2021-18 RV Bijlage 9 Regels Herijking Nuenen West
Tekst van het document
Herijking Nuenen West
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
4 4 9
Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Bestemmingsregels Gemengd Groen Verkeer Wonen Woongebied - 1 Woongebied - 2 Woongebied - Uit te werken Leiding - Hoogspanningsverbinding 1 Leiding - Hoogspanningsverbinding 2 Waarde - Archeologie hoog Waarde - Archeologie middelhoog
11 11 15 17 19 23 26 30 32 34 36 39
Hoofdstuk3 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16 Artikel 17 Artikel 18 Artikel 19 Artikel 20 Artikel 21
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Randvoorwaarden Beleidsregels Algemene aanduidingsregels Hogere waarden wegverkeerslawaai Overige regels
42 42 43 44 46 47 48 49 50
Hoofdstuk4 Artikel 22 Artikel 23
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
51 51 52
2
Inhoudsopgave (vastgesteld)
Regels
Regels (vastgesteld)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan:
het Chw-bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 7c van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet, Herijking Nuenen West met identificatienummer NL.IMRO.0820.BPNuenWeHerijking-D001 van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
aan huis verbonden beroeps of bedrijf:
een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waarvan de activiteiten in hoofdzaak niet publieksaantrekkend zijn, en dat op kleine schaal in een woning en/of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. Hierbij kan worden gedacht aan een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied; 1.6
aan- of uitbouw:
een aan een hoofdgebouw gebouwde ruimte, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw, maar daaraan ruimtelijk (door zijn constructie of afmetingen) ondergeschikt is – maximaal bestaande uit één bouwlaag al dan niet met kap – met dien verstande dat een aanbouw een zelfstandige ruimte is, toegankelijk vanuit het hoofdgebouw en een uitbouw een uitbreiding van een reeds bestaande ruimte van het hoofdgebouw is; 1.7
afhankelijke woonruimte:
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is; 1.8
bed & breakfast
aanbieden van recreatief nachtverblijf in de vorm van logies met ontbijt binnen bestaande bebouwing; 1.9
beperkt kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatsblad 2004, nr. 250) een richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden; 1.10
bestaande woningen:
de op het tijdstip van het ter visie leggen van het ontwerp van dit plan legaal aanwezige of vergunde woningen alsmede wegbestemde woningen; 1.11
bestemmingsgrens:
de grens van een bestemmingsvlak;
4
Regels (vastgesteld)
1.12
bestemmingsvlak:
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13
bevoegd gezag:
het bevoegd gezag zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.14
bouwen:
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.15
bouwgrens:
de grens van een bouwvlak; 1.16
bouwlaag:
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder (ruimte onder peil) en ruimten onder de kap; 1.17
bouwperceel:
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.18
bouwperceelgrens:
de grens van een bouwperceel; 1.19
bouwveld:
een aaneengesloten verzameling bouwpercelen welke een stedenbouwkundige samenhang vertonen en door wegen en/of groenvoorzieningen en/of watergangen c.q. -partijen wordt begrensd; 1.20
bouwvlak:
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.21
bouwwerk:
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 1.22
bouwwerken, geen gebouwen zijnde:
elk bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde; 1.23
brutovloeroppervlak:
gezamenlijke oppervlakte van alle bouwlagen van een gebouw, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van een gebouw; 1.24
cultuurhistorischwaardevol object:
de aan een bouwwerk toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid; 1.25
detailhandel:
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan degenen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
Regels (vastgesteld)
5
1.26
erf:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.27
evenement:
een activiteit in de openlucht, dan wel in al dan niet tijdelijke tenten of paviljoens, gericht op het bereiken van een algemeen of besloten publiek voor informerende, educatieve, culturele, recreatieve en/of levensbeschouwelijke doeleinden, inclusief overnachtingen; 1.28
extensief recreatief medegebruik:
de niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie; 1.29
gebouw:
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30
gebruiken:
gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.31
gemeentelijk monument:
beschermde of te beschermen vervaardigde zaken die van algemeen belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap of hun cultuurhistorische waarde, dat valt onder de bescherming van de verordening gericht op de bescherming van erfgoed van de gemeente Nuenen zoals die geldt op het moment van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 1.32
hoofdgebouw:
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.33
horeca:
'horeca 1': een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van maaltijden en dranken voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf, waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, automaten, broodjeszaken en dergelijke), met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 'horeca 2': een bedrijf dat is gericht op het ter plaatse verstrekken van dranken, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 'horeca 3': elke voor het publiek, al dan niet tegen betaling toegankelijke lokaliteit, die in belangrijke mate is ingericht of wordt gebruikt voor het dansen, zoals discotheken en dancings, waarin al dan niet dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie, inrichtingen waarin een kans- of behendigheidsspel wordt uitgeoefend; 1.34
