2021-70 RV Bijlage 5.3 Nota van Beantwoording PlanMER RES MRE
Tekst van het document
41
Het is niet zo dat het geluid van windturbines over grotere afstand een significant groter effect heeft. De precieze invloed van (de reflectie van het geluid als gevolg van) een zonnepark in de omgeving van een windpark is zeer project- en locatiespecifiek en valt daarom buiten het detailniveau van dit planMER.
Nee
Zie de beantwoording over de haalbaarheid van windparken binnen de 500voetszone eerder deze zienswijze.
Nee
Ter kennisname.
Nee
Sommige natuuraspecten kunnen worden aangetast door windturbines (bijvoorbeeld vogels en vleermuizen), terwijl dat voor andere aspecten niet geldt (bijvoorbeeld biodiversiteit in sloten en flora). De mogelijkheid voor natuurversterking is in beeld gebracht. Uit vervolgonderzoek moet uiteraard blijken in hoeverre dergelijke koppelkansen opwegen tegen negatieve effecten van ecologische of andere aard.
Nee
versterking van de natuur duidelijk moeten worden opgenomen dat de natuur ondanks mogelijk compenserende maatregelen (ernstig) aangetast raakt door de realisatie van een of meerdere zonneparken in een zoekgebied. Bij het bredere thema economie wordt in de eerste plaats bekeken of binnen 500 meter van een zoekgebied een bedrijventerrein is gevestigd. Is dit het geval dan wordt geredeneerd dat dit positief is voor mogelijke grootverbruikers. Verder wordt bekeken hoeveel recreatiebestemmingen in en rondom 500 meter van een zoekgebied voor zonneparken zijn gevestigd. Ook hier wordt de conclusie getrokken dat de aanwezigheid van veel recreatiebestemmingen in de omgeving van een zoekgebied kan duiden op veel recreatie binnen het zoekgebied, waardoor het zoekgebied mogelijk minder geschikt is voor zonneparken. Ook hier geldt dat niet alle recreatiebestemmingen zijn meenomen. Alléén enkelbestemmingen recreatie zijn in het onderzoek betrokken. Dit is niet terecht omdat het vigerende bestemmingsplan het voeren van een onderneming voor verblijfsrecreatie niet alleen mogelijk kan maken op grond van de enkelbestemming recreatie, maar ook op grond van bijvoorbeeld het toekennen van de functie kampeerboerderij naast de bestemming agrarisch - agrarisch bedrijf.
Het plan-MER dient aangepast te worden zodat alle planologisch toegelaten vormen van (verblijfs)recreatie in het onderzoek worden meegenomen. Wat betreft het onderwerp water, wordt in het plan-MER bij de effectbeoordeling zon onderzocht of de zoekgebieden voor zonneparken zijn gelegen in waterbergingsgebieden of gebieden met een wateronttrekkingsverbod. Hierbij wordt opgemerkt dat volgens het plan-MER zonneparken een positief effect kunnen hebben op de waterhuishouding omdat zonneparken gecombineerd kunnen worden met waterbergingsgebieden. Ook kan volgens het plan-MER het waterpeil onder de zonnepanelen hoog worden gehouden en hoeft er geen water voor agrarische doeleinden te worden onttrokken. Ook wordt in het planMER geconcludeerd dat zonneparken een (indirect) positief effect kunnen hebben op de waterkwaliteit omdat de grond waar de zonnepanelen op worden gevestigd niet langer bemest hoeven te worden en er geen uitspoeling optreedt. De potentiële opwekpotentie is te rooskleurig ingeschat, doordat ervan wordt uitgegaan dat aanpassing en transformatie van het landschap mogelijk zal zijn. Hierbij wordt de draagkracht van het landschap zoals gezegd onrealistisch hoog ingeschat bij grootschalige landschappen, zoals het jonge zandontginningenlandschap en het peelkernontginningenlandschap. De aanname dat 30% tot
42
De gehanteerde werkwijze (op basis van enkelbestemmingen) poogt niet om een compleet beeld van alle recreatie in de omgeving te geven, maar gebruikt de enkelbestemmingen als aanwijzing dat een bepaald gebied meer of minder recreatief wordt gebruikt. Een nadere beschouwing gaat te ver voor het detailniveau van dit planMER.
Nee
Ter kennisgeving aangenomen.
Nee
Het planMER toont een minimale en maximale schatting ten aanzien van de opwekpotentie van zonne-energie. Dit doet het planMER door de impact op de milieueffecten in ogenschouw te nemen. De maximale inpassing met zonneenergie is voor sommige zoekgebieden berekend met behulp van de land-
Nee
maar liefst 60% van de totale oppervlakte gebruikt zal kunnen worden voor het plaatsen van zonnepanelen is volstrekt niet realistisch omdat hiermee ook grote stukken van de beste landbouwgrond verloren gaan. De landbouwstructuur wordt in dat geval zeer ernstig aangetast. In werkelijkheid is de opwekpotentie van de zoekgebieden voor zonneparken in het jonge zandontginningenlandschap en het peelkernontginningenlandschap veel kleiner dan wordt voorgespiegeld in de plan-MER. Het plan-MER moet zo worden aangepast dat het een realistische inschatting geeft van de mogelijkheden voor zonne-energie in deze gebieden.
schapsstrategie ‘Transformeren’. Deze strategie is voortgekomen uit de landschappelijk analyse en vanuit landschappelijke milieueffecten onderbouwd. Mede daarom is deze strategie bijvoorbeeld alleen toepasbaar bij grote ontginningen die niet deel uitmaken van een cultuurhistorische waardevol gebied. In hoeverre deze aantallen hectares en de daarbij behorende opwekpotenties ook daadwerkelijk worden gerealiseerd, is afhankelijk van veel verschillende factoren. Bijvoorbeeld van grondcontracten en beleidskeuzes. Er is nog geen beslissing gemaakt over op welke locaties zonne- en windprojecten worden gerealiseerd. Het doel van het planMER is om inzichtelijk te maken wat de milieueffecten van zonne- en windenergie zijn.
Opvallend is dat anders dan bij de milieueffectenrapportage van de Kempengemeenten van de MRE, niet wordt gekozen voor een alternatief "Leefomgeving”. Er worden aldus het plan-MER MRE drie alternatieven onderzocht, te weten: alternatief "Energielandschappen”, alternatief "Spreiding”, en alternatief "Netinpassing”. In de Concept Notitie Reikwijdte en Detailniveau PlanMER RES MRE Metropoolregio Eindhoven werd vastgesteld dat de alternatieven voor zon en wind nog niet vaststonden. Hierbij werd echter wel gesuggereerd dat het alternatief "Leefomgeving” onderzocht zou kunnen worden. Het alternatief "Leefomgeving” werd namelijk uitdrukkelijk genoemd in de Concept NRD. In de Concept NRD werd bij alternatief "Leefomgeving” uitgegaan van een alternatief waarbij een zo groot mogelijke afstand wordt aangehouden tot bebouwing en recreatieterreinen.
De in het MER gehanteerde alternatieven zijn mede ingegeven door het advies van de commissie voor de milieueffectrapportage (cie-MER). Daarom wijken zij af van hetgeen in de Kempengemeenten is onderzocht.
In het plan-MER van de Kempengemeenten wordt het alternatief "Leefomgeving” als volgt omschreven: “Leefomgeving: een alternatief dat concentraties van verblijvenden ontziet. Daartoe wordt een minimale afstand van 1 kilometer tot woonkernen en recreatiebestemmingen aangehouden en 500 meter tot alle verspreidde woonbebouwing (.. ,)” Ook wordt anders dan bij het plan-MER van de Kempengemeenten, in het planMER niet uitgegaan van het alternatief "Infrastructuur”. Dit alternatief wordt in het plan-MER van de Kempengemeenten omschreven als:
43
De provincie en de MRE delen de mening van indiener niet dat dezelfde alternatieven zouden moeten worden onderzocht als voor de Kempengemeenten is gebeurd. Aangezien het planMER voor de MRE ook de Kempengemeenten onderzoekt is er geen sprake van de genoemde situatie dat er binnen de regio verschillende uitgangspunten worden gehanteerd. Het MER poogt niet om alle mogelijke alternatieve manieren om de doelstelling voor grootschalige opwek in te vullen te beschrijven. Het voorgestelde alternatief met alleen zonneparken en geen wind kent grote bezwaren vanuit de leveringszekerheid, netinpassing en ruimtegebruik. Evenwel staat het de regio vrij om een selectie van zoekgebieden en een verdeling zon/wind te kiezen. Het MER is daarbij een van pijlers, niet de enige. Provincie en MRE zijn van mening dat de huidige beoordeling, volstaat voor een planMER van voorliggend detailniveau.
