CConstaterende datNuenen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-18 RV Bijlage 05-12 - Programma van Eisen - Europalaan-Opwettenseweg

Gemeenteraad 29 april 2021, gemeente NuenenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen West12.031 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven Nuenen west - Fase 1; deelgebied EuropalaanOpwettenseweg

projectnummer 411948 revisie 04 17 februari 2021

Inhoudsopgave

Blz.

1 2

Administratieve gegevens Aanleiding en motivering onderzoek

1 2

2.1

Aanleiding en motivering

2

3 4

Eerder uitgevoerd onderzoek Archeologische verwachting

5 9

4.1 4.2 4.3 4.4

Regionale en cultuurlandschappelijke context Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) Structuren en sporen

9 11 12 12

5

Doelstelling en vraagstelling

14

5.1 5.2 5.3 5.4

Doelstelling Relatie NOaA en/of andere onderzoekskaders Vraagstelling Onderzoeksvragen

14 14 15 15

6

Methoden en technieken

17

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9 6.10 6.11

Strategie Methode en technieken Omgang kwetsbaar vondstmateriaal Structuren en sporen Aardwetenschappelijk onderzoek Anorganische artefacten Organische artefacten Archeozoölogische en -botanische resten Overige resten Dateringstechnieken Beperkingen

17 17 19 19 19 20 20 20 21 21 21

7

Uitwerking en conservering

22

7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6 7.7

Evaluatierapport Structuren, grondsporen en vondstspreidingen Analyse aardwetenschappelijke gegevens Anorganische artefacten Organische artefacten Archeozoölogische en -botanische resten Beeldrapportage

22 22 22 23 23 24 24

8

(De)selectie en conservering

25

8.1 8.2 8.3

Selectie materiaal voor uitwerking Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Selectie materiaal voor conservering

25 25 26

9

Deponering

27

9.1 9.2

Eisen betreffende depot Te leveren product

27 27

10

Randvoorwaarden en aanvullende eisen

29

10.1 10.2 10.3 10.4

Personele randvoorwaarden Overlegmomenten Kwaliteitsbewaking, toezicht, overleg en evaluatie Overige randvoorwaarden en aanvullende eisen

29 29 31 31

11

Wijzigingen ten opzichte van vastgestelde PvE

32

11.1 11.2 11.3 11.4

Wijzigingen tijdens veldwerk Belangrijke wijzigingen Procedure van wijziging na evaluatiefase veldwerk Procedure van wijziging tijdens uitwerking en conservering

32 33 33 33

Literatuur en Bijlagen

35

Literatuur en geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Lijst met te verwachten aantallen Bijlage 2. Overzicht te raadplegen specialisten/specialismen Bijlage 3. Kaart plangebied Bijlage 4. Puttenplan Bijlage 5. Allesporenkaart opgraving Dubbenstraat 10 (BAAC, 2011)

35 36 37 38 39 42

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven projectnummer 411948 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

1

Administratieve gegevens Projectnaam Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kaartbladnummer x,y–coördinaten CMA/AMK-status Archis-monumentnummer Archis-waarnemingsnummer Oppervlakte plangebied Oppervlakte fase 1 Oppervlakte onderzoeksgebied (middelhoge/hoge verwachtingswaarde)

Nuenen west - Fase 1; deelgebied EuropalaanOpwettenseweg Noord-Brabant Nuenen, Gerwen en Nederwetten Nuenen Nuenen West 51 E/G 165331/386033 165097/385856 164866/386201 n.v.t. n.v.t. n.v.t. Ca. 90 ha. voor het totale plangebied Nuenen West Ca. 42 ha. Ca. 18 ha. Dit is gebaseerd op de archeologische verwachtingskaart. Middelhoge verwachting: ca. 7 ha Hoge verwachting: ca 11 ha Van deze 18 ha wordt 8 ha niet verstoord, omdat hier geen ontwikkelingen plaatsvinden (zie kaartbijlage).

Oppervlakte proefsleuven Huidig grondgebruik

Dit houdt in dat het totale met proefsleuven te onderzoeken gebied neerkomt op circa 10 ha. Circa 5000 m2 hiervan wordt op een later moment aangelegd (proefsleuven 8 t/m 10, zie kaartbijlage). De hier geplande proefsleuven zijn wel opgenomen in dit PvE. Ca. 1 ha. Overwegend gras-/akkerland, deels bebouwd en bebost

Blad 1 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

2

Aanleiding en motivering onderzoek

2.1

Aanleiding en motivering In 2008 is het bestemmingsplan “Nuenen west” opgesteld om de destijds voorziene woningbouwontwikkeling in het plangebied mogelijk te maken. Sindsdien zijn de inzichten voor het ontwerp van het gebied veranderd vanwege de veranderde woonconsumentenmarkt, met daardoor andere woonwensen. Mede daarom zijn er verschillende wijzigingen van het bestemmingsplan opgesteld. Het bevoegd gezag, de gemeente Nuenen, geadviseerd door de ODZOB, heeft in 2017 een nieuwe verwachtingenkaart voor het plangebied vastgesteld. Dit is in het ruimtelijk beleid overgenomen middels het (ontwerp)bestemmingsplan ‘Chw-bestemmingsplan Herijking Nuenen West’. De zones met een middelhoge en hoge verwachting die ontwikkeld gaan worden, dienen met proefsleuvenonderzoek onderzocht te worden. Het project wordt gefaseerd uitgevoerd, en om die reden zijn er ook al diverse archeologische vooronderzoeken uitgevoerd. Dit Programma van Eisen (PvE) heeft betrekking op het deelgebied tussen de Europalaan en de Opwettenseweg, dat verder zal worden aangeduid met fase 1 (afbeelding 1). In een deel van fase 1 is de planontwikkeling al uitgevoerd in de vorm van woningbouw (zie ook hoofdstuk 3).

Afbeelding 1. De fasering van het plangebied. Groen = fase 1 (ca. 42 ha.), geel = fase 2 (ca. 18 ha.) en rood = fase 3 (ca. 30 ha.). Te onderzoeken gebied binnen fase 1: ca. 9,9 ha.

Blad 2 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

In afbeelding 2 is op basis van het eerder uitgevoerde booronderzoek (door ADC in 2008, zie hoofdstuk 3) een aantal zones rood omkaderd die destijds zijn aangewezen als zones waar vervolgonderzoek (proefsleuven) moet plaatsvinden. Binnen fase 1 gaat het om een gebied van ca. 9,9 ha.

Afbeelding 2. Verwachtingskaart op basis van bureauonderzoek (bron: SRE Milieudienst, 2008). Het donkerblauwe kader betreft het huidige onderzoeksgebied (fase 1).

Blad 3 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

Sinds 24 november 2017 is er een nieuwe archeologische beleidskaart voor de gemeente Nuenen (afbeelding 3). Deze kaart vormt de basis voor het bepalen van de locaties waar vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. In de quickscan uit 2017 zijn ook alle bruine, gele, oranje en groene gebieden uit afbeelding 2 genoemd als aangewezen voor vervolgonderzoek. 1 Dit is in het ruimtelijk beleid overgenomen middels het (ontwerp)bestemmingsplan ‘Chwbestemmingsplan Herijking Nuenen West’. De zones met een middelhoge en hoge verwachting die ontwikkeld gaan worden, dienen met proefsleuvenonderzoek onderzocht te worden. Binnen fase 1 gaat het om een gebied van ca. 9,9 ha.

Afbeelding 3. De nieuwe beleidskaart voor Nuenen West (november 2017). Het donkerblauwe kader betreft het huidige onderzoeksgebied (fase 1).

