2021-31 RIB Bijlage 2 Inspectierapport regio+Brabant+kwetsbare+kinderen+onvoldoende+beschermd+vervolgtoezicht
Tekst van het document
Jeugdbeschermingsregio Brabant Noordoost-Brabant, Zuidoost-Brabant, Hart van Brabant, West-Brabant Oost, West-Brabant West
Regiorapport vervolgtoezicht kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd
Utrecht, juli 2021
De accounthoudende wethouder aan het woord namens Jeugdbeschermingsregio Brabant
Op deze punten uit het rapport zijn we trots: Wij zijn er trots op dat voor 75 % van de kinderen passende hulp is gerealiseerd. We hebben manieren gevonden waardoor er in de toekomst eerder passende hulp wordt ingezet.
Met deze punten uit het rapport gaan we aan de slag:
Wat gaan jeugdigen en ouders hiervan merken?
Wij willen inzetten op blijvende samenwerking met de GI’s, uitwisselen van best practices en het vinden van creatieve oplossingen.
Dat ze eerder passende hulp krijgen.
De accounthoudende wethouder heeft namens de jeugdbeschermingsregio uitgebreider gereageerd. Deze reactie is opgenomen als bijlage.
Samenvatting Dit rapport maakt deel uit van het toezichttraject Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: inspecties). In de voortgangsrapportage van oktober 2020 hebben de inspecties gevraagd om een doorbraakaanpak voor alle kinderen met een jeugdbeschermings- en/of reclasseringsmaatregel. Deze aanpak moet ertoe leiden dat elk kind met een dergelijke maatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt. Dit rapport van de inspecties geeft antwoord op de vraag of de jeugdbeschermingsregio Brabant hierin is geslaagd. Bevindingen en conclusies Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De jeugdbeschermingsregio Brabant is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en tijdig een gedragen koers uit te zetten voor deze kinderen. De inspecties zien daarbij in deze regio’s verschillen tussen de GI’s die de maatregelen uitvoeren. De William Schrikker Stichting, Jeugd Veilig Verder en het inmiddels failliet verklaarde Briedis hebben dit in deze regio’s op een enkele uitzondering na op orde. Bij Jeugdbescherming Brabant en het Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering is op korte termijn verbetering nodig.
Daarnaast lukt het de GI’s en de jeugdhulpregio’s nog niet om samen voorwaarden te creëren waardoor jeugdigen met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer hebben. Dit komt mede door het ontbreken van een kostendekkend tarief en de arbeidsmarktproblematiek. Tijdig passende hulp De jeugdbeschermingsregio Brabant is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel. De doorbraakaanpak in de regio’s heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Het knelpunt in Brabant zit vooral in de tijdigheid waarmee de hulp wordt ingezet. Het is de inspecties gebleken dat het in de regio ontbreekt aan een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Het ontbreekt daarnaast aan mogelijkheden om tijdig verschillende vormen van jeugdhulp in te zetten als gevolg van wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders. Verder is het de inspecties gebleken dat (een aantal gemeenten in) de regio het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel zodanig heeft ingericht dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Hier staat tegenover dat de inspecties positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren zien in de regio.
Op zowel bestuurlijk, ambtelijk en uitvoerend niveau is er draagvlak om verder te gaan met de doorbraakaanpak en voor alle jeugdigen tijdige passende hulp te organiseren. Ondanks deze bevorderende factoren en positieve ontwikkelingen hebben de inspecties zorgen over de jeugdigen met een maatregel die op dit moment wachten op passende hulp en oorzaken die hieraan ten grondslag liggen. Vervolg Tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers Ten aanzien van de deze norm over de tijdigheid van een jeugdbeschermer, constateren de inspecties dat verbetering op korte termijn nodig is. De inspecties gaan hierover in gesprek met de bestuurder van Jeugdbescherming Brabant en bepalen op basis van de uitkomsten van het gesprek het vervolg. Over het vervolg ten aanzien van de landelijk werkende instellingen in deze regio (Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, William Schrikker Stichting en Jeugd Veilig Verder) rapporteren de inspecties op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport. Tijdig passende hulp Gelet op het voorgaande kunnen de inspecties er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende jeugdhulpregio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig passende hulp te bieden.
De inspecties verwachten dat de jeugdhulpregio’s, de gecertificeerde instellingen,
3 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders binnen de jeugdbeschermingsregio alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties stellen zullen hiertoe in de jeugdbeschermingsregio Brabant verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten. De inspecties zien tot slot dat er landelijk belemmeringen zijn in het tijdig bieden van passende hulp. De inspecties spreken de stelselverantwoordelijke ministers hierop aan in het landelijke rapport.
4 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Inhoudsopgave 1 Inleiding ...........................................................................................................................6 1.1 1.2 1.3
Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd ..............................................................6 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel .....................................................6 Opzet van het onderzoek .........................................................................................6
2 De jeugdbeschermingsregio Brabant ....................................................................................8 2.1 2.2 2.3
Beschrijving jeugdbeschermingsregio Brabant ............................................................8 Beschrijving betrokken GI’s ......................................................................................9 Verbeterplan april 2020 ...........................................................................................9
3 Indruk na de monitoringsfase ............................................................................................ 10 3.1 3.2
Beschrijving doorbraakaanpak jeugdbeschermingsregio Brabant ................................. 10 Beeld op basis van monitoring ................................................................................ 11
4 Resultaten van de praktijktoets ......................................................................................... 12 5 Conclusie ........................................................................................................................ 20 5.1 5.2 5.3
Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers ............................................................................................... 20 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ............................ 20 Vervolg: Verscherpt toezicht ................................................................................... 21
Bijlage – Reactie namens de jeugdbeschermingsregio Brabant ................................................. 23
5 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
1 Inleiding Dit rapport van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid (hierna: de inspecties) geeft antwoord op de vraag of elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel 1 in de jeugdbeschermingsregio 2 Brabant tijdig een vaste jeugdbeschermer, tijdig een gedragen koers en tijdig passende hulp krijgt.
1.1 Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd In het najaar van 2019 hebben de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Justitie en Veiligheid in het rapport en signalement met de titel Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd respectievelijk Jeugdbeschermingsketen in gevaar geoordeeld dat de wijze waarop jeugdbescherming en jeugdreclassering op dat moment werd uitgevoerd niet acceptabel was. De inspecties oordeelden dat de overheid onvoldoende haar verantwoordelijkheid nam om kinderen te beschermen die ernstig in hun ontwikkeling werden bedreigd. Daarnaast constateerden zij structurele problemen die ertoe leidden dat de jeugdbeschermingsketen maximaal onder druk stond. De inspecties vonden dat er direct stappen moesten worden gezet die ertoe leidden dat kwetsbare kinderen zonder vertraging hulp krijgen. Hierop hebben de inspecties een intensief toezicht traject ingezet.
De bescherming van kwetsbare kinderen: een overheidstaak Ieder kind heeft recht op bescherming tegen mishandeling. Hieronder vallen alle vormen van lichamelijke en geestelijke mishandeling, verwaarlozing en (seksueel) misbruik. Zowel in het gezin als daarbuiten. De overheid is verplicht maatregelen te nemen om kindermishandeling te voorkomen. Ook moet de overheid zorgen voor opvang en behandeling van kinderen die hiervan slachtoffer zijn (artikel 19 IVRK).