Nee
“Infrastructuur: een alternatief waarbij aansluiting wordt gezocht bij grootschalige infrastructuur (...). Daartoe wordt enkel gekeken naar mogelijkheden parallel aan en op minder dan 1 kilometer van de genoemde (vaar)wegen.” In het plan-MER MRE moeten net zoals bij het plan-MER van de Kempengemeenten een alternatief "Leefomgeving'' en een alternatief "Infrastructuur” worden opgenomen. Dit voorkomt dat er in verschillende delen van de MRE verschillende uitgangspunten worden gehanteerd wat zeer onwenselijk is en ook niet goed is uit te leggen. Bovendien komt dit de leefbaarheid zeker ten goede en wordt er beter voldaan aan de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant. Uit de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant volgt dat voor wat betreft windenergie zoveel als mogelijk eerst aansluiting dient te worden gezocht bij inpassing van windenergie langs grootschalige infrastructuur en bedrijventerreinen. In de toelichting bij art. 3.37 van de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant 2020 is te lezen: “Artikel 3.37 Windturbines in Landelijk gebied Algemeen (…) De gemeente onderzoekt binnen welke plekken plaatsing van windturbines inpasbaar is in de omgeving. In het algemeen geldt dat hierbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de karakteristiek van het landschap.
Vanwege het grootschalige karakter van de turbines heeft de ontwikkeling bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals grootschalige (middel) zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en grootschalige polderlandschappen de voorkeur.(…)” Vertaald naar het plan-MER van de MRE zou een alternatief "Infrastructuur en nabij (middel)zware bedrijventerreinen” kunnen worden onderzocht waarbij onder andere zoekgebied 38 een belangrijke rol zou kunnen spelen. Anders dan thans gebeurt in het plan-MER bij zoekgebied 38, zou niet een strook van 300 meter rondom de infrastructuur moeten worden aangehouden maar 1000 meter, net zoals wordt overwogen in het alternatief "Infrastructuur” in het plan-
44
MER van de Kempengemeenten. Er moet alles aan gedaan worden de mogelijkheden van windenergie en zonne-energie nabij (middel)zware bedrijventerreinen en de grootschalige infrastructuur zo optimaal mogelijk te benutten, omdat zodoende de schade aan het landschap en natuur en ook voor de leefbaarheid in de MRE zo klein mogelijk is. In het plan-MER moet dan ook duidelijker worden uitgewerkt wat de mogelijkheden hiervoor zijn en dit moet ook als alternatief bij de alternatievenverkenning worden meegenomen. Bovendien dient ook een alternatief in het plan-MER opgenomen te worden waarbij voor resterende RESopgave alleen op zonneparken wordt ingezet en niet op windenergie, te weten: alternatief "Zonne-energie”. Ook door middel van zonneparken kan de resterende RES-opgave worden behaald en is met name de overlast en/of schade voor omwonenden, (verblijfs)recreatieondernemers en de natuur beduidend minder dan indien wordt gekozen voor een alternatief met windenergie. Het alternatief "Energielandschappen” is desastreus voor wat betreft de mogelijke overlast en schade voor de omwonenden, de leefbaarheid en de natuur. Daarnaast is de overlast en/of schade erg groot voor (verblijfs)recreatieondernemers die in de zoekgebieden van het alternatief "Energielandschappen” een onderneming drijven.
Doordat de geselecteerde zoekgebieden van het jonge zandontginningenlandschap en het peelrandontginningenlandschap dienen te worden getransformeerd tot energielandschap met een groot aantal zonneparken en 20 windparklocaties zijn de gevolgen voor het landschap, de natuur en de leefbaarheid zeer groot. Deze transformatie dient aldus het alternatief plaats te vinden in 13 van de 38 zoekgebieden. Deze 13 zoekgebieden worden aldus erg zwaar belast. De te verwachten energieproductie van 4,3 TWh zoals die in het plan-MER wordt gepresenteerd ten aanzien van het alternatief "Energielandschappen”, staat erg ver af van de in de planMER als uitgangspunt genomen ‘resterende opgave' van 0,54 tot 0,57 TWh. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, is deze ‘resterende opgave' om tot een RES-bod van 2,0 TWh te komen te hoog ingeschat, omdat onterecht maar 60% van de opbrengsten worden meegerekend van reeds geplande projecten voor zonneparken en grootschalige zon op dak waarvoor subsidie is verleend. Als er wordt uitgegaan van een realistische benadering waarbij 95% van deze projecten worden meegerekend, is de ‘resterende opgave' om tot een RES-bod van 2,0 TWh te komen nog ‘slechts' 0,31 tot 0,34 TWh. Ook kunnen er terecht grote vraagtekens worden gezet bij het RES-bod van 2,0 TWh dat de MRE in het kader
45
Om bij te kunnen dragen aan de landelijke opwekkingsopgave van 35 TWh voor 2030, hebben we onszelf als regio de volgende vraag gesteld: hoe kan het landschap op een gedragen manier geladen worden met de energieopwekking van de toekomst? De zoekgebieden in de concept-RES voor windturbines en zonnevelden zijn tot stand gekomen door enerzijds de maximale potentie te bepalen op basis van de wet- en regelgeving en technische haalbaarheid en anderzijds op basis van een ruimtelijke onderbouwing. De zoekgebieden met de daaraan gekoppelde potentie aan opwekvermogens zijn tevens doorgerekend door Enexis Netbeheer. Onderzocht is wat de impact is van de verschillende zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwek via zon en wind op het net met betrekking op tijd, geld en ruimtebeslag. Op basis van deze stappen en de doorrekening van het bod door Enexis hebben we in de concept-RES geconcludeerd dat we 2 TWh kunnen bijdragen aan de landelijke doelstelling. Deze inschatting is gemaakt op basis van een optelsom van enerzijds de bestaande en geplande projecten en anderzijds van de verwachte realisatie van duurzame energie projecten in de zoekgebieden en van de ‘no regret’ maatregelen (zoals zon op grote daken).
van de Concept RES MRE, de Concept RES 1.0 MRE en de plan-MER tot uitgangspunt neemt. Zoals hiervoor al uitgebreider aan de orde kwam, is goed te beargumenteren dat het RES-bod voor de MRE kan worden teruggebracht naar 1,15 tot 1,6 TWh. Wanneer dan ook nog de projecten in de pijplijn op een realistische manier worden meegerekend, resulteert dit erin dat er zelfs geen ‘resterende opgave' meer is in de MRE. Zoals hiervoor ook al aan de orde kwam, kan bovendien aan de realiteitswaarde van de draagkracht van het landschap dat als uitgangpunt wordt gehanteerd ten aanzien van de mogelijkheden voor zonnevelden binnen het alternatief "Energielandschappen” ernstig worden getwijfeld. Bij het alternatief "Energielandschappen” wordt ingezet op de combinatie tussen windenergie en zonneenergie in het jonge zandontginningenlandschap en het peelkernontginningenlandschap. Een draagkracht van 60% is volstrekt niet realistisch, omdat dit in de praktijk niet mogelijk zal blijken te zijn. Thans zijn bijna alle percelen in het jonge ontginningenlandschap en het peelkernontginningenlandschap in gebruik voor grootschalige landbouw. Het is niet reëel te veronderstellen dat de perceeleigenaren in dat gebied tot 60% van de aan hen toebehorende hectaren willen omzetten in meerdere zonneparken.
