CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-25 RIB Bijlage 1 Verstedelijkingsakkoord SGE - visie

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente NuenenBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven13.939 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

voorzieningenniveau en multimodaal bereikbaarheidssysteem, waardoor de concurrentiepositie om talent te behouden blijft en nieuw talent kan worden aangetrokken.

4 Kortgezegd zijn deze uitgangspunten:

− Marktvraag is leidend; − Gezamenlijk zoeken naar een voor iedereen acceptabele financiële oplossing; − Ruimte voor regionale Brainportambitie; − Leegstand verwerkt in behoeftenraming provincie;

31 / 50 De toplocaties zijn geïdentificeerd op basis van het eerdere (vastgestelde) MIRT-onderzoek en aangedragen door de gemeenten in het Stedelijk Gebied. Deze locaties zijn: • • • • • • •

Eindhoven: TU/e Campus, High Tech Campus, Brainport Industries Campus, EIK-XL, StrijpS, Strijp-T, De Hurk*5, GDC*, Esp*, Flight Forum/Eindhoven Airport* Helmond: Automotive Campus, Helmond Centrum+ (incl. Foodtech-Campus), Brainport Smart District Veldhoven: ASML/De Run Best: Philips Healthcare*/Breeven Son en Breugel: Sciencepark Ekkersrijt Oirschot: Westfields* Waalre: High Tech Campus Eindhoven-Zuid

Een groot aantal van deze locaties maakt deel uit van de OV-knooppunten Eindhoven en Helmond of van de OV-assen, waarlangs de verdichting in het Stedelijk Gebied Eindhoven plaats vindt. HOV4 – Eindhoven – Veldhoven De Run

Van deze assen, is -gegeven de sterke en naar verwachting aanhoudende groei van het

semiconductorcluster rond ASML- met name de as Eindhoven Centrum-Veldhoven De Run voor de korte termijn van belang voor de groei van de economie. Dit cluster speelt een grote rol in de

economie van de regio en van het land, maar is onvoldoende voorbereid op de groei die hier zal plaatsvinden. ASML heeft recent aangekondigd dat het aantal werknemers tot 2023 met 5.000 zal

toenemen. Dit zet in toenemende mate de ruimtelijke ontwikkeling en de mobiliteit in dit deel van de stad onder druk.

De ontwikkeling van de HOV4-as biedt kansen om in samenhang dit economische cluster én woningbouw in samenhang met OV en groen/water te onderzoeken. Daarvoor wordt een

ontwikkelperspectief opgesteld, waarbij ook de grote werkgevers in het gebied nauw zullen worden betrokken. Zie hiervoor ook principe 2 en afspraken 2.1 – 2.6. Versterking reguliere bedrijventerreinen

De reguliere bedrijventerreinen spelen een belangrijke rol in het vestigingsklimaat van

Brainportregio, met het MKB als belangrijk fundament onder de ambities en gewenste groei. De

economische en sociale waarde van bedrijventerreinen voor de regio is hoog. Samen bieden ze

werkgelegenheid voor circa 125.000 mensen, 40-45% van de totale werkgelegenheid in de SGE.

Bestaande (gemengde) bedrijventerreinen hebben vooral kwaliteitsimpulsen nodig in de openbare ruimte, aantakking op de omgeving, maar hebben ook hun aandeel in het doorlopen van de energietransitie.

Het is belangrijk om ook in de toekomst voldoende ruimte te hebben op bedrijventerreinen. De

vraag naar ruimte op bedrijventerreinen neemt toe. In eerder onderzoeken in het SGE werd nog uitgegaan van een afvlakking en op termijn zelfs krimp, maar de signalen uit de markt en vanuit

gemeenten laten juist een stevige groei van de vraag zien (landelijk 17% volgens een onderzoek van Stec). De grootste uitdaging wordt om het (nieuwe) aanbod aan te laten sluiten op de veranderende vraag naar bedrijventerreinen.

In de programmering van bedrijventerreinen werken de gemeenten samen om ervoor te zorgen het juiste aanbod op de juiste plek. Het hiervoor door de regio opgestelde ‘stoplichtenmodel’

5 Locaties met een * liggen vanwege het type (categorisering bedrijventerrein; productielocatie) in het kader van dit

onderzoek minder voor de hand.

32 / 50 voor de planvoorraad aan bedrijventerreinen is ontwikkeld om naar de toekomst toe gericht op de

kwantitatieve en kwalitatieve opgave te kunnen sturen. Hierbij zetten we ook nadrukkelijk in op de kwaliteit van bedrijventerreinen rondom de Brainport principles en streven we, bijvoorbeeld

middels het Regionaal Ontwikkelfonds Werklocaties, naar het gebiedsgericht stimuleren van bestaande (werk) locaties en innovatie door het financieel ondersteunen van kansrijke herontwikkelingsprojecten.

Tenslotte hebben we oog voor de ontsluiting van werklocaties door in te zetten op het beter aan laten sluiten van openbaar vervoersstructuren op economische locaties, of anders gezegd het beter ontsluiten van werklocaties die wat verder weg liggen middels het openbaar vervoer.

