P03622_Paraplubestemmingsplan Huisvesting Noordwijk_excl NvB Zienswijzen_20230104
Tekst van het document
Kamerverhuur (als nevenfunctie bij permanente bewoning) wordt in Noordwijk binnen de woonbestemming toegestaan en niet beschouwd als onttrekking van de woning onder de volgende voorwaarden: De verhuurder is eigenaar en hoofdgebruiker van de woning en heeft zelf het hoofdverblijf in de woning en staat op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie; Er is sprake is inwoning van maximaal twee personen; De verhuurder heeft het exclusieve gebruiksrecht op minimaal 50% van het gebruiksoppervlak (GBO) van de woonruimte;
Hoofdstuk 3
24
De kamerhuurder woont permanent in de woning en staat op dit adres ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie; De kamerverhuur is passend binnen de gestelde parkeernorm; Kamerverhuur wordt gemeld; Kamerverhuur in combinatie met B&B is niet toegestaan.
Dit paraplubestemmingsplan biedt begripsbepalingen voor ‘onzelfstandige woonruimte’, een begrip dat van toepassing worden verklaard op alle onherroepelijke bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen. In onderstaande zijn deze definities weergegeven. Als gezegd voorziet dit plan ook in een definitie van ‘permanente bewoning’. 1.14 Onzelfstandige woonruimte ‘’Een woonruimte die geen eigen toegang heeft of die niet op zichzelf kan functioneren als woning, in de zin dat een of meerdere belangrijke voorzieningen ontbreken, zoals een keuken, badkamer en toilet’’. 5. Tweede woning voor eigen recreatief gebruik binnen aangewezen zone In beginsel is het niet toegestaan een tweede woning voor eigen (recreatief) gebruik te gebruiken. Er is in dat geval namelijk geen sprake van permanente bewoning van een woning, waarmee sprake zou zijn van strijdigheid met de definities van de begrippen ‘wonen’ en ‘woning’. Wanneer wordt voldaan aan de voorwaarden die opgenomen zijn in de planregels van dit plan is het gebruik van een woning voor eigen (recreatief) gebruik toegestaan. Een tweede woning voor eigen gebruik wordt toegestaan, maar uitsluitend in de hiervoor aangewezen zone, die in figuur 3 zichtbaar is. In bijlage 1 bij deze toelichting is een vergrote en beter leesbare versie van deze kaart opgenomen.
Figuur 3: zone waarbinnen tweede woning voor eigen gebruik wordt toegestaan (blauw kader), zie voor een beter leesbare versie Bijlage 1 bij deze toelichting
Een tweede (vakantie)woning past bij een badplaats als Noordwijk en voorziet in de behoefte van de verblijfstoerist. Een tweede woning voor eigen gebruik wordt toegestaan in de hiertoe aangewezen zone ‘recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’. Deze zone komt overeen met de voormalige
Hoofdstuk 3
25
onttrekkingsvrije zone uit de Huisvestingsverordening Noordwijk 2005. De gemeente heeft hierin destijds het beleid gehanteerd dat onttrekking van woningen in die zone was toegestaan om zo het gebruik van die woning als tweede woning mogelijk te maken. Het gebruik van dergelijke woningen anders dan voor reguliere bewoning bleef wel strijdig met de bepalingen in de diverse bestemmingsplannen waarin deze woningen uitsluitend bestemd waren voor bewoning – en dus niet voor gebruik als tweede woning. In de praktijk is daarop echter niet handhavend opgetreden en er zijn ook weinig tot geen omgevingsvergunningen aangevraagd om dat gebruik te legaliseren. Per 1 juli 2015 is de gewijzigde Huisvestingsverordening Noordwijk 2005 (waarin de onttrekkingsvrije zone was opgenomen) van rechtswege komen te vervallen. Vanaf 1 juli 2015 tot aan het vaststellen van de Verordening Beheer Woningvoorraad Noordwijk 2016 op 25 augustus 2016 is er geen verordening geldend geweest ten aanzien van het onttrekken van woonruimte. Het onttrekken van woonruimte was in deze periode niet toegestaan, omdat daarvoor een grondslag ontbrak. Op 25 augustus 2016 is de verordening Beheer Woningvoorraad Noordwijk 2016 vastgesteld. Met de inwerkingtreding van deze verordening is de onttrekkingsvrije zone niet teruggekeerd.
Naar blijkt worden er nog steeds woningen als tweede woning in de voormalige onttrekkingsvrijezone (en in de gebieden daarbuiten) aangekocht en recreatief gebruikt of verhuurd. Met het hernieuwd instellen van een ’zone recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’ zal de planologische strijdigheid (te weten: het gebruik van een woning als tweede woning voor eigen gebruik) worden weggenomen. Er is voor gekozen om deze planologische strijdigheid weg te nemen, omdat het eigen gebruik van een tweede woning n bepaalde mate en onder voorwaarden bij de diversiteit in aanbod van een badplaats als Noordwijk. Dit wordt echter enkel binnen de ’zone recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’ toegestaan, om deze vorm van gebruik te concentreren in de toeristische delen van de gemeente Noordwijk. Zo worden de (overige) woongebieden van Noordwijk ontzien. De eigenaar is het aanspreekpunt voor de omwonenden. In geval van een tweede woning voor eigen gebruik wordt ook forensenbelasting geheven. 1.18 Toeristische verhuur “Verhuur van een woning aan derden, dan wel gebruik van een woning door derden, ten behoeve van toeristisch/recreatief gebruik, niet zijnde vakantieverhuur als bedoeld in lid 1.19 en 3.1.2”. Toeristische verhuur van woningen wordt in beginsel niet toegestaan. Op deze regel geldt één uitzondering, welke beschreven wordt in paragraaf 3.2.