huishouden:
één persoon of een verzameling van meer personen met een relationele binding, die één woonruimte bewoont en een economisch-consumptieve eenheid vormt. Onder een huishouden wordt niet verstaan: a. de huisvesting van meerdere personen in onzelfstandige wooneenheden (kamerverhuur); b. tijdelijke huisvesting in de vorm van logies aan arbeidsmigranten; c. de huisvesting van meerdere ouderen, al dan niet met inbegrip van begeleiding en toezicht;
6
Regels (vastgesteld)
d. de huisvesting van meerdere personen met een lichamelijke of verstandelijke beperking, een psychiatrisch ziektebeeld of psychosociale problemen dan wel de huisvesting van maximaal 8 personen die tijdelijke opvang behoeven, al dan niet met inbegrip van begeleiding en toezicht, dit alles gericht op zelfstandige bewoning; 1.35
kampeermiddel:
a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto, toercaravans, vouwwagens, campers of huifkarren; b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 2.1 lid 1a van de Wabo een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is, een en ander voor zover genoemde onderkomens of voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.36
kap:
de volledige of nagenoeg volledige afdekking van een gebouw in een gebogen vorm danwel met een dakhelling van ten minste 15° en ten hoogste 75°; 1.37
kwetsbaar object:
een object waarvoor ingevolge het Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen (Staatsblad 2004, nr. 250) een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.38
maaiveld:
de gemiddelde hoogte van het terrein ten tijde van het rechtskracht verkrijgen van het bestemmingsplan; 1.39
maatschappelijke voorzieningen:
voorzieningen ten behoeve van medische, sociale, culturele of religieuze activiteiten, voorzieningen ten dienste van onderwijs, sport- en gymnastieklokalen, kinderopvang, alsmede overheidsdiensten met een overwegend openbaar karakter; 1.40
mantelzorg:
het bieden van zorg aan eenieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband; 1.41
nutsvoorziening:
voorziening ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie; 1.42
omgevingsvergunning:
omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; 1.43
ondergeschikte bouwdelen:
bouwdelen die qua aard en omvang ondergeschikt zijn aan het bijbehorende gebouw, zoals bijvoorbeeld schoorstenen, lichtkoepels en balkonhekken; 1.44
ondergeschikte detailhandelsactiviteiten:
niet-zelfstandige detailhandelsactiviteiten die verwant maar ondergeschikt zijn ten opzichte van de hoofdactiviteit en waarvoor maximaal 30% van het brutovloeroppervlak van de hoofdactiviteit als zodanig mag worden gebruikt; 1.45
overkapping:
een bouwwerk zonder eigen wanden dat ten hoogste aan twee zijden een gesloten wand kent;
Regels (vastgesteld)
7
1.46
publieksaantrekkend beroep of bedrijf
een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit met een min of meer publieksgericht karakter, zoals persoonlijke dienstverlening (kapper, pedicure, e.d.), medisch/therapeutische dienstverlening en ambachtelijke activiteiten; 1.47
recreatie:
activiteiten en mogelijkheden voor ontspanning c.q. vrijetijdsbesteding; 1.48
seksinrichting:
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof hij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, parenclub en (raam)prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.49
sociale woning:
een woning in de categorie “goedkope huur” en “betaalbare huur”, alsmede “goedkope koop” en "betaalbare koop" conform de prijsgrenzen die zijn gegeven in de “Regionale Begrippenlijst wonen” van de Metropool Regio Eindhoven, die geldend is op het moment van indiening van de aanvraag voor de Vergunning met betrekking tot desbetreffende woning; 1.50
tuin:
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat overwegend gebruikt wordt voor beplanting met bloemen, planten of gewassen en/of als terras; 1.51
water:
al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen; 1.52
waterhuishoudkundige voorzieningen:
de (ondergrondse) voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten etc; 1.53
woning:
een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat dient voor de huisvesting van niet meer dan één huishouden; 1.54
woning in de sociale sector:
een sociale woning.
8
Regels (vastgesteld)
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
afstand tot zijdelingse perceelsgrens:
de kortste afstand tussen de zijdelingse perceelsgrens(zen) van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomende bouwwerk; 2.2
bebouwingspercentage:
het percentage van een bouwperceel dat met gebouwen mag worden bebouwd. Voor zover op de kaart bouwgrenzen zijn aangegeven wordt het bebouwingspercentage berekend over het gebied binnen de bouwgrenzen; 2.3
bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.4
dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.5
goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.6
hoogte van een dakopbouw:
vanaf de afdekking van de bovenste bouwlaag tot aan het hoogste punt van de dakopbouw; 2.7
hoogte van een kap:
vanaf de bovenkant goot, boeibord of daarmee gelijk te stellen constructiedeel tot aan het hoogste punt van de kap; 2.8
inhoud van een bouwwerk:
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.9
lengte, breedte en diepte van een bouwwerk
de buitenwerks tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren gemeten grootste afstand; 2.10
ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk
vanaf peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend; 2.11
oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.12
oppervlakte van een overkapping
tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping; 2.13
peil:
a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
Regels (vastgesteld)
9
b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw.