33 / 50

> Brainport als slimme economische topregio

Gemengd werkmilieu in Eindhoven

High Tech Campus

Ruimte voor de maakindustrie nodig

Hoofdkantoor ASML

34 /

>5 Mobiliteitstransitie is nodig om in beweging te blijven

Mobiliteitstransitie is voorwaardelijk voor de ontwikkeling van de regio

De groei van de regio zorgt voor de groei van de vraag naar mobiliteit. De principes voor

verstedelijking zijn zodanig opgezet dat er volop wordt gestuurd op functiemenging en de concentratie van functies op een aantal plekken. Dit heeft als voordeel dat veel dagelijkse

bewegingen over korte afstand kunnen plaatsvinden, en dus het liefst te voet of per fiets. Het voorkomen van mobiliteit is het beste antwoord op het bereikbaarheidsprobleem en op het voorkomen van een onaanvaardbare milieugezondheidsbelasting in met name de

centrumgebieden. Verplaatsingen te voet of per fiets dragen ook bij aan de fysieke gezondheidsverbetering van inwoners en werknemers.

Het voordeel van concentratie en menging is dat het zorgt voor een betere mogelijkheid tot

bediening met duurzame mobiliteit. Van HOV en trein tot fiets en deelmobiliteit. De verstedelijking is dus nadrukkelijk ingericht op een manier waarbij duurzame mobiliteit steeds meer de logische, voordelige en makkelijke keuze is. Maar dit gaat niet voldoende zijn om de regio op termijn in beweging te houden.

In het MIRT onderzoek Verstedelijking en Bereikbaarheid Brainport Eindhoven is de toekomst van

het mobiliteitssysteem in de regio geschetst. Bij het BO MIRT van 2020 zijn de uitkomsten van dit onderzoek omarmt door Rijk, Provincie en Regio, en momenteel worden deze afspraken verder uitgewerkt in verschillende deelonderzoeken.

In het BO MIRT zijn voor mobiliteit afspraken gemaakt over het uitwerken van de strategie voor mobiliteit langs drie lijnen: Schaalsprong (H)OV, Mobiliteitstransitie en Oplossen knelpunten automobiliteit.

50

35 / 50 1. Schaalsprong (H)OV

•

Verbeteren beter gebruiken bestaand systeem (TOD)

•

Realisatie Multimodale Knoop Eindhoven Centraal

•

Radialen versterken en verbeteren: nieuwe HOV en intensievere treinverbindingen Het OV systeem is sterk radiaal en gericht op Eindhoven Station. Door het versterken van het centrum en de ontwikkeling van Eindhoven Internationale Knoop XL zal de druk op het centrum van Eindhoven steeds groter worden. Tegelijkertijd biedt het OV een onvoldoende concurrerend alternatief voor de auto naar de randen van het stedelijk gebied. Het systeem moet dus allereerst verbeterd worden door het verhogen van treinfrequenties en het verder doorontwikkelen van het bestaande radiale OV systeem (busstation Neckerspoel vernieuwen, bestaande HOV assen versterken, nieuwe HOV assen toevoegen). De ontwikkeling van dit systeem en de ontwikkeling van de (binnen)stad van Eindhoven versterken elkaar. Maatregelen die op termijn bij kunnen dragen zijn: het opvoeren van treinfrequenties, zoals onderzocht en uitgewerkt in de regionale uitwerking van het Toekomstbeeld OV 2040 Zuid-Nederland. het toevoegen en verlengen van de HOV radialen. Waarbij het uitwerken en aanleggen van HOV4, de radiaal naar Valkenswaard en naar Geldrop de eerste logische stap is. Het toevoegen van directe verbindingen met buitenlandse bestemmingen te beginnen met Düsseldorf. In de regionale uitwerking van het toekomstbeeld OV 2040 ZuidNederland worden voor de langere termijn ook Aachen en Brussel genoemd.

•

Doorontwikkelen Helmond CS

•

Daarna tangentieel systeem (Brainportlijn)

Door het verstedelijken op OV locaties zorgen we ervoor dat het gebruik van duurzame mobiliteit voor zoveel mogelijk mensen aantrekkelijk wordt. Door juist de bestaande OV locaties verder te ontwikkelen wordt het bestaande systeem steeds beter benut en loont het investeringen in de uitbreiding daarvan. De ontwikkeling is de komende tijd dan ook sterk gericht op de centrale plekken in het systeem: Eindhoven Centrum en Helmond Centrum.

Vergroten capaciteit en kwaliteit van Station Eindhoven Centraal, We studeren op het toevoegen van perroncapaciteit, verbeteren toegang station, verbeteren van fiets(parkeer)voorzieningen, aanleg van het nieuwe busstation (Neckerspoel). Komende jaren willen we hier stappen in zetten. Neckerspoel en Eindhoven centraal vormen een sleutel tot succes voor de mobiliteitstransitie.

