Ruimtelijke onderbouwing Koninginneweg e.o. (Aminta Hof)
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
23
Punt
Omschrijving
Hoogte [m]
F40-zo_B Blok F – woning 40 4,5 F45-no/zo_B Blok F – woning 45 4,5 E32-zw_C Blok E – woning 32 7,5 E33-zw_C Blok E – woning 33 7,5 E34-zw_C Blok E – woning 34 7,5 E35-zw_C Blok E – woning 35 7,5 E36-zw_C Blok E – woning 36 7,5 E37-zw_C Blok E – woning 37 7,5 D31-n_C Blok D – woning 31 7,5 E38-zo-C Blok E – woning 38 7,5 D29-n_C Blok D – woning 29 7,5 D30-n_C Blok D – woning 30 7,5 D28-n_C Blok D – woning 28 7,5 D27-n_C Blok D – woning 27 7,5 D26-n_C Blok D – woning 26 7,5 A01-zo_A Blok A – benedenwoning 1 1,5 A04-zo_A Blok A – benedenwoning 4 1,5 A07-zo_A Blok A – benedenwoning 7 1,5 B16-zo Blok B – benedenwoning 16 1,5 B19-zo Blok B – benedenwoning 19 1,5 B22-zo Blok B – benedenwoning 22 1,5 B10-zo Blok B – benedenwoning 10 1,5 B13-zo Blok B – benedenwoning 13 1,5 A02-zo_C Blok A – bovenwoning 2 7,5 A03-zo_C Blok A – bovenwoning 3 7,5 A05-zo_C Blok A – bovenwoning 5 7,5 A06-zo_C Blok A – bovenwoning 6 7,5 A08-zo_C Blok A – bovenwoning 8 7,5 A09-zo_C Blok A – bovenwoning 9 7,5 B11-zo_C Blok B – bovenwoning 11 7,5 B12-zo_C Blok B – bovenwoning 12 7,5 B14-zo_C Blok B – bovenwoning 14 7,5 B15-zo_C Blok B – bovenwoning 15 7,5 B17-zo_C Blok B – bovenwoning 17 7,5 B18-zo_C Blok B – bovenwoning 18 7,5 B20-zo_C Blok B – bovenwoning 20 7,5 B21-zo_C Blok B – bovenwoning 21 7,5 B23-zo_C Blok B – bovenwoning 23 7,5 B24-zo_C Blok B – bovenwoning 24 7,5 D25-o_C Blok D – woning 25 7,5 Tabel
4.2: Aan te vragen hogere grenswaarden wegverkeerslawaai N206
Aan te vragen hogere grenswaarde Lden [dB] 49 50
53
56 57 58 59 60
62
63
64
Omdat sprake is van een hogere geluidbelasting, moet volgens het Bouwbesluit 2012 ook een hogere geluidwering worden gerealiseerd. Dat is hier ook het geval. Bij het ontwerp van het gebouw en de aanvraag van de omgevingsvergunning moet daarom rekening worden gehouden met deze hogere geluidbelasting. Conform het Bouwbesluit dient de geluidsisolatie van een nieuwbouw woning in een verblijfsgebied minimaal 20 dB te bedragen met een binnenwaarde van ten hoogste 33 dB. Conclusie Er is een besluit hogere waarden nodig en er zullen aanvullende maatregelen nodig zijn om te zorgen voor een goede akoestische situatie. Het besluit hogere waarden zal gelijktijdig met deze ruimtelijke onderbouwing moeten worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Daarnaast is deze paragraaf, het onderzoek en het hogere waarden besluit voorgelegd aan de Omgevingsdienst. De ODWH heeft het aspect geluid akkoord bevonden en zal het ontwerp HGW-besluit gelijktijdig met het ontwerp omgevingsvergunning ter inzage leggen (zie bijlage 14).
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
24
4.4
Luchtkwaliteit Kader Op grond van de Wet milieubeheer dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen getoetst te worden aan de Wet luchtkwaliteit. Een ruimtelijke ontwikkeling mag volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsbeleid Luchtkwaliteit (NSL); - de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO 2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Onderzoek De realisatie van 45 woningen is een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een onderzoek is dus niet benodigd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is er wel aandacht besteed aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen nabij het plangebied.
Goede ruimtelijke ordening (CIMLK-monitoringstool) Voor de volledigheid zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Met de CIMLK-monitoringstool zijn langs de dichtbijgelegen rekenpunten de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In afbeelding 4.1 zijn de jaargemiddelde concentraties weergegeven voor het peiljaar 2023 ter hoogte van de planlocatie. In de bijgevoegde tabel zijn de meetpunten met de hoogste waarden weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
25
Afbeelding 4.1: Overzicht concentraties NO 2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2023 (CIMLK-monitoringstool 2023)
Uit de kaart en de tabel in afbeelding 4.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter plaatse van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 13,1 µg/m3, 15,7 µg/m3 en 7,6 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) worden dan ook niet overschreden. Het maximale aantal overschrijdingsdagen (35 dagen per jaar) wordt ook niet overschreden. Gezien bovenstaande is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen. 4.5
Externe veiligheid Kader Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
26
In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10-6 contour. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde.
Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting. Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) uit 2004 legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken. Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en bij ruimtelijke procedures met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden. In het Bevt staan regels voor de ruimtelijke inrichting rond wegen, waterwegen en spoorwegen met vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het Bevt hanteert een vaste grens van 200 meter, vanaf de buitenrand van de transportroute, waarbuiten in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Buiten de 200 meter is een verantwoording niet noodzakelijk. Wel geldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen die nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten mogelijk maken buiten de 200 m dient in de toelichting aandacht moet worden gegeven aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voor zover het binnen het invloedsgebied van de transportroute is gelegen. Ten aanzien van de verantwoordingsplicht groepsrisico wordt, net als bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een volledige verantwoording kan bovendien achterwege blijven indien kan worden aangetoond dat: a. het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico, of;
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
27
b. c. d.
het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan 10% toeneemt en; de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, niet wordt overschreden. Indien sprake is van een volledige verantwoording dienen maatregelen ter beperking van het GR, alternatieve ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van de omvang van een calamiteit te worden overwogen. Een beperkte verantwoording houdt wel rekening met de effecten van een calamiteit en vindt alleen plaats als het plangebied binnen het invloedsgebied (effectgebied) van transportassen is gelegen.
In het Bevt zijn tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Een PAG is een zone, waarbinnen een aanvullende verantwoording noodzakelijk is met betrekking tot het al dan niet nemen maatregelen om de effecten van een plasbrand te beperken en de zelfredzaamheid van personen. Onderzoek Met deze ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Langs vervoersassen van gevaarlijke stoffen is een verantwoordingsgebied voor het groepsrisico aanwezig van 200 meter, een invloedsgebied van 355 meter voor GF3 voor wegen en een invloedsgebied groter dan 4.000 meter voor toxische stoffen. Uit de EV signaleringskaart blijkt dat in de omgeving van het plangebied niet direct risicobronnen aanwezig zijn. Zekerheidshalve is een beperkte verantwoording zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid opgesteld. De overheid biedt hulpverlening door effecten van incidenten actief te bestrijden. De regionale brandweer is voorbereid op de basisbrandweerzorg. Het incident zal dan bestreden worden en (potentiële) slachtoffers moeten zo snel mogelijk van de incidentlocatie worden afgevoerd. Zelfredzaamheid 1. Het belangrijkste handelingsperspectief is vluchten van een incident, indien mogelijk. Voor de beperkt kwetsbare) objecten in het gebied dienen mogelijkheden te zijn om van de risicobron af te vluchten. 2.
Het plangebied dient voldoende mogelijkheden te hebben om te vluchten. 3. Het mechanisch ventilatiesysteem moet een voorziening hebben waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit, die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnen lucht. Bestrijdbaarheid Om incidenten te bestrijden moeten de hulpdiensten eerst ter plaatse van het incident komen en eventueel weer snel wegkomen om gewonden naar het ziekenhuis te vervoeren. Dat wil zeggen dat het plangebied bereikbaar is voor minimaal het grootste en zwaarste voertuig: een brandweerauto. Het plangebied dient een goede bereikbaarheid te hebben en de doorstroming van verkeer in de nieuwe situatie dient minstens hetzelfde te blijven als in de bestaande situatie. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling binnen het plangebied. Er is formeel advies aangevraagd bij de Veiligheidsregio Hollands Midden. Dit advies is verwerkt in deze paragraaf. De VRHM heeft aangegeven akkoord te zijn met bovenstaande paragraaf en heeft enkele adviezen over brandveiligheid bij de woningen gedeeld. Deze adviezen zijn in het bouwplan meegenomen.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
28
4.6
Bodemgeschiktheid Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouw-activiteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Ww) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Woningwet (Ww): in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften moeten in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Onderzoek Door IDDS is een historisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is als bijlage 5 opgenomen. Vooronderzoek Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn conclusies getrokken over de verwachting van de milieuhygiënische bodemkwaliteit en de aanwezige verontreinigende stoffen. Op basis van de getrokken conclusie is een hypothese geformuleerd. De hypothese betreft voor elke (deel)locatie, in zowel het horizontale als het verticale vlak, de verwachting met betrekking tot de aanwezigheid van bodemverontreiniging.
Bij eventueel bodemonderzoek dient de hypothesestelling als basis voor de onderzoeksstrategieën uit de desbetreffende normdocumenten. De hypothese en strategie zijn complementair aan elkaar. De hypothese is dat het terrein als onverdachte locatie kan worden bestempeld. Verkennend bodemonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies vastgesteld: • In de grond is sprake van sporen baksteen en zeer plaatselijk brokken beton en een matige bijmenging met metselpuin; • Visueel en analytisch is geen asbest aangetoond; • De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK; • De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters; Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
29
•
Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.
Algemene bodemkwaliteit Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijding van de betreffende achtergrondwaarden (grond) dient de hypothese ‘onverdacht’ voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, door IDDS wordt geadviseerd dat de gemeten waarden dermate gering zijn dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel niet noodzakelijk is. IDDS stelt dat in afdoende mate een beeld is verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Belemmeringen inzake het voorgenomen gebruik en de herontwikkeling worden vanuit het milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om aanvullend of nader bodemonderzoek te adviseren. Aanvullend onderzoek In februari 2024 is door IDDS een aanvullend verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd naar de bodem onder de Koninginneweg, nadat dit deel van de weg bij het projectgebied betrokken werd. Dit onderzoeksgebied is afgebeeld in afbeelding 4.2. De gehele rapportage is bijgevoegd als bijlage 10.
