2022-14 RV Bijlage 1 Evaluatie Sociaal Domein 2015-2021
Tekst van het document
Samenvatting onderzoeksresultaten
Cijfers Als we kijken naar het aantal indicaties voor de Wmo zien we dat deze sinds 2015 over het algemeen flink zijn toegenomen. We wezen eerder al op de vergrijzing en de invoering van de max. eigen bijdrage (€19) als mogelijke verklaringen. Daarnaast moeten we constateren dat de mogelijkheden van sociale netwerken, die veel van de hulpvragen zouden moeten afvangen, mogelijk zijn overschat. Bij de indicaties voor de Jeugdwet zien we sinds 2015 ook een flinke toename. Mogelijke verklaringen zoeken we in de toenemende druk op onze jongeren in een steeds complexer wordende samenleving, een voortschrijdende medicalisering, steeds mondig wordende ouders/verzorgers maar ook het succes van het CMD als laagdrempelige voorziening. Een complicerende factor is de medische verwijsroute. (Huis)artsen kunnen zonder tussenkomst van het CMD kinderen verwijzen naar gespecialiseerde vormen van jeugdhulp. De rekening komt echter wel terecht bij de gemeente. De indruk bestaat dat hierdoor een deel van de hulpvragen die wellicht met een lichtere vorm van hulp beantwoord had kunnen worden, direct wordt doorverwezen naar gespecialiseerde (en duurdere) vormen van hulpverlening. In ieder geval wordt de veronderstelling, dat door de inzet van vroegtijdige (lichte) hulp en het appel op de eigen kracht en het sociaal netwerk zwaardere en duurdere zorg wordt voorkomen, niet direct bevestigd.
Als gevolg van de toenemende indicaties zijn vanzelfsprekend ook de uitgaven voor de Wmo en de Jeugdwet sinds 2015 substantieel toegenomen. De veronderstelling dat door het neerleggen van taken bij gemeenten de kosten van de verzorgingsstaat beperkt worden wordt in ieder geval niet bevestigd. Bij de Participatiewet zien we dat het aantal mensen in Nuenen dat gebruik maakt van een bijstandsuitkering sinds 2015 gestaag afneemt. Een belangrijk doel van de Participatiewet is mensen activeren en aan een (bij voorkeur betaalde) baan helpen. Ondanks vele goede initiatieven , zoals de arbeidsmatige dagbesteding in het GOED, onze methode aanzet en aanpak kansen en de nauwe samenwerking met de WSD, zien we dat een deel van onze 29
cliënten blijft steken op de onderste treden van de participatieladder (het zogenaamde granieten bestand). Een probleem in onze regio is de mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (er zijn veel onvervulde vacatures voor hoger opgeleiden; het opleidings- en ervaringsniveau van het grootste deel van onze cliënten sluit daar onvoldoende op aan). Hoe verhoudt de gemeente Nuenen zich tot referentiegemeenten? Wat opvalt dat in Nuenen, ondanks de hoge vergrijzingscijfers, geen significante verschillen zijn wat betreft het beroep op de Wmo (in dit verband mogen we trots zijn op de sterke sociale cohesie in onze gemeente, het vrijwilligerswerk, het aantal mantelzorgers en de bereidheid om voor elkaar de handen uit de mouwen te steken). Als we kijken naar de Jeugdwet zien we dat bij alle Jeugdzorgtrajecten Nuenen wat lager scoort dan vergelijkbare gemeenten. Resultaten onderzoek onder stakeholders We hebben in ons onderzoek diverse stakeholders bevraagd naar hun kijk op het Sociaal Domein in de gemeente Nuenen. Voor de drie wetten (Wmo, Jeugdwet en Participatiewet) vatten we de belangrijkste meningen en ervaringen puntsgewijs samen: Wmo • • • •
•
•
Het CMD is goed bereikbaar en bekend onder de inwoners. Het is een zeer laagdrempelige voorziening; wellicht te laagdrempelig. De werkwijze binnen het CMD wordt als zeer positief ervaren: korte lijnen, veel disciplines onder een dak. Dit bevordert de integrale aanpak. De receptie en het Wmo loket “vangen al veel vragen af”. Een deel van de vragen resulteert op die manier niet in een indicatie. Zorgvraag verandert: onder invloed van het zolang mogelijk thuis blijven wonen en het gebrek aan alternatieve woonruimte komen er steeds meer aanvragen voor dure woning aanpassingen. Er melden zich steeds meer overbelaste mantelzorgers aan het (mantelzorg)loket. Bij de oudere generatie is sprake van claimgedrag (“we hebben recht op voorzieningen”). Daarnaast is er sprake van “vraagverlegenheid” (veel ouderen hebben moeite om hun kinderen om hulp te vragen). De resultaten van het Klanttevredenheidsonderzoek Wmo zijn de laatste jaren onverminderd goed. .Aandachtspunt is de groep ouderen die aan het loket is geweest maar geen indicatie voor een voorziening heeft gekregen. Of deze groep zich zelf heeft kunnen redden of met hulp van algemene voorzieningen, is niet bekend.