Helmond centrum, inclusief het station, vervult een centrumfunctie voor de Peelregio. Om dit te blijven versterken en de bereikbaarheid op peil te houden, is het nodig om het lokale en regionale OV-netwerk vanuit station Helmond door te ontwikkelen. Richting woon- en werkgebieden. Het implementeren van innovatieve vervoersconcepten (zelfrijdende shuttle, flex concepten, etc.) en HUBs zijn hier onderdeel van. Partijen gaan onderzoeken welk OVsysteem hierbij passend is.

Een schaalsprong in het vestigingsklimaat en een mobiliteitstransitie zijn nodig om Brainport

Eindhoven internationaal aantrekkelijk te houden en de nieuw te bouwen woningen op te kunnen vangen. Op lange termijn is daarom niet alleen een verbetering van het huidige systeem nodig, maar een schaalsprong door de introductie van een tangentieel systeem, de Brainportlijn.

Door de groei van Eindhoven zal de druk op het mobiliteitssysteem op een zeker moment te groot worden. Daarbij komt kijken dat de radiale verbindingen van het bestaande systeem vooral plekken in de regio en in de stad met het station van Eindhoven verbinden. Een aantal van de belangrijke werklocaties in de regio ligt langs de A2-corridor aan de westkant van Eindhoven. Voor veel mensen is het daarom aantrekkelijk om met de auto naar deze plekken

36 / 50 te gaan. Het direct verbinden van deze werklocaties met elkaar en met de belangrijkste woongebieden is een opgave die op termijn de concurrentie met de auto zal moeten aangaan. Het radiale HOV-netwerk inclusief deze tangentiele HOV verbinding is in het MIRTonderzoek 2020 als eindbeeld voor 2040 neergezet deze gaan we stap voor stap realiseren. De Brainportlijn typeert zich als volgt: -

-

-

-

-

Het is een vervoerkundige aanvulling op het bestaan- de radiale OV-netwerk en de voorziene ontwikkeling van een systeem van mobility hubs langs. uitvalswegen en rond bestaande perifere OV-knopen en zorgt voor ontsluiting van de economische toplocaties en campuslocaties rondom de A2 Ring. De Brainportlijn maakt de realisatie van 28.500 binnenstedelijke woningen mogelijk en 29.000 arbeidsplaatsen

De Brainportlijn wordt gezien als een iconische ‘showcase’ om de mobiliteitsinnovaties in de praktijk toe te passen, om de internationale toppositie te behouden en uit te bouwen.

Vanaf de kerncorridor waaiert de Brainportlijn aan de noordzijde (vanaf station Best via de Philip Health Campus, Eindhoven Airport en de Brainport Industries Campus) en de zuid- zijde (vanaf ASML en High Tech Campus) op bestaande infrastructuur breed uit de regio in Met een noordelijke en zuidelijke verbinding met Eindhoven Internationale Knoop XL (EIK XL) ontstaat feitelijk een soort ‘circle-line’. De lijn biedt aanknopingspunten om op termijn uit te breiden naar de oostzijde van de regio De ontwikkeling en stapsgewijze implementatie van de Brainportlijn in de periode tot 2030 als het noodzakelijke living lab voor het mobiliteitssysteem van de toekomst

2. Mobiliteitstransitie

•

Versterken (snel)fietssysteem

•

Gedragsverandering rond automobiliteit en ruimte voor slimme automobiliteit

De Brainportregio is een regio waar de afstanden zich goed lenen voor verkeersbewegingen op de fiets. De groei in elektrische fietsen vergroot de actieradius en versterkt de vraag naar hoge kwaliteit snelfietspaden. De slowlane is een ringverbinding die verschillende locaties voor werkgelegenheid aan elkaar verbindt. Samen met de radiale verbindingen van Eindhoven naar de omliggende kernen vormt dit de basis van een wiel met spaken voor fietsers. In dit kader wordt in Helmond, als onderdeel van de mobiliteitstransitie, het fietsnetwerk met Eindhoven, maar ook de omliggende kernen verder versterkt. Naast de regionale fietsstructuur is ook binnen steden en dorpen het op orde hebben van de fietsinfrastructuur, inclusief stallingen, deelfietsen en overstapmogelijkheden op het OV een belangrijke voorwaarde voor een stap naar duurzame mobiliteit. Als onderdeel van de mobiliteitstransitie maatregelen is ook een eerste pakket aan snelfietsroutes verder uitgewerkt.

De auto speelt in de regio Brainportregio een belangrijke rol. De ruimte om de auto infrastructuur verder uit te bouwen is beperkt. De verdichting van stedelijk gebied vraagt juist om het verminderen van het ruimtegebruik door de auto. Naast het aantrekkelijk maken van de alternatieven, zal ook het beperken van de automobiliteit een onderdeel van de oplossing zijn. Aspecten die hierbij van belang zijn: -

Spitsmijden: stimuleren dat er spreiding is van (auto)verkeer, waarbij de grootste spitsproblematiek verlicht wordt.

