Ruimtelijke onderbouwing Randweg 6 Noordwijk
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Vakantiepark Duinrust, Noordwijk
Ruimtelijke onderbouwing Vakantiepark Duinrust, Noordwijk
Datum Kenmerk Auteur Vrijgave
: : : :
13-12-2023 A2273-07/LVL/rap2 L.S. van der Vliet MSc / mr S. van Roijen MBA J.C. Langeweg MSc
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoud
1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ........................................................................................................................ 4 Aanleiding ...................................................................................................................... 4 Ligging plangebied ......................................................................................................... 4 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 6 Leeswijzer ...................................................................................................................... 8
2.1 2.2
Planbeschrijving .......................................................................................................... 9 Huidige situatie .............................................................................................................. 9 Planvoornemen ............................................................................................................ 10
3.1 3.2 3.3 3.4
Beleidskader ............................................................................................................... 12 Nationaal beleid ........................................................................................................... 12 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 13 Regionaal beleid .......................................................................................................... 16 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 17
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Omgevingsonderzoeken ........................................................................................... 20 Verkeer en parkeren .................................................................................................... 20 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................ 23 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................... 23 Geluidhinder ................................................................................................................. 25 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 27 Flora en Fauna ............................................................................................................. 32 Stikstofdepositie ........................................................................................................... 34 Externe veiligheid ......................................................................................................... 36 Bodemgeschiktheid ...................................................................................................... 39 Archeologie en cultuurhistorie......................................................................................
39 Watertoets .................................................................................................................... 41 Duurzaamheid .............................................................................................................. 48
5.1 5.2 5.3
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 49 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................... 49 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 49 Eindconclusie ............................................................................................................... 49 Bijlagen ....................................................................................................................... 50
Inleiding 1.1
Aanleiding
Vakantiepark ‘Duinrust’ is een vakantiepark in het buitengebied van Noordwijk. Het park ligt tegen de duinrand van het strand van Noordwijk aan. Voor het vakantiepark is het plan ontstaan om deze uit te breiden met drie extra recreatiechalets. Dit omdat het park in het seizoen 100% bezetting kent en er meer vraag is naar chalets dan aanbod. Daarnaast wordt een permanente vergunning voor de receptie aangevraagd. Met de toevoeging van de chalets zou er een uitbreiding plaatsvinden van 12 naar 15 chalets op het park.1 Daarnaast zijn er 26 bungalows aanwezig op het park. De nieuwe chalets komen op het terrein te staan, waar in de huidige situatie een unit van de receptie en een speelplaats zijn. De speelplaats is verouderd en sluit niet meer aan op de vraag van gasten met betrekking tot de uitrusting (met speeltoestellen) van huidige speelplaatsen. Dit is een selectiecriterium van gasten bij het boeken van hun vakantiebestemming. Daarom is het nodig de speelplaats te vervangen en wordt de bestaande speelplaats weggehaald en een nieuwe op een andere locatie op het park gerealiseerd. De receptie blijft in op de huidige locatie. Voor deze unit is al een tijdelijke vergunning van 10 jaar afgegeven, maar in de beoogde situatie komt er een permanente vergunning voor de receptie bij. De realisatie van extra vakantiechalets is toegestaan binnen het geldende bestemmingsplan ‘Duinrand’.
De hierin opgenomen bestemmingsomschrijving Recreatie – Verblijfsrecreatie staat toe dat verblijfsrecreatie wordt gerealiseerd. Het planvoornemen is echter niet conform de bouwregels van het bestemmingsplan. Deze schrijven voor dat enkel binnen het bestaande bouwvlak mag worden gebouwd. Dit is voor het planvoornemen niet het geval, het grasveld bevindt zich buiten het bestaande bouwvlak. Daarmee is er sprake van een strijdigheid met het geldende bestemmingsplan. Om het planvoornemen te kunnen verwezenlijken moet een uitgebreide procedure Wabo worden gevolgd met een Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO). Dit rapport is deze GRO en ziet toe op de vergunning van deze drie vakantiechalets en de permanente vergunning van de receptie.
1.2
Ligging plangebied
Ten westen en ten noorden van het plangebied bevindt zich het natuurgebied KennemerlandZuid. Het plangebied ligt in de nabijheid van de Hollands Duin, en ligt dichtbij het strand van Noordwijk wat zich aan de andere kant van de duinen bevindt. Ten oosten en zuiden van het gebied bevinden zich nog meer recreatievoorzieningen, en op korte afstand ligt Noordwijkerhout. Rondom het vakantiepark zijn meerdere camping- en overnachtingsplaatsen aanwezig. Het gebied leent zich goed voor recreatie en rust.
1 Zie hiervoor ook de plattegrond van Vakantiepark Duinrust, versie 2023.
Tabel 1: Gegevens locatie Plaats
Noordwijk
Locatie
Duinrust 1A
Perceel
C.1806, Noordwijk
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op de planlocatie (en de directe omgeving) is het geldende bestemmingplan ‘Duinrand’ van kracht. Het bestemmingsplan is onherroepelijk vastgesteld op 21-12-2011 door de gemeente Noordwijk. Op het plangebied is de enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ van toepassing. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen. Op de planlocatie geldt ook een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’, wat aangeeft dat de aangewezen gronden mede bestemd zijn voor het behoud van archeologische waarden. Op figuur 4 zijn de bestemmingen binnen en rondom het plangebied weergegeven. Daarnaast is het ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren’ van kracht welke onherroepelijk is vastgesteld op 15 maart 2018. Ook geldt er een Voorbereidingsbesluit hyperscale datacenters, welke is vastgesteld op 08-11-2022. Deze is niet relevant voor dit planvoornemen.