1.2 Doorbraak nodig voor kinderen met een maatregel In 2020 en 2021 volgden de inspecties de activiteiten die moeten leiden tot een directe verbetering op de korte termijn en structurele verbetering op de langere termijn. In de voortgangsrapportage van oktober 2020 deden de inspecties verslag van de eerste bevindingen. De inspecties zagen dat er voor de langere termijn een positieve beweging in gang is gezet, maar stelden tegelijkertijd vast dat de jeugdbescherming en jeugdreclassering nog niet op orde waren. Om die reden hebben de inspecties gevraagd om een doorbraak te forceren voor alle kinderen met een jeugdbescherming of -reclassering maatregel door middel van een onorthodoxe actiegerichte aanpak. De doorbraakaanpak moest ertoe leiden dat voor elk kind met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer wordt toegewezen, tijdig een gedragen koers is uitgezet en dat tijdig passende hulp wordt ingezet die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico. En dat daarmee de uitspraak van de rechter tijdig wordt uitgevoerd.
1.3 Opzet van het onderzoek Monitoring Van oktober 2020 tot en met februari 2021 hebben de inspecties de doorbraakaanpak van elke jeugdbeschermingsregio gemonitord door frequente gesprekken met door de regio aangewezen contactpersonen, de betrokken ambtenaren te voeren. In deze gesprekken werd telkens de stand van zaken omtrent bovengenoemde normen en de doorbraakaanpak besproken. 1 2
Hiermee worden zowel de jeugdbeschermings- als ook de jeugdreclasseringsketen bedoeld. De inspecties zijn bij het toezicht in de regio’s uitgegaan van de gebieden waarbinnen een regionale gecertificeerde instelling werkzaam is en benoemen deze gebieden in het rapport als ‘jeugdbeschermingsregio’. Voor de meeste jeugdbeschermingsregio’s komen deze grenzen overeen met de provinciegrenzen van één of twee provincies. In Noord- en Zuid-Holland zijn twee regionale gecertificeerde instellingen werkzaam.
6 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Verdiepende praktijktoets In maart 2021 hebben de inspecties tijdens de verdiepende praktijktoets getoetst of kinderen met een jeugdbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een jeugdbeschermer, gedragen koers en passende hulp hebben. Dit hebben zij gedaan door middel van dossiertoetsen en gesprekken met kinderen, ouders en jeugdbeschermers/jeugdreclasseerders. In dit rapport staan de resultaten en conclusies van de monitoring en de verdiepende praktijktoets.
7 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
2 De jeugdbeschermingsregio Brabant 2.1 Beschrijving jeugdbeschermingsregio Brabant De jeugdbeschermingsregio Brabant heeft vijf jeugdhulpregio’s die 62 gemeenten vertegenwoordigen met ongeveer 2,5 miljoen inwoners. Inkoop en tarieven De accounthoudende 3 gemeenten voor de regio voor jeugdbescherming en jeugdreclassering zijn Tilburg en Eindhoven. Deze inkoop is bovenregionaal gecoördineerd voor alle vijf jeugdhulpregio’s in Brabant. Sinds 2020 wordt in vier van de vijf regio’s hetzelfde tarief gerekend voor jeugdbescherming en jeugdreclassering via de productiegerichte financiering (p*q). De jeugdhulpregio Zuidoost-Brabant is hierbij aangesloten per 1 januari 2021. Elke jeugdhulpregio hanteert zijn eigen werkwijzen en verantwoordingswijzen voor de GI’s. Binnen de jeugdhulpregio’s kan er ook een verschil zijn tussen de gemeenten. Er is sinds 2019 een discussie tussen de regio en de GI’s over het tarieven voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. De GI’s geven aan dat het tarief niet kostendekkend is. Hoewel dit alle betrokken GI’s betreft, is de consequentie voor Jeugdbescherming Brabant (hierna: JBB), het grootst doordat zij als regionale GI alleen een contract hebben in deze regio. Om deze reden heeft JBB in eerste instantie niet meegedaan aan de aanbestedingsprocedure van 2019.
Er is uiteindelijk een afspraak gemaakt over een kostprijsonderzoek en over de terugwerkende kracht van het vast te stellen tarief. Op basis van deze afspraken heeft JBB meegedaan met de aanbesteding. Het kostprijsonderzoek is in 2020 uitgevoerd en heeft geen instemming opgeleverd over het te hanteren tarief. Nu is de Jeugdautoriteit gevraagd om tot een gedragen tarief te komen voor jeugdbescherming en jeugdreclassering. Alle betrokkenen ervaren dat de gesprekken tussen de gemeenten en de GI’s niet meer over de inhoud, innovatie of de kwaliteit van zorg gaan, maar voornamelijk over geld en de tarieven. Dit belemmert de voortgang van de transformatie binnen de jeugdhulpregio’s. Inkoop (specialistische) jeugdhulp De visie voor jeugdhulp in Brabant is ‘Wonen doe je thuis’; ‘kinderen wonen zo veel mogelijk thuis of groeien op in een zoveel mogelijk op thuis lijkende situatie, indien dit niet mogelijk is, wordt het kind elders geholpen’, waarmee de nadruk komt te liggen bij ambulante jeugdhulp en begeleiding en minder residentiele hulp wordt ingezet. Deze wordt ook gehanteerd voor de inkoop. De vijf jeugdhulpregio’s hanteren een eigen inkoopprocedure en er is veel diversiteit aan beleid per regio en/of gemeente. Zo koopt de regio West-Brabant West resultaatgericht in. Waar andere regio’s een vast tarief per geleverd traject hanteren, of productiegericht financieren.
De consequentie is dat iedere jeugdhulpregio andere procedures hanteert voor het aanvragen van de jeugdhulpbepalingen. Tevens is de toegang lokaal verschillend ingericht. Ook voor de route nietingekochte zorg is per jeugdhulpregio of per gemeente een andere werkwijze. De jeugdhulpregio's hanteren geen budgetplafonds. Enkele gemeenten geven aan dat er geen hulp gestapeld mag worden. De gemeenten stimuleren aanbieders voldoende aanbod te leveren. Vaak wordt deskundig en gespecialiseerd personeelstekort als belemmerende factor genoemd. Dit geldt voor alle typen zorg. De gesloten jeugdhulp wordt bovenregionaal ingekocht. Echter, hier wordt door de jeugdhulpregio’s steeds gekeken wat de meest logische samenwerkingspartner is. Zo kopen de jeugdhulpregio’s West-Brabant Oost en West-Brabant West de gesloten jeugdhulp samen in met Zeeland, de andere drie regio’s samen met Limburg.
3
Voor elke gecertificeerde instelling is binnen de jeugdbeschermingsregio een accounthoudende jeugdhulpregio aangewezen die naar andere jeugdhulpregio’s acteert bij risico’s van discontinuïteit.
8 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
2.2 Beschrijving betrokken GI’s In Brabant zijn ten tijde van het toezicht vijf GI’s actief, namelijk: Jeugdbescherming Brabant (hierna; JBB), William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna; WSS), Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna; LJ&R), Jeugd Veilig Verder 4 (hierna; JVV) en Briedis 5. JBB is de regionale GI. JVV is werkzaam in Zuidoost-Brabant en in Gelderland. Beide GI’s bieden jeugdbescherming en jeugdreclassering. Briedis is nu nog werkzaam in meerdere regio’s in het land en biedt alleen jeugdbescherming, maar gaat op korte termijn alle zaken overdragen naar andere GI’s. LJ&R en de WSS zijn werkzaam in heel Nederland. Beide GI’s richten zich op een specifieke doelgroep. LJ&R heeft te maken met gezinnen en jongeren die vastlopen in complexe situaties en met meervoudige problematiek. Het gaat hierbij vaak om langdurige problematiek. De WSS biedt ondersteuning en hulp aan kinderen met een (verstandelijke) beperking of chronische ziekte, en/of aan kinderen van ouders met een beperking. Iedere jeugdhulpregio heeft zijn eigen contracten afgesloten met de GI’s. Zo ook de accounthoudende regio’s en zij zijn alleen verantwoordelijk voor hun eigen contracten. De accounthoudende regio Hart van Brabant is namens de vijf Brabantse jeugdhulpregio’s verantwoordelijk voor de contracten met JBB.
