2021-67 RV Bijlage 5 Ontwerpbestemmingsplan 'Wederikdreef te Nuenen'
Tekst van het document
Sociale huurappartement Zorgwoning (verpleeg-/verzorgingstehuis) Totaal
Aantal
Parkeernorm
18 23
pp/appartement (gem.) 1,4 0,6
Waarvan bezoekers pp/appartement
Parkeerbehoefte
0,3 0,3
25,2 13,8
pp
39,0
Tabel 4.2 Theoretische parkeerbehoefte, berekend aan de hand van CROW-kengetallen voor sociale huurappartementen en van de CROW-kengetallen voor ‘verpleeg/verzorgingstehuis’ (zorgwoningen).
Uit bovenstaande tabel 4.2 blijkt dat er sprake is van een theoretische parkeerbehoefte van 39 parkeerplaatsen, waarvan 13 parkeerplaatsen voor bezoekers. Voor woningen is de theoretische parkeerbehoefte niet gedurende elk moment van de week even groot. Om die reden zijn in CROW-publicatie 381 dan ook aanwezigheidspercentages opgenomen. In navolgende tabel 4.3 is de theoretische parkeerbehoefte van het wooncomplex gespecificeerd voor de verschillende momenten gedurende de week weergegeven. Uit deze tabel blijkt dat op avonden tijdens werkdagen de grootste theoretische behoefte aan parkeerplaatsen bestaat. De theoretische parkeerbehoefte is dan 33,9 (afgerond 34) parkeerplaatsen, waarvan 9,8 (afgerond 10) parkeerplaatsen voor bezoekers. In 32 van deze 34 parkeerplaatsen kan op eigen terrein worden voorzien. Voor de resterende 2 parkeerplaatsen dient aanspraak te worden gedaan op parkeerplaatsen in openbaar gebied. In de huidige parkeerstrook in de openbare ruimte is immers voldoende ruimte voor het parkeren van 10 voertuigen. 3 van deze parkeerplaatsen zijn toebedeeld aan de huidige wonen aan de Wederik-
Hoofdstuk 4
29
dreef, waardoor er 7 beschikbaar zijn voor de beoogde nieuwbouw. Van deze 7 resterende parkeerplaatsen komen er 3 te vervallen in verband met de aanleg van de toekomstige inrit en de plaatsing van ondergrondse containers. Deze voldoende om in de parkeerbehoefte te voorzien.
Tabel 4.3 Theoretische parkeerbehoefte op basis van aanwezigheidspercentages uit CROW-publicatie 381 (bron: BuitenRuimte).
Zorgvuldigheidshalve is onderzoek gedaan naar de parkeerdruk in het openbaar gebied, omdat er voor 2 parkeerplaatsen aanspraak gedaan wordt op parkeercapaciteit in het openbaar gebied. Dit is gebeurd in de vorm van een parkeerdrukmeting (zie bijlage). Hierbij is gekeken naar de beschikbare capaciteit in de openbare ruimte alsook naar de huidige bezettingsgraad. Het aanspraak maken op parkeercapaciteit in de openbare ruimte wordt aanvaardbaar geacht als de huidige bezettingsgraad, inclusief het aantal te compenseren parkeerplaatsen niet meer dan 85% is. Uitgangspunt in het onderzoek is geweest dat compensatie van het tekort aan parkeerplaatsen moet plaatsvinden op een afstand van maximaal 100 meter van het te realiseren wooncomplex. Voor het volledige rapport betreffende het parkeeronderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Hieronder worden de belangrijkste conclusies uit het rapport vermeld. Tijdens de hoogst gemeten bezettingsgraad (donderdag 5 maart 2020 om 23:00 uur) is een bezettingsgraad van 37% waargenomen. Na compensatie van maximaal 2 parkeerplaatsen in de openbare ruimte is de theoretische bezettingsgraad op donderdag 5 maart 2020 om 23:00 uur het hoogst met 38%. Dit is (ruim) onder de 85% die als bovengrens is aangegeven door de gemeente Nuenen.
Hierdoor is er op een loopafstand van 100 meter vanaf het toekomstige wooncomplex voldoende rest parkeercapaciteit om het te kort aan parkeerplaatsen op eigen terrein te compenseren in de openbare ruimte.
Hoofdstuk 4
30
Figuur 4.1: Indicatieve parkeeroplossing, uitgaande van een totale theoretische parkeerbehoefte van 39 parkeerplaatsen. Rekening houdend met aanwezigheidspercentages is er sprake van een totale theoretische parkeerbehoefte van 34 parkeer-plaatsen (bron: VFO Architects Urban Design BV).