10
Regels (vastgesteld)
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Gemengd
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
wonen; detailhandel; dienstverlening; maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van uitvaarthuizen, uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'maatschappelijk'; e. horeca; f. bedrijvigheid; g. nutsvoorzieningen; h. aan huis verbonden beroepen of bedrijven; i. tuinen, paden, erven en erfafscheidingen; j. verkeers- en verblijfsdoeleinden in de vorm van (tijdelijke) bouwwegen, ontsluitingswegen, fiets- en voetpaden; k. groenvoorzieningen; l. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; m. nutsvoorzieningen, waaronder collectieve energievoorzieningen in de vorm van waterpompen; n. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; één en ander met bijbehorende voorzieningen. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d.
hoofdgebouwen; de daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen; de daarbij behorende overkappingen; de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouw zijnde.
3.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. bestaande hoofdgebouwen zijn, voor zover deze legaal bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of diens voorgangers zijn gebouwd of vergund, toegestaan; b. voor het geheel of gedeeltelijk herbouwen van hoofdgebouwen geldt de regel dat de bouwhoogte van nieuwe woningen ten minste 3,00 en niet meer dan 18,00 meter bedraagt, met dien verstande dat voldaan moet worden aan de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': 1. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; 2. bijbehorende bouwwerken; 3. erfafscheidingen; c. de bouwhoogte van nieuwe woningen moet ten minste 3,00 meter en mag niet meer dan 18,00 meter bedragen, met dien verstande dat het toegestane aantal bouwlagen voor de bebouwing en hoogteaccenten nader zijn gespecificeerd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'; d. de goothoogte van hoofdgebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' mag niet meer bedragen dan 8,00 meter; e. de bouwhoogte van hoofdgebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' mag niet meer bedragen dan 12,00 meter; f.
hoofdgebouwen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' dienen afgedekt te worden met een kap; g. het aantal bouwlagen van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' ten Regels (vastgesteld)
11
behoeve van maatschappelijke voorzieningen bedraagt niet meer dan 3. 3.2.3
Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen, zijdelingse aan- en uitbouwen en zijdelingse overkappingen mogen uitsluitend op een afstand van 3,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw anders dan ten behoeve van een maatschappelijke voorziening ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' bedraagt maximaal 60 m²; c. indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan meer bedraagt dan 200 m2 mag, in afwijking van het bepaalde onder b. de genoemde oppervlakte van 60 m2 voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een maximum van 120 m2; d. in aanvulling op het bepaalde onder b. en c. geldt voor de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan dat minimaal 25 m2 onbebouwd dient te blijven; e. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw ten behoeve van een maatschappelijke voorziening ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' bedraagt maximaal 120 m²; f. de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 meter; g. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,50 meter; h.
vrijstaande bijgebouwen anders dan ten behoeve van een maatschappelijke voorziening mogen uitsluitend worden gebouwd met een kap. 3.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 3,00 m; b. de hoogte van voorzieningen voor verlichting en verkeersgeleiding, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, mag maximaal 8,00 meter bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4,00 m. 3.2.5
Ruimtelijke kwaliteit
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van gebouwen anders dan ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': a. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. erfafscheidingen. 3.3
Specifieke gebruiksregels
3.3.1
Woningaantallen
Het totaal aantal nieuw te bouwen woningen in de bestemmingen 'Gemengd', 'Woongebied - 1, 'Woongebied - 2' en 'Woongebied - Uit te werken' mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 1.615, met dien verstande dat: a. voldaan moet worden aan de onderverdeling in wooncategorieën in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; b. 425 nieuw te bouwen woningen op gronden met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' gebouwd moeten worden. 3.3.2
Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. horeca, tenzij het een horeca-activiteit betreft in de categorie 1;
12
Regels (vastgesteld)
b. bedrijvigheid, tenzij het een bedrijfsactiviteit betreft in de categorieën 1 en/of 2 uit de staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen als bijlage 1 bij deze regels; c. detailhandel, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, horeca, bedrijven uitsluitend op de verdieping; d. een gebruiken van een groter gezamenlijk bebouwd brutovloeroppervlak dan 250 m2 voor alle functies, met uitzondering van wonen en de functies ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk'; e. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen voor zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte (mantelzorg); f. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor de uitoefening van een publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; g. het gebruik van maatschappelijke voorzieningen als uitvaarthuis; h. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; i. het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatie; j. het gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit; k. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; l. het gebruik van gronden en bouwwerken voor evenementen. 3.4
Afwijken van de gebruiksregels
3.4.1
Kleinschalige andere functies
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 3.3.2 onder b, voor het toestaan van kleinschalige functies uit een hogere milieucategorie dan categorie 2 mits wordt voldaan aan de ruimtelijke, programmatische en milieutechnische uitgangspunten voor kleinschalige functies, zoals opgenomen in de beleidsregel 'kleinschalige andere functies'. 3.4.2
Mantelzorg
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.3.2 onder e, voor het gebruik van een bijgebouw als een afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de toegestane bijgebouwen, met een maximale bebouwde oppervlakte van 80 m²; d. de afhankelijke woonruimte wordt bewoond door maximaal 1 huishouden, dat bestaat uit maximaal 2 personen; e. de afhankelijke woonruimte voor maximaal 10 jaar als zodanig in gebruik mag zijn; f. gewaarborgd is dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekt, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is. 3.4.3
Publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.3.2 onder f, voor het binnen een woning en/of bijgebouwen toestaan van een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, met dien verstande dat: a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis; b. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; d. de activiteit qua aard, omvang en uitstraling dient te passen in een woonomgeving; e. de activiteit niet vergunningplichtig mag zijn ingevolge de Wet milieubeheer; Regels (vastgesteld)
13
f.