Ook wat betreft windenergie dient ernstig getwijfeld te worden aan de gepresenteerde inschatting van de energieopbrengst. Zoals hiervoor meerdere keren aan de orde is gekomen, levert de 500-voetszone tezamen met de radarverstoringsgebieden een dusdanig ernstige belemmering op voor de realisatie van windturbines, dat de berekende energieopbrengst niet kan worden behaald. Gezien de ernstige belemmeringen die de radarverstoringsgebieden en de 500-voetzone tezamen met zich meebrengen is het immers onmogelijk, dan wel is de kans zeer gering dat in deze zoekgebieden windturbines kunnen worden gerealiseerd. In het vervolgtraject van de RES volgend op het plan-MER dienen deze windparklocaties te worden geschrapt. Ook de in dit alternatief "Energielandschappen” toegepaste combinatie tussen duurzame opwek van windenergie en zonne-energie is dus in veel van de in het alternatief geselecteerde zoekgebieden niet mogelijk. Dit heeft tot gevolg dat deze zoekgebieden geschrapt moeten worden uit het alternatief "Energielandschappen” en dat de te verwachten energieopbrengsten in overeenstemming hiermee moeten worden verlaagd.
46
Het planMER toont een minimale en maximale schatting ten aanzien van de opwekpotentie van zonne-energie. Dit doet het planMER door de impact op de milieueffecten in ogenschouw te nemen. De maximale inpassing met zonneenergie is voor sommige zoekgebieden en voor het alternatief ‘Energielandschappen’ berekend met behulp van de landschapsstrategie ‘Transformeren’. Deze strategie is voortgekomen uit de landschappelijk analyse en vanuit landschappelijke oogpunt onderbouwd. Mede daarom is deze strategie bijvoorbeeld alleen toepasbaar bij grote ontginningen die niet deel uitmaken van een cultuurhistorische waardevol gebied. In hoeverre deze aantallen hectares en de daarbij behorende opwekpotenties ook daadwerkelijk worden gerealiseerd, is afhankelijk van veel verschillende factoren. Bijvoorbeeld van grondcontracten en beleidskeuzes. Wanneer in het kader van de RES 1.0 een nadere selectie van zoekgebieden wordt gemaakt is het denkbaar om de berekening van de opwekpotentie van meer zaken afhankelijk te maken; het MER baseert zich enkel op milieutechnische aspecten.
Nee
Bij het alternatief "Spreiding” bevinden windparken zich op grote afstand van elkaar. Wat betreft zonneparken wordt ingezet op inpassing en niet op transformatie. Bij het alternatief "Spreiding” wordt wederom onvoldoende rekening gehouden met de beperkingen die in verschillende zoekgebieden gelden wegens de 500-voetszone in combinatie met de radarverstoringsgebieden. Voornamelijk indien een zoekgebied is gelegen in zowel de 500-voetszone als het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rondom vliegbasis Volkel of vliegbasis Eindhoven doet zich deze ernstige belemmering voor. Hierdoor is de ingeschatte opbrengst van windenergie bij dit alternatief niet juist. In een aantal in het planMER opgenomen zoekgebieden zal het niet mogelijk zijn om windturbines te realiseren. In het vervolgtraject van de RES volgend op het plan-MER dienen deze windparklocaties te worden geschrapt. Mocht men het thematische alternatief "Spreiding” al willen handhaven, dan zullen de te verwachten energieopbrengsten ook naar een realistisch niveau moeten worden teruggebracht. Bij het alternatief "Netinpassing” wordt volgens het plan-MER met name de focus gelegd op systemefficiëntie. Zoekgebieden die binnen 5 kilometer liggen van een hoofdstation worden ingezet voor de grootschalige opwek van windenergie en zonne-energie.
Hierbij wordt wat betreft windenergie gekozen voor een aantal zoekgebieden in het jonge zandontginningenlandschap en het peelkernontginngenlandschap. Voor zonne-energie wordt gekozen voor zonneparken binnen het oude zandontginningenlandschap en de peelrandontginningen. Wat betreft landschapsstrategie wordt in dit alternatief gekozen voor de strategie aanpassen. Een voordeel van het alternatief "Netinpassing” is dat in vergelijking met de andere in het plan-MER opgenomen alternatieven bij dit alternatief minder investeringen hoeven te worden gedaan in het elektriciteitsnetwerk. De genoemde energieopbrengst wordt bij dit alternatief ook te hoog ingeschat. In de zoekgebieden die zijn gelegen in de 500-voetszone en de radarverstoringsvlakken is sprake van een ernstige belemmering voor de realisatie van windparken. Voornamelijk indien een zoekgebied is gelegen in zowel de 500-voetszone als het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rondom vliegbasis Volkel of vliegbasis Eindhoven doet zich deze ernstige belemmering voor. Ten aanzien van een aantal windparken genoemd bij dit alternatief zal de realisatie van windturbines niet mogelijk zijn, wegens onaanvaardbare radarverstoring. In het vervolgtra-
47
De beantwoording op het onderwerp 500-voetszone is eerder in deze reactie terug te lezen.
Ter kennisname.
Het planMER toont een schatting ten aanzien van de opwekpotentie. Dit doet het planMER door de impact op de milieueffecten in ogenschouw te nemen. De maximale inpassing met zonne-energie is voor sommige (delen van) zoekgebieden en voor het alternatief ‘Netinpassing’ berekend met behulp van de landschapsstrategie ‘Aanpassen’. Deze strategie is voortgekomen uit de landschappelijk analyse en vanuit landschappelijke oogpunt onderbouwd. Anders dan bij bijvoorbeeld de strategie ‘Inpassen’ wordt met deze strategie het landschap aangepast. Het planMER gaat er daarbij vanuit dat de aanpassingen ruimtelijke kwaliteit toevoegen. Bijvoorbeeld door herkenbare structuren terug te laten komen. In hoeverre deze aantallen hectares en de daarbij behorende opwekpotenties ook daadwerkelijk worden gerealiseerd, is afhankelijk van veel verschillende factoren. Bijvoorbeeld van grondcontracten en beleidskeuzes.
Nee
ject van de RES volgend op het plan-MER dienen deze windparklocaties te worden geschrapt. Daarnaast kan ook aan de energieopbrengst van de in dit alternatief genoemde zonneparken worden getwijfeld. De draagkracht van het de verschillende landschappen loopt voor de landschapsstrategie aanpassen uiteen van 30% bij het jonge zandontginningenlandschap en het peelkernontginningenlandschap, 26% bij het oude zandontginningenlandschap en 6% bij het beekdalenlandschap. Met name aan het realiteitsgehalte van 30% en 26% kan worden getwijfeld, omdat het niet reëel is te veronderstellen dat ongeveer 30% van de beschikbare percelen in zonneparken zullen kunnen worden omgezet. Uit tabel 3 volgt bovendien dat ten aanzien van het alternatief "Netinpassing” globaal gezien minder negatieve milieueffecten te verwachten zijn dan bij de alternatieven "Spreiding” en "Energielandschappen”. Uit tabel 5 volgt dat de milieugevolgen voor zowel het alternatief "Energielandschappen” als het alternatief "Spreiding” globaal gezien groot zijn. Een reden te meer om - mocht al besloten worden dat gekozen wordt voor een van de thans in het plan-MER opgenomen alternatieven - voor het alternatief "Netinpassing” te kiezen.
In paragraaf 1.7 van het plan-MER worden een aantal mogelijk mitigerende maatregelen besproken, ondanks dat het plan-MER te kennen geeft dat mitigerende maatregelen de reikwijdte van het plan-MER te buiten gaan. Belangrijk is dat men zich bedenkt dat mitigerende maatregelen onder omstandigheden een grote invloed kunnen hebben op de energieopbrengst en de business case van een windpark. Ten aanzien van hoofdstuk 2, paragraaf 2.2 merken wij op dat het noodzakelijk is in het vervolg naar concrete projecten altijd een project-MER uit te laten voeren om zo de (milieu)effecten bij concrete projecten goed vast te stellen. De (milieu)effecten van met name concrete windprojecten zijn immers groot voor zowel omwonenden als het landschap en de natuur, alleen daarom al is het van belang dat er een project-MER wordt uitgevoerd. Door het uitvoeren van een project-MER wordt recht gedaan aan de aanzienlijke milieugevolgen die concrete windprojecten hebben. In paragraaf 2.6 van het plan-MER worden de stappen van het plan-MER besproken. Stap 7 betreft de keuze en de randvoorwaarden. Bij stap 7 wordt vermeld dat dit deel van het stappenplan geen onderdeel uitmaakt van het planMER en dat de keuze nog niet is gemaakt. Gezien de samenhang met het sinds
48
De keuze voor de uiteindelijke zoekgebieden in de RES 1.0 zal geen keuze zijn tussen de drie in het planMER onderzochte alternatieven. Deze alternatieven zijn enkel bedoeld om te helpen bij het maken van die keuze.
De effecten van mitigatie op de opbrengst zijn inderdaad niet het planMER onderzocht. Onderdeel van de vergunningprocedure van concrete projecten is onderzoek of eventuele wettelijke verplichting tot stilstand leidt tot een onrendabel project. De ervaring leert dat bij afstanden vanaf ca. 400-500 meter dergelijke stilstand geen significante gevolgen voor de business case meer heeft. Ook bij kleinere afstanden is er lang niet altijd sprake van een groot effect op de haalbaarheid. Het planMER, en diens milieuonderzoeken, zijn opgesteld op het detailniveau passend binnen de scope van de gehele RES regio. In het geval een project in een van de zoekgebieden doorgang vindt, worden vervolgonderzoeken uitgevoerd en indien nodig een project-MER. Tijdens dat proces wordt verder onderzocht of en zo ja welke negatieve milieueffecten er ontstaan.
Nu de commissie voor de m.e.r. een positief advies over het planMER heeft uitgebracht stellen de provincie en de MRE zich op het standpunt dat de juiste keuze zijn gemaakt omtrent het milieugedeelte. In hoeverre de RES 1.0, waarin de definitieve keuzes worden gemaakt, ook een inzageperiode zal kennen is op dit moment niet bekend.
Nee
Nee
3 mei 2021 gepubliceerde deel van het plan-MER is het erg gewenst dat eenieder ook ten aanzien van de uitkomsten van deze stap een zienswijze kan indienen. Via deze weg verzoeken wij u dan ook dit alsnog mogelijk te maken. Bovendien dienen de keuze voor een of meerdere voorkeursalternatieven, de milieueffecten van dat alternatief, de criteria die de keuze van plaatsingsgebieden hebben bepaald en de randvoorwaarden voor plaatsing van windparken en zonnevelden (uitvoeringsrichtlijnen), volgens de Commissie MER in het plan-MER zelf te worden opgenomen. Ten aanzien van hoofdstuk 3 van het plan-MER hebben we de volgende opmerkingen. In paragraaf 3.2.1 van het plan-MER worden de verschillende stappen besproken op grond waarvan de globale zoekgebieden zijn aangewezen. Onder de kop technische en wettelijke mogelijkheden voor zonnevelden en windparken is te lezen dat: “(...) de technische potentie van windturbines wordt in belangrijke mate bepaald door enkele harde restricties. Zo leggen verschillende luchthavens in en rondom de regio bouwhoogtebeperkingen op vanwege de veiligheid voor het vliegverkeer. Ook kunnen er beperkingen zijn in verband met verstoring van de radar.
Een andere restrictie is de afstand die aangehouden moet worden tot gevoelige objecten (zoals woningen, ziekenhuizen of onderwijsgebouwen) of de afstand in relatie tot veiligheid rondom bijvoorbeeld wegen of hoogspanningslijnen.” Uit bovenstaande tekst blijkt dat de beperkingen in verband met radarverstoring als zodanig wel als belemmering zijn erkend, maar dit heeft er in de Concept-RES niet toe geleid dat deze belemmeringen zijn opgenomen op de harde belemmeringenkaart. De ernstige belemmeringen die worden veroorzaakt door de aanwezigheid van radarverstoringsgebieden kunnen weliswaar niet als zodanig als harde belemmering worden aangemerkt, maar zijn wel zodanig van invloed dat hier wel ernstig rekening mee moet worden gehouden. Zoals hierna uitgebreid zal worden besproken, leiden deze ernstige belemmeringen in bepaalde zoekgebieden er toe dat deze zoekgebieden ten aanzien van windenergie definitief af moeten komen vallen, omdat het realiseren van een windpark in deze gebieden nagenoeg zeker zal leiden tot onaanvaardbare radarverstoring. Gezien onder andere hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 van het plan-MER is er veel te weinig rekening gehouden met de radarverstoringsgebieden, waardoor
49
Er is aandacht voor mogelijke toekomstige veranderende omstandigheden in relatie tot bijvoorbeeld wet- en regelgeving/radarverstoring/innovaties. Op dit moment zien de provincie en de MRE geen reden om te twijfelen aan de gekozen methode (op planMER-detailniveau).
geen volledig beeld wordt geschetst van de beperkingen die de 500-voetszone tezamen met de radarverstoringgebieden rond de vliegvelden Eindhoven, Volkel (en radarstation Herwijnen) opleveren. Bij de bespreking van hoofdstuk 4 van het plan-MER wordt hier nader op ingegaan. In het advies van de Commissie voor de Milieueffectenrapportage van 16 november 2020 wordt door de commissie het volgende aangegeven: “De Commissie vindt het belangrijk dat per zoekgebied herleidbaar wordt aangegeven op grond van welke concrete criteria het is afgebakend en geselecteerd, welke rol milieuinformatie daarbij heeft gespeeld en hoe het bod per zoekgebied is opgebouwd.” Net als onder de Concept RES is ook in het plan-MER is nog niet geheel duidelijk op grond van welke concrete criteria zoekgebieden zijn afgebakend en geselecteerd voor de grootschalige opwek door middel van windenergie en zonneenergie. Paragraaf 3.2 en 3.4.1 van het plan-MER geven herover geen uitsluitsel. Het plan-MER voldoet hiermee niet aan het hierboven geciteerde advies van de Commissie voor de Milieueffectrapportage. Dit is bovendien extra van belang omdat in het plan-MER ook mogelijke windparklocaties zijn bekeken die niet zijn gelegen in de zoekgebieden van de Concept-RES.
Een duidelijke motivering waarom deze mogelijke windparklocaties niet eerder in de Concept-RES zijn betrokken en waarom deze ook niet alsnog in de RES worden betrokken ontbreekt. Er wordt in het plan-MER alleen gemeld dat deze locaties reeds zijn afgevallen.
In tabel 7 worden de belemmeringen voor windenergie besproken en worden de minimale afstanden besproken die volgens het plan-MER ten aanzien van deze belemmering dienen te worden aangehouden. Wat hierbij opvalt, is dat van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant slechts een wieklengte afstand (75 meter) wordt aangehouden. Zoals hierboven reeds werd besproken, is de gehanteerde afstand van een wieklengte (75 meter) te beperkt om zodoende de negatieve gevolgen voor natuurwaarden (met name vogels en vleermuizen) tegen te gaan. Nogmaals brengen wij de brief van de Brabantse milieufederatie, Brabants Landschap en Vereniging natuurmonumenten van 16 april 2021 onder de aandacht waarbij wordt voorgesteld om tussen een windpark en de grenzen van het Natuurnetwerk Brabant een afstand van minimaal
50
Om de zoekgebieden te bepalen hebben we enerzijds de maximale potentie op basis van de wet- en regelgeving en technische haalbaarheid berekend en anderzijds hebben we de ruimtelijke mogelijkheden en belemmeringen onderzocht op basis van de waarden van de landschappen in de regio. We hebben per landschapstype de mogelijkheden voor inpassing in het landschap, aanpassing van het landschap en transformatie van het landschap onderzocht. Daarbij hebben we nadrukkelijk gezocht naar de kansen voor verbinding van de energieopgave met andere gebiedsopgaven. Commissie m.e.r. heeft in haar advies aangegeven dat het planMER de essentiële informatie bevat. Om inzicht te krijgen in de ruimtelijke impact hebben we landschapstegels ontworpen die kunnen dienen als basis voor de ruimtelijke invulling van de energieopgave in de verschillende landschapstypen. Zie hiervoor de tegels op de site van Odzob. De combinatie van het onderzoek naar de technische mogelijkheden/belemmeringen en naar de ruimtelijke mogelijkheden in de regio heeft geleid tot de zoekgebiedenkaart in de concept-RES. Het planMER geeft ons een beeld van de keuzemogelijkheden in onze regio en gebruiken we om de verschillende (conflicterende) belangen af te wegen. De betrokken overheden in de regio kunnen de milieu-informatie later inzetten bij hun planprocedures.
De aangehouden afstand is een direct gevolg van de keuze om geen windturbines in NNB en N2000-gebieden te plaatsen: de 75 meter is de wieklengte van het gehanteerde representatieve windturbinetype; op deze manier wordt naast plaatsing in ook overdraai boven de genoemde natuurgebieden op voorhand uitgesloten. Deze 75m zegt dus niets over eventuele effecten op grotere afstanden. Zie daarvoor het beoordelingskader in tabel 23. In hoeverre in de uiteindelijke locatiekeuze minimumafstanden tot beschermde natuurgebieden worden aangehouden valt buiten de reikwijdte van het planMER.
Nee
500 meter aan te houden om zodoende ernstige aantasting van aanwezige natuurlijke waarden (met name bedreiging voor vogels en vleermuizen) te voorkomen. Hierdoor worden kwetsbare diersoorten (met name vogels en vleermuizen) veel beter beschermd. Vanwege veiligheid wordt ook een wieklengte afstand (75 meter) afstand gehouden van panden, wegen en rijkswegen. Bij spoorwegen en vaarwegen wordt een grotere afstand aangehouden van 86 meter respectievelijk 105 meter. Wat betreft veiligheid wordt onterecht geen rekening gehouden met de afstand die aangehouden dient te worden van (verblijfs)recreatiegebouwen en (verblijfs)recreatieterreinen. Om ontoelaatbaar gevaar voor (verblijfs)recreanten te voorkomen moet ook ten aanzien van (verblijfs)recreatiegebouwen en (verblijfs)recreatieterreinen voldoende afstand worden aangehouden. Het plan-MER dient zo aangepast te worden dat dit alsnog gebeurt.
Wat betreft woningen wordt in een vuistregelafstand van 400 meter aangehouden. Hierover is in tabel 7 te lezen: “N.B. de 400 meter is geen harde afstandseis, maar een vuistregel ter voorkoming van normoverschrijding van geluid en slagschaduw. De daadwerkelijk minimaal aan te houden afstand kan verschillen van project tot project en is daarom op het detailniveau van een planMER niet te bepalen. (...)” Overigens is het hierbij van belang dat men zich realiseert dat naast de normen die zijn vervat in het Activiteitenbesluit ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur alsmede de norm van een goede ruimtelijke ordening een belangrijke rol kunnen spelen bij het antwoord op de vraag hoeveel afstand moet worden aangehouden. Volgens deze normen dient er ondanks de realisatie van duurzame opwek van energie door middel van zonne-energie en windenergie een acceptabel woon- leef- werk- en (verblijfs)recreatieklimaat te blijven bestaan. De genoemde vuistregelafstand van 400 meter van woningen (en van andere hindergevoelige objecten en terreinen) zal daarom veelal te weinig zijn. Bovendien zijn de normen die in Nederland worden aangehouden van hindergevoelige objecten en terreinen erg beperkt. In andere Europese landen worden veel grotere afstanden aangehouden om overlast bestaande uit met name geluidsoverlast en overlast door slagschaduw te voorkomen. Daarenboven
51
(verblijfs)recreatiegebouwen vallen onder de categorie ‘Panden’ waartoe inderdaad 75 meter wordt aangehouden.
Nee
Ligging nabij (verblijfs)recreatieterreinen is niet op voorhand belemmerend voor windenergie en daarom niet meegenomen in het overzicht van harde belemmeringen. Concrete projecten moeten uiteraard voldoen aan alle wettelijke (veiligheids)normen, maar de provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de thans gehanteerde methodiek in het planMER voldoende milieuinformatie verschaft voor de nu te maken beleidskeuzes. De aangehaalde richtlijnen stellen niet dat het WHO onderzoek maatgevend is, temeer daar de daarin vervatte aanbevelingen van lage kwaliteit zijn (aldus het WHO-rapport), door gebrek aan eensluidende onderzoeksresultaten. Het planMER maakt een inschatting van de inpassingsruimte, teneinde regionale beleidskeuzes te maken. Daarbij is de precieze formulering en grondslag van de milieunormen niet van groot belang, aangezien de provincie en de MRE verwachten dat de dosis-effectrelaties waarop de milieunormen uit het Activiteitenbesluit gebaseerd zijn in de toekomst niet zodanig zullen veranderen dat de gemaakte beleidskeuzes onhoudbaar worden. Concrete projecten zullen altijd moeten voldoen aan de dan geldende milieuwetgeving en er moet sprake zijn van goede ruimtelijke ordening.
Nee
volgt uit recente ontwikkelingen binnen het Europees recht dat de normen die moeten beschermen tegen geluidsoverlast (hoorbaar en onhoorbaar) zoals die zijn vervat in het Activiteitenbesluit milieubeheer niet langer toereikend zijn. Uit de aanpassing van Richtlijn 2002/49/EG door Richtlijn 2020/367/EU volgt dat de wetenschappelijke onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voortaan maatgevend zijn voor het vaststellen van de normen ter bescherming tegen geluidshinder. Bovendien blijkt uit de Richtlijn 2011/92/EU (de milieueffectbeoordelingsrichtlijn) dat de beoordeling bij MER onderzoeken onder milieueffecten uitdrukkelijk ook wordt begrepen de effecten op de menselijke gezondheid. Hierdoor is het zeer waarschijnlijk dat de Nederlandse normen die bescherming moeten bieden tegen onaanvaardbare geluidshinder moeten worden aangepast om aan de bevindingen in wetenschappelijke studies, zoals de voornoemde studie van de WHO, te kunnen voldoen. Wat betreft gezondheidsklachten gaat het bovendien niet alleen over hoorbaar laagfrequent geluid maar ook over niet hoorbaar laagfrequent geluid. Geluid boven de 20 Herz is voor mensen hoorbaar. Het laagfrequente geluid onder de 20 Herz is voor mensen niet hoorbaar maar wel voelbaar door middel van trillingen. Deze trillingen worden ook wel ultrasoon geluid genoemd.
Ook van dit ultrasoon geluid kunnen mensen veel last hebben, zodat beide soorten laagfrequent geluid (hoorbaar en niet hoorbaar) schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Het plan-MER dient naast hoorbaar laagfrequent geluid ook onderzoek te doen naar de effecten van niet hoorbaar laagfrequent geluid veroorzaakt door windturbines. Naast geluidsoverlast en slagschaduw is er bovendien ook meer overlast en/of schade te verwachten waar het plan-MER rekening mee moet houden, zoals onder andere horizonvervuiling, lichtvervuiling door waarschuwingslichten op de windturbines, elektromagnetische straling van kabels en elektriciteitshuisjes (dirty energy), verstoring van ethersignalen en/of straalverbindingen en waardevermindering van rond een indicatieve windparklocatie gelegen onroerend goed. Bij zachte belemmeringen in tabel 7 wordt de categorie Vliegverkeer en radar genoemd. Hier is te lezen:
52
De plaatsing van windturbines moet voldoen aan de Nederlandse normen omtrent geluid, ongeacht de afstand. De Nederlandse normering voor geluid is streng en beschermt voldoende tegen hinder van windturbines, inclusief laagfrequent en ultrasoon geluid. In het geluidsonderzoek bij een vergunningaanvraag moet een initiatiefnemer aantonen te voldoen aan de normen.
Nee
De provincie en de MRE zijn van mening dat onderzoek naar de genoemde aanvullende effecten niet past bij het detailniveau van dit regionale planMER.
Nee
Het effect op de landschappelijke beleving (horizonvervuiling) is opgenomen onder het milieuthema Landschap.
Het genoemde artikel uit het Rarro en de geciteerde figuur stellen geen hard maximum aan de toegestane bouwhoogte, maar bepalen vanaf welke hoogte een radarhindertoetsingsonderzoek noodzakelijk is.
Nee
“In het Vooronderzoek zijn de CNS-vlakken rond militaire bases aangeduid als belemmering. Dit plan-MER beschouwt daarnaast ook de 500-voetszone als zachte belemmering: binnen dit (grotere) gebied gelden zeer strenge regels ten aanzien van radarverstoring. Hoewel de kansrijkheid van windturbines binnen deze zone niet groot wordt geacht (door TNO), is de realisatie op voorhand niet uit te sluiten, daarom is de 500-voetszone niet als zachte belemmering meegenomen.” Ook figuur 9 is van belang. Bij het bijschrift van figuur 9 is te lezen: “Verschillende belemmeringsvlakken radar en luchtvaart. Het planMER beschouwt de invliegfunnels (zwart) als harde belemmering en de 500-voetszone (blauw gearceerd) als zachte belemmering. De paarse (toetsings)vlakken zijn niet op voorhand als (zachte) belemmering meegenomen, omdat juridische grondslag daarvoor ontbreekt.” De conclusie die in het plan-MER wordt getrokken om de 500-voetszone in combinatie met de radarvlakken niet als zachte belemmeringen mee te nemen is onjuist. Radarvlakken en met name de radarvlakken van vliegbasissen Eindhoven en Volkel vormen een ernstige belemmering. Ook de conclusie bij figuur 9 om de paarse (toetsings)vlakken op voorhand niet als (zachte) belemmering mee te nemen is onjuist. Anders dan het plan-MER beweert, ontbreekt de juridische grondslag hiervoor niet.
De juridische grondslag voor radarverstoringsgebieden rond het vliegveld Volkel is namelijk opgenomen in de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Rarro). Met name de artikelen 2.4, 2.5. en 2.6 Rarro zijn hier van belang. Art. 2.4 Rarro (bouwbeperkingen radarverstoringsgebieden) bepaalt in lid 1 dat de maximale bouwhoogte van bouwwerken (en dus ook windturbines) in een radarverstoringsgebied wordt bepaald door een denkbeeldige rechte lijn te trekken vanaf een punt op de top van de radarantenne, waarvan de hoogteligging ten opzichte van NAP is opgenomen in bijlage 8, oplopend met 0,25 graden tot een punt gelegen 15 kilometer vanaf de voornoemde radarantenne. Art. 2.4 lid 2 Rarro bepaalt dat onverminderd het bepaalde in art. 2.4 lid 1 Rarro er bin-
53
nen het radarverstoringsgebied tussen de 15 en 75 kilometer vanaf de radarantenne voor de tippen van de wieken van windturbines een maximale hoogte geldt die wordt bepaald door elke denkbeeldige, ten opzichte van NAP horizontale rechte lijn, die wordt getrokken van het uiterste punt van de lijn, bedoeld in het eerste lid (het punt op precies 15 kilometer vanaf de radarantenne), tot een punt gelegen 60 kilometer daar vandaan. De hier bedoelde maximale hoogte voor de tippen van de wieken van de windturbines is opgenomen in bijlage 10 van het Rarro. Daarnaast is een kaart van de radarverstoringsgebieden opgenomen in bijlage 8.4 Rarro. Deze kaart is ook als bijlage 1 bij deze zienswijze gevoegd. In art. 2.4 lid 3 Rarro is de volgende afbeelding opgenomen. Hierop worden de regels vervat in art. 2.4 lid 1 en 2 nog eens schematisch weergegeven.
Art. 2.5 Rarro bevat regels over verstoring van het radarbeeld voor het geval een bouwwerk of windturbine de maximale bouwhoogte overschrijdt. Art. 2.5 lid 1 Rarro bepaalt dat de mate van verstoring van het radarbeeld van een bouwwerk of windturbine wordt neergelegd in een rapport. Volgens art. 2.5 lid 3 Rarro dient dit rapport te worden voorgelegd aan de minister van Defensie
54
(indien het een militaire radar betreft) en zo nodig aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat (indien het een civiele radar betreft). Art. 2.5 lid 4 Rarro bepaalt vervolgens dat de minister van Defensie zo nodig in overleg met de minister van Infrastructuur en Waterstaat de toereikendheid van het rapport en de aanvaardbaarheid van de gevolgen van het bouwwerk of de windturbine voor de werking van de radar vaststelt. Art. 2.6 Rarro geeft regels over de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de gevolgen voor de radarverstoring indien een bouwwerk of windturbine de maximale bouwhoogte genoemd in art. 2.4 Rarro overschrijdt. Op grond van art. 2.6 lid 1 Rarro dient de hiervoor bedoelde aanvaardbaarheid van de gevolgen van een bouwwerk of windturbine die de maximale bouwhoogte overschrijdt voor de radarwerking beoordeeld te worden op basis van de eventuele overschrijding van de referentiewaarden voor de radardetectiekans in het radardetectiegebied. Het radardetectiegebied bestaat uit de gebieden genoemd in art. 2.6 lid 2 onderdeel a, b en c Rarro. Hierbij wordt aangesloten bij de 300-voetszone, de 500-voetszone en de 1000-voetszone. Gaat het over een primaire radar voor de verkeersleiding dan zijn lid 3 en 4 van belang. Art. 2.6 lid 3 Rarro bepaalt dat voor het radardetectiegebied in de 1000voetszone64 een middelingsgebied met een straal van 500 meter wordt gehanteerd.
De referentiewaarde voor radardetectiekans binnen een radardetectiegebied (als bedoeld in art. 2.6 lid 2 onderdeel a, b en c Rarro, (lees: 300-voetszone, 500-voetszone en 1000-voetszone) bedraagt voor een primaire radar 90% voor een object met een radardoorsnede van twee vierkante meter en met een doelfluctuatiemodel Swerling Model I. De referentiewaarde voor een secundaire radar is een standaardafwijking van 0,08 graden. Art. 2.6 lid 6 Rarro bepaalt dat de referentiewaarde voor een radardetectiekans binnen een radardoorsnede voor gevechtsleiding niet openbaar is. Op grond van 2.6 lid 7 Rarro kan de minister van Defensie zo nodig in overleg met de minister van Infrastructuur en Waterstaat in bijzondere omstandigheden afwijken van de regels opgenomen in art. 2.6 lid 1 t/m 6 Rarro. Bijlage 1:
55
56
De indicatieve windparkopstelling in zoekgebied 2 is gelegen het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rond vliegbasis Volkel als bedoeld in art. 2.4 Rarro. Op de grens van 15 kilometer bedraagt de bouwhoogte maximaal 65 meter boven de top van de radarantenne. De top van de radarantenne bevindt zich bij vliegbasis Volkel op 49 meter ten opzicht van NAP (vgl. bijlage 8 Rarro). De maximale bouwhoogte in het gebied van 15 kilometer bedraagt 49 meter dicht bij de radar oplopend tot 114 meter ten opzichte van NAP op de grens van 15 kilometer rond vliegbasis Volkel. De bouwhoogte van 114 meter is ook verwoord in bijlage 10 Rarro. Op grond van art. 2.5 en 2.6 Rarro dient indien de bouwhoogtebeperking, die afhankelijk is van de afstand tot het radarstation, wordt overschreden te worden beoordeeld door de minister van Defensie. Op grond van art. 2.6 Rarro dient de radardetectie beoordeeld te worden binnen een bepaald radardetectiegebied. Dit radardetectiegebied is bij de indicatieve windparkopstelling van zoekgebied 2 (2-1) de 500-voetszone. In het kader van het plan-MER worden de effecten van windturbines met een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 150 meter (tiphoogte 225 meter) onderzocht.
Het ter plaatse van de indicatieve windparkopstelling 2-1 realiseren van een windturbine met een tiphoogte van 225 meter leidt tot een ernstige overschrijding van de bouwhoogtebeperking zoals bedoeld in art. 2.4 Rarro. De kans dat de minister van Defensie op grond van de regels van art. 2.6 Rarro zal besluiten dat er geen sprake is van onaanvaardbare radarverstoring is daarom uitgesloten dan wel zeer gering. Bovendien valt de indicatieve windparkopstelling in zoekgebied 2 ook binnen het radarverstoringsgebied van 75 kilometer van radarstation Herwijnen, op grond waarvan ook ten aanzien van deze gevechtsradar een radartoets moet worden uitgevoerd. Van belang in dit kader is het rapport over Energiegebruik en opwekpotentie regio Noordoost Brabant dat onderzoeksbureau Pondera consult heeft geschreven in het kader van de RES 1.0 van de RES-regio Noordoost-Brabant. In dit rapport is te lezen: “Defensieradar Om de goede werking van radar in Nederland te kunnen garanderen zijn in het Rarro regels opgenomen om verstoring van radarsignalen door windturbines te voorkomen. Op vliegbasis Volkel en in Eindhoven staat momenteel een verkeersleidingradar. In het Gelderse Herwijnen een gevechtsleiding radar. Er geldt voor hoge objecten een onderzoeksplicht naar mogelijke verstoring van de radar. Tot een afstand van 15km rond de luchthaven, die oploopt
57
Ten kennisname.
Nee
Hoewel de provincie en de MRE ook denken dat er een kans is dat een windpark in zoekgebied twee ontoelaatbare radarverstoring veroorzaakt is dit niet op voorhand met zekerheid te zeggen. Daarom is geen sprake van een harde belemmering.
Nee
Het feit dat dit gebied ook door een ander radarstation (Herwijnen) wordt ‘gezien’, betekent juist dat de slagingskans groter is, aangezien er ‘dubbele dekking’ optreedt.
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de gehanteerde methode op het detailniveau van dit planMER voldoende inzichten biedt om beleidskeuzen te maken.
Nee
van 49m (radarhoogte nabij de luchthaven) naar 114m (aan de rand van de 15 km zone) is de kans op een positieve uitkomst van een dergelijk verstorinqsonderzoek gering. Daarbuiten (tot 75 km van de posten) is de kans aanzienlijk groter op een positieve uitkomst. Hoe groter de afstand hoe beter, maar uiteindelijk zal een project specifiek onderzoek inzage moeten bieden in de daadwerkelijke effecten.” (Dik en onderstreping toegevoegd.)’’ Aan de ernst van de belemmering van het radarverstoringsgebieden in combinatie met de 500-voetszone had anders dan in het plan-MER gebeurt, meer aandacht moeten worden besteed. Voor een duidelijk beeld had daarbij onderscheid moeten worden gemaakt tussen zowel de radarverstoringsgebieden van 75 kilometer rondom vliegbasis Volkel en radarstation Herwijnen als de radarverstoringsgebieden van 15 kilometer rondom vliegbasis Volkel en vliegbasis Eindhoven. Doordat dit niet is gebeurd, wordt een onjuist beeld geschapen over de haalbaarheid en de mogelijke energieopwekpotentie van indicatieve windparkopstellingen in diverse zoekgebieden, waaronder de windparkopstelling in zoekgebied 2, aangeduid met 2-1. De genoemde energieopwekpotentie van 45 GWh kan gezien het voorgaande niet worden behaald.
Ook had geconcludeerd moeten worden dat de realisatie een windpark 2-1 bestaande uit drie windturbines met en tiphoogte van 225 meter onmogelijk is, dan wel dat de kans daarop zeer gering is wegens ontoelaatbare radarverstoring. Ook bij de kansenkaart windenergie van figuur 11, had voor de duidelijkheid weergegeven moeten worden welke indicatieve windparkopstellingen door radarverstoring in combinatie met de 500-voetszone niet kansrijk zijn. Indicatieve windparkopstelling van zoekgebied 2, 2-1, valt naast de 500-voetszone en het radarverstoringsvlak ook in de Outer Horizontal Surface van vliegbasis Volkel. De Outer Horizontal Surface is het gebied dat loopt van 6 kilometer tot en met 15 kilometer van de start- en landingsbanen van de vliegbasis. Hierdoor geldt er een bouwhoogtebeperking van 150 meter. Doorsnijding van de grens van 150 meter is niet uitgesloten, maar hiervoor is een verklaring van geen bezwaar van de minister van Defensie vereist. Om tot een verklaring te komen dient een aeronautische studie te worden gemaakt, waarbij moet worden onderzocht of de overschrijding ontoelaatbare gevolgen heeft voor de veiligheid of continuïteit van vliegoperaties. Ook hier had het plan-MER melding van moeten maken en moeten concluderen wat de mogelijke gevolgen
58
zijn van overschrijding van de hier bedoelde bouwhoogtebeperking. Ook hier moet van het plan-MER gewijzigd worden. In paragraaf 4.3 van het plan-MER worden de belemmeringen voor zonne-energie beschreven. Hier gaat het over harde belemmeringen. In de tabel is de categorie recreatiebestemmingen als harde belemmering opgenomen. Het is onjuist is dat alleen enkelbestemmingen recreatie als zodanig zijn meegenomen. In het plan-MER hadden alle planologisch toegelaten vormen van (verblijfs)recreatie moeten worden meegenomen als harde belemmering. Het plan-MER moet op dit punt worden gewijzigd. Ook figuur 12 en figuur 13 dienen hierdoor gewijzigd te worden. In hoofdstuk 5 van het plan-MER wordt melding gemaakt van het toevoegen van zoekgebied 38 als zoekgebied als aanvulling op de oorspronkelijke zoekgebieden. Verder worden om te voorkomen dat mogelijk geschikte locaties die niet in de Concept-RES genoemde zoekgebieden liggen ten onrechte buiten beschouwing blijven, alsnog alle mogelijke windparklocaties in beeld gebracht op basis van de (harde) belemmeringenanalyse en vervolgens beoordeeld op milieueffecten en andere relevante aspecten. Wat betreft zonneparken wordt in het plan-MER volstaan met een landschappelijke analyse.
Ten aanzien van de windparklocaties die alsnog zijn toegevoegd aan het onderzoek in de plan-MER wordt niet duidelijk verantwoord en gemotiveerd waarom deze locaties niet in de fase van de Concept-RES als zoekgebieden zijn opgenomen. In hoofdstuk 6, paragraaf 6.8.1 wordt wel opgemerkt dat de extra toegevoegde mogelijke windparklocaties niet worden betrokken in de alternatievenbeoordeling omdat deze al zijn afgevallen. Overigens ook zonder motivatie. Het plan-MER moet zo worden aangepast dat ook deze 'nieuwe' zoekgebieden volledig worden betrokken in het plan-MER, ook bij de alternatievenbeoordeling. In paragraaf 5.3 van het plan-MER worden zonneparken omschreven. In het plan-MER wordt volgens de tekst paragraaf 5.3 geen onderscheid gemaakt tussen zuid-gerichte en oost-west gerichte opstelling van het panelenveld van grootschalige zonneparken. Dit verschil kan echter wel invloed hebben op de mogelijke opbrengst van een zonnepark. Hiermee had bij de berekening van de energiepotentie van mogelijke zonneparken wel rekening moeten worden gehouden.
59
De keuze om alleen enkelbestemmingen recreatie als belemmering op te nemen is ook een afweging geweest tussen volledigheid enerzijds en aansluiting bij het gepaste detailniveau anderzijds: een nadere inventarisatie van belemmerde gronden had dermate veel energie gekost dat het naar mening van provincie en MRE niet de moeite waard was, aangezien het de besluitvorming niet of vrijwel niet zal beïnvloeden: de hoeveelheid onbelemmerd oppervlak is weliswaar uitgangspunt voor een (indicatieve) berekening van de opwekpotentie, maar of in een gebied daadwerkelijk zonneparken gerealiseerd worden hangt altijd af van de bereidheid van de grondeigenaar. Ter kennisgeving aangenomen.
Nee
De reikwijdte van het planMER betreft de zoekgebieden uit de concept-RES. De exercitie om ook mogelijke windparklocaties buiten de zoekgebieden mee te nemen in de effectbeoordeling doet daar niets aan af. Het is aan de MRE om deze windparklocaties al dan niet op te nemen in de RES 1.0.
Nee
Door de aard en het detailniveau van het planMER is het niet mogelijk om gedetailleerde opbrengstberekeningen te maken; de precieze locaties, omvang en inrichting van zonneparken staan immers nog niet vast. Er is daarom gekeken naar de ‘potentiële opwek’ van de zoekgebieden. Het planMER maakt derhalve geen onderscheid tussen de oriëntatie van de paneelopstellingen, maar is alleen bij de potentieberekening uitgegaan van vuistregels passend bij zuidgerichte pa-
Nee
Nee
In hoofdstuk 6 van het plan-MER worden de omgevingseffecten wind omschreven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen effectenbeoordeling wind en effectenbeoordeling bredere thema's wind. Bij de effectenbeoordeling wind die is opgenomen in het eerste deel van hoofdstuk 6, wordt ook de netinpassing tot de effectenbeoordeling wind gerekend. Door onderscheid te maken tussen effectenbeoordeling wind en effectenbeoordeling bredere thema's wordt de indruk gewekt of de eerstgenoemde effectenbeoordeling wind belangrijker is dan de effectenbeoordeling van de bredere thema's wind. Bij de NRD is ervoor gekozen om niet alleen milieuthema's in strikte zin te onderzoeken maar ook andere relevante aspecten. Het is vreemd dat energieopbrengst en netinpassing wel bij de effectenbeoordeling wind in het eerste deel van hoofdstuk 6 worden besproken, terwijl andere belangrijke relevante aspecten pas bij de effectenbeoordeling bredere thema's worden besproken in het laatste deel van hoofdstuk 6. De indruk wordt gewekt dat energieopbrengst en netinpassing wel tot milieuthema’s behoren en de andere later besproken relevante aspecten niet. Het gaat daarbij ook over bijvoorbeeld de 500-voetszone en de radarverstoringsgebieden, een thema dat niet bij de bredere thema's hoort.
Dit had dan ook bij de eerste effectenbeoordeling moeten worden betrokken, zeker omdat dat met de effecten voor het elektriciteitsnet en de daarbij horende netinpassing wel is gebeurd. Bovendien hebben de effecten voor (verblijfs)recreatiebestemmingen rechtstreeks gevolgen voor de leefbaarheid en het leef- werk- en (verblijfs)recreatieklimaat. Deze effecten hadden hierdoor bij leefomgeving moeten worden besproken en niet bij economie. De indeling is hierdoor niet logisch en enigszins verwarrend. Ook bestaat het gevaar dat lezers van het planMER alleen de samenvattende effectenbeoordeling voor de verschillend genoemde windparklocaties gaan lezen, zonder daarbij aandacht te besteden aan andere relevante aspecten die in het plan-MER voor grootschalige opwek van wind worden besproken waaronder de bredere thema's. Hierdoor kan een in-
60
neelopstellingen. Naast de oriëntatie zijn er verschillende andere lay-out technische aspecten die invloed hebben op de opwekpotentie. Dergelijke verschillen vallen buiten het detailniveau van het planMER en zullen onderdeel zijn van gemeentelijk beleid en/of projectspecifieke inrichting. Ter kennisname.
Nee
Er is geen ordening of prioritering aangebracht in de milieuthema’s en bredere thema’s. De wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd staat in het MER beschreven. De wijze waarop de verschillende thema’s worden betrokken in de uiteindelijke keuze voor zoekgebieden in de RES 1.0 valt buiten de reikwijdte van het MER.
Nee
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de effectbeoordeling transparant en reproduceerbaar is uitgevoerd en zien derhalve geen aanleiding tot aanpassing van de methodiek.
Nee
De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat de effectbeoordeling voor het thema leefomgeving op dit regionale detailniveau voldoende is beschouwd zonder daarbij (verblijfs)recreatiebestemmingen te betrekken. De voorgestelde aanpassing heeft geen invloed op de regionaal te maken keuzes in de RES 1.0. Voor concrete projecten geldt natuurlijk wel dat de effecten op (verblijfs)recreatiebestemmingen in beeld moeten worden gebracht, en dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening. De bredere thema’s zijn niet per windparklocatie, maar enkel per zoekgebied beschouwd. Daarom is het ook niet mogelijk om een samenvattende tabel van deze thema’s per windparklocatie op te nemen.
Nee
compleet beeld ontstaan. Dit is temeer een probleem omdat verderop in hoofdstuk 6 geen samenvattende tabel is opgenomen waarbij per windparklocatie wordt gekeken, maar enkel per zoekgebied. Het plan-MER moet dan ook zo worden aangepast dat er aan het einde van hoofdstuk 6 een samenvattende tabel met de effectenbeoordeling wordt opgenomen per individuele windparklocatie. In paragraaf 6.2 van het plan-MER wordt de beoordelingsmethodiek besproken. Volgens tabel 10 vindt een beoordeling plaats op basis van een vijf-puntenschaal. Bij de beoordeling neutraal effect wordt er klaarblijkelijk vanuit gegaan dat de situatie niet afwijkt van de referentiesituatie, dat wil zeggen de situatie dat de grootschalige opwek niet wordt gerealiseerd.
In paragraaf 6.3 van het plan-MER wordt de energieopbrengst per windparklocatie besproken. Uit paragraaf 6.3.3 blijkt dat een inschatting wordt gemaakt van de jaarlijkse energieproductie per windturbine. Daarbij wordt uitgegaan van een bepaalde windsnelheid op een bepaalde ashoogte. In het plan-MER wordt uitgegaan van het windturbinemodel Vestas V150 met een ashoogte van 150 meter, een rotordiameter van 150 meter en een vermogen van 4,2 MW. Volgens tabel 12 wordt uitgegaan van een nettoproductie van ongeveer 15 GWh per windturbine. Per windparklocatie is de opwekpotentie berekend door het aantal windturbines te vermenigvuldigen met de ingeschatte nettoproductie van 15 GWh. Zoals reeds hierboven aan de orde kwam bij de bespreking van hoofdstuk 4, vormen de 500-voetszone en de radarverstoringsgebieden een ernstige belemmering voor de realisatie van windparken. Hierdoor wordt door het plan-MER een onjuist beeld geschapen en rekent men zich rijker dan men in werkelijkheid is. Zowel bij de berekening van de opwekpotentie alsmede bij de beoordelingscriteria energieproductie had met het voorgaande (voldoende) rekening moeten worden gehouden. Alleen ten aanzien van windparklocaties die in het verzorgingsgebied van hoofdstation Hapert zijn gelegen, wordt de conclusie getrokken dat er een gerede
61
Voor een planMER op het detailniveau van een volledige regio is een bepaalde mate van abstractie op zijn plaats. De vijfpuntsschaal is een veelgebruikte indeling om de milieueffecten te categoriseren. Het is niet zo dat een score ‘0’ per definitie betekent dat er geen effect optreedt. Doel van de beoordeling op deze wijze is om een zinvolle vergelijking tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Door de intensiteit van effecten in te delen in de categorieën ‘0’, ‘-‘ en ‘- -‘ is deze vergelijking goed mogelijk. Provincie en MRE zijn van mening dat de huidige beoordeling, inclusief de indeling in beoordelingsklassen, volstaat voor een planMER van voorliggend detailniveau. De haalbaarheid van eventuele windparklocaties heeft geen invloed op de berekende verwachte energieproductie van een windturbine binnen de metropoolregio.
Nee
Nee
Zie voor een reactie op het punt over de haalbaarheid van windparklocaties binnen de 500-voetszone elders in de beantwoording van deze zienswijze.
Zie voor een reactie op het punt over de haalbaarheid van windparklocaties binnen de 500-voetszone elders in de beantwoording van deze zienswijze
Nee
kans is dat de grootschalige opwek van windenergie tot 2030 niet gerealiseerd kan worden. Ten aanzien van de windparklocaties die binnen een radarverstoringsgebied en de 500-voetszone rondom vliegbasis Volkel en vliegbasis Eindhoven zijn gelegen had ook de conclusie moeten worden getrokken dat er een zeer grote kans is dat de grootschalige opwek van duurzame energie door middel van windenergie niet gerealiseerd kan worden. Voornamelijk indien een windparklocatie binnen het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rond het vliegveld Eindhoven of het vliegveld Volkel en de 500-voetszone is gelegen is sprake van een ernstige belemmering. In het vervolgtraject van de RES volgend op het plan-MER dienen diverse windparklocaties en/of (gedeeltes van) zoekgebieden voor windenergie alsnog te worden geschrapt omdat daar vrijwel zeker sprake zal zijn van onaanvaardbare radarverstoring. Het is dan ook niet mogelijk om een windpark te realiseren op de indicatief ingetekende windparklocatie in zoekgebied 2 (2-1). In paragraaf 6.4 van het plan-MER worden de effecten van windparken op de leefomgeving besproken. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen geluid, slagschaduw, gezondheid en externe veiligheid. Hierbij worden geen berekeningen gemaakt, maar wordt uitgegaan van vuistregelafstanden.