dat het oppervlak waar gejaagd kan worden en vooral het insectenaanbod, niet onderdoet voor de oorspronkelijke locatie. Voor de prooidieren van de gewone dwergvleermuis is de aanwezigheid van water van belang. Het vervangende foerageergebied moet tijdig voor aanvang van de activiteiten aanwezig zijn om de dieren het nieuwe gebied te laten ontdekken, zodat het voor hen kan functioneren.
Het vervangende foerageergebied moet bij voorkeur gelegen zijn nabij het oorspronkelijke foerageergebied maar buiten de invloedssfeer van de activiteiten Het vervangende foerageergebied moet bereikbaar zijn vanuit de verschillende vormen van verblijfplaatsen. Een alternatieve vliegroute moet bij voorkeur worden gecreëerd nabij of parallel aan de originele vliegroute, zodanig dat energieverliezen door omvliegen worden beperkt. De beplanting die de alternatieve route gaat vormen moet zo goed mogelijk de
Blad 13 van 26
Soortmanagementplan Ontwikkeling van Nuenen West in relatie tot soortenbescherming projectnummer 411948 8 februari 2019 Nuenen West B.V.
oorspronkelijke situatie (gaan) benaderen wat betreft hoogte, dichtheid, structuur, en dergelijke
3.9
Eekhoorn Basisdocument: Geen richtlijnen beschikbaar. Wel een gedragscode die gold onder de Flora en Faunawet (bijvoorbeeld die van de gemeente Raalte, 2013). Geldig tot 30-08-2018. Bescherming: artikel 3.10 Wnb. De hoofdlijn die uit deze gedragscode komt is: Werken buiten de kwetsbare periode, zijnde de voortplantingsperiode en winterrust (december - augustus). Voorkómen dat eekhoorns gedood worden Zoals al aangegeven is weinig informatie beschikbaar over de manier waar op met de eekhoorn omgegaan moet worden onder de Wet natuurbescherming. Bovenstaande manier van werken is gebaseerd op de manier van werken onder de Flora- en Faunawet. Geadviseerd wordt om, zolang er geen nieuwe gedragscodes zijn, een ontheffing aan te vragen bij het “raken” van een nest van de eekhoorn. Mogelijk is het daarbij nodig om een aantal mitigerende maatregelen voor de soort te nemen om de ontheffing te kunnen verkrijgen. Hierbij kan gedacht worden aan: Het creëren van nieuwe verblijfplaatsen in de vorm van nestkasten. Creëren van nieuw leefgebied, of de optimalisatie van bestaand leefgebied.
Blad 14 van 26