Strijdigheid met het bestemmingsplan Op het plangebied is het geldende bestemmingplan ‘Duinrand’ van kracht. Het bestemmingsplan is onherroepelijk vastgesteld op 21-12-2011 door de gemeente Noordwijk. Op het plangebied is de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ van toepassing. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van recreatiewoningen. In het bestemmingsplan Duinrand is de maximale oppervlakte van de recreatiewoning vastgelegd tot maximaal 80 m² met een maximum goothoogte van 3 m en maximale nokhoogte van 6 m. Om het groene karakter van het gebied te waarborgen, mag het bebouwd oppervlak van de recreatiewoningen en de daarbij behorende bijgebouwen niet meer dan 20% van een recreatiepark beslaan. Binnen het bestemmingsplan is in dit geval geen maximum aantal recreatiewoningen aangegeven. De realisatie van de drie extra recreatiechalets zijn binnen de bestemming mogelijk en zullen voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden betreffende de maximale oppervlakte. In totaliteit beslaat de oppervlakte van Vakantiepark Duinrust (inclusief het park, de beheerderswoning en receptie) 17.365 m2. De huidige bebouwing op het park, inclusief de bungalows, chalets, beheerderswoning en receptie, beslaat 12% van het totaal oppervlakte.
Met de bouw van de drie chalets, zal het totaal bouwoppervlak met 240m2 (3 x chalet van 80m2) vermeerderd worden. Zo komt het maximale bebouwd oppervlak op circa 14,5%. Echter, de recreatiechalets worden buiten het geldende bouwvlak gerealiseerd, en bevindt ook het receptiegebouw zich buiten het bouwvlak. Dit is volgens de bouwregels uit artikel 8.2.1, onder a, van bestemmingsplan ‘Duinrand’ niet toegestaan. Afwijken van het bestemmingsplan Strijdigheid met het bestemmingsplan kan overeenkomstig artikel 2.12 lid 1 onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) worden opgeheven met behulp van: 1. de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking, ook wel binnenplanse omgevingsvergunning genoemd; 2. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, ook wel Kruimelvergunning genoemd; 3. in overige gevallen, een motivering van het besluit voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, ook wel een zogeheten buitenplanse omgevingsvergunning, welke de
uitgebreide procedure volgt. In het bestemmingsplan ‘Duinrand’ zijn geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheden opgenomen die betrekking hebben op het bouwvlak. Een omgevingsvergunning op basis van de zogenaamde kruimelregeling (Bor Bijlage II artikel 4) is niet van toepassing, gezien artikel 4 bijlage II geen onderdeel bevat dat beschrijft over bouwen buiten het bestemmingsvlak. Daarom dient een zogenaamde uitgebreide omgevingsvergunning aangevraagd te worden voor het planologisch mogelijk maken van de gewenste ontwikkeling. Deze ruimtelijke onderbouwing biedt het toetsingskader om de planologische aanvaardbaarheid te onderbouwen. De strijdigheid bouwen buiten het bouwvlak wordt hiermee gemotiveerd. 1.4
Leeswijzer
Dit rapport biedt de onderbouwing van het planvoornemen en de inpasbaarheid daarvan in de fysieke leefomgeving. Het gaat in op verschillende ruimtelijke, beleids- en milieuaspecten. Hiermee kan het planvoornemen juridisch en planologisch worden vormgegeven. In Hoofdstuk (1) is ingegaan op de aanleiding van het planvoornemen met daarbij uitleg van de te doorlopen procedure. Hoofdstuk 2 beschrijft het planvoornemen. Hierin wordt toegelicht welke ontwikkelingen binnen het plangebied voorzien zijn. Ook is een beeld geschetst van de bestaande situatie zodat de ontwikkelingen duidelijk zijn ten opzichte van de huidige. Hoofdstuk 3 gaat in op de relevante beleidsstukken die er vanuit het rijk, provincie, de regio en de gemeente Noordwijk zijn. Het plan is aan deze stukken getoetst. Vervolgens in Hoofdstuk 4 zijn alle omgevingsaspecten van het plan beoordeeld. Ook staan in dit hoofdstuk de resultaten van de onderzoeken beschreven. In hoofdstuk 5 staat op welke manier het planvoornemen zowel maatschappelijke als financieel te realiseren is. In Hoofdstuk 6 staan de bijlagen die relevant zijn voor deze ruimtelijke onderbouwing.
Planbeschrijving 2.1
Huidige situatie
De beoogde locatie voor de drie nieuwe chalets bestaat uit een perceel wat gebruikt wordt als opslag van materialen en deels braak ligt. Binnen het plangebied staat het receptiegebouw met links daarvan een kleine speeltuin. Aan het noordwesten grenst het plangebied aan een weg die twee meter hoger ligt. Het plangebied wordt aan de noordwest- en zuidwestzijde begrenst door een coniferenhaag.
