CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-18 RV Bijlage 9 Regels Herijking Nuenen West

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen West15.407 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Strijdig gebruik

Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen voor zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte; b. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor de uitoefening van een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; c. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor een andere functie dan wonen; d. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatie; f. het gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit; g. het gebruik van gronden en bouwwerken voor evenementen. 8.6

Afwijken van de gebruiksregels

8.6.1

Mantelzorg

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.5.2 onder a, voor het gebruik van een bijgebouw als een afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de toegestane bijgebouwen, met een maximale bebouwde oppervlakte van 80 m²; d. de afhankelijke woonruimte wordt bewoond door maximaal 1 huishouden, dat bestaat uit maximaal 2 personen; e. de afhankelijke woonruimte voor maximaal 10 jaar als zodanig in gebruik mag zijn; f. gewaarborgd is dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekt, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is. 8.6.2

Publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.5.2 onder b, voor het binnen een woning en/of bijgebouwen toestaan van een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, met dien verstande dat: a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en

28

Regels (vastgesteld)

b. c. d. e. f.

uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis; degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; de activiteit qua aard, omvang en uitstraling dient te passen in een woonomgeving; de activiteit niet vergunningplichtig mag zijn ingevolge de Wet milieubeheer; er geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit.

8.6.3

Kleinschalige andere functies

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.5.2 onder c, voor het toestaan van kleinschalige functies mits wordt voldaan aan de ruimtelijke, programmatische en milieutechnische uitgangspunten voor kleinschalige functies, zoals opgenomen in de beleidsregel 'kleinschalige andere functies'. 8.6.4

Geurgevoelige objecten

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.5.2 onder g teneinde geurgevoelige objecten toe te staan, met dien verstande dat de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven niet onevenredig mag worden geschaad.

Regels (vastgesteld)

29

Artikel 9 9.1

Woongebied - Uit te werken

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Woongebied - Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, waaronder begrepen zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimten en wooneenheden; b. verkeer en verblijfsvoorzieningen, in de vorm van (tijdelijke) bouwwegen, ontsluitingswegen, fiets- en voetpaden; c. aan huis verbonden beroepen of bedrijven; d. tuinen, paden, erven en erfafscheidingen; e. groenvoorzieningen; f. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen, waaronder collectieve energievoorzieningen in de vorm van waterpompen; i. geluidwerende voorzieningen; j. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; één en ander met bijbehorende voorzieningen. 9.2

Uitwerkingsregels

9.2.1

Algemeen

Het bevoegd gezag werkt de in lid 9.1 omschreven bestemming uit met inachtneming van de volgende regels: a. het totale aantal nieuw te bouwen woningen in de bestemmingen 'Woongebied - 1' 'Woongebied - 2' en 'Woongebied - Uit te werken' niet meer bedragen dan 1.615, met dien verstande dat: 1. voldaan moet worden aan de onderverdeling in wooncategorieën in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; 2. 425 nieuw te bouwen woningen op gronden met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' gebouwd moeten worden. b. de uitwerking van de in lid 9.1 omschreven functies moet plaatsvinden conform de bestemmingsregels voor de bestemmingen zoals opgenomen in artikelen 'Gemengd', 'Groen', 'Verkeer', 'Woongebied - 1' en 'Woongebied - 2'; c. bij uitwerking wordt de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit' nader uitgewerkt voor het uitwerkingsgebied; d. ten minste 1,5 hectare aan groenvoorzieningen wordt gerealiseerd, met dien verstande dat dat in maximaal twee parken gerealiseerd moet worden; e. de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling moet worden aangetoond. 9.3

Bouwregels

9.3.1

Voorlopig bouwverbod

Het is verboden voor de gronden met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken': a. een uitwerkingsplan vast te stellen, alvorens: 1. voor 90% van de woningen in de sociale sector zoals bedoeld in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma', in de bestemming 'Woongebied - 1' en de bestemming 'Woongebied - 2' een omgevingsvergunning is verleend; 2. voor 90% van alle woningen in de bestemmingen 'Woongebied - 1' én 'Woongebied - 2' een omgevingsvergunning is verleend. b. de gronden met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' mogen pas bebouwd worden nadat het uitwerkingsplan voor deze gronden onherroepelijk is geworden. 9.4

Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 9.3.1 om een omgevingsvergunning voor nieuwe woningen in 'Woongebied - Uit te werken' te verlenen indien

30

Regels (vastgesteld)

a. voor 80% van alle woningen in de bestemming 'Woongebied - 2', een omgevingsvergunning is verleend, met uitzondering van de kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap zoals bedoeld in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; b. in de bestemming 'Woongebied - 2' niet langer alle kwalitatieve woningtypologieën, zoals benoemd in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma', aangeboden kunnen worden; c. het programma aan sociale woningen, zoals bedoeld in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma', voor 100% gerealiseerd is.