Zuidoost-Brabant is de accounthoudende regio voor JVV.
2.3 Verbeterplan april 2020 Naar aanleiding van het rapport van de inspecties van oktober 2019 ‘kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd’ is door de VNG aan de accounthoudende wethouder gevraagd om namens de regio met de betrokken GI’s een verbeterplan op te stellen. De onderdelen van dit plan waar verbeterpunten op zijn geformuleerd waren: tarieven/caseload voor jeugdbescherming en jeugdreclassering, het verbeteren van het beschikbare hulpaanbod, het uniformeren van de jeugdhulpbepaling, inrichten zorgbemiddeling/schakelteams.
4 5
JVV is onderdeel van Jeugdbescherming Regio Amsterdam Briedis is per 1 juni 2021 failliet verklaard.
9 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
3 Indruk na de monitoringsfase Tijdens de monitoringsfase van oktober 2020 tot en met februari 2021 voerden de inspecties maandelijks gesprekken met een beleidsadviseur en een beleidsontwikkelaar van de accounthoudende gemeenten, die als contactpersonen zijn aangewezen voor Brabant. Tijdens deze gesprekken werd de stand van zaken omtrent de tijdig vaste jeugdbeschermer, de tijdig gedragen koers en de tijdige passende hulp en de doorbraakaanpak besproken. Vanuit de IGJ werden deze gesprekken door twee inspecteurs gevoerd. In totaal waren er vier monitoringsgesprekken. Naast de contactpersonen schoven eenmalig vertegenwoordigers van JBB en LJ&R aan bij het monitoringsgesprek. In dat zelfde gesprek en het daaropvolgende monitoringsoverleg waren ook de beleidsadviseurs van de andere jeugdhulpregio’s aanwezig. Aanvullend hebben de inspecteurs het beeld verbreed door gesprekken te voeren met een aantal professionals in januari 2021. Dit waren afzonderlijke gesprekken met de voorzitter van het bovenregionale expertisenetwerk, een vertegenwoordiging van het expertteam in een jeugdhulpregio, de beleidsadviseur van één van de jeugdhulpregio’s en met JBB.
3.1 Beschrijving doorbraakaanpak jeugdbeschermingsregio Brabant Opzet van doorbraakaanpak De regio heeft de noodzakelijke gegevens voor de doorbraakaanpak opgevraagd bij de GI’s. Deze werden verzameld en vervolgens uitgesplitst naar de vijf jeugdhulpregio’s. Op casusniveau is in de jeugdhulpregio’s gekeken hoe een doorbraak kon worden aangepakt. Elke jeugdhulpregio gaf hier uitvoering aan binnen de structuur en afspraken van die jeugdhulpregio. Zo hebben in enkele regio’s de jeugdbeschermer en de medewerkers van de lokale teams samengewerkt, eventueel met inzet van het regionale expertteam. De werkwijze in een andere jeugdhulpregio was dat het expertteam al eerder betrokken werd. Indien noodzakelijk kon worden opgeschaald naar het OZJ team en naar het bovenregionaal Expertisecentrum 6. Aanpassing gedurende de doorbraakaanpak Naast de acties vanuit de jeugdhulpregio’s is een structuur opgezet om tussen de jeugdhulpregio’s onderling af te stemmen over de doorbraakaanpak. Naast vertegenwoordigers van de vijf jeugdhulpregio’s, participeerden de GI’s en het bovenregionaal expertisenetwerk in dit overleg. In dit overleg is gekeken naar rode draden gedurende de doorbraakaanpak en is steeds beter het zorglandschap in kaart gebracht.
Inzicht in aantallen JBB heeft ervoor gekozen om bij de opgave van het aantal gezinnen zonder vaste jeugdbeschermer alle gezinnen op de wachtlijst op te nemen, ondanks dat deze gezinnen wel een, weliswaar tijdelijke, jeugdbeschermer hebben die voor hen beschikbaar is en die met hen aan de slag gaat. De inspecties vinden dit transparant maar het beeld in vergelijking tot de andere GI’s in de regio is hierdoor vertekend en lijkt minder positief. Binnen de regio was het lastig om de juiste aantallen rond passende hulp boven tafel te krijgen. Dit had te maken met het feit dat bij JBB, in het begin niet bij alle jeugdbeschermers de aantallen had opgevraagd en de gegevens soms met vertraging aangeleverd werden. Dit betrof met name de aantallen jeugdigen die wachtten op passende hulp. Bij zowel de gemeenten als bij de GI’s was dit informatie die niet uit de systemen te halen was. Dit moest per jeugdbeschermer worden geïnventariseerd. De lijst is gedurende de monitoringsfase compleet gemaakt, zodat er sprake was van een complete lijst per startdatum van de doorbraakaanpak (begin november 2020).
6
Dit centrum was in de monitoringsfase nog in opbouw. Het centrum richt zich op die casuïstiek waar de zorg (nog) niet voor bestaat. Voor het bovenregionale expertise centrum Brabant heeft ook de gemeente Eindhoven als opdrachtgever.
10 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Er is in de regio voor gekozen om deze complete lijst statisch te houden om de voortgang te monitoren. Jeugdigen waar inmiddels ook de doorbraakaanpak voor nodig was doordat ze langer dan drie maanden moesten wachten op passende hulp zijn op een aparte lijst bijgehouden.
3.2 Beeld op basis van monitoring Tijdig vaste jeugdbeschermer Binnen de vijf jeugdhulpregio’s in Brabant is er geen doorbraakaanpak geformuleerd voor de tijdige inzet van een vaste jeugdbeschermer. De jeugdhulpregio’s gaven aan dit te zien als de verantwoordelijkheid van de GI’s. Over JBB concludeerden de inspecties aan het eind van de monitoringsfase dat het niet volledig aan de norm ‘tijdig een vaste jeugdbeschermer’ kon voldoen. JBB gaf aan dat dit mede kwam door de arbeidsmarktproblematiek en doordat er geen overeenstemming was over een kostendekkend tarief. Om dit op te vangen zette JBB het zogenoemde ‘beperkt hulpaanbod’ in waarbij er een tijdelijke jeugdbeschermer aan het gezin gekoppeld werd. De andere GI’s gaven aan het einde van de monitoringsfase aan, bij alle maatregelen direct een vaste jeugdbeschermer te kunnen toekennen. Tijdig gedragen koers Binnen de vijf jeugdhulpregio’s in Brabant is geen doorbraakaanpak ingezet voor de tijdig gedragen koers. De jeugdhulpregio’s gaven aan dit te zien als de verantwoordelijkheid van de GI’s, omdat dit een vast onderdeel is van de werkwijze van de GI’s. De GI’s gaven hierbij aan dat een tijdig gedragen koers een vast onderdeel is van de werkwijze en dit geen aparte aanpak vroeg.