2.2
Planvoornemen
De initiatiefnemer heeft het planvoornemen het vakantiepark uit te breiden door drie extra recreatiechalets te realiseren op het terrein naast de receptie, en de tijdelijke vergunning van de receptie van 10 jaar om te zetten naar een permanente vergunning. De huidige speelplaats zal worden weggehaald van de planlocatie. Er komt een nieuwe speelplaats op een andere locatie binnen het recreatiepark (aangevraagd en afgegeven 2020, zodoende looptijd tot 2030). Voor de receptie is een tijdelijke vergunning aangevraagd van 10 jaar. Deze vergunning is door de Omgevingsdienst West-Holland namens het gemeentebestuur reeds verleend. Het plan omvat de volgende werkzaamheden: • • •
Het realiseren van drie recreatiechalets; Het verplaatsen van de speeltuin naar een locatie elders op het terrein; Het permanent vergunnen en formaliseren van de receptie.
Onderstaand is een impressie van het planvoornemen.
Landschappelijke inpassing De drie chalets sluiten aan op de bestaande bebouwing op Vakantiepark Duinrust. De oriëntatie daarvan sluit aan op de aanwezige bebouwing met als effect dat het ontwerp rust uitstraalt. Een verschil met de al bestaande chalets, is dat de nieuwe chalets ongedwongen in de natuur zijn geplaatst. Dit creëert de sfeer van een duinbos. De chalets hebben een neutrale kleur, zijn eenvoudig van vorm en hebben een natuurlijke uitstraling. Door de situering van de chalets en de omringende beplanting wordt privacy gecreëerd. De parkeerplaatsen worden zoveel mogelijk uit het zicht gehouden door het plaatsen van hagen. Voor een meer uitgebreide toelichting van de landschappelijke inpassing en impressiebeelden wordt verwezen naar de schetsontwerpen van G84, welke te vinden zijn in de bijlage.
Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 3.1
Nationaal beleid
Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een Stedelijk Netwerk Nederland. Een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s waarbij het potentieel van heel Nederland benut wordt. Om de woningbouw een impuls te geven zijn 14 locaties benoemd waar overheden samen goed bereikbare grootschalige woningbouw gaan ontwikkelen. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking verbeteren we niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad. De belangrijkste keuzes die de rijksoverheid voorziet zijn: • • • •
Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De Ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Beoordeling Rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor
woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet Ladderplichtig, aangezien er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het planvoornemen draagt bij aan goede recreatievoorzieningen, wat in lijn is met het Rijksbeleid. Door het nationale karakter van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de kleine schaal van onderhavige ontwikkeling, heeft het bouwplan geen direct raakvlak met dit nationaal beleid. Conclusie Rijksbeleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader.
3.2
Provinciaal beleid
In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Beide documenten zijn op 20 februari 2019 vastgesteld. Deze oorspronkelijke documenten worden gebruikt ter beschrijving van het provinciaal beleid, tenzij een latere wijziging van toepassing is. Omgevingsvisie Zuid-Holland 2023 De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: -
-
Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: -
De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); Het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); Het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); Het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; De natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. In de omgevingsverordening worden geen regels beschreven die direct op wonen slaan. Wel zijn er bepalingen opgenomen die betrekking hebben op bestemmingsplannen in het algemeen. De bepalingen die betrekking hebben op het plangebied en planvoornemen worden hieronder besproken.
Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit In de Omgevingsverordening wordt onder dit artikel in het vijfde lid bepaald: 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden: a) de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b) de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c) de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.
Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren.. In casu is sprake van inpassen (sub a) en geen structuurwijziging (sub b) of transformatie (sub c). Met de realisatie van het plan is er een verdichting, welke past in de aard en de schaal van de omgeving. De landschappelijke structuur wordt niet aangepast en niet aangetast. Dit is goed zichtbaar op figuur 8, welke het planvoornemen in detail weergeeft. De gewenste uitbreiding sluit aan op de bestaande omliggende bebouwing, welke zichtbaar is op figuur 2 en bepalend is voor de gebiedsidentiteit. De kaart van de bestaande situatie van het recreatiepark, zie figuur 10, laat zien dat de aard en de schaal van het planvoornemen in verhouding staat met het bestaande recreatiepark. Artikel 6.9 a: Beschermingscategorie 3 Buitengebied Lid 1 van dit artikel bepaalt, kort gezegd, dat een bestemmingsplan voor een locatie binnen buitengebied, onder voorwaarden, kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling mits de openheid en het groene karakter van het landschap niet onevenredig wordt aangetast, blijkens een afdoende motivering.
Gelet op de bestaande bebouwing, de inpasbaarheid en kleinschaligheid van het planvoornemen, is er geen sprake van aantasting van de openheid en het groene karakter van de bestaande omgeving. De figuren 8, 2 en 10 illustreren en onderschrijven dat het planvoornemen de openheid en structuur van het landschap niet wijzigt, het karakter van het buitengebied niet verandert en het kenmerkende karakter en de herkenbaarheid van het duingebied niet aantast.
Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkelingen In deze verordening staat beschreven dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan de ladder van duurzame verstedelijking. Er moet dan worden gekeken naar de behoefte van de te bouwen woningen en de locatie ervan. Hierin wordt gestreefd naar locaties binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. Daarnaast wordt er allereerst gestreefd naar inbreiding, herstructurering en transformatie binnen dat gebied. Als dat niet mogelijk is, wordt pas gekeken naar ontwikkeling buiten stads- en dorpsgebied. Het planvoornemen vormt geen strijdigheid met de Omgevingsvisie. De ontwikkeling vindt plaats op eigen terrein waardoor het ruimtebeslag slechts zeer beperkt toeneemt. Immers staat in de omgevingsvisie dat onder het beter benutten van de ruimte ook herstructurering valt. Kenmerkend voor de omgevingsvisie is dat de provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede omgevingskwaliteit. Gelet op de omvang van het planvoornemen wordt geoordeeld dat er geen significante impact is op de omgevingskwaliteit. Het planvoornemen sluit bovendien aan bij de toerisme- en recreatiedoelstellingen die de provincie heeft gesteld. Een belangrijke doelstelling is dat in 2030 elke Zuid-Hollander profiteert van toerisme.
Toerisme wordt gezien als een middel dat bijdraagt aan een aantrekkelijk woon- werk en leefklimaat in Zuid-Holland. Vanuit een toeristische invalshoek kunnen economie, cultureel erfgoed, (recreatieve) infrastructuur, groengebieden en recreatie met elkaar verbonden en versterkt worden. Gelet op de groene inrichting op de planlocatie en de korte afstand van natuur en strand, kan gesteld worden dat het planvoornemen bijdraagt aan het voornemen om gebruik te maken van de kansen voor toerisme en recreatie op een wijze die bestaand groen versterkt. Artikel 6.10 d: bereikbaarheid Dit artikel bepaalt dat een bestemmingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houdt met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Gelet op de kleinschaligheid van de beoogde ontwikkeling, is er geen sprake van nadelige gevolgen voor de bereikbaarheid van het gebied en de planlocatie en vormt daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. Artikel 6.10 e: permanente bewoning recreatiewoningen Het vakantiepark breidt uit van 12 chalets naar 15 chalets. Dit artikel sluit permanente bewoning voor een verblijfsrecreatiepark met een omvang van 12 of meer recreatiewoningen uit. In de bestaande situatie is permanente bewoning dus uitgesloten en ook in de beoogde situatie. Aan dit vereiste wordt reeds voldaan en zal ook in de toekomst aan worden voldaan.
Artikel 6.20 a: Hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden Dit artikel ziet toe op de instandhouding van, en zo mogelijk de verbetering van, het hoofdfietsnetwerk alsmede de lange afstands wandelpaden. Het planvoornemen doet hier geen afbreuk aan, omdat het een inbreiding op eigen terrein betreft, aansluit op het netwerk en voldoet hiermee aan het vereiste. Artikel 6.27 c: nestgeluid afgemeerde schepen Aan het vereiste van dit artikel voldoet het planvoornemen. Zowel in de huidige situatie als in de beoogde situatie. Er zijn geen havens in de nabije omgeving waar afmerende schepen geluidsoverlast veroorzaken voor de planlocatie. Artikel 6.35 a: risico’s van klimaatverandering Deze bepaling betreft risico’s ten aanzien van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte. De plaatsing van drie chalets gebeurt op de bestaande ondergrond en er vindt geen verharding van de ondergrond plaats. Het planvoornemen betreft een kleinschalige inbreiding op eigen terrein, waarmee de bestaande bovengenoemde risico’s niet wijzigen. Overstroming, hitte en droogte blijven risico’s die goed moeten worden gevolgd in een bredere context en voor het grotere gebied, niet enkel voor het plangebied. Wat betreft de verordening wordt geconcludeerd: Het planvoornemen past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in een wijziging op structuurniveau.
Het planvoornemen sluit aan bij de omliggende vakantiechalets, aangezien de chalets binnen de bestaande ruimte van het recreatiepark worden gerealiseerd. Daarnaast blijft de aard en de schaal van het planvoornemen daarmee gelijk aan de bestaande bebouwing. In de verordening staat vermeld dat de ontwikkeling moet worden getoetst aan de ladder van duurzame verstedelijking en dat er wordt gestreefd naar locaties binnen bestaand stedelijk stads- en dorpsgebied. Het plan is niet ladderplichtig, maar voldoet wel aan de ladder. Het planvoornemen voldoet aan de verordeningen en is niet in strijd met het provinciale beleid. Conclusie Provinciaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het provinciaal beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. Er wordt voldaan aan de Omgevingsvisie en verordeningen. 3.3
Regionaal beleid
Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Het regionale samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, heeft op 24 juni 2009 de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) vastgesteld. Deze verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020. Na 2020 houdt de RSV rekening met een doorkijk naar 2030. Op diverse onderwerpen werken de deelnemende gemeenten samen. Dit zijn onder andere ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn.
