2022-14 RV Bijlage 1 Evaluatie Sociaal Domein 2015-2021
Tekst van het document
Evaluatie Sociaal Domein 2015-2021 Gemeente Nuenen
Nuenen, december 2021 1
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1
Inleiding
3
Hoofdstuk 2
Onderzoeksvragen en -opzet
4
Onderzoeksvragen Onderzoeksopzet
4 4
Hoofdstuk 3
Transitie en Transformatie
6
Hoofdstuk 4
Visie, uitgangspunten en werkwijze Sociaal Domein Gemeente Nuenen 8
2.1 2.2
4.1 4.2
Visie en Uitgangspunten Werkwijze en aanpak
8 8
Hoofdstuk 5
Enkele cijfers Gemeente Nuenen
10
Hoofdstuk 6
Resultaten Evaluatie
16
Wmo Jeugdwet Participatiewet
16 21 26
Samenvatting en Conclusies
29
Samenvatting onderzoeksresultaten Conclusies en aanbevelingen
29 33
6.1 6.2 6.3 Hoofdstuk 7 7.1 7.2 Bijlagen: Bijlage 1:
Proces na aanmelding CMD
2
Hoofdstuk 1
Inleiding
In 2021 is het zes jaar geleden dat in Nederland een omvangrijke stelselwijziging plaatsvond in het sociaal domein. De invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet betekende een forse uitbreiding van de gemeentelijke verantwoordelijkheid op dit terrein. De decentralisaties gingen gepaard met hooggespannen verwachtingen en doelen. Een decentrale aanpak zou het mogelijk maken om vaker vroegtijdige (lichte) hulp te bieden, zodat zwaardere en duurdere hulp voorkomen kan worden. Gemeenten zouden beter (dan hogere bestuurslagen) in staat zijn om integraal te werken op de drie terreinen van het sociaal domein, samen te werken met andere partijen en hun dienstverlening aan te passen aan de hulpbehoefte van de burger. Daarbij zouden gemeenten eerst de eigen kracht en het sociaal netwerk van mensen moeten aanspreken. Uiteindelijk zou dit moeten resulteren in meer participatie van burgers, een zorgzamere samenleving en een helder en houdbaar stelstel. De zogenoemde transitie van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving kreeg hierdoor concreet vorm. Gemeenten hebben meer op hun bordje gekregen en moeten deze taken uitvoeren met minder budget. Daarbij komt dat we recentelijk zijn geconfronteerd met de gevolgen van corona. Door corona is het beroep op het sociaal domein alleen maar groter geworden.
Zowel op landelijk niveau als in de gemeente Nuenen c.a. dringt de vraag zich aan of de decentralisaties tot nog toe hebben gebracht wat ervan werd gehoopt en/of bijsturing nodig is. Meer expliciet is door de raad van Nuenen c.a. de vraag gesteld of onze aanpak van de decentralisaties en onze visie op het Sociaal Domein bijsturing behoeft. Om deze vraag te beantwoorden hebben we een evaluatieonderzoek verricht, waarbij de belangrijkste stakeholders, zorgverleners, consulenten en cliënten zijn bevraagd naar hun ervaringen. De resultaten van dit onderzoek worden in deze nota beschreven. De nota is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 beschrijven we de onderzoeksopzet en de belangrijkste onderzoeksvragen. Hoofdstuk drie gaat in op de begrippen transitie en transformatie. De decentralisaties worden hier nogmaals kort beschreven. In hoofdstuk vier beschrijven we de Nuenense aanpak: zowel qua visie en uitgangspunten als werkwijze. Hoofstuk vijf zet enkele cijfers van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet op een rij. Summier omdat de cijfermatige overzichten jaarlijks worden gepresenteerd in de monitor Sociaal Domein. De resultaten van de gesprekken met de belangrijkste stakeholders en de uitkomsten van enquêtes worden in hoofdstuk zes gepresenteerd. Tot slot worden in hoofdstuk zeven de belangrijkste uitkomsten samengevat en gerelateerd aan de onderzoeksvragen.
3
Hoofdstuk 2 2.1
Onderzoeksopzet en vragen
Onderzoeksvragen
Voor dit onderzoek hebben we een aantal vragen geformuleerd. De twee belangrijkste vragen zijn: A.
B.
Hoe verloopt onze werkwijze: één laagdrempelige voorziening waar alle vragen met betrekking tot deelname aan de gemeenschap binnen komen en worden beantwoord (het CMD); Houden onze uitgangspunten op het sociaal domein nog stand: met andere woorden, is de beoogde transitie binnen het sociaal domein geslaagd.
Deze hoofdvragen hebben we onderverdeeld in de volgende sub-vragen: 1. Wat gaat goed bij de uitvoering van de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet en wat gaat er minder goed? 2. Hoe verlopen de werkprocessen op het CMD en de samenwerking binnen het CMD? 3. Is er sprake van een integrale aanpak van hulpvragen? 4. In hoeverre wordt gewerkt volgens het principe één leefeenheid, één (ondersteuning) plan? 5. Hoe verloopt de samenwerking tussen het CMD en medische verwijzers (in het bijzonder de huisartsen) en zorgaanbieders? 6. Is men tevreden over de kwaliteit van de hulpverlening (door 1e lijns CMD medewerkers en tweede lijn)? 7. Wordt door de inzet van vroegtijdige (lichte) hulp zwaardere en duurdere voorkomen? 8. Wordt door het appel op de eigen kracht, het sociaal netwerk van mensen en de inzet van algemene voorzieningen zwaardere en duurdere zorg voorkomen? 9. Moet onze visie op het sociaal domein worden geactualiseerd en zo ja op welke punten? 2.2
Onderzoeksopzet
Het hier gepresenteerde evaluatieonderzoek kunnen we omschrijven als een vorm van kwalitatief onderzoek. Bij kwalitatief onderzoek achterhaal je informatie over motivaties, gedachten en verwachtingen van mensen. Kwalitatief onderzoek draait meer om woorden en niet om cijfers. Kwantitatief onderzoek geeft antwoorden op vragen die in hoeveelheden kunnen worden uitgedrukt en statistisch onderbouwd. We hebben de volgende onderzoeksmethoden ingezet: A.
Desk research: Beleidsnota’s Sociaal Domein gemeente Nuenen Monitor Sociaal Domein gemeente Nuenen (verschillende jaren) Rapportages Klanttevredenheidsonderzoek gemeente Nuenen (verschillende jaren)
4
B.
(Groep) interviews
Groep interviews zijn gehouden met consulenten van de LEV groep en collega’s (werkzaam binnen het CMD). Bij de groepsinterviews is gebruik gemaakt van stellingen en vaste gesprekitems. Daarnaast hebben de beleidsmedewerkers Jeugd en Wmo inpunt geleverd. C.
Schriftelijke vragenlijsten
Schriftelijke vragenlijsten zijn verstuurd naar huisartsen1 , de top 12 van zorgaanbieders in de jeugdzorg2, consulenten werk- en inkomen, de clientondersteuners Wmo, de beleidsmedewerkers werk- en inkomen en de coördinator van het CMD.
1 Huisartsen kunnen direct doorverwijzen naar vormen van Jeugdzorg, dus zonder inmenging van het CMD 2 Dit zijn de 12 zorgaanbieders waar de meeste jongeren/kinderen uit Nuenen naar worden verwezen
5
Hoofdstuk 3
Transitie en Transformatie
In 2015 vond een omvangrijke stelselwijziging plaats: de zogeheten ‘decentralisaties’ van zorg, werk en jeugdhulp. Hierna gaan we kort in op de inhoud van de drie transities in het Sociale Domein: Awbz naar Wmo 2015, Participatiewet, Jeugdwet. Ook staan we kort stil bij het verschil tussen de begrippen ‘transitie’ en ‘transformatie’. A. De transitie van Awbz naar Wmo 2015 en Zorgverzekeringswet De Awbz is deels overgegaan naar de Wmo 2015 en de Zorgverzekeringswet. Gemeenten zijn sinds 1 januari 2015 via de Wmo verantwoordelijk voor ondersteuning en begeleiding van hun inwoners. Het beschermd wonen is ook onder de verantwoordelijkheid van gemeenten komen te vallen3. Wijkverpleging, op behandeling gerichte GGZ, behandeling/revalidatie bij een zintuiglijke beperking en een groot deel van alle persoonlijke verzorging, zijn in het basispakket van de zorgverzekering opgenomen. 5% van de mensen krijgt verzorging vanwege cognitieve problemen. De verzorging van deze groep is overgeheveld naar gemeenten. De ‘kern-Awbz’ die na de transities is overgebleven, is veranderd in de Wet Langdurige Zorg, de Wlz. B. De Participatiewet Het belangrijkste doel van de Participatiewet is om meer mensen, ook diegenen met een arbeidsbeperking, aan de slag te krijgen.