Het motief om toeristische verhuur van woningen aan banden te leggen is dat de gemeente Noordwijk van mening is dat woningen in de regel dienen te worden gebruikt om in te wonen. Volgens de gemeente dient onder wonen ‘permanente bewoning van een woning door maximaal één huishouden, al dan niet in combinatie met de volgende nevenfuncties: a. bed & breakfast; b. vakantieverhuur; c. kamergewijze verhuur’4 verstaan te worden. Wanneer woningen worden gebruikt voor toeristische verhuur, dan zijn ze niet beschikbaar om in te wonen. Toeristische verhuur kan ook een negatief effect hebben op de leefbaarheid en het woonklimaat. Ook kan het leiden tot een toename van de parkeerdruk. Ook genereert permanente bewoner jaarrond bestedingen van bewoners die ten goede komen aan de lokale economie. Dit is niet het geval bij toeristische verhuur, aangezien bestedingen door toeristen met name gedaan worden tijdens vakantieperiodes.
4
Zie artikel 1.20 van de planregels van onderhavig plan.
Hoofdstuk 3
26
3.2 Planologisch strijdig gebruik en overgangsrecht Er bestaan mogelijk gevallen waarin bestaand gebruik van gronden op een bepaalde locatie afwijkt van de juridisch-planologische situatie ter plaatse. Op deze locaties is het met andere woorden zo dat het huidige gebruik van gronden anders is dan toegestaan op basis van het voor deze locatie vigerende bestemmingsplan/de voor deze locatie vigerende bestemmingsplannen. Het gaat hierbij specifiek om het gebruiken van een woning anders dan als woning voor hoofdverblijf, waarbij specifiek gedacht moet worden aan het gebruik van een tweede woning voor eigen gebruik en het gebruik van een woning als recreatiewoning voor toeristische verhuur. Met dit bestemmingsplan wordt een ‘zone recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’ ingesteld. Wanneer het gebruik van een woning als tweede woning voor eigen gebruik plaatsvindt binnen deze zone wordt hiermee positief bestemd – en dus gelegaliseerd op grond van dit plan. Er hoeft zo geen omgevingsvergunning te worden aangevraagd voor de legalisatie van het voorheen illegale gebruik. Deze woningen mogen ook worden gebruikt voor vakantieverhuur, mits voldaan wordt aan de voorwaarden uit dit plan. Buiten deze zone is het niet toegestaan om een woning te gebruiken als tweede woning voor eigen gebruik. Toeristische verhuur in woningen is in beginsel niet toegestaan.
Dat geldt voor zowel toeristische verhuur binnen de ‘zone recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’ als voor toeristische verhuur buiten deze zone. Dit sluit aan bij het gemeentelijk beleid. Uit de beleidsnota “Gebruik Woningen”, vastgesteld door de Gemeenteraad van Noordwijk op 16 februari 2021 volgt dat beoogd wordt om voor woningen binnen de voormalige onttrekkingsvrijezone die per peildatum 1 juli 2015 toeristisch verhuurd worden, een persoonsgebonden overgangsregeling te treffen waardoor de huidige eigenaar van de betreffende woning in staat gesteld wordt om bestaande toeristische verhuur voort te zetten. Achtergrond van deze regeling is de omstandigheid dat toeristisch verhuur van woningen thans strijdig is met de bestemming Wonen in de diverse bestemmingsplannen in de gemeente Noordwijk, maar handhaving daarop feitelijk nooit heeft plaatsgevonden. Als peildatum wordt gehanteerd 1 juli 2015 omdat vanaf dat moment de tot dan toe geldende Huisvestingsverordening Noordwijk 2005 is komen te vervallen waarin sprake was van een onttrekkingsvrijezone. Een uitzondering op het verbod op toeristische verhuur is daarom verhuur die plaatsvindt binnen de ‘zone recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’ (zie figuur 3, eerder in deze toelichting) én die op 1 juli 2015 reeds plaatsvond en sindsdien ongewijzigd is voortgezet.