. Conclusie Gecondoleerd kan worden dat parkeren op afdoende wijze kan worden gefaciliteerd.
4.2 Geluid Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Er is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende gevelbelastingen bij de nieuwbouw. Het complete onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Hierna volgen enkele conclusies.
Hoofdstuk 4
31
Gebleken is dat voor de gezoneerde weg ‘Europalaan’ de optredende gevelbelastingen voldoen aan de voorkeurgrenswaarde voor wegverkeerslawaai (48 dB). In het kader van de Wet geluidhinder worden er dan ook geen restricties opgelegd aan het bouwplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is tevens gekeken naar de effecten van het verkeerslawaai vanaf de 30-km/uur wegen in de nabijheid van het plangebied: de Sleedoornlaan, Vallestap en Wederikdreef. Uit het onderzoek blijkt dat vanwege wegverkeerslawaai van de Sleedoornlaan (30 km/uur-regime) er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt. De hoogst berekende optredende belasting bedraagt 48 dB. Vanwege de Vallestap en de Wederikdreef is er sprake is van een verhoogde geluidbelasting (51 dB, resp. 52 dB inclusief aftrek). Deze wegen kennen een 30 km/h regime. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen eisen gesteld. Om aan een binnenniveau 33 dB te kunnen voldoen, is een gevelwering van ten hoogste 24 dB benodigd (zie comforteis in bijlage IIb van het akoestisch onderzoek). Om een acceptabel woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen wordt in het akoestisch onderzoek geadviseerd om nader onderzoek te verrichten naar de binnenwaarde en de maatregelen af te stemmen op de berekende waarde min 33 dB.
Gezien de huidige bouw- en isolatiemethoden is dit goed uitvoerbaar en is hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Om een binnenniveau van 33 dB te garanderen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de bestemmingsplanregels. Hierin is het volgende opgenomen: 5.4.3 Voorwaardelijke verplichting geluidwering woningen Ter waarborging van een verantwoord woon- en leefklimaat, is het bouwen van woningen binnen het plangebied uitsluitend toegestaan indien is aangetoond, dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt. Uit voorgaande artikel uit de bestemmingsplanregels volgt dat aangetoond dient te worden dat de binnenwaarde voor de geluidgevoelige ruimten binnen de woningen niet meer dan 33 dB bedraagt. Indien noodzakelijk zal dit worden onderbouwd met een nader onderzoek.
4.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling
Hoofdstuk 4
32
NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van ‘gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Woningen zijn geen gevoelige bestemmingen met betrekking tot luchtkwaliteit. Zodoende levert dit geen probleem op. Doorwerking plangebied De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Met de NIBM-tekentool is berekend dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO 2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat de verkeersgeneratie ten gevolge van het plan maximaal 0,10 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,02 µg/m3 bijdragen. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Tabel 4.4 NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het verkeer.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bepaald te worden of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van het bouwplan. Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) bedraagt de concentratie PM2,5 in minder dan 12 µg/m³. De concentratie PM10 is minder dan 20 µg/m³ evenals de concentratie NO2.Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren door voortschrijdende technologie. In navolgende tabel (tabel 4.5) zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen en sprake is van een goed woon- en leefklimaat in het kader van de luchtkwaliteit. Dit aspect zorgt dan ook niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
33
Meetpunt
NO2 μg/m3 PM10 μg/m3
PM10 overschrijdingsdagen
PM2.5 μg/m3
Jaar
36277
21.7
20.1
7.8
12.2
2020
36279
24.2
20.8
8.4
12.4
2020
36287
20.5
19.7
7.4
12.0
2020
36288
18.2
19.2
7.0
11.8
2020
36290
18.3
19.3
7.0
11.8
2020
Norm
40
40
35
25
Tabel 4.5 Achtergrondwaarden NSL-Monitoringstool.
Het planvoornemen draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
4.4 Bedrijven en milieuzonering Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 4. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden).
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid.
4
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
34
Doorwerking plangebied Met dit initiatief wordt woningbouw mogelijk gemaakt. Woningen zijn milieugevoelige objecten. Het omgevingstype is te karakteriseren als een rustige woonwijk. In de omgeving van het plangebied komen voornamelijk woningen voor en weinig andere voorzieningen/functies. In de directe omgeving van het plangebied komen geen potentieel hinder veroorzakende functies voor. Op een afstand van circa 440 meter is een bedrijventerrein gelegen. Hier zijn bedrijven tot en met milieucategorie 3.2 toegestaan. De richtafstand tot een ‘rustige woonwijk’ bedraagt 100 meter, hier wordt ruimschoots aan voldaan. Het centrum van Nuenen Zuidoost ligt op en afstand van 360 meter, ook dit levert geen hinder voor het plangebied. Op 21 meter afstand van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming met de aanduiding bedrijfswoning. Het betreft een onderneming voor fysio en manuele therapie. Dergelijke maatschappelijke voorzieningen zijn gelijk te stellen aan de maximale milieucategorie 1 hiervoor geldt een richtafstand tot een rustige woonwijk van 10 meter. Tussen het plangebied en de maatschappelijke voorziening is een woning gelegen, deze werkt beperkend voor de mogelijkheden van de maatschappelijke voorziening, daarnaast is er ook een bedrijfswoning toegestaan bij de maatschappelijke voorziening.