Ook de Clientondersteuners zijn over het algemeen positief over de dienstverlening en de samenwerking met de consulenten van het CMD Wat gaat minder goed/wat wordt gemist: - te weinig aandacht voor wijkgericht werken; - vormen van respijtzorg; - maatjesprojecten (er zijn wel projecten voor mensen met beperkingen of ouderen maar niet voor volwassenen/jongeren die min of meer gezond zijn); - een platform waar vraag en aanbod van diensten/klussen bijeenkomen; - de procedure van het aanvragen van een Wmo voorziening zou beter moeten worden uitgedragen (hiermee wordt het claimgedrag mogelijk ingeperkt); - afschalen van zorg geschiedt te weinig: er is behoefte aan een vorm van lichte zorg (paar uurtjes per week) die langdurig in gezet kan worden; - De regels uit de verordening , met name wat betreft de verslaglegging , dienen beter te worden gevolgd (alleen al om juridische claims te voorkomen); 30
-
•
Vanuit de CO worden de volgende punten genoemd: opnemen van de persoonlijke alarmering binnen de Wmo voorzieningen, meer aandacht voor de mogelijkheden van een PGB, indien ondersteuning een chronisch karakter heeft de mogelijkheid inbouwen om voor onbepaalde tijd te indiceren en bij tijdelijke indicaties een signaal afgeven dat de indicatie verloopt (veel cliënten kunnen dat zelf niet in de gaten houden). Is de transformatie geslaagd: hierover wordt wisselend gedacht. Aan de ene kant wordt gewezen op het grote saamhorigheidsgevoel binnen de gemeente. Aan de andere kant ziet men ook tekenen van individualisering en mantelzorgers die aan hun limiet zitten. In ieder geval is iedereen het erover eens dat als je hulp in de directe omgeving kan organiseren dat altijd beter is voor het “herstel”” van de hupvrager
Jeugd Jeugdconsulenten • Het CMD is voldoende bekend in de gemeenschap. Positief is het laagdrempelige karakter. De samenwerking binnen CMD verloopt goed: de lijntjes tussen de verschillende disciplines zijn kort. Dit bevordert de integrale aanpak. Er is wel een wachtlijst maar deze is beperkt en niet continu. • Er is sprake van steeds zwaardere casussen. Dure specialistische zorg moet steeds vaker worden ingezet. De aard van de zorgvraag verandert; er is sprake van trends • Er zijn volgens de consulenten over het algemeen onvoldoende preventieve middelen en voorzieningen die kunnen worden ingezet. Er wordt een pleidooi gehouden voor een goed toegankelijk jongerencentrum en meer inzet jongerenwerk. Hierdoor komen jongeren eerder in beeld en kan er wellicht eerder preventief worden ingegrepen. • Hierbij wordt wel opgemerkt dat de draagkracht van veel gezinnen gering is en dat een netwerk vaak ontbreekt. Huisartsen • De huisartsen zijn nog niet allemaal volledig op de hoogte van de mogelijkheden van het CMD. Gevraagd naar de redenen waarom men niet doorverwijst naar het CMD wordt genoemd: Ouders “eisen” directe doorverwijzing, de lange procedures op het CMD en de inschatting dat het CMD de zorg die geboden is niet kan bieden.; • Bij een doorverwijzing naar het CMD maakt de helft van de huisartsen gebruik van de daarvoor ontwikkelde verwijsformulieren.