Tijdig passende hulp Het beeld dat de inspecties op basis van de monitoring hebben gekregen is dat in binnen de vijf jeugdhulpregio’s in Brabant de doorbraakaanpak deels heeft bijgedragen aan het afnemen van het aantal jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel die wachtten op passende hulp. De statische lijst van 149 jeugdigen met een jeugdbeschermingsmaatregel die wachtten op passende hulp was aan het eind van de monitoringsfase teruggebracht naar 32 jeugdigen bij het afronden van de monitoringsfase. Deze 32 jeugdigen hadden bij de start in november 2020 al langer dan drie maanden geen passende hulp gekregen en wachten daarmee aan het einde van de monitoringsfase al meer dan zes maanden op passende hulp. Ter afronding van de monitoringsfase waren er 46 jeugdigen op de tweede lijst, maar dit waren niet allemaal jeugdigen die wachten op passende hulp. De belemmerende factoren zijn de lange wachtlijsten bij de jeugdhulpaanbieders (o.a. door tekort aan specialistisch personeel) en het ontbreken van regie op de wachtlijsten.
11 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
4 Resultaten van de praktijktoets In dit hoofdstuk geven de inspecties hun conclusies uit de praktijktoets weer per norm. De inspecties hebben in Brabant 27 dossiers onderzocht, 12 gesprekken met jeugdbeschermers gevoerd en 9 gesprekken met ouders en kinderen. Aanvullend hierop zijn de inspecties in april 2021 in gesprek gegaan met de verantwoordelijk wethouders van de jeugdhulpregio’s Hart van Brabant, West-Brabant Oost, West-Brabant West en Noordoost-Brabant over de voorlopige bevindingen van de inspecties uit de monitoring en de praktijktoets in de jeugdhulpregio. Zuidoost-Brabant was ambtelijk vertegenwoordigd. Hieronder gaan de inspecties in op de bevindingen per norm. De regio heeft aangegeven meer en meer als regio te willen gaan opereren. Om die reden is er geen splitsing gemaakt naar de jeugdhulpregio’s. Daar waar een jeugdhulpregio negatief of positief afwijkt, benoemen de inspecties dit. Ditzelfde geldt voor de GI’s. De casuïstiek is opgehaald bij de GI’s. Het bleek niet noodzakelijk op casuïstiek niveau om andere hulpverleners te interviewen. De consequentie hiervan is dat de opgenomen voorbeelden en quotes, vanuit het perspectief van de jeugdbeschermers zijn geschreven. De quotes die zijn opgenomen betreffen een bepaalde gemeente, aanbieder of GI. De inspecties hebben de quotes niet gespecificeerd.
Bevindingen op basis van de normen
Norm 1
Tijdig een vaste jeugdbeschermer voor elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel Vast: De jeugdbeschermer blijft gedurende de uitvoering van de OTS verbonden aan het gezin, of de wisseling van jeugdbeschermer vindt voorspelbaar / op vaste momenten plaats (bijv. na de afronding van het plan van aanpak). Er is hooguit één wisseling wegens verloop of ziekte. Bij wisseling komt het gezin niet bij bureaudienst / wachtlijstbeheer terecht. Tijdig: Binnen vijf werkdagen nadat de GI in kennis is gesteld is een jeugdbeschermer aan het kind / gezin gekoppeld.
Bevindingen De jeugdbeschermingsregio is er niet in geslaagd om tijdig een vaste jeugdbeschermer toe te wijzen aan elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elke jeugdige met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Brabant tijdig een vaste jeugdbeschermer had. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 35 casussen beoordeeld op een vaste jeugdbeschermer. Dit was in acht gevallen niet op orde (bij JBB, LJ&R en Briedis). De inspecties hebben in totaal 35 casussen beoordeeld op de tijdige beschikbaarheid van een jeugdbeschermer. Dit was in drie gevallen niet op orde. Arbeidsmarktproblematiek Voor de betrokken GI’s geldt het personeelsverloop als een groot knelpunt. Dit was ook aan de orde tijdens het toezicht in 2019. De oorzaken hiervoor zijn onveranderd ten opzichte van 2019. Jeugdbeschermers stromen uit naar jeugdhulpaanbieders, de lokale teams en andere organisaties binnen en buiten het jeugdhulpveld. De voornaamste reden voor vertrek is de mogelijkheid om met minder het werk te kunnen doen tegen veelal betere arbeidsvoorwaarden. Alle GI’s ondernemen acties om nieuwe jeugdbeschermers te vinden, te binden en te blijven boeien.
12 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Wachtlijstbeheer bij de GI’s Door het personeelstekort komt wachtlijstbeheer voor bij de betrokken GI’s. Wachtlijstbeheer doet geen recht aan de urgentie van een jeugdbeschermingsmaatregel. De inspecties beoordelen het werken met wachtlijstbeheer of ‘beperkt hulpaanbod’ tijdens deze praktijktoets als niet wenselijk, maar wel als voldoende, als de jeugdbeschermer daadwerkelijk met het gezin aan de slag gaat, in contact is met het gezin en samen met hen werkt aan een gedragen koers. Specifiek bij JBB hebben de inspecties 24 casussen in zijn geheel beoordeeld op zowel de normen tijdig een jeugdbeschermer en een vaste jeugdbeschermer. In de helft van de 24 zaken is het ‘beperkt hulpaanbod’ van JBB (wachtlijstbeheer) ingezet. In zes van deze onderzochte casussen is het wachtlijstbeheer onvoldoende actief opgepakt. De oorzaak hiervan was het vertrek van een aantal jeugdbeschermers die belast waren met het beperkt hulpaanbod. Hierdoor was sprake van meerdere wisselingen van jeugdbeschermers en niet voldoende frequent contact met de ouders en de jeugdigen.
Casus:
Een ouder verzoekt om de jeugdbeschermer die betrokken is vanuit het beperkt hulp aanbod betrokken te laten blijven voor de komende drie maanden tot de hulp goed ingebed is. Dit omdat met name de jeugdigen een goede klik hebben met de jeugdbeschermer. JBB heeft geregeld dat dit kon.
‘De transparantie van JBB over de inzet van het ‘beperkt hulpaanbod’ aan ouders is mooi, maar het zet mij als jeugdbeschermer binnen het beperkt hulpaanbod wel op achterstand. De ouders weten dat er nog iemand komt, soms maakt het dat je moeilijker binnenkomt’.
Een jeugdbeschermer Inwerken Nieuwe medewerkers krijgen een inwerkprogramma. De betrokken GI’s hebben hier op geïnvesteerd om verloop tegen te gaan. Desalniettemin geven nieuwe medewerkers aan dat het een zware baan is. Wel voelen zij zich gesteund door de organisatie en hun collega’s. De Covid-19 maatregelen werken belemmerend, er is minder contact en er zijn minder natuurlijke feedbackmomenten tussen jeugdbeschermers onderling. Covid-19 Ouders zijn positief over hun jeugdbeschermer als deze actief met hen aan de slag gaat. In de zaken met een lager veiligheidsrisico, maken jeugdbeschermers gedurende de Covid-19 crisis de afweging om vaker het contact via beeldbellen te zoeken. Ouders ervaren dat zij hierdoor minder een relatie met de jeugdbeschermer opbouwen. Werkdruk In de interviews geven de meeste jeugdbeschermers aan dat zij werkdruk ervaren. Deze werkdruk is afhankelijk van de complexiteit van de casuïstiek en de caseload. Medewerkers geven aan dat dit gedeeltelijk hoort bij het werk, doordat op onverwachte momenten crisissituaties ontstaan en een beroep op hen wordt gedaan.
