CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-70 RV Bijlage 5.3 Nota van Beantwoording PlanMER RES MRE

Commissie Ruimte 30 november 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Vaststellen RES 1.0 MRE43.286 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

In het plan-MER is er voor gekozen om ook de effecten voor een aantal bredere thema's te onderzoeken en uit te werken. De uit het plan-MER naar voren komende effecten dienen vervolgens op een juiste wijze - dat wil zeggen via een juiste beoordelingsschaal - te worden gepresenteerd. Ook dit is van

24

Beantwoording Hoewel het instrument MER wettelijk dient ter onderbouwing van een plan of project hebben de provincie en de MRE gekozen om (in pilot-verband) een milieueffectrapport voor de regionale energiestrategie op te stellen. Dit ontslaat later op te stellen ruimtelijk beleid en concrete projecten niet van de plicht om een MER of m.e.r.-beoordeling op te stellen.

Nee

groot belang, omdat de inzichten die volgen uit het plan-MER alleen zo op een juiste manier kunnen worden geanalyseerd en beoordeeld. Nadat de resultaten van het plan-MER zijn geanalyseerd en beoordeeld, kunnen deze worden gebruikt om voorkeursalternatieven voor grootschalige opwek aan te wijzen; de meest geschikte locaties voor de realisering van winden zonneparken binnen de MRE. Zoals hieronder uitgebreid aan de orde zal komen, doet zich ten aanzien van een aantal relevante aspecten (waaronder o.a. de radarverstoringsgebieden en in het bestemmingsplan toegekende functies) de vraag voor of in het planMER deze aspecten goed in beeld worden gebracht en of deze goed worden beoordeeld. In paragraaf 1.3 van het plan-MER wordt het doelbereik besproken. Net als in de Concept-RES van de MRE heeft de MRE zich tot doel gesteld om 2 TWh aan duurzame energie op te wekken in 2030. Ook in de fase van het plan-MER is het antwoord op de vraag relevant of deze doelstelling van 2 TWh niet te hoog is gesteld. De doelstelling van het Rijk is dat 30 RESregio's gezamenlijk 35 TWh aan duurzame opgewekte energie realiseren in 2030. Een gemiddelde bijdrage waarbij iedere RES-regio voor 1/35 gedeelte bijdraagt, resulteert in een RESbijdrage van de MRE aan de landelijke opgave van 35 TWh van ongeveer 1,17 TWh.

Als naar het aantal inwoners wordt gekeken binnen de MRE (ongeveer 4,49% van de totale Nederlandse bevolking), kom je op een RES-bod van ongeveer 1,57 TWh. In een wat betreft oppervlakte redelijk vergelijkbare RES regio Noordoost Brabant streeft men naar een RES-bod van 1,5 TWh. Al bij al is het dus goed te verdedigen dat het RES-bod van de MRE van 2 TWh aan de hoge kant is. Een RES-bod van ongeveer 1,17 TWh is al als gemiddeld te beschouwen en een RES-bod van maximaal 1,5 tot 1,6 TWh zou wat betreft het aantal inwoners en oppervlakte van de MRE, goed te beargumenteren zijn. Er moet dan ook onderzocht worden of het echt noodzakelijk is voor de MRE om een RES-bod van 2 TWh te doen en of dit niet verlaagd kan worden naar 1,17 tot 1,6 TWh. Ervan uitgaande dat een bod van de MRE van 1,5 TWh ook voldoende zou zijn om aan de landelijke opgave van 35 TWh te voldoen, zou de ‘resterende opgave' om tot het RES bod te komen nog slecht 0,07 TWh bedragen en niet 0,57 TWh, waarvan in het plan-MER wordt uitgegaan. Op deze manier kan er veel onnodige overlast en schade voor de bewoners, de natuur en het landschap van de MRE worden voorkomen.

25

Om bij te kunnen dragen aan de landelijke opwekkingsopgave van 35 TWh tot 2030, hebben we onszelf als regio de volgende vraag gesteld: hoe kan het landschap op een gedragen manier geladen worden met de energieopwekking van de toekomst? De zoekgebieden in de concept-RES voor windturbines en zonnevelden zijn tot stand gekomen door enerzijds de maximale potentie te bepalen op basis van de wet- en regelgeving en technische haalbaarheid en anderzijds op basis van een ruimtelijke onderbouwing. De zoekgebieden met de daaraan gekoppelde potentie aan opwekvermogens zijn tevens doorgerekend door Enexis Netbeheer. Onderzocht is wat de impact is van de verschillende zoekgebieden voor grootschalige duurzame opwek via zon en wind op het net met betrekking op tijd, geld en ruimtebeslag. Op basis van deze stappen en de doorrekening van het bod door Enexis hebben we in de concept-RES geconcludeerd dat we 2 TWh kunnen en willen bijdragen aan de landelijke doelstelling. Deze inschatting is gemaakt op basis van een optelsom van enerzijds de bestaande en geplande projecten en anderzijds van de verwachte realisatie van de ‘no regret’ maatregelen (zoals zon op grote daken) en van duurzame energie projecten in de zoekgebieden.

Bij de beantwoording van de vraag welk gedeelte van het RES-bod MRE door middel van nieuw op te richten grootschalige zonneparken en windparken moet worden gerealiseerd, speelt ook een rol wat de te verwachten opbrengst is van de reeds bestaande en geplande zonneparken en windparken in MRE. In de Concept RES 1.0 MRE wordt anders dan in de Concept-RES MRE uitgegaan van een grotere bijdrage van projecten die reeds in de pijplijn zitten. Onder projecten die in de pijplijn zitten wordt in dit kader verstaan windparken en zonneparken waarvoor SDE-subsidie is toegekend. Dit heeft erin geresulteerd dat er niet langer wordt uitgegaan van een bijdrage van bestaande en reeds geplande windparken en zonneparken en grootschalige zon op dak van 0,7 TWh, maar van een bijdrage aan het RESbod van 1,15 TWh. Uit de Concept RES 1.0 valt af te leiden dat ten aanzien van zonnevelden en grootschalige zon op dak waarvoor SDE-subsidie is verleend, ervan wordt uitgegaan dat de te verwachten opbrengst van deze projecten voor slechts 60% wordt meegerekend. Er moet alles aan gedaan worden om alle projecten voor grootschalige opwek van zonneenergie op dak waarvoor SDE-subsidie is verleend, daadwerkelijk te realiseren. Omdat dit ook het streven is in de Concept RES 1.0 MRE is slechts 60% meerekenen veel te pessimistisch.

Als deze projecten voor 95% worden meegerekend, komt er ongeveer 0,24 TWh aan duurzame energie in de pijplijn bij. Door dit niet te doen wordt er met een te klein getal gerekend en wordt er ten onrechte vanuit gegaan dat 'slechts' 1,43 TWh tot 1.46 TWh door middel van bestaande en geplande windparken, zonneparken en projecten voor zon op dak in de MRE aan duurzame energie kan worden opgewekt, waardoor er nog 0,54 TWh tot 0,57 TWh aan duurzame energie zou moeten worden opgewekt door middel van grootschalige zonneparken en/of windparken om aan het RES-bos van 2,0 TWh te kunnen voldoen. Wanneer de grootschalige projecten voor zon op dak voor 95% worden meegerekend, resulteert dit erin dat de reeds bestaande en geplande windparken, zonneparken en projecten voor grootschalige opwek door zon op dak in de MRE 1,66 tot 1,69 TWh aan duurzame energie kunnen opwekken. Dit heeft tot gevolg dat - als er al uitgegaan moet worden van een RESbod van de MRE van 2 TWh -de 'resterende opgave' om tot het RES-bod van de MRE te komen nog 0,31 tot 0,34 TWh bedraagt. Zoals hiervoor al aan de orde kwam, kan goed beargumenteerd worden dat gezien het aantal inwoners en de oppervlakte van de MRE, een RES-bod door de MRE van ongeveer 1,6 TWh ook voldoende is. Ervan uitgaande dat met de bestaande en geplande windparken, zonneparken en grootschalig zon op dak 1,66

26

Het ‘slagingspercentage’ van 60% betreft alle projecten in de pijplijn. Deze projecten kunnen zich in verschillende stadia van ontwikkeling bevinden. Voor projecten met een vergunning en toegekende SDE++ is de kans inderdaad aanmerkelijk groter dat zij gerealiseerd zullen worden. Tegelijk vallen onder deze categorie ook onzekerder projecten. De 60% is dan ook een geaggregeerd slagingspercentage. Landelijk wordt dezelfde richtlijn gehanteerd.

Om de potentie van grootschalige zonne-energie op daken te berekenen, zijn er aannames gedaan. Eén van de aannames is dat de oppervlakte van een dak tenminste 500 m2 groot is.

TWh in de MRE opgewekt kan worden, dan is dus goed te verdedigen dat het niet nodig is om in het kader van de RES van de MRE nieuwe locaties voor zonneparken en/of windparken aan te wijzen. Op deze manier kan overlast en schade voor de bewoners, de natuur en het landschap van de MRE worden voorkomen. Los hiervan speelt ook een grote rol welke zogenaamde resterende 'no-regret'maatregelen genomen kunnen worden. Hierbij gaat het om het plaatsen van installaties voor grootschalige opwek van zonne-energie op dak en om het plaatsen van zonnepanelen op geschikte terreinen in bebouwd gebied. Immers, al hetgeen dat kan worden opgewekt zonder dat daarvoor grootschalige zonneparken en windparken nodig zijn, leidt niet tot overlast en schade voor de bewoners, de natuur en het landschap van de MRE. Bij de uitgangspunten die worden gehanteerd voor het opstellen van de RES-en in de verschillende regio's geldt dat installaties op dak van groter dan 15 KWp meetellen voor de realisering van de RES doelstelling van 35 TWh grootschalige energieopwekking op land. Ervan uitgaande dat in de praktijk tegenwoordig met een stadaard zonnepaneel 250 Wp behaald kan worden, volstaat al het plaatsen van 61 panelen op dak voor een installatie met een vermogen groter dan 15 KWp. Hiervoor is een dak van 105 m2 tot 140 m2 (ingeval van een minder gunstige ligging) voldoende.

In de Concept-RES en de Concept RES 1.0 worden bij de berekening van 'noregret'- maatregelen aangaande zon op dak echter alleen daken die groter zijn dan 500m2 in aanmerking genomen. Dit is zeer schadelijk omdat zodoende een aantal potentieel geschikte daken buiten beschouwing wordt gelaten en de opbrengst van 'no regret'-maatregelen bestaande in grootschalige zon op dak te laag wordt ingeschat. Het moet dan ook opnieuw worden onderzocht hoeveel de daken groter dan 105 m2, maar kleiner dan 500 m2, kunnen bijdragen aan opwek van grootschalig zon op dak in de MRE. Volgens de Concept RES 1.0 MRE zouden de 'no-regret'-maatregelen die in de MRE kunnen worden getroffen in totaal ongeveer 0,28 TWh bij kunnen dragen aan het RES-bod van de MRE. Nu onterecht niet alle geschikte daken zijn meegerekend, doet zich de vraag voor of dit getal niet te laag is ingeschat. Ook hier geldt dat er maximaal ingezet moet worden om alle daken zoveel als mogelijk te gebruiken voor de opwek van duurzame energie door zon op dak. Er moet dan ook nader onderzocht worden hoeveel TWh de resterende 'no-regret '-maatregelen kunnen bijdragen aan het RESbod van de MRE.

27

Deze grootte is aangehouden omdat het niet onmogelijk, maar wel minder waarschijnlijk is dat kleinere daken volledig benut gaan worden voor opwek van zonne-energie. Dit heeft te o.a. te maken met het moeilijker rondkrijgen van de business case bij een dak met kleinere oppervlakte.

Daarnaast speelt ook hier weer het antwoord op de vraag voor hoeveel procent de mogelijkheden voor grootschalige energie op dak waarvoor nog geen subsidie is aangevraagd, worden meegerekend. Zoals hierboven aan de orde kwam, worden de reeds geplande projecten voor grootschalige opwek van zonne-energie op dak waarvoor subsidie is verleend, voor slechts 60 % meegerekend. Het is logisch te veronderstellen dat ook voor de nog resterende 'no-regret'-maatregelen bestaande in grootschalige opwek van zonne-energie op dak, eenzelfde berekenmethode is gebruikt. Als dit het geval is - waar logischerwijs van mag worden uitgegaan - wordt de duurzame energie die met deze projecten kan worden opgewekt ook veel te laag ingeschat. Ook ten aanzien van dit punt moet onderzocht worden wat het meerekenen van 95% van de nog beschikbare mogelijkheden voor grootschalige opwek van zonne-energie op dak, aan duurzame energie oplevert. Het is dan ook zeer aannemelijk dat de 0,28 TWh aan duurzame energie die opgewekt zou kunnen worden door het nemen van resterende 'no-regret'-maatregelen veel te laag is ingeschat en dat aldus - als er al wordt uitgegaan van een RES-bod van de MRE van 2,0 TWh - de 'resterende opgave' beduidend kleiner zal zijn.

Ondanks het voorgaande, dient de 'resterende opgave' om in totaal aan het RES-bod te komen zijn weerslag te hebben in de keuzes die onder andere aan de hand van het plan-MER worden gemaakt richting RES 1.0 MRE. Mede gezien de grote overlast en/of schade die met name door de grootschalige opwek van windenergie wordt veroorzaakt, zou serieus overwogen moeten worden om alle zoekgebieden voor windenergie af te laten vallen omdat de RES-opgave van de regio significant kleiner is geworden en deze verminderde RES-opgave ook middels nog te realiseren zonneparken kan worden gerealiseerd. In paragraaf 1.2 van het plan-MER wordt op de belemmeringen ingegaan die in het planMER zijn bekeken. Wat betreft beperkingen van windenergie worden in de eerste plaats de zogenaamde 'harde' belemmeringen besproken. De zoekgebieden in de Concept-RES MRE zijn slechts globaal aangewezen aan de hand van een landschappelijke analyse en een (beperkt) onderzoek naar harde belemmeringen in de MRE.

Het MER poogt niet om alle mogelijke alternatieve manieren om de doelstelling voor grootschalige opwek in te vullen te beschrijven. Het voorgestelde alternatief met alleen zonneparken en geen wind kent grote bezwaren vanuit de leveringszekerheid, netinpassing en ruimtegebruik. Evenwel staat het de regio vrij om een selectie van zoekgebieden en een verdeling zon/wind te kiezen. Het MER is daarbij een van pijlers, niet de enige. Het doel van het MER is om naast de potentie en milieugevolgen van grootschalige opwek met wind en zon binnen de MRE-regio te onderzoeken de milieugevolgen van de locatiekeuzes uit de concept-RES te onderzoeken. Deze locaties worden aan de hand van tevoren vastgestelde criteria beoordeeld op de milieuthema’s leefomgeving (aanwezigheid gevoelige objecten), landschap (structuur en karakteristiek), ecologie (beschermde gebieden en soorten). Met zorgvuldig onderzoek kunnen de gemeenten tot een weloverwogen keuze komen waarin alle belangen worden meegenomen. Aan het einde van het jaar stellen de gemeenteraden, de provincie en waterschappen de RES 1.0 vast, inclusief zoekgebieden. Hierna volgt het proces van

28

Deze landschappelijke analyse bestond kort samengevat uit een inventarisatie van landschapstypen en een eenduidige omschrijving van deze landschapstypen. Vervolgens zijn het landschappelijke draagvlak van de verschillende landschapstypes geïnventariseerd. Middels energiebouwstenen heeft men in de Concept-RES globaal in kaart gebracht welke grootschalige opwekkingsmogelijkheden denkbaar zijn (variërend tussen kleinere en grotere schaal, middels inpassen, aanpassen of transformeren van het landschap in een zoekgebied). Vervolgens zijn andere opgaven in beeld gebracht die volgens de Concept-RES gekoppeld zouden kunnen worden als 'meekoppelkans' aan de grootschalige opwek van duurzame energie. Om tot zoekgebieden te komen heeft men in de Concept-RES vervolgens onderzoek gedaan naar technische en wettelijke mogelijkheden, waarbij men zich met name heeft laten leiden door enkele harde belemmeringen. Uit bijlage 6 van de Concept-RES blijkt dat men onderzoek heeft gedaan naar beperkingen als gevolg van veiligheidsnomen, geluidsnormen, vliegverkeernormen en beperkingen als gevolg van natuur wet- en regelgeving. Destijds heeft men wel erkend dat er 'zachte' belemmeringen gelden, maar heeft men ervoor gekozen om zoekgebieden aan te wijzen op basis van met name de hierboven genoemde harde belemmeringen. Het plan-MER bouwt voort op de in de Concept-RES aangewezen zoekgebieden.

