CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing De Zilk, Zilkerbinnenweg 300623_V2.1

Gemeenteraadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel ontwerp-omgevingsvergunning Zilkerbinnenweg 30 De Zilk13.878 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 4.1: Voorerf van de Zilkerbinnenweg 30 met links en rechts struiken bij de oprit (bron: Ecologisch adviesbureau Antje Ehrenburg)

Stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Kennemerland-Zuid’ op een afstand van circa 600 meter. Er is door MBH Consult B.V. een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator Uit de berekening blijkt dat er in de nieuwe gebruiksfase en aanlegfase geen stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. De begeleidende rapportage en de uitvoeren van de AERIUS Calculator zijn de vinden in bijlage 3, 4, en 5. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat er vanuit de Flora- en faunaregelgeving geen beperkingen worden opgelegd aan onderhavig initiatief. Geadviseerd wordt de struiken bij de oprit van het perceel, naast het erf en in de voortuin niet te rooien en de bollenvelden in de omgeving als zodanig

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

26

te blijven gebruiken. Gezien het belang van de struiken voor de huismus, zullen deze bij uitvoering van het plan intact gehouden worden. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. 4.2 4.2.1

Cultuurhistorie en archeologie Cultuurhistorie

Het pand kent een aanduiding als gemeentelijk monument. Tevens kent de boerderij in het vigerende bestemmingsplan de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’. De boerderij betreft een langhuisboerderij. In het verleden heeft de boerderij dienst gedaan als rundveebedrijf en kaasmakerij. De boerderij heeft de voor het langhuistype kenmerkende langgerekte vorm, waarbij het woongedeelte met een brandmuur van het stalgedeelte is gescheiden en waarbij de hoofdingang in het midden van de kopgevel ligt. De opvallende voorgevel met zijn bijzondere topgevel is rijk voorzien van siermetselwerk in verschillende kleuren baksteen. Vanbinnen is de indeling van de boerderij eerder al gewijzigd. De (kaas)kelder en de daarboven gelegen opkamer zijn behouden. Ook is de getoogde nis, waar de kazen bewaard werden, nog herkenbaar. De voorgenomen ontwikkeling, waarbij de achterzijde van de woning (het schuurgedeelte) gewijzigd wordt naar een reguliere woning doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden van de boerderij. Ten behoeve van de ontwikkeling is een bouwhistorisch onderzoek uitgevoerd. Door de erfgoedcommissie van de gemeente Noordwijk is beoordeeld dat er een kwalitatief hoogwaardig verbouwingsvoorstel ligt waarbij de opzet van de langhuisboerderij herkenbaar blijft in het algemeen.

In het bijzonder kan de commissie zich vinden in het voorstel van de nieuwe gevel aan de achterzijde en het voorstel om de 9-ruitsvensters aan de zijkanten terug te brengen. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen onevenredige aantasting plaatsvindt van monumentale waarden. 4.2.2

Archeologie

Wettelijk kader Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet vervangt zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed: 1. Monumentenwet 1988 2. Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten 3. Wet tot behoud van cultuurbezit 4. Wet tot teruggave cultuurgoederen uit bezet gebied 5. Uitvoeringswet UNESCO -verdrag 1970 6. Regeling materieel beheer museale voorwerpen De Erfgoedwet hanteert de beschermingsniveaus zoals die gelden in de voorgaande regelingen. Voor de vergunningverlening van een beschermd archeologisch monument, het verbod tot beschadigen of vernielen van een rijksmonument en de bescherming van stads- en dorpsgezichten geldt dat de Monumentenwet 1988 van kracht blijft tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Deze regels blijven dus gelden en zijn ongewijzigd overgenomen in de Erfgoedwet. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

27

meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. De gehanteerde uitgangspunten zijn: •

archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ);

•

in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden;

•

de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. De projectlocatie heeft een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie. Op basis van de bestemming geldt dat een onderzoek noodzakelijk is tenzij er minder dan 100 m2 wordt uitgebreid, er gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering en er geen 0,3 meter de grond in wordt gegaan. Het plan voorziet niet in een uitbreiding groter dan deze grens en grondwerkzaamheden. Archeologisch onderzoek is op basis hiervan niet noodzakelijk. Voorts zijn op basis van deze wet mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Conclusie De gewenste ontwikkeling vindt plaats op beschermd archeologisch gebied. Door de beperkte omvang van de ontwikkeling en de beperkte verwachte bouwactiviteiten, is nader onderzoek in het kader van de archeologie niet noodzakelijk. 4.3 4.3.1