14
er geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit.
Regels (vastgesteld)
Artikel 4 4.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
beplantingen; voorzieningen voor verkeer en verblijf; sport- en spelvoorzieningen; extensieve recreatieve voorzieningen; nutsvoorzieningen; beeldende kunstwerken; gedenktekens; retentievoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; landschappelijke waarden en landschapsontwikkeling; een uilenhotel en buurtschuur, uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van natuur - natuur en recreatie';
een en ander met de bijbehorende voorzieningen. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'natuur en recreatie'; b. bouwwerken, geen gebouw zijnde. 4.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. het aantal uilenhotels ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van natuur natuur en recreatie' mag niet meer bedragen dan 1; b. de bouwhoogte van een uilenhotel mag niet meer bedragen dan 7,00 meter; c. de breedte en diepte van een uilenhotel mogen niet meer bedragen dan 2,00 meter; d. het aantal buurtschuren ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van natuur natuur en recreatie' mag niet meer bedragen dan 1; e. de goothoogte van een buurtschuur mag niet meer bedragen dan 4,00 meter; f. de bouwhoogte van een buurtschuur mag niet meer bedragen dan 7,00 meter; g. het oppervlak van een buurtschuur op de begane grond mag niet meer bedragen dan 150 m2 . 4.2.3
Bouwwerken, geen gebouw zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de regel dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3,00 meter mag bedragen, met dien verstande dat: a. de hoogte van erfafscheidingen maximaal 1,00 meter mag bedragen; b. de hoogte van gedenktekens en reclamezuilen maximaal 2,00 meter mag bedragen; c. de hoogte van voorzieningen voor verlichting en verkeersgeleiding, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, maximaal 8,00 meter mag bedragen. 4.3
Specifieke gebruiksregels
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatie, behoudens extensief recreatief medegebruik en sport- en speldoeleinden; c. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting;
Regels (vastgesteld)
15
d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor evenementen.
16
Regels (vastgesteld)
Artikel 5 5.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k.
voorzieningen voor verkeer en verblijf; fiets- en voetpaden; parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; beeldende kunstwerken; gedenktekens; nutsvoorzieningen; geluidwerende voorzieningen; voorzieningen ten behoeve van telecommunicatie, zoals zendmasten; een A-watergang, ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van water a-watergang';
een en ander met de bijbehorende voorzieningen. 5.2
Bouwregels
5.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen; b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals lichtmasten en straatmeubilair. 5.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a. de oppervlakte per bouwwerk mag niet meer bedragen dan 15 m2; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,00 meter. 5.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de regels dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal 3,00 meter mag bedragen, met dien verstande dat: a. de hoogte van gedenktekens maximaal 2,00 meter mag bedragen; b. de hoogte van voorzieningen voor verlichting en verkeersgeleiding, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, maximaal 8,00 meter mag bedragen. 5.3
Afwijken van de bouwregels
5.3.1
Hogere bouwhoogte zendmasten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.2 teneinde zendmasten en bijbehorende gebouwen voor telefonie toe te staan, met dien verstande dat: a. b. c. d. e. f.
de bouwhoogte maximaal 40,00 meter mag bedragen; de zendmast bereikbaar is in verband met onder andere onderhoudswerkzaamheden; de plaatsing van de zendmast geen onveilige verkeerssituatie tot gevolg heeft; de bouwhoogte van gebouwen voor de zendmast maximaal 3,00 meter mag bedragen; de oppervlakte van de gebouwen maximaal 10 m2 mag bedragen; de omgevingsvergunning niet leidt tot een onevenredige aantasting van de belangen van de naburige erven; g. de omgevingsvergunning niet leidt tot onevenredige aantasting van de stedenbouwkundige kwaliteit van de omgeving.