Bij een verwijzing naar een jeugdzorgaanbieder maakt geen enkele huisarts gebruik van de PDC catalogus; • Ruim een derde van de huisartsen kent onvoldoende de mogelijkheden in het voorliggend veld; • De terugkoppeling van de zorgaanbieder naar de huisarts is voor verbetering vatbaar; • De samenwerking met het CMD wordt door de huisartsen als goed gekenmerkt, maar het CMD zou wel wat minder bureaucratisch te werk moeten gaan. Daarnaast moet de terugkoppeling en rapportage worden verbeterd en; • Fysieke bijeenkomsten met wederzijdse kennismaking worden op prijs gesteld.
31
Zorgaanbieders • De zorgaanbieders adviseren hun cliënten wel over de mogelijkheden van het CMD, indien zij denken dat de hulpvraag daar thuishoort. Ook zijn zij volgens eigen zeggen op de hoogte van de mogelijkheden die het CMD kan bieden en de lokale algemene voorzieningen; • Drie van de vier zorgaanbieder zijn (zeer)tevreden over competenties van de CMD consulenten en over de afstemming en samenwerking met het CMD; • De respondenten geven aan dat bij een verwijzing door een (huis)arts de aard en omvang van de benodigde hulp niet altijd exact is omschreven; • Twee van de vier respondenten zijn niet op de hoogte van het medisch verwijsprotocoli en; • Drie van de vier zorgaanbieders kiest voor het goedkoopst passende product uit de PDC. Ouders/verzorgers • Uit de reacties van de ouders/verzorgers die contact hebben gehad met medewerkers van het CMD maken we op dat zij zeer tevreden zijn over de wijze waarop zij door het CMD zijn geholpen. Ook de vraag of men weet waar men met zijn/haar hulpvraag terecht kan is door vrijwel alle respondenten positief beantwoord. • Ruim twee derde deel van de ondervraagde ouders/verzorgers geeft aan dat door de ondersteuning van het CMD hun kind beter zijn/haar problemen kan oplossen
Participatiewet Consulenten werk en inkomen • De gemiddelde caseload van de consulenten is 200. De cliënten die bemiddelbaar zijn spreekt men 1x per zes maanden. De zogenaamde zorg cliënten (waar het perspectief op een betaalde baan gering is) ziet men slechts 1 x per jaar (of nog minder vaak). • Het is nog niet altijd vanzelfsprekend om de werk- en inkomensconsulenten te betrekken bij de activiteiten op CMD. • Als sterke punten van de aanpak om mensen naar werk toe te leiden worden genoemd: De instrumenten die worden ingezet, zoals de diagnose instrumenten Aanzet of Kansen, de goede samenwerking met het CMD en WSD, het bieden van maatwerk en de bereikbaarheid van consulenten • Als zwakke punten worden genoemd: Door het werken met veel experts is het een kunst om de samenwerking goed te blijven houden. Vooral als je elkaar minder vaak ziet, te zware Caseload, mismatch vacatures en mogelijkheden cliënten, Werkgevers zijn niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden van de P-wet of zijn huiverig om mensen aan te nemen vanuit P-wet. • Er blijft altijd een groep zorgklanten waarbij het bemiddelen naar een participatieplaats iets moeilijker wordt. De mensen die nu een uitkering hebben, hebben dat niet voor niks • Ondanks de coronacrisis is er sprake van een dalende omvang van de bijstandspopulatie en;
32
•
De betalingen van de uitkeringen vinden maandelijks correct en binnen de afgesproken termijnen plaats.