Hybride werken (thuis-werkplek) heeft in de afgelopen periode laten zien dat dit een onderdeel van de oplossing kan zijn. Het optimaal benutten en faciliteren van deze

37 / 50 verandering in samenwerking met werkgevers draagt bij aan verlichting van de mobiliteitsdruk. -

-

-

Afstemmen parkeerbeleid, waarbij op belangrijke bestemmingen betaald parkeren ingevoerd wordt en een alternatief via een hub/P+R aan de stadsranden wordt geboden. Omarmen en stimuleren slimme mobiliteit en deelmobiliteit, waardoor infrastructuur beter benut kan worden. De regio is hier koploper in en er spelen verschillende projecten, waaronder FabulousX en het innovatie en expertisecentrum CAV. De Automotive Campus Helmond speelt hierin een belangrijke rol. Multimodale knopen ontwikkelen waar overstap tussen modaliteiten gefaciliteerd wordt, waaronder P+R voorzieningen.

Digitaal faciliteren van slim reisgedrag en -keuzen via Mobiliteit als dienst (MaaS).

3. Oplossen knelpunten automobiliteit De transitie naar duurzame mobiliteit is de grootste opgave voor de regio. Toch zal ook in de

automobiliteit een aantal knelpunten opgelost moeten worden om de groei van de regio mogelijk te kunnen maken en binnenstedelijke mobiliteitstransitie te faciliteren. De belangrijkste regionale opgaven zijn: •

Knelpunten in het rijkswegennet: A2/N2, A58, A50, A67

•

Toekomst van de Ring Eindhoven in het kader van binnenstedelijke verdichting

•

Zuidelijke ontsluiting van Helmond irt de N270 door het centrum en de robuuste randen als de N612 en N279 De verbinding A270/ John F. Kennedylaan

•

Afgelopen jaar hebben Rijk (I&W) en regio (Eindhoven, Helmond en Provincie NB) nader onderzoek gedaan naar robuuste en samenhangende kansrijke oplossingen voor de

systeemopgaven op het HWN en OWN. Het ging hierbij om samenhangende oplossingen voor A2/N2/A67/A50 en de John F. Kennedylaan en het noordoostkwadrant van de Ring

(‘stadsautoweg Eindhoven’) en de zuidelijke ontsluiting van Helmond. Uitgangspunten waren daarbij de afwikkeling van het verkeer over bestaande tracés en dat ook in de toekomst er

voldoende ruimte dient te zijn voor het doorgaand verkeer op de A2/N2/A67/A50. Hier zijn een aantal kansrijke oplossingen uit gekomen.

38 /

> Mobiliteitstransitie is nodig om in beweging te blijven

Principes voor mobiliteitstransitie

Eén van de drie te onderzoeken perspectieven voor de mobiliteitstransitie in SGE uit de MIRT-verkenning 2020.

50

>6 Landschap van de toekomst: Van natuurgebied tot diep in de stad De regio staat aan de vooravond van een transitie naar een duurzame en gezonde regio. Of het nu gaat om klimaatadaptatie, energietransitie, circulariteit, mobiliteitstransitie, voedselproductie of

biodiversiteit, de manier waarop de groei van de regio zich verhoudt tot de landschappelijke basis van de regio verandert. De luchtkwaliteit moet beter en het groen moet versterkt worden en

letterlijke ademruimte bieden voor de grote opgaven die op ons afkomen. Het landschap vormt

daarom hét uitgangspunt, de basis, bij verdere ontwikkelingen. Het landschap – in het bijzonder het water- en bodemsysteem - is mede in het licht van klimaatverandering een leidend principe

voor de ruimtelijke ontwikkeling. Naarmate de steden en dorpen groeien wordt het belang van het groen, rust en ruimte groter, juist als integraal onderdeel van de steden en dorpen.

Groenstructuur SGE (bron: MIRT verkenning, 2020)

40 / 50

6.1 Groen-blauw als ruimtelijke onderlegger

Het landschap als de groen-blauwe basis van de regio is allereerst ruimtelijk onder te verdelen en te versterken op verschillende schaalniveaus: (1) Grote landschappelijke structuren

Natuurgebieden, agrarische landschappen, bossen, heidevelden beken en kanalen zijn de

natuurlijke basis van de regio en maken het leven in de regio zo aangenaam. Niet alleen voor

mensen, maar ook voor flora en fauna. Het versterken van deze landschappelijke structuren vormt de basis voor de groei van de regio. De grote structuren zijn in de propositie van het Van Gogh National Park benoemd en omvatten waardevolle landschappen, waaronder: Het Dommeldal,

Oirschotse Heide, Genneper Parken, Nuenens Broek, Nieuwe Heide en Sonse Heide, De Mortelen, De Scheeken, Luchenseheide, Molenheide, Stiphoutse bossen en de Strabrechtse Heide. De

ambitie en de werkwijze volgens het kompas van het Masterplan Van Gogh National Park en de

opgaven die daaruit voortvloeien vormen in deze verstedelijkingsstrategie als de onderlegger van het landschap van de Brainportregio. Hieronder vallen de grote opgave van het realiseren van het Natuur Netwerk Nederland, Natura 2000, klimaatadaptatie, het verhogen van de biodiversiteit in

het agrarisch gebied. Het versterken van de cultuurhistorie en erfgoed zijn hieraan onlosmakelijk verbonden.