Regels (vastgesteld)
17
5.3.2
Hogere bouwhoogte geluidwerende voorzieningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 5.2.3, onder a voor het toestaan van een grotere bouwhoogte van een geluidwerende voorziening, met dien verstande dat: a. dit nodig is als maatregel om de geluidbelasting op een geluidgevoelig object terug te dringen; b. dit niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; c. er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting en vormgeving; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden; e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad. 5.4
Specifieke gebruiksregels
5.4.1
Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor het plaatsen van onderkomens en/of kampeermiddelen, van al dan niet afgedankte voer- en vaartuigen, van wagens, geschikt en bestemd voor de uitoefening van handel; b. het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatie, behoudens extensief recreatief medegebruik en sport- en speldoeleinden; c. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; d. het gebruik van gronden en bouwwerken voor evenementen. 5.5
Wijzigingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingszone - wijzigingsgebied' de bestemming 'Verkeer' wijzigen in de bestemmingen 'Groen' of 'Woongebied - 2', met dien verstande dat: a. de geluidbelasting op gevoelige gebouwen als gevolg van het wegverkeer niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde dan wel een verkregen hogere grenswaarde; b. de wijziging geen onevenredige nadelige effecten mag hebben op de doorstroming van het verkeer en de verkeersveiligheid; c. er sprake is van een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing; d. de wijziging geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor de verwezenlijking, het behoud, het beheer en het herstel van de ecologische waarden ter plaatse van de aanduiding 'natuurwaarden'; e. door de wijziging geen onevenredige afbreuk wordt gedaan van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en gebouwen.
18
Regels (vastgesteld)
Artikel 6 6.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, waaronder begrepen zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimten en wooneenheden; b. een kattenpension uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - kattenpension'; c. een kantoorruimte voor een hoveniersbedrijf uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'hovenier'; d. een verkooppunt van kleding (detailhandel) uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'detailhandel'; e. een bed & breakfast uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'bed & breakfast'; f. een bed & breakfast alsmede horeca uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - horeca'; g. een zalencentrum uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - zalencomplex'; h. een parkeerterrein, behorend bij het zalencentrum, uitsluitend ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - 'parkeerterrein'; i. een theehuis, uitsluitend ter plaats van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - theehuis'; j. aan huis verbonden beroepen of bedrijven; k. tuinen, paden, erven en erfafscheidingen; l. groenvoorzieningen; m. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; n. nutsvoorzieningen, waaronder collectieve energievoorzieningen in de vorm van waterpompen; o.
waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; p. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monument' aangegeven bouwwerken; q. de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - cultuurhistorisch waardevolle bebouwing' aangegeven bouwwerken. één en ander met bijbehorende voorzieningen. 6.2
Bouwregels
6.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d.
hoofdgebouwen; de daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen; de daarbij behorende overkappingen; de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
6.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. bestaande hoofdgebouwen zijn, voor zover deze legaal bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of diens voorgangers zijn gebouwd of vergund, toegestaan; b. voor het geheel of gedeeltelijk herbouwen van hoofdgebouwen geldt de regel dat de bouwhoogte van nieuwe woningen ten minste 3,00 en niet meer dan 14,00 meter bedraagt, met dien verstande dat voldaan moet worden aan de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': 1. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, diepte van een hoofdgebouw, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; 2. bijbehorende bouwwerken; 3. erfafscheidingen. c. het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke
Regels (vastgesteld)
19
vorm van wonen - 'parkeerterrein' is verboden. 6.2.3
Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen, zijdelingse aan- en uitbouwen en zijdelingse overkappingen moeten op een afstand van minimaal 3,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 60 m²; c. indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan meer bedraagt dan 200 m2 mag, in afwijking van het bepaalde onder b. de genoemde oppervlakte van 60 m2 voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een maximum van 120 m2; d. in aanvulling op het bepaalde onder b. en c. geldt voor de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan dat minimaal 25 m2 onbebouwd dient te blijven; e. de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 meter; f. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,50 meter; g. vrijstaande bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met een kap; h. het bouwen van nieuwe bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - 'parkeerterrein' is verboden. 6.2.4
Ruimtelijke kwaliteit
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van gebouwen wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': a. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, diepte van een hoofdgebouw, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. erfafscheidingen. 6.3
Gebruiksregels
6.3.1
Specifieke gebruiksregels
Voor het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van wonen - theehuis' en een bed & breakfast alsmede horeca ter plaatse van de specifieke functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen horeca' wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. ter hoogte van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - theehuis' is een theehuis toegestaan, met dien verstande dat: het theehuis gesitueerd is in bestaande bebouwing; versterkte muziek niet is toegestaan; de maximaal toegestane openingstijden op werkdagen 9:00-18:00 uur en op weekenddagen 9:00-21:00 uur zijn; 2. ter hoogte van de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - horeca' gelden de volgende regels: het brutovloeroppervlak van de horecavoorziening bedraagt maximaal 100 m2; versterkte muziek niet is toegestaan; de maximaal toegestane openingstijden op werkdagen 9:00-18:00 uur en op weekenddagen 9:00-21:00 uur zijn; b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - kattenpension' is een kattenpension toegestaan waarvan het maximum vloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 165 m2 bvo; c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - hovenier' is een kantoorruimte toegestaan ten behoeve van de bedrijfsvoering van het hoveniersbedrijf waarvan het maximum vloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 135 m2 bvo.