Verkeer en parkeren Verkeer

Het plangebied wordt ontsloten via de Zilkerbinnenweg. Landelijk geldt voor de verkeersgeneratie en de parkeernomen de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren’. De gemeente Noordwijk heeft middels het Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen de gemeentelijke parkeernormen (met bijbehorende eisen voor locatie en inrichting) ten behoeve van (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen en de bijhorende bepalingen omtrent de ontsluiting en bevoorrading van toepassing verklaard voor de gehele gemeente. In de huidige situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van CROWpublicatie 381: ‘Toekomstbestendig parkeren’ uit 2018. Hierin is gekeken naar een vrijstaande koopwoning met een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 mvt/etmaal per woning. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 8,6 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met één vrijstaande koopwoning in buitengebied in een matig stedelijk gebied. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende op dezelfde manier te bepalen. Voor een tweeonder-één-kap koopwoning geldt een kencijfer van 8,2 mvt/etmaal per woning. Dit komt neer op een verkeersaantrekkende werking van 16,4 mvt/etmaal.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

28

Conclusie De verkeersbewegingen nemen met onderhavig initiatief toe met maximaal 7,8 mvt/etmaal. Gezien de ligging en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied wordt aangenomen dat dit niet tot problemen leidt met de verkeersafwikkeling in het plangebied. 4.3.2

Parkeren

Op 25 december 2020 is de Nota Parkeernomen 2020 vastgesteld door de gemeenteraad van Noordwijk. Op basis van de Nota Parkeernormen 2020 kan inzicht worden verkregen in de nieuwe parkeersituatie. Voor een zeer grote (>150 m2) niet-gestapelde woning geldt een parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen per woning. Voor de locatie geldt dan een totale parkeernorm van 4,8 (afgerond 5) parkeerplaatsen. Dit is inclusief het aandeel parkeerplaatsen voor bezoekers. Hierbij is rekening gehouden met twee zeer grote niet-gestapelde woningen in zone C. Er is voldoende ruimte aanwezig om de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Conclusie Daar de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd worden, vormt het aspect parkeren geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader

Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: •

de plannen niet leiden tot het overschrijden van een grenswaarde;

•

de luchtkwaliteit tengevolge van de plannen (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;

•

de plannen niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan;

•

het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL).

AMvB en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO 2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 μg/m 3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

29

worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate bijdragen” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: •

Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

•

Kantoorlocaties: = 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

•

Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m 2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg.

Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. 4.4.2

Beoordeling

Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. De kaarten met concentratie luchtverontreinigende stoffen in de lucht op de onderhavig planlocatie zijn gebaseerd op de Atlas Leefomgeving van het RIVM. Stof NO2 PM10 PM2,5

Jaar 2020 12,3 µg/m3 15,4 µg/m3 7,5 µg/m3

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3

Advieswaarde 10 µg/m3 15 µg/m3 5 µg/m3

Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit

Op de planlocatie wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO 2, PM10 en PM2,5, maar nog wel net boven deze advieswaarden. Deze advieswaarden liggen ver beneden de wettelijke

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

30

grenswaarden. De huidige waarden zijn acceptabel voor een goed woon- en leefklimaat op de planlocatie. 4.4.3

Conclusie

Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Daarnaast is luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg voor een goed woonen leefklimaat op de planlocatie. 4.5

Bodemkwaliteit

4.5.1

Wettelijk kader

Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.5.2

Beoordeling

Onderhavig initiatief betreft een wijziging naar wonen op een locatie die bestemd is als ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’. Bij het wijzigen van de bestemming naar burgerwoning wordt de bestemming gevoeliger waarvoor de Wet bodembescherming voorschrijft dat hiervoor een bodemonderzoek nodig is. Het huidig bestemmingsplan laat wonen op de locatie al toe. Hiernaast heeft het gehele pand dezelfde bestemming, er wordt alleen een extra woning toegelaten door het splitsen van het pand. Hiernaast is sprake van een inpandige verbouwing, waarbij niet in de grond wordt geroerd. Op de locatie zijn geen bodemverontreinigingen bekend of bekende locaties van ernstige bodemverontreiniging die met spoed moeten worden gesaneerd. In deze casus is dan ook geen bodemonderzoek noodzakelijk. 4.5.3

Conclusie

Er zullen geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de voorgenomen activiteit op het onderhavige perceel. 4.6 4.6.1

Geluidhinder Wettelijk kader

Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km /h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

31

Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2

Beoordeling

De locatie is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Wel ligt het plan binnen de geluidzone van wegverkeer, namelijk van de Zilkerbinnenweg. Met het plan wordt een nieuw geluidgevoelig object mogelijk gemaakt. De Wet geluidhinder geeft aan dat hiervoor een akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Voorliggend plan maakt het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning mogelijk. De bedrijfswoning wordt reeds bewoond. Aan de achterzijde van de woning, verder van de weg afgelegen. De omgevingsdienst West-Holland heeft onderzocht of in beeld gebracht kan worden wat de mogelijke belasting op de gevel is. Aan de hand van omliggende wegen en het beeld van de wegen omgeving kan worden geconcludeerd dat de intensiteit op deze weg laag zal zijn. Aangezien de schuur deels wordt afgeschermd door de boerderij aan de voorkant en de afstand tot de weg ongeveer 50 meter bedraagt, is het aannemelijk dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden. 4.6.3

Conclusie

Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Wettelijk kader

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

32

activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied’. De omgeving van het plangebied kan, gelet op de ligging aan de Zilkerbinnenweg 30 met de afwisseling van functies waaronder woningen, agrarische bedrijvigheid en verkeer, worden gekarakteriseerd als gemengd gebied.

Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk Richtafstand tot omgevingstype en rustig buitengebied gemengd gebied 1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Richtafstanden en omgevingstype

Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder. 4.7.2

Beoordeling

Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. Het plangebied wordt omringd door een hoofdzakelijk percelen welke de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’ kennen. Voor agrarische bedrijfsgebouwen geldt een richtafstand van 30 m voor een rustige woonwijk en 10 m voor gemengd gebied. In dit geval is sprake van een gemengd gebied. Wanneer in een gemengd gebied minimaal 10 m wordt aangehouden tussen woningen en bedrijfsgebouwen, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

33

Binnen deze bestemming is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. De VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering geeft hiervoor geen specifieke richtafstanden. Uit onlangs uitgebracht onderzoek van het RIVM (2019) blijkt dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Dit is door de Ctgb (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden) bevestigd. Dit komt mede omdat telers in de regel niet spuiten bij harde wind of een wind richting woningen. Om eventuele drift of andere kansen op aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in (de tuin van) de woning zoveel als mogelijk uit te sluiten wordt geadviseerd om een in de winter groenblijvende haag aan te planten. Ondanks het feit dat er in de bollenteelt neerwaarts wordt gespoten, wordt ter overweging geadviseerd een groene haag van tenminste 1,5 meter hoogte aan te planten. Omdat groene hagen een driftreducerende werking hebben kan op deze manier (vrijwel) uitgesloten worden dat er gewasbeschermingsmiddelen in de tuin van de woning terecht kunnen komen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden wordt geconcludeerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anderzijds worden de bestaande bedrijven niet (extra) beperkt door de toevoeging van de twee woningen.

Hierbij wordt mede in overweging genomen dat er hier in de bestaande situatie die niet tot klachten heeft geleid. Het is aannemelijk dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.7.3

Conclusie

Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt het omzetten van de bestaande agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning en de toevoeging van één reguliere woning niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Wettelijk kader

Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen;

•

vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

•

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

34

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as).

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

35

een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld.

Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2

Beoordeling

Een woning betreft een kwetsbaar object, zodat de wijziging van de agrarische bedrijfswoning en de toevoeging van een reguliere woning getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

Uitsnede risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe ster) (bron: www.ev-signaleringskaart.nl)

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

36

Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen hoofdvaarweg, spoorbaan of rijksweg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook bevindt zich in of nabij het plangebied geen buistransportleiding met een PR 10-6 contour. Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI, waardoor de ontwikkeling geen gevaar vormt voor de omgeving. 4.8.3

Conclusie

Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor onderhavig initiatief aan de Zilkerbinnenweg 30 in De Zilk. 4.9

Kabels en leidingen

Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied 2015’ is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Bij eventuele graafwerkzaamheden zal een klic-melding uitgevoerd worden. 4.10 Water 4.10.1

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.10.2

Beleidskader

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

37

van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 28 maart 2022 is het Nationaal Water Programma 2022-2027 vastgesteld. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie. Het Nationaal Water Programma 2022–2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee.