Voor deze specifieke gevallen kiest de gemeente ervoor om een persoonsgebonden overgangsregeling te treffen. Deze houdt in dat dit bestaand gebruik mag worden voortgezet, maar bij beëindiging van het gebruik niet meer mag worden hervat. Aangezien het gaat om persoonlijk overgangsrecht, komt dit overgangsrecht ook automatisch te vervallen wanneer een object in kwestie wordt overgedragen aan een andere eigenaar. De gemeente acht een persoonsgebonden overgangsrecht voor deze gevallen het meest passende instrument. Het betreffende, naar huidige inzichten onwenselijke gebruik, wordt hiermee op termijn beëindigd, maar de betrokkenen in kwestie kunnen het al lange tijd bestaande gebruik blijven voortzetten en worden niet onevenredig in hun belangen geschaad. Op basis van jurisprudentie5 dient het persoonsgebonden overgangsrecht in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Om te bepalen welke personen voor een dergelijk persoonsgebonden overgangsrecht in aanmerking komen, heeft de gemeente een uitvoerige inventarisatie uitgevoerd. Eigenaren van woningen binnen
5
ABRvS 18 maart 2020, nr. 201801850/5/R2.
Hoofdstuk 3
27
de betreffende zone zijn persoonlijk aangeschreven. Hierbij is aan personen, die menen een beroep op de overgangsregeling te kunnen doen, een redelijke termijn geboden om een reactie in te dienen. Ook is beleid opgesteld waaruit blijkt welke bewijsmiddelen in ieder geval voldoende zijn om aan te tonen dat men in aanmerking komt voor toepassing van een persoonsgebonden overgangsregeling.. De bewijslast dat sprake is van toeristische verhuur is bij de eigenaar van een object gelegd. Wanneer deze voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat er op 1 juli 2015 reeds sprake was van toeristische verhuur én dit gebruik (min of meer) ongewijzigd is voortgezet sinds die peildatum, dan komt deze persoon in aanmerking voor een persoonsgebonden overgangsrecht. Op deze wijze heeft per geval een zorgvuldige afweging plaatsgevonden of de gemeente tot verlening van een persoonsgebonden overgangsbeschikking overgaat. De persoonsgebonden overgangsregeling is in de overgangsrechtelijke bepalingen van het paraplubestemmingsplan opgenomen. In de bijlagen bij de regels is een adressenlijst opgenomen van de woningen, waarvan degene(n) die in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Noordwijk als hoofdbewoner (en diens partner) staan ingeschreven op het betreffende adres onder de persoonsgebonden overgangsregeling vallen.
In zeldzame gevallen kan het voorkomen dat het gebruik van een woning anders dan als woning als hoofdverblijf illegaal begonnen is. Indien deze situatie gedurende lange tijd onafgebroken heeft bestaan, is het mogelijkerwijs zo dat het (voorheen) illegale gebruik in een oud bestemmingsplan onder overgangsrecht is toegestaan. Aangezien het overgangsrecht per bestemmingsplan verschillend is, dient per geval te worden bekeken of sprake is van een legale situatie op grond van overgangsrecht. Hierover kunnen dus geen algemene uitspraken worden gedaan. Duidelijk is wel dat het meestal gaat om overgangsrecht als vastgelegd in bepaalde bestemmingsplannen uit de jaren ‘70, ‘80 en ‘90. Om hierop een beroep te kunnen doen dienen eigenaren van de specifieke panden in kwestie te kunnen aantonen dat het gebruik al vóór inwerkingtreding van het bestemmingsplan dat het overgangsrecht bevatte bestond en dat het sindsdien onafgebroken heeft voortgeduurd. Voorgaande is in samengevatte vorm opgenomen in onderstaande figuur.
Figuur 4: schematisch overzicht al dan niet toegestaan zijn van bepaalde gebruiksvormen van woningen binnen ‘zone recreatiewoning voor eigen gebruik toegestaan’ en in het overige deel van de gemeente Noordwijk (bron: bijlage 4 bij ‘Beleidsnotitie Gebruik Woningen’, gemeente Noordwijk).
Indien sprake is van een andere vorm van woninggebruik dan het gebruiken van een woning als hoofdverblijf, en er is geen sprake van een positieve bestemming op grond van dit plan die deze vorm van gebruik toestaat of van een van toepassing zijnde overgangsrechtelijke regel (waarop een beroep
Hoofdstuk 3
28
is gedaan), dan zal vanaf een vast te stellen en duidelijk te communiceren ingangsdatum handhavend worden opgetreden op basis van strijdigheid met het bestemmingsplan en/of verboden onttrekking.
Hoofdstuk 3
29
4.
OMGEVINGSASPECTEN In dit hoofdstuk worden de diverse relevante omgevingsaspecten aangehaald. Het plan wordt aan deze aspecten getoetst. Een en ander dient ter onderbouwing waarom er sprake is van een goede ruimtelijke ordening bij realisatie van de in het plan opgenomen planologische mogelijkheden.
4.1 Verkeer en parkeren 4.1.1 Toetsingskader Een toename of wijziging van functies kan gevolgen hebben voor de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van de functies binnen het plangebied. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen waarbij hiervan sprake is moet voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. Ook moet rekening gehouden worden met de verkeersdrukte en –veiligheid. De parkeerbehoefte van een functie kan achterhaald worden middels de CROW-tool. Deze tool is gebaseerd op CROW kengetallen 6. De verkeersgeneratie van de functies vinnen een plangebied kan worden achterhaald 4.1.2 Onderzoek Verkeer Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden tevens geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Om die reden voorziet dit plan niet in functies die, ten opzichte van wat mogelijk is onder het huidige planologische regime, een toename in verkeersgeneratie met zich meebrengen. Daarom kan een verdere kwantitatieve onderbouwing ten aanzien van het deelaspect verkeer achterwege blijven. Bij realisatie van nieuwe functies zal per specifiek geval bekeken moeten worden of sprake is van een mogelijke toename in de verkeersgeneratie.