20
Regels (vastgesteld)
6.3.2
Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen voor zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte; b. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor de uitoefening van een publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; c. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor een andere functie dan wonen; d. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatie; f. het gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit. 6.4
Afwijken van de gebruiksregels
6.4.1
Mantelzorg
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2 onder a, voor het gebruik van een bijgebouw als een afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de toegestane bijgebouwen, met een maximale bebouwde oppervlakte van 80 m²; d. de afhankelijke woonruimte wordt bewoond door maximaal 1 huishouden, dat bestaat uit maximaal 2 personen; e. de afhankelijke woonruimte voor maximaal 10 jaar als zodanig in gebruik mag zijn; f. gewaarborgd is dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekt, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is. 6.4.2
Publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2 onder b, voor het binnen een woning en/of bijgebouwen toestaan van een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis, met dien verstande dat: a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis; b. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; d. de activiteit qua aard, omvang en uitstraling dient te passen in een woonomgeving; e. de activiteit niet vergunningplichtig mag zijn ingevolge de Wet milieubeheer; f. er geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit. 6.4.3
Kleinschalige andere functies
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2 onder c, voor het toestaan van kleinschalige functies mits wordt voldaan aan de ruimtelijke, programmatische en milieutechnische uitgangspunten voor kleinschalige functies, zoals opgenomen in de beleidsregel 'kleinschalige andere functies'.
Regels (vastgesteld)
21
6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.5.1
Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag overeenkomstig het bepaalde in de Erfgoedwet respectievelijk de 'Erfgoedverordening 2010 Gemeente Nuenen c.a.' de volgende werken, geen bouwwerk zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het geheel of gedeeltelijk slopen van een gemeentelijk monument ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - gemeentelijk monunment'; b. het geheel of gedeeltelijk slopen, zoals bedoeld onder a is slechts toelaatbaar indien als gevolg daarvan voor vervangende nieuwbouw een omgevingsvergunning is verleend of anderszins nieuwbouw in redelijke mate vaststaat. 6.5.2
Uitzonderingen op het uitvoeringsverbod
Het verbod van sublid 6.5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: h a. welke het normale beheer en onderhoud betreffen; b. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan.
22
Regels (vastgesteld)
Artikel 7 7.1
Woongebied - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, waaronder begrepen zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimten en wooneenheden; b. verkeers- en verblijfsdoeleinden in de vorm van (tijdelijke) bouwwegen, ontsluitingswegen, fiets- en voetpaden; c. aan huis verbonden beroepen of bedrijven; d. tuinen, paden, erven en erfafscheidingen; e. groenvoorzieningen; f. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen, waaronder collectieve energievoorzieningen in de vorm van waterpompen; i. geluidwerende voorzieningen; j. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieningen; één en ander met bijbehorende voorzieningen. 7.2
Bouwregels
7.2.1
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d.
hoofdgebouwen; de daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen; de daarbij behorende overkappingen; de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
7.2.2
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van nieuwe woningen moet ten minste 3,00 meter en mag niet meer dan 14,00 meter bedragen, met dien verstande dat het toegestane aantal bouwlagen voor de bebouwing en hoogteaccenten nader zijn gespecificeerd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'; b. de afstand van nieuwe woningen tot bestaande hoofdgebouwen bedraagt minimaal 5 meter. 7.2.3
Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen, zijdelingse aan- en uitbouwen en zijdelingse overkappingen mogen uitsluitend op een afstand van 3,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 60 m²; c. indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan meer bedraagt dan 200 m2 mag, in afwijking van het bepaalde onder b. de genoemde oppervlakte van 60 m2 voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een maximum van 120 m2; d. in aanvulling op het bepaalde onder b. en c. geldt voor de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan dat minimaal 25 m2 onbebouwd dient te blijven; e. de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 meter; f. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,50 meter; g. vrijstaande bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met een kap. 7.2.4
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone' dan wel
Regels (vastgesteld)
23
ten behoeve van woningen waarvoor krachtens artikel 20 een hogere waarde vastgesteld wordt, mag maximaal 3,00 meter bedragen; b. de hoogte van voorzieningen voor verlichting en verkeersgeleiding, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, mag maximaal 8,00 meter bedragen; c. de bouwhoogte van erfafscheidingen, niet zijnde een geluidwerende voorziening als bedoeld onder a, moet voldoen aan het bepaalde in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'. 7.2.5
Ruimtelijke kwaliteit
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van gebouwen wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': a. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, diepte van een hoofdgebouw, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. erfafscheidingen. 7.3
Afwijken van de bouwregels
7.3.1
Hogere bouwhoogte woningen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.2 voor het bouwen tot een hoogte van maximaal 18 meter, voor zover het gebouw is gelegen in een "zoekgebied gestapeld bouwen" of langs de Europalaan zoals opgenomen in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaltieit'. 7.3.2
Hogere bouwhoogte geluidwerende voorzieningen
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7.2.4, onder a voor het toestaan van een grotere bouwhoogte van een geluidwerende voorziening, met dien verstande dat: a. dit nodig is als maatregel om de geluidbelasting op een geluidgevoelig object terug te dringen; b. dit niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; c. er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting en vormgeving; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden; e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad. 7.4
Nadere eisen
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan de plaats en/of afmeting van de bebouwing ten behoeve van: a. b. c. d. e. f.
een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; externe veiligheid.