Het tweede doel van de Participatiewet is zorgen dat iedereen een inkomen heeft, ook mensen die niet in staat zijn in het eigen levensonderhoud te voorzien. De Participatiewet geeft een (aanvulling op het) inkomen tot het toepasselijke "sociaal minimum" . Er bestaat alleen recht op een bijstandsuitkering voor zover er geen andere, voorliggende, wettelijke regeling is. De bijstand is namelijk het laatste vangnet. De wet richt zich op de doelgroepen van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW), de Wajong en de Wet werk en bijstand (WWB). Delen van de laatste twee wetten zijn opgegaan in de Participatiewet. De gemeente is dus verantwoordelijk geworden voor mensen die ondersteuning nodig hebben om te kunnen werken. De Participatiewet geeft de gemeenten een aantal instrumenten om te zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking een plek op de arbeidsmarkt kunnen vinden. De belangrijkste zijn loonkostensubsidie en beschut werk. Daarnaast zijn er afspraken gemaakt over extra banen. C. Transitie van de jeugdzorg Gemeenten hebben krachtens de Jeugdwet een jeugdhulpplicht voor kinderen tot 18 jaar. Kinderen die op grond van ernstige beperkingen hun verdere leven 24-uurs zorg of permanent toezicht nodig hebben, houden aanspraak op de Wet langdurige zorg (Wlz). Een belangrijk punt dat we hier moeten vermelden betreft de rol van medisch verwijzers binnen de Jeugdwet.
In de Jeugdwet is opgenomen dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Dat betekent dat een deel van de hulpvragen niet eerst bij het CMD binnen komt maar dat de gemeente achteraf wel de rekening krijgt gepresenteerd. We komen hier verderop in deze nota nog uitgebreid 3 Deze taak is bij de regio gemeenten neergelegd; in ons geval Eindhoven
6
op terug, met name op de vraag hoe we als gemeente grip proberen te krijgen op deze zogenaamde medische verwijsroute. Een paar keer hebben we gesproken over Transitie én Transformatie. De feitelijke invoering van de stelselwijziging duidt men aan met de term Transitie. De stelselwijzigingen zijn erop gericht dat: • • • •
mensen sneller geholpen worden bij zorg- of ondersteuningsvragen; mensen zorg en ondersteuning krijgen die zoveel mogelijk aansluit op hun persoonlijke (thuis)situatie, mogelijkheden en sociale netwerk; mensen die anderen zorg of hulp (willen) bieden, daarvoor alle ruimte en steun krijgen; de omvang en de kosten van de verzorgingsstaat beperkt worden.
Dit vraagt onder meer om: • • • • • • •
het anders organiseren van de toegang tot collectief gefinancierde zorg en ondersteuning; meer samenhang in het aanbod van zorg, jeugdhulp en ondersteuning; meer en betere samenwerking tussen professionals, vrijwilligers en mantelzorgers; passende ondersteuning van mantelzorgers en zorgvrijwilligers; aansluiten bij de talenten en mogelijkheden van mensen zonder evt. beperkingen uit het oog te verliezen; meer zorg- en ondersteuningsdiensten, voorzieningen en hulpmiddelen die mensen in staat stellen thuis te blijven wonen en; meer ruimte en stimulans voor zorginitiatieven van particulieren.
Voorgaande betekent een grote cultuurverandering: een transformatie. Daarin zijn zowel de medewerkers van overheden en zorg- en welzijnsorganisaties betrokken, als de mensen die zorg nodig hebben en/of mantelzorg geven. Het omvat de hele participatiesamenleving: de samenleving waarin mensen meedoen naar vermogen, omkijken naar elkaar en dat er zorg en ondersteuning beschikbaar is voor de mensen die dat nodig hebben. We kunnen stellen dat de fase van transitie achter ons ligt. We zitten nu volop in de fase van de transformatie. In hoeverre we daarin slagen staat centraal in deze evaluatie.
7
Hoofdstuk 4
Visie, uitganspunten en werkwijze Sociaal Domein gemeente Nuenen
4.1 Visie en uitgangspunten Onze visie op het Sociaal Domein is in verschillende beleidsstukken beschreven. Het eerste en belangrijkste document is “Persoonlijk en Dichtbij” (vastgesteld door de raad op 28/6/2012). Dit document is opgesteld door de drie Dommeldal gemeenten (Nuenen c.a., Son en Breugel, Geldrop-Mierlo) en heeft aan de basis gestaan voor de manier waarop wij de transitie en transformatie in het Sociaal Domein hebben ingestoken. In het visiedocument Persoonlijk en Dichtbij worden de volgende uitgangspunten beschreven: 1. De eigen verantwoordelijkheid van de sociale leefomgeving en de burger staan centraal; 2. Focus op organisatie van “eigen kracht van vrager en omgeving”, niet op aanbod van diensten en producten; 3. De ondersteuningsvraag van de burger moet zoveel mogelijk beantwoord worden door de sociale omgeving, voordat gericht professionele hulp wordt geboden (normaliseren); 4. Eén leefeenheid (gezin, familie, alleenstaande, etc.), één plan, één aanspreekpunt; 5. Professionele hulp is slechts aanvullend en (zo mogelijk) tijdelijk; 6. Persoonsgebonden budget (pgb) in individuele maatwerksituaties; 7. Focus op beleidsinformatie aan de voorkant (vraag), niet aan de aanbodszijde (gebruik); 8. Kleinschaligheid, kwaliteit en maatwerk zijn de basisprincipes, niet bulk-inkoop en volumen; 9.
Investeren in het begin van de keten (preventie en normalisatie) door terugdringen doorstroom naar het einde van de keten ( minder zware hulp door versterking van de structuren in de gemeenschap). Naast Persoonlijk en Dichtbij zijn in de loop der jaren verschillende beleidsdocumenten opgesteld over het Sociaal Domein. Deze documenten bouwen voort op de ideeën uit “Persoonlijk en Dichtbij”. We noemen hier: • Beleidsplan Sociaal Domein 2015-2019 • Actualisatie Sociaal Domein 2018-2021 Ook goed te vermelden is dat de gemeente Nuenen vanaf 2016 jaarlijks de belangrijkste resultaten van de drie wetten presenteert in de Monitor Sociaal Domein. Hierin vinden we cijfers over bijvoorbeeld het aantal nieuwe indicaties en de bijbehorende uitgaven. Daarnaast voeren we jaarlijks het verplichte klanttevredenheidsonderzoek uit onder de inwoners die een Wmo voorzieningen hebben toegewezen gekregen4. 4.2
Werkwijze en aanpak
Ons basismodel gaat uit van één laagdrempelige voorziening die tot doel heeft om alle vragen met betrekking tot deelname aan de gemeenschap te beantwoorden. Binnen deze voorziening worden de huidige functies gebundeld op één fysieke plek; het Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD). 4 In het begin hebben we ook onderzoek uitgevoerd onder de cliënten van de Jeugdwet en de Participatiewet.
De respons was telkenmale zeer laag dat hieruit weinig conclusies konden worden getrokken.
8
Het CMD is dé plek waar vraagverheldering en vraagduiding plaatsvindt. Het handelt dus eenvoudige adviesvragen af en aanvragen voor voorzieningen waar een sociaal netwerk en/of algemene voorzieningen geen uitkomst in kan bieden, zoals hulpmiddelen of gespecialiseerde jeugdhulp. Samenvattend zijn de taken van het CMD: • Informatie en advies geven; • Signaleren van maatschappelijke vraagstukken; • Aanvragen voor voorzieningen waar een sociaal netwerk geen uitkomst in kan bieden; • Lichte problematiek afhandelen en; • Bij zwaardere problematiek doorverwijzen naar gespecialiseerde zorg. Binnen het CMD werken medewerkers in dienst van de gemeente Nuenen c.a., LEV-groep en GGZE. Burgers kunnen zowel telefonisch contact leggen met het CMD of zich melden bij het CMD loket . Het Loket (en de telefooncentrale) wordt bemenst door medewerkers van de LEV groep. In nauwe samenwerking met andere medewerkers van het CMD worden de vragen beantwoord en zo nodig een gesprek of huisbezoek gepland met een van de consulenten of hulpverleners. De aanpak is erop gericht zoveel mogelijk in te zetten op de eigen kracht van de burger of het netwerk, inzet door vrijwilligers en de omgeving. Zo nodig wordt een professional of specialist ingezet. De professional kan een consulent zijn in dienst van de LEV (consulenten CMD Jeugd en CMD volwassenen; Algemeen Maatschappelijk Werk).