Andere factoren van werkdruk zijn: het ontbreken van passende hulp, er is in de meeste gezinnen al veel geprobeerd in het voortraject wat niet gewerkt heeft, complexe scheidingen, uitval en vertrek van collega’s, door Covid-19 minder op huisbezoek, daardoor missen ‘soft signals’ en duurt het langer voordat hetzelfde beeld is opgehaald, vanuit de organisatie door gebrek aan financiën, toezichtsdruk vanuit de inspecties en het keurmerkinstituut. De werkdruk zorgt ervoor dat jeugdbeschermers telkens prioriteiten moeten stellen. Een te hoge werkdruk vormt een risico voor verloop.
13 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 2
Voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel tijdig een gedragen koers Tijdig: De koers is tijdig wanneer deze binnen zes weken is bepaald, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. Gedragen: De koers is gedragen als deze is uitgezet in samenspraak met het gezin, netwerk en met betrokken professionals. Wensen, behoeften, mogelijkheden van jeugdigen, ouders en netwerk zijn bekend bij hulpverleners. De jeugdige en ouders bepalen, binnen hun mogelijkheden, in samenspraak met de hulpverlener de hulpvraag en de doelen van de geboden hulp. Koers: Er is sprake van een koers bij een jeugdbeschermingsmaatregel als de doelen en de noodzakelijke hulp zijn bepaald, die leiden tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging / het recidiverisico. De inspecties spreken van een koers en niet van een ‘plan’. In de praktijk wordt de koers vastgelegd in een plan, maar het plan is het middel, niet het doel. Het moet voor hulpverleners, jeugdigen en hun ouders duidelijk zijn wat de doelen van de hulp zijn en hoe hieraan gewerkt wordt. De doelen en afspraken zijn haalbaar, concreet en ontwikkelingsgericht.
Bevindingen De jeugdbeschermingsregio is er grotendeels in geslaagd om tijdig een gedragen koers uit te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Brabant tijdig een gedragen koers had. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal 26 casussen beoordeeld op de aanwezigheid van een koers, de tijdigheid van deze koers en of er sprake was van een gedragen koers. Slechts in één casus was de koers niet tijdig. Uit de gesprekken met de jeugdbeschermers en de ouders komt naar voren dat het lastig is te komen tot een gedragen koers bij een complexe scheiding. Het al dan niet slagen van begeleiding van een complexe scheiding is mede afhankelijk van de vraag of ouders over en weer emotionele toestemming geven aan het kind voor contact met de andere ouder. Als deze emotionele toestemming ontbreekt, is het lastig voor de jeugdbeschermers de begeleiding goed uit te voeren. Dit vraagt tijd en aandacht om goed in contact te komen, terwijl de jeugdbeschermer deze tijd niet altijd heeft. Van alle onderzochte casussen in de regio betreft het 50% complexe scheidingen. Bij JBB betreft het bijna 65%.
Casus
Ouders zijn in februari 2020 gescheiden. Er is via politiemeldingen en Veilig Thuis in het vrijwillig kader hulp ingezet. Dit kwam onvoldoende op gang en daarom is een VOTS tijdens het raadsonderzoek uitgevoerd, die over ging naar een OTS. Ouders zijn uitgenodigd voor een eerste bijeenkomst, maar één van de ouders wil niet komen, omdat de andere ouder daar ook is terwijl de gezamenlijke start onderdeel is van de methode. Ondertussen zit de jeugdige klem tussen ouders en heeft aangegeven niet meer te willen leven.
14 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Bij alle GI’s geven goed toegeruste jeugdbeschermers mooie voorbeelden van de manier waarop zij inzicht verkrijgen in eventuele weerstand bij ouders en kinderen en deze weerstand weten om te vormen tot een positieve, coöperatieve houding. En het gezin zo te motiveren tot het bereiken van een doel, al dan niet met de inzet van hulpverlening. “Natuurlijk is er vaak weerstand, dat klopt, ik ben heel duidelijk, moeder heeft ook al geroepen tegen de Raad: ‘met deze dame ga ik nog wel botsen, maar dat heb ik ook nodig’. Het is zeker een moeder die mij eruit gaat zetten, dat is goed, dan ga ik en bel na een paar dagen weer. Meestal is de emotie dan wat gedaald en volgen dan de beste gesprekken.” Een jeugdreclasseerder
In verschillende dossiers die de inspecties hebben ingezien bij JBB, LJ&R en Briedis, zijn de handelingen en acties die de jeugdbeschermers hebben ingezet niet altijd zichtbaar en/of navolgbaar. Met name het contact tussen jeugdbeschermer en jeugdige is lastig te vinden in de dossiers. Tijdens de gesprekken met de jeugdbeschermers en de ouders komt naar voren dat in veel gevallen meer is gedaan dan in het dossier staat opgenomen en dat jeugdige wel degelijk zijn gezien en gesproken.
Casus
Een ouder van een eenouder gezin met drie kinderen heeft op de auto van de andere ouder van één van de kinderen ingeslagen bij het terugbrengen na een bezoek. Eén van de kinderen is in paniek weggerend en hierdoor raken politie en Veilig Thuis betrokken. De ouder wordt opgenomen (GGZ klachten). De kinderen verblijven bij familie maar daar blijkt al snel dat er geen draagkracht meer is. Het plan is gericht op een perspectief biedend pleeggezin. De ouder is het niet eens met het plan. Nadat een psychiater had beoordeeld dat de ouder wilsonbekwaam was, kon de jeugdbeschermer direct de acties uitvoeren. De kinderen verblijven inmiddels in een perspectief biedend pleeggezin.
15 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Norm 3
Tijdige inzet van passende hulp die leidt tot het opheffen van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico.
Passende hulp: Hulpverleners bieden hulp die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van jeugdigen en hun ouders. Daarnaast is de hulp bij een jeugdbeschermingsmaat-regel passend wanneer professional(s) kunnen toelichten en ouders/jeugdige ervaren dat de hulp bijdraagt aan het opheffen van de onveiligheid/ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk verminderen van het recidiverisico. De hulp is passend als deze overeenkomt met het plan, dat een gedragen koers bevat. De hulp is ook passend als blijkt dat professional en gezin het ingezette alternatief passend vinden. Tijdig: De hulp is tijdig wanneer binnen drie maanden na het uitspreken van de maatregel passende hulp is ingezet, of zoveel eerder als de jeugdbeschermer en betrokkenen noodzakelijk achten gezien de onveiligheid / ontwikkelingsbedreiging / recidive risico van het kind. De inspecties hanteren wat betreft de termijn hierbij het principe ‘comply or explain’. De hulp is niet gestart als na de intake het kind / gezin op een wachtlijst terecht komt. Indien het kind / gezin heeft moeten wachten op passende hulp, maar deze is in de doorbraakaanpak tot stand gekomen, dan beoordelen de inspecties dit positief.