7.5
Specifieke gebruiksregels
7.5.1
Woningaantallen
Het totaal aantal nieuw te bouwen woningen in de bestemmingen 'Gemengd', 'Woongebied - 1, 'Woongebied - 2' en 'Woongebied - Uit te werken' mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 1.615, met dien verstande dat: a. voldaan moet worden aan de onderverdeling in wooncategorieën in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; b. 425 nieuw te bouwen woningen op gronden met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken'
24
Regels (vastgesteld)
gebouwd moeten worden. 7.5.2
Strijdig gebruik
Onder gebruiken en/of het laten gebruiken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen voor zelfstandige bewoning en afhankelijke woonruimte; b. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor de uitoefening van een publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; c. het gebruik van ruimten binnen een woning en/of bijgebouwen voor een andere functie dan wonen; d. het gebruik van gronden en bouwwerken als seksinrichting; e. het gebruik van gronden en bouwwerken voor recreatie; f. het gebruik van gronden voor de naar de weg gekeerde bouwgrens voor het stallen van voertuigen, caravans en dergelijke, anders dan op een oprit; g. het gebruik van gronden en bouwwerken voor evenementen. 7.6
Afwijken van de gebruiksregels
7.6.1
Mantelzorg
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7.5.2, voor het gebruik van een bijgebouw als een afhankelijke woonruimte, mits: a. een dergelijke bewoning noodzakelijk is vanuit een oogpunt van mantelzorg; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in het geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en bedrijven; c. de afhankelijke woonruimte wordt ingepast binnen de toegestane bijgebouwen, met een maximale bebouwde oppervlakte van 80 m²; d. de afhankelijke woonruimte wordt bewoond door maximaal 1 huishouden, dat bestaat uit maximaal 2 personen; e. de afhankelijke woonruimte voor maximaal 10 jaar als zodanig in gebruik mag zijn; f. gewaarborgd is dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning intrekt, indien de bij het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande noodzaak vanuit een oogpunt van mantelzorg niet meer aanwezig is. 7.6.2
Publiekaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7.5.2, voor het binnen een woning en/of bijgebouwen toestaan van een publieksaantrekkende beroepsof bedrijfsactiviteit aan huis, met dien verstande dat: a. maximaal 35% van het vloeroppervlak van de woning met inbegrip van gerealiseerde aan- en uitbouwen en bijgebouwen, met een maximum van 50 m² mag worden gebruikt voor publieksaantrekkende beroeps- of bedrijfsactiviteiten aan huis; b. degene die de activiteiten in de woning of het bijgebouw zal uitvoeren, dient tevens de bewoner van de woning te zijn; c. het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; d. de activiteit qua aard, omvang en uitstraling dient te passen in een woonomgeving; e. de activiteit niet vergunningplichtig mag zijn ingevolge de Wet milieubeheer; f. er geen detailhandel mag plaatsvinden, uitgezonderd een beperkte verkoop als ondergeschikte activiteit en wel in verband met de activiteit. 7.6.3
Kleinschalige andere functies
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.5.2 voor het toestaan van kleinschalige functies mits wordt voldaan aan de ruimtelijke, programmatische en milieutechnische uitgangspunten voor kleinschalige functies, zoals opgenomen in de beleidsregel 'kleinschalige andere functies'.
Regels (vastgesteld)
25
Artikel 8 8.1
Woongebied - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Woongebied - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, waaronder begrepen zorgwoningen met gemeenschappelijke ruimten en wooneenheden; b. verkeers- en verblijfsdoeleinden in de vorm van (tijdelijke) bouwwegen, ontsluitingswegen, fiets- en voetpaden; c. aan huis verbonden beroepen of bedrijven d. tuinen, paden, erven en erfafscheidingen; e. groenvoorzieningen; f. (ondergrondse) parkeervoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. nutsvoorzieningen, waaronder collectieve energievoorzieningen in de vorm van waterpompen; i. geluidwerende voorzieningen; j. waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder (ondergrondse) waterbergings- en infiltratievoorzieninge; één en ander met bijbehorende voorzieningen. 8.2
Bouwregels
8.2.1
Voorwaarden - fasering
Het is verboden een omgevingsvergunning voor nieuwe woningen te verlenen voor de gronden met de bestemming 'Woongebied - 2', alvorens: a. voor 90% van de woningen in de sociale sector, zoals bedoeld in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma', in de bestemming 'Woongebied - 1' een omgevingsvergunning is verleend; b. voor 90% van alle woningen in de bestemming 'Woongebied - 1' een omgevingsvergunning is verleend. 8.2.2
Algemeen
In of op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd: a. b. c. d.