Parkeren Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden ook geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Om die reden voorziet dit plan niet in functies die, ten opzichte van wat mogelijk is onder het huidige planologische regime, een toename in de parkeerbehoefte binnen het plangebied met zich meebrengen. Mogelijkerwijs zorgt dit plan voor een afname in parkeerdruk binnen het plangebied – of in elk geval voor een afname van de groei van de parkeerdruk. Toeristische verhuur van woningen kan namelijk leiden tot een toename in parkeerdruk. Zeker bij de verhuur van grotere woningen is dat het geval, aangezien bezoekers veelal met meerdere auto’s komen. Ook kamerverhuur kan leiden tot een toe-
6
CROW Publicatie 381, ‘Toekomstbestendig parkeren’ (2019).
Hoofdstuk 4
30
name in de parkeerdruk, aangezien aan kamerverhuurbedrijven vaak extra parkeervergunningen verstrekt worden. Dit plan beperkt de mogelijkheden tot toeristische verhuur van woningen en kamerverhuur. Indien nieuwe (neven)functies gerealiseerd worden, dient per geval te worden bekeken of voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen. Hierbij dient getoetst te worden aan het meest actuele gemeentelijke parkeerbeleid. Dat is ook als zodanig bepaald in het ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren’, vastgesteld op 15 maart 2018 door de raad van de gemeente Noordwijk, en het ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen’, vastgesteld op 27 september 2018 door de raad van de gemeente Noordwijkerhout. Betreffende paraplubestemmingsplannen blijven onverkort van toepassing. In deze plannen wordt verwezen naar het meest recente parkeerbeleid dat van toepassing is op aanvragen voor omgevingsvergunningen en functiewijzigingen. Expliciet dient nog vermeld te worden dat ook bij rechtstreeks toegestane vormen van nevengebruik voorzien dient te worden in voldoende parkeerplaatsen. Dit aantal dient te worden berekend aan de op het moment van het ontstaan van het nevengebruik geldende gemeentelijke parkeernormen. 4.1.3 Conclusie Dit plan voorziet niet in ontwikkelingen die een toename in verkeersgeneratie of parkeerdruk genereren. Het aspect verkeer en parkeren vormt daarom geen belemmering.
4.2 Geluid 4.2.1 Toetsingskader Wegverkeer Op basis van de Wet geluidhinder (artikel 77 Wgh) dient bij een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd als het plan mogelijkheden biedt voor: de toevoeging van een nieuwe woning of andere geluidsgevoelige functie binnen de zone van een weg; de aanleg van een nieuwe weg; de reconstructie van een bestaande weg. De breedte van de zone van een weg is afhankelijk van het aantal rijstroken, het stedelijk gebied en de maximumsnelheid. In een akoestisch onderzoek kunnen wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt buiten beschouwing worden gelaten. Tabel: Breedte geluidszones langs wegen
Stedelijk gebied
Buiten stedelijk gebied
Aantal rijstroken
Zone breedte
1 of 2
200 meter
3 of meer
350 meter
1 of 2
250 meter
3 of 4
400 meter
5 of meer
600 meter
In de Wgh zijn grenswaarden opgenomen met betrekking tot de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting
Hoofdstuk 4
31
op de gevel is 48 dB en mag in principe niet worden overschreden. Onder bepaalde voorwaarden, als maatregelen onvoldoende doeltreffend zijn en het voldoen aan de grenswaarden onoverkomelijke bezwaren ontmoet van landschappelijke, stedenbouwkundige of financiële aard, mag de geluidbelasting hoger zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hiervoor dient middels een ontheffing een hogere grenswaarde te worden vastgesteld. Tabel: Maximale ontheffingswaarden Situatie
Maximale ontheffings-
Artikel
waarde Stedelijk gebied
Nieuwe woningen
63 dB
Artikel 83, lid 2 Wgh
Vervangende nieuwbouw
68 dB
Artikel 83, lid 5 Wgh
Buiten stedelijk gebied
Nieuwe woningen
53 dB
Artikel 83, lid 1 Wgh
Agrarische bedrijfsbebouwing
58 dB
Artikel 83, lid 4 Wgh
Vervangende nieuwbouw
58 dB
Artikel 83, lid 7 Wgh
Vervangende nieuwbouw* binnen de zone van
63 dB
Artikel 83, lid 6 Wgh
een autoweg of autosnelweg
*Met dien verstande dat de vervanging niet zal leiden tot een ingrijpende wijziging van de bestaande stedenbouwkundige functie of structuur en een wezenlijke toename van het aantal geluidgehinderden bij toetsing op bouwplanniveau voor ten hoogte 100 woningen.