(2) Groene wiggen

Tussen de stedelijke gebieden van het SGE steken langs de bestaande beeksystemen groene

landschappen en parken diep het stedelijk gebied in. Deze gebieden zijn een kritieke schakel in het stedelijk gebied door de manier waarop ze bewoners en natuur aan elkaar verbinden. Deze wiggen hebben in stedelijk gebied ook een belangrijke functie als uitloopgebied en recreatiegebieden.

Voorbeelden van deze groene wiggen zijn: •

Het Dommeldal dat van Zuidwest naar Noord door van Waalre/Veldhoven naar Son loopt, groene gebieden aan elkaar rijgt en het Centrum van Eindhoven met de natuur verbindt

•

Het Kleine Dommeldal door Geldrop en als buffer tussen Nuenen en Eindhoven

•

Het stroomgebied van de Tongelreep dat via Valkenswaard, door Aalst (Waalre) richting de Genneper parken en het centrum van Eindhoven stroomt.

•

Eindhoven Noordwest met de groene corridor dat de landschappelijke kwaliteit vanuit het westen van de regio diep de stad in trekt

•

De Goorloop die van Zuid naar Noord door Helmond slingert en groene gebieden diep de stad in trekt

•

De groene punt aan de zuidzijde van Helmond en het Gulden land aan de noordzijde, met daartussen als verbindend element de terug te brengen Stads Aa

Het beschermen en versterken van deze wiggen is noodzakelijk voor de leefbaarheid in de stad.

41 / 50 (3) 50 ha nieuw groen in stad en dorp

Voor een gezonde groene regio waarin de directe leefomgeving uitnodigt tot gezond bewegen (te voet en ter fiets) en biodiversiteit wordt versterkt, vertakt het groen in stad en dorp tot het

kleinste schaalniveau zodat het groen begint op het dak en gevel en via plantsoenen en parken in verbinding staat met wiggen en de grotere landschappen. Een systeem dat dus wijdvertakt is tot in elke hoek van steden en dorpen waardoor groen altijd nabij is. Principes van groene

verstedelijking worden daarmee uitgangspunt voor stedelijke ontwikkeling. Natuurinclusieve buurten en gebouwen, volop ruimte voor de wateropgave, klimaatadaptatie, tegengaan van hittestress en ruimte voor biodiversiteit in de stedelijke gebieden horen daarbij.

Als ambitie voor de verdichtingsopgave wordt geformuleerd om 8 m2 groen te realiseren per toegevoegde woning. Voor de regio gaat het dus om 50 ha nieuw groen in de directe woonomgeving.

Dat groen telt meer wanneer: -

Het een aanvulling is van het groenoppervlak op privaat terrein en in de openbare

-

Het groen zich binnen 5 minuten lopen (= 300 m) van de projectlocatie bevindt;

-

ruimte (geen vervanging/compensatie);

Het groen tenminste 2 van de volgende functies vervult, waarbij ‘gebruiksgroen ter ontspanning en recreatie’ in beginsel altijd nagestreefd moet worden: Recreatie; Identiteit; Klimaatadaptatie (verkoeling, waterberging); Natuur (biodiversiteit); Productie; Water (berging) + oppervlaktewater.

In de uitwerking van deze norm zal een gebiedsgerichte, kwalitatieve afweging gemaakt moeten

worden met betrekking tot deze norm. Daar waar dat door ruimtegebrek binnen een ontwikkeling niet mogelijk is, biedt bijvoorbeeld een groencompensatieregeling de mogelijkheid om de

gewenste investering in groen door financiële compensatie elders in te zetten, voor bijvoorbeeld de bestaande woonomgeving, de vergroening van het centrum, ter versterking van de grotere groenstructuur, of ter versterking van de biodiversiteit en klimaatbestendigheid. Ook kan

kwalitatief hoogwaardig groen op dak en gevel (gedeeltelijk) als compensatie ingezet worden. 6.2 Groen-blauw als programmatische onderlegger

Groen biedt naast een ruimtelijke structuur ook een programmatische kapstok voor de regio: •

Ecologie en biodiversiteit Het landschap moet vooral ruimte bieden voor de natuur. Het versterken van de ecologische

structuur, het verbinden van natuurgebieden (via ecologische verbindingszones die onderdeel uitmaken van NNB) en het versterken van de biodiversiteit zijn daarbij de hoofddoelstellingen. Projecten zoals Dommeldal (de Hoght) / Tongelreep / Groote Heide / Stads Aa dragen hier aan bij. Daarnaast kan ook met natuurinclusief bouwen veel worden

gedaan voor gebouwgebonden diersoorten als huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. •

Cultuurhistorie en erfgoed als kans

In zowel de landschappelijke als de binnenstedelijke opgave ligt er ook de opgave om de cultuurhistorie van de regio te versterken. De cultuurhistorie draagt de identiteit van de regio. Hierbij gaat het om inzetten van waardevol erfgoed als kwaliteit voor de leefomgeving of het versterken van erfgoed zoals het terugbrengen van de watermolenlandschappen. In Nuenen is het project de Wereld van Van Gogh een voorbeeld, in Best het Wederopbouwgebied De