Regels (vastgesteld)

31

Artikel 10 10.1

Leiding - Hoogspanningsverbinding 1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsleiding van ten hoogste 380 kV. 10.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 10.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 10.2 onder b, met dien verstande dat: a. de bij de betrokken bestemming(en) behorende bouwregels in acht worden genomen; b. het belang van de leiding(en) niet onevenredig wordt geschaad; c. advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. 10.4

Specifieke gebruiksregels

Het opslaan van goederen, met uitzondering van het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de hoogspanningsleiding, is niet toegestaan, tenzij hiervoor toestemming is gegeven door de leidingbeheerder. 10.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 10.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f.

het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en bomen; het rooien van hoogopgaande beplanting en bomen; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen en egaliseren; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; h. het slopen van opstallen; i. het aanleggen van een zonnepark; j. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren. 10.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van sublid 10.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 10.3 bedoeld; b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

32

Regels (vastgesteld)

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. 10.5.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden kan worden verleend nadat voorafgaand schriftelijk positief advies van de betreffende leidingbeheerder is gekregen en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding.

Regels (vastgesteld)

33

Artikel 11 11.1

Leiding - Hoogspanningsverbinding 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een bovengrondse hoogspanningsleiding van ten hoogste 150 kV. 11.2

Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 11.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 11.3

Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van lid 11.2 onder b, met dien verstande dat: a. de bij de betrokken bestemming(en) behorende bouwregels in acht worden genomen; b. het belang van de leiding(en) niet onevenredig wordt geschaad; c. advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. 11.4

Specifieke gebruiksregels

Het opslaan van goederen, met uitzondering van het opslaan van goederen ten behoeve van inspectie en onderhoud van de hoogspanningsleiding, is niet toegestaan, tenzij hiervoor toestemming is gegeven door de leidingbeheerder. 11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 11.5.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. e. f.

het aanbrengen van hoogopgaande beplantingen en bomen; het rooien van hoogopgaande beplanting en bomen; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het indrijven van voorwerpen in de bodem; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen en egaliseren; g. het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; h. het slopen van opstallen; i. het aanleggen van een zonnepark; j. het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen opleveren. 11.5.2 Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod Het verbod van sublid 11.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning is verleend, zoals in lid 11.3 bedoeld; b. normaal onderhoud en beheer ten aanzien van de leiding en belemmeringenstrook of ten aanzien van de functies van de andere voorkomende bestemming(en) betreffen;

34

Regels (vastgesteld)

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan. 11.5.3 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden kan worden verleend nadat voorafgaand schriftelijk positief advies van de betreffende leidingbeheerder is gekregen en mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de hoogspanningsverbinding.

Regels (vastgesteld)

35

Artikel 12 12.1

Waarde - Archeologie hoog

Bestemmingsomschrijving

12.1.1 Bescherming archeologische waarden De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. 12.1.2 Samenhang met overige regels Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen dubbelbestemmingen, bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 21.1. 12.2

Bouwregels

12.2.1 Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen welke betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie hoog', dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 12.2.2 Toepassingscriteria Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 12.2.1 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. dan wel nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veilig gesteld; c. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de vergunning verbonden voorschriften. 12.2.3 Voorschriften aan vergunning In de situatie als bedoeld in artikel 12.2.2 onder b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.

de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 12.2.4 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 12.2.1, 12.2.2 en 12.2.3 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a. b. c. d.

normale onderhoudswerkzaamheden; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd; e. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; f. werken of werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m²; g. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 30 centimeter en zonder 36

Regels (vastgesteld)

heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of; h. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen. 12.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 12.3.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ophogen, ontginnen, tot een diepte van meer dan 30 centimeter en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 centimeter; b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van (scherpe) voorwerpen in de bodem; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; h.

het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. 12.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 12.3.1 is niet van toepassing op: a. b. c. d.