De voor proefsleuven geselecteerde gebieden zijn in bijlage 3 weergegeven (in totaal gaat het voor fase 1 om ca. 10 ha). De geselecteerde gebieden betreffen alleen die delen van fase 1 waarin nog gebouwd gaat worden (een deel van de percelen van fase 1 is namelijk reeds ontwikkeld of wordt niet ontwikkeld, zie kaartbijlage). Enkele van de percelen zijn (nog) niet in eigendom van de opdrachtgever, maar zijn wel opgenomen in dit PvE. Het gaat hierbij om het perceel aan de Dubbenstraat 46 (circa 5.000 m2, proefsleuven 8 t/m 10). Binnen de percelen waar bodemverstoringen plaats vinden én die in eigendom zijn, worden alleen die gebieden onderzocht waar een archeologische verwachting geldt, zoals weergegeven op de beleidskaart.

1 Berkvens, 2017.

Blad 4 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

3

Eerder uitgevoerd onderzoek Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek Uitvoerder Uitvoeringsperiode Rapportage

Veldonderzoek (IVO-O) Uitvoerder Uitvoeringsperiode Uitvoeringsmethode Rapportage

Vondsten/monsters/documentatie Veldonderzoek (IVO-P) Uitvoerder Uitvoeringsperiode Uitvoeringsmethode Rapportage

Vondsten/monsters/documentatie Veldonderzoek (opgraving) Uitvoerder

Oranjewoud 2006/2007 Oude Rengerink, H en L. van der Meij, 2006. Bureauonderzoek Nuenen-West, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten. Archeologisch rapport 2006/53, Oranjewoud, Heerenveen. ADC Archeoprojecten 2007/2008 IVO-O, verkennend Nijdam, L., 2008. Nuenen-West (gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten), Een inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC-rapport 1209, Amersfoort. SRE Milieudienst heeft op verzoek van de gemeente Nuenen het booronderzoek beoordeeld (Advies Archeologische Monumentenzorg: concept selectiebelsuit archeologie gemeente Nuenen d.d. 27-112008), en daarbij is geadviseerd om niet alleen nader archeologisch onderzoek te verrichten in de door ADC voor vervolg geselecteerde gebieden, maar ook de gebieden met een redelijk intacte bodem met een hoge of middelhoge archeologische verwachting. Aftopping van het dekzand betekent namelijk niet op voorhand dat de verwachting laag is. De kans op archeologische resten is hier onverminderd groot door de aanwezigheid van een esdek in combinatie met de reeds bekende archeologische vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied. ADC Archeoprojecten BAAC 2010 Proefsleuven Weterings, P., 2010. Nuenen, Nuenen-West, fase 1, Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. BAAC rapport A-09.0376, ’sHertogenbosch. PDB, ‘s-Hertogenbosch BAAC

Blad 5 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

Uitvoeringsperiode Uitvoeringsmethode Rapportage

Vondsten/monsters/documentatie Bureauonderzoek (quickscan) Uitvoerder Uitvoeringsperiode Uitvoeringsmethode Rapportage

Vondsten/monsters/documentatie Specialistisch onderzoek Archeobotanie Archeozoölogie Fysische antropologie Fysische geografie Geofysisch onderzoek Archeologisch materiaal Vondsten/documentatie Geraadpleegde bronnen en partijen Overige literatuur Amateur-archeologen

2011 Opgraving Tump, M., 2012. Nuenen, Dubbestraat 10, plangebied Nuenen – West, fase 1; Opgraving. BAAC rapport A11.0016, ’s-Hertogenbosch. PDB, ‘s-Hertogenbosch ODZOB 2017 Quickscan Berkvens, R., 2017. Advies Archeologische Monumentenzorg 2017 - nr. 166. Quickscan archeologie Nuenen-West. Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. ADC Archeoprojecten/PDB, ‘s-Hertogenbosch ADC Archeoprojecten/PDB, ‘s-Hertogenbosch n.v.t. n.v.t.

Voor het nu voorliggende onderzoek zijn de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de opgraving aan de Dubbestraat zeer relevant: In 2010 is in opdracht van de gemeente Nuenen in een deel van het plangebied Nuenen-West fase 1 een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd: P.G.H. Weterings, 2010: Nuenen, Nuenen-West fase 1. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (BAAC rapport A 09.0376). De door BAAC bv onderzochte zuidelijke zone beslaat ruim 60 hectare, waarvan circa 20 hectare in zekere mate onverstoord is. Het onderzochte terrein wordt aan de westzijde begrensd door de Vorsterdijk en aan de zuid- en oostzijde door de Dubbestraat. Locatie 1 is gelegen aan Dubbestraat 10 en is middels drie proefsleuven onderzocht. Locatie 2 is gelegen op het perceel van een fruitkwekerij aan de Vorsterdijk en is door middel van vijf proefsleuven onderzocht. In beide locaties werden grote zones bodemverstoringen aangetroffen, waarschijnlijk veroorzaakt door ontginning, zandwinning en/of egalisatie. Toch konden ook grondsporen worden blootgelegd. In locatie 1 bestaan deze uit paalsporen en greppels, mogelijk van een boerderijerf uit de volle middeleeuwen. Locatie 2 bevat sporen die op basis van hun kleur en homogene vulling mogelijk als Romeins of prehistorisch kunnen worden aangeduid.

In laatstgenoemde locatie is mogelijk ook een spieker aangetroffen, maar het aantal sporen dat hier is blootgelegd, doet vermoeden dat zich nog een structuur in deze zone bevindt. Omdat in zowel locatie 1 als locatie 2 een vindplaats is aangetroffen, werd door BAAC geadviseerd beide locaties aan een nader onderzoek te onderwerpen. In 2012 heeft BAAC vervolgens een opgraving uitgevoerd van de vindplaats op locatie 1: M. Tump, 2012: Nuenen Dubbestraat 10; Plangebied Nuenen- West, fase 1, Opgraving (Baac rapport A-11.0016). Uit de opgraving kwam naar voren dat de ondergrond bestaat uit een 40-50

Blad 6 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

centimeter dikke A-horizont (bouwvoor), die vrijwel overal tot in het dekzand verploegd is. Het lijkt erop dat het bovenste deel van het dekzand door ploegen is opgenomen in de bouwvoor. Bij de opgraving zijn sporen aangetrofen van twee grafstructuren, waarschijnlijk de rand van een grafveld uit de late ijzertijd. Op grond van de aanwezigheid van menselijk botmateriaal, dat met de C14 methode gedateerd kon worden, kon één van de structuren gedateerd worden in de late ijzertijd. Een tweede vindplaats bestaat uit structuren en sporen die behoren tot een erf uit de volle middeleeuwen (1050-1200 n.Chr). Het gaat o.a. om een woonhuis, hooimijt, twee waterputten en (mest)kuilen. Uit het botanisch onderzoek kwam naar voren dat ten tijde van het functioneren van het boerenerf de natuurlijke omgeving bestond uit een open (heide) landschap met hier en daar bomen, akker- en graslanden en natte broeklanden. In de nabijheid van het erf werd rogge geproduceerd. Er zijn aanwijzingen gevonden voor de consumptie van gewone peer en braam, hazelnoten en het gebruik van keukenkruiden, roos, slaapbol en mosterdzaad. Daarnaast zijn perceelsgreppels en -sloten maar ook moesbedden uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen.

Afbeelding 4. De ligging van de proefsleuven in 2010. In de rode cirkels zijn de te behouden gebieden aangeduid.

Uit de voorgaande blijkt dat gestart is met een archeologisch bureauonderzoek voor het gehele plangebied en daarna zijn in deelgebieden reeds veldonderzoeken uitgevoerd. Het eerste veldonderzoek bestond uit een verkennend booronderzoek waarin vooral werd gekeken naar de mate van intactheid van de bodemopbouw. Voor de kansarme gebieden die

Blad 7 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

ontgrond/afgegraven bleken, is geen vervolgonderzoek geadviseerd. Voor de overige gebieden, die intact bleken, is wel archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd. Voorafgaand aan de uitvoering van de bouw van een gedeelte van fase 1 van de ontwikkeling is vervolgens proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, waaruit het advies voortkwam een opgraving uit te voeren. Deze is inmiddels uitgevoerd. Daarna kwam de ontwikkeling tijdelijk stil te liggen. Nu wordt de ontwikkeling weer opgepakt, waarbij ook het aspect archeologie weer aan bod komt. In het kader van deze ontwikkeling is in 2017 een quickscan opgesteld (zie hoofdstuk 2). Dit is in het ruimtelijk beleid overgenomen middels het (ontwerp)bestemmingsplan ‘Chwbestemmingsplan Herijking Nuenen West’. De zones met een middelhoge en hoge verwachting die ontwikkeld gaan worden, dienen met proefsleuvenonderzoek onderzocht te worden.

Blad 8 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

4

Archeologische verwachting

4.1

Regionale en cultuurlandschappelijke context Het plangebied is gelegen in een Pleistoceen dekzandlandschap, ruim 400 meter ten oosten van de beekdalen van de Kleine Dommel of Rul en de Dommel. De Kleine Dommel of Rul ontstaat uit de samenvloeiing van de Grote Aa met de Sterkselse Aa in Heeze en stroomt daarna dwars door Geldrop en ten westen van Nuenen, waar hij in de grote Dommel uitmondt. In de beekdalen is op beperkte schaal klei en zand afgezet terwijl de flanken van de beekdalen deels zijn geërodeerd. Door een stagnerende watertoevoer hoopten zich in de lagere terreindelen afgestorven planten op en kon veen tot ontwikkeling komen. De dekzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Wierden, als onderdeel van de Formatie van Boxtel. Lokaal kunnen onder de dekzanden nog fluvioperiglaciale afzettingen voorkomen die zijn ontstaan door verspoeling van de Formatie van Sterksel. De dekzanden zijn te onderscheiden in Oude en Jonge dekzanden. De oude dekzanden zijn afgezet in het Pleniglaciaal, de koudste fase van het Weichselien, en zijn over het algemeen wat fijner qua textuur en bevatten meer silt (lemiger). De fijne gelaagdheid met lemige en minder lemige laagjes doet vermoeden dat dit zand onder vochtige omstandigheden is afgezet. De jonge dekzanden zijn in de laatste koude fasen van het Weichselien afgezet. Ze zijn iets grover van korrelgrootte en bevatten minder leem.

Het oppervlak is licht glooiend en voorzien van klein reliëf in de vorm van grotere en kleinere dekzandruggen en –kopjes. Van nature komen op de hoger gelegen zandgronden vooral podzolgronden voor. Dit zijn gronden waarin een inspoelingshorizont (B-horizont) voorkomt. Op de hoge drogere delen van het dekzandlandschap komen moderpodzolen voor, die uitermate geschikt zijn voor landbouw. Vanaf de middeleeuwen is het gebied voor de landbouw in gebruik en zijn cultuurbodems ontstaan. De bodem bestaat in zijn geheel uit hoge enkeerdgronden. Een hoge enkeerdgrond kan ontstaan zijn door het opbrengen van plaggen. Plaggenmest was een mengsel van heide- of grasplaggen met dierlijke mest. De oudste plaggendekken zijn doorgaans ontstaan op de oude bouwlandcomplexen die in de late middeleeuwen in gebruik waren, vooral rond de oude bewoningskernen. Ze komen doorgaans voor op de hogere delen van het landschap op grote dekzandruggen of plateaus. Later werden ook de lagere delen van het landschap in gebruik genomen, waarbij eerst de laagtes moesten worden opgevuld, met grond die van de hogere delen werd gehaald (lage enkeerdgronden). Dergelijke plaggendekken beschermen de dieper gelegen archeologisch relevante bodemlagen tegen verstoring door agrarisch grondverzet.

Het plaggendek zelf is in het verleden vaak vergraven en/of geëgaliseerd wat het opsporen van de archeologische vindplaatsen bemoeilijkt. Dit geldt in het bijzonder voor situaties met reliëf en terreinen nabij oude woonkernen. Nuenen is ontstaan op het punt waar verschillende doorgaande routes samenkwamen. De wegenstructuur die hier ontstond is tegenwoordige nog steeds zichtbaar, en maakt deel uit van de historisch-stedenbouwkundige structuur met hoge waarde. Buiten de historische dorpskern, aan de westkant van Nuenen, bevindt zich historische lintbebouwing van voornamelijk boerderijen.2 Binnen het plangebied heeft in het verleden een laatmiddeleeuwse kapel gestaan (afbeelding 5). Mogelijk zijn resten hiervan nog in de bodem aanwezig, maar de verwachting is dat de kapel zich net buiten de onderzoeksgebieden bevindt. Wel hebben op andere locaties binnen de

2 Berkvens, 2010.

Blad 9 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

onderzoeksgebieden gebouwen gestaan. Zo stonden in het meest zuidelijke deelgebied twee huizen met schuren en erven en verder naar het noorden toe nog een huis met erf. 3

Afbeelding 5. Afbeelding van de kadastrale minuut uit 1811-1832, met rood omlijnd het plangebied en blauw omlijnd de onderzoekslocaties van fase 1. De kapel is met de groene cirkel aangegeven (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Overige bebouwing in het gebied is met oranje aangegeven.

3 OAT10110D041 en OAT10110D038.

Blad 10 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

Afbeelding 6. Uitsnede uit de toponiemenkaart van omstreeks 1830 (Cornelissen e.a., 1987). 4

4.2

Aard en ouderdom van de vindplaats(en) Voor het plangebied geldt een brede verwachting vanaf de prehistorie tot en met nieuwe tijd. In een ruimere omgeving van het plangebied (bureauonderzoek) zijn met name op de hogere dekzandruggen resten aangetroffen uit de periode vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Resten uit de ijzertijd en Romeinse tijd zijn vooral aangetroffen langs de beekdalen van de Kleine Dommel en Dommel. Binnen het huidige plangebied zijn in Archis twee waarnemingen (waarnemingsnr. Archis2 14118, Archis3 2770276100 en Archis2 432831, Archis3 2314464100) bekend. Bij de eerste zijn vondsten uit de vroege middeleeuwen en nieuwe tijd gedaan. Bij de tweede zijn grafgreppels en menselijk botmateriaal uit de ijzertijd aangetroffen, evenals een erf uit de volle middeleeuwen, en resten van een perceleringssysteem uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd.5 Daarnaast bevinden zich diverse bekende vindplaatsen ten noorden van de Boord.

4

Cornelissen, W., F. de Lang en N. Nagtegaal, 1987: Noordbrabantse plaatsnamen: Neunen, Gerwen en Nederwetten. Monografie 2 Brabants Heem, Waalre. 5 Tump, 2012.

Blad 11 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

Net buiten het onderzoeksgebied liggen twee terreinen van hoge archeologische waarde. Monumentnr. 2288 ligt aan de oostelijke oever van de Dommel en is gedateerd tussen de ijzertijd en de Romeinse tijd. Het gaat om een omvangrijk terrein dat ligt op de grote dekzandrug ten zuidwesten van Boord. Uit meerdere vondstmeldingen blijkt dat het gaat om een nederzettingsterrein dat dateert uit de ijzertijd of Romeinse tijd. Ten noordoosten hiervan ligt het kleinere terrein monumentnr. 2289, dat is gedateerd in de late middeleeuwen. Ook hier lijkt het te gaan om een nederzettingsterrein waar zich vermoedelijk een middeleeuws erf heeft bevonden. De randen van het dal van de Dommel en de dalen van de zijbeken blijken in het verleden aantrekkelijke woonlocaties te zijn geweest. Zo zijn er diverse Archis-waarnemingen uit het plangebied en directe omgeving bekend6. De vindplaatsen dateren uit de periode neolithicum tot en met nieuwe tijd, waarbij het vooral gaat om nederzettingsterreinen uit de ijzertijd t/m middeleeuwen. Tot slot lagen er nabij Opwetten aan de Kleine Dommel en de Opwettenseweg respectievelijk “het Slotje” en een kleine kapel, beide daterend uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd.

4.3

Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en) In het plangebied heeft in 2008 een booronderzoek plaatsgevonden, op basis waarvan destijds een aantal te onderzoeken zones geselecteerd. Na beoordeling van de SRE Milieudienst en de gemeente is echter besloten om vervolgonderzoek te adviseren op meer locaties dan alleen degenen door ADC geadviseerd zijn. Op basis van het vooronderzoek kan nog niet overal iets over de omvang van eventuele vindplaatsen worden gesteld. Dit geldt niet voor de begrenzing van de vindplaats die is aangetroffen tijdens de opgraving van BAAC uit 2011 aan de Dubbenstraat 10. Hiervan is al duidelijk dat de sporen doorlopen in het onderhavige onderzoeksgebied.

4.4

Structuren en sporen Uitgaande van een nederzettingsterrein worden met name (paal)kuilen en greppels behorende tot (bij)gebouwen, (erf- en percelerings)greppels, waterputten en afvalkuilen verwacht. Ook funeraire sporen en structuren (grafkuilen, brandkuilen, greppels en paalstructuren rondom grafheuvels e.d.) kunnen niet worden uitgesloten. Daarnaast kunnen sporen van landinrichting en landbouw worden aangetroffen, in de vorm van perceleringsgreppels en ploegsporen/eergetouwkrassen.

4.5

Anorganische artefacten Aardewerk (handgevormd en/of gedraaid), (verbrand) huttenleem, bouwmateriaal (baksteen, mortel e.d.), glas, metaalslakken, metalen voorwerpen en bewerkt natuursteen (waaronder ook vuursteen).

6 Oude Rengerink en Van der Meij.

Blad 12 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

4.6

Organische artefacten In diepere sporen kunnen, onder gunstige (natte) conserveringsomstandigheden, organische artefacten van hout, been, gewei, hoorn, riet of leer worden aangetroffen.

4.7

Archeozoölogische en botanische resten In de diepere sporen kunnen, onder gunstige (natte) conserveringsomstandigheden, nog archeozoölogische resten in de vorm van dierlijk en menselijk bot en botanische resten in de vorm van macroresten (pitten, zaden, hout) en pollen aanwezig zijn. Verbrande resten (houtskool, verbrand bot en verkoolde botanische macroresten) kunnen mogelijk ook in ondiepe sporen bewaard zijn gebleven.

4.8

Archeologische stratigrafie en diepteligging In het algemeen kan worden gesteld dat in het plangebied sprake is van een AC-profiel, waarbij archeologische sporen in de top van de C-horizont vanaf circa 0,5 m beneden maaiveld verwacht kunnen worden. De dikte van de A-horizont kan variëren.

4.9

Gaafheid en conservering Qua conservering van vondstmateriaal zullen anorganische materialen redelijk goed zijn geconserveerd, met uitzondering van metaalvondsten (met name ijzer), dat, indien nog aanwezig, sterk gecorrodeerd zal zijn. Aardewerk dat zich in de bouwvoor (of cultuurdek) bevindt kan door langdurige en herhaaldelijk grondbewerkingen sterker gefragmenteerd zijn dan in onderliggende sporen, maar dit geldt met name voor handgevormd aardewerk. Organische resten zijn in de zandgronden doorgaans slecht tot niet geconserveerd. Alleen in verbrande vorm (verbrand bot, houtskool, verkoolde macroresten) en/of in diepere sporen zoals waterputten of diepe afvalkuilen en greppels kunnen dergelijke resten nog worden verwacht.

Blad 13 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

5

Doelstelling en vraagstelling

5.1

Doelstelling Het inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven heeft als doel inzicht te verschaffen in de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Daarbij dient voldoende inzicht te worden gegeven in de inhoudelijke en fysieke kwaliteit van de mogelijk aanwezige bewoningssporen binnen het plangebied (aard, ouderdom, omvang, gaafheid, conservering) teneinde tot een waardestelling te kunnen komen.

5.2

Relatie NOaA en/of andere onderzoekskaders De onderzoekslocatie ligt in de Archeoregio Brabants zandgebied. De volgende hoofdstukken uit de Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA) zijn voor deze regio en de verwachte periode(n) en vindplaatstypen voor de onderzoekslocatie van belang: 11. De vroege prehistorie 17. De late prehistorie in Noord-, Oost- en Zuid-Nederland en het rivierengebied 18. De Romeinse tijd in het Midden-Nederlandse rivierengebied en het Zuid-Nederlands dekzand- en lössgebied 20. De Romeinse tijd, Middeleeuwen en vroegmoderne tijd in Midden- en Oost-Nederlands zandgebied 22. De Middeleeuwen en vroegmoderne tijd in Zuid-Nederland In aanvulling hierop zijn uit het beleidsplan van de gemeente Nuenen van toepassing: De late prehistorie (specifiek het vaststellen van de dichtheid en de verspreiding van de bewoning in deze periode) Nederzettingen vlak voor en tijdens de Romeinse tijd Romeinse nederzettingen met aanwijzingen voor steenbouw en een religieuze functie Het begin van de vroege middeleeuwen De ontstaansgeschiedenis van gehuchten, dorpen, kerken en kloosters Agrarische nederzettingen, afstemming op landschappelijke mogelijkheden en technologische ontwikkelingen Ruimtelijke spreiding van begraafplaatsen en landbouwsystemen in agrarische nederzettingen Watermolens Bewoningscontinuïteit Landschapsreconstructie Ontginningen in de late middeleeuwen

Blad 14 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

5.3

Vraagstelling Zijn er binnen het onderzoeksgebied één of meer vindplaatsen aanwezig, en zo ja, zijn deze behoudenswaardig?

5.4

Onderzoeksvragen Wanneer één of meer van onderstaande onderzoeksvragen alleen met 'ja' of 'nee' beantwoord kunnen worden, dan dient het antwoord nader te worden toegelicht. Aanvullende onderzoeksvragen dienen zo mogelijk en zo nodig in het kader van de evaluatie van het veldonderzoek nader te worden geformuleerd. Waar nodig worden hieronder gestelde vragen daarin geherformuleerd. 1. 2. 3.

4. 5.

6. 7.

8. 9.

10. 11. 12.

13.

Wat is de aard (complextype), omvang en fysieke kwaliteit van de aangetroffen vindplaats(en)? Uit welke archeologische periode(n) dateert/dateren de vindplaats(en)? Kan er een fasering binnen de perioden worden aangebracht en, zo ja, welke? Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van het onderzoeksgebied (geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? En hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Is er sprake van een plaggendek, podzol, veenvorming, etc.? Zijn er in het onderzoeksgebied aanwijzingen voor dekzandruggen of -kopjes (al dan niet met (deels) intact podzolprofiel)/plaggendek? Zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? Zijn er tijdens het onderzoek archeologische vondsten aangetroffen? Zo ja, wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke materiaalcategorieën en/of vondsttypen behoren zij? Wat is de conserveringstoestand van de verschillende aangetroffen materiaalcategorieën, inclusief eventueel aanwezig archeobotanisch en -zoölogisch materiaal? Welke mobiele vondsten zijn gedaan? Om welke materialen, soorten, typen, functies, aantallen, gewichten gaat het en uit welke context komen de vondsten? Wat is de datering van de vondsten en waarop is de datering gebaseerd? Wat is de aard en conservering van paleo-ecologische resten? In welke mate en in welke context zijn ze aangetroffen? Wat is de aard en/of de functie van de

aangetroffen sporen? Wat is de relatieve en/of absolute datering van de sporen? Waarop is de datering gebaseerd? In welke mate zijn lagen en sporen op vlakken te koppelen aan profielen? Kunnen de aangetroffen sporen worden toegeschreven aan structuren? En zo ja, wat voor structuren en wat is de datering van deze structuren? Wat is de begrenzing, diepteligging en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de sites en wat is de onderlinge samenhang? Welke structuren zijn te onderscheiden ? Wat is het complextype, de constructiewijze en/of de plattegrond en/of het type van de structuren? Wat is de relatieve en/of absolute datering van de structuren? Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van wegen, percelering, akkers, grondstofwinning, vennen, etc? Wat is de inrichting en interne structuur van de vindplaats? Zijn er sites te onderscheiden ? Hoe is de horizontale en verticale spreiding van sporen, structuren en sites en wat is hun samenhang?

Blad 15 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

14. Indien er geen of weinig paalsporen zijn: in welke mate kan er sprake zijn van bouwmethoden die geen of weinig sporen hebben nagelaten (stiepen, Schwellbalken, stenenrijen van vakwerkbouw)? 15. Indien graven worden gevonden: Is sprake van enkele individuele graven of een grafveld? Wat is de aard, conservering en datering van de graven? 16. Hoe verhouden de aangetroffen archeologische resten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? Zijn de onderzoeksresultaten in lijn met de verwachting, of wijken deze hiervan af? 17. Bij aantreffen van één of meer vindplaatsen: wat is de waardestelling middels de KNAwaarderingscriteria en zijn de vindplaatsen behoudenswaardig? 18. Indien het onderzoek geen of beperkte archeologische fenomenen oplevert, bijvoorbeeld alleen losse vondsten, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er bijvoorbeeld sprake van: • aantoonbare afwezigheid van bewoning en / of actief landgebruik; • verstoring van recente antropogene aard; • beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door bodemprocessen; • beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk- of weersomstandigheden? 19. Welk risico lopen de geconstateerde archeologische waarden door de voorgenomen verstoring? Is behoud of verder onderzoek vanuit AMZ-perspectief gewenst? 20.

Welke strategische en methodische aanbevelingen kunnen worden gegeven voor vervolgonderzoek?

Blad 16 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

6

Methoden en technieken

6.1

Strategie In het plangebied dienen 84 proefsleuven te worden aangelegd met een afmeting van 4 bij 25 m. Daarnaast wordt nog één sleuf van 10x4 m aangelegd. Op die manier wordt een totale oppervlakte van 8.440 m2 opgegraven, waarmee een dekkingsgraad wordt bereikt van iets meer dan 8% van het totale te onderzoeken gebied van fase 1, dat een oppervlakte heeft van 100.000 m2. Als aanvulling daarop kan 2.000 m2 (2%) extra worden ingezet als flexibele vierkante meters. Deze aanvullende vierkante meters kunnen dan worden gebruikt om sleuven te verlengen of te verbreden, bijvoorbeeld om een groter deel van een structuur bloot te leggen, een spoor te vervolgen of om de begrenzing van een vindplaats beter in beeld te brengen. Hierover dient vooraf overleg plaats te vinden met gemeente/ODZOB. De proefsleuven worden zo veel mogelijk verspreid over het gebied aangelegd. Er wordt in principe één vlak aangelegd, in de top van de C-horizont. Alleen wanneer bij het laagsgewijs verdiepen al sporen zichtbaar worden, dient een tussenvlak te worden aangelegd. Aantal en ligging van de proefsleuven is grotendeels gebaseerd op methode A3 uit de KNA-leidraad proefsleuven.7 Er is voor de locatie van de proefsleuven rekening gehouden met terreinen die in eigendom van opdrachtgever zijn, waar daadwerkelijk ontwikkeling plaats gaat vinden en met de aanwezigheid van (monumentale) bomen.

Eventuele afwijkingen in het puttenplan van meer dan 10 m per werkput (bijvoorbeeld door vooraf onvoorziene aanwezigheid van sloten, kabels of leidingen e.d.) worden beschouwd als een afwijking op dit PvE. Hiervoor dient toestemming te worden verkregen van de bevoegde overheid. Toestemming dient schriftelijk of in een email te worden vastgelegd. Indien de aangetroffen sporen en/vondsten significant afwijken van de verwachting zoals geformuleerd in dit PvE, dient direct contact te worden opgenomen met de bevoegde overheid en de opdrachtgever om een aangepaste strategie te bepalen.

6.2

Methode en technieken • de werkputten worden aangelegd met een kraan met een gladde bak; • de aanleg van de proefsleuven en het trekken van het vlak dient door een senior KNAarcheoloog begeleid te worden. De diepte van de werkput en het aantal aan te leggen vlakken is afhankelijk van de aangetroffen stratigrafie. Tijdens het afgraven van zowel de bovengrond als ook de bodemhorizonten zal aandacht moeten worden besteed aan het eerder zichtbaar worden van sporen en vondsten. Al deze sporen en vondsten dienen dan gedocumenteerd te worden voordat verder wordt gegraven naar een mogelijk dieper sporenvlak. Bij het laagsgewijs verdiepen met de graafmachine dient men ook alert te zijn op archeologische mobilia uit het plaggendek (vuursteen, houtskool en/of crematieresten). Indien vuursteen, spikkels houtskool of crematieresten worden getraceerd, dan de locatie als bult laten staan. Locatie vervolgens met schep schavenderwijs verdiepen. Indien er aanwijzingen zijn voor spoorvervaging (uitloging) zal een dieper controlevlak aangelegd moeten worden. Depressies en laagten worden tot op een eventueel aanwezige B-horizont laagsgewijs verdiept. • er wordt laagsgewijs verdiept tot op het niveau waarop sporen duidelijk zichtbaar zijn; 7 Borsboom et al., 2012

Blad 17 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

• het archeologisch leesbare vlak wordt waar nodig handmatig opgeschaafd, gefotografeerd, ingekrast, beschreven en getekend op schaal 1:50 of digitaal (RTS/fixed GPS) ingemeten; • bij het aantreffen van verstoringen dienen deze te worden verklaard en gedateerd. Er kan, anders gezegd, niet worden volstaan met een duiding van ‘(sub)recente verstoring’. Verstoorde zones dienen verder verdiept te worden tot op het gele zand (C-horizont) ter controle van mogelijke aanwezige archeologische sporen; • NAP-hoogtes worden gemeten in intervallen van 5 m; • langs één van de lange zijden van de werkputten dient ook om de 5 m de NAP-hoogte van het maaiveld te worden bepaald; • van de opgravingsvlakken worden overzichtsfoto’s gemaakt; • bij de aanleg van alle vlakken wordt continu met een metaaldetector gezocht naar metaalvondsten; • de stort wordt na aanleg van het vlak met een metaaldetector geïnspecteerd op metaalvondsten; • de vulling uit (gecoupeerde) sporen wordt nagezocht met de metaaldetector; • per proefsleuf worden voldoende sporen (waaronder paalkuilen, greppels en afvalkuilen) gecoupeerd om inzicht te krijgen in de aard, ouderdom en conservering van de vindplaats. De selectie van de te couperen sporen geschiedt naar inzicht van de leidinggevend KNAarcheoloog in het veld. Hierbij gelden de onderzoeksvragen als uitgangspunt.

Eventuele graven en diepe sporen (zoals waterputten) blijven in deze fase van onderzoek in principe onaangeroerd; • Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het proefsleuvenonderzoek sporen te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen duidelijke structuren of een overvloed aan sporen. Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient contact opgenomen te worden met de Omgevingsdienst ZuidoostBrabant/gemeente Nuenen. • Sporen mogen alleen na afstemming met de ODZOB/gemeente machinaal worden gecoupeerd.

• indien waterputten of andere diepere sporen worden aangetroffen, dan wordt hiervan door middel van een Edelmanboor en/of guts vastgesteld hoe diep deze reiken; • langgerekte sporen zoals greppels dienen om de 15 m te worden gecoupeerd, evenals ter plekke van eventuele oversnijdingen; • greppels dienen zo mogelijk in het profiel van de putwand te worden gecoupeerd zodat de stratigrafie met de bovenliggende bodemlagen duidelijk wordt; • (crematie)graven worden getekend in schaal 1:10 (vlak en, in geval van opgraving, coupe); • met uitzondering van (crematie)graven mogen sporen machinaal worden gecoupeerd en afgewerkt; • alle foto's zijn digitaal met een minimale resolutie van 8 megapixels; • in principe worden alle aanwezige vondsten, met uitzondering van vondsten na 1950, worden verzameld; • eventuele deselectie van vondsten in het veld dient plaats te vinden in overeenstemming met KNA-specificatie PS06, Tabel 1 (Protocol 4001). Bij onvoorziene (aantallen) vondsten dient overleg gevoerd te worden met de betreffende depothouder(/eigenaar vondsten); • spoorvondsten worden per spoor en per laag verzameld; • bij sporen langer en/of breder dan 2 m worden de spoorvondsten behalve per laag ook verzameld in segmenten van maximaal 2 bij 2 m; • containers (bijv. - vrijwel - compleet vaatwerk van aardewerk of glas) en/of beenderblokken worden behandeld als monsters.

De inhoud van de containers en de beenderblokken dienen via een "micro-opgraving" en/of zeefmethode onder laboratoriumomstandigheden

Blad 18 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

• • • •

•

6.3

onderzocht te worden. Alleen na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid wordt tot "micro-opgraving" en/of zeefmethode overgegaan; aanleg- en vlakvondsten worden verzameld in vakken van 4 bij 5 m; metaalvondsten en bewerkt vuursteen worden in 3D ingemeten; eventuele vondsten uit profielen worden stratigrafisch verzameld en aangegeven op de profieltekening; aanleg- en vlakvondsten worden verzameld in vakken van 2 bij 2 m; uit kansrijke sporen en lagen in de profielen (gekenmerkt door veel houtskool of goede conservering onder natte omstandigheden) worden monsters genomen voor 14C-datering en/of paleo-ecologisch onderzoek; beschikbare KNA-Leidraden dienen, voor zover mogelijk en relevant, gevolgd te worden.

Omgang kwetsbaar vondstmateriaal Kwetsbaar vondstmateriaal dient, zodra het wordt aangetroffen, te worden vrijgelegd, behandeld, verpakt, opgeslagen en vervoerd conform de voor het specifieke materiaal geldende vereisten, zoals opgenomen de KNA-specificatie OS11 en in de KNA-Leidraad ‘Veldhandleiding archeologie. Archeologie Leidraad 1'.8

6.4

Structuren en sporen Alle archeologische sporen in het vlak worden getekend op schaal 1:50 of digitaal (RTS/fixed GPS) ingemeten; (crematie)graven in schaal in 1:10. Alle sporen dienen te worden gefotografeerd (vlak en, indien van toepassing, coupe; bij elkaar gelegen sporen kunnen gezamenlijk op één foto). Op voorhand evident natuurlijke of recente sporen (na 1950) hoeven niet gefotografeerd en gecoupeerd te worden. Coupes worden getekend op schaal 1:20 (graven: 1:10). Indien in het veld al structuren worden herkend, worden de sporen (of een selectie) ervan zo veel mogelijk in dezelfde oriëntatie gecoupeerd (behalve als bijvoorbeeld de aard van het spoor of de aanwezigheid van een oversnijding een andere oriëntatie voorschrijft). Indien in één werkput gelegen of in meerdere nog openliggende werkputten, moet een structuur ook in zijn geheel in het vlak worden gefotografeerd.

6.5

Aardwetenschappelijk onderzoek Er dient per proefsleuf een profielkolom van 1 m breed (minimaal 1 per 20 m) te worden aangelegd. De profielkolommen worden gefotografeerd, beschreven (conform ASB/NEN 5104) en getekend (1:20). Indien de bodemopbouw binnen een afstand van 20 m wijzigt - dit ter beoordeling van de leidinggevende KNA-archeoloog - dient een lengteprofiel te worden aangelegd. De profielen dienen te worden ingemeten ten opzichte van NAP en ten opzichte van het meetsysteem. De beschrijving en interpretatie van de profielen gebeurt door een fysisch-geograaf of senior KNA-archeoloog met ruime bodemkundige/fysisch-geografische ervaring in deze archeo-regio.

8 Carmiggelt & Schulten, 2002

Blad 19 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

6.6

Anorganische artefacten Alle aangetroffen anorganische artefacten – vondsten van na 1950 uitgezonderd – worden geborgen en gedocumenteerd. Anorganische artefacten afkomstig uit de bouwvoor of een laag en niet behorend tot een spoor of structuur (zogenaamde aanlegvondsten), worden per laag en in vakken van 4 bij 5 m verzameld. Metaalvondsten en bewerkt vuursteen worden individueel ingemeten (x-, y-, z-waarden) en verzameld. Anorganische artefacten uit sporen worden per vulling verzameld. De anorganische artefacten worden geborgen, (tijdelijk) opgeslagen en (indien mogelijk) gereinigd conform de specificaties voor de betreffende materiaalgroep in de KNA 4.14.1 (OS11) en de KNA-leidraad ‘Veldhandleiding archeologie. Archeologie Leidraad 1’. 9 Kwetsbare en bijzondere vondsten worden te allen tijde in eerste instantie gefotografeerd voordat deze geborgen worden.

6.7

Organische artefacten Alle aangetroffen organische artefacten – vondsten van na 1950 uitgezonderd – worden geborgen en gedocumenteerd. Anorganische artefacten afkomstig uit de bouwvoor of een laag en niet behorend tot een spoor of structuur (zogenaamde aanlegvondsten), worden per laag en in vakken van 2 bij 2 m verzameld. Organische artefacten uit sporen worden per vulling verzameld. De organische artefacten worden geborgen, (tijdelijk) opgeslagen en (indien mogelijk) gereinigd conform de specificaties voor de betreffende materiaalgroep in de KNA 4.1 (OS11) en de KNAleidraad ‘Veldhandleiding archeologie. Archeologie Leidraad 1’.10 Kwetsbare en bijzondere vondsten worden te allen tijde in eerste instantie gefotografeerd voordat deze geborgen worden. In het geval van bijzondere vondsten moeten – na overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en/of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.

6.8

Archeozoölogische en -botanische resten Uit ‘kansrijke’ sporen en lagen moeten monsters van 5 liter worden genomen. 11 Houten objecten (incl. houtskool) worden verzameld voor houtdeterminatie, eventuele dendrochronologische dateringen of 14C-dateringen. In het geval van bijzondere vondsten moeten – na overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en/of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.

9 Carmiggelt & Schulten, 2002 10

Carmiggelt & Schulten, 2002

11 Met ‘kansrijke sporen’ worden sporen bedoeld waarvan verwacht kan worden dat deze nog organische resten in goede

staat bevatten (zoals diepe sporen/lagen onder grondwaterspiegel, sporen/lagen met humeuze en/of verkoolde resten). Uit (mogelijke) steentijdsporen worden in ieder geval monsters genomen.

Blad 20 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

6.9

Overige resten Onder overige resten worden resten beschouwd als micromorfologische resten, fosfaat, diatomeeën, mijten etc. Deze worden bij onderhavig onderzoek echter niet verwacht. In het geval van bijzondere vondsten moeten – na overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en/of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.

6.10

Dateringstechnieken Uit hiertoe kansrijke – dit ter bepaling van de leidinggevend KNA-archeoloog – sporen en lagen worden monsters genomen voor 14C-dateringen. Bij aantreffen van daartoe geschikt hout worden monsters genomen voor dendrochronologisch onderzoek. In het geval van bijzondere vondsten moeten – na overleg met de opdrachtgever en het bevoegd gezag – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en/of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.

6.11

Beperkingen Er zijn geen specifieke beperkingen. Wel dient rekening gehouden te worden met bomen en ander waardevol groen en eventuele beschermde diersoorten.

Blad 21 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

7

Uitwerking en conservering

7.1

Evaluatierapport • Na het veldwerk en na de technische uitwerking zoals hieronder omschreven, wordt door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies- een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie OS12, tenzij door projectleider en archeologisch adviseur van de bevoegde overheid bij overleg tijdens of na het veldwerk is vastgesteld dat direct met het eindrapport kan worden begonnen. • In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek), voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. Voorgesteld wordt welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd ) hoeven te worden. Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering. • Het evaluatierapport wordt uiterlijk binnen 6 weken na het veldwerk digitaal bij de bevoegde overheid en de depothouder ingediend.

• Het evaluatierapport wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling van dit programma van eisen. • Na vaststelling van het evaluatierapport geeft de vergunningaanvrager opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, • rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concepteindrapport.

7.2

Structuren, grondsporen en vondstspreidingen Alle sporen worden beschreven (spooraard, datering, diepte, vullingen, relatie met overige sporen etc.) en ingevoerd in een database. Zoveel sporen als mogelijk worden gedateerd, op basis van vondstmateriaal (incl. eventuele 14C- of dendrochronologische dateringen), oversnijdingen, toewijzing aan een structuur en/of stratigrafie. Voor zover tijdens het veldwerk nog niet is gebeurd, zullen de sporen worden geanalyseerd om te bepalen welke sporen kunnen worden toegeschreven aan een structuur. Structuren worden beschreven (type, datering, fase, afmetingen, bijbehorende sporen etc.) en ingevoerd in een database. Zoveel structuren als mogelijk worden gedateerd, op basis van vondstmateriaal uit de afzonderlijke sporen, oversnijdingen, oriëntatie en ligging, en meest geëigende typochronologie voor de betreffende periode en structuurtype. Hierbij is een zo volledig mogelijke beantwoording van de onderzoeksvragen het uitgangspunt.

7.3

Analyse aardwetenschappelijke gegevens De profielen zullen worden gedigitaliseerd en worden vervolgens in combinatie met de tijdens eventueel eerder onderzoek verkregen informatie geïnterpreteerd (geologisch, bodemkundig en archeologisch) voor een landschapsanalyse en beschrijving van de landschapsontwikkeling van de

Blad 22 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

onmiddellijke omgeving van de vindplaats. Hierbij is een zo volledig mogelijke beantwoording van de onderzoeksvragen het uitgangspunt.

7.4

Anorganische artefacten Al het aangetroffen anorganische vondstmateriaal wordt gewassen (indien toegestaan in verband met conservering) en gedroogd. De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven conform de daarvoor gebruikelijke determinaties (ten minste conform ABR; zie onder), geteld en gewogen en vervolgens gedetermineerd en in een database verwerkt. De resultaten van de determinaties worden als bijlage aan het rapport toegevoegd. De verzamelde gegevens dienen zodanig te worden uitgewerkt dat de aard, datering en fysieke kwaliteit van de vindplaats kunnen worden bepaald en de in dit PvE gestelde onderzoeksvragen zo volledig mogelijk kunnen worden beantwoord. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van de betreffende materiaalcategorie uit de aangetroffen perioden en regio. Van alle niet direct op het oog te determineren ijzervondsten wordt na afloop van het veldwerk een selectie gemaakt (zie ook Hoofdstuk 8) die aan een röntgenopname zal onderworpen worden. Ook niet te determineren metaalklompen of klompen van metaaloxide die in een archeologische context worden gevonden, zoals in een spoor of in een afvallaag, worden geröntgend ter screening van de inhoud, waarna een selectie (zie Hoofdstuk 8) wordt gemaakt voor te determineren en te conserveren voorwerpen.

Voor specifieke materiaalcategorieën gelden de volgende determinatievereisten: • aardewerk wordt voor zover mogelijk gedetermineerd op baksel, oppervlaktebehandeling, vorm/functie, type, gebruikssporen en andere opvallende kenmerken; • natuursteen wordt voor zover mogelijk gedetermineerd op soort, functie en eventuele gebruikssporen; • slakmateriaal wordt voor zover mogelijk gedetermineerd op type en metaal; • verbrande klei wordt voor zover mogelijk gedetermineerd op gebruik (huis of oven); • overige materiaalcategorieën worden geanalyseerd op ABR 2-niveau.

7.5

Organische artefacten Bij vergankelijke vondsten dient in eerste instantie minimaal gezorgd te worden voor stabilisering van de staat waarin ze zijn gevonden. Het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen en gedroogd (indien toegestaan in verband met conservering). De vondsten worden per materiaalcategorie beschreven conform de daarvoor gebruikelijke determinaties (ten minste conform ABR), geteld en gewogen en vervolgens gedetermineerd en in een database verwerkt. De resultaten van de determinaties worden als bijlage aan het rapport toegevoegd. De verzamelde gegevens dienen zodanig te worden uitgewerkt dat de aard, datering en fysieke kwaliteit van de vindplaats kunnen worden bepaald en de in dit PvE gestelde onderzoeksvragen kunnen worden beantwoord. De materiaalanalyses worden uitgevoerd door specialisten met aantoonbare ervaring op het gebied van materiële cultuur uit de aangetroffen perioden en regio. Voor specifieke materiaalcategorieën gelden de volgende determinatievereisten:

Blad 23 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

•

•

7.6

houten artefacten worden voor zover mogelijk gedetermineerd op soort, functie, bewerkingssporen en datering. Van waterputten wordt ook de constructiewijze gedocumenteerd, alsmede het houtgebruik; artefacten van leer en been worden gedetermineerd op functie, grondstof, datering en overige opvallende kenmerken;

Archeozoölogische en -botanische resten De analyse van de monsters zal in eerste instantie moeten worden uitgevoerd op het niveau van een quickscan zoals die gebruikelijk is voor paleo-ecologisch onderzoek in een waarderende fase van een archeologisch onderzoek. Na de quickscan van de monsters zal in het Evaluatierapport (zie hoofdstuk 8) door archeologisch uitvoerder een voorstel worden gedaan welke monsters voor een verdere analyse in aanmerking komen. Met betrekking tot dierlijk botmateriaal zal het materiaal worden gedetermineerd door een specialist op dat gebied op de volgende aspecten, voor zover mogelijk: diersoort, skeletelement, sekse, leeftijd, pathologie, hak- en snijsporen. Menselijke (crematie)resten dienen te worden gedetermineerd door een specialist op dat gebied, waarbij wordt gelet op sekse, leeftijd, pathologie, verbrandingstemperatuur.

7.7

Beeldrapportage In de rapportage (of de bijlagen) worden in ieder geval opgenomen: • locatiekaart met ligging onderzoekslocatie, • puttenkaart met de ligging van de werkputten; • allesporenkaart; • allesporenkaart geprojecteerd op relevante historische kaarten; • overzichtskaarten met alle gedateerde sporen en structuren per periode en eventueel fase; • profielen; • detailkaarten van alle structuren. Hiernaast dienen belangrijke sporen, structuren en vondsten met foto's en tekeningen te worden verduidelijkt. In overleg met het bevoegd gezag wordt bepaald welke objecten in detail getekend of gefotografeerd worden. Hiervoor wordt door de archeologisch uitvoerder een voorstel gedaan in het evaluatierapport (zie hoofdstuk 8).

Blad 24 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

8

(De)selectie en conservering

8.1

Selectie materiaal voor uitwerking De uitwerking zal plaatsvinden op basis van een evaluatierapport dat conform KNA-specificatie OS12 wordt opgesteld door de archeologisch uitvoerder. Het evaluatierapport verschaft een (zo bondig mogelijke) eerste indruk van de veldbevindingen en bevat een overzicht van de aantallen vondsten per materiaalcategorie en van de in het veld genomen monsters. De voorlopige resultaten worden beoordeeld op hun potentie tot het beantwoorden van de onderzoeksvragen zoals opgesteld in paragraaf 5.4. Indien nodig worden de onderzoeksvragen bijgesteld en/of aangevuld. De archeologisch uitvoerder doet vervolgens in het evaluatierapport een gekwalificeerd en een gekwantificeerd uitwerkingsvoorstel: wat en hoeveel van de vondsten en welke monsters worden uitgewerkt, en waarom. Het evaluatierapport wordt uiterlijk 6 weken na het einde van het veldwerk ter goedkeuring aangeleverd aan de bevoegde overheid. De opdrachtgever ontvangt het evaluatierapport ter kennisgeving. Indien geen of nauwelijks vondsten en/of sporen zijn aangetroffen, kan na toestemming van de bevoegde overheid (schriftelijke vastlegging of per email) en de depothouder (/eigenaar van de vondsten) afgezien worden van een evaluatierapport.

8.2

Selectie materiaal voor deponering en verwijdering Onderdeel van het evaluatierapport vormt een selectierapport. Hierin wordt conform KNAspecificaties PS06 en OS13 door de archeologisch uitvoerder onderbouwd aangegeven of en welke vondsten en monsters in aanmerking komen voor deselectie en welke voor deponering. Het selectie- en deselectievoorstel wordt in de vorm van een selectierapport ter goedkeuring voorgelegd aan de depothouder(/eigenaar vondsten). Deze neemt vervolgens een beslissing hierover. Na goedkeuring van het selectierapport door de depothouder(/eigenaar vondsten) moeten de gedeselecteerde vondsten en gedeselecteerde monsters op controleerbare wijze verwijderd worden. De overige vondsten worden aangeleverd aan het depot (zie paragraaf 9.1). Per object, waarvoor geadviseerd wordt het te deselecteren, betreft de vondstdocumentatie minimaal de volgende informatie: 1. (Uniek) vondstnummer; 2. Spoornummer c.q. context waarin de vondst is aangetroffen; 3. Soort spoor c.q. contact; 4. Datering spoor c.q. vondstcontext; 5. Datering vondst; 6. Aard van het object (determinatie); 7. Conserveringstoestand (corrosie, etc.); 8. Bijzonderheden (inscripties, bewerkingssporen, etc.); 9. Röntgen J/N (röntgen van het object is verplicht als object van metaal is en de vondst op het oog niet te determineren is vanwege bijv. de corrosie); 10.

Motivering en onderbouwing voor het verwijderen uit vondstcomplex.

Blad 25 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

8.3

Selectie materiaal voor conservering De vondsten dienen in eerste instantie gestabiliseerd te worden in de staat waarin ze gevonden zijn (zie paragrafen 6.3). Alle geselecteerde kwetsbare vondsten (zie paragraaf 8.2) moeten geconserveerd worden aangeleverd aan het archeologisch depot. Als naar oordeel van de archeologisch uitvoerder sprake is van behoudenswaardige vondsten die geconserveerd moeten worden, wordt als onderdeel van het selectierapport voor de betreffende vondsten een conserveringsvoorstel (welke vondsten, waarom, en met welke methode te conserveren) voorgelegd aan de depothouder (/eigenaar van de vondsten). Deze beslist daarover. De archeologisch uitvoerder kan ook een gemotiveerd voorstel voor deselectie van (een deel van) het conserverings-behoeftige materiaal voorleggen (zie paragraaf 8.2). De opdrachtgever van de archeologisch uitvoerder dient na de beslissing van de depothouder (/eigenaar vondsten) ervoor te zorgen dat de hiertoe geselecteerde vondsten naar behoren geconserveerd worden. In het samen met de geconserveerde vondsten te overleggen conserveringsrapport legt het bedrijf dat de conservering heeft uitgevoerd vast welke vondsten en monsters volgens welke conserveringsmethode en met welke middelen geconserveerd zijn.

Gezien de aard van het onderzoek - een proefsleuvenonderzoek - is het niet mogelijk adequaat de te verwachten aantallen (te conserveren) vondsten in te schatten. Hierom zullen de kosten voor het eventueel laten conserveren van archeologische vondstmateriaal worden afgerekend op basis van de werkelijk gemaakte kosten (zie KNA Protocol 4001, p. 6). De daadwerkelijke kosten zullen op basis van het conserveringsvoorstel in het door de depothouder(/eigenaar vondsten) goedgekeurde selectierapport eventueel naar boven of naar beneden bijgesteld moeten worden.

Blad 26 van 43

Programma van Eisen Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven 17 februari 2021 revisie 04 Nuenen West B.V.

9

Deponering

9.1

Eisen betreffende depot Binnen de wettelijke termijn van twee jaar na afronding van het veldwerk worden de vondsten en documentatie door de archeologisch uitvoerder overgedragen aan provinciaal depot van Noord-Brabant. De deponering dient te geschieden conform de vigerende eisen van het betreffende depot en de KNA 4.1 (Protocol 4010 en Protocol 4004, specificatie OS17). Depotbeheerder:

Dhr. R. Louer (PDB ’s-Hertogenbosch) Brabantlaan 1 Postbus 90151 5200 MC ’s-Hertogenbosch RLouer@brabant.nl 0618303225

Digitale documentatie dient conform KNA en de vigerende richtlijnen van het e-Depot Nederlandse Archeologie (EASY; https://easy.dans.knaw.nl), geüpload te worden bij het e-Depot. Vondsten, monsters en documentatie worden binnen twee jaar na afronding van het veldwerk overgedragen aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten van de provincie Noord-Brabant conform de daar geldende eisen (https://www.brabant.nl/onderwerpen/kunst-cultuur-enerfgoed/archeologie/provinciaal-depot-bodemvondsten). Na afronding van het onderzoek wordt het geheel, conform de daarvoor geldende normen en eisen (KNA-specificatie DS02 & DS03) aangeleverd via het landelijke e-loket ArcheoDepot (www.archeodepot.nl), geüpload via het E-formulier (https://fd9.formdesk.com/gboprod/Aanmelden_Pakbon_Update) en zo overgedragen aan het Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Noord-Brabant (PDB). Het deponeren van archeologische vondsten en onderzoeksdocumentatie vindt plaats volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, protocol 4004 Opgraven, OS17: “Gestandaardiseerde beschrijving van projectdocumentatie bij het deponeren van archeologisch vondsten en monsters (d.m.v. pakbon)”. De vondsten zijn minimaal beschreven conform Codetabel 1 Artefacttype.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9940731/1