hoofdgebouwen; de daarbij behorende bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen; de daarbij behorende overkappingen; de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
8.2.3
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van nieuwe woningen moet ten minste 3,00 meter en mag niet meer dan 14,00 meter bedragen, met dien verstande dat het toegestane aantal bouwlagen voor de bebouwing en hoogteaccenten nader zijn gespecificeerd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'; b. de afstand van nieuwe woningen tot bestaande hoofdgebouwen bedraagt minimaal 5 meter. 8.2.4
Bijgebouwen, aanbouwen en uitbouwen
Voor het bouwen van bijgebouwen, aanbouwen, uitbouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. bijgebouwen, zijdelingse aan- en uitbouwen en zijdelingse overkappingen mogen uitsluitend op een afstand van 3,00 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 60 m²; c. indien de oppervlakte van de gronden gelegen achter de achtergevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan meer bedraagt dan 200 m2 mag, in afwijking van het bepaalde onder b. de genoemde oppervlakte van 60 m2 voor aan- en uitbouwen en bijgebouwen worden vermeerderd met 10% van deze overmaat tot een maximum van 120 m2; d. in aanvulling op het bepaalde onder b. en c. geldt voor de gronden gelegen achter de achtergevel
26
Regels (vastgesteld)
van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan dat minimaal 25 m2 onbebouwd dient te blijven; e. de goothoogte bedraagt maximaal 3,30 meter; f. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6,50 meter; g. vrijstaande bijgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd met een kap. 8.2.5
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van geluidwerende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'Milieuzone' dan wel ten behoeve van woningen waarvoor krachtens artikel 20 een hogere waarde vastgesteld wordt, mag maximaal 3,00 meter bedragen; b. de hoogte van voorzieningen voor verlichting en verkeersgeleiding, voor zover noodzakelijk voor een veilige verkeersafwikkeling, mag maximaal 8,00 meter bedragen; c. de bouwhoogte van erfafscheidingen, niet zijnde een geluidwerende voorziening als bedoeld onder a, moet voldoen aan het bepaalde in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'. 8.2.6
Ruimtelijke kwaliteit
Een omgevingsvergunning voor het bouwen, het uitbreiden en het wijzigen van gebouwen wordt slechts verleend indien voldaan wordt aan de navolgende ruimtelijke en stedenbouwkundige uitgangspunten als benoemd in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit': a. dichtheden, bouwhoogten/aantal bouwlagen, diepte van een hoofdgebouw, kapvorm, rooilijn en oriëntatie van hoofdgebouwen; b. bijbehorende bouwwerken; c. erfafscheidingen. 8.3
Afwijken van de bouwregels
8.3.1
Fasering
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.1 om een omgevingsvergunning voor nieuwe woningen in 'Woongebied - 2' te verlenen indien: a. voor 80% van alle woningen in de bestemming 'Woongebied - 1' een omgevingsvergunning is verleend, met uitzondering van de kavels voor (collectief) particulier opdrachtgeverschap zoals bedoeld in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; b. in de bestemming 'Woongebied - 1' niet langer alle kwalitatieve woningtypologieën, zoals benoemd in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma', aangeboden kunnen worden; c. het programma aan sociale woningen in 'Woongebied - 1', zoals bedoeld in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma', voor 100% gerealiseerd is. 8.3.2
Hogere bouwhoogte woningen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.3 voor het bouwen tot een hoogte van maximaal 18 meter, voor zover het gebouw is gelegen in een "zoekgebied gestapeld bouwen" of langs de Europalaan zoals opgenomen in de beleidsregel 'stedenbouwkundige kwaliteit'. 8.3.3
Hogere bouwhoogte geluidwerende voorziening
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8.2.5, onder a voor het toestaan van een grotere bouwhoogte van een geluidwerende voorziening, met dien verstande dat: a. dit nodig is als maatregel om de geluidbelasting op een geluidgevoelig object terug te dringen; b. dit niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluitings- en parkeersituatie ter plaatse; c. er bestaan geen bezwaren vanuit een verantwoorde stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting en vormgeving; d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige architectonische en/of cultuurhistorische waarden; e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken en de belangen van derden worden niet onevenredig geschaad.
Regels (vastgesteld)
27
8.4
Nadere eisen
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan de plaats en/of afmeting van de bebouwing ten behoeve van: a. b. c. d. e. f.
een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de sociale veiligheid; externe veiligheid.
8.5
Specifieke gebruiksregels
8.5.1
Woningaantallen
Het totaal aantal nieuw te bouwen woningen in de bestemmingen 'Gemengd', 'Woongebied - 1, 'Woongebied - 2' en 'Woongebied - Uit te werken' mag gezamenlijk niet meer bedragen dan 1.615, met dien verstande dat: a. voldaan moet worden aan de onderverdeling in wooncategorieën in de beleidsregel 'kwalitatief woningprogramma'; b. 425 nieuw te bouwen woningen op gronden met de bestemming 'Woongebied - Uit te werken' gebouwd moeten worden. 8.5.2