normale onderhoudswerkzaamheden; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd; e. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 12.2 van toepassing is; f. werken of werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 500 m²; g. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; h. werken of werkzaamheden die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 12.3.3 Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 12.1 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie hoog' dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

12.3.4 Toepassingscriteria De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 12.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 12.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

Regels (vastgesteld)

37

12.3.5 Voorschriften aan vergunning In de situatie als bedoeld in artikel 12.3.4, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 12.4

Wijzigingsbevoegdheid

Het college van burgemeester en wethouders kan de bestemming wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie hoog', als bedoeld in 12.1 geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

38

Regels (vastgesteld)

Artikel 13 13.1

Waarde - Archeologie middelhoog

Bestemmingsomschrijving

13.1.1 Bescherming archeologische waarden De voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van oudheidkundig waardevolle elementen en terreinen. 13.1.2 Samenhang met overige regels Voor zover de gronden tevens zijn gelegen binnen de overige aangewezen dubbelbestemmingen, bestemmingen en aanduidingen, zijn mede de desbetreffende regels van toepassing, met inachtneming van de voorrangsregels uit artikel 21.1. 13.2

Bouwregels

13.2.1 Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen welke betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie hoog', dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 13.2.2 Toepassingscriteria Het bevoegd gezag verleent de omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend indien naar hun oordeel uit het rapport als bedoeld in artikel 13.2.1 genoegzaam blijkt dat: a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad; b. dan wel nadat door nader archeologisch onderzoek de aanwezige archeologische waarden zijn veilig gesteld; c. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de vergunning verbonden voorschriften. 13.2.3 Voorschriften aan vergunning In de situatie als bedoeld in artikel 13.2.2 onder b, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan een omgevingsvergunning voor het bouwen verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.

de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 13.2.4 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 13.2.1, 13.2.2 en 13.2.3 is niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op: a. b. c. d.

normale onderhoudswerkzaamheden; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd; e. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; f. werken of werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m²; g. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden niet dieper dan 30 centimeter en zonder Regels (vastgesteld)

39

heiwerkzaamheden kan worden geplaatst, of; h. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd, waarvan de bouwhoogte maximaal 3,00 meter mag bedragen. 13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 13.3.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, en/of werkzaamheden uit te voeren: a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ophogen, ontginnen, tot een diepte van meer dan 30 centimeter en het aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 centimeter; b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van (scherpe) voorwerpen in de bodem; c. het verlagen of verhogen van het waterpeil; d. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; e. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur tenzij zulks noodzakelijk is voor of verband houdt met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; g. het graven of dempen van sloten, watergangen, vijvers of vaarten; h.

het tot stand brengen en of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; i. het aanleggen of verbreden/verharden van wegen, voet-, of fietspaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen. 13.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in artikel 13.3.1 is niet van toepassing op: a. b. c. d.

normale onderhoudswerkzaamheden; werken of werkzaamheden van ondergeschikte betekenis; werken of werkzaamheden in het kader van het normale bodemgebruik; werken of werkzaamheden die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan in uitvoering zijn of krachtens een voor dat tijdstip verleende (omgevings)vergunning/ontheffing of anderszins mogen worden uitgevoerd; e. werken of werkzaamheden die worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 13.2 van toepassing is; f. werken of werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van ten hoogste 2.500 m²; g. werken of werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; h. werken of werkzaamheden die ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. 13.3.3 Onderzoeksplicht De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, als bedoeld in artikel 13.2 die betrekking heeft op gronden, die zijn aangewezen voor 'Waarde - Archeologie middelhoog' dient een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.

13.3.4 Toepassingscriteria De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 13.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien door die werken of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct hetzij indirect te verwachten gevolgen voor de in artikel 13.1 genoemde waarden en doeleinden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor herstel van de bedoelde waarden, niet wezenlijk worden of kunnen worden verkleind.