Afbeelding 4.2: onderzoeksgebieden bodemonderzoeken
Doelstelling van het onderzoek is om de milieuhygiënische bodemkwaliteit (grond incl. asbest en grondwater) vast te stellen en om op indicatieve wijze inzicht te verschaffen in de hergebruiksklassen van de grond. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Ook zijn er geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van een significante verontreiniging van het grondwater. Er zijn vanuit de aspecten bodem- en grondwaterkwaliteit geen belemmeringen ten aanzien van de voorgenomen activiteit.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
30
Conclusie De vastgestelde bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de aanvraag van de omgevingsvergunning (activiteit bouwen). De onderzoeken zijn door de omgevingsdienst als toereikend beoordeeld.
4.7
Flora en fauna Kader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Wnb: soorten Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan of omgevingsvergunning voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij het afgeven van de omgevingsvergunning dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.
Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Wnb: Natura 2000 De Wnb ziet op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden en verbindingszones. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid).
Onderzoek Soortenbescherming Quickscan Flora en Fauna Door onderzoeksbureau E.C.O. Logisch is een Quickscan Eco-effectscan (bijlage 6) uitgevoerd om te inventariseren of er beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
31
schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. Uit deze quickscan is gebleken dat het projectgebied mogelijk functies herbergt voor de gierzwaluw, huismus en vleermuizen. Conclusie Quickscan Het is noodzakelijk aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van de gierzwaluw, huismus en vleermuizen uit te voeren alvorens men met de geplande werkzaamheden kan beginnen. Indien aanvullende onderzoeken aantonen dat het projectgebied functies voor beschermde soorten bevat en verstoring niet kan worden voorkomen, dient een Verklaring van geen bedenkingen Wet natuurbescherming danwel een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Aanvullende onderzoeken en worst-case scenario Met de vergunningsaanvraag kan niet worden gewacht tot nadat het aanvullend ecologisch onderzoek is uitgevoerd. In 2023 is door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. onderzoek naar vleermuizen verricht met betrekking tot het paarseizoen. In 2024 wordt door Adviesbureau E.C.O. Logisch B.V. het aanvullend onderzoek naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen verricht. Aan de resultaten van de quickscan en de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen (paarseizoen) is op basis van expert beoordeling een advies opgesteld. Hierbij is uitgegaan van een worst-case scenario. Dit worst-case scenario is opgenomen in bijlage 9.
Aan de hand van de resultaten van het worst-case scenario en de resultaten van het onderzoek naar vleermuizen in het paarseizoen is op basis van expert beoordeling een advies opgesteld met betrekking tot mogelijke noodzakelijk maatregelen ten aanzien van tijdelijke nestlocaties van de gierzwaluw en de huismus en verblijfsfuncties van vleermuizen. Dit is samengevoegd in het activiteitenplan (bijlage 13). In het activiteitenplan zijn ook de resultaten van het nader huismusonderzoek opgenomen. De resultaten zijn zichtbaar gemaakt in afbeelding 4.X en worden hieronder besproken. Van de overige soorten (de gierzwaluw en vleermuizen) zijn heden nog geen resultaten bekend. Derhalve wordt in het activiteitenplan uitgegaan van het opgestelde worst-case scenario. Activiteitenplan Vanwege het feit dat alle aanvullende onderzoeken en het worst-case scenario uiteindelijk aan de basis liggen van het activiteitenplan, wordt alleen dit activiteitenplan hier nader besproken. Resultaten onderzoek Huismus Het onderzoek naar de huismus is uitgevoerd op basis van de Soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. In het projectgebied zijn tijdens het huismusonderzoek zeven nestlocaties van de huismus vastgesteld. In afbeelding 4.3 zijn de nestlocaties van de huismus op kaart weergegeven.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
32
Afbeelding 4.3 Resultaten onderzoek naar de huismus (nestlocaties) Voorlopige resultaten onderzoek vleermuizen Het onderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen dient nog op moment van schrijven van het activiteitenplan te worden afgerond. De resultaten van het vleermuisonderzoek naar zomer- en kraamverblijfplaatsen zijn heden nog niet bekend. Wel is reeds bekend dat, op basis van de eerste ronde(s), er een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis zich buiten het projectgebied bevindt. De kraamverblijfplaats bevindt zich in de nok van nummer 32 aan de Herenweg te Noordwijkerhout. De verblijfplaats bevindt zich in de nok van de zuidwestelijke gevel. Een vliegroute van deze kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis loopt door een gedeelte van het projectgebied heen. De route komt in de noordwestelijke hoek het projectgebied binnen en loopt tussen de nummers 2 en 3 aan de Koninginneweg door. In afbeelding 4.4 is de vliegroute van de gewone dwergvleermuis op kaart weergegeven. In het projectgebied is tijdens het onderzoek vier paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in het projectgebied vastgesteld. Het onderzoek naar winterverblijfplaatsen dient nog op moment van schrijven van het activiteitenplan te worden afgerond. De resultaten van het vleermuisonderzoek naar winterverblijfplaatsen zijn heden nog niet bekend.