De RSV ziet een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio als belangrijk streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten. Specifiek voor recreatie en toerisme is het doel om de regionale kansen op het gebied van recreatie en toerisme te regisseren. Relevante doelen op dit gebied van Holland Rijnland zijn onder andere: • •
Versterking van de samenhang in het toeristische aanbod in de regio. Verbetering van stad-landverbindingen en verbindingen tussen verschillende (recreatie) gebieden. • Stimuleren van kleinschalige recreatie. Noordwijk is een centrale plaats in het kusttoerisme. De kustontwikkeling vervult een essentiële rol in de versterking van de toeristische sector, naast de traditionele kustrecreatie. Noordwijk is gebaat bij verbetering van de verblijfsondersteunende functies om het verblijf te verlengen en de bestedingen te verhogen. De huidige ontwikkeling van de verblijfsrecreatie in Noordwijk is negatief, in tegenstelling tot die van bijvoorbeeld het congrestoerisme. Belangrijke oorzaak is het grote aandeel kleine, verouderde hotels en verouderde complexen met recreatiehuisjes, die niet meer voldoen aan de veiligheidseisen. Een verbeterde bereikbaarheid (zowel per auto als per openbaar vervoer) geeft een impuls aan het kusttoerisme. Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen voorziet in realisatie van drie moderne en natuur-inclusieve vakantiechalets. Daarnaast draagt het bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, en de doelen van de regio om van Noordwijk een aantrekkelijker gebied te maken voor toerisme en om te recreëren.
Conclusie Regionaal beleid Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het regionale beleidskader en dat er sprake is van goede ruimtelijke ordening. Het woningprogramma past bij het hoofddoel van het Convenant.
3.4
Gemeentelijk beleid
Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 De Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 met als ondertitel ‘Kiezen voor kwaliteit’ is op 2 september 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2018 geactualiseerd. Het doel van deze Structuurvisie is het behoud van de karakteristieke kenmerken van de verschillende landschappelijke zones die Noordwijk rijk is en deze te versterken door middel van een gebiedseigen invulling. In de Ruimtelijke Structuurvisie worden vijf zones onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.
Duinen, strand en zee; Binnenduinrandzone; Strandwal; Strandvlakte; De Klei.
Het plangebied bevindt zich in de zone Binnenduinrand en middengebied. Functies in deze zone zijn en blijven: verspreid wonen, bollenvelden, sporten en recreatie. Het plangebied ligt direct tegen de zone Duinen, strand en zee aan. Voor de zone Duinen, strand en zee staan de functies ‘natuur’, ‘wonen’, en ‘strand- en duinrecreatie’ voorop. Uiteraard mag de rust en de ruimte van het kustlandschap niet worden aangetast. Hier is dus geen plaats voor grootschalige voorzieningen op het gebied van toerisme. In de visie wordt een actieprogramma voorgesteld met het doel om te groeien naar 1.000.000 overnachtingen in 2015. Noordwijk moet zich gaan ontwikkelen tot een vierseizoenen badplaats voor zowel bewoners als bezoekers met de herkenbare thema’s: gezondheid, welbevinden, cultuur en natuur. Beoordeling planvoornemen Structuurvisie Het planvoornemen is niet in strijd met de Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030. De ontwikkeling draagt bij aan goede recreatievoorzieningen. De Structuurvisie en Omgevingsvisie van februari 2022 zijn beide van kracht tot de nieuwe Omgevingsvisie. Omgevingsvisie ‘Samen maken we de toekomst voor Noordwijk!’ In de omgevingsvisie van februari 2022 heeft de Gemeente Noordwijk haar wensen en beleidsdoelen voor de leefomgeving vastgelegd.
De gemeente Noordwijk ziet daarbij diverse uitdagingen die op de gemeente en haar bezoekers, bewoners en bedrijven afkomen. Graag gaat de gemeente deze uitdagingen niet uit de weg. Tegelijkertijd wil de gemeente niet, dat met deze veranderingen de dorpen en het landschap hun identiteit, hun eigenheid verliezen. Daarom is naast de koers ook de identiteit beschreven. Met de visie nodigt de gemeente iedereen uit om bij te dragen aan de toekomst van de gemeente Noordwijk, aan de gewenste koers en aan de identiteit zoals die in de visie beschreven is. De gemeente Noordwijk zet in op vijf thema’s voor de toekomst: 1. 2. 3. 4. 5.
ondernemende gemeente; prettig wonen; welzijn en gezondheid; bereikbaarheid; duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig.
In de omgevingsvisie wordt ook ingegaan op het onderwerp recreatie en toerisme. In de nabije toekomst wenst Noordwijk zich te profileren als groene (recreatie) gemeente waar de natuur een belangrijke rol speelt. Doel is om Noordwijk te profileren als een bruisend vakantieoord met veel bezoekers en kwalitatieve recreatie en goede overnachtingsvoorzieningen. Een uitdaging is dat Noordwijk kampt met ruimtegebrek; veel ruimte is in gebruik door inwoners; er is weinig opvangcapaciteit voor (bad)gasten.
Beoordeling planvoornemen Omgevingsvisie Het realiseren van 3 moderne vakantiechalets is niet in strijd met de Omgevingsvisie. Het planvoornemen draagt bij aan goede overnachtingsvoorzieningen. Conclusie Gemeentelijk beleid Gelet op het bovenstaande, vormt het gemeentelijk beleid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen die de gemeente Noordwijk zichzelf stelt ten aanzien van kwalitatieve verblijfsrecreatie.