4.2.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere geluidsgevoelige objecten). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden tevens geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. In vergelijking met het huidige planologische regime is daarmee geen sprake van een verruiming met betrekking tot de mogelijkheden tot realisatie van geluidsgevoelige objecten. Om die reden kan akoestisch onderzoek achterwege blijven in het kader van dit paraplubestemmingsplan. 4.2.3 Conclusie Het aspect geluid zorgt niet voor belemmeringen.
4.3 Luchtkwaliteit 4.3.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;
Hoofdstuk 4
32
het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd. Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10 (1,2μg/m3). 4.3.2 Onderzoek NIBM Middels dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere hoofdfuncties). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden ook geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Om die reden voorziet dit plan niet in functies die, ten opzichte van wat mogelijk is onder het huidige planologische regime, een verslechtering van de luchtkwaliteit tot gevolg kunnen hebben. De NIBM-tool kan daarom buiten toepassing blijven. Ingeval van concrete initiatieven is het mogelijk wel van belang om te beoordelen of een project al dan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Aangezien dit plan als gezegd niet zorgt voor extra verkeersgeneratie, kan op voorhand aangenomen worden dat er ten gevolge van deze ontwikkelingen geen verandering zal optreden in de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat en in rondom het projectgebied. Tevens wordt ten opzichte van het huidige planologische regime niet voorzien in nieuwe functies die het noodzakelijk maken om de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat (opnieuw) te beoordelen. Aangenomen kan worden dat de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat binnen het plangebied reeds voldoende beoordeeld is in het kader van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen. 4.3.3 Onderzoek Het aspect luchtkwaliteit zorgt niet voor belemmeringen.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Toetsingskader Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren.
Hoofdstuk 4
33
Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ 7. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 4.4.2 Onderzoek Middels dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van nieuwe woningen (of andere milieugevoelige functies). Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden ook geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Ten opzichte van wat het geval is onder de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen ontstaan er daarom geen nieuwe mogelijkheden voor het toevoegen van milieugevoelige bestemmingen. Ook is uitgesloten dat de vaststelling van het paraplubestemmingsplan tot beperkingen voor milieubelastende functies leidt. Met het plan worden tevens geen extra mogelijkheden geboden tot vestiging van milieubelastende functies ten opzichte van wat reeds mogelijk is onder het huidige planologische regime. 4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering zorgt niet voor belemmeringen.
4.5 Geur agrarisch 4.5.1 Toetsingskader Voor veehouderijen is de regelgeving ten aanzien van het specifieke aspect geur vastgelegd in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Bij nieuwe planologische projecten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient te worden gekeken naar de aanvaardbaarheid van deze plannen in verband
7
‘Bedrijven en Milieuzonering’, Uitgave VNG, Den Haag, 2009.
Hoofdstuk 4
34
met omliggende geurbronnen, de zogenaamde omgekeerde werking. In de Wgv zijn voor verschillende dieren geuremissienormen opgenomen die de maximale geurbelasting op een gevoelig object bepalen. Als de geuremissie van een dier niet bekend is, stelt de wet minimumafstanden tussen een veehouderij en een geurgevoelig object. Als die geuremissie wel bekend is, dan moet de geurbelasting worden berekend. De emissie van geurstoffen uit een veehouderijbedrijf wordt uitgedrukt in geureenheden. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de norm (de maximale belasting die het bedrijf mag veroorzaken). Gemeenten mogen, binnen bepaalde bandbreedten, van deze wettelijke normen afwijken als er een gebiedsvisie is opgesteld en een geurverordening is vastgesteld. 4.5.2 Onderzoek Middels dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van geurgevoelige objecten. Daarom behoeft dit aspect geen nadere beschouwing. Bij eventuele concrete toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen is het mogelijkerwijs wel noodzakelijk om onderzoek te verrichten naar geur afkomstig van veehouderijen. 4.5.3 Conclusie Het aspect geur agrarisch zorgt niet voor belemmeringen.
4.6 Kabels en leidingen Binnen het plangebied is een aantal planologisch relevante kabels en (hoogspannings)leidingen gelegen. Omdat middels dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het realiseren, is het aannemelijk dat afwegingen met betrekking tot kabels en leidingen reeds in het kader van de verschillende voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen zijn gemaakt. Het aspect kabels en leidingen zorgt niet voor belemmeringen. De bestaande beschermingsregimes en belemmeringenstroken blijven gehandhaafd.
4.7 Externe veiligheid 4.7.1 Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing. In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's hangen vooral samen met: activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen; transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het water.
Hoofdstuk 4
35
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe veiligheid in ogenschouw genomen. De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Deze argumentatie is een onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans, per jaar, op overlijden van een onbeschermd individu ten gevolge van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
De aanwezigheid van een persoon is fictief. Niet wordt beoordeeld hoe groot de kans op de aanwezigheid van een persoon feitelijk is. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans per jaar dat een groep van bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen het slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico wordt ook beschouwd als een maat voor de maatschappelijke ontwrichting.