Het onderzoek naar massawinterverblijfplaatsen is heden nog niet afgerond, hiervan dient op moment van schrijven nog één ronde plaats te vinden. Het onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen dient nog op moment van schrijven van het activiteitenplan te worden afgerond. De resultaten van het vliegroutes en foerageergebieden naar vleermuizen zijn heden nog niet bekend.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
33
Afbeelding 4.4: Voorlopige resultaten vleermuisonderzoek (tot begin kraamseizoen) Effecten en maatregelen Gierzwaluw De effecten op korte termijn zijn gering, mits er voldoende maatregelen worden getroffen. De nestlocaties worden allen volledig gecompenseerd middels het plaatsen van tien voor de gierzwaluw geschikte permanente voorzieningen. Heden zijn de nestkasten voor de gierzwaluw reeds gerealiseerd en opgehangen. Dit is inzichtelijk gemaakt in afbeelding 4.5. Gezien de gierzwaluw kan wisselen van vaste plek, worden geen cumulatieve effecten verwacht door het vernielen van, op basis van het worst-case scenario, twee nestlocaties van de gierzwaluw. Voor de overige soorten worden eveneens geen cumulatieve effecten verwacht. Effecten en maatregelen Huismus De werkzaamheden hebben, op basis van het worst-case scenario én het aanvullend onderzoek effect op zeven nestlocaties van de huismus. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden worden maatregelen getroffen om het doden van individuen van de huismus te voorkomen en verstoring tot het minimum te beperken. Daarnaast worden de nestlocaties van de huismus, die met de werkzaamheden verloren gaan, volledig gecompenseerd door het realiseren van nieuwe voorzieningen.
Dit betreft zowel tijdelijke voorzieningen, in de vorm van nestkasten, als permanente voorzieningen, in de vorm van geïntegreerde neststenen en/of duurzame nestkasten conform het Kennisdocument Huismus. Binnen honderd meter van het projectgebied worden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden 33 tijdelijke huismuskasten geplaatst ter mitigatie van de huidige nestlocaties, waarvan het aantal vooraf is bepaald op basis van het worst-case scenario en niet op het daaropvolgende huismusonderzoek. De locaties van de nestkasten zijn weergegeven in afbeelding 4.5. De mogelijke effecten op de lange termijn zijn eveneens gering. Door het voorkomen van het doden van individuen van de huismus en het aanbieden van duurzame vervangende nestlocaties in de nieuwe situatie kan de huismus duurzaam van het projectgebied gebruik blijven maken. De vastgestelde nestlocaties worden volledig gecompenseerd door het plaatsen van ten minste 14 voor de huismus geschikte permanente voorzieningen. Dit is inzichtelijk gemaakt in afbeelding 4.6 Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
34
Effecten en maatregelen gewone dwergvleermuis De effecten op korte termijn zijn gering, mits voldoende maatregelen getroffen worden. De werkzaamheden hebben, op basis van het worst-case scenario, effect op acht zomer- en paarverblijfplaatsen en één kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden worden maatregelen getroffen om het doden van individuen van de gewone dwergvleermuis te voorkomen en verstoring tot een minimum te beperken. Daarnaast worden de te verwachten verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis volledig gecompenseerd door het realiseren van nieuwe voorzieningen. Dit betreft zowel tijdelijke voorzieningen, in de vorm van vleermuiskasten, als permanente voorzieningen, in de vorm van geïntegreerde inbouwstenen en/of spouwmuur conform het Kennisdocument Gewone dwergvleermuis De mogelijke effecten op de lange termijn zijn eveneens gering. Door het voorkomen van het doden van individuen van de gewone dwergvleermuis en het aanbieden van duurzame vervangende verblijfplaatsen in de nieuwe situatie kan de gewone dwergvleermuis duurzaam van het projectgebied gebruik blijven maken en zal de populatie niet in grootte afnemen.
De op basis van het worst-case scenario te verwachten verblijfplaatsen worden volledig gecompenseerd middels het aanbieden van toegankelijke spouwmuren en/of het plaatsen van ten minste 32 inbouwkasten voor zomer- en paarverblijfplaatsen en vier kraamkasten. Conclusie Om de gunstige staat van instandhouding van de gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en de huismus in de directe omgeving van het projectgebied te kunnen garanderen, zullen mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen conform de kennisdocumenten van de gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en de huismus. De te treffen maatregelen zijn in te delen in verschillende fases van de ontwikkeling. Voorafgaand aan de ingreep; Voorafgaand aan de werkzaamheden zijn er ter compensatie, op basis van het worst-case scenario, vleermuiskasten opgehangen. Dit betreft 32 vleermuiskasten (geschikt voor zomer- en paarverblijfplaatsen) en 4 kraamkasten (geschikt voor kraamverblijfplaatsen). Voorafgaand aan de werkzaamheden zijn ter compensatie, op basis van het worst-case scenario, 10 kasten voor de gierzwaluw opgehangen. Voorafgaand aan de werkzaamheden zijn ter compensatie, op basis van het worst-case scenario, 28 nestkasten voor de huismus opgehangen. Tijdens de ingreep Tijdens de ingreep wordt lichtverstoring voorkomen door overdag te werken. Tijdens de werkzaamheden dient de vliegroute te worden gehandhaafd.