Indien een indicatie voor een WMO voorziening nodig wordt geacht of een verwijzing naar een meer gespecialiseerde vorm van Jeugdhulp, verzorgen de medewerkers van de gemeente de indicatie. Sinds 2020 zijn de Inkomens- en werkconsulenten (belast met de uitvoering van de participatiewet) ook werkzaam vanuit het CMD. Om het integrale werken te bevorderen is in 2020 het regiesysteem geïmplementeerd. Dit is een middel om onderling inzicht te geven in de dossiers voor de professionals die werkzaam zijn binnen het CMD. De huisartsen in Nuenen werken met het systeem Zorgdomein. Met dit systeem kunnen huisartsen patiënten doorverwijzen naar een zorgaanbieder en rechtstreeks naar de diensten van het CMD/LEV groep (zogenaamde welzijn op recept, Wmo en Jeugdhulp). Hoe het Proces precies verloopt na aanmelding bij het CMD is in bijlage 1 omschreven.
9
Hoofdstuk 5
Enkele cijfers Gemeente Nuenen
Hoewel deze evaluatie in hoofdzaak kwalitatief van aard is presenteren we in dit hoofdstuk toch enkele cijfers; cijfers die een beeld geven van “prestaties” die wij hebben geleverd op het gebied van de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet. We zoomen in op de afgelopen zes jaar en waar mogelijk vergelijken we onze “resultaten” met referentiegemeenten . We brengen een van de uitgangspunten van de decentralisaties in herinnering; een decentrale aanpak zou het mogelijk maken om vaker vroegtijdige (lichte) hulp te bieden, zodat zwaardere en duurdere hulp voorkomen kan worden. Als dit daadwerkelijk aan de orde is dan zou dit ook moeten blijken uit de cijfers. In figuur 1 zien we hoe het aantal nieuwe indicaties Wmo vanaf 2015 zich heeft ontwikkeld. We zien dat het aantal nieuwe Wmo indicaties vanaf 2016 gestaag toeneemt; van 630 in 2016 tot ruim1100 in 2020; een stijging van 74%. Vooral na invoering van de vaste maximale eigen bijdrage in 2020 neemt het aantal indicaties , met name voor huishoudelijke zorg, exponentieel toe5. Het abonnementstarief voor huishoudelijke verzorging heeft voor een aanzuigende werking gezorgd. In ieder geeft deze figuur geen bevestiging van de veronderstelling dat de sociale netwerken en algemeen voorliggende voorzieningen veel van de hulpvragen afvangen.
Daarbij moeten we wel aantekenen dat een deel van de toenemende zorgconsumptie moet worden toegeschreven aan demografische factoren, ic de vergrijzing in Nuenen. Figuur 1
Nieuwe indicaties Wmo
Nieuwe Indicaties WMO 1200 1000 800 600 400 200 0
2015
2016
2017
2018
2019
2020
nieuwe indicaties WMO
5 Vanaf 2020 geldt een vast eigen bijdrage van €19 p.m. onafhankelijk van inkomen, vermogen of aantal
voorzieningen dat is aangevraagd.
10
In figuur 2 zien we hoe het aantal nieuwe indicaties Jeugd vanaf 2015 zich heeft ontwikkeld. We zien dat het aantal nieuwe Jeugdzorg indicaties vanaf 2015 (het moment dat de gemeente verantwoordelijk werd voor de Jeugdzorg) gestaag toeneemt; van 112 in 2015 tot 823 in 2019; ruim zeven keer zoveel. In 2020 is het aantal nieuwe indicaties licht gedaald naar 757. Ook hier zijn verschillende oorzaken voor aan te geven. Variërend van toenemende druk op onze jongeren in een steeds complexer wordende samenleving, voortschrijdende medicalisering van de samenleving, steeds mondig wordende ouders/verzorgers maar ook het “succes”” van het CMD als laagdrempelige voorziening. Aan de andere kant wordt de veronderstelling, dat door inzet van vroegtijdige (lichte) hulp en het appel op de eigen kracht en het sociaal netwerk ,zwaardere en duurdere zorg wordt voorkomen, niet direct bevestigd. Figuur 2
Nieuwe Indicaties Jeugd
Nieuwe Indicaties Jeugd 900 800 700 600 500 400 300 200 100 0
2015
2016
2017
2018
2019
2020
nieuwe indicaties jeugd
Het lijkt erop dat we een beetje de grip op de omvang van de jeugdzorg verliezen. Eerder hebben we gewezen op de rol van de medische verwijzers, in het bijzonder de huisarts. Deze kunnen zonder tussenkomst van het CMD kinderen/jongeren direct verwijzen naar een tweedelijns voorziening. De mogelijkheid om door inzet van lichtere vormen van hulp zwaardere (en duurdere) hulp te voorkomen (of wellicht uit te stellen) wordt hierdoor bemoeilijkt. Zaak is dus dat vooral huisartsen, maar ook scholen, weet hebben (en vertrouwen) van de mogelijkheden die het CMD biedt en ouders/verzorgers op het pad zetten van het CMD. De afgelopen jaren hebben we veel geïnvesteerd in het opbouwen van een goede relatie met de huisartsen. Daarnaast heeft de (tijdelijke) inzet van de praktijkondersteuner jeugd een positieve bijdrage geleverd aan het terugdringen van het aantal directe verwijzingen. In figuur 3 laten we zien wie vanaf 2015 de belangrijkste verwijzers naar de jeugdzorg zijn geweest. De figuur laat duidelijk zien dat in de beginjaren, vanaf 2015 tot 2018 , de meerderheid van de verwijzingen buiten het CMD hebben plaatsgevonden. Vanaf 2018 nam het aandeel van het CMD weer sterk toe. Zo is in 2020 in ruim de helft van de gevallen de verwijzing afgegeven door het CMD. De figuur maakt echter ook duidelijk dat we nog een flinke 11
inhaalslag hebben te plegen als het gaat om de relatie met de medisch verwijzers. Twee kanttekeningen: ook ouders/verzorgers zelf dringen vaak aan op een directe doorverwijzing, zonder tussenkomst van het CMD en; indien het CMD aan het roer staat wil dit niet altijd zeggen dat inzet van zware en dure hulp niet zal plaatsvinden. Sommige jeugdcasussen zijn dermate zwaar en complex dat gespecialiseerde zorg (in de tweede lijn) noodzakelijk is. Figuur 3
Verwijzers Jeugdzorg
Aandeel verwijzingen Jeugdzorg door CMD in % 60 50 40 30 20 10 0
2015
2016
2017
2018
2019
2020
verwijzingen door CMD in %
Een belangrijke doelstelling van de Participatiewet was en is uitstroom , het liefst naar een betaalde baan. In figuur 4 laten we zien in hoeverre we daarin vanaf 2015 zijn geslaagd. Figuur 4
Ontwikkelingen Participatiewet
In- en Uitstroom Participatiewet 160 140 120 100 80 60 40 20 0
2015
2016
2017
2018
Instroom
Uitstroom
2019
2020
12
De daling van het aantal mensen met een uitkering zet gestaag voort. Tegen alle economische verwachtingen in zien we dat in Nuenen het aantal mensen dat een uitkering kreeg via de Participatiewet vanaf 2015 aanzienlijk is afgenomen. In 2020 is er sprake van een toename van de instroom, mogelijk als gevolg van de corona. Als we kijken naar de uitstroom gegevens (naar een betaalde (of gesubsidieerde) baan, pensioen, andere uitkering of anderszins) zien we dat deze cijfers wat achterblijven. Een probleem in onze regio blijft de mismatch tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Het aanbod op de arbeidsmarkt biedt vooral baanopeningen voor hoger opgeleiden. Het opleidings- en ervaringsniveau van het grootste deel van onze cliënten sluit daar onvoldoende op aan. Een aanzienlijk deel van ons uitkeringsbestand blijft steken op de onderste treden van de zogenaamde participatieladder. Met verschillende ondersteuning- en begeleiding activiteiten proberen we dat zogenaamde granieten bestand te activeren, zoals de arbeidsmatige dagbesteding in het GOED, binnen onze Groenvoorziening en Schoonmaak, de methode aanzet en aanpak kansen. We werken hierbij nauw samen met de WSD. Een andere veronderstelling was dat door de decentrale aanpak de kosten voor de Wmo en Jeugdzorg naar beneden zouden kunnen worden bijgesteld.