4.7.2 Onderzoek In het plangebied zijn diverse risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig. Ten opzichte van wat al toegestaan is op grond van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen worden met dit bestemmingsplan echter geen nieuwe kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegestaan. Aangezien dit plan niet voorziet in extra gebruiksmogelijkheden van woningen ten opzichte van wat het geval is onder het huidige planologische regime, hoeven in het kader van dit plan geen nieuwe afwegingen te worden gemaakt ten aanzien van externe veiligheid; aangenomen kan worden dat dergelijke afwegingen reeds in voldoende mate gemaakt zijn in het kader van de vigerende bestemmingsplannen. Bij concrete initiatieven is het mogelijk wel van belang om het aspect externe veiligheid opnieuw te beschouwen. 4.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen.
4.8 Ecologie 4.8.1 Toetsingskader De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet
Hoofdstuk 4
36
in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.
Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuur- en omgevingsvisies en provinciale verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Hoofdstuk 4
37
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten: soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1); soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5); andere soorten (artikel 3.10). Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 4.8.2 Onderzoek Ten opzichte van de bestaande mogelijkheden onder het huidige planologische regime worden er met dit plan geen (extra) ingrepen mogelijk gemaakt die tot negatieve effecten voor beschermde soorten kunnen leiden. Voorts is er geen sprake van toevoeging van nieuwe functies, anders dan reeds is toegestaan volgens de vigerende bestemmingsplannen.
Juist wordt een aantal ongewenste directe planologische mogelijkheden nader ingekaderd. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden, waaronder een toename van stikstofdepositie, zijn daarom op voorhand uitgesloten. Daarnaast geldt dat bij toetsing van de omgevingsvergunningaanvragen aandacht dient te worden besteed aan het aspect stikstofdepositie. Datzelfde geldt voor partiële herzieningen van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen. 4.8.3 Conclusie Het aspect ecologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.9 Bodem 4.9.1 Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder d) is bepaald dat voor de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden moet worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden bepaald of nader onderzoek en eventueel saneringen noodzakelijk zijn. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 4.9.2 Onderzoek Bij functiewijzigingen dient te worden bepaald of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie(s). Ook moet worden bepaald of nader onderzoek en eventuele saneringen noodzakelijk zijn.
Hoofdstuk 4
38
Dit plan voorziet niet in planologische functiewijzigingen. Daarom is het uitvoeren van bodemonderzoek niet noodzakelijk. Bij concrete initiatieven is dit mogelijk wel het geval. Per specifiek initiatief dient beoordeeld te worden of bodemonderzoek al dan niet aan de orde is. 4.9.3 Conclusie Het aspect bodem zorgt niet voor belemmeringen.
4.10 Water 4.10.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b van het Bro) dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. 4.10.2 Onderzoek Een watertoets is een verplicht onderdeel van elk ruimtelijk plan. In de watertoets wordt onder andere ingegaan op de manier hoe wordt omgegaan met afval-, hemel-, oppervlakte- en grondwater. Dit plan voorziet in vergelijking met het huidige planologische regime niet in meer bebouwingsmogelijkheden, het toevoegen van verharding anderszins of bodemingrepen die het infiltratievermogen van de bodem beïnvloeden. Daarom is verder onderzoek naar het aspect water niet noodzakelijk. Bij concrete initiatieven is het mogelijk wel van belang om een watertoets uit te voeren. 4.10.3 Conclusie Het aspect water zorgt niet voor belemmeringen.
4.11 Archeologie 4.11.1 Toetsingskader De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet een overgangsregeling opgenomen. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. In principe geldt een vrijstellingsgrens van 100 m2 voor archeologisch onderzoek, maar gemeenten kunnen hier indien hiervoor onderzoek is gepleegd van afwijken en een strengere of ruimere vrijstel-
Hoofdstuk 4
39
lingsgrens handhaven. Een uitzondering geldt hierbij voor door in de provinciale verordening aangewezen gebieden waar via instructieregels een maatvoering is opgelegd. Het laatste onderzoek hiervoor betreft het “RAAP-Rapport 2852” in samenspraak met “Graven in archieven. Een niet-gravend verstoringenonderzoek in de bollengemeenten Hillegom, Lisse, Noordwijk en Teylingen” en de bijbehorende Archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Noordwijk (2020). 4.11.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van woningen of andere hoofdfuncties. Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden tevens geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit plan niet op directe wijze voorziet in ontwikkelingen die eventueel binnen het plangebied aanwezig archeologische waarden aantasten. Bij concrete initiatieven die (mede) zijn toegestaan op grond van dit plan dient mogelijkerwijs te worden getoetst of er een aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden zou kunnen optreden. 4.11.3 Conclusie Het aspect archeologie zorgt niet voor belemmeringen.
4.12 Cultuurhistorie 4.12.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In de CHS heeft de provincie in het “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van het beleid.