Eveneens worden de bestaande nestlocaties en verblijfplaatsen in het projectgebied ongeschikt gemaakt. Na het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen en nestlocaties wordt voorafgaand aan de werkzaamheden gecontroleerd of er binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden nog nestlocaties van broedvogels en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het projectgebied. Er wordt verder gefaseerd gewerkt en overige zorgplichtmaatregelen worden gevolgd. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie zal er een combinatie van inbouwkasten en nestkasten worden gerealiseerd om het duurzaam medegebruik van de gewone dwergvleermuis, gierzwaluw en de huismus te garanderen. Voor de gewone dwergvleermuis wordt doorgaans met een factor vier gecompenseerd. Voor de gierzwaluw met een factor vijf en de huismus met een factor twee. In de huidige situatie dienen er, op basis van het worst-case Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
35
scenario, 32 vleermuiskasten en vier kraamkasten voor de gewone dwergvleermuis, tien nestkasten voor de gierzwaluw en veertien nestkasten voor de huismus.
Afbeelding 4.5: Locaties tijdelijke voorzieningen
Afbeelding 4.6: Locaties permanente voorzieningen (blauw) schematisch weergegeven op basis van het ontwerp
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
36
Gebiedsbescherming In het kader van gebiedsbescherming is door Lodewijck Groep een stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7. Hierin staat een uitgebreide toelichting op de gehanteerde uitgangspunten en zijn ook de AERIUS-berekeningen opgenomen. Het plangebied bevindt zich op circa 2 kilometer afstand van het stikstofgevoelige Natura 2000 gebied Kennemerland-Zuid. De AERIUS-berekeningen hebben betrekking op twee fases. De eerste is de realisatiefase. In deze fase worden de huidige woningen gesloopt, de grond van de locatie bouwrijp gemaakt en worden de nieuwe woningen gebouwd. De gehele realisatiefase duurt circa 14 maanden. De sloop- en bouwrijpfase, welk 2 maanden zal duren, is ingevoerd in 2024. De bouwfase duurt 1 jaar en zal in 2025 plaatsvinden. De tweede fase is de gebruiksfase van de woningen, deze is permanent. Intern salderen Als referentiesituatie voor een bestemmingsplan geldt de feitelijke bestaande planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan. NOx en NH3 bronnen die aanwezig zijn op de locatie in de referentiesituatie kunnen worden ingezet voor intern salderen; emissiebronnen binnen de plangrens komen te vervallen en hiervoor komen andere bronnen in de plaats.
Netto mag bij het toepassen van salderen mag de stikstofdepositie op stikstofgevoelige locaties in Natura 2000-gebied niet toenemen ten opzichte van de referentiesituatie. In de huidige situatie zijn binnen het plangebied 18 woningen en 1 bedrijfsgebouw aanwezig. Deze kennen in de huidige situatie een gasverbruik en een verkeersgeneratie. Met de transformatie van het plangebied komen deze NOx en NH3 bronnen te vervallen. Om een worst-case scenario te creëren, is in deze nadere beschouwing naar intern salderen enkel het huidige gasverbruik meegenomen. Op basis van de verschilberekening met behulp van intern salderen wordt geconcludeerd dat in de projectberekening blijkt dat er geen sprake is van depositie op Natura 2000-gebieden. De toename in stikstofdepositie is kleiner dan 0,00 mol/ha/jaar. Een nadere beschouwing is dan ook niet noodzakelijk. Op grond van de beoordelingssystematiek voor nieuwe activiteiten is het aanvragen van een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming dan ook niet nodig. Op grond van de stikstofdeposities is er geen reden het initiatief te belemmeren. Kapvergunning bomen In totaal worden 17 in het plangebied aanwezige bomen gekapt. Hiervan zijn 4 bomen vergunningsplichtig. Hiervoor loopt een aparte kapvergunning. Voor de 17 bomen die gekapt worden zullen binnen het nieuwe project 1 op 1 nieuwe bomen worden geplant.
Hierbij worden de juiste stamdiameters/boomgroten toegepast. Conclusie De ontwikkeling is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming of binnen de Omgevingswet voor wat betreft stikstofdepositie. Het aspect soortenbescherming wordt verder uitgewerkt in een separate vergunning. 4.8
Overige belemmeringen Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Conclusie In en om het plangebied zijn geen verdere belemmeringen aanwezig. Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
37
5.
Water
5.1
Beleidskader Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van het NWP: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21 e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast.
Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en het waterschap samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen (bijvoorbeeld wateroverlast of verdroging) in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in de wetgeving en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren. De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water.
Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
38
Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de provincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regionaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onderwerpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wateroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in 1 document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de samenhang tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten waren onder de indruk hiervan en hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld.
Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de 7 Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbedrijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Daarnaast hebben 23 partijen een zienswijze ingediend op het ontwerpregionaal waterprogramma. Het regionaal waterprogramma wordt iedere 6 jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker. Beleid waterbeheerder Nationaal Water Programma 2022-2027 Het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap Rijnland heeft het Waterbeheerprogramma 6 2022 – 2028 vastgesteld. Samenwerken om de leefomgeving gezonder en duurzamer te maken op het gebied van water staat hierin centraal. Bij alle klimaatuitdagingen speelt goed waterbeheer de hoofdrol. De visie van het waterbeheerprogramma is ‘water wijst de weg’. Water moet zodoende meer sturend worden in de ruimtelijke inrichting. Op die manier kan West-Nederland behouden blijven voor de toekomst, en ook de komende honderd jaar nog een klimaatbestendige leefomgeving blijven voor haar bewoners. Het Hoogheemraadschap koppelt vijf maatschappelijke thema’s aan haar kerntaken. bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; tegengaan van bodemdaling; versterking van de biodiversiteit; energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050. De hoofdambitie van Rijnland blijft het zorgen voor droge voeten, schoon en voldoende water.
Daar horen investeringen in waterbeheer bij. Met goed waterbeheer en afvalwaterzuivering draagt Rijnland bij aan de volksgezondheid, de waterveiligheid en de economie. Rijnland houdt hierbij de blik op de toekomst en wil een positieve bijdrage leveren aan de circulaire economie, de energietransitie, de ruimtelijke kwaliteit, het recreatieve medegebruik en versterking van de biodiversiteit. Keur Rijnland 2020 en Uitvoeringsregels De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels voor waterkeringen, watergangen en andere waterstaatwerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen) en voor kwelgevoelige gebieden. Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. Maar ook het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
39
oppervlak. In deze verordening zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. Het uitgangspunt van deze Keur is ‘ja, tenzij’: in beginsel zijn handelingen en/of werken in het watersysteem toegestaan, tenzij expliciet in deze Keur anders is bepaald. Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kunnen een zorgplicht, een algemene regel en een beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico. In de algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico, waarvoor een watervergunning nodig is. Leggers Hoogheemraadschap van Rijnland In de Legger zijn de watergangen opgenomen, waarop de Keur van toepassing is. Voor alle wateren in het gebied is in de Keur aangegeven hoe breed en diep ze moeten zijn, en voor alle waterkeringen hoe hoog en hoe breed. Ook staat erin wie waar voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Riolering en afkoppelen Voor zover er nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt worden, is het van belang dat er met Rijnland afstemming heeft plaatsgevonden over het omgaan met afvalwater en hemelwater.
Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. 5.2
Onderzoek Hieronder volgt de inhoudelijke toetsing van het plan aan de verschillende ‘waterthema’s’, zoals die beschreven staan in de Handreiking Watertoets. Toetsing aan deze thema’s levert de watertoets op. Oppervlaktewatersysteem In het plangebied zijn geen watergangen gelegen. Middels dit plan worden geen nieuwe watergangen gegraven en de naastgelegen watergangen worden intact gelaten.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
40
Waterkwantiteit Het projectgebied omvat circa 8.862 m2. In het plangebied bevindt zich geen oppervlaktewater. Het is nu in gebruik door woningen met bijbehorende tuinen en een kantoor en voor een deel als straat en gemeentelijk plantsoen. In de toekomstige situatie wordt een gezamenlijke groeninrichting gerealiseerd en wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Hiervoor komt een groter aantal woningen terug. In tabel 5.1 is een overzicht weergegeven van de huidige en toekomstige verharding in het projectgebied.
Tabel 5.1: overzicht verharding in huidige en toekomstige situatie
Bij ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak met meer dan 500m 2 toeneemt is compenserende waterberging benodigd. Uit berekeningen blijkt dat de toename aan verharding 224 m2 bedraagt. Watercompensatie is daarom niet benodigd. Ten aanzien van een uitgevoerde klimaatstresstest is naar voren gekomen dat er wateroverlast kan ontstaan bij hevige neerslag. Hiervoor is door Arcadis een onderzoek uitgevoerd. Het voorliggende plan is qua peilhoogtes en rioolstelsel uitvoerig getoetst door Arcadis en uitgebreid besproken met de betreffende disciplines binnen de gemeente. Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een waterkering. Bodem en grondwater Voor ondergrondse constructies, waarvan de onderkant dieper ligt dan de hoogste grondwaterstand, wordt geadviseerd waterdicht te bouwen om te voorkomen dat overlast van grondwater ontstaat. De voorgenomen ontwikkeling bestaat sloop-/nieuwbouw. Er worden geen ondergrondse constructies gerealiseerd. De ontwikkeling heeft dan geen invloed op de grondwaterstand. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.
Er dienen zo min mogelijk (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Riolering De riolering wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
41
Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • hemelwater vasthouden voor benutting; • (in)filtratie van afstromend hemelwater; • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; • afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Volksgezondheid Doordat regenwater gescheiden wordt afgevoerd van het afvalwater, worden (gemengde) riooloverstorten voorkomen en zullen bestaande gemengde overstorten niet verergeren. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Beheer en onderhoud Het Hoogheemraadschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkering en hoofd- en boezemwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Hoogheemraadschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. 5.3
Conclusie Het aspect water levert geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. De ruimtelijke onderbouwing wordt, conform het gestelde in artikel 3.1.1. van het Bro, aan het hoogheemraadschap Rijnland voorgelegd. Het hoogheemraadschap heeft geen opmerkingen op het plan en geeft aan dat de waterhuishoudkundige belangen niet in het geding zijn.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
42
6.