Bevindingen De jeugdbeschermingsregio Brabant is er niet in geslaagd om tijdig passende hulp die leidt tot het afwenden van de ontwikkelingsbedreiging, respectievelijk het verminderen van het recidive risico, in te zetten voor elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel. Op basis van de monitoringsgesprekken verwachtten de inspecties dat niet elk kind met een jeugdbeschermings- en of jeugdreclasseringsmaatregel in Brabant tijdig passende hulp kreeg. Deze verwachting is tijdens de praktijktoets bevestigd. De inspecties hebben in totaal voor 31 jeugdigen met een maatregel beoordeeld of passende hulp is ingezet. Dit was voor 30 jeugdigen het geval. De inspecties hebben in totaal voor 30 jeugdigen met een maatregel beoordeeld of de hulp tijdig is ingezet. Dit was voor 17 jeugdigen het geval. Op het gebied van tijdige inzet van passende hulp zijn verschillen per jeugdhulpregio zichtbaar. Op basis van de aantallen casussen die per jeugdhulpregio zijn getoetst, kunnen de inspecties geen representatief beeld geven van de verschillen. De cijfers geven een voorzichtige indicatie dat de knelpunten in Noordoost Brabant en Zuidoost Brabant het grootst zijn is (in ongeveer 40% van de onderzochte casussen is tijdig passende hulp ingezet). In de andere drie jeugdhulpregio’s is dit percentage waar tijdig passende hulp is ingezet beduidend hoger, namelijk circa 70%.
Omdat de inspecties kwalitatief onderzoek hebben uitgevoerd en naast het uitdiepen van de casussen ook in algemene zin met jeugdbeschermers en jeugdhulpregio’s hebben gesproken over de passende hulp, kunnen zij toch een duiding en een richting geven van de knelpunten en de bevorderende factoren bij de tijdige inzet van passende jeugdhulp aan kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Daar waar een jeugdhulpregio negatief of positief afwijkt, benoemen de inspecties dit. Hiaten in het zorglandschap Uit de monitoringsfase bleek al dat er hiaten zijn in het zorglandschap. Deze werden bevestigd in de praktijktoets. Specifiek werd benoemd een tekort aan gezinshuizen, pleeggezinnen plus,
16 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
woonaanbod van 18- naar 18+, ambulante (GGZ) behandeling en een goed hulpaanbod met betrekking tot complexe scheidingen (dat laatste met name in Noordoost Brabant). Bij de inzet van jeugdhulp is er te weinig aanbod voor ambulante begeleiding en behandeling in een andere taal. En eventuele inzet van een tolk geeft vaak ‘gedoe’ over de kosten. De jeugdbeschermers geven aan dat de gemeenten hier geen budgetten voor hebben. De gemeenten geven aan dat een inzet van de tolk verrekend is in het tarief voor de GI. ‘Voor een gezin dat systemische therapie nodig heeft, heb ik dat eindelijk gevonden. Het reguliere aanbod kon ik niet inzetten in verband met taalproblemen. Die zoektocht heeft vijf maanden geduurd’. Een jeugdbeschermer
Bepaalde vormen van hulp hebben een te lange wachttijd Uit de monitoringsgesprekken, de analyse van het boven regionaal expertisenetwerk en de verdiepende praktijktoets komt een zelfde beeld. Een aantal specifieke vormen van hulp zijn onvoldoende beschikbaar (wachtlijsten). Dit leidt tot wachttijden voor hulp bij complexe scheidingen (behandeling van ouders en groepen voor kinderen) variërend van 6 weken tot 9 maanden, omgangsbegeleiding van 6 tot 9 maanden en specialistische J-GGZ, variërend van 3 tot 9 maanden. ‘Bij 90% van de Daarnaast is er een tekort aan woonplekken bij gezinshuizen casuïstiek is het langer wachten dan (gemiddeld 9 maanden wachten), gespecialiseerde pleegzorg en drie maanden’. woonplekken bij het vervolg na gesloten jeugdzorg. Ook de overgang van 18- naar 18+ is een knelpunt, onder andere omdat Een jeugdbeschermer de vervolghulp anders gefinancierd is. Jeugdbeschermers benoemen dat zij niet altijd goed weten welk passend aanbod beschikbaar is voor een jeugdige en dat het helpend is als iemand met kennis van de sociale kaart en de juiste expertise hierbij kan helpen. JBB werkt met ‘plaatsingscoördinatoren’ om de jeugdbeschermers te ondersteunen in hun zoektocht naar beschikbare hulp. In Noordoost Brabant is er sprake van bemiddeling rond de gezinshuizen.
In West-Brabant West kijkt het expertise team in een vroeg stadium mee met casuïstiek waardoor hun expertise in een vroeg stadium wordt meegenomen in de bepaling van de passende hulp. Uit de gesprekken met de jeugdbeschermers komt naar voren dat de jeugdbeschermers op zoek gaan naar een alternatief als de wachtlijst langer is dan zes tot acht weken. Ambulante opvoedondersteuning of een ambulante begeleider voor de jeugdige wordt ingezet om de wachtperiode te overbruggen. Als er sprake is van jeugdreclassering betekent dit vaak dat de jeugdreclasseerders zelf meer gaan doen. “Er is een lange wachttijd voor een psychologisch onderzoek. Ik heb dat kunnen versnellen. Ik kende de onderzoeker, die versnelt dan ook door de relatie”. Een jeugdbeschermer Een bijkomend probleem is dat GGZ-behandeling (waaronder traumabehandeling) of hulpaanbod rond complexe scheidingen niet kan starten, wanneer de situatie van het kind op dat moment niet stabiel is. De zorgaanbieders geven aan dat doordat er onvoldoende stabiliteit is bij de jeugdige of in het systeem de hulp niet kan starten. Bij complexe scheidingen is zichtbaar dat het ontbreken van de hulp, er sprake is van escalatie in de samenwerking tussen ouders. De kinderen zitten tussen de ouders in. Jeugdbeschermers geven aan dat dit schadelijk is voor de kinderen.
Tijdens de praktijktoets zijn de inspecties bij verschillende partijen uitspraken tegen gekomen als: ‘Wachtlijsten horen erbij’, ‘de wachtlijsten zijn van alle dag’ en ‘zolang ik binnen de jeugdzorg betrokken ben zijn er altijd al wachtlijsten’. Daarnaast constateren de inspecties dat de wachtlijsten een gegeven vormen voor jeugdbeschermers waarmee zij rekening houden en niet altijd reden is om op te schalen.
17 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Casus Betreft een kind van 7 jaar oud die op vrijwillige basis in een gezinshuis verbleef. Moeder wilde hem daar telkens uit ophalen. Na onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming is er een OTS en machtiging uithuisplaatsing uitgesproken. Er dient onderzoek plaats te vinden bij een GGZ-instelling om na te gaan wat de jeugdige nodig heeft en of moeder in staat is om de zorgtaken op zich te nemen. Hier is echter een wachtlijst van eerst zes maanden en momenteel zelfs een jaar. Navraag bij andere GGZ-instellingen bood geen soelaas, deze hebben dezelfde wachtlijsten. Voor de jeugdige moet duidelijkheid komen of moeder weer voor hem kan gaan zorgen en anders dient er een perspectief biedende plek worden gevonden. Veel stappen in het traject om te komen tot passende hulp De inspecties zijn in casuïstiek en gesprekken voorbeelden tegengekomen waarbij de passende hulp niet tijdig wordt ingezet als gevolg van de wijze waarop de gemeente de administratieve en soms ook inhoudelijke behandeling van een verwijzing door een GI heeft geregeld. Bij het zoeken van een aanbieder die passende hulp kan bieden, maken de jeugdbeschermers gebruik van hun eigen opgebouwde netwerk in de regio en gebruiken de kennis van hun collega’s. De jeugdbeschermers ervaren dit als helpend.
Of er voordat de jeugdhulpbepaling wordt aangevraagd wordt overlegd met de medewerkers van de lokale teams is afhankelijk van de casus en de individuele jeugdbeschermer. Wanneer de professional van het lokale team de jeugdhulpbepaling van de jeugdbeschermer ontvangt, kan het zijn dat de keuze die de jeugdbeschermer maakt in ogen van de professional van het lokale team niet het meest passend is. De medewerker van het lokale team gaat hierover het gesprek aan met de jeugdbeschermer. Een enkele jeugdbeschermer gaf aan dit als prettig en helpend te ervaren. De meeste jeugdbeschermers gaven aan dit te zien als inhoudelijke bemoeienis. Op basis van de beschikbare informatie en gesprekken heeft de jeugdbeschermer binnen de GI (multidisciplinair) en vaak ook al met de jeugdhulpaanbieder afgestemd. Er zijn alle afwegingen gemaakt. Het gesprek op inhoud met het lokale team is dan mosterd na de maaltijd vanuit het perspectief van de jeugdbeschermer. De inspecties benoemen in het rapport uit 2019 dat de gecertificeerde instelling de wettelijke taak heeft te bepalen of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de jeugdbeschermingsmaatregel. De Jeugdwet schrijft voor dat de GI hiertoe overlegt met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft.
Dit overleg is er primair op gericht om te weten welke jeugdhulp door de gemeente is gecontracteerd en anderzijds dat de gemeente als financier dient te weten welke jeugdhulp nodig wordt geacht (en dus moet worden ingekocht). Dit overleg is niet bedoeld om te komen tot overeenstemming over de bepaling van de jeugdhulp door de GI, de GI heeft hierin de eindverantwoordelijkheid. Goede samenwerking en gezamenlijke besluitvorming op casusniveau tussen gecertificeerde instelling moet gericht zijn op tijdige inzet van de passende hulp voor de jeugdige. Het administratieve en bureaucratische proces mag niet vertragen, of ertoe leiden dat de noodzakelijke hulp aan een jeugdige wordt onthouden. Het overleg dient plaats te vinden met inachtneming van de privacywetgeving en de regels omtrent het beroepsgeheim.
‘Elke gemeente werkt nog wel steeds anders, werk je alleen in één gemeente, of in één jeugdhulpregio, dan weet je goed hoe je de weg moet bewandelen. Maar heb je dan een casus in een andere gemeente of jeugdhulpregio dan moet je echt schakelen en de weg zoeken. Ik bel dan altijd met de gemeente, meestal de betrokken CJG’er of als geen CJG’er is dan het aanmeldteam van het CJG. Er is altijd wel iemand die kan helpen. Dan bel ik: dit is wat ik wil en kan dat? En hoe?’ Een jeugdbeschermer
18 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Casus
Jongen 17.5 jaar, ASS problematiek, gezocht naar beschermd wonen plek, zodat de jongen niet na de overgang van 18 weer moest verhuizen. De plek was gevonden. De jongen kon over een maand bij beschermd wonen gaan wonen. Uiteindelijk ging de gemeente niet akkoord (geen beschikking WMO afgegeven), vanuit de gemeente werd een gezinshuis passender gevonden. Maar de kamer was al ingericht, de jongen was er klaar voor. Uiteindelijk is de jongen bij een gezinshuis gaan wonen terwijl hij voorbereid was op plek beschermd wonen. Gelukkig was er wel een plek, maar voor de jongen was het een ervaring met heel veel frustratie, onrust en gedoe. Het valt de inspecties op dat de oplossingen vaak op casusniveau worden gevonden tussen de professionals van de lokale teams en de jeugdbeschermers. Een enkele keer wordt er opgeschaald maar ook dan lijkt de oplossing gericht te zijn op die ene casus en ontbreekt een overstijgende analyse van de casuïstiek en de samenwerking om hier van te leren voor andere casussen. Bij de doorbraakaanpak is er wel een rode draden analyse gemaakt. De jeugdhulpregio’s geven aan dat er geen budgetplafonds worden gehanteerd en dat het uitgangspunt is de beste hulp voor de kinderen, geld mag daarbij niet doorslaggevend zijn.
Verschillende jeugdbeschermers geven tijdens de verdiepende praktijktoets aan dat in de gesprekken met de lokale teams financiën wel genoemd wordt als een factor waarom iets wel of niet kan. Zo wordt bij een jeugdhulpbepaling specialistische intensieve jeugdhulp door het lokale team gevraagd of een goedkopere variant niet mogelijk is. Tevens is er soms discussie over het woonplaatsbeginsel (zie voorbeeld).
Casus
Een gezin verhuist van Flevoland naar Brabant. Het ging niet goed tussen moeder en puber zoon. De zoon heeft een breed netwerk in Flevoland en wil daar blijven. Dit is passend voor de jeugdige. De jeugdbeschermer heeft een familielid daar bereid gevonden om een netwerkpleeggezin te worden. De jeugdbeschermer heeft een verzoek voor netwerkscreening neergelegd bij pleegzorg Brabant, die verwijst naar pleegzorg Flevoland. Pleegzorg Flevoland vraagt de jeugdbeschermer eerst de jeugdhulpbepaling te organiseren. De Brabantse gemeente wijst naar Flevoland voor de financiering van deze jeugdhulp-bepaling, Flevoland weer naar Brabant. Dit duurt zo’n drie maanden. De jeugdbeschermer zit ertussen, maar is wel verantwoordelijk voor de inzet van de hulp. De netwerkpleegzorgplaatsing met de daaraan gekoppelde begeleiding voor het familielid, laat op zich wachten.
De discussie over financiën lijkt minder voor te komen bij de jeugdhulpregio WestBrabant West. Hier is de werkwijze dat de jeugdhulpaanbieders voor intensieve hulp gezamenlijk het hulpaanbod organiseren en gezamenlijk verantwoordelijk zijn het complete hulpaanbod. Daarnaast kijkt het expertise team in West-Brabant West in een vroeg stadium mee met casuïstiek waardoor hun expertise in een vroeg stadium wordt meegenomen in de bepaling van de passende hulp.
Behalve administratieve belemmeringen tussen de gemeente en de GI, zien de inspecties dit ook tussen de GI en zorgaanbieders bij de inzet van noodzakelijke hulp. Ook dit leidt tot vertraging van de inzet van passende hulp voor de jeugdige. Zo is het aanmeldingsproces bij aanbieders met name als van (beide) ouders nog handtekeningen, toestemming etc. gevraagd moet worden soms bureaucratisch. De jeugdbeschermers geven aan dat het feit dat er een jeugdbeschermer bij het gezin betrokken is en een rechter uitspraak heeft gedaan waardoor de hulp noodzakelijk is, dan onvoldoende is. Ook zijn de exclusie voorwaarden / contra indicaties van de jeugdhulpaanbieders niet altijd duidelijk waardoor er tijd verloren gaat. ‘Ik had mensen aangemeld voor parallel ouderschapscursus en ze waren de aanmelding kwijt bij de aanbieder, ik weet zeker dat ze aangemeld waren en ontvangen waren. Het gezin moest weer van voor af aan op de wachtlijst’. Een jeugdbeschermer
19 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
5 Conclusie 5.1 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig een gedragen koers De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om ervoor te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer heeft en dat voor elk kind met een maatregel tijdig een gedragen koers is uitgezet. De inspecties hebben in maart 2021 een praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties stellen vast dat de regio voor wat betreft de jeugdigen met een maatregel die wordt uitgevoerd door JBB niet aan de norm voldoet. Om kwalitatief goed en tijdig uitvoering te geven aan een jeugdbeschermings- en jeugdreclasseringsmaatregel, heeft een GI nodig dat het personeelsbestand op orde is en ruimte biedt voor onvoorziene situaties. Daarnaast is het belangrijk dat een GI kan investeren in de deskundigheid en het werkplezier van hun medewerkers. Dit vraagt (financiële) bewegingsruimte bij de GI. In Brabant lukt het JBB en de jeugdhulpregio’s nog niet om samen voorwaarden te creëren waardoor jeugdigen met een maatregel en hun ouders tijdig een jeugdbeschermer hebben. Naar het oordeel van de inspecties komt dit mede door het ontbreken van een kostendekkend tarief.