40

Regels (vastgesteld)

13.3.5 Voorschriften aan vergunning In de situatie als bedoeld in artikel 13.3.4, kan het bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, verbinden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties; d. indien sub c van toepassing is, een regeling omtrent de gevolgen bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden. 13.4

Wijzigingsbevoegdheid

Het college van burgemeester en wethouders kan de bestemming wijzigen door de bestemming 'Waarde - Archeologie hoog', als bedoeld in 13.1 geheel of gedeeltelijk te laten vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

Regels (vastgesteld)

41

Hoofdstuk 3 Artikel 14

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

42

Regels (vastgesteld)

Artikel 15 15.1

Algemene bouwregels

Bestaande maten

Met betrekking tot bestaande maten geldt het volgende: a. voor een bouwwerk, dat legaal bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of diens voorgangers op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten hoogste toelaatbaar mogen worden aangehouden; 2. bestaande maten, die minder bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, als ten minste toelaatbaar mogen worden aangehouden; b. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; c. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken, als opgenomen in dit plan, niet van toepassing. 15.2

Herbouw van woningen

15.2.1 Herbouw op bestaande funderingen In aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dat algehele herbouw van woningen uitsluitend mag plaatsvinden op of binnen de bestaande funderingen. 15.2.2 Herbouw buiten bestaande funderingen In afwijking van het gestelde in sub 15.2.1, mag algehele herbouw van woningen plaatsvinden buiten bestaande funderingen, met dien verstande dat: a. de achtergevel van de herbouwde woningen maximaal 3,00 meter buiten de bestaande fundering mag worden geplaatst; b. bij vrijstaande en halfvrijstaande woningen de afstand van de zijgevel tot de vrije zijdelingse perceelsgrens minimaal 3,00 meter dient te bedragen; c. er wordt voldaan aan de de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': 1. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; 2. bijbehorende bouwwerken; 3. erfafscheidingen.

Regels (vastgesteld)

43

Artikel 16 16.1

Algemene gebruiksregels

Voorwaardelijke verplichting kwaliteitsverbetering landschap 1

Uiterlijk 10 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan dient de kwaliteitsverbetering van het landschap, zoals beschreven in de rapportage 'Invulling voorwaardelijke verplichting Dommelpark in bestemmingsplan Herijking Nuenen West', zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regels van onderhavig bestemmingsplan, dan wel een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan, dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, voor minimaal 75% te zijn gerealiseerd. 16.2

Voorwaardelijke verplichting kwaliteitsverbetering landschap 2

Als binnen de termijn, zoals gesteld in artikel 16.1 het betreffende percentage van de kwaliteitsverbetering van het landschap nog niet is gerealiseerd, mogen voor gronden met een enkelbestemming 'Woongebied - Uit te werken' (fase 3 van het bestemmingsplan) geen omgevingsvergunningen voor het bouwen van woningen meer worden verleend, tot het moment dat de kwaliteitsverbetering van het landschap conform de rapportage 'Invulling voorwaardelijke verplichting Dommelpark in bestemmingsplan Herijking Nuenen West', zoals opgenomen in bijlage 3 bij de regels van onderhavig bestemmingsplan, dan wel een kwalitatief daarmee vergelijkbaar plan, dat door het college van burgemeester en wethouders is geaccordeerd, volledig (100%) is gerealiseerd. 16.3

Voorwaardelijke verplichting instandhouding beschermde soorten

Indien maatregelen getroffen moeten worden voor de instandhouding van soorten in het kader van de Wet natuurbescherming geldt de regeling en termijn zoals opgenomen in artikel 17.3. 16.4

Voorwaardelijke verplichting geluidwerende voorzieningen

Het gebruik nieuwe woningen is uitsluitend toegestaan als aangetoond kan worden dat: a. in geluidgevoelige ruimtes zoals bedoeld in de Wet geluidhinder dan wel andere verblijfsruimten zoals bedoeld in het Besluit geluidhinder een etmaalwaarde van maximaal 33 dB(A) wordt gewaarborgd; b. een woning in ieder geval beschikt over één gevel waar de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan Lden 48 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) als er een hogere grenswaarde vanwege wegverkeer verleend wordt; c. een woning in ieder geval beschikt over één gevel en buitenruimte waar de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan Lden 48 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder) als er een hogere grenswaarde vanwege wegverkeer van 53 dB of hoger verleend wordt; d. ten minste 1 verblijfsruimte aan de zijde van de woning gelegen is waar de gecumuleerde geluidbelasting niet hoger is dan Lden 48 dB (inclusief aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder); e. ten aanzien van het bepaalde onder a tot en met d geldt dat niet aan die bepalingen voldaan hoeft te worden als met een akoestisch onderzoek is aangetoond dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. 16.5