Hoofdstuk 4
40
4.12.2 Onderzoek Met dit paraplubestemmingsplan worden ten opzichte van het huidige planologische regime geen aanvullende mogelijkheden geschapen voor het oprichten van woningen of andere hoofdfuncties. Bestaande mogelijkheden voor gebruik van woningen worden daarentegen nader ingekaderd. Er worden tevens geen nieuwe rechtstreekse gebruiksmogelijkheden geboden. Hiermee is voldoende aannemelijk gemaakt dat dit plan niet op directe wijze voorziet in ontwikkelingen die eventueel binnen het plangebied aanwezig cultuurhistorische waarden aantasten. Bij concrete initiatieven die (mede) zijn toegestaan op grond van dit plan dient mogelijkerwijs te worden getoetst of er een aantasting van eventueel aanwezige cultuurhistorische waarden zou kunnen optreden. 4.12.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie zorgt niet voor belemmeringen.
4.13 Toetsing Besluit m.e.r. Of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, hangt af van het feit of de ontwikkeling (activiteit) is opgenomen in lijst C en D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Per 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden, hetgeen inhoudt dat voor activiteiten beneden de grenswaarden (drempels) de vormvrije m.e.r.-beoordeling is vervangen door de m.e.r.beoordelingsplicht, waarbij getoetst moet worden of er sprake is van nadelige milieugevolgen. Het bevoegde gezag dient op basis van de hiertoe op te stellen m.e.r.-aanmeldingsnotitie een m.e.r.-besluit te nemen en hierin te besluiten of er wel of niet een m.e.r.-plicht is (opstellen van een MER). Met dit bestemmingsplan worden geen m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten mogelijk gemaakt. Daarom is een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk.
Hoofdstuk 4
41
5.
JURIDISCHE PLANOPZET In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan beschreven.
5.1 Inleiding De Wro en het Bro bepalen uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met regels en een toelichting daarop. De juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan zijn de verbeelding en de regels. Er is één landelijke voorziening waar alle ruimtelijke plannen voor iedereen volledig toegankelijk en raadpleegbaar zijn. Daarvoor moeten alle bestemmingsplannen voldoen aan landelijk vastgestelde standaarden. Dit is de 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012)'. Dit bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: De toelichting Een planbeschrijving, beleidsverantwoording en een toets aan de relevante milieuhygiënische en ruimtelijke aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet en een korte beschrijving van de handhavings- en uitvoeringsaspecten. De regels Het juridische gedeelte van het bestemmingsplan. Samen met de verbeelding vormen de regels het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. De regels worden in paragraaf 5.3 nader beschreven. De verbeelding Op de verbeelding kunnen bestemmingen en aanduidingen worden weergegeven, die de werkingsgebieden van de regels bepalen. In paragraaf 5.2 wordt de opzet van de verbeelding nader beschreven.
5.2 Verbeelding Het voorliggende ‘paraplubestemmingsplan’ is een overkoepelend bestemmingsplan, dat dient als aanvulling op en gedeeltelijke vervanging van de vigerende ruimtelijke plannen (zie nader paragraaf 5.3). Het plangebied van dit bestemmingsplan is gemeentedekkend: de regels gelden in principe voor het gehele gemeentelijke grondgebied. Dit is aangegeven door middel van een gebiedsaanduiding: ‘overige zone – regels huisvesting’. Een dergelijke gebiedsaanduiding is bestemmingsoverschrijdend en kan daarom overkoepelend gelden. Op de verbeelding zijn voorts nog twee andere gebiedsaanduidingen opgenomen: ‘overige zone – woonkern’ en ‘overige zone – recreatiewoning eigen gebruik’. Deze aanduidingen beslaan niet het gehele gemeentelijke grondgebied, maar een gedeelte daarvan. Binnen deze gebieden gelden andere c.q. aanvullende regels.
Hoofdstuk 5
42
5.3 Regels Dit paraplubestemmingsplan dient als aanvulling op en gedeeltelijke vervanging van de regels van de voor het plangebied vigerende bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen. Alle regels uit deze onderliggende plannen blijven dus voor het overige van kracht. Binnen het plangebied zijn nóg enkele paraplubestemmingsplannen van toepassing. In artikel 2.1 van de planregels is een bepaling opgenomen, die regels dat ook deze paraplubestemmingsplannen in principe van toepassing blijven, met uitzondering van enkele regels uit het ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen’. In artikel 2.2 is geregeld dat de begrippen in het voorliggende paraplubestemmingsplan van toepassing worden verklaard op de onderliggende ruimtelijke plannen. Indien eenzelfde begrip in de reeds vigerende plannen voorkomt, wordt dit vervangen door het begrip in de paraplubestemmingsplan. Op deze wijze zijn onder meer de begrippen ‘wonen’, ‘woning’ en ‘kamerverhuur’ voor het gehele gemeentelijke grondgebied eenduidig bepaald. De regels in het paraplubestemmingsplan zijn conform de SVBP2012 als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: inleidende regels Dit hoofdstuk omvat een aantal voor het plan van belang zijnde begripsbepalingen.