42 / 50 Scheeken. Strijp-S in Eindhoven is een mooi voorbveeld voor inzet van erfgoed in een binnenstedelijke verstedelijkingsopgave •

Landbouwtransitie en voedselproductie

•

Wateropgave en klimaatadaptatie

De manier waarop we in de regio voedsel produceren verandert. Een omschakeling naar duurzame landbouw wordt gevoed door acute problemen zoals de stikstofcrisis en meer geleidelijke processen waarbij zaken als milieubewustzijn en veranderende businessmodellen voor agrariërs een rol spelen. De verhouding tussen boer en landschap zal de komende tijd verder versterken (“vooruit naar vroeger”).s. Hierbij hoort een nieuw perspectief voor de agrarische sector en de voedselproductie dichtbij de stad. Het sluiten van de kringlopen op de diverse schaalniveaus, natuurinclusieve en extensieve landbouw en lokaal produceren zijn daarbij uitgangspunten. Een voorbeeld hiervan is de voedselproductie in het nieuwe Brainport Smart District.

Het veranderende klimaat en een groeiende stad zorgen voor uitdagingen in de wateropgave. luchtkwaliteit en hittestress. De regio verdroogt, maar heeft tegelijkertijd te maken met meer piekbelasting van het watersysteem. Meer ruimte voor water om langzaam te infiltreren en op te slaan is belangrijk om het grondwater op peil te houden en tevens ‘speelruimte’ om extreme weersomstandigheden op te vangen en overstromingen te voorkomen. Met grondwater als belangrijkste bron voor het drinkwater vraagt de toenemende onbalans in de grondwatervoorraad om regionale afstemming. Het project Interreg project WarmbeekTongelreep / Dommeldal speelt hier op in. In Helmond is de Goorloop een prachtig voorbeeld en is nu veel inzet gericht op het terugbrengen van de Stads Aa in de stad. Daarnaast is het belangrijk om inwoners en organisaties te betrekken om bij te dragen aan de genoemde opgaven. Stimuleringsactie Operatie Steenbreek is hiervan een goed voorbeeld.

Verder dient er aandacht te zijn voor het klimaatadaptief bouwen. Dus inclusief oplossingen zoals groene gevels en daken om hittestress tegen te gaan, en klimaatadaptatie en luchtkwaliteit te bevorderen. Een verdichting van de stad heeft de afgelopen periode geleid tot meer CO2 uitstoot. Om de luchtkwaliteit te verbeteren is meer groenaanplant en het terugbrengen van de CO2-uitstoot nodig. Naast de luchtkwaliteit is ook de algemene levensstandaard en levenswijze van belang. De fysieke leefomgeving kan daar indirect maar ook direct aan bijdragen. Dan gaat het om zachte sociale waarden maar ook om ruimte om te bewegen en om een schone, hele en veilige omgeving. In dat verband is bij een sterke stijging van het aantal inwoners in de binnenstad met haar zeer beperkte ruimte het managen van het afvalprobleem en afvalstromen van groot belang. •

Recreatie

Met een groeiende bevolking neemt de druk op de ruimte voor recreatie toe. Recreatief gebruik van natuurgebieden en recreatiegebieden betekent een noodzaak tot verder investeren in routes en voorzieningen en het robuuster maken van de natuurgebieden. Vanuit ecologisch perspectief is sturing en zonering noodzakelijk. Groen op loopafstand van de woning vormt een belangrijke basis voor de ontspanning van de bewoners. Dit zijn logische ontmoetingsplaatsen of juist plekken van rust en ontspanning (zie voor concrete voorbeeldprojecten de ‘Verrijking gebiedsvisie BC’).

43 / 50

6.3 Energietransitie

Het landschap van de toekomst speelt ook een belangrijke rol in de aanpak van opgaven die voortkomen uit de energietransitie. Hierbij gaat het zowel over de beschikbaarheid van (duurzame) energie als sturende factor in de ruimtelijke ordening (en

dus de verstedelijkingsopgave) en de hieraan gekoppelde verdelingsvraag (energienet), maar ook over energie als belangrijke nieuwe ruimtevrager in een al tot op de vierkante meter ingedeelde en toebedeelde ruimte. Tot slot brengt de trias energetica (verminderen-hernieuwbaar-

efficienter) uitdagingen voor de verstedelijkingsopgave met zich mee. Het klimaatakkoord heeft

als doel om in 2050 fossielvrij te zijn. De omschakeling van aardgas naar duurzame energie in de

gebouwde omgeving is een enorme uitdaging de komende decennia. De verwachting is dat in de toekomst de beschikbaarheid en verdeling van duurzame bronnen en dragers bepalend zal zijn voor de warmtevoorziening. Op voorhand kunnen daarom geen duurzame bronnen en dragers

worden uitgesloten. In het bijzonder gaan we in het verstedelijkingsakkoord in op de volgende onderwerpen: •

Aardgasvrij en warmtenet Om de CO₂ uitstoot in de stad te reduceren, en energie en warmtevraag ook met de

verdichtingsopgave te blijven faciliteren, is het doel aardgasvrij te zijn in 2050. Op dit moment ontbreekt landelijk beleid en voldoende wet en regelgeving om de activiteiten uit te kunnen voeren t.a.v. de wijkgerichte aanpak aardgasvrije wijken (warmtewet 2.0). Om de landelijke doelen van het Klimaatakkoord te halen moeten in het SGE minimaal 48.000 bestaande woningen tot 2030 en nog aanvullend 96.000 woningen tussen 2030 en 2040 van het aardgas af. Naast de 62.000 nieuwe woningen tot 2040 die aardgasvrij moeten worden opgeleverd. Het SGE kenmerkt zich echter door een gebrek aan duurzame warmtebronnen, wat duurzame verstedelijking bemoeilijkt. In de nieuwe binnenstedelijke bouwopgave is het aanleggen van (duurzame) warmtenetten op veel locaties een belangrijke uitdaging, zowel ruimtelijk, technisch als financieel. Hiervoor is nader onderzoek en het maken van keuzes noodzakelijk. Daarnaast moeten de bestaande warmtenetten in Helmond en Eindhoven verduurzaamd worden. In de stedelijke rand is het een zoektocht naar alternatieven voor individuele oplossingen, ook om het netwerk niet te intensief te belasten. Het gebrek aan handelingsperspectief vanwege knellende kaders en subsidielijnen zorgt hier voor een sterkere nadruk op de korte termijn voor het isoleren van woningen, maar daarmee is het ook een lastige uitdaging om de landelijke doelen te halen.

Tevens is de opgave natuurlijk niet enkel het aardgasvrij maken van onze woningvoorraad. De warmtetransitie biedt ook kansen om de kwalitatieve woonambities te bereiken. Door samen met de corporaties en inwoners investeren in de openbare en particuliere ruimte (binnen)stedelijke wijken kunnen we de kwaliteit van wonen en de leefbaarheid in de wijken verbeteren. •

Verduurzaming werklocaties In dezelfde stedelijke rand rondom Eindhoven en Helmond bevindt zich +/- 2.000 hectare aan bestaand of tot 2024 te ontwikkelen bedrijventerrein. We hebben de ambitie dat werklocaties in het SGE voorop lopen op de thema’s duurzaam, gezond, bereikbaar en klimaatadaptief. Werklocaties zouden eigenlijk een energiepositieve bijdrage moeten leveren. Om de beoogde kwaliteitsslag te maken, om het SGE een hoogwaardig vestigingsklimaat te blijven houden, moet er ook er flink geïnvesteerd worden. Er zijn grote stappen te zetten in bijvoorbeeld het reduceren van energie, zonnepanelen op daken en alternatieve

44 / 50 warmteoplossingen. De verduurzaming van de bestaande werklocaties vraagt echter wel structurele inzet die (nog) niet gedekt is met middelen. Om de ambities ook te realiseren is ondersteuning van het Rijk nodig. •

Innovaties in energieopwekking Als gevolg van de verdichtingsopgave neemt naar verwachting de vraag naar energie toe. Warmtebronnen, in het bijzonder binnenstedelijke centra, zijn schaars. Het opwekken van voldoende duurzame energie is al een grote uitdaging, laat staan de vraag om dit binnen de plot te realiseren. Hiervoor zijn innovaties nodig die onrendabele toppen voor gebiedsontwikkeling met zich meebrengen, zoals: o meer gebouw gebonden opwek realiseren bij hoogbouw; o financieel interessanter maken van gebouw gebonden opwek op grootschalige daken, zodat er maximaal dubbel ruimte gebruik is. Juist in stedelijke gebieden; o lange termijn perspectief bieden voor kleinschalige gebouw gebonden opwek, gekoppeld aan het stimuleren van opslag; o stimuleren van directe koppeling van vraag en aanbod van elektriciteit, buiten het bestaande elektriciteitsnet om; o stimuleren van opslag direct gekoppeld aan de opwek. o ruimte te bieden aan innovaties, bijvoorbeeld op het gebied van een smart-energygrid in nieuwbouwwijken.

•

Inpassing opwekking zonne- en windenergie

•

Netschaarste

De bedrijventerreinen en de omliggende infrastructuur vormen de basis van de no-regret locaties om het RES-MRE (Regionale Energie Strategie Metropoolregio Eindhoven) bod van duurzame opwekking van elektriciteit. Het SGE kent maar een beperkt aantal grootschalige locaties in het buitengebied voor zonnepanelen en/of windturbines. Tegelijkertijd zijn er wel veel locaties aan de rand van het stedelijk gebied. Een goede ruimtelijke inpassing is belangrijk voor een kwalitatieve overgang tussen stad en land. Ook maken deze zoekgebieden gebruik van de zwaardere elektriciteitsstations die leveren aan het woon- en werkmilieu in het SGE. Hierdoor is er sprake van concurrentie om netinpassing.