Hiermee, en met de tussenliggende woning mag worden aangenomen dat een aanvaardbaar woonen leefklimaat is gewaarborgd ter hoogte van het plangebied. Er is derhalve geen sprake van milieuhinder. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
4.5 Geur agrarisch Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. Doorwerking plangebied In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen veehouderijen of andere agrarische bedrijven met een geuruitstraling. Het is dan ook niet noodzakelijk om een geuronderzoek uit te voeren. Het aspect ‘geur agrarisch’ zorgt niet voor belemmeringen.
Hoofdstuk 4
35
4.6 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water. Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd.
Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
Doorwerking plangebied Voor nieuwbouw op de projectlocatie Wederikdreef geldt te allen tijde een plaatsgebonden risico van 10 -6. Dat wil zeggen dat nieuwe kwetsbare objecten buiten deze contour van een risicovolle inrichting moeten liggen. Als woningbouw binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit (inrichting, transport of buisleiding) ligt dient het groepsrisico te worden meegenomen.
Hoofdstuk 4
36
Figuur 4.2 Uitsnede risicokaart met plangebied blauw omcirkeld (bron: Risicokaart).
In figuur 4.2 Is het plangebied blauw omcirkeld. Ten noordoosten van het plangebied, op een afstand van circa 350 meter ligt een opslagtank chloorbleekloogtank, ten behoeve van een zwembad. Voor chloorbleekloogtanks zijn geen generieke risicoafstanden beschikbaar. Ten oosten van het plangebied ligt een tankstation, op meer dan 760 meter afstand. De hoogste PR10-6 contourafstand van deze instelling bedraagt 35 meter en de afstand tot de grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico bedraagt 150 meter. Het plangebied ligt op grote afstand van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportassen. Op basis van de risicokaart kan geconcludeerd worden dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen voorkomen. Het plangebied ligt buiten PR- of GR-contouren van zowel risicovolle inrichtingen als transportroutes met gevaarlijke stoffen. Het aspect ‘externe veiligheid’ zorgt niet voor belemmeringen.
4.7 Ecologie De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.
Hoofdstuk 4
37
Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, 'Strabrechtse Heide & Beuven', bevindt zich op circa 6 kilometer afstand ten zuiden van de onderzoekslocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van woningen betreft, is een toename aan stikstofuitstoot te verwachten.
Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten zijn aeriusberekeningen uitgevoerd voor de aanleg- en de gebruiksfase. Deze berekeningen zijn uitgevoerd in april 2021. Voor de berekeningen en bijbehorende rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Hier wordt volstaan met te zeggen dat uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie op voorhand uitgesloten worden. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren.
De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. De onderzoekslocatie is op ruim 1,5 kilometer afstand van een onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland gelegen. Door de voorgenomen plannen op de onderzoeklocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland derhalve niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.
Hoofdstuk 4
38
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten; soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Doorwerking plangebied Bomeninventarisatie Door middel van een bomeninventarisatie, uitgevoerd door Pius Floris is de waarde van de bomen in het plangebied vastgesteld. Waardevolle bomen dienen te worden behouden en landmeetkundig te worden ingepast. In het stedenbouwkundig schetsplan is hier rekening mee gehouden. Voor de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de bijlagen.
Quickscan Flora & Fauna Er is door Econsultancy een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd voor het plangebied. De quickscan flora en fauna is uitgevoerd in het kader van sloop van gebouwen en heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Daarnaast is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd, of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen.