5.2 Elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp De inspecties hebben in oktober 2020 aan alle jeugdbeschermingsregio’s een termijn van vier maanden gesteld om te zorgen dat elke jeugdige met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig passende hulp ontvangt. De inspecties hebben in maart 2021 een verdiepende praktijktoets uitgevoerd om te toetsen of aan deze norm is voldaan. De inspecties hebben waardering voor de inspanningen die de jeugdbeschermingsregio Brabant heeft verricht bij het vormgeven en uitvoeren van de doorbraakaanpak. Tegelijkertijd stellen de inspecties vast dat de jeugdbeschermingsregio Brabant niet aan de norm voldoet. De doorbraakaanpak in de jeugdbeschermingsregio Brabant heeft onvoldoende tot het gewenste resultaat geleid. Voor jeugdigen en gezinnen die te maken krijgen met jeugdbescherming is het nodig dat de noodzakelijke hulp zonder vertraging wordt ingezet. De ontwikkeling van de jeugdige wordt ernstig bedreigd, de jeugdbeschermer heeft beperkt de tijd om in gedeelde verantwoordelijkheid met de ouders de ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige af te wenden. Een ondertoezichtstelling wordt hooguit voor een jaar uitgesproken. De inspecties vinden het niet acceptabel dat deze beperkte tijd, waarin de overheid direct ingrijpt in de verantwoordelijkheid van ouders, wordt gevuld met wachten.
Dit beperkt de mogelijkheden die een jeugdbeschermer heeft om samen met de jeugdige en zijn gezin de noodzakelijke stappen te zetten en kan leiden tot verergering van de problematiek. Een maatregel kán worden verlengd, maar de inspecties vinden het niet acceptabel wanneer deze verlenging het gevolg is van niet tijdige inzet van hulp. Het knelpunt in Brabant zit vooral in de tijdigheid waarmee de hulp wordt ingezet. Het is de inspecties gebleken dat het in de jeugdbeschermingsregio ontbreekt aan een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel. Het ontbreekt daarnaast aan mogelijkheden om tijdig verschillende vormen van specialistische jeugdhulp in te zetten als gevolg van wachtlijsten bij jeugdhulpaanbieders. Tevens bestaat er een houding ten opzichte van wachtlijsten, als iets wat erbij hoort. Dit belemmert het urgentiegevoel voor de oplossingen en het ‘out-of-the-box-denken’. Verder is het de inspecties gebleken dat (een aantal gemeenten in) de jeugdbeschermingsregio Brabant het proces om te komen tot passende hulp voor jeugdigen met een maatregel zodanig heeft ingericht dat dit de tijdige inzet van passende hulp vertraagt. Afhankelijk van de gemeente wordt niet zonder vertraging de jeugdhulp ingezet die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de
20 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
uitvoering van een jeugdbeschermingsmaatregel of machtiging uithuisplaatsing. De oorzaken lopen uiteen van een heroverweging door de gemeente (al dan niet gezamenlijk met de GI en zorgaanbieder) nadat de GI heeft bepaald wat nodig is, tot aan onderhandelingen over het resultaat met de zorgaanbieder bij resultaatgerichte financiering. Hier staat tegenover dat de inspecties de volgende positieve ontwikkelingen en bevorderende factoren zien in de jeugdbeschermingsregio. Door de doorbraakaanpak is in de regio de samenwerking verbeterd. Op zowel bestuurlijk, ambtelijk en uitvoerend niveau is er draagvlak om verder te gaan met de doorbraakaanpak en voor alle jeugdigen tijdige passende hulp te organiseren. Ondanks deze bevorderende factoren en positieve ontwikkelingen hebben de inspecties zorgen over de jeugdigen met een maatregel die op dit moment wachten op passende hulp en oorzaken die hieraan ten grondslag liggen.
5.3 Vervolg: Verscherpt toezicht Ten aanzien van de eerste norm over de tijdigheid van een jeugdbeschermer, constateren de inspecties dat verbetering op korte termijn nodig is. De inspecties voeren hierover een gesprek met de bestuurder van JBB en volgen daarna de verbetermaatregelen. Over de landelijk werkende instellingen (LJenR en WSS) rapporteren de inspecties wat betreft deze normen op geaggregeerd niveau in het landelijke rapport. Gelet op het voorgaande kunnen de inspecties er onvoldoende van uitgaan dat de betrokken partijen, onder regie van de accounthoudende regio, er op korte termijn in slagen om elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig passende hulp te bieden. De inspecties verwachten dat de gemeenten, de gecertificeerde instellingen, hun opdrachtgevers, lokale teams en zorgaanbieders alsnog aan deze norm voldoen en belemmeringen om aan de norm te voldoen wegnemen. De inspecties zullen hiertoe in de jeugdbeschermingsregio Brabant hiertoe verscherpt toezicht uitvoeren voor een periode van een half jaar en hierover indringende gesprekken voeren met de regio en gemeenten. Concreet verwachten de inspecties per direct dat de regio’s zorgen dat elk kind met een jeugdbeschermingsmaatregel tijdig een vaste jeugdbeschermer en tijdig passende hulp krijgt. Hiervoor is nodig: Gemeenten
Maak mogelijk dat de GI’s aan de norm ‘tijdig een vaste jeugdbeschermer’ kan voldoen door de belemmeringen weg te nemen. o Door binnen een maand over te gaan tot betaling van een kostendekkend tarief voor de GI’s in Brabant. o Neem hierin de kosten van een flexibele schil bij de inkoop van jeugdbescherming en jeugdreclassering mee zodat uitval kan worden opgevangen.
Maak mogelijk dat de GI de noodzakelijk geachte hulp zonder vertraging kan inzetten. Dat wil zeggen dat de inzet van hulp onverwijld plaatsvindt en dat de noodzakelijk geachte hulp niet wordt heroverwogen. o Stel een jeugdhulpbepaling van een GI niet ter discussie. o Neem bureaucratische belemmeringen weg.
GI’s
Overleg indien nodig tijdig met de daartoe aangewezen inhoudelijk deskundige van de gemeente over de beschikbaarheid en de mogelijkheden om de noodzakelijke hulp in te zetten.
21 | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Inspectie Justitie en Veiligheid
Tijdig wil zeggen: Gedurende of direct na het uitzetten van de koers met jeugdige, ouders en intern (en eventueel extern) betrokken disciplines.
Schaal tijdig op naar het expertteam indien de passende hulp niet tijdig beschikbaar blijkt.
Jeugdhulpregio’s, GI’s, zorgaanbieders en lokale teams gezamenlijk
Scherp gezamenlijk de doorbraakaanpak aan op basis van de analyse van de inspecties en zet deze in voor kinderen met een maatregel die nu wachten op passende hulp.
Daarnaast verwachten de inspecties in de periode van het verscherpt toezicht:
Dat (betrokken partijen in) de jeugdhulpregio’s in deze periode tot een gezamenlijke aanpak komen, waarvan zij aannemelijk kunnen maken dat dit op de korte termijn leidt tot een kwantitatief en kwalitatief toereikend passend specialistisch hulpaanbod voor kinderen met een jeugdbeschermingsmaatregel.