Omgevingsonderzoeken 4.1
Verkeer en parkeren
Verkeer Door de realisatie van drie vakantiechalets zijn er veranderingen te verwachten in de verkeersgeneratie en parkeerbehoefte nabij Vakantiepark Duinrust. Op basis van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeercijfers naar parkeernormen’ volgt de volgende toename van verkeersbewegingen door realisatie van het project. Het plangebied bevindt zich in Wijk 01 Noordwijk Aan Zee. Op basis van een omgevingsadressendichtheid van 1.565 wordt geconcludeerd dat sprake is van een sterk stedelijk gebied. Vanwege de ligging in een recreatiegebied en nabij woonwijken wordt uitgegaan van rest bebouwde kom. dient een verkeersgeneratie van max. 2,2 te worden aangehouden. Voor drie vakantiechalets komt dit uit op 6,6 verkeersbewegingen per etmaal. Tabel 1: Verkeersgeneratie Onderdeel Bungalowpark (huisjescomplex
Aantal 3
Norm
Totaal
2,2 verkeersbewegingen per bungalow per dag
6,6 verkeersbewegingen per etmaal
Uit bovenstaande berekening blijkt dat voor het verkeer worst-case sprake is van 6,6 extra vervoersbewegingen per dag. Om vast te stellen in hoeverre het verkeer vanuit het project opgaat in het heersende verkeer, is gebruik gemaakt van gegevens van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Hier zijn monitoringsgegevens van wegverkeer beschikbaar. Vanuit de CIMLK wordt een totale verkeersintensiteit geconstateerd van 999 verkeersbewegingen op de Randweg ter hoogte van het plangebied. Hiervan vallen 844 verkeersbewegingen in de categorie licht verkeer, 103 in de categorie middelzwaar verkeer en 52 in de categorie zwaar verkeer. Met een toename van 6,6 verkeersbewegingen per dag door de drie nieuwe vakantiechalets, betreft dit een toename van circa (6,6/999* 100) = 0,66%. Gezien dit kleine percentage kan aangenomen worden dat het toegevoegde verkeer al vanaf de hoofdingang van het park is opgenomen in het heersende verkeer. Aansluitend bij de richtlijnen van BIJ12 wordt het verkeer opgenomen in het heersende verkeersbeeld bij enkele procenten. Er geldt een stagnatiefactor van 0. Worstcase is er uitgegaan van 1% filevorming.
Parkeren Op het plangebied is het Paraplu Bestemmingsplan Parkeren onherroepelijk vastgesteld op 1503-2018. In dit bestemmingsplan staat dat het bebouwen van gronden alleen is toegestaan indien wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen die zijn neergelegd in de 'Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013', dan wel de opvolger daarvan. In deze nota staat dat voor niet woonfuncties de CROW-normen dienen te worden aangehouden, tenzij er reden is hiervan af te wijken. Als uitgangspunt geldt dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd. Het CROW hanteert voor categorie ‘Bungalowpark (huisjescomplex)’ een parkeerkencijfer van max. 1,7. Opgemerkt wordt dat dit een richtlijn is waarbij niet gespecificeerd is voor hoeveel personen een vakantiewoning maximaal bedoeld is. Deze kunnen variëren van twee persoons huisjes tot huisjes voor meer dan tien personen. Daarom is het meer doelmatig om te kijken naar de daadwerkelijke behoefte aan parkeergelegenheid specifiek voor Vakantiepark Duinrust. Op onderstaande afbeelding is te zien dat het vakantiepark één parkeerplaats heeft gerealiseerd bij elk vakantiechalet. Uit inventarisatie bij de opdrachtgever is gebleken dat in de huidige situatie één parkeerplaats per vakantiewoning voldoende is om te voldoen aan de parkeerbehoefte, en er geen parkeerdruk is in de huidige situatie.
De 3 te realiseren chalets zijn bedoeld voor maximaal twee personen. Hiermee rekening houdende is het aannemelijk dat één parkeerplaats per chalet ruim voldoende is. Daarom is het planvoornemen om voor elk van de chalets één parkeerplaats te realiseren. Mocht in de toekomst blijken dat er toch behoefte is aan meer parkeerplaatsen, dan kan dit altijd in een later stadium alsnog gerealiseerd worden.
4.2
M.e.r.-beoordeling
Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 10 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. 2. 3. 4.
250.000 bezoekers of meer per jaar; een oppervlakte van 25 hectare of meer; 100 ligplaatsen of meer; of, een oppervlakte van 25 hectare of meer in een gevoelig gebied.
Gelet op de aard en omvang van het project, namelijk de toevoeging van drie vakantiechalets, is het niet doelmatig een aanmeldnotitie op te stellen. De bevoegde omgevingsdienst, zijnde de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH), geeft in haar advies van 4 december 2023 aan dat in casu de realisatie van de drie chalets op planologische/juridische gronden niet mogeijk is, maar dat het vigerende bestemmingsplan daar wel in voorziet. Art 8.1 van het bestemmingsplan bepaalt namelijk dat verblijfsrecreatie in de vorm van vakantiewoningen wel mogelijk is. De ODWH concludeert dat gezien de omschrijving van de bestemming in het vigerende bestemmingsplan, de ligging en het kleinschalige karakter, het besluit m.e.r. niet van toepassing is.