Opvattingen cliënten (klantonderzoek 2019) • De overgrote meerderheid van onze cliënten (76%) zit lang in de uitkering (langer dan twee jaar). • Het overall beeld is dat cliënten niet frequent hun case manager zien (dit wordt ook bevestigd door de consulenten zelf, waarbij men verwijst naar de grote case load). Waar de contacten wel tot stand komen zijn cliënten wel tevreden over de bejegening. 7.2
Conclusies en aanbevelingen
De cijfers uit ons onderzoek laten zien dat vanaf het moment dat taken zijn overgegaan naar de gemeente het aantal indicaties Wmo en Jeugd flink zijn toegenomen. Dit geldt vanzelfsprekend ook voor de gemeentelijke uitgaven. Ook is het aantal mensen in Nuenen dat uitstroomt naar een betaalde baan sedert de invoering van de Participatiewet niet substantieel toegenomen. Naast de vergaande bezuinigingen, die hand in hand gingen met de decentralisaties, zijn in ons onderzoek verschillende verklaringen genoemd, zoals: de mismatch tussen de mogelijkheden van onze cliënten en de vraag op de arbeidsmarkt, de toenemende druk op jongeren in een steeds complexer wordende samenleving, de medische verwijsroute, de vergrijzing, het laagdrempelig karakter van onze toegang naar zorg, overbelaste mantelzorgers, overschatting draagkracht mensen, claimgedrag en vraagverlegenheid bij onze ouderen. Hier bovenop zijn we twee jaar geleden geconfronteerd met de gevolgen van corona. Helaas zitten we nog steeds midden in de pandemie. Corona maakt het er allemaal niet beter op voor kwetsbare mensen. Zo zien we dat mensen met een arbeidsbeperking, die vaak op tijdelijke contracten zitten en vaker in de horeca werken, hun baan zijn kwijtgeraakt. Ze zitten in een risicovolle positie. Jongeren en gezinnen staan onder druk door alle beperkingen en alle onzekerheden.
Zeker als er financiële problemen ontstaan in gezinnen heeft dat zijn weerslag op jongeren en op opvoeding. Het is te verwachten dat er een groter beroep op jeugdzorg zal worden gedaan. Bij kwetsbare groepen neemt naar verwachting de psychische en financiële druk toe’. Wat nu al is vastgesteld, is dat onder ouderen de eenzaamheid is toegenomen. Ouderen isoleren zich, kunnen minder bezoek ontvangen en kunnen soms minder thuiszorg ontvangen. We hebben de afgelopen jaren veel werk verzet. Toch blijkt de praktijk weerbarstig te zijn en is het lastig gebleken om aan de hooggespannen verwachtingen, zoals integraal werken, betere samenwerking en meer maatwerk, te voldoen. Wij zijn er in geslaagd in Nuenen een laagdrempelige toegang te creëren voor alle hulpverleningsvragen op het vlak van het sociaal domein (het CMD). We komen er echter niet altijd aan toe om problemen bij mensen actief op te sporen. In de decentrale aanpak werd meer van mensen zelf verwacht: eigen kracht, zelfredzaamheid en meer voor elkaar zorgen. Het onderzoek laat echter zien dat de verwachtingen van het rijk en de ervaringen van de praktijk niet altijd overeenkomen. Juist 33
mensen die hulp vragen kunnen het niet altijd zelf. Ook blijkt dat mensen het vaak moeilijk vinden om anderen uit hun omgeving om hulp te vragen of er is niemand om hen te helpen. Ons onderzoek (maar ook landelijke onderzoeken, bijv. recent van het SCP) laat zien dat gemeenten minder mogelijkheden hebben om het goedkoper te doen dan verwacht. Dit komt doordat de verwachte ‘eigen kracht’ of hulp uit eigen netwerk niet altijd mogelijk of voldoende is. Daarnaast leidt investeren in preventie en lichte voorzieningen, zoals sociale wijkteams, niet onmiddellijk tot afname van het gebruik van zwaardere voorzieningen. Dit laat onverlet dat voorkomen/preventie altijd beter is “genezen”. We kunnen stellen dat de beoogde transformatie in het sociaal domein een zaak van lange adem is. We zullen `moeten herbezinnen maar we kunnen ook bijsturen. Bij herbezinnen gaat het vooral over de gestelde verwachtingen. Die moeten naar beneden worden bijgesteld. Dat moet realistisch zijn over de zelfredzaamheid en de zorgzame samenleving. Naast herbezinnen moet en kan worden bijgestuurd. Hierbij moeten we wel aantekenen dat een aantal zaken buiten ons bereik liggen zoals de wachtlijsten in de thuiszorg en voor sommige vormen van professionele jeugdzorg en regels van overheidswege, zoals de invoering van een max. tarief voor de eigen bijdrage in de Wmo (onafhankelijk van inkomen en vermogen!).
Als we terugkeren naar onze oorspronkelijke onderzoekvragen dan moeten we die als volgt beantwoorden: Wat gaat goed wat gaat minder goed bij de uitvoering van de decentralisaties in het Sociaal Domein. Met het CMD zijn wij er in geslaagd een laagdrempelige toegang te creëren voor advies, hulp en professionele zorg. Onze inwoners, maar ook de zorgprofessionals en het onderwijs weten ons te vinden . Binnen het CMD werken verschillende disciplines nauw samen en zijn de lijntjes kort (met name tussen de jeugd- en wmo consulenten); hulpvragen worden zoveel mogelijk integraal opgepakt. Het gering aantal klachten en de resultaten van verschillende peilingen onder onze inwoners bevestigen dit beeld. Het laagdrempelige karakter van het CMD heeft ook haar schaduwzijde; een grote toestroom leidt vanzelf tot hogere uitgaven. Ook moeten we constateren dat voor sommige inwoners de eigen verantwoordelijkheid en het opbouwen van een netwerk een brug te ver is. Een deel van de inwoners weet de weg naar het CMD niet te vinden. Meer wijkgericht werken kan hierbij soelaas bieden. Hoewel Nuenen zich kenmerkt door een grote mate van sociale cohesie zijn er grenzen aan de zorgzame samenleving. Daarbij komt dat de eigen verantwoordelijkheid bij de Wmo voor een groot deel teniet is gedaan door het besluit van de Rijksoverheid om de eigen bijdrage naar €19 te verlagen.
De verschuiving van dure geïndiceerde jeugdhulp naar eigen verantwoordelijkheid op lichtere algemene voorzieningen is onvoldoende van de grond gekomen. De jeugdhulp is te toegankelijk; er zijn nog teveel mogelijkheden om buiten triage binnen het CMD in aanmerking te komen voor jeugdhulp. Wat betreft de Participatiewet zouden er vervolgstappen moeten worden gezet om de samenwerking met de andere professionals binnen het CMD te verbeteren, waardoor er meer integraal kan worden samengewerkt in sommige casussen. 34
Houden onze uitgangspunten op het gebied van het Sociaal Domein stand: integrale aanpak, kostenreductie, zorgzame samenleving, investeren in voorliggend veld loont. Duidelijk is dat onze oorspronkelijke uitgangspunten en gestelde doelen niet allemaal stand houden. Er is geen sprake van kostenreductie, de kracht van de zorgzame samenwerking is schromelijk overschat en op het gebied van de integrale aanpak van problemen zijn nog de nodige stappen te zetten. Een belangrijk uitgangspunt is dat investeren in het begin van de keten (preventie en normalisatie) leidt tot terugdringen van doorstroom naar het einde van de keten ( minder zware hulp door versterking van de structuren in de gemeenschap). In 2020 hebben wij onderzoeksbureau Good2Consult9 opdracht gegeven om uit te zoeken of er een verband bestaat tussen de mate van sociale cohesie en de zorgconsumptie in Nuenen. Een belangrijke conclusie uit dit onderzoek was dat Informele en georganiseerde hulp en preventie een effect zou hebben van uitstel of reductie van zorgkosten, afhankelijk van de zwaarte van de zorgvraag. In die zin is een deel van de professionele zorgkosten in de toekomst te voorkomen. We gaan hierbij uit dat wanneer er extra geïnvesteerd wordt in de sociale cohesie, dit een dempend effect heeft op de zwaardere zorguitgaven. Dat neemt niet weg dat Nuenen c.a.
steeds verder vergrijst en dat dit ook een groeiend beroep op hulp- en ondersteuning met zich meebrengt. Uit ons eigen onderzoek komt naar voren dat de aandacht die wij geven (ook financieel) voor deze voorliggende voorzieningen achterblijft bij de verwachtingen en hier de nodige stappen nog gezet moeten worden. In ieder geval moeten we de vraag of onze visie op het Sociaal Domein een “upgrade” behoeft bevestigend beantwoorden. Aanbevelingen Naast een herbezinning op onze oorspronkelijke visie en uitgangspunten kunnen en moeten we onze aanpak en werkwijze op een aantal punten “bijschaven”. We spreken hier bewust over bijschaven , want het onderzoek laat ook zien dat er veel goed gaat en we best trots mogen zijn op hoe wij een en ander hebben aangepakt (een opvatting die wordt gedeeld door de meerderheid van onze inwoners) . We maken hierbij onderscheid tussen verbeterpunten voor de korte en de langere termijn. Korte termijn: • Steeds meer mantelzorgers raken overbelast: respijtzorg kan hier verlichting bieden. Investeer daarom in verschillende vormen van respijtzorg: dagopvang , dagbesteding, logeermogelijkheden, maatjesprojecten, huiskamers. We zijn hierbij ook realistisch omdat onze gemeentelijke invloed op het organiseren van respijtzorg beperkt is.
• Leg beter uit hoe de Procedure van intake en indiceren loopt: Zowel zorgaanbieders, scholen maar ook huisartsen en onze inwoners moeten beter op de hoogte zijn (en hiernaar handelen) hoe de procedure loopt : intake, onderzoek hulpvraag, zoeken naar passende oplossingen, ook in eigen netwerk en voorliggend veld (bij voorkeur door het CMD). • Meer wijkgericht werken. Voorkom dat burgers die de weg naar het CMD niet weten te vinden buiten de boot vallen.
9 Onderzoek zorgconsumptie en sociale cohesie gemeente Nuenen. Good2Consult, juli 2020
35
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
Blijf investeren in het opbouwen van een goede en intensieve relatie met (huis)artsen, zorgaanbieders en scholen. Zij moeten op de hoogte zijn van de mogelijkheden die het CMD kan bieden en de mogelijkheden in het voorliggend veld. Stimuleer bij huisartsen het gebruik van Zorgsysteem (welzijn op recept). Onderzoek de mogelijkheden van alternatieven voor de inzet van het product begeleiding: er lopen in de regio experimenten waarbij het AMW de lichte begeleiding verzorgt, waarmee wordt bespaard op de kosten van de inzet van duurdere zorgprofessionals. Onderzoek de mogelijkheden voor afschalen van zorg. Vooral bij het Wmo product begeleiding zijn de keuzemogelijkheden beperkt (middel en zwaar). Vaak is behoefte aan slechts een paar uurtjes begeleiding per week maar dan voor een langere periode. Acties vanuit ons preventief jeugdbeleid met voorrang inzetten: waaronder vergroten van het bereik van het jongerenwerk, pilot inzet jeugdhulp op scholen, ouder café en prenataal spreekuur.
Blijf (steekproefsgewijs) controleren op de rechtmatigheid van de inzet van de Jeugd en Wmo middelen (wordt de zorg daadwerkelijk geleverd waarvoor we betalen, bij een verlenging van zorg: is de indicatie nog gerechtvaardigd, ligt er een onderbouwd behandelplan ten grondslag aan de inzet van een product…) Veel ouders kiezen bewust voor de gang naar de huisarts: meer vertrouwen in deskundigheid, sneller geholpen (er worden niet eerst ondersteuning- en behandelplannen opgesteld), minder dossieropbouw . Wees alert op mogelijke wachttijden en (in de ogen van ouder) onnodige “ambtelijke procedures”. Zorg ervoor dat procedures ook opgevolgd worden en deel het Wmoonderzoeksverslag met de inwoner. Verslaglegging draagt bij aan een betere juridische borging en geeft de client inzicht in het gedane onderzoek. Kijk nog eens kritisch naar de procedure tijdens het keukentafelgesprek. Welke mogelijkheden zijn er , binnen de grenzen van wat juridisch is toegestaan, om de drempel voor het krijgen van een indicatie te verhogen (dit speelt met name voor het product huishoudelijke zorg). Hou echter wel de vinger aan de pols bij die groep die is afgewezen voor een voorziening: kan men zichzelf redden of met gebruikmaking van het voorliggend veld. Blijf investeren in het opbouwen van een goede relatie met het bedrijfsleven in de regio.
Vooral die bedrijven die mogelijkheden hebben voor mensen met een grotere afstand tot de arbeidsmarkt. Maak duidelijk welke mogelijkheden de Participatiewet beidt voor werkgevers (denk aan de loonkosten subsidies). Verminder daarbij zoveel mogelijk de administratieve lasten voor een potentiële werkgever. Maak onderscheid tussen zogenaamde zorg cliënten en mensen in de bijstand die een gerede kans hebben om binnen afzienbare tijd uit de bijstand te geraken. Bij de eerste groep zal de aandacht primair moeten uitgaan naar een integrale aanpak van de onderliggende problematieken (zoals schuldenproblematiek, verslavingen en/of psychische stoornissen). Investeer nog meer in een integrale aanpak en samenwerking op het gebied van de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet; ‘Als je vanuit de burger denkt, vind je andere combinaties misschien belangrijker.’, bijvoorbeeld maatschappelijke ondersteuning met wijkverpleging, arbeidstoeleiding met schuldhulpverlening en jeugdhulp met passend onderwijs. 36
*
Een apart punt van aandacht verdient de kosten beheersing Wmo, in het bijzonder voor de huishoudelijke hulp. Deze kosten zijn sinds de invoering van de max. iegen bijdrage door het Rijk van €19 p.m substantieel gestegen. In een RIB van 29 nov. 2020 zijn verschillende opties aangegeven hoe we deze kosten in de hand kunnen houden. Voor de volgende aanvullende maatregelen kan nog gekozen worden: 1. Instroom afhouden door dienstverlening minder aantrekkelijk te maken door: A. Een nog strakkere opstelling bij instroom (ontmoedigen) B. Een product zoals coaching en advisering op het huishouden om de zelfredzaamheid te versterken, pas daarna wordt eventuele vervolgdienstverlening ingezet. C. Door keuzevrijheid van de inwoner te beperken, bijvoorbeeld door: - het moment van ondersteuning. - geen inspraak in wie de dienstverlening levert. D. Door onderdelen uit de huishoudelijke verzorging anders te organiseren, bijvoorbeeld het starten van een algemene voorziening voor wassen en strijken met een eigen bijdrage ter hoogte van de NIBUD wastarieven. E. Het aanvragen van medisch advies alvorens een besluit genomen wordt. 2. Gaan werken met een inkomensgrens De juridische haalbaarheid van deze gekozen insteek is echter nog onduidelijk omdat hierover nog geen jurisprudentie bekend is. 3. Het instellen van budgetplafond en gaan werken met een wachtlijst. 4.
Het actualiseren van het normenkader. 5. Afwachten wat de landelijke coalitievorming oplevert.
Langere termijn • Investeer in het voorliggend veld. Volgens het eerder genoemde onderzoek van Good2Consult leveren voorliggende voorzieningen in Nuenen naar verwachting ruim het dubbele op van het subsidiebedrag (aan de LEV groep), middels een besparing op professionele zorgkosten. Georganiseerde hulp en preventie - via lokale initiatieven of verenigingen met behulp van vrijwilligers - kan een concrete oplossing bieden voor hulpvragen die vaker voorkomen, mits er sprake is van een zekere schaalgrootte en passend aanbod voor de doelgroep. Voor lichtere zorgvragen op het gebied van praktische hulp en ontmoeting is informele hulp en beschikbaarheid van eenvoudig toegankelijke voorzieningen wenselijk. De uitdaging ligt in het ontwikkelen van initiatieven hiervoor. Daar horen ook locaties bij en laagdrempelig gebruik. • Alternatieve woonvormen ouderen: er moet goed worden gekeken naar ouderen die te goed zijn voor het verpleeghuis, maar wel ernstige problemen hebben en zich thuis moeten zien te redden. Bij gebrek aan alternatieve woonruimten blijven ouderen vaak zitten in hun veelal niet aangepaste huizen wat onder meer tot gevolg heeft dat het beroep dat wordt gedaan op dure woningaanpassingen de pan uit rijst. Stimuleer daarom de bouw van (betaalbare)woonvormen voor ouderen (zeker gelet op de vergrijzing geen overbodige luxe).
37
Bijlage 1. Lijst met geïnterviewden + itemlijst
38
Bijlage 2. Proces na aanmelding CMD 1
Voor de Maatwerkvoorziening Wmo geldt: inwoner meldt zich met hulpvraag bij het CMD. Voor de individuele voorziening jeugdhulp geldt: jeugdige meldt zich bij het CMD, de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts. 2 Beoordeling van de hulpvraag vindt plaats in een brede context. Als de cliënt zich meldt bij het CMD, wordt de Zelfredzaamheidsmatrix gebruikt 3 Bij het beoordelingsproces wordt gebruik gemaakt van informatie van derden (familie/naasten, dienstverleners, cliëntondersteuners, vertrouwenspersonen, etcetera). 4 Op basis van de bevindingen uit 2. en 3. wordt in het aanvraagproces bepaald of het CMD zelf met lichte ondersteuning de hulpvraag kan oplossen, of dat wordt doorverwezen. Zij bepalen of een aanbod plaats moet vinden in de vorm van een voorziening. 5 Het CMD formuleert in het ondersteuningsplan, eventueel op basis van de informatie van huisarts, medisch specialist of jeugdarts, het te bepalen resultaat. 6 De voorziening wordt in tijd beperkt (duur Besluit, “indicatiestelling”). 7 Wanneer de situatie van de cliënt vóór afloop van de gestelde termijn verandert, of wanneer er een passende voorliggende voorziening is, waardoor de voorziening niet langer noodzakelijk is, kan de gemeente eenzijdig de individuele opdrachtverstrekking beëindigen.
8 In beginsel bepaalt de cliënt van welke dienstverlener hij een voorziening wil ontvangen (met inachtneming van het gestelde onder 2.5: integraliteit). Verwijzers kunnen hierbij ondersteuning bieden. Tot de leeftijd van 12 jaar bepaalt bij een jeugdige de ouder, tussen de leeftijd van 12 jaar en 16 jaar bepalen jeugdige en ouder samen en bij 16 jaar of ouder bepaalt de jeugdige zelf. 9 Ondersteuning bij het bepalen van het aanbod kan ook geboden worden door een cliëntondersteuner. Het CMD wijst de cliënt daar actief op. 10 Tot slot van het aanvraagproces geeft de gemeente een besluit af aan de cliënt. 11 De dienstverlener ontvangt een opdrachtverstrekking. Als sprake is van een verwijzer, krijgt deze van gemeente een melding. Als het CMD verwijst bestaat de mogelijkheid om een kennismakingsgesprek te houden. Wanneer de cliënt dit wil coördineert het CMD de keuze voor een andere dienstverlener. Als de dienstverlener besluit dat geen opdracht verstrekt moet worden, meldt deze dat gemotiveerd bij het CMD. De gemeente besluit, op advies van het CMD of dienstverlener op basis van deze motivatie kan afzien van het leveren van de voorziening. Besluit hij dat dit zo is, dan, afhankelijk van de motivatie van dienstverlener, coördineert het CMD de keuze van cliënt voor een andere dienstverlener of neemt hij een aangepast besluit op basis van een aangepast plan van aanpak.
i
39