Evenementen

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikelen 3.3.2 onder l, 4.3 onder d, 5.4.1 onder d, 7.5.2 onder g en 8.5.2 onder g voor het gebruik van gronden voor evenementen, zoals rommelmarkten, antiek-, huishoud- en computerbeurzen, theater, circus, festivals en tentoonstellingen en culturele en sociaal-maatschappelijke doeleinden, onder de volgende voorwaarden: a. het aantal evenementen bedraagt per jaar niet meer dan 5, waarbij rekening dient te worden gehouden met de aard van de activiteit en de te verwachten belasting voor de directe omgeving; b. het evenement duurt maximaal 7 dagen, inclusief opbouwen, inrichten, afbreken en opruimen; c. per evenement bedraagt het aantal bezoekers op enig moment maximaal 1500, waarbij rekening dient te worden gehouden met de lokaliteit van het evenement en de beschikbaarheid van parkeergelegenheid; d. als onderdeel van het evenement is het toegestaan tijdelijke voorzieningen voor overnachtingen op te richten;

44

Regels (vastgesteld)

e. er vindt geen horeca ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement; f. er vindt geen detailhandel ter plaatse plaats, anders dan ondergeschikt en inherent aan het toegestane evenement, met uitzondering van vlooien- en/of rommelmarkten; g. de belangen van de onderliggende bestemming worden niet onevenredig aangetast; h. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; i. in de parkeerbehoefte wordt in voldoende mate voorzien; j. belangen van derden worden niet onevenredig geschaad; k. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van in de omgeving aanwezige architectonische waarden, cultuurhistorische waarden of natuurwaarden; l. de belangen van in de nabijheid gelegen functies verzetten zich niet tegen het gebruik van de betreffende bestemmingen voor het evenement.

Regels (vastgesteld)

45

Artikel 17 17.1

Randvoorwaarden

Watercompensatie

Verlening van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van de gronden als bedoeld in Hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien voorzien wordt in voldoende watercompensatie ten behoeve van de realisatie van een goed waterhuishoudkundig systeem, zoals bepaald in de beleidsregel 'water'. 17.2

Parkeren

Verlening van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van de gronden als bedoeld in Hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien voorzien wordt in voldoende parkeervoorzieningen voor de bestaande en de te realiseren activiteiten, met dien verstande dat: a. het aantal parkeervoorzieningen voldoet aan de parkeernormen, zoals opgenomen in de beleidsregel 'parkeren'; b. bij het in gebruik nemen van de gronden de benodigde parkeervoorzieningen, als bedoeld onder a, zijn gerealiseerd en in stand worden gehouden. 17.3

Landschap, ecologie en biodiversiteit

a. Verlening van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van de gronden als bedoeld in Hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien de ontwikkeling geen belemmering vormt voor de bescherming van de aanwezige flora- en faunasoorten als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Voor de bescherming van de aanwezige flora- en faunasoorten wordt het soortenmanagementplan doorlopen, zoals omschreven in de beleidsregel 'landschap, ecologie en biodiversiteit' en dat maatregelen worden getroffen volgens het soortenmanagementplan en deze duurzaam in stand worden gehouden. b. Verlening van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van de gronden als bedoeld in Hoofdstuk 2 is uitsluitend toegestaan indien de ontwikkeling geen onevenredige aantasting veroorzaakt van de te handhaven landschappelijke waarden, zoals omschreven in de beleidsregel 'landschap, ecologie en biodiversiteit'. c. In afwijking van het bepaalde onder a is de verlening van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van de gronden als bedoeld in Hoofdstuk 2 toegestaan, indien voor de belemmering als bedoeld onder a een ontheffing is verleend op grond van de Wet natuurbescherming verleend is voorafgaand aan het veroorzaken van de effecten op beschermde flora- en fauna. d.

In afwijking van het bepaalde onder b is de verlening van een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van gronden als bedoeld in Hoofdstuk 2 toegestaan, indien uiterlijk drie jaar voorafgaand aan het veroorzaken van de verstoring voorzien wordt in mitigatie van landschappelijke waarden, zoals opgenomen in de beleidsregel 'landschap, ecologie en biodiversiteit', die verloren gaan en deze mitigerende maatregelen duurzaam in stand worden gehouden.