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Het Besluit m.e.r. is niet van toepassing. 4.3
Bedrijven en milieuzonering
Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen.
Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen In het kader van een goede ruimtelijke ordening, heeft er een inventarisatie plaatsgevonden van relevante bedrijven in de nabije omgeving. Zoals ook valt op te maken uit de onderstaande figuur kenmerkt de omgeving van het plangebied zich als recreatiegebied. Rondom het plangebied bevindt zich voornamelijk recreatiebestemming en groenbestemming. Op onderstaande afbeelding zijn de enkelbestemmingen in de nabije omgeving van het plangebied te zien. De relevante enkelbestemmingen zijn hieronder genoemd: • • •
•
•
Op circa 1 meter afstand bevindt zich de enkelbestemming groen. Hiervoor geldt geen richtafstand. Op ruim 50 meter afstand van het plangebied bevindt zich enkelbestemming wonen. Ook voor de enkelbestemming wonen geldt geen richtafstand. Op circa 400 meter bevinden zich de dichtstbijzijnde agrarische gronden welke de enkelbestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1 hebben. De VNG-publicatie hanteert voor akkerbouw een richtafstand van 30 meter. Het plangebied bevindt zich hier ver buiten. Op circa 420 meter bevindt zich het dichtstbijzijnde gebied met bedrijfsfunctie. In dit geval gaat het om bestemming horeca. Het gevestigde restaurant valt onder milieucategorie 1b. De VNG-publicatie hanteert voor een restaurant een richtafstand van 10 meter. Het plangebied bevindt zich hier ver buiten. Uit het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn van omliggende bedrijven. Andersom vormt de ontwikkeling voor geen belemmering voor de omgeving.
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat er enkel beperkte belemmering vanuit het bestaande bedrijf kan worden ervaren. Dit is onder de omgevingsaspecten verder beoordeeld en onderbouwd. Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.4
Geluidhinder
Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt om moet worden gegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Beoordeling planvoornemen Recreatiewoningen die niet permanent worden bewoond worden niet aangemerkt als geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder levert derhalve geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast is de verwachte
toename aan verkeer dermate klein dat dit niet voor significante veranderingen in geluidsniveaus zorgt. Indirecte geluidhinder ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking hoeft derhalve niet verder onderzocht te worden. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is dan niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel geïnventariseerd in hoeverre er bronnen van geluidsoverlast in de nabije omgeving zijn. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook ligt het plangebied niet binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeerslawaai). Railverkeer In de directe omgeving van het plangebied is geen spoorlijn aanwezig. Een onderzoek naar spoorweglawaai is daarom niet doelmatig. Industrielawaai Er bevinden zich geen industriefuncties in de nabijheid van het plangebied die voor geluidsoverlast kunnen zorgen. De relevante geluidsaspecten zijn al voldoende onderbouwd en onderzocht in paragraaf 4.2 Bedrijven en milieuzonering. Luchtverkeerslawaai Het plangebied valt buiten het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol (LIB) en buiten het Luchthavenbesluit van Rotterdam The Hague Airport.
Een onderzoek naar luchtverkeerslawaai is daarom niet doelmatig. Onderstaand is het plangebied ten opzichte van de afwegingsgebieden van het Luchthavenindelingsbesluit (LIB) te zien. Volledigheidshalve is gekeken naar het geluid van wegverkeer rondom het plangebied via de Atlas Leefomgeving. Vanuit onderstaande figuur wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau in het gehele plangebied (46-50 tot maximaal 51-55 dB aan de rand van het gebied). Aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt voldaan op de locatie van de vakantiechalets.
4.5
Luchtkwaliteit
Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. Tabel 2: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
NO2
PM10 PM2,5
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
40
Jaargemiddelde concentratie
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) Om de luchtkwaliteit te monitoren en te verbeteren in Nederland is in 2009 het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van kracht geworden. De NSL-monitoring fungeert als centraal punt waarop overheden de benodigde gegevens voor verkeer, veehouderijen en voortgangsformulieren kunnen inzien, doorrekenen en bijwerken. Vanaf 1 januari 2023 is de NSL-monitoring vervangen door een nieuw systeem het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Het doel van het instrument is het bewaken van de kwaliteit van de buitenlucht en het tijdig signaleren van een overschrijding van de omgevingswaarden. AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.
Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor
zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan wordt gesteld dat de voorgenomen planontwikkeling, de realisatie van drie vakantiechalets, niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied.
Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Om vaststellen wat de luchtkwaliteit is ter plaatse, is gebruik gemaakt van gegevens van het (CIMLK). In de CIMLK zijn de achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen bepaald. In onderstaand figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2021. De toetspunten zijn gelegen langs de Randweg en de Duindamseweg.
In onderstaande tabel is voor de meetpunten nabij het plangebied weergegeven wat de concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 zijn.