Hoofdstuk 4
39
De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Uit de quickscan flora en fauna is gebleken dat voor aanvang van de sloop van de bebouwing tijdig duidelijk dient te zijn of er sprake is van vaste rust- of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en/of de steenmarter en wat de mogelijke functie van het perceel heeft voor de steenmarter. Aangaande de eekhoorn is een nesteninspectie uitgevoerd om uit te wijzen of er in de bomen op het perceel een nestgeval van de eekhoorn aanwezig is. Voor de eekhoorn zijn er geen nesten aangetroffen. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen, of voorafgaand aan de werkzaamheden middels een broedvogelinspectie uitwijzen of er sprake is van een broedgeval. Ten aanzien van mogelijke vliegroutes van vleermuizen dient het openbare groen, in de vorm van lijnbeplanting langs de straatkant buiten de onderzoekslocatie, behouden te blijven. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen
Hoofdstuk 4
40
en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Ten aanzien van beschermde natuurgebieden en houtopstanden worden ten aanzien van de Wet natuurbescherming geen belemmeringen verwacht. Mogelijk geldt er voor de te kappen bomen vanuit de gemeente een meldings- en herplantplicht. Op basis van een eerste veldbezoek wordt geconcludeerd dat de bebouwing binnen dit projectgebied geschikt is voor vleermuizen. Daarbij hebben de werkzaamheden betrekking op de potentiële voortplantings- en rustplaatsen, waardoor vervolgonderzoek naar vleermuizen noodzakelijk wordt geacht om te kunnen bepalen of verstoring en ontheffing aan de orde is. Daarnaast zijn er afgebeten veren op de onderzoekslocatie aangetroffen wat kan duiden op het gebruik van de onderzoekslocatie door steenmarter, wat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze soort noodzakelijk is. Ook dient er een broedvogelinspectie plaats te vinden en een nestinspectie aangaande eekhoornnesten uitgevoerd te worden. Vervolgonderzoek Naar aanleiding van de resultaten uit de ecologische quickscan heeft Econsultancy aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen, jaarrond beschermde nesten van (roof)vogels, steenmarters en eekhoorns. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt verwezen naar de bijlagen.
In navolgende alinea’s worden de belangrijkste uitkomsten uit de uitgevoerde onderzoeken beschreven. Om aan het protocollaire onderzoek naar vleermuizen te voldoen hebben in de periode half augustus 2019 tot en met half juli 2020 5 veldbezoeken plaatsgevonden. Ook hebben in de periode half augustus tot en met half september 2019 2 avondbezoeken plaatsgevonden (met een tussenliggende periode van minimaal 20 dagen). Daarnaast hebben in de periode half mei tot en met half juli 2020 2 veldbezoeken in de avonduren na zonsondergang plaatsgevonden (met een tussenliggende periode van minimaal 30 dagen). Tevens heeft er in deze periode 1 ochtendbezoek in de uren voor zonsopkomst plaatsgevonden. Een overzicht van deze onderzoeksopzet is opgenomen in navolgende tabel.
Onderzoek naar het voorkomen van de nesten van jaarrond beschermde (roof)vogels, steenmarters en eekhoorns heeft plaatsgevonden gedurende het gehele vleermuizenonderzoek. Tijdens de veldbezoeken zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie betreft daarnaast geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en er worden geen vliegroutes van vleermuizen verstoord. Gezien de afstand tot eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen buiten de onderzoekslocatie kunnen negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op deze verblijfplaatsen eveneens worden uitgesloten. Ook worden er geen vaste voortplantings- en/of rustplaatsen van steenmarters, nesten van eekhoorns of jaarrond beschermde nesten beschadigd, verstoord, vernield of weggenomen. Overtreding van de Wet natuurbescherming is bij de voorgenomen ontwikkeling niet aan de orde.
Hoofdstuk 4
41
Het aspect ecologie zorgt niet voor belemmeringen. Bij de nieuwbouw kan gekeken worden naar de mogelijkheden van natuurinclusief bouwen.
4.8 Bodem In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Derhalve is een bodemonderzoek conform de NEN 5740 richtlijnen noodzakelijk. Doorwerking plangebied Er is door NIPA milieutechniek b.v. een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 uitgevoerd voor het plangebied. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Op basis van de beschikbare gegevens is de hypothese gesteld dat de onderzoekslocatie beschouwd kan worden als een onverdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging.
Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de vaste bodem niet verontreinigd is met de onderzochte parameters. Het grondwater bevat een licht verhoogd gehalte aan zink. Het verhoogde gehalte heeft waarschijnlijk een natuurlijke herkomst. Op basis van deze resultaten kan de hypothese in principe worden aanvaard. De uitvoering van een aanvullend of nader onderzoek is niet zinvol. Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoekslocatie zijn geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. NIPA merkt op dat zijn slechts een adviserende taak hebben en dat het bevoegd gezag de noodzaak tot de uitvoering van nader of aanvullend onderzoek vaststelt. Het hergebruiken van grond valt onder de regels van de Besluit bodemkwaliteit. Indien als gevolg van graafwerkzaamheden op de locatie (bijv. bij het bouwrijp maken van het terrein en het graven van een kelder) grond vrijkomt die niet op locatie kan worden hergebruikt, dan dient deze te worden afgevoerd conform de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9 Water Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ont-
Hoofdstuk 4
42
wikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Door NIPA is een waterparagraaf en infiltratieonderzoek uitgevoerd. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor het gehele onderzoek wordt verwezen naar de bijlagen. Beleid Nationaal waterbeleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd.
Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet, ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen inmiddels onder de omgevingsvergunning (Wabo). Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het ‘Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021’ (verder: PMWP). Het PMWP staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving.
Het plan vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant. Beleid waterschap (De Dommel) Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap De Dommel. Het waterbeleid van Waterschap De Dommel is neergelegd in het waterbeheerplan 2016-2021 'Waardevol water - samen meer waarde geven aan water' en is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving. Het waterbeheerplan is een strategisch document, afgestemd op de Europese Kaderrichtlijn Water, het Stroomgebiedsbeheerplan Maas, het Nationaal Waterplan en het Provinciaal Waterplan. Hierin staan de doelen en de wijze om deze te behalen weergegeven. De belangrijkste uitdagingen voor de komende planperiode zijn de volgende:
Hoofdstuk 4
43
Voldoende water voor landbouw en natuur; Kringloopdenken; Beheersing wateroverlast en hittestress; Beheersing kwaliteit van het water door dreiging van het in het water komen van ongewenste stoffen; Vergroten waterbewustzijn.
In de keur van het Waterschap De Dommel is opgenomen dat het in beginsel verboden is om zonder vergunning neerslag door toename van het verhard oppervlak of door afkoppelen van de bestaande oppervlakte, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: het afkoppelen van het verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; de toename van het verhard oppervlak maximaal 500 m² is, of; de toename van het verhard oppervlak bestaat uit een groen dak; de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Daarbij dient de voorziening te voldoen aan de volgende voorschriften: de bodem van de voorziening dient boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te liggen; de afvoer uit de voorziening via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater plaatsvindt. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om uitspoeling naar de sloot te voorkomen.
Beleid gemeente Waterplan Nuenen Het waterbeleid van de gemeente Nuenen c.a. is vastgelegd in het Waterplan Nuenen middels een aantal basisprincipes: zo weinig mogelijk waterverontreiniging; op natuurlijke wijze reinigen voordat het de beken en rivieren in stroomt als er toch waterverontreiniging voorkomt; beken behoeden voor te grote toestroom van neerslag in korte tijd. Dit betekent dat binnen en in de directe nabijheid van de stad en de dorpen het (regen)water moet worden geïnfiltreerd en tijdelijk worden geborgen (vasthouden), uiteraard zonder te zorgen voor overlast of schade. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (vGRP) In het gemeentelijk rioleringsplan 2019 – 2023 is vastgelegd dat, om wateroverlast te voorkomen, aan de volgende zaken aandacht wordt geschonken: Bij nieuwbouw klimaatbestendig ontwerpen: bij de dimensionering van de riolering wordt gerekend met extremere buien. Daarnaast wordt ingezet op voldoende ruimte voor water en zo mogelijk zorgen dat het regenwater bij overbelasting van het rioolstelsel over het maaiveld kan afstromen naar
Hoofdstuk 4
44
oppervlaktewater en nergens kelders of laaggelegen woningen en winkels kan instromen. Vloerpeilen van woningen en bedrijven liggen voldoende hoog boven het peil van de weg. Aanleg van regenwaterstructuren op het moment dat in het bestaande stelsel de riolering vervangen moet worden. Kan dit niet, dan wordt ingezet op het vervangen van buizen in bestaande rioolstelsels door grotere diameters om zwaardere buien beter op te vangen. Bij bestaande stelsels dienen knelpunten, waar nu al water-op-straat of wateroverlast optreedt bij hevige buien, te worden aangepakt. Bij voorkeur door het regenwater over het maaiveld naar lagergelegen delen te leiden waar het water geen schade aanricht.
Bij nieuwbouw mag het hemelwater niet worden aangesloten op het vuilwaterstelsel. De gemeente Nuenen zorgt voor het inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater, wanneer dit doelmatig is en het niet redelijkerwijs verwacht kan worden dat de initiatiefnemer het hemelwater zelf verwerkt. Infiltratie van hemelwater in de bodem wordt verondersteld mogelijk te zijn als de bodem voldoende doorlaatbaar is (>1 m/d) en de grondwaterstand voldoende laag is ( > 1,2 m – mv). Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. In principe dient er voor 60 mm hemelwater/24 uur retentie gerealiseerd te worden (600 m³ per hectare verhard oppervlak). Als hemelwater op eigen terrein verwerkt wordt ligt hier geen zorgtaak voor de gemeente. Als decentrale voorzieningen niet doelmatig zijn en bodeminfiltratie en/of lozing op oppervlaktewater niet mogelijk is, dan ontvangt en verwerkt de gemeente het afstromende hemelwater. In dit geval wordt een bedrag in rekening gebracht per m³ die niet op eigen terrein geborgen kan worden. De hoogte van de bijdrage bedraagt momenteel (stand: december 2019) € 200 per m³. Beschrijving huidig en toekomstig watersysteem plangebied Bestaande situatie, verhardingen In de huidige situatie is het plangebied reeds gedeeltelijk verhard.