46

Regels (vastgesteld)

Artikel 18 18.1

Beleidsregels

Relevante beleidsregels

Ten behoeve van de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de in de artikelen 3 t/m 9 genoemde functies en het bepaalde in artikel 15.2.2, sub c worden de volgende beleidsregels betrokken: a. b. c. d. e. f. g.

beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'; beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; beleidsregel 'kleinschalige andere functies'; beleidsregel 'parkeren'; beleidsregel 'water'; beleidsregel 'landschap, ecologie en biodiversiteit'; beleidsregel 'bedrijfsmilieuhinder'.

18.2

Bevoegd gezag

a. De beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit' genoemd in 18.1 onder a, kan na de vaststelling van dit plan uitsluitend door de gemeenteraad worden gewijzigd, ingetrokken of herzien. b. De overige beleidsregels, genoemd in 18.1 onder b tot en met g, kunnen na de vaststelling van dit plan door het college van burgemeester en wethouders worden gewijzigd, ingetrokken of herzien. 18.3

Toepassingsvereiste

Bij de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 18.1, vindt toetsing aan de beleidsregels 'stedenbouwkundige kwaliteit', 'kwalitatief woningprogramma', 'kleinschalige andere functies', 'parkeren', 'water', 'landschap, ecologie en biodiversiteit' en 'bedrijfsmilieuhinder' door het bevoegd gezag plaats op basis van de beleidsregels zoals die gelden op het tijdstip van het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning. 18.4

Wijziging beleidsregels

Op wijziging van de beleidsregels zoals genoemd in lid 18.1 is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Regels (vastgesteld)

47

Artikel 19 19.1

Algemene aanduidingsregels

Veiligheidszone - lpg

19.1.1 Verbod Ter plaatse van de aanduiding 'Veiligheidszone - lpg' mogen geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten, zoals genoemd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen worden gerealiseerd. 19.1.2 Omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 19.1.1, met dien verstande dat: a. voldaan wordt aan de normen die gelden voor het plaatsgebonden risico; b. indien sprake is van toename van het groepsrisico, hiervoor een verantwoording plaatsvindt. 19.2

Milieuzone

19.2.1 Aanvaardbaar woon-, leef- en ondernemingsklimaat Voor gronden met de aanduiding 'Milieuzone' mogen, ter garantie van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen en ter voorkoming van het onevenredig schaden van de belangen van milieubelastende activiteiten, geen omgevingsvergunningen voor de bouw van woningen worden verleend tenzij aangetoond is dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat alsmede een goed ondernemingsklimaat zoals bedoeld in de beleidsregel 'bedrijfsmilieuhinder'.

48

Regels (vastgesteld)

Artikel 20 20.1

Hogere waarden wegverkeerslawaai

Hogere waarden

In aanvulling op de bepalingen in hoofdstuk 2 moeten de hogere grenswaarden zoals genoemd in tabel 20.1.1 'Hogere waarden' in acht genomen worden vanwege wegverkeerslawaai, voor zover de woningen gelegen zijn in de in tabel 20.1.1 'Hogere waarden' genoemde bouwvelden die getoond worden op de 'Bouwveldenkaart Nuenen West' die als bijlage 2 onderdeel uitmaakt van deze regels.

Tabel 20.1.1 'Hogere waarden'

Regels (vastgesteld)

49

Artikel 21 21.1

Overige regels

Voorrangsregels dubbelbestemming

21.1.1 Voorrang dubbelbestemmingen In het geval van strijdigheid van belangen tussen een bestemming en een dubbelbestemming gaat het belang van de dubbelbestemming voor. 21.1.2 Onderlinge relatie dubbelbestemmingen Voor zover de op de verbeelding weergegeven dubbelbestemmingen 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1', 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2 ' en 'Waarde - Archeologie hoog' samenvallen, geldt dat: a. de dubbelbestemmingen 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' en 'Leiding Hoogspanningsverbinding 2 ' voorrang krijgen op de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie hoog'; b. de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 1' voorrang krijgt op de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding 2 '.

50

Regels (vastgesteld)

Hoofdstuk 4 Artikel 22 22.1

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 22.2

Afwijking

Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 22.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 22.1 met maximaal 10%. 22.3

Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken

Lid 22.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 22.4

Overgangsrecht gebruik

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 22.5

Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 22.4, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 22.6

Verboden gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in lid 22.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 22.7

Uitzondering op het overgangsrecht gebruik

Lid 22.4 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Regels (vastgesteld)

51

Artikel 23

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen West.

52

Regels (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9940761/1