De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: •

Een veilige en klimaatbestendige delta.

•

Een concurrerende, duurzame en circulaire delta.

•

Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur.

In Nederland komen veel opgaven voor de leefomgeving bij elkaar op een klein oppervlak. Niet alles kan, soms moeten keuzes worden gemaakt. Daarvoor zijn in het NWP een aantal afwegingsprincipes voor het waterbeleid en beheer opgenomen. 4.10.3

Beoordeling

Het initiatief betreft enkel functiewijziging en verbouwing van de bestaande bebouwing. Het plangebied ligt niet in of nabij een watergang en/of waterkering. Het verhard oppervlak zal in de gewenste situatie niet toenemen, ook wordt er geen (grond)water onttrokken uit het plangebied. Het doorlopen van de watertoets wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 4.10.4

Conclusie

Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen onderhavig initiatief. 4.11 Duurzaamheid 4.11.1

Duurzame leefomgeving

Een duurzame leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van de natuur en mens. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding en/of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatveranderingen. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in klimaatbestendigheid en energietransitie.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

38

4.11.2

Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden heter, langer en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling. 4.11.3

Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld. Dit kan bijvoorbeeld op de volgende wijzen: •

de woningen zullen voldoen aan het Bouwbesluit ten aanzien van de energieprestatie;

•

de woningen worden 'aardgasvrij' gebouwd.

4.12 M.e.r.-beoordeling 4.12.1

Wettelijk kader

In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Gezien de aard en omvang van het initiatief kan op basis van jurisprudentie worden gesteld, dat het initiatief niet beschouwd wordt als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D 11.2 van de D-lijst in de bijlage van het Besluit m.e.r. 4.12.2

Conclusie

Het Besluit m.e.r. is voor de realisatie van voorliggend plan niet van toepassing. Op grond van het voorgaande blijkt dat er op basis van het gestelde in het Besluit m.e.r. geen verplichtingen bestaan, in welke vorm dan ook.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

39

5 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.1

Economische uitvoerbaarheid

De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling wordt uitgevoerd conform de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente indien nodig met initiatiefnemer een planschadeovereenkomst afsluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor onderhavig ontwerpbesluit wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegd gezag stuurt de aanvraag en het ontwerpbesluit toe aan de betreffende instanties in het kader van het vooroverleg. De ontwerpbeschikking wordt voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Tijdens de terinzage legging is het voor eenieder mogelijk een zienswijze in te dienen. Tegen het definitieve besluit kunnen alleen belanghebbenden bezwaar maken en in beroep gaan.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

40

6 Eindconclusie Voorliggend initiatief met de wijziging van de agrarische bedrijfswoning naar een reguliere woning en de verbouwing van de achtergelegen schuur naar reguliere woning aan de Zilkerbinnenweg 30 in De Zilk voldoet aan de eisen van goede ruimtelijke ordening. Er is geen sprake van strijdigheid met de belangen van het Rijk of de provincie Zuid-Holland. Daarnaast levert de voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige overlast op voor haar omgeving. Met het initiatief treden geen overtredingen op in het kader van de flora en faunawetgeving. Het voornemen leidt niet tot een onevenredige toename van verkeer. Ook worden omliggende woningen en bedrijven in milieutechnische zin niet extra belemmerd. Het voornemen is niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Het initiatief is passend binnen het beleid van gemeente Noordwijk en voorziet in de transformatie van een monumentale boerderij naar twee reguliere woningen. Er worden ingrepen gedaan om de boerderij te onderhouden en toekomstbestendig te maken. Dit gaat niet ten koste van het cultuurhistorische karakter van de boerderij en haar omgeving. Op deze manier draagt de ontwikkeling bij aan het behoud en de leefbaarheid van het gemeentelijke monument.

Ruimtelijke onderbouwing – De Zilk, Zilkerbinnenweg 30

41

Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=644965e7-9ed2-4af4-baad-842495c95611