We hebben geen vergelijk met de situatie van voor 2015 maar we zien wel dat onze uitgaven vanaf 2015 over het algemeen zijn toegenomen (verklaarbaar door de toename in indicaties). In 2020 is sprake van een (tijdelijke?) daling in de uitgaven. Een verklaring hiervoor kan mogelijk gezocht worden bij corona. Door de pandemie zijn sommige voorzieningen Wmo tijdelijk “on hold” gezet (o.a. dagbesteding en-opvang). Ook zien we in de maanden mei en juni veel minder indicaties voor Jeugdzorg, mogelijk verband houdend met het tijdelijk sluiten van veel vindplaatsen. Figuur 5
Kosten Wmo en Jeugdwet
Uitgaven WMO en Jeugdwet € 5.000.000,00 € 4.500.000,00 € 4.000.000,00 € 3.500.000,00 € 3.000.000,00 € 2.500.000,00 € 2.000.000,00 € 1.500.000,00 € 1.000.000,00 € 500.000,00 € 0,00
2016
2017
2018 WMO
2019
2020
Jeugdwet
Tot slot kijken hoe Nuenen zich verhoudt tot referentiegemeenten wat betreft het beroep dat wordt gedaan op de Wmo en de Jeugdzorg. De hier gerepresenteerde cijfers zijn afkomstig uit “Waar staat je gemeente” (eerste helft 2019).
13
In figuur 6 vergelijken we Nuenen met referentiegemeenten wat betreft het beroep op Wmo Wat opvalt is dat in Nuenen, ondanks de sterke vergrijzing geen significante verschillen zijn met het landelijk beeld. Figuur 6
Aantal inwoners met Wmo-voorzieningen in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 inwoners), eerste halfjaar 2019.
Eenzelfde vergelijk maken we voor de Jeugdzorg. In onderstaande figuur (7) wordt een beeld geschetst van de aantallen jeugdigen die in een jeugdzorgtraject zitten (naar aard) vergeleken met het landelijk beeld. De cijfers van jeugdhulp en jeugdbescherming betreffen alle jongeren tot 18 jaar. Het cijfer van jeugdreclassering betreft het aantal jongeren van 12 tot 23 jaar, eerste halfjaar 2019. Figuur 7 laat zien dat bij alle jeugdzorgtrajecten Nuenen wat lager scoort dan vergelijkbare gemeenten. Figuur 7
Jeugdzorgtrajecten (2019). Jongeren met Jeugdzorg-trajecten in vergelijking met de referentiegroep (per 1.000 jongeren).
Tot slot wordt in figuur 8 de totale zorgbehoefte in Nuenen afgezet tegen vergelijkbare gemeenten. Figuur 8 laat zien dat in Nuenen relatief minder beroep wordt gedaan op individuele voorzieningen dan in vergelijkbare gemeenten. De verschillen zijn echter gering. 14
Figuur 8
% huishoudens zonder en met zorg en ondersteuning t.o.v. het totaal aantal huishoudens, in vergelijking met de referentiegroep (in procenten), eerste halfjaar 20196
6 Onder zorg en ondersteuning worden in deze figuur de individuele voorzieningen verstaan
op grond van de Wmo, de Jeugdwet en/of de Participatiewet. Informatie over algemene voorzieningen is niet beschikbaar.
15
Hoofdstuk 6
Resultaten Evaluatie
In dit hoofdstuk beschrijven we de resultaten van de (kwalitatieve) evaluatie van het Sociaal Domein in de gemeente Nuenen. We houden daarbij de indeling aan van de drie decentralisaties: Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet. 6.1 Wmo Hieronder gaan we in op de resultaten van het groepsinterview met consulenten op het CMD, de klanttevredenheidonderzoeken die de afgelopen jaren zijn gehouden, eventuele bezwaarprocedures en de opvattingen van onze clientondersteuners Wmo. Interviews Er is een groepsinterview gehouden met de Wmo consulenten, Maatschappelijk werkers en de kwartiermaker GGZE (deze is voor 24 u. p.w. verbonden aan het CMD). Daarnaast is afzonderlijk gesproken met een van de mantelzorgconsulenten. Bij het interview is een aantal vaste gespreksitems aangehouden. Vooraf hebben de deelnemers hun mening gegeven over een aantal stellingen die betrekking hebben op onze uitgangspunten voor het Sociaal Domein. Bekendheid CMD en werkwijze Volgens de geïnterviewden is het CMD over het algemeen goed bereikbaar en goed bekend in de gemeente; “We worden gezien en gewaardeerd en de mensen worden snel geholpen”. Het CMD wordt ervaren als zeer laagdrempelig; “wellicht wel te laagdrempelig”. Het laagdrempelige karakter zorgt voor een grote toestroom aan hulpvragen. Ook de (zorg)professionals weten de weg naar het CMD te vinden.
Het CMD verwijst hierbij ook naar voorliggende voorzieningen, op deze wijze wordt – indien dat mogelijk is – zwaardere zorg en ondersteuning vermeden. De korte lijnen binnen het CMD en de aanwezigheid van veel disciplines zorgt ervoor dat veel casussen integraal worden opgepakt; men weet elkaar te vinden. Ook het eerstelijnsoverleg bevordert de samenwerking (hieraan nemen ook zorgprofessionals van buiten het CMD deel). De receptie op het CMD vangt al veel vragen af. Daarnaast worden door de medewerkers van het Wmo loket veel vragen afgehandeld. Hierdoor wordt een deel van de vragen niet meer doorgeleid naar de Wmo consulent van de gemeente. Veranderingen zorgvraag Onder invloed van het langer thuis wonen en het gebrek aan alternatieve woonruimten dienen steeds meer mensen een aanvraag in voor dure woningaanpassingen. Bij woningaanpassingen wordt het primaat van verhuizen vrijwel nooit opgelegd: er zijn immers geen andere meer geschikte woningen voorhanden. Bij het mantelzorgloket ziet men steeds meer zwaar (over) belaste mantelzorgers. Dit komt deels door tekorten en wachtlijsten in de (palliatieve) thuiszorg en huishoudelijke hulp. Daarnaast is er sprake van een zekere mate van “vraagverlegenheid”; veel ouderen hebben moeite om hun kinderen of derden te vragen om hulp.
Bij de oudere generatie is sprake van claimgedrag: zij vinden dat zij ten alle tijden recht hebben op collectieve voorzieningen. De bevolking van Nuenen is o.h.a. zeer veeleisend. Als mensen echt recht hebben op voorzieningen dat kunnen we niet weigeren. Alleen een 16
moreel appel of wijzen op de wachtlijsten voor de reguliere huishoudelijke hulp maakt dat sommige inwoners de hulp toch maar zelf organiseren en betalen. Vanuit het AMW worden steeds meer psychosociale problematieken en woning gerelateerde problemen geconstateerd. De kwartiermaker ggze is van mening dat de problematieken de afgelopen 5 jaar niet substantieel zijn toegenomen. Preventie en algemene voorzieningen Algemene voorzieningen die worden gemist zijn: • een maatjesproject (er zijn wel projecten voor mensen met beperkingen of ouderen maar niet voor volwassenen/jongeren die min of meer gezond zijn); • een platform waar vraag en aanbod van diensten/klussen bijeenkomen; • een boodschappendienst en; • vormen van respijtzorg: dagbesteding, dagopvang, logeermogelijkheden. Er worden veel zaken door de omgeving en voorliggende voorzieningen opgepakt. Vanuit de psychiatrie ligt dat wat moeilijker: de omgeving vindt deze problemen lastig en weet hier moeilijk mee om te gaan. Wat gaat goed; wat gaat minder goed Wat gaat goed: • Het laagdrempelige karakter van het CMD maakt dat iedereen de weg naar het CMD weet te vinden. Zaken worden over het algemeen snel (en ruimhartig) opgepakt. • De gemeente heeft wel de regie maar zit niet bovenop de professionals. De gemeente vertrouwt op de deskundigheid van de medewerkers van het CMD.