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie Kader Erfgoedwet De Erfgoedwet (2016) bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals deze in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. Het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed was geregeld in zes verschillende wetten en een regeling. Waarin roerend, onroerend en archeologisch erfgoed allemaal hun eigen specifieke definities, procedures en beschermingsmaatregelen hadden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zijn overgeheveld naar de Omgevingswet die sinds 2024 van kracht is. Omdat deze ruimtelijke onderbouwing is ingediend voordat de Omgevingswet in werking is getreden, wordt hieronder op de Monumentenwet ingegaan en is het plan volgens de oude regelgeving beoordeeld. Op grond van de Erfgoedwet is het verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.
Gemeentelijk beleid Gemeenten hebben de taak om bij de vaststelling van bestemmingsplannen en (uitgebreide) omgevingsvergunningen rekening te houden met aanwezige en te verwachten archeologische waarden (overgangsrecht Erfgoedwet). De gemeente heeft een archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart. Nieuwe plannen worden opgesteld conform en getoetst aan de vernieuwde archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart.
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
43
Afbeelding 6.1: uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Noordwijk Onderzoek en conclusie Door gespecialiseerd onderzoeksbureau IDDS is in 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is bij deze ruimtelijke motivering bijgevoegd als bijlage 8. Daarnaast is een Programma van Eisen toegevoegd in bijlage 12. Binnen het plangebied zijn geen terreinen aanwezig die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) als waardevol staan aangegeven. Ook zijn er geen waarnemingen en vondsten gemeld en geen eerdere onderzoeken uitgevoerd. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig. Volgens de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Noordwijk ligt het plangebied in een gebied met een hoge verwachting vanaf het Neolithicum, welke gebaseerd is op de ligging van het gebied op duinen en strandwallen. Op de archeologische beleidskaart ligt het gebied in een categorie 5 zone met hoge archeologische verwachting Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied vermoedelijk binnen de grenzen van het voormalig duingebied van Noordwijkerhout valt. Het oostelijk deel van het plangebied is in de 19e eeuw ontgonnen, vermoedelijk voor agrarische doeleinden. Het westelijke deel is rond 1950 ontgonnen.
Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart dan ook op een vlakte die is ontstaan door afgraving en/of egalisatie van duinen en strandwallen. Verder is duidelijk geworden dat het plangebied voor het grootste deel op een strandwal ligt die zijn oorsprong kent omstreeks 2525 – 2250 v. Chr. en voor een kleiner gedeelte op een strandwal die tot 2250 – 1950 v. Chr. dateert. Mits de ondergrond intact is worden archeologische sporen vanaf de Prehistorie verwacht in deze strandwalafzettingen. Specifiek gaat hierbij om eventuele humeuze en/of ontkalkte niveaus in het Oude duinen strandwalzand. Deze niveaus kunnen op meerdere dieptes voorkomen. Bovendien kan de diepte van een Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
44
potentieel archeologisch niveau in het plangebied variëren vanwege het reliëf van het oorspronkelijke maaiveld in het duingebied. De archeologische verwachting voor die potentiële archeologische niveaus is vrij hoog. In eerder onderzoek zijn Prehistorische sporen aangetroffen op een diepte van ca. 2,0 m NAP. In het plangebied kunnen alleen in het westelijk en noordelijk deel sporen op die diepte liggen aangezien in dat deel van het plangebied een maaiveldhoogte heeft van ca. 3,0 m NAP. De rest van het plangebied heeft een hoogte van ca. 1,0m NAP, wat zou betekenen dat dit niveau in het plangebied plaatselijk al is afgegraven. Voor de Middeleeuwen tot de Nieuwe tijd is de archeologische verwachting laag, omdat het plangebied buiten de historische kern van Noordwijkerhout gelegen is en op historisch kaartmateriaal vanaf 1615 tot ca. 1950 als onbebouwd staat weergegeven. Het verkennende booronderzoek bevestigt het bureauonderzoek. Het plangebied ligt op strandwalafzettingen en in die afzettingen komen humeuze/ venige lagen voor. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er bevinden zich 3 potentiële archeologische niveaus in het plangebied, namelijk de humeuze/ venige lagen in de strandwalafzettingen. Die niveaus liggen tussen -0,5 tot -0,9 m NAP (1,8 tot 2,3 m -mv), 0,5 en 0,2 m NAP (1,2 tot 2,1 m -mv) en tussen 0 en 0,7 m NAP (1,3 tot 2,3 m -mv).
Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen sloop van de huidige bebouwing en de aanleg van nieuwe woningen met parkeerplaatsen. In dit onderzoek wordt ervan uitgegaan dat de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden zullen reiken tot maximaal 2,0 m -mv. Indien de verstoring van die werkzaamheden daadwerkelijk zal reiken tot 2,0 m -mv zullen de drie potentiële archeologische niveaus (humeuze/ venige lagen) worden bedreigd. Conclusies en aanbevelingen Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat er in het plangebied drie potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn in de intacte strand(wal)afzettingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek adviseerde IDDS Archeologie vervolgonderzoek bij bodemverstorende werkzaamheden die dieper reiken dan 0,7 m NAP. (Vanwege het reliëf van het maaiveld is de diepte ten opzichte van NAP leidend). Dit advies is overgenomen door het bevoegd gezag. Hierbij is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Indien hierbij blijkt dat er behoudenswaardige archeologische resten aanwezig zijn, dan moeten deze ex situ worden behouden door middel van een archeologisch onderzoek. Ten behoeve van het proefsleuvenonderzoek is een PvE opgesteld. Het proefsleuvenonderzoek en (indien van toepassing) een opgraving zullen als voorwaarde worden opgenomen bij het verlenen van de vergunning.
Vanuit het thema archeologie zijn er daarmee geen belemmeringen voor de ontwikkeling. 6.2
Cultuurhistorie Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten cultuurhistorische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk beleid De Cultuurhistorische waardenkaart van Noordwijk geeft een overzicht van waardevolle objecten, structuren en gebieden in de gemeente Noordwijk. Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
45
Via wetgeving, (provinciale) verordeningen en bestemmingsplannen kunnen waardevolle objecten worden aangewezen of aangevoerd. Hier moet dan meer behoudend mee om worden gegaan. Enkel voor de objecten en structuren die op basis hiervan zijn aangewezen, zijn beschermende regels van toepassing. Voor andere objecten gelden geen beschermende regels. In de toekomst sluiten meer gemeenten aan op de kaart van Noordwijk, waardoor er voor de gehele Duin- en Bollenstreek 1 cultuurhistorische waardenkaart beschikbaar komt. Onderzoek en conclusie Uit de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie blijkt dat het plangebied zelf geen cultuurhistorische waarden kent van provinciaal belang. De huidige bebouwing is niet aangewezen als monumentaal pand of karakteristiek bouwwerk. In de gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart heeft het zuiden van het projectgebied de aanduiding ‘basis’, gekregen (zie afbeelding 6.2). Voorliggende ontwikkeling grijpt slechts in een zeer beperkt deel van dit gebied. maar er worden wel bekende cultuurhistorische waarden geschaad vanwege de ontwikkelingen. Met name in de nabijgelegen Julianastraat, Emmastraat, het Julianaplein en de Herenweg is de verkaveling, rooilijn en stratenstructuur als waardevol gewaardeerd. Aan de hand van de cultuurhistorische waardenkaart is de cultuurhistorische waarde binnen het plangebied nader beoordeeld.
Een uitsnede uit de waardenkaart geeft een basiswaarde ter plaatse van een deel van het plangebied. Op het betreffende kaartje zijn binnen het plangebied twee te slopen twee onder één kap woningen op de Koninginneweg geel gearceerd en 4 te slopen rijwoningen op de Beatrixstraat. De overige 12 identieke twee onder één kap woningen zijn niet gearceerd. De particuliere woning gelegen aan Julianaplein 10 (gelegen direct naast de 4 rijwoningen aan de Beatrixstraat) is ook aangeduid als culturele waarde ‘basis’ terwijl deze woning niet in dezelfde tijd gebouwd is (heeft een veel jonger bouwjaar). Op basis van deze gegevens kan gesteld worden dat de cultuurhistorische waarde van dit deel van het buurtje specifiek is bedoeld voor het straatprofiel. Het betreffende straatprofiel wordt binnen het project volledig gehandhaafd.
Afbeelding 6.2: uitsnede culturele waardenkaart gemeente Noordwijk
Ruimtelijke onderbouwing ‘Aminta Hof’, Gemeente Noordwijk Ontwerp – Oktober 2024
46
7.
Mobiliteit
7.1
Verkeersgeneratie Op basis van de CROW-kengetallen kan de verkeersaantrekkende werking van een ontwikkeling worden berekend en ingeschat. Daarbij is het van belang om de huidige situatie als uitgangspunt te nemen, en de toename van de verkeersaantrekkende werking hierop te baseren. Verkeer De verkeersaantrekkende werking is gebaseerd op verkeerskundige kencijfers van het CROW uit publicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie’. Het CROW biedt kencijfers op basis van de stedelijkheidsgraad van de gemeente en de ligging van de ontwikkeling binnen de gemeente. Het CROW biedt vervolgens een bandbreedte met een minimaal en maximaal kencijfer. De gemeente Noordwijk hanteert voor de projectlocatie de volgende uitgangspunten, die afkomstig zijn uit de Nota Parkeernormen 2020: • Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk • Stedelijke zone: Rest bebouwde kom • Locatie bandbreedte: Gemiddeld kencijfer. Op basis hiervan is in tabel 7.1 de verkeersaantrekkende werking in de huidige plansituatie berekend. In de huidige situatie zijn 18 sociale huurwoningen aanwezig. Daarnaast is in de huidige situatie een bouwvlak opgenomen van 700m2 ten behoeve van de aanduiding ‘kantoor’. Gezien de definitie van kantoor 1 in het geldende bestemmingsplan ‘Victor en Dorp’ wordt uitgegaan van de CROW-categorie ‘kantoor zonder baliefunctie’.