De totale verharding beslaat 2.104 m². In de direct nabijheid van het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Het plangebied is verder niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als boringsvrije zone, reserveringsgebied waterberging of ecologische verbindingszone. Nieuwe situatie, verhardingen Er is sprake van vervangende nieuwbouw waardoor het verhard dak- en/ of terreinopper- vlak nauwelijks toeneemt. De toename van de verharding bedraagt 383 m². Hierbij wordt opgemerkt dat 838 m² van de verharding met waterdoorlatende bestrating zal worden ingericht Het totaal afvoerend verhard oppervlak van de percelen is geschat op 100% van de overdekte ruimte + 40% van de overige verharding. De rest (plantsoen) zal niet afwateren op het aangrenzende groen). Teneinde te voldoen aan
Hoofdstuk 4
45
het principe van hydrologisch neutraal bouwen zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Gemeente Nuenen adviseert om de parkeerplaats zo in te richten dat deze afwatert op het groen.
Grondwater en infiltratiemogelijkheden De gemiddelde hoogste grondwaterstand is niet terug te vinden op de wateratlas van Brabant. Ook in het DINO-loket zijn in de directe omgeving geen bruikbare waarden geregistreerd. De grondwaterstand die tijdens het bodemonderzoek is gemeten op de locatie, bedraagt 3,7 m-mv. Uit het onderzoek is tevens gebleken dat van 2,4 tot 5,2 m-mv een zandige leemlaag aanwezig is. Vooralsnog mag ervan uitgegaan worden dat de GHG niet hoger zal liggen dan 2,0 m-mv. Er is door NIPA een infiltratieonderzoek uitgevoerd voor het plangebied. Hieruit volgt dat de doorlatendheid van de laag van 0,0 tot 1,0 meter -mv als goed worden beoordeeld en geschikt is voor infiltratie van overtollig regenwater. Toekomstig watersysteem Het hemelwater en vuilwater wordt gescheiden ingezameld. Conform beleid van gemeente en waterschap de Dommel moet een waterberging gemaakt worden met waarmee 60 mm/24 uur. Omdat de gemeente ervan uitgaat dat de locatie eerst leeg wordt gemaakt en dat alle nieuwbouw als toename moet worden gezien, resulteert dit in een waterberging opgave van 108,5 m³. Het afstromend hemelwater van de paden wordt in eerste instantie opgevangen in het omliggende plantsoen. Gelet op de goede doorlatendheid van de bodem (rapport NIPA, kenmerk 17777-JvdS1218725, d.d. 22 november 2019, als bijlage toegevoegd) zal dit niet tot problemen leiden.
De grote groenvakken met volgroeide bomen die aan de randen van het plangebied zijn gelegen, zijn niet geschikt om te verlagen voor waterbergingsdoeleinden omdat dit de boomwortels zou beschadigen. Hier worden dus geen wadi’s gemaakt. Hemelwater afkomstig van de bebouwing wordt in eerste instantie opgevangen in een bergings- en infiltratievoorziening ter plaatse van het parkeerterrein. Deze voorziening heeft een oppervlakkige overloop op openbaar terrein. De voorziening kan als grindbak worden uitgevoerd, waarbij grind met een porievolume van 30% wordt gebruikt. Er is dan 40 cm grind over de totale parkeerplaats aangebracht. Als alternatief kan de voorziening met infiltratiekratten worden uitgevoerd. Dan zou, bij een gronddekking van tenminste 60 cm, 140 cm hoogte kunnen worden bereikt. Berekend is dat er 107 m² van het parkeerterrein met een type infiltratiekrat met afmetingen van 0,4 x 0,4 x 1,2 (netto inhoud 152 liter) moet worden belegd om te voorzien in de benodigde bergingscapaciteit. Infiltratiekratten in het beheer van de gemeente zijn echter niet gewenst.
Hoofdstuk 4
46
Hierdoor zal het hemelwater niet volledig op eigen terrein verwerkt worden. Een deel kan wel worden opgevangen in de grindbak. In overleg met de gemeente is afgestemd dat het hemelwater gescheiden wordt aangeboden. Vooralsnog zal het hemelwater via het bestaande riool in de weg worden afgevoerd. Er is een uitlegger naar de toekomstige hemelwaterstructuur van de wijk voorzien. Er zal een bedrag in rekening gebracht worden per m³ die niet op eigen terrein geborgen kan worden. De hoogte van de bijdrage bedraagt momenteel (stand: december 2019) € 200,- per m³. Afvalwater Het vuilwater wordt aangesloten op de bestaande riolering in Nuenen. Deze heeft voldoende capaciteit voor het verwerken van het vuilwater van de extra woningen. Vervuiling zal worden voorkomen door het gebruik van duurzame materialen en productiewijzen voor te schrijven. Dit wordt getoetst bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. Vooroverleg waterschap en gemeente Het plangebied valt onder het beheer van Waterschap De Dommel. Er vindt vooroverleg met het Waterschap plaats. Conclusie Het geven van een invulling van het watersysteem op de initiatieflocatie is mogelijk, maar tegen relatief hoge kosten. Het heeft de voorkeur van de initiatiefnemer om in overleg met de gemeente te bepalen of aangesloten kan worden op een bij de gemeente in beheer zijnde voorziening.
Hiervoor zal de vereiste financiële bijdrage worden geleverd. Indien bovenstaande niet mogelijk is zal nadere dimensionering en civieltechnische uitwerking van een watersysteem, in overleg met de gemeente en het waterschap, plaatsvinden. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat wordt voorzien in voldoende waterberging volgens de principes van hydrologisch neutraal ontwikkelen.
4.10 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2019 een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Gemeentelijke beleidskaart Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Nuenen ligt het plangebied geheel in een zone met categorie 4a, wat gelijk staat aan een middelhoge verwachtingswaarde. In dit gebied dient, voorafgaand aan bodemingrepen groter dan 2.500 m 2 en dieper dan 0,3 m beneden maaiveld, archeologisch onderzoek plaats te vinden. Dit is in het vigerende bestemmingsplan geborgd middels de
Hoofdstuk 4
47
dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie middelhoog’. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen welke betrekking heeft op deze gronden, dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Dit is niet van toepassing wanneer het te bouwen bouwwerk een oppervlakte heeft kleiner dan 2.500m2 of een bouwwerk waarbij de graafwerkzaamheden zich beperken tot een diepte van maximaal 30 centimeter. De verwachting is gebaseerd op de geomorfologische en bodemkundige opbouw van het gebied. Naar verwachting is de zone in principe geschikt geweest voor bewoning, de kans op het aantreffen is echter kleiner dan in de zones met een hoge archeologische verwachting, vanwege een aanmerkelijk lagere dichtheid aan vindplaatsen. Doorwerking plangebied De plannen van de nieuwbouw in onderhavige planontwikkeling beperken zich tot de locaties waar momenteel al bebouwing staat. Buiten de bestaande bebouwing wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Daarnaast is het totale oppervlakte van het bouwwerk aanzienlijk kleiner dan 2500m 2. Voor het plangebied geldt de ‘Waarde – Archeologie middelhoog’.
Dit houdt in dat de aanvrager van een omgevingsvergunning een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. Deze onderzoeksplicht geldt echter niet voor een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 2.500 m2 of een bouwwerk waarbij de graafwerkzaamheden zich beperken tot een diepte van maximaal 30 centimeter. Deze dubbelbestemming wordt overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Voor onderhavige planontwikkeling is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Met betrekking tot de dubbelbestemming in het vigerende bestemmingsplan en de planvoornemens die kleiner zijn dan 2.500 m2 vormt archeologie geen belemmering.
4.11 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Het beleid van de provincie Noord-Brabant sluit aan op het nationale beleid voor de archeologische monumentenzorg. De provincie richt zich op de bescherming van objecten en de bescherming, benutting en ontwikkeling van structuren en ensembles van een grotere schaal. Doorwerking plangebied In en rond het plangebied zijn geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of andere waardevolle panden of elementen aanwezig. Het plan doet geen afbreuk aan monumenten of cultuurhistorische waarden in de omgeving. Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Hoofdstuk 4
48
4.12 Gezondheid De beoogde ontwikkeling betreft de gevoelige functie ‘wonen’. Hierbij dient gekeken te worden naar mogelijke aspecten die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van de toekomstige bewoners. Endotoxinen Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Op afstand van het plangebied zijn endotoxinecontouren aanwezig. Het plangebied ligt ver buiten deze contouren van zowel pluimvee- als geitenhouderijen. Geitenhouderijen Uit VGO-2 onderzoek is gebleken dat zich in een straal van circa 2 km rond geitenbedrijven een verhoogd aantal gevallen van longontsteking voordoet. Er zijn geen geitenhouderijen aanwezig binnen een straal van 2 km van het plangebied. Dit aspect vormt daarmee geen belemmering. Er is een goed woon- en leefklimaat aanwezig ter plaatse van de planlocatie voor wat betreft gezondheidsaspecten.
4.13 Vormvrije - m.e.r. beoordeling Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Doorwerking plangebied De ontwikkeling van 18 (tot maximaal 19) sociale huurappartementen en 23 (tot maximaal 24) zorgwoningen is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling zoals opgenomen in het Besluit m.e.r.. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D 11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijke ontwikkeling (met inbegrip van de bouw van een winkelcentra of parkeerterreinen).” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2. Er is sprake van een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht.
Dit betekent dat voordat het ontwerpbestemmingsplan in procedure gaat, het college van burgemeester en wethouders aan de hand van een aanmeldingsnotitie moet beoordelen en besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld e.e.a. conform paragraaf 7.6 Wet milieubeheer. Onderzocht is of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De potentiële effecten van het plan, in relatie tot de kenmerken en de plaats van het plan, zijn dusdanig beperkt van aard en omvang dat dit geen belangrijk nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. De toetsing van de aanmeldingsnotitie is als bijlage toegevoegd.
Hoofdstuk 4
49
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan is een juridisch bindend plan dat bestaat uit een verbeelding (plankaart) en regels en gaat vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan, waarbij de regels de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de gronden regelen en de verbeelding de rol heeft van visualisering van de bestemmingen. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave, verantwoording en onderbouwing van het bestemmingsplan en als uitleg bij de verbeelding en regels. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat het bestemmingsplan langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld. Dit brengt met zich mee dat het bestemmingsplan digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moet worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP 2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld in overeenstemming met de SVBP 2012 en wordt op de voorgeschreven wijze digitaal beschikbaar gesteld.
5.2 Plansystematiek Het voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om de ontwikkeling zoals beschreven in hoofdstuk 2 juridisch-planologisch mogelijk te maken. De regels en de verbeelding zijn zodanig opgesteld dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden daarvoor een juridisch kader bieden. De basis voor het opstellen van de regels en verbeelding is het stedenbouwkundig plan, dat de randvoorwaarden voor de bouw van het complex en de aanleg van de bijbehorende voorzieningen stelt. De regels zijn daarnaast zoveel mogelijk afgestemd op het vigerende bestemmingsplan ‘Nuenen Zuidoost’ van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs- en slotregels. Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk bestaat uit de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van diverse in het bestemmingsplan gebruikte begrippen/termen. De begripsbepalingen zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Artikel 2 bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van oppervlakten, percentages,
Hoofdstuk 5
50
hoogte, diepte, breedte en dergelijke. Hiermee kan op een eenduidige manier toepassing worden gegeven aan de regels. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen opgenomen (enkel- en dubbelbestemmingen). De opbouw van de bestemmingen is als volgt (met dien verstande dat een specifieke bestemming niet alle genoemde elementen hoeft te bevatten): bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; wijzigingsbevoegdheid. De in het plangebied aanwezige bestemmingen zijn met bestemmingsvlakken op de verbeelding aangegeven. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Ook kunnen aanduidingen die betrekking hebben op het gebruik (functieaanduidingen) zijn opgenomen. Middels deze functieaanduidingen is een specifiek gebruik ter plaatse bestemd of uitgesloten. Daarnaast wordt in de regels per bestemming bepaald waar en onder welke voorwaarden gebouwen mogen worden gebouwd. Dit wordt eventueel met een bouwvlak en aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering (maximale goot- en of bouwhoogte, bebouwingspercentage) op de verbeelding aangeven.
In de volgende paragraaf worden de in het plan opgenomen bestemmingen per bestemming nader beschreven. Hoofdstuk 3: algemene regels Algemene regels zijn regels die gelden voor meerdere bestemmingen, dan wel een algemene strekking hebben. Deze bestaan uit de volgende onderdelen: anti-dubbeltelregel: deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. algemene bouwregels: hier zijn algemene regels ten aanzien van het ondergronds bouwen opgenomen. Daarnaast is een regeling voor het bouwen van dakkapellen opgenomen. algemene gebruiksregels: in deze regels is opgenomen welke vormen van gebruik in ieder geval als strijdig gebruik worden beschouwd. algemene afwijkingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van dit bestemmingsplan ten behoeve van kleinschalige afwijkingen van de voorgeschreven maatvoeringen (maximaal 10% afwijking). algemene wijzigingsregels: deze regels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om bestemmingen te wijzigen ten behoeve van kleine overschrijdingen van bestemmingsgrenzen.