• De samenwerking intern binnen het CMD is erg goed; iedereen respecteert elkaars deskundigheid en maakt hier gebruik van. Iedere medewerker neemt zijn/haar verantwoordelijkheid • Dossiers worden gedeeld en kunnen worden ingezien echter nog niet tussen LEV en gemeente. Wat gaat minder goed: • De procedure van aanvragen zou wellicht beter moeten worden uitgedragen in de media. In de praktijk zie je vaak dat mensen claimen dat ze ergens recht op hebben. Ze dienen al de rekening in van een scoormobiel terwijl wij eerst moeten vaststellen wat de beperkingen zijn (en of de omgeving eventueel voor oplossingen kan zorgen). • Afschalen van zorg geschiedt te weinig. Er zit niets tussen de Wmo (begeleiding) en de Wlz. We kennen nu alleen de categorie middel en zwaar. Er is behoefte aan een vorm van lichte zorg die we langdurig kunnen inzetten maar dan voor een of twee uur per week. • De minimaregelingen zijn onvoldoende bekend. (betreft dit alle regelingen, of specifiek een aantal (noodfonds)? • Binnen het CMD worden de wettelijke bepalingen niet altijd consequent gevolgd. Dit geldt met name voor de verslaglegging. Dit kan tot problemen leiden indien cliënten ingeval van geschillen naar de rechter stappen.
17
Visie op sociaal Domein De deelnemers aan de interviews hebben vooraf een aantal stellingen voorgelegd gekregen die betrekking hebben op onze uitgangspunten voor het Sociaal Domein (zie par. 4.1) In tabel 2 geven we de gemiddelde scores weer (de score loopt van 1=Zeer mee eens tot 10= Zeer mee oneens; hoe lager de gemiddelde score hoe meer men de stelling onderschrijft). Tabel 2
Stellingen Uitgangspunten Sociaal Domein
Stellingen Binnen onze werkwijze gaan we altijd uit van de eigen verantwoordelijkheid van de sociale leefomgeving en de burger De “eigen kracht van vrager en omgeving” staat centraal; niet het aanbod van diensten en producten De ondersteuningsvraag van de burger wordt zoveel mogelijk beantwoord door de sociale omgeving, voordat gericht professionele hulp wordt ingezet We werken vanuit eén leefeenheid (gezin, familie, alleenstaande, etc.), met één plan en één aanspreekpunt Professionele hulp is slechts aanvullend en (zo mogelijk) tijdelijk Door de inzet van algemene voorzieningen en de nadruk op preventie voorkomen we verwijzingen naar duurdere en zwaardere vormen van hulpverlening Binnen de gemeente Nuenen is voldoende aandacht voor preventie en de inzet van algemene voorliggende voorzieningen De transformatie (een samenleving waarin mensen meedoen naar vermogen, omkijken naar elkaar en dat er zorg en ondersteuning beschikbaar is voor de mensen die dat nodig hebben) is geslaagd.
Gem. 3,3
Range 1-5
4
2-9
4,9
3-8
3,5
2-7
3,9 5,3
2-8 2-9
5,3
3-8
4,8
2-8
Tabel 2 maakt duidelijk dat de meningen van de deelnemers nogal uiteenlopen. Niettemin geven de gemiddelde scores een aardige indicatie hoe onze consulenten denken over de ingang gezette transformatie en onze aanpak van het sociaal domein. De uitgangspunten over de eigen verantwoordelijkheid van de hulpvrager, de integrale aanpak en inzet van professionele hulp, zijn volgens onze respondenten redelijk gerealiseerd. De visie op de waarde van algemene voorzieningen, als middel om duurdere vormen van hulpverlening te voorkomen, wordt deels onderschreven. Wel vinden de respondenten dat de aandacht voor preventie en algemene voorliggende voorzieningen wel een boost kan krijgen. In de discussie lopen de meningen over het “succes” van de transformatie uiteen. Er wordt door sommige deelnemers gewezen op de steeds verder gaande individualisering van de samenleving , waar te weinig sprake is van onderlinge betrokkenheid. Andere deelnemers aan de discussie zijn hierover positiever gestemd en verwijzen naar de vele burgerinitiatieven in Nuenen en de bereidheid tot het doen van vrijwilligerswerk. Over het algemeen is iedereen het erover eens dat als je hulp in de directe omgeving kan organiseren dat altijd beter is voor het “herstel” van de hulpvrager.
Klanttevredenheidsonderzoek (KTO) en Bezwaarprocedures Wij zijn wettelijk verplicht om jaarlijks een Klanttevredenheidsonderzoek (KTO) uit te voeren onder de inwoners die een beroep doen op de Wmo. Daarnaast geeft het aantal ingediende 18
bezwaarschriften een indicatie over de mate waarin onze inwoners de afhandeling van Wmo verzoeken beoordelen. Bezwaarschriften In de bezwaarschriftenprocedure wordt de nodige aandacht besteed om zaken eerst in de minne op te lossen. Zo wordt, bij de ontvangst van een bezwaarschrift, contact opgenomen met bezwaarmaker en overige partijen in een poging om de zaak op te lossen. Tabel 1 geeft inzicht in het aantal bezwaarschriften en de afhandeling hiervan (in deze tabel staan ook de cijfers voor andere diensten/voorzieningen vermeld). Tabel 1
Bezwaarschriften 2015 – 2019
Bezwaarschriften Wmo Jeugd Participatiewet Wtcg Gehandicaptenparkeerkaart BRP* Urgentie** Totaal * **
2019 1 0 22 0 0 2 0 25
2018 5 0 12 0 1 1 1 20
2017 2 0 19 5
2016 4 1 21 17
2015 20 0 17 0
26
43
37
Basis registratie Persoonsgegevens Bezwaren in verband met urgentieverklaringen worden behandeld door bezwarencommissie in Eindhoven. Aan de hand daarvan neemt het college van Nuenen een besluit op het bezwaar.
Het totaal aantal ingediende bezwaarschriften is vanaf 2015 gedaald; in 2019 zijn iets meer bezwaarschriften ingediend dan in 2018. Deze stijging komt vrijwel geheel op conto van de participatiewet. Als we het totaal aantal beschikkingen in ogenschouw nemen is het aantal ingediende bezwaarschriften relatief laag. Voor de Wmo is in 2019 slechts 1 bezwaarschrift ingediend; dit staat in schril contrast tot 2015, waar nog 20 bezwaarschriften zijn ingediend. Klanttevredenheidsonderzoek (KTO) De resultaten van het KTO zijn de laatste jaren onverminderd positief. Enkele resultaten afkomstig uit het laatste KTO (2020) zijn: ✓ De contacten tussen onze inwoners met het CMD worden over het algemeen als zeer prettig ervaren. Daarnaast is het CMD genoegzaam bekend. Ruim 80% van de respondenten weet waar men met een hulpvraag terecht kan; ruim 88% voelt zich door het CMD serieus genomen. ✓ De overgrote meerderheid van onze cliënten is tevreden over de geboden hulp of ondersteuning en ziet hierdoor een duidelijke verbetering in de eigen persoonlijke situatie. Bijna 83% van de respondenten vindt de kwaliteit van de ondersteuning goed tot zeer goed; bijna 82% vindt de ondersteuning passend bij zijn/haar hulpvraag. Tot slot geeft ruim 83% van de respondenten aan zich door de ondersteuning beter te kunnen redden. ✓ De bekendheid van de cliëntondersteuner is toegenomen.
Bijna 48% van de respondenten weet dat zij gebruik kunnen maken van de diensten van een cliëntondersteuner; een iets lager percentage (37%) heeft daadwerkelijk gebruik gemaakt van de diensten van een cliëntondersteuner. De keerzijde is dat ruim de 19
helft van de respondenten dus niet op de hoogte is van het bestaan van de clientondersteuner. Bij de behandeling van de resultaten van het KTO is in het verleden vaak gewezen op het feit dat de vragenlijsten alleen zijn gestuurd naar inwoners met een toegewezen voorziening. Hierdoor zouden de resultaten wellicht wat positief gekleurd kunnen zijn. Inwoners waarbij de vraag om een Wmo voorziening niet is gehonoreerd zijn immers niet mee genomen in het onderzoek. Vooralsnog zien we echter geen reden om te twijfelen aan de validiteit van de antwoorden. Als er al sprake zou zijn van veel misnoegen dan zouden we dat ook moeten terugzien in het aantal ingediende bezwaarschriften en daarvan is zoals we zagen geen sprake. Als aandachtpunt kunnen we echter wel, steekproefsgewijs, overwegen om inwoners die zich hebben gemeld aan het CMD loket , maar geen Wmo voorzieningen hebben gekregen, toch te bevragen over hun ervaringen met de dienstverlening. Clientondersteuners Gemeenten zijn verplicht tot het organiseren en aanbieden van Onafhankelijke Clientondersteuning (OC). Daarnaast heeft de gemeente Nuenen c.a. in artikel 3, lid 2 van de Wmo verordening 2021 vastgelegd dat het college een client wijst op de mogelijkheid tot gebruikmaking van clientondersteuning.
Binnen onze gemeente hebben we de onafhankelijke clientondersteuning, voor inwoners die onder de Wmo vallen, als volgt georganiseerd: Vanuit de ouderenbonden Senergiek en PVGE wordt de OC georganiseerd voor inwoners van 55 jaar en ouder. De clientondersteuners van de seniorenverenigingen werken op vrijwillige basis. Alle clientondersteuners van de ouderenorganisaties hebben een meerdaagse opleiding clientondersteuning gevolgd. Clientondersteuners zijn beschikbaar voor inwoners van 55 jaar en ouder, ongeacht of zij lid zijn van een van de seniorenverenigingen. De gemeente Nuenen c.a. verstrekt de ouderenbonden een subsidie voor het uitvoeren van CO 55+.7 De (drie) clientondersteuners hebben we schriftelijk gevraagd hun mening te geven over de werkwijze op het gebied van het Sociaal Domein binnen de gemeente Nuenen (in het bijzonder de Wmo). We vatten hun belangrijkste opmerkingen kort samen. • • • •
•
Het CMD is telefonisch goed toegankelijk. De indruk bestaat dat het CMD steeds meer bekendheid geniet bij de inwoners van Nuenen. De bejegening door de zorgconsulenten en de WMO consulenten is heel positief. De samenwerking met de CMD medewerkers wordt als uitstekend beoordeeld. Het indiceren en keukentafelgesprek verloopt over het algemeen positief. Ten aanzien van de rol van CO wordt het volgende opgemerkt: zend bij de beschikking ook het gespreksverslag (en vermeld standaard de mogelijkheid om contact op te nemen met onafhankelijke cliëntondersteuner). De persoonlijke alarmering (als middel om langer zelfstandig thuis te kunnen blijven wonen) zou volgens de CO een WMO voorziening moeten zijn. Ook zou meer
7 Inwoners onder de 55 jaar die gebruik wensen te maken van onafhankelijke
cliëntondersteuning richten zich tot ons Centrum voor Maatschappelijke Deelname (CMD). Het CMD koopt vervolgens cliëntondersteuning in bij MEE of Zorgbelang. Dit betreft cliëntondersteuning verricht door betaalde krachten.
20
aandacht moeten worden gegeven aan de mogelijkheid van PGB’s. (om te ontkomen aan de “goedkoopste en meest adequate voorziening”). Naast voornoemde punten is aan de clientondersteuners gevraagd hoe zij aankijken tegen de door ons geformuleerde uitgangspunten voor het Sociaal Domein. De eigen verantwoordelijkheid van de sociale leefomgeving en de burger staan centraal; Er zou meer aandacht moeten zijn voor inwoners die zonder ondersteuning moeilijk de eigen verantwoordelijkheid kunnen dragen. Client moet zelf in de gaten houden wanneer de indicatie verloopt. Beter zou zijn: • •
Indien ondersteuning een chronische karakter heeft om voor onbepaalde tijd te indiceren. Bij tijdelijke indicatie als gemeente zelf een signaal af te geven. Praktijk is dat het bij de meest cliënten teveel gevraagd is omdat zelf in de gaten te houden.
Professionele hulp is slechts aanvullend en (zo mogelijk) tijdelijk; Er blijft altijd een groep voor wie professionele ondersteuning een centrale rol dient in te nemen. Eén leefeenheid (gezin, familie, alleenstaande, etc.), één plan, één aanspreekpunt. In de praktijk is één plan, één aanspreekpunt als ook één loket nog niet volledig gerealiseerd. Gelukkig is ook een zorgconsulent aanwezig met WLZ ervaring.
6.2
Jeugdwet
Hieronder beschrijven we de resultaten van het groepsinterview, de resultaten van de enquête onder huisartsen en zorgaanbieders en enkele ervaringen van ouders/verzorgers en jeugdigen die de afgelopen periode contact hebben gehad met het CMD. Interviews Er is een groepsinterview gehouden met de Jeugdhulpverleners van de LEV groep en de Jeugdconsulent van de gemeente (allen werkzaam binnen het CMD). Bij het interview zijn dezelfde gespreksitems (semi gestructureerd interview) aangehouden als bij het groepsinterview met de Wmo consulenten en de maatschappelijk werkers. Ook hebben de deelnemers vooraf hun mening gegeven over een aantal stellingen , die betrekking hebben op onze uitgangspunten voor het Sociaal Domein. De resultaten van de antwoorden op de stellingen hebben we in de voorgaande paragraaf (6.1) besproken. Bekendheid CMD en werkwijze • Het CMD is voldoende bekend in de gemeenschap. Positief is het laagdrempelige karakter. • De samenwerking binnen CMD verloopt goed: de lijntjes tussen de verschillende disciplines zijn kort. Medewerkers lopen vaak bij elkaar binnen en weten elkaar te vinden. Iedereen staat open voor bijdrage van elkaar. “We opereren als 1 team (ondanks twee verschillende werkgevers: gemeente en LEV)”. Er is ook regelmatig contact met de consulenten werk en inkomen.
Men loopt overigens op het CMD niet gemakkelijk bij de huisartsen binnen die ook in het CMD gevestigd zijn.
21
Veranderingen zorgvraag Er is sprake van steeds zwaardere casussen. Dure specialistische zorg moet steeds vaker worden ingezet. De aard van de zorgvraag verandert; er is sprake van trends: eerst hooggevoeligheid nu hoogbegaafdheid. Automutilatie gedrag (zelfverwonding) en vechtscheidingen. We zien ook een trend dat bij steeds jongere kinderen problematieken spelen zoals eetstoornissen en identiteitsvraagstukken. Ook toename van drankdrugsproblematiek (is ook steeds makkelijker verkrijgbaar). Preventie en algemene voorzieningen Er zijn o.h.a. onvoldoende preventieve middelen en voorzieningen die kunnen worden ingezet. Er wordt een pleidooi gehouden voor een goed toegankelijk jongerencentrum en meer inzet jongerenwerk. Hierdoor komen jongeren eerder in beeld en kan er wellicht eerder preventief worden ingegrepen (en duurdere vormen van hulp worden voorkomen). Ook zou het cursusaanbod beter gestructureerd moeten worden. Een veelbelovend initiatief is de pilot inzet jeugdhulp op scholen. De jeugdconsulenten geven aan dat zij altijd eerst kijken wat de draagkracht van de ouders/jongeren zelf is en wat de naaste omgeving eventueel kan bijdragen aan de oplossing van het probleem. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de draagkracht van veel gezinnen gering is en dat een netwerk vaak ontbreekt.
Wat gaat goed; wat gaat minder goed Wat gaat goed: • Het laagdrempelige karakter van het CMD en de onderlinge afstemming en samenwerking binnen het CMD worden zeer gewaardeerd. Dit bevordert de integrale aanpak. • Er is wel een wachtlijst maar deze is beperkt en niet continu. Soms is er in een periode geen wachtlijst; in andere periodes weer wel (varieert van 2 weken tot 3 maanden). Wat gaat minder goed: • Medische verwijsrouteDe protocollen worden niet altijd gevolgd. Ouders melden zich rechtstreeks tot de huisartsen en weten vaak al naar welke instantie hun kind moet worden verwezen. Ook op sommige basisscholen zien we dat bepaalde zorgaanbieders reclame maken voor hun diensten. De huisartsen verzorgen dan alleen nog formeel de indicatie. Zowel zorgaanbieders, scholen maar ook huisartsen moeten beter op de hoogte zijn (en hiernaar handelen) hoe de procedure loopt : intake, onderzoek hulpvraag, zoeken naar passende oplossingen, ook in eigen netwerk en voorliggend veld (bij voorkeur door het CMD).Veel ouders kiezen bewust voor de gang naar de huisarts: meer vertrouwen in deskundigheid, sneller geholpen (er worden niet eerst ondersteuning- en behandelplannen opgesteld), minder dossieropbouw. Wel opmerkelijk dat bij verlengingen ouders zich wel melden bij het CMD (en ook worden doorverwezen door de huisarts naar het CMD)
22
Enquête huisartsen: Een korte schriftelijke vragenlijst is verstuurd naar alle 4 huisarts(praktijken) in Nuenen. Acht (van de 15) huisartsen hebben de lijst ingevuld en geretourneerd. De vragenlijst bevat zowel gesloten als open vragen. De resultaten van de gesloten vragen zij in tabel 3 weergegeven.
Tabel 3
Resultaten enquête huisartsen
Vraag Bent u op de hoogte van alle mogelijkheden die het CMD biedt aan jeugdigen en hun ouders/verzorgers Weet u voor welke klachten/problemen jeugdigen en hun ouders/verzorgers terecht kunnen bij het CMD Hoe vaak verwijst u jeugdigen en hun ouders/verzorgers door naar het CMD Is het aantal doorverwijzingen dat u naar het CMD deed vanaf 2015 tot op heden gelijk gebleven, licht toegenomen, sterk toegenomen Indien u jeugdigen en hun ouders/verzorgers doorverwijst naar het CMD maakt u dan gebruik van de verwijsformulieren van het CMD Bent u op de hoogte van de Producten Diensten Catalogus (PDC) met de producten en tarieven van Jeugdhulp waarvoor wij contracten hebben afgesloten? Maakt u gebruik van de PDC bij een verwijzing naar een jeugdhulp aanbieder Bent u op de hoogte van de algemene / preventieve voorzieningen die kunnen worden ingezet in plaats van of aanvullend op de inzet van professionele gespecialiseerde jeugdhulp Ontvangt u na een verwijzing een behandelplan en een verslag van de resultaten van de zorgaanbieder? Ontvangt u bij een verzoek om verlenging van uw oorspronkelijke verwijzingen voortgangsverslag van de zorgaanbieder? Hoe beoordeelt u de samenwerking met het CMD?
Volledig
Deels
50%
37,5%
Onvoldoende /Niet 12,5
62,5%
25%
12,5
12,5%
62,5%
25%
gelijk 12,5%
Licht toegenomen 12,5%
Sterk toegenomen 75%
ja 50%
nee 25%
onbekend 25%
ja 25%
nee 75%
altijd -
soms -
nooit 100%
volledig 62,5%
deels 25%
niet 12,5%
nooit -
soms 62,5%
altijd 37,5%
12,5%
75%
12,5%
Zeer goed 12,5%
voldoende
onvoldoende
75%
12,5%
We noemen de belangrijkste punten; De huisartsen zijn nog niet allemaal volledig op de hoogte van de mogelijkheden die het CMD aan jeugdigen en hun verzorgers/ouders kan bieden. Het aantal verwijzingen van de huisarts naar het CMD is vanaf 2015 tot op heden wel toegenomen. Gevraagd naar de redenen waarom men niet doorverwijst naar het CMD wordt genoemd: Ouders “eisen” directe doorverwijzing, de lange procedures op het CMD en de inschatting dat het CMD de zorg die geboden is niet kan bieden. 23
Bij een doorverwijzing naar het CMD maakt de helft van de huisartsen gebruik van de daarvoor ontwikkelde verwijsforumlieren. Bij een verwijzing naar een jeugdzorgaanbieder maakt geen enkele huisarts gebruik van de PDC catalogus (een kwart van de huisartsen heeft overigens wel weet van het bestaan van de PDC). Bij een verwijzing naar een jeugdhulp aanbieder wordt de hulpvraag o.h.a. wel omschreven (zij het niet al te gedetailleerd). In de meeste gevallen wordt geen voorstel gedaan voor een ondersteuningsplan (dit vindt men een taak van de zorgaanbieder). De meerderheid van de huisartsen is voldoende op de hoogte van de algemene / preventieve voorzieningen die kunnen worden ingezet in plaats van of aanvullend op de inzet van professionele gespecialiseerde jeugdhulp. Ruim 37% van de huisartsen geeft echter aan dat zij niet alle mogelijkheden in het voorliggend veld kennen. De terugkoppeling van de zorgaanbieder naar de huisarts is voor verbetering vatbaar: twee derde deel van de huisartsen ontvangt na een verwijzing een behandelplan en een verslag van de resultaten van de zorgaanbieder; bij een verzoek van de zorgaanbieder om verlenging van de indicatie ontbreekt in de meeste gevallen een voortgangsverslag.
Als meest voorkomende klachten/problemen bij de jeugdcasussen in de praktijk worden genoemd: ADHD/ontw.stoornissen en gedragsproblemen, opvoedings- en echtscheidingsproblematieken, autisme, systeem problematiek in gezin met klachten bij kind als gevolg. Over het algemeen ervaart men wel een toename van jeugdcasussen waarbij sprake is van meervoudige en ernstige problematiek en meer claimgedrag bij ouders. Tot slot enkele reacties op de vraag “Wat gaat goed en wat kan verbeterd worden”? De samenwerking met het CMD wordt o.h.a. als goed gekenmerkt, maar het CMD zou wel wat minder bureaucratisch te werk moeten gaan. Daarnaast moet de terugkoppeling en rapportage worden verbeterd. Het zou ook helpen indien het CMD een overzicht verstrekt van goede en betrouwbare hulpverleners. Daarnaast zou er meer geïnvesteerd moeten worden in preventie: investeer meer in basiszorg: een goede mentale en fysieke weerbaarheid vanaf de vroegst mogelijke jeugd. Fysieke bijeenkomsten met wederzijdse kennismaking worden op prijs gesteld. Een paar huisartsen geven in dit verband aan dat zij wellicht wat vaker moeten aansluiten bij het eerstelijns overleg. Enquête top 12 zorgaanbieders Helaas hebben slechts vier van de 12 aangeschreven zorgaanbieders de vragenlijst geretourneerd. Hierdoor is het lastig om de resultaten te duiden en te generaliseren.
De belangrijkste punten die door deze vier zorgaanbieders zijn genoemd vatten we hierna kort samen. De resultaten zijn dus indicatief. De vier respondenten geven aan dat bij een verwijzing door een (huis)arts de aard en omvang van de benodigde hulp niet altijd exact is omschreven. Wel stelt de zorgaanbieder vooraf een behandelplan op, waarin de beoogde resultaten worden omschreven. Daarbij wordt door de vier respondenten ook gekeken naar de inzet van algemene preventieve voorzieningen. De respondenten zijn volgens eigen zeggen goed op de hoogte van de lokale mogelijkheden. 24
Twee van de vier respondenten zijn niet op de hoogte van het medisch verwijsprotocol8 Drie van de vier zorgaanbieders kiest voor het goedkoopst passende product uit de PDC. De verwijzer wordt altijd geïnformeerd over de behaalde resultaten en de voortgang; bij een verlenging op basis van de oorspronkelijke verwijzing wordt door de respondenten altijd een voortgangsverslag gestuurd. De zorgaanbieders adviseren hun cliënten wel over de mogelijkheden van het CMD, indien zij denken dat de hulpvraag daar thuishoort. Ook zijn zij op de hoogte van de mogelijkheden die het CMD kan bieden. Drie van de vier zorgaanbieder zijn (zeer)tevreden over competenties van de CMD consulenten en over de afstemming en samenwerking met het CMD. Ervaringsgegevens ouders/jeugdigen De consulenten jeugd op het CMD hebben gedurende een periode van 1 maand ouders/verzorgers tijdens een intake, (tussentijdse) evaluatiegesprek of hulpverlening/advies gesprek gevraagd ter plekke een aantal schriftelijke vragen te beantwoorden. Deze vragen handelen vooral over de ondersteuning die geboden is door het CMD. In dit tijdsbestek zijn 13 formulieren ingevuld. De resultaten van deze korte enquête zijn in tabel 5 weergegeven.
Tabel 5 Resultaten enquête ouders/verzorgers Vragen Ik weet waar ik met mijn hulpvraag terecht kan Ik ben door het CMD snel geholpen De medewerker van het CMD neemt mij serieus De medewerkers van het CMD en ik hebben samen naar oplossingen gezocht Ik vind de kwaliteit van de ondersteuning die wij krijgen van het CMD goed Ik vind de kwaliteit van de ondersteuning die wij krijgen van andere hulpverleners goed Verschillende organisaties werken goed samen om mij en mijn kind te helpen Door de ondersteuning van het CMD kan mijn kind beter zijn/haar problemen oplossen Door de ondersteuning van andere organisaties en hulpverleners kan mijn kind beter zijn/haar problemen oplossen Door de ondersteuning gaat het thuis beter
Ja 92,3%
Nee
Niet altijd 7,7%
92,3% 100%
7,7%
-
N.V.T.
100% 100% 23,1%
15,4%
46,2 69,2%
53,8% 23,1%
30,8% 61,5
61,5%
7,7% 69,2%
23,1%
15,4%
8 Aanbieders werken volgens het Protocol “Jeugdhulp na verwijzing door huisarts, medisch specialist en
jeugdarts” .Voordat aanbieders een verzoek tot toewijzing doen zullen ze eerst moeten bepalen welke hulp precies noodzakelijk is. Daarbij zijn ze gehouden aan de volgende werkwijze die tot stand is gekomen na overleg met de aanbieders. Vaststelling hulpvraag, Vaststelling opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, Bepaling aard en omvang benodigde hulp, Onderzoek eigen oplossingen, algemene voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen, Keuze goedkoopst passende individuele voorziening uit PDC .
25
Uit de reacties van de ouders/verzorgers die contact hebben gehad met medewerkers van het CMD maken we op dat zij zeer tevreden zijn over de wijze waarop zij door het CMD zijn geholpen. Ook de vraag of men weet waar men met zijn/haar hulpvraag terecht kan is door vrijwel alle respondenten positief beantwoord. Ruim twee derde deel van de ondervraagde ouders/verzorgers geeft aan dat door de ondersteuning van het CMD hun kind beter zijn/haar problemen kan oplossen. Een ruime meerderheid is van mening dat door de ondersteuning het thuis beter gaat. Slechts een klein deel van de respondenten heeft , naast het CMD, ook met andere hulpverleners te maken. Deze ouders geven aan dat de verschillende organisaties waarmee zij van doen hebben goed samenwerken. Een enkeling geeft aan dat de kwaliteit van de ondersteuning van andere hulpverleners niet altijd optimaal is. (Nb. Het aantal reacties is echter zo gering dat we hieraan weinig conclusies mogen verbinden).
6.3
Participatiewet
We hebben schriftelijke vragen gesteld aan de consulenten werk en inkomen en aan de beleidsmedewerkers van de afdeling werk en inkomen. Daarbij moeten we wel aantekenen dat slechts twee (van de negen) consulenten de vragenlijst hebben ingevuld. Voor het antwoord op de vraag hoe cliënten zelf aankijken tegen de wijze waarop wij invulling geven aan de participatiewet grijpen we terug op eerdere klanttevredenheidsonderzoeken. Consulenten werk en inkomen De gemiddelde caseload van de consulenten is 200. De cliënten die bemiddelbaar zijn spreekt men 1x per zes maanden. De zogenaamde zorg cliënten (waar het perspectief op een betaalde baan gering is) ziet men slechts 1 x per jaar (of nog minder vaak). De wijze van contact varieert; zowel schriftelijk, via de mail of telefoon als huisbezoeken. De consulenten werk en inkomen zitten gemiddeld 2 tot 3 dagen op het CMD. Men heeft regelmatig overleg met de andere medewerkers op het CMD en deze samenwerking wordt als voldoende beoordeeld. Opgemerkt wordt wel dat het nog niet altijd vanzelfsprekend is om de werk en inkomens consulenten te betrekken bij de activiteiten op CMD. Als sterke punten van de aanpak om mensen naar werk toe te leiden worden genoemd: • Een duidelijk traject : Aanzet of kansen.
• Goede samenwerking met CMD en WSD • Experts op verschillende gebieden • Maatwerk, nadruk op duurzame uitstroom, bereikbaarheid van consulenten Als zwakke punten worden genoemd: • Door het werken met veel experts is het een kunst om de samenwerking goed te blijven houden. Vooral als je elkaar minder vaak ziet. • Te veel klanten per werkconsulent, je kan niet alle klanten de aandacht geven die ze nodig hebben. • Onvoldoende mogelijkheden in de regio. Werkgevers zijn niet altijd op de hoogte van de mogelijkheden van de P-wet of zijn huiverig om mensen aan te nemen vanuit Pwet. Er blijft altijd een groep zorgklanten waarbij het bemiddelen naar een 26
participatieplaats iets moeilijker wordt. De mensen die nu een uitkering hebben, hebben dat niet voor niks. Doordat de economie goed is, is er voldoende werkgelegenheid. Onze klanten moeten aan hoge eisen voldoen en kunnen dat niet altijd. Daarnaast zijn er veel te veel klanten per consulent en moeten wij keuzes maken wie we begeleiden en wie niet. Hierdoor zullen niet alle mogelijkheden bij alle mensen benut worden. Beleidsmedewerkers participatiewet Alle instrumenten die de Participatie Wet biedt zoals Loonkostensubsidies of Beschut Werk worden ingezet. Daarnaast zijn er werkwijzen en aanpakken ontwikkeld veelal in samenwerking met WSD. Zij hebben de expertise om de doelgroep te ondersteunen bij en naar werk. Zo werken we met het diagnose instrument ‘’AanZet’. Door middel van Aanzet wordt in beeld gebracht wat de afstand tot werk is van de uitkeringsgerechtigden en welke ondersteuning nodig is voor participatie of werk. We onderscheiden een veelvoud aan doelgroepen omdat we daarmee meer maatwerk kunnen bieden. Jongeren, nuggers, statushouders enz. Voor een aantal regelingen hebben we een taakstelling die door het rijk is opgelegd zoals bv Beschut Werk taakstelling. Verder stellen we ons zelf doelen gericht op de banenafspraak (inzet van loonkostensubsidie) en uitstroom naar werk.
Voor het realiseren van die doelen zijn we in hoge mate afhankelijk van de aard van de doelgroep die aanspraak maakt op bijstand. Resultaten: Ondanks de coronacrisis is er sprake van een dalende omvang van de bijstandspopulatie Het proces van de inkomensondersteuning: Een aanvraag algemene bijstand wordt gedaan via www.werk.nl. Als deze binnenkomt kijken we of er recht is op een uitkering. Dit doen we door enerzijds in de systemen te kijken en anderzijds door gegevens bij de aanvrager op te vragen. Als er voldoende duidelijkheid is over de situatie van de aanvrager (Inkomen – vermogen – leefsituatie) nemen we een besluit. Dit besluit wordt gedeeld in een beschikking. De voorschotten worden verstrekt conform de wettelijke richtlijnen: Er wordt geen voorschot verstrekt als er onvoldoende duidelijkheid is over het recht op uitkering of belanghebbende de bewijsstukken niet, niet tijdig of volledig heeft aangeleverd. De betalingen van de uitkeringen vinden maandelijks correct en binnen de afgesproken termijnen plaats. Opgemerkt wordt dat sinds de komst van de participatiewet het aantal bijstandsuitkeringen lager is geworden. Opvattingen cliënten Bij de monitor sociaal domein 2019 hebben we voor het laatst de opvattingen van de cliënten van de Participatiewet zelf gepeild. De belangrijkste resultaten uit deze peiling zijn hieronder kort samengevat.
✓ De overgrote meerderheid van onze cliënten (76%) zit lang in de uitkering (langer dan twee jaar). ✓ Het algemene rapportcijfer voor de afdeling Sociale Zaken is hoog (67% scoort een 7 of hoger).
27
✓ 21% van de cliënten heeft de afgelopen 12 maanden niet één keer contact gehad met een klantmanager. Nog eens 21% ziet de klantmanager slechts 1 keer per jaar. ✓ Cliënten die wel persoonlijk contact hebben gehad met een klantmanager zijn over het algemeen redelijk tevreden over deze contacten. Het minst tevreden is men over de frequentie van de contacten en de beschikbare tijd tijdens de contacten. ✓ Om iemand aan de telefoon te krijgen kost wat moeite; als het contact eenmaal tot stand is gebracht is men over het algemeen tevreden over de wijze waarop men te woord wordt gestaan. ✓ Als we kijken naar de werkwijze van de afdeling Sociale Zaken dan zijn de cliënten het minst tevreden over het onderdeel “ duidelijke procedures” (bijvoorbeeld voor het indienen van een aanvraag), het hebben van een “vaste contactpersoon” en de “begrijpelijke taal van informatie op de website, folders en brieven”. Op deze punten valt dus het een en ander te verbeteren. Het overall beeld is dat cliënten niet frequent hun case manager zien (dit wordt ook bevestigd door de consulenten zelf, waarbij men verwijst naar de grote case load). Waar de contacten wel tot stand komen zijn cliënten wel tevreden over de bejegening.
28
Hoofdstuk 7
Samenvatting en Conclusies
Door middel van deskresearch en gesprekken/ enquêtes onder belangrijke stakeholders hebben we ons een beeld proberen te vormen van zes jaar werken aan de transitie en trasformatie in het Sociaal Domein binnen de gemeente Nuenen. In dit laatste hoofdstuk worden de onderzoeksgegevens samengevat en gerelateerd aan onze onderzoeksvragen: A. Wat gaat goed wat gaat minder goed bij de uitvoering van de decentralisaties in het Sociaal Domein; B. Houden onze uitgangspunten op het gebied van het Sociaal Domein stand: integrale aanpak, kostenreductie, zorgzame samenleving, investeren in voorliggend veld loont. Dit resulteert in aanbevelingen op de korte en langere termijn en een antwoord op de vraag of onze oorspronkelijke visie bijgesteld dient te worden. 7.1