Tabel 3: Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5 in peiljaar 2021
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 langs de Rijksstraatweg nabij het plangebied voor de voorgenoemde stoffen achtereenvolgens maximaal 10,810 en 15,550 μg/m³ zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5. Deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 7,457 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,0 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 4: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Stof
Maximale achtergrondwaarde [μg/m³]
Jaargemiddelde grenswaarde [μg/m³]
PM2,5
7,5
25
PM10
15,5
40
NO2
10,8
40
Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Voor de volledigheid is er met behulp van de Atlas Leefomgeving (van o.a. ministerie I&M en RIVM) ook nog gekeken naar de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied op het gebied van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10). Ook op basis van de gegevens van de Atlas Leefomgeving blijven de maximale achtergrondwaarden ruim onder de jaargemiddelde grenswaarden. Onderstaande figuren zijn uitsneden van de Atlas Leefomgeving rond het plangebied.
μ
μ
μ
μ
μ
μ
Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan. 4.6
Flora en Fauna
Op 30 maart 2023 is door IDDS een Quickscan Wet natuurbescherming opgesteld en opgeleverd. Hierin is onderzoek gedaan naar beschermde diersoorten en habitattypen in of nabij het plangebied. Hierop wordt onderstaand ingegaan. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000gebied of het NNN. De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN. Het plangebied ligt naast gebied met als beschermd habitattype duinbossen. Op dit habitattype worden geen significant verstorende
effecten verwacht. Mogelijke effecten van stikstof op de Natura 2000-gebieden Kennemerland-Zuid, Coepelduynen en Meijendel & Berkheide door het planvoornemen zijn onderzocht met behulp van stikstofonderzoek. Dit wordt behandeld in de volgende paragraaf. Soortenbescherming Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan kunnen de meeste soorten, die volgens verspreidingsgegevens voor kunnen komen in het plangebied, uitgesloten worden. Voor een aantal soorten geldt dat mitigerende maatregelen noodzakelijk is. Een overzicht hiervan is weergegeven in onderstaande tabel. Voor een nadere toelichting van het nader onderzoek en de mitigerende maatregelen verwijzen wij naar het volledige rapport van de quickscan welke te vinden is in de bijlage. Tabel 5: Overzicht van de onderzochte soort(groepen) en onderzoeksresultaten in relatie tot het vervolgtraject Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Amfibieën
Rugstreeppad (Epidalea calamita)
Nee
Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest
Diverse algemene soorten
Mitigerende maatregelen
Boomvalk (Falco subbuteo)
Nee
Buizerd (Buteo buteo)
Nee
Gierzwaluw (Apus apus)
Nee
Havik (Accipiter gentilis)
Nee
Huismus (Passer domesticus)
Nee
Ransuil (Asio otus)
Nee
Slechtvalk (Falco peregrinus)
Nee
Sperwer (Accipiter nisus)
Nee
Bokkenorchis (Himantoglossum hircinum)
Nee
Dreps (Bromus secalinus)
Nee
Glad biggenkruid (Hypochaeris glabra)
Nee
Kleine vlotvaren (Salvinia natans)
Nee
Stofzaad (Monotropa hypopitys)
Nee
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis)
Nee
Hazelworm (Anguis fragilis)
Nee
Zandhagedis (Lacerta agilis)
Nee
Baardvleermuis (Myotis mystacinus)
Nee
Brandts vleermuis (Myotis brandtii)
Nee
Franjestaart (Myotis nattereri)
Nee
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Nee
Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)
Nee
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Nee
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Nee
Meervleermuis (Myotis dasycneme)
Nee
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)
Nee
Broedvogels waarvan het nest jaarrond beschermd is (categorie 1 t/m 4)
Flora
Libellen Reptielen
Vleermuizen
Soortgroep
Vlinders
Zoogdieren
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Nee
Watervleermuis (Myotis daubentonii)
Nee
Aardbeivlinder (Pyrgus malvae)
Nee
Bruine eikenpage (Satyrium ilicis)
Nee
Duinparelmoervlinder (Argynnis niobe)
Nee
Grote vos (Nymphalis polychloros)
Nee
Boommarter (Martes martes)
Nee
Damhert (Dama dama)
Nee
Eekhoorn (Sciurus vulgaris)
Nee
Mitigerende maatregelen voor Vogels zonder jaarrond beschermd nest Binnen de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Aangezien er enkel inpandige werkzaamheden plaatsvinden en geen werkzaamheden aan de gevels en het dak worden uitgevoerd, zullen er geen nestplaatsen verdwijnen of verstoord worden. De inpandige werkzaamheden kunnen daarom ook plaatsvinden tijdens het broedseizoen op voorwaarde dat de werkzaamheden trillingvrij en met apparatuur met een lage geluidsbelasting uitgevoerd worden. Naast bovenstaande mitigerende maatregelen geldt de algemene zorgplicht, dat inhoudt dat zorgvuldig moet worden omgegaan met aanwezige planten en dieren. De Quickscan Wet natuurbescherming is als losse bijlage aan deze onderbouwing toegevoegd. Conclusie flora en fauna Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect Flora en Fauna geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Wel dienen de benoemde mitigerende maatregelen te worden getroffen. 4.7
Stikstofdepositie
De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep).