Ruimtelijke onderbouwing Randweg 6 Noordwijk
Tekst van het document
In het najaar van 2023 heeft een update plaatsgevonden van de AERIUS Calculator plaats. De actualisatie heeft betrekking op emissiefactoren, natuurgegevens, en achtergronddepositie. Met de actualisatie zal ook de Regeling Natuurbescherming (artikel 2.1) aangepast worden, zodat de nieuwste versie van AERIUS Calculator (2023.1) met onmiddellijke ingang vereist is voor het berekenen van stikstofdepositie van alle lopende projecten. Er geldt geen overgangsrecht voor stikstofberekeningen. Door deze wijzigingen is daarom de aanleg- en gebruiksfase van het planvoornemen berekend. Dit heeft IDDS gedaan met de nieuwste versie van de calculator, 2023.1. Beoordeling planvoornemen In de nabijheid van het plangebied liggen de volgende Natura 2000-gebieden: Tabel 6: Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied Natura 2000-gebied
Afstand tot het Natura 2000-gebied
Stikstofgevoeligheid
Kennemerland-Zuid
Ca. 50 meter
Zeer gevoelig
Coepelduynen
4,7 kilometer
Zeer gevoelig
Meijendel & Berkheide
9,6 kilometer
Zeer gevoelig
Door middel van een stikstofberekening is beoordeeld of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of habitat van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren. Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Hierbij is er een berekening gemaakt voor de uitstoot van de bouw en gebruik.
De conclusie van het stikstofonderzoek luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. Voor het volledige stikstofrapport en de AERIUS bestanden wordt verwezen naar de bijlage.
Conclusie stikstofdepositie Geconcludeerd wordt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.
4.8
Externe veiligheid
Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).
Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. In de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat (beperkt) kwetsbare objecten worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden.
De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit. De aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron telt niet mee voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Zoals te zien op de figuur bevindt een stationaire bron met veiligheidsrisico’s op circa 200 meter van het plangebied. Het gaat om de opslag van propaan en chloorbleekloog op camping Club Soleil aan de Kraaierslaan. Zoals weergegeven valt het plangebied buiten het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, welke respectievelijk met rode en met oranje arcering zijn weergegeven. Verder zijn er geen andere risicovolle bronnen in de omgeving van het plangebied. Risicovolle inrichtingen Rondom het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Op de bovenstaande kaart is dit ook te zien. Er is geen belemmering vanuit risicovolle inrichtingen. Andersom is er geen belemmering vanuit het planvoornemen. Nader onderzoek is niet nodig.
Kwetsbare objecten Rondom het plangebied bevinden zich (op grote afstand) een aantal mogelijke kwetsbare objecten, waaronder: 1. Bungalowparken 2. Woonhuizen De vakantiechalets hebben geen negatieve invloed op de kwetsbare objecten. Andersom hebben kwetsbare objecten geen risicovolle aspecten op de nieuwe woning. Immers zijn in de huidige situatie al meerdere woningen en bungalowparken om het plangebied aanwezig. Er is geen belemmering van en op kwetsbare objecten. Transport gevaarlijke stoffen over de weg Er bevindt zich geen weg in de nabije omgeving van het plangebied waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over wegen die van negatieve invloed op het planvoornemen zijn. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe nabijheid van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Daardoor is er geen negatief effect op het planvoornemen. Er is geen belemmering van gevaarlijke stoffen over een spoorlijn. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied bevindt zich geen buisleiding waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Dit aspect vormt geen belemmering voor planvoornemen.
Transport door de lucht Zoals eerder beschreven en aangetoond bevindt het plangebied zich ver af van de afwegingsgebieden van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB). Er is geen belemmering vanuit luchtverkeer. Een goed woon- en verblijf klimaat Wat betreft externe veiligheid wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfen leefklimaat. Op bovenstaande figuur is aangetoond dat er geen risicovolle objecten in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Er vinden geen fysieke veranderingen plaats waardoor geen veranderingen plaatsvinden in veiligheid. Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Andersom bevat het planvoornemen geen risicovolle activiteiten en belemmeringen in het kader van de externe veiligheid voor de omgeving.
4.9
Bodemgeschiktheid
Wetgeving Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Beoordeling planvoornemen In opdracht van Vakantiepark Duinrust is door IDDS een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De onderzoekslocatie staat bekend als Duinrust 1a te Noordwijk. Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen realisatie van drie vakantiewoningen op het terrein. In dit kader wenst de opdrachtgever inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Op basis van de onderzoeksresultaten blijkt het volgende: • • •
In de grond zijn bijmengingen met baksteen, plastic en aardewerk aangetroffen. Visueel is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen; De bovengrond is licht verontreinigd met PCB. De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Beperkingen ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling, worden (vooralsnog) op basis van de huidige onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) dient de hypothese “De onderzoekslocatie is onverdacht” formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Hiermee is in afdoende mate een beeld verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Belemmeringen inzake de aanvraag van een omgevingsvergunning worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het volledige rapport betreffende de bodemgeschiktheid is bijgevoegd als bijlage. Conclusie bodemgeschiktheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemgeschiktheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Wetgeving Archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed.
De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: • • •
Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen Archeologie Overeenkomstig met het vigerend bestemmingsplan ‘Duinrand’ ligt de planlocatie in een zone met de dubbelbestemming ‘Waarde = Archeologie’. De dubbelbestemming houdt in dat in het belang van archeologische waarden op de aangewezen gronden, de gronden bestemd zijn voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachte archeologische waarden. IDDS Archeologie heeft in april 2023 een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. IDDS Archeologie heeft vastgesteld dat in het plangebied één archeologisch niveau aanwezig is: eventuele sporen uit de periode Bronstijd-IJzertijd tot en met Middeleeuwen zouden zich direct onder de akkerlaag kunnen aftekenen, op een diepte van 1,1 à 1,4 m -mv (0,4 à 1,4 m NAP). Dit niveau heeft echter een relatief lage archeologische verwachting omdat het veelal geroerd is. Rekening houdend met een veiligheidsmarge van 30 cm wordt geadviseerd om geen bodemingrepen uit te voeren die dieper reiken dan 0,8 m onder het huidige maaiveld (vanwege variaties in de NAP-diepte wordt de diepte ten opzichte van het maaiveld aangehouden). De initiatiefnemer heeft aangegeven dat er enkel ondiepe bodemverstorende werkzaamheden plaatsvinden, en deze werkzaamheden niet dieper reiken dan 0,8 m -mv.
Naar verwachting worden er daarom geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. Deze zullen naar verwachting niet reiken tot in het archeologisch niveau dat is aangetroffen tussen 1,1 en 1,4 m -mv (0,4 en 1,4 m NAP). Het advies dient nog gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de Gemeente Noordwijk. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. Wetgeving Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is er één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea monumenten en archeologie op het land en onder water. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden, blijven gehandhaafd.
Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Beoordeling planvoornemen Cultuurhistorie Het plangebied ligt niet op gronden met cultuurhistorische waarden, als een kasteel- en landgoedbiotoop of in de nabijheid of binnen de vrijwaringszone van een beschermde molenbiotoop. Evenmin in de nabijheid van cultuurhistorische waardevolle objecten of (gemeentelijke) monumenten. Conclusie archeologie en cultuurhistorie De initiatiefnemer heeft aangegeven dat er geen bodemingrepen nodig zijn welke dieper reiken dan 0,8 meter onder het huidige maaiveld. Gelet op dit gegeven en voorgaande bevindingen, wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.11
Watertoets
Wetgeving Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).
2.
Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland en van de gemeente Noordwijk relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier geen belemmering gezien. Waterbeheerprogramma 6: Water wijst de weg Op 8 februari 2022 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) gepubliceerd. Dit programma beschrijft het waterbeer voor de periode tussen 2022 en 2028. De ondertitel van het programma luidt: Water wijst de weg. Binnen het programma worden er 5 maatschappelijke opgaves benoemd, waar het Hoogheemraadschap de kerntaken aan koppelt: -
Bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; Tegengaan van bodemdaling; Versterking van de biodiversiteit; Energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050.
Per deelgebied heeft het Hoogheemraadschap een interactieve visiekaart gemaakt, met de 4 landschapstypen (veen, steen, zand en zout). Afhankelijk van het plangebied geldt een ander visie. Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en wordt er meer water afgevoerd via de grote rivieren. Dit kan grote gevolgen hebben voor de (primaire) waterkeringen. Rijnland beschrijft in het WBP6 dat het als taak heeft het leefgebied, de inwoners en bedrijven te beschermen tegen overstromingen vanuit de zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voor het beschermen van het gebied is samenwerken van belang. Rijnland zorgt er op die manier voor dat er bij ruimtelijke plannen waterveiligheid wordt meegenomen. Ook de overige (water gerelateerde) onderwerpen zoals peilbeheer, het watersysteem en wateroverlast) komen aan bod in het WBP6). Keur Hoogheemraadschap van Rijnland 2020 Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur (opvolger van de Keur 2015) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer.
De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen).
De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De zorgplicht gaat in op het ‘ja, tenzij’-uitgangspunt. Handelingen zijn toegestaan tenzij er onvoldoende zorg in acht is genomen. Dit is vooruitlopend op de nieuwe Omgevingswet waarin hetzelfde principe wordt toegepast. De zorgplicht is bedoeld om schade aan het watersysteem te voorkomen. De algemene regels gaan uit van het principe ‘ja, mits’. De handeling is toegestaan mits aan alle voorwaarden wordt voldaan. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale toegenomen verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000 m 2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening.
Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap. Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is.
De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie. Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. Beoordeling planvoornemen In de huidige situatie bestaat het terrein uit braakliggende grond en een klein speelterrein. Het speelterrein is niet verhard. Een gedeelte van het terrein achter de receptie is verhard, waarbij het achterste gedeelte onverhard is.
In de gewenste situatie worden er drie recreatiechalets gerealiseerd met elk een eigen verhard terras. In de onderstaande tabel is het verschil in verharding tussen de huidige en gewenste situatie berekend. Tabel 7: Toename verharding
Toepassing
Verhard
Onverhard
Oppervlakte
Oppervlakte
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
[m2]
[m2]
Saldo
Gebouw
54
158
104
Terrein verharding
80
136
56
Half verhard terrein
0
25,5
25,5
Deeltotaal
134
320
186
Groen
729
518
-211
Water
0
0
0
Half onverhard terrein
0
25,5
25,5
Deeltotaal
729
544
-186
Totaal
863
863
Uit de bovenstaande berekening blijkt dat het verhard oppervlak in totaal toeneemt met 186 m². Dit heeft onder ander te maken met de aanleg van de drie vakantiechalets en terrassen, en de aanleg van halfverharding voor looppaden en parkeerplaatsen. de onderstaande figuren is te zien dat de indeling van het terrein verandert en en de verharding licht toeneemt in de gewenste situatie.
Op basis van het beantwoorden van de vragen via de digitale watertoets wordt geconcludeerd dat de normale procedure van toepassing is. Onderstaand is het resultaat te zien.
Geconcludeerd wordt dat geen vergunningen nodig zijn voor de beoogde ontwikkeling, mits aan de gestelde maatregelen wordt voldaan. Op basis van verharding is geen compensatie nodig aangezien het verhard oppervlak toeneemt met minder dan 500 m2. Conclusie Watertoets Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect water niet een belemmering vormt. Er is geen compensatie van water nodig.
4.12
Duurzaamheid
De Gemeente Noordwijk heeft als doel dat er zo veel mogelijk natuur-inclusief wordt gebouwd. Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen voorziet in de realisatie van drie vakantiechalets. Er wordt gebruikgemaakt van een warmtepomp om de woningen van energie te voorzien. De nieuwe chalets worden gasloos opgeleverd en het hout is voorzien van het FSC en PEFC keurmerk, wat bijdraagt aan duurzaam bosbeheer. Uit het oogpunt van energiebesparing worden dak en wanden optimaal geïsoleerd. Het dak zal ook bestaan uit een sedumdak, wat bijdraagt aan de biodiversiteit. Zie de bijlagen voor situatieschets en de toekomstige inrichting in het groen. De meeste materialen die gebruikt zijn bij de bouw van de chalets zijn recyclebaar. Bovendien kunnen de chalets worden verplaatst in de toekomst indien nodig, en kunnen deze op een andere locatie in hun geheel worden hergebruikt. Vanuit het oogpunt van duurzaamheid worden geen belemmeringen gezien voor het planvoornemen.
Uitvoerbaarheid 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De planologische procedure wordt doorlopen aan de hand van de uitgebreide procedure Wabo. Op grond van artikel 2.12 van de Wabo is op de voorgenomen planontwikkeling afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Dit houdt in dat het ontwerpbesluit zes weken ter inzage wordt gelegd. Iedereen kan mondeling of schriftelijk een zienswijze indienen op het ontwerpbesluit. Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging wordt beslist over de vaststelling. 5.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer of ontwikkelaar. Er wordt een anterieure overeenkomst gesloten met de Gemeente Noordwijk. Eventuele voortvloeiende planschadeclaims komen in zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Daarmee wordt het voorliggende initiatief financieel uitvoerbaar geacht. 5.3
Eindconclusie
Geconcludeerd kan worden dat het project, in overeenstemming met de in de voorgaande hoofdstukken gegeven omschrijving van het project en plangebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen. Er zijn naar onze mening geen zwaarwegende bezwaren aan te voeren tegen de realisatie van het plan. IDDS Ruimte & Ontwikkeling B.V. Noordwijk (ZH)
Bijlagen • • • • • • • •
Bijlage 1A. Definitief ontwerp G84 Bijlage 1B. Toelichting definitief ontwerp G84 Bijlage 2. Rapport Quickscan Wnb Bijlage 3. Stikstofrapport Bijlage 3A. AERIUS Duinrust 1A, Noordwijk – Bouwfase en gebruiksfase 2023 Bijlage 3B. AERIUS Duinrust 1A, Noordwijk – Gebruiksfase 2024 Bijlage 4. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5. Archeologisch onderzoek