De groei aan opwekking en het gebruik van elektriciteit vraagt veel van het netwerk. Om onze doelen te halen moet er fors geïnvesteerd worden. Tegelijkertijd constateren we dat dit onvoldoende gaat zijn. De majeure woningbouwlocaties, binnenstedelijke verdichtingslocaties, nieuwe bedrijventerreinen, kwaliteitsslag op bestaande woningen en bedrijventerreinen en de transitie van het landelijk gebied concurreren om dezelfde netaansluiting. Er zullen knelpunten ontstaan en er zal een fasering nodig zijn. De huidige weten regelgeving geven echter geen sturingsmogelijkheden om integrale keuzes te maken, zoals het mogelijk maken om elektriciteitsbronnen op piekmomenten af te koppelen, een flexibele inzet van de reservecapaciteit in de stations en het net en het verlenen van subsidie voor ‘niet-aan-het-net-leveren’. De regio verwacht van het Rijk dat zij strategische ruimtelijke sturing mogelijk maakt. Daarbij zal het SGE ook in moeten zetten op innovatie, zoals de opslag van energie of directe levering aan grootgebruikers, om het netwerk niet onnodig te belasten. Het Rijk speelt een belangrijke rol om deze innovaties financieel ook rendabel te krijgen. Zowel voor elektriciteit als voor warmte zijn investeringen in netwerkcapaciteit noodzakelijk. De manier waarop energie door de regio wordt geleid van opwek tot gebruik vereist afstemming.

Het is een enorme opgave, zowel voor het creëren van draagvlak, als ook de afweging van economische belangen. Ook de opslag van energie en de netwerkcapaciteit zijn onderwerpen van verdere studie. Forse investeringen door netbeheerders zijn nodig om het elektriciteitsnetwerk uit te breiden, denk daarbij aan het toevoegen van onderstations en

45 / 50 zwaardere infrastructuur, maar ook aan alternatieven voor netverzwaring, zoals opslag (buurtbatterij, basalt), flexibilisering en energiewisseling.

•

Circulair

Om de uitstoot van CO₂ wereldwijd te beperken, is het van belang dat we zo lang mogelijk

met grondstoffen doen. De nieuw te bouwen woningen willen we op een circulaire wijze realiseren. Dit vergt een andere aanpak dan de traditionele manier van werken. Om dit mogelijk te maken is samenwerking met andere overheden van grote toegevoegde waarde voor onder andere de volgende onderwerpen: •

Strengere landelijke regelgeving (bijvoorbeeld circulariteit meenemen in bouwbesluit)

•

Instrumentarium voor gebruikte materialen en bouwmethoden: materialenpaspoort: Cirkelstad Brabantse Standaard met provincie en B5

•

Bouwhubs en grondstoffenbanken: juridische kaders, financiering & stimulering; Duurzame bouwplaats: elektrisch of waterstof bouwmateriaal; Stadslogistiek deal, Nulemissiezone

•

City Deal circulair en conceptueel bouwen opvolgen

•

Circulaire infra en inrichting openbare ruimte

•

Urban Development Initiative (UDI) Building Industries 4.0: innovaties stimuleren

> Landschap als basis: Van natuurgebied tot diep in de stad

Het SGE in het Van Gogh Nationaal Park

Groene wiggen in Van Gogh NP

Groen in het OPC Eindhoven

Ruimte voor waterberging (WS De Dommel)

Groen, steden en dorpen in het SGE

Cultuurlandschappen van de toekomst in Van Gogh NP

47 /

>7 Adaptief meerjaren programma verstedelijking en aanvullende afspraken Adaptief meerjarenprogramma en planning

Voorliggend verstedelijkingsakkoord is de start van een langjarige samenwerking tussen Rijk, Provincie en het SGE gericht op het integreren van verstedelijking, mobiliteitstransitie,

vergroening, klimaatadaptatie en energietransitie, juist omdat hier randvoorwaardelijke

afhankelijkheden tussen zitten. Daarmee volgt het verstedelijkingsakkoord een adaptief

meerjarenprogramma in perioden van vijf jaar. De eerste vijf jaar zijn het meest concreet en

daaromtrent zijn harde afspraken te maken. Ieder jaar zal het adaptieve programma indien nodig geactualiseerd worden op basis van de voortgang en eventuele nieuwe inzichten.

In het overzicht in het deel “Afspraken” wordt de samenhang tussen woningbouwontwikkelingen, mobiliteitsingrepen en andere investeringen in groen/blauwnetwerken, klimaatadaptatie en

energietransitie in een tijdspad gezet. Daar waar er randvoorwaardelijke afhankelijkheden zijn

tussen ingrepen op systeemniveau van de SGE (bijvoorbeeld HWN/OWN Eindhoven) en één of meerdere gebiedsontwikkelingen is dit aangegeven. Daarnaast is aangegeven welke ingrepen meer op stedelijk niveau samenhangen met één of meerdere woningbouwontwikkelingen (bijvoorbeeld de HOV-4).

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11652662/1