Naar aanleiding van de Concept-NRD die is voorafgegaan aan het plan-MER onderzoek is naar aanleiding van een zienswijze op de Concept-NRD toegezegd dat: “Het planMER zal een gespecificeerd overzicht en kaartbeeld bevatten van de belemmeringen die zijn meegenomen in de analyse.” Ook is toegezegd dat: “De ligging van een zoekgebied voor windparken binnen een radarvlak waar een beperking geldt wordt als beoordelingscriterium opgenomen in het PlanMER.’’

29

iedere betreffende gemeente om de zoekgebieden een plek te geven binnen het omgevingsbeleid. Daarbij wordt opnieuw gekeken naar de milieu-effecten en de ruimtelijke inpassing, ook in relatie tot andere opgaven en functies. Een belangrijk onderdeel van dit proces is lokale participatie. Daarna volgt het traject van ontwikkeling van projecten en benodigde vergunningen. Parallel aan de RES- lopen de trajecten van gemeenten. Sommige gemeenten zijn al bezig met beleid en projecten voor grootschalige opwek. Belangrijk: hoewel er regionaal wordt samengewerkt, blijven gemeenten over eigen grondgebied gaan.

Kaartbeeld van de belemmeringen is te vinden in figuur 10 (voor windenergie) en figuur 12 (voor zonne-energie) van het planMER. Ligging van windparklocaties binnen de 500-voetszone (radar) staat in figuur 54 van het planMER. Deze ligging heeft directe koppeling met de beoordeling op het bredere thema Radar. Zachte belemmeringen moeten voor ieder project specifiek worden bekeken. Deze worden meegenomen in de gemeentelijke processen wanneer er vergunningen verleend moeten worden voor een bepaald project. Het past niet bij het detailniveau van het planMER om hier diep op in te gaan.

In paragraaf 1.2 van het plan-MER worden de destijds in de Concept-RES genoemde harde belemmeringen als uitgangspunt gebruikt voor het aanwijzen van indicatieve opstellingen van windparken in de zoekgebieden van de MRE. In hoofdstuk 4 van het plan-MER wordt een overzicht gegeven van alle in het onderzoek betrokken belemmeringen ten aanzien van de grootschalige opwek door middel van zowel windenergie als zonne-energie. Ten aanzien van de belemmeringen genoemd in hoofdstuk 4 wordt geconcludeerd of sprake is van een neutraal effect (grijs, 0) een licht negatief effect (geel, -) (ook wel negatief genoemd) of een negatief effect (oranje, --) (ook wel dubbel negatief genoemd). Alleen bij het beoordelingskader netinpassing windenergie wordt ook de aanduiding goot negatief effect (rood, ---) gebruikt indien het zoekgebied is gelegen in het verzorgingsgebied van hoofdstation Hapert. Anders dan thans in het plan-MER gebeurt, had duidelijker moeten worden verwoord dat bepaalde (ernstige) belemmeringen ervoor zorgen dat zoekgebieden geheel of gedeeltelijk dienen af te vallen. Met name ten aanzien van de 500voetszone en de radarverstoringsgebieden (van Volkel en Eindhoven) had een duidelijkere vaststelling van de gevolgen van deze ernstige belemmering voor de mogelijkheden voor de opwek van duurzame energie moeten worden beschreven.

Door dit niet duidelijk te doen, ontstaat een onjuist dan wel ontoereikend beeld van de opwekpotentie van verschillende zoekgebieden in de MRE. Daarenboven zijn de radarvlakken anders dan was toegezegd naar aanleiding van een zienswijze op de Concept-NRD plan MER, niet als zodanig als apart beoordelingscriterium in het plan-MER opgenomen. Door het niet duidelijk vaststellen van de gevolgen van de 500-voetszone en de radarverstoringsgebieden rond de vliegvelden Eindhoven en Volkel is de kans groot dat men zich rijker rekent dan men in werkelijkheid is. Deze gang van zaken is zeer betreurenswaardig. De bedoeling van het plan-MER is immers om objectieve feiten vast te stellen die uiteindelijk kunnen bijdragen aan (politieke) keuzes richting RES 1.0 en verder. Het schetsen van een juist en duidelijk beeld van de feiten is hierbij uitermate van belang. Tevens bestaat de kans dat nu het plan-MER op dit punt ernstig tekortschiet, het op basis van de RES 1.0 vastgesteld lokaal beleid alsnog geheel of gedeeltelijk onrealiseerbaar blijkt. Dit kan toch niet de bedoeling zijn en zou te allen tijde moeten worden voorkomen. Het plan-MER dient dan ook zo aangepast te worden dat de belemmeringen die de

30

De effectbeoordeling op de vijfspuntsschaal is niet ingegeven door de belemmeringenkaart, maar door de verschillende beoordelingscriteria die per thema zijn geformuleerd. De belemmeringenkaart dient enkel om te zorgen dat de onderzochte windparklocaties en zoekgebieden voor zon niet op voorhand onmogelijk zijn en dus onterecht een milieubeoordeling ontvangen.

Nee

De provincie en de MRE delen de inschatting van indiener dat ligging van windturbines binnen de 500-voetszone een grote potentiële belemmering kennen. Tegelijkertijd is niet op voorhand vast te stellen dat locaties binnen de 500voetszone met zekerheid afvallen. Daarom is dit gebied niet als harde belemmering opgenomen maar als beoordelingscriterium. De stelling dat de radarvlakken niet als apart beoordelingscriterium zijn opgenomen kan niet gevolgd worden. Zoals toegelicht in paragraaf 4.2 en 6.10 van het MER wordt ligging binnen de 500-voetszone als beoordelingscriterium meegenomen. Ligging binnen overige toetsingsvlakken is achterwege gelaten, 1) doordat juridische grondslag voor eventuele belemmering ontbreekt, 2) doordat de 500-voetszone grotendeels hetzelfde gebied beslaat en 3) vanwege het detailniveau van het planMER.

De provincie in de MRE zijn van mening dat het aspect Radar op het detailniveau van dit planMER afdoende zijn behandeld. Wat betreft de beoordelingsklassen: voor een planMER op het detailniveau van een volledige regio is een bepaalde mate van abstractie op zijn plaats. De vijfpuntsschaal is een veelgebruikte indeling om de milieueffecten te categoriseren. Het is niet zo dat een score ‘0’ per definitie betekent dat er geen effect optreedt. Doel van de beoordeling op deze wijze is om een zinvolle vergelijking tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Door de intensiteit van effecten in te delen in de categorieën ‘0’, ‘-‘ en ‘- -‘ is deze vergelijking goed mogelijk.

Nee

radarverstoringsgebieden met zich meebrengen volledig wordt geanalyseerd en de gevolgen van deze belemmeringen dienen inzichtelijk te worden gemaakt. Daarenboven kan in zijn algemeenheid kritiek worden geleverd op zowel de beoordelingscriteria als de beoordelingsschaal die in het plan-MER worden gebruikt. Ten aanzien van de conclusie dat er door bepaalde beperkingen slechts neutrale effecten te verwachten zijn, is kritiek op zijn plaats. Het plan-MER gaat er te snel vanuit dat de realisatie van grootschalige opwek van wind- of zonneenergie een situatie met zich meebrengt die niet afwijkt van de referentiesituatie (de situatie dat grootschalige opwek van wind- en/of zonneenergie in de toekomst niet wordt gerealiseerd). Met name ten aanzien van de beoordeling van mogelijke overlast (voornamelijk geluidsoverlast en slagschaduw) in verhouding tot de leefomgeving is het volstrekt ridicuul te veronderstellen dat indien zich een beperkt aantal woningen bevinden in een zoekgebied, er geen negatieve effecten maar alleen neutrale effecten zijn te verwachten ten opzichte van de referentiesituatie. De beoordelingsschaal is in een dergelijk geval dan ook verkeerd vastgesteld en moet worden aangepast. In het plan-MER dient de beoordelingsschaal dan ook zo te worden aangepast dat als blijkt dat er negatieve effecten optreden er ten minste een licht negatief effect wordt toegekend.

In paragraaf 1.4 van het plan-MER wordt een samenvatting gegeven van het voor de omgevingseffecten wind gebruikte beoordelingskader, bestaande uit beoordelingscriteria en daarbij horende korte beschrijvingen. De opbrengst wordt besproken als het enige positieve milieueffect. Hierbij wordt uitgagaan van windturbines met een tiphoogte van 225 meter die, naar inschatting van het plan-MER, een productie van ongeveer 15 GWh per windturbine op zouden moeten leveren. Bij een windpark van drie windturbines wordt dan ook uitgegaan van een productie van 45 GWh. Alléén ten aanzien van windparklocaties in de omgeving van hoofdstation Hapert wordt de conclusie getrokken dat het onzeker is of deze productie in 2030 kan worden behaald, omdat het onzeker is of er voldoende netcapaciteit beschikbaar is. Of de genoemde energieproductie ook in andere zoekgebieden gehaald wordt is echter ook onzeker, omdat ook bij andere hoofdstations van Enexis inmiddels sprake is van transportschaarste. Ook bij deze stations is inmiddels weinig tot geen capaciteit meer om terug geleverde elektriciteit op te slaan of te transporteren. Ook ten aanzien van windparklocaties in de omgeving van andere stations waar

31

Provincie en MRE zijn van mening dat de huidige beoordeling, inclusief de indeling in beoordelingsklassen, volstaat voor een planMER van voorliggend detailniveau.

Er is bij de totstandkoming van de effectbeoordeling op het thema Netinpassing nauw contact geweest met de netbeheerder Enexis. De uitzonderlijke status van station Hapert wordt door hen onderschreven. Op andere locaties is weliswaar de capaciteit beperkt, maar zijn mogelijkheden om voor 2030 te zorgen dat deze capaciteit voldoende toeneemt, e.e.a. afhankelijk van de in de RES 1.0 te maken keuzes.

Nee

sprake is van transportschaarste, moet worden geconcludeerd dat het onzeker is of de opbrengst van deze windmolenparken kan worden behaald in 2030.

In de zoekgebieden die zijn gelegen in de 500-voetszone en de radarverstoringsvlakken is sprake van een ernstige belemmering voor de realisatie van windparken. Voornamelijk indien een zoekgebied is gelegen in zowel de 500-voetszone als het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rondom vliegbasis Volkel of vliegbasis Eindhoven doet zich deze ernstige belemmering voor. Het plan-MER miskent dat er binnen meerdere in het plan-MER opgenomen zoekgebieden wel degelijk bouwhoogtebeperkingen gelden en dat wanneer deze hoogtes worden overschreden, er een radartoets plaats moet vinden. Door TNO wordt de kans dat een windturbine met een tiphoogte van ongeveer 225 meter de radartoets (binnen het radarvlak van 15 kilometer) kan doorstaan zeer klein geacht. Hierdoor moet in het plan-MER ook ten aanzien van de windparklocaties die binnen de radarcontour van 15 kilometer liggen van vliegbasis Volkel of vliegbasis Eindhoven de conclusie worden getrokken dat het nagenoeg onmogelijk is dat de opbrengst die wordt beoogd met deze windparken kan worden behaald. Het is immers onmogelijk dan wel vrijwel uitgesloten dat de geplande windturbines in dit gebied zullen kunnen worden gerealiseerd. Op dit punt dient het plan-MER dan ook te worden aangepast.

Ten aanzien van de effectenbeoordeling leefomgeving wordt bij de beoordelingscriteria uitgegaan van vuistregelafstanden van 500 meter en 1000 meter van woningen. Volgens het plan-MER bieden de gehanteerde afstanden een goede indicatie van de te verwachten hinder als gevolg van geluid en slagschaduw van representatieve windturbinetypes. Ook wordt het aantal woningen binnen deze vuistregelafstanden gedeeld door de te verwachtte energieproductie. Naast de in het Activiteitenbesluit milieubeheer opgenomen normen brengen ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur alsmede de norm van goede ruimtelijke ordening met zich dat de genoemde vuistregelafstanden onvoldoende kunnen zijn, wil sprake blijven van een rechtens aanvaardbaar woonleef- en (verblijfs-)recreatieklimaat. Bovendien wordt inhet plan-MER overwogen dat een afstand van 400 meter van woningen genoeg kan zijn om aan de rechtens geldende normen die o.a. beschermen tegen geluidsoverlast en overlast van slagschaduw, te voldoen. In de eerste plaats is opvallend dat op deze manier van de eigen vuistregelafstanden van 500 meter en 1000 meter wordt

32

TNO kan niet op voorhand uitsluiten dat windturbines binnen de 500-voetszone realiseerbaar zijn. Daarom stellen de provincie en de MRE zich op het standpunt dat de wijze waarop radar en luchtvaart in het planMER zijn opgenomen redelijk is. Er geldt geen aanvullende radarbeperking binnen 15 kilometer van de vliegbases, anders dan de 300-voetszone die als harde belemmering in het onderzoek is opgenomen.

Nee

Zoals uit de toelichting in paragraaf 6.4.2.2 (en figuur 24) blijkt ligt de normgrens doorgaans op een kleinere afstand dan 500 meter. In de belemmeringenanalyse wordt 400 meter aangehouden als harde belemmering. Woningen die tussen 400 en 500 meter van een windpark liggen worden ondanks dat aan de norm wordt voldaan wel belast, waardoor voor dergelijke woningen het beoordelingscriterium ‘aantal woningen binnen 500 meter’ bestaat. Milieueffecten van windturbines op een afstand groter dan 1000 meter zijn zodanig gering dat het weinig toegevoegde waarde heeft om extra afstanden te beschouwen.

Nee

Het MER sluit voor de vuistregelafstanden aan bij de thans geldende milieunormen, die naar mening van de wetgever, de provincie en de MRE afdoende bescherming bieden tegen ontoelaatbare hinder.

afgeweken. In de tweede plaats is de afstand van 400 meter zeer beperkt, waardoor in veel gevallen alsnog niet aan de rechtens geldende normen zal kunnen worden voldaan. Daarnaast zou naast 500 en 1000 meter ook 1500 meter als vuistafstandregel aangehouden moeten worden om een realistischer beeld te geven van de effecten van windturbines. Bovendien blijkt uit recente ontwikkelingen binnen het Europees recht dat de normen die moeten beschermen tegen geluidsoverlast zoals die zijn vervat in het Activiteitenbesluit milieubeheer niet langer toereikend zijn. Uit de aanpassing van Richtlijn 2002/49/EG door Richtlijn 2020/367/EU volgt dat de wetenschappelijke onderzoeken, zoals bijvoorbeeld het onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)21 voortaan maatgevend zijn voor het vaststellen van de normen ter bescherming tegen geluidshinder. Bovendien blijkt uit de Richtlijn 2011/92/EU (de milieueffectbeoordelingsrichtlijn) dat de beoordeling bij MER onderzoeken onder milieueffecten uitdrukkelijk ook wordt begrepen de effecten op de menselijke gezondheid. Hierdoor is het zeer waarschijnlijk dat de Nederlandse normen die bescherming moeten bieden tegen onaanvaardbare geluidshinder (hoorbaar en onhoorbaar) moeten worden aangepast om aan de bevindingen in wetenschappelijke studies, zoals de voornoemde studie van de WHO, te kunnen voldoen.

Wat betreft gezondheidsklachten gaat het bovendien niet alleen over hoorbaar laagfrequent geluid maar ook over niet hoorbaar laagfrequent geluid. Geluid boven de 20 Herz is voor mensen hoorbaar. Al het geluid onder de 20 Herz is voor mensen niet hoorbaar maar wel voelbaar door middel van trillingen. Deze trillingen worden ook wel ultrasoon geluid genoemd. Ook van deze trillingen kunnen mensen naast het hoorbare laagfrequente geluid veel last hebben, zodat beide soorten laagfrequent geluid kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid. Het plan-MER dient naast hoorbaar laagfrequent geluid ook onderzoek te doen naar de effecten van niet hoorbaar laagfrequent geluid veroorzaakt door windturbines. Het plan-MER dient dan ook aangepast te worden. Naast geluidsoverlast en slagschaduw is er bovendien ook meer overlast en/of schade te verwachten waar het plan-MER rekening mee moet houden, zoals onder andere horizonvervuiling, lichtvervuiling door waarschuwingslichten op de windturbines, elektromagnetische straling van kabels en elektriciteitshuisjes

33

De geluidsbelasting van windturbines op gevoelige objecten is indien aan de norm wordt voldaan zodanig gering dat voor significante negatieve (gezondheids)effecten niet gevreesd hoeft te worden. Windturbines produceren enig laagfrequent en ultrasoon geluid, net als bijvoorbeeld snelwegen, maar niet in grote hoeveelheden. Indien door het betreffende bevoegd gezag gewenst kan in projectspecifiek vervolgonderzoek extra aandacht worden besteed aan de laagfrequente bijdrage van windturbines. Op dit moment hebben de provincie en de MRE geen reden om aan te nemen dat een dergelijke verdieping zou leiden tot andere (beleids)keuzes. De provincie en de MRE zijn van mening dat onderzoek naar de genoemde aanvullende effecten, indien relevant, niet past bij het detailniveau van dit regionale planMER. Het effect op de landschappelijke beleving (horizonvervuiling) is opgenomen onder het milieuthema Landschap.

Nee

Nee

(dirty energy), verstoring van ethersignalen en/of straalverbindingen en waardevermindering van rond een indicatieve windparklocatie gelegen onroerend goed. Een aantal beperkingen genoemd in hoofdstuk 4, en dan met name de 500voetszone en de radarverstoringsgebieden, zullen er nagenoeg zeker voor zorgen dat de in het plan-MER ingeschatte energieopbrengst van 15 GWh per windturbine niet wordt behaald. Ook hier wordt een te rooskleurig beeld geschetst van de mogelijke energieproductie. Bij de effectenbeoordeling leefomgeving wordt de aanwezigheid van andere geluidsbronnen binnen 1 kilometer als beoordelingscriterium opgenomen. Het gaat hierbij over de eventuele cumulatie van geluid door andere belangrijke geluidsbronnen, zoals vliegvelden en rijkswegen. Naast cumulatie kan echter ook het thans niet aanwezig zijn van andere geluidsbronnen van belang zijn. Is er in een gebied weinig geluid, dan zal het laagfrequente geluid van windturbines als extra storend worden ervaren en extra veel overlast en hinder veroorzaken. Hier had rekening mee moeten worden gehouden in de plan-MER door ook dit als beoordelingscriterium op te nemen. Ook op dit punt dient de plan-MER te worden aangepast.

Bij de effectenbeoordeling landschap worden als beoordelingscriteria gebruikt: (visuele) interferentie van windparklocaties die op minder dan 4 kilometer van elkaar liggen, effect op de herkomstwaarde, effect op de gebruikswaarde en effect op de belevingswaarde. Wat betreft interferentie valt op dat het planMER geen rekening houdt met mogelijke windparken die in mogelijk aangrenzende RES-gebieden kunnen worden gerealiseerd. Hier zou echter wel rekening mee moeten worden gehouden. Bij het bepalen van (visuele) interferentie moeten ook de mogelijke zoekgebieden van de RES-regio's Noordoost Brabant en Midden Brabant worden meegenomen. Het plan-MER dient op dit punt aangepast te worden. Wat betreft herkomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde hanteert het plan-MER een beperkte uitleg. Zo wordt de herkomstwaarde klaarblijkelijk alleen beoordeeld aan de hand van (mogelijke) cultuurhistorische waarden. In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant en de Ontwerp Omgevingsverordening van de provincie Noord- Brabant wordt echter een bredere betekenis gegeven aan het begrip herkomstwaarde. De herkomstwaarde zou dan ook in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening en de Ontwerp Omgevingsverordening ruimer moeten worden uitgelegd.

34

Paragraaf 6.3.3 stelt: “Opbrengst per windturbine is uiteraard sterk afhankelijk van het precieze type en afmetingen. Dit betreft echter projectspecifieke eigenschappen die het detailniveau van dit MER te boven gaan. Het gekozen referentietype is representatief en biedt voldoende inzicht in de opwekpotentie binnen de MRE.” De afwezigheid van andere geluidsbronnen is geen milieueffect. De provincie en de MRE stellen zich op het standpunt dat door cumulatie op het gehanteerde detailniveau te beschouwen er een goed beeld gevormd kan worden van de geluidseffecten van windparken.

Nee

Nee

De beschouwing van de cumulatieve akoestische situatie wordt meegenomen in de ruimtelijke onderbouwing van individuele projecten.

Waar bekend zullen zoekgebieden van naastgelegen regio’s in de effectbeoordeling worden betrokken. De vier waarden beschreven in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn op het detailniveau van het planMER toegepast. Ze staan beschreven in de ‘Technische bijlage landschap’ van het planMER. Er is bij de beoordeling van zonne- en windenergie anders omgegaan met deze waarden. Windturbines zijn landschap overstijgend. Bij windenergie betekent dit dat er is op een hoog niveau is gekeken naar de betekenis van windturbines op de vier waarden. Drie van de vier waarden zijn gekoppeld aan algemenere criteria die verbonden zijn aan de desbetreffende waarde. De ‘Toekomstwaarde’ zoals toegelicht in de Interim Omgevingsverordening, is bij de beoordeling van windenergie niet toegepast. Anders dan bij zonneparken is de invloed van windparken op de toekomstwaarde van het landschap gering: het betreft een tijdelijke ontwikkeling met op grondvlak niveau slechts een kleine impact. Bij verwijdering van de windturbines zijn er nauwelijks tot geen overgebleven effecten t.a.v. landschap. In ieder geval niet van dusdanige omvang dat deze op het detailniveau van het planMER zijn meegenomen.

Ja

Op dit punt dient de plan-MER dan ook zo te worden aangepast dat bij de effectenbeoordeling van de herkomstwaarde deze bredere definitie wordt gehanteerd. Verder valt op dat toekomstwaarde als zodanig niet wordt beoordeeld in de plan-MER. Het plan-MER zou ook de toekomstwaarde in de beoordeling mee moeten nemen en dan met name ten aanzien van de in de huidige bestemmingsplannen toegekende ruimtelijke functies. Het plan-MER moet ook op dit punt worden gewijzigd. Bij de effectenbeoordeling Ecologie worden de ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) als beoordelingscriteria gebruikt. Vervolgens worden ook hotspots voor (kwetsbare) vogelsoorten, aantal soorten broedvogels, wintervogels, vleermuizen en andere beschermde soorten nabij een windparklocatie binnen een zoekgebied als beoordelingscriterium gebruikt. Het aantal broed- en wintervolgels wordt ingeschat door middel van SOVON-gegevens. Wat betreft nabijheid van hotspots, broedvolgels, wintervolgels, vleermuizen en andere beschermde soorten wordt een afstand van 200 meter aangehouden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) wordt een afstand van 75 meter aangehouden (wieklengte windturbine). Deze afstanden die worden aangehouden zijn te beperkt.

Om een goede inschatting van bedreigde hotspots, broedvogels, wintervolgels, vleermuizen en overige beschermde soorten te kunnen maken, moet niet 200 meter maar 500 meter worden aangehouden. Ook zou van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant (NNB) een afstand van 500 meter moeten worden aangehouden om verstoring van natuurlijke waarden van de hiervoor bedoelde natuurgebieden te voorkomen. Verstoring van natuurlijke waarden van Natuurnetwerk Brabant binnen 500 meter is namelijk goed denkbaar. De Brabantse milieufederatie, Brabants landschap en vereniging natuurmonumenten stellen in hun reactie op de Concept-RES 1.0 MRE dan ook voor een afstand van minimaal 500 meter aan te houden tussen windturbines en de grenzen van het NNB om zodoende ernstige aantasting van aanwezige natuurlijke waarden (met name bedreigingen voor vogels en vleermuizen en andere beschermde soorten alsmede de kernkwaliteiten van de natuurgebieden) te voorkomen. Netinpassing wordt bij de effectenbeoordeling wind als beoordelingscriterium meegenomen in het plan-MER, waarbij de afstand tot aan een hoofdstation

35

Voor zonne-energie zijn de waarden specifieker toegespitst omdat de impact van zoneparken op de ruimtelijke kwaliteiten van een betreffende plek meer helder is. Zonneparken worden ‘in’ het landschap geplaatst. Ook ‘Toekomstwaarde’ is daarbij meegenomen, omdat de impact van zonneparken op de toekomstwaarde van het landschap veel groter zijn. Denk bijvoorbeeld aan overgebleven groenstructuren die deel uitmaakten van een zonnepark. Het is correct dat verstorende effecten (incl. sterfte) op beschermde gebieden (NNB en N2000) kunnen optreden, ook binnen 500m. Het planMER suggereert niet dat effecten buiten 200m niet optreden. Bij een concreet initiatief zal te allen tijde ecologisch onderzoek moeten plaatsvinden om de effecten van het initiatief te beschrijven en te toetsen aan vigerende wet- en regelgeving. Voor het detailniveau van een planMER is wel noodzakelijk om een goede vergelijking en inschatting te maken voor zowel indicatieve windparklijnen als mogelijke zonlocaties. Zoals in de technische bijlage ecologie beschreven zijn binnen 200m de grootste verstoringseffecten te verwachten, zeker gezien de kenmerken van het onderzoeksgebied. Bij een dergelijk detailniveau is het derhalve wenselijk dat b.v. een windparklijn op 80m afstand van NNB een onderscheidende score heeft ten opzichte van een windparklijn op 490m afstand.

Nee

Het is bekend dat diverse natuur- en terreinbeherende organisaties pleiten voor een afstand tot natuurgebieden. In het natuuronderzoek ten behoeve van het planMER is gekeken naar een afstand volgend uit wet- en regelgeving. Waar deze ontbreekt is een differentiatie op basis van ecologische deskundigheid (incl. ondersteuning d.m.v. literatuur) uitgewerkt. De ecologische analyse ten behoeve van het planMER dient louter en alleen om alternatieven voor windenergie en zonne-energie binnen de MRE op dit detailniveau te vergelijken. Dit rapport geeft alleen een eerste indicatie van mogelijke effecten en kan niet gebruikt worden als onderbouwing van specifieke locaties voor wind- of zonne-energie. Voor ieder concreet project dient een locatiespecifiek ecologisch onderzoek te worden verricht. Ter kennisname.

Nee

wordt gehanteerd om de haalbaarheid van de te verwachten energieopbrengst in te schatten. Bij de bredere thema's wordt in het plan-MER aandacht besteed aan de koppelkans landbouw, waarbij als beoordelingscriterium de ligging van een windpark in een kleinschalig agrarisch landschap wordt gehanteerd. Bij het bredere thema versterking van de natuur wordt beoordeeld of een windparklocatie is gelegen nabij nog niet gerealiseerde NNB, dan wel of een windparklocatie is gelegen in de Groenblauwe mantel. Vervolgens wordt overwogen dat het plaatsen van windturbines gepaard kan gaan met natuurcompensatie en de natuur onder voorwaarden kan worden versterkt. De redenatie dat de natuur kan worden versterkt door natuurherstellende maatregelen te nemen, terwijl eerst de natuur wordt aangetast door de plaatsing van een windpark, is onlogisch en niet goed te volgen. De aangetaste natuur komt tenslotte door compenserende maatregelen (met name op een andere plaats bij aanliggende gebieden) niet meer terug op de plaats van het windpark. In plaats van versterking van de natuur is op de plaats waar een windpark wordt gerealiseerd sprake van verzwakking van de natuur. Voorkomen moet worden dat ook hier een onjuist beeld wordt geschapen in het plan-MER.

In het plan-MER zou ook bij het bredere thema koppelkans versterking van de natuur duidelijk moeten worden opgenomen dat de natuur ondanks mogelijk compenserende maatregelen, (ernstig) aangetast raakt door de realisatie van een of meerdere windparken in een zoekgebied. Bij het bredere thema economie worden de ligging van een windparklocatie ten opzichte van bedrijventerreinen en de ligging van een windparklocatie ten opzichte van recreatiebestemmingen bekeken. Ten aanzien van bedrijventerreinen wordt geconcludeerd dat de ligging van een zoekgebied binnen 500 meter van een bedrijventerrein positief is voor de mogelijkheden van grootgebruikers. Ten aanzien van recreatiebestemmingen wordt als beoordelingscriterium gehanteerd: het aantal recreatiebestemmingen binnen 500 meter van een windparklocatie. Hierbij wordt geconcludeerd dat wanneer er veel recreatiebestemmingen in de omgeving van een windparklocatie liggen dit erop kan duiden dat een gebied voor veel recreatie wordt ingezet en daarom mogelijk minder geschikt is voor windenergie. In de eerste plaats dient opgemerkt te worden dat niet alle (verblijfs)recreatiebestemmingen zijn opgenomen in het plan-MER. Men heeft alléén enkelbestemmingen recreatie in het onderzoek van het planMER betrokken, terwijl er ook (verblijfs)recreatieondememingen zijn die op

36

Ter kennisname.

Nee

Sommige natuuraspecten kunnen worden aangetast door windturbines (bijvoorbeeld vogels en vleermuizen), terwijl dat voor andere aspecten niet geldt (bijvoorbeeld biodiversiteit in sloten en flora). De mogelijkheid voor natuurversterking is in beeld gebracht. Uit vervolgonderzoek moet uiteraard blijken in hoeverre dergelijke koppelkansen opwegen tegen negatieve effecten van ecologische of andere aard.

Nee

De gehanteerde werkwijze (op basis van enkelbestemmingen) poogt niet om een compleet beeld van alle recreatie in de omgeving te geven, maar gebruikt de enkelbestemmingen als aanwijzing dat een bepaald gebied meer of minder recreatief wordt gebruikt. Een nadere beschouwing gaat te ver voor het detailniveau van dit planMER.

Nee

grond van de in het bestemmingsplan opgenomen functie kampeerboerderij (naast de bestemming agrarisch - agrarisch bedrijf) een groepsaccommodatie exploiteren. Alle planologisch toegelaten vormen van (verblijfs)recreatie, dus ook bijvoorbeeld de functie kampeerboerderij, dienen opgenomen te worden in het plan-MER om zo een juist beeld te scheppen. Bovendien is de gehanteerde afstand van 500 meter erg beperkt. Het is niet te volgen waarom ook niet zoals bij hindergevoelige woningen de vuistregelafstand van 1000 meter wordt gehanteerd. Daarnaast moet hier, zoals hierna nog uitgebreid aan de orde zal komen, ook een vuistregelafstand van 1500 meter worden gehanteerd om de effecten van geluidshinder in kaart te brengen. Op dit punt dient het plan-MER dan ook te worden aangepast. Alleen op deze wijze wordt immers een realistischer beeld geschetst van de mogelijke negatieve gevolgen voor (verblijfs)recreatie. Wat betreft waterbergingsgebieden wordt beoordeeld of een windparklocatie is gelegen in een waterbergingsgebied, waarbij wordt geconcludeerd dat windturbines een (klein) effect hebben op de waterbergingscapaciteit. Ten slotte wordt de ligging ten opzichte van de 500-voetszone genoemd als beoordelingscriterium. Hierbij wordt overwogen dat: “De 500-voetszone is een gebied rondom vliegvelden Eindhoven, Volkel de Peel (zie figuur 9).

Hierbinnen gelden strenge normen voor radartoetsing, die mogelijk de realisatie van windparken belemmeren. Omdat deze belemmering niet op voorhand vaststaat, is deze niet opgenomen op de belemmeringenkaart.” In het plan-MER wordt geen onderscheid gemaakt tussen de 500-voetszone en de radarverstoringsgebieden, terwijl in de Nota van zienswijzen Concept NRD Plan-MER is toegezegd dat de ligging van een windpark in een radarvlak waar een beperking geldt als beoordelingscriterium in de Concept-RES zou worden opgenomen. De radarverstoringsgebieden tezamen met de 500-voetszone vormen een ernstige belemmering voor de realisatie van windparken. Voornamelijk in gebieden die zowel binnen de 500voetzone als het radarverstoringsgebied van 15 kilometer rondom vliegbasis Volkel of vliegbasis Eindhoven vallen, doet zich deze ernstige belemmering voor. In het plan-MER had moeten worden aangegeven dat de realisatie van windturbines in deze gebieden vrijwel zeker is uitgesloten. Uiteraard is deze info ook van belang voor het maken van keuzes ten aanzien van welke (gedeelten van) zoekgebieden voor de grootschalige opwek van windenergie zullen worden ingezet en voor de eventuele alternatieven verkenning tussen zoekgebieden onderling. In het vervolgtraject van de RES volgend op het

37

Ter kennisname.

Het radarverstoringsgebied binnen een cirkel van 75km rondom radarstations staat ook wel bekend als het 1000-voetsgebied. Ook hier geldt inderdaad dat er een radartoets dient te worden uitgevoerd. In hoeverre een windpark mogelijk is hangt van veel factoren af (aantal windturbines, onderlinge positie, positie ten opzichte van het radarstation, breedte van de mast en wieken etc.). Uit de praktijk blijkt dat toetsing binnen de 1000-voetszone meestal niet tot problemen leidt. Dat is de reden dat specifiek is gekozen om de 500-voetszone als beoordelingscriterium op te nemen.

Nee

plan-MER dienen diverse windparklocaties en/of (gedeeltes van) zoekgebieden voor windenergie alsnog te worden geschrapt omdat daar vrijwel zeker sprake zal zijn van onaanvaardbare radarverstoring. Met betrekking tot de tabel 2 op pagina xii wordt nogmaals onder de aandacht gebracht dat de daar genoemde energieopbrengsten in GWh - gezien de radarverstoringsgebieden en de 500-voetszone - veel minder zal zijn dan wordt voorgespiegeld. Ook de genoemde totale opwekpotentie van 1,65 TWh wordt veel te rooskleurig voorgespiegeld. Bovendien dient ook binnen het radarverstoringsgebied van 75 kilometer rondom vliegbasis Volkel en radarstation Herwijnen een radarverstoringstoets plaats te vinden. Klaarblijkelijk wordt op een aantal plaatsen in het plan-MER verondersteld dat de realisatie van grootschalige opwek door middel van een windpark niet leidt tot een situatie die afwijkt van de referentiesituatie (de situatie dat de realisatie niet plaatsvindt). Met andere woorden wordt er verondersteld dat er enkel volledig neutrale effecten te verwachten zijn. Zoals hiervoor reeds werd opgemerkt, is dit voor wat betreft de te verwachten hinder van geluid en slagschaduw van windturbines volstrekt ridicuul en doet dit totaal geen recht aan de werkelijkheid.

Alleen omdat er weinig woningen zijn gelegen binnen de gehanteerde vuistregelafstanden van 500 meter en 1000 meter, wil dit niet zeggen dat er ook bij deze woningen geen grote overlast en/of schade zal worden geleden. Het gaat hierbij met name om geluidsoverlast en overlast door slagschaduw. Een dergelijke situatie wijkt wel degelijk af van de referentiesituatie waarin zich deze overlast en/of schade zich niet voordoet. De beoordelingsschaal is dan ook niet juist vastgesteld. Ook bij een kleiner aantal woningen is er immers sprake van negatieve gevolgen. De in het plan-MER gehanteerde beoordelingsschaal dient dan ook zo te worden aangepast dat alle negatieve effecten inzichtelijk worden gemaakt. Voor de overige opmerkingen en wijzigingsvoorstellen die in deze zienswijze ten aanzien van de effectenbeoordeling wind worden gedaan, wordt verwezen naar de bespreking van hoofdstuk 6 van het plan-MER in deze zienswijze. In paragraaf 1.5 van het plan-MER worden de omgevingseffecten van zon samengevat. Per landschapstype is bekeken wat de draagkracht van het landschapstype is voor de realisatie van grootschalige zonnevelden uitgedrukt in

38

Wat betreft de beoordelingsklassen: voor een planMER op het detailniveau van een volledige regio is een bepaalde mate van abstractie op zijn plaats. De vijfpuntsschaal is een veelgebruikte indeling om de milieueffecten te categoriseren. Het is niet zo dat een score ‘0’ per definitie betekent dat er geen effect optreedt. Doel van de beoordeling op deze wijze is om een zinvolle vergelijking tussen de zoekgebieden mogelijk te maken. Door de intensiteit van effecten in te delen in de categorieën ‘0’, ‘-‘ en ‘- -‘ is deze vergelijking goed mogelijk. Provincie en MRE zijn van mening dat de huidige beoordeling, inclusief de indeling in beoordelingsklassen, volstaat voor een planMER van voorliggend detailniveau.

Het planMER toont een minimale en maximale schatting ten aanzien van de opwekpotentie van zonne-energie. Dit doet het planMER door de impact op de milieueffecten in ogenschouw te nemen. De maximale inpassing met zonneenergie is voor sommige zoekgebieden berekend met behulp van de landschapsstrategie ‘Transformeren’. Deze strategie is voortgekomen uit de landschappelijk analyse en is vanuit landschappelijke oogpunt onderbouwd. Mede daarom is deze strategie bijvoorbeeld alleen toepasbaar bij jonge ontginningen

Nee

procenten. Onderscheid wordt daarbij gemaakt tussen verschillende landschapsstrategieën, te weten: inpassen, aanpassen en transformeren. In tabel 3 wordt het beoordelingskader voor zonneparken met de daar genoemde beperkingen besproken. Wat betreft de opbrengst wordt net als bij windenergie gesproken over de te verwachten jaarlijkse elektriciteitsproductie. Hierbij wordt een combinatie met de draagkracht van het landschapstype gelegd. Aan de realiteitswaarde van name de landschapsstrategieën aanpassen en transformeren kan worden getwijfeld. Veel van de zoekgebieden worden thans gebruikt voor landbouwdoeleinden. De draagkracht van het landschap wordt te hoog ingeschat. Bij zowel het jonge zandontginningenlandschap als het peelrandontginningenlandschap wordt bij aanpassing ingeschat dat 30% van alle hectaren in het zoekgebied ingezet kan worden voor zonneparken. Bij transformatie is dit zelfs 60%. Realistisch gezien zijn deze 30% en 60% genoemd in tabel 47 waarschijnlijk niet haalbaar. Het is maar zeer de vraag is of eigenaren de percelen die volgens het plan-MER worden aangemerkt als onbelemmerd oppervlak voor zonneparken, voortaan zullen willen gebruiken voor grootschalige zonneparken.

Dit speelt in het bijzonder bij de gronden die het meest geschikt zijn voor (grootschalige) landbouw, die voornamelijk te vinden zijn in het jonge landontginningenlandschap en het peelkernontginningenlandschap. Er zal afgewacht moeten worden of en in hoeverre eigenaren bereid zullen zijn (gedeeltes van) hun percelen die nu voor agrarische doeleinden worden gebruikt voortaan te gaan gebruiken voor de opwek van duurzame energie door middel van zonneparken. In zoekgebied 2 zijn er inmiddels enkele initiatieven voor het oprichten van zonneparken. Voor deze initiatieven geldt echter niet dat deze parken voldoen aan de in het plan-MER genoemde minimale omvang van 15 hectare. Ook deze veronderstelling dat een zonnepark gelegen binnen het jonge zandontginningenlandschap altijd minimaal 15 hectare groot zou moeten zijn, is niet realistisch. Als er al initiatieven komen voor de ontwikkeling van zonneparken in het jonge zandontginningenlandschap, zal van geval tot geval moeten worden bekekenen hoe in overeenstemming met de lokale omstandigheden, het zonnepark het beste kan worden ingepast in de omgeving en wat de gewenste omvang van het zonnepark zal zijn. Bovendien dient ook aan de zonneladder te worden voldaan.

Ook ten aanzien van de mogelijkheden tot grootschalige opwek van zonne-energie gaat het plan-MER dus uit van onjuiste dan wel niet realistische veronderstellingen, waardoor er een te rooskleurig beeld van deze

39

die niet deel uitmaken van een cultuurhistorische waardevol gebied. In hoeverre deze aantallen hectares en de daarbij behorende opwekpotenties ook daadwerkelijk worden gerealiseerd, is afhankelijk van veel verschillende factoren. Bijvoorbeeld van grondcontracten met landeigenaren en beleidskeuzes. Daar gaat het planMER niet over. De genoemde grootte van de zonneparken, in bijvoorbeeld de jonge ontginningen, is vanuit een landschappelijk oogpunt onderbouwd. Met name wordt er naar de groenstructuren rondom het zonnepark en het toekomstperspectief gekeken. Ook wanneer het zonnepark weer verdwijnt, moeten de overgebleven groenstructuren passend zijn binnen het landschap. Het planMER stelt niet dat zonneparken in bepaalde gebieden altijd aan een bepaalde grootte moeten voldoen. De genoemde groottes zijn landschappelijk onderbouwd en t.b.v. de berekening van de draagkracht. Er zal altijd projectspecifiek moeten worden gekeken naar de milieueffecten van initiatieven.

mogelijkheden wordt geschapen. Hierdoor worden de mogelijkheden voor opwek van duurzame energie veel te hoog ingeschat. Het plan-MER dient zo aangepast te worden dat de te verwachten opbrengst van grootschalige zonneenergie in de MRE naar een realistische omvang wordt teruggebracht. Wat betreft landschap valt op dat bij de effectenbeoordeling zonne-energie in het plan-MER anders dan bij de effectenbeoordeling windenergie, niet afzonderlijk wordt getoetst aan de herkomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde, terwijl hier via cultuurhistorische waarden en zichtbaarheid toch een soort beoordeling plaatsvindt van de herkomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde. Waarom niet dezelfde maatstaf als bij windenergie wordt aangehouden is onduidelijk. Een ruime benadering van de herkomstwaarde, de gebruikswaarde en de belevingswaarde alsmede de toekomstwaarde is ook bij de effectbeoordeling van zonne-energie op zijn plaats. Het plan-MER dient dan ook zo te worden aangepast dat wat betreft de effecten van zonneparken voor het landschap ook afzonderlijk en volledig wordt getoetst aan de herkomstwaarde, de gebruikswaarden, belevingswaarden en toekomstwaarde van het landschap.

Wat betreft de effectenbeoordeling ecologie wordt in het plan-MER bekeken of de zoekgebieden voor zonneparken in de nabijheid van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Brabant zijn gelegen. Verder wordt ingeschat wat de effecten zijn voor de bij de zoekgebieden nabijgelegen hotspots en het aantal broedvogels, wintervogels, vleermuizen en overige beschermde soorten binnen de zoekgebieden. Ook hier is net als bij windenergie, van belang dat de gehanteerde afstand tussen de zoekgebieden en Natura 2000-gebieden en het NNB ruim genoeg wordt vastgesteld. Ook hier geldt dat een afstand van 500 meter van de Natura 2000-gebieden en het NNB zou moeten worden aangehouden. Overigens staat er in de tabel bij ecologie 'windparklocaties', dit moet worden aangepast in zonneparklocaties.

40

De vier waarden beschreven in de Interim Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant zijn op het detailniveau van het planMER toegepast. Ze staan beschreven in de ‘Technische bijlage landschap’ van het planMER. Er is bij de beoordeling van zonne- en windenergie anders omgegaan met deze waarden. Windturbines zijn landschap overstijgend. Bij windenergie betekent dit dat er is op een hoog niveau is gekeken naar de betekenis van windturbines op de vier waarden. Drie van de vier waarden zijn gekoppeld aan algemenere criteria die verbonden zijn aan de desbetreffende waarde. De ‘Toekomstwaarde’ zoals toegelicht in de Interim Omgevingsverordening, is bij de beoordeling van windenergie niet toegepast. Anders dan bij zonneparken is de invloed van windparken op de toekomstwaarde van het landschap gering: het betreft een tijdelijke ontwikkeling met op grondvlak niveau slechts een kleine impact. Bij verwijdering van de windturbines zijn er nauwelijks tot geen overgebleven effecten t.a.v. landschap. In ieder geval niet van dusdanige omvang dat deze op het detailniveau van het planMER zijn meegenomen. Voor zonne-energie zijn de waarden specifieker toegespitst omdat de impact van zoneparken op de ruimtelijke kwaliteiten van een betreffende plek meer helder is. Zonneparken worden ‘in’ het landschap geplaatst.

Ook ‘Toekomstwaarde’ is daarbij meegenomen, omdat de impact van zonneparken op de toekomstwaarde van het landschap veel groter zijn. Denk bijvoorbeeld aan overgebleven groenstructuren die deel uitmaakten van een zonnepark. Tabel 3 bevat inderdaad een verschrijving. Er gelden geen wettelijk bepaalde effectafstanden tot beschermde natuurgebieden in de provincie Noord-Brabant. Om in een planMER toch differentiatie in score aan te brengen is gekeken naar bekende literatuur en natuurtoetsen van concrete initiatieven. Op basis van deze data zijn de effectafstanden voor het planMER tot stand gekomen. Zoals meermaals in de technische bijlage ecologie is beschreven, betekent dit niet dat effecten op een grotere afstand uitgesloten zijn. Bij een concreet initiatief zal ecologisch onderzoek moeten uitwijzen of het initiatief doorgang kan vinden.

Nee

Ja

Ook bij grootschalige opwek van zonne-energie wordt gekeken naar de afstand tot hoofdstations om zo de kans in te kunnen schatten of de verwachtte opbrengst in 2030 daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Daarnaast wordt de mogelijke combinatie van wind en zon vanuit systeemefficiëntie als positief punt aangemerkt. Hierbij wordt echter onterecht geen aandacht besteed aan het feit dat wanneer een windpark met een zonnepark wordt gecombineerd er beduidend meer geluidsoverlast te verwachten is. Het plan-MER moet op dit punt worden gewijzigd zodat extra geluidoverlast als negatief effect van een eventuele combinatie van wind- en zonne-energie wordt meegenomen. Wederom is hier van belang dat indien zoekgebieden voor windenergie zich bevinden binnen de radarverstoringsgebieden en de 500-voetszone het, zoals hierboven reeds aan de orde kwam, nagenoeg onmogelijk zal zijn in deze gebieden een windpark te realiseren. In deze zoekgebieden is het dan ook zeer onwaarschijnlijk dat zonneparken kunnen worden gecombineerd met windparken. Bij de bredere thema's zon wordt in het plan-MER wederom gekeken naar meekoppelkansen met landbouw (agrarische economie) en versterking van de natuur. Terecht wordt in het plan-MER opgemerkt dat de meekoppelkans versterking van de agrarische economie zich met name voordoet bij kleinschalige landbouwgebieden.

Binnen grootschalige landbouwgebieden die bijvoorbeeld in het jonge zandontginningenlandschap zijn te vinden, wordt op een efficiënte wijze landbouw bedreven. De meekoppelkans versteking van de agrarische economie doet zich bij deze grootschalige landbouwgebieden niet voor. Wat betreft versterking van de natuur wordt in het plan-MER ten aanzien van de effectenbeoordeling zon beredeneerd dat deze kans op versterking van de natuur zich alleen voordoet indien een zoekgebied grotendeels is gelegen in de Groenblauwe mantel. De redenatie dat de natuur kan worden versterkt door natuurherstellende maatregelen te nemen, terwijl eerst de natuur wordt aangetast door de plaatsing van een zonnepark, is onlogisch en niet goed te volgen. De aangetaste natuur komt tenslotte door compenserende maatregelen (met name op een andere plaats bij aanliggende gebieden) niet meer terug op de plaats van het zonnepark. In plaats van versterking van de natuur is op de plaats waar een zonnepark wordt gerealiseerd sprake van verzwakking van de natuur. Voorkomen moet worden dat ook hier een onjuist beeld wordt geschapen in het plan-MER. In het plan-MER zou ook bij het bredere thema meekoppelkans

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10796563/1