Deze worden, zoals bovenstaand aangegeven, conform de schakelbepaling in artikel 2.2 van toepassing verklaard op alle onderliggende bestemmingsplannen en overige ruimtelijke plannen. Voor zover een bepaald begrip in een bestaand plan reeds voorkomt, wordt dit vervangen door de begripsbepaling in het paraplubestemmingsplan. Daarnaast bevat dit hoofdstuk een algemene van toepassing verklaring (artikel 2.1). Hoofdstuk 2: bestemmingsregels In dit artikel is aangegeven welke regels van de onderliggende ruimtelijke plannen juridisch wijzigen, of welke bepalingen aan de betreffende plannen worden toegevoegd. Gelet op het feit dat dit plan ziet op het gebruik van woningen, zijn enkel rechtstreekse gebruiksregels opgenomen. Het betreft hier gebruiksregels ten aanzien van Bed & Breakfast, vakantieverhuur, kamerverhuur en het gebruiken van een recreatiewoning voor eigen recreatief gebruik. In enkele gevallen is hierbij een differentiatie naar gebied van toepassing. Tevens zijn enkele vormen van strijdig gebruik van een woning aangegeven: dit betreft shortstay, bedrijfsmatige kamerverhuur en toeristische verhuur. Voor de inhoudelijke toelichting op deze regels wordt verwezen naar hoofdstuk 3 van deze toelichting. Hoofdstuk 3: algemene regels In dit hoofdstuk is de voor ieder plan verplichte anti-dubbeltelregel opgenomen.
Deze is voor alle ruimtelijke plannen verplicht volgens de SVBP 2012. Hoofdstuk 4: overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat het voor alle bestemmingsplannen verplicht op te nemen overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik, alsmede de citeertitel van het plan. Tevens is in dit artikel de persoonsgebonden overgangsregeling voor het gebruik van woningen voor toeristische verhuur opgenomen (zie uitgebreid hierover par. 3.2 van deze toelichting).
Hoofdstuk 5
43
6.
UITVOERBAARHEID In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld gaat van een toelichting waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd. Dit hoofdstuk gaat in op de uitvoerbaarheid, waarbij eerst de economische uitvoerbaarheid aan bod komt en vervolgens de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van afdeling 6.4. van de Wro geldt voor de gemeente de verplichting tot kostenverhaal in de gevallen die zijn aangewezen in het Bro. Het Bro stelt kostenverhaal verplicht in geval er sprake is van een van de volgende bouwplannen: de bouw van één of meer woningen en andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits tenminste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bruto-vloeroppervlakte bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte. Met dit bestemmingsplan wordt geen nieuw bouwplan mogelijk gemaakt. Er worden geen nieuwe woningen toegestaan. Kostenverhaal is daarmee niet aan de orde. Het bestemmingsplan is economisch uitvoerbaar.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Artikel 3.8 Wro bepaalt dat op de voorbereiding van een bestemmingsplan de in afdeling 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geregelde uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov) van toepassing is. Dit houdt in dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat inwoners de mogelijkheid hebben om een visie omtrent het plan te kunnen geven. Dientengevolge zijn de volgende stappen te onderscheiden: Vooroverleg; Inspraak; Vaststellingsprocedure. 6.2.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.1) geeft aan dat bij de voorbereiding van een plan overleg moet worden gepleegd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
Hoofdstuk 6
44
Gelet op de aard van het plan zijn er geen instanties waarvan de belangen in het geding komen met de vaststelling van dit bestemmingsplan en is er gekozen om geen vooroverleg te voeren. 6.2.2 Inspraak De Wro zelf bevat geen bepalingen omtrent inspraak. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze en aan wie de mogelijkheid wordt geboden hun mening kenbaar te maken. In dit geval heeft gezien de aard van het plan geen inspraak plaatsgevonden. Daarnaast is in het traject van de totstandkoming van de beleidsnota ‘gebruik woningen’ op verschillende momenten gelegenheid geboden te reageren op de voorliggende beleidsvoorstellen. Dit paraplubestemmingsplan is de juridisch-planologische doorvertaling van deze beleidsnota. 6.2.3 Vaststellingsprocedure De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vond plaats volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Als onderdeel van deze procedure is het ontwerpbestemmingsplan gedurende een termijn van 6 weken ter inzage gelegd voor zienswijzen. Binnen deze periode kon eenieder een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan indienen.
Er zijn in totaal 7 zienswijzen ingediend tegen het bestemmingsplan. De zienswijzen zijn samengevat en door de gemeente puntsgewijs van een reactie voorzien in de Nota van beantwoording zienswijzen Ontwerp Paraplubestemmingsplan ‘Gebruik Woningen’. Deze nota is bij het bestemmingsplan te raadplegen. Eén van de zienswijzen heeft aanleiding gegeven tot een aanpassing in de planregels. Verder zijn ambtshalve enkele correcties en verbeteringen doorgevoerd. Vervolgens wordt het bestemmingsplan ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan wederom gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze periode onherroepelijk.
Hoofdstuk 6
45
BIJLAGEN BIJ TOELICHTING
Hoofdstuk 6
46
Bijlage 1: Kaart zone recreatiewoning voor eigen gebruik
Hoofdstuk 6
47
Zone recreatiewoning voor eigen gebruik
Koningin Astrid Boulevard
Bouleva
rd
Parallel Boulevard Gol
Wa fba
an
ntv e
ld
Wantv
eld
Ou
de
Ze
ew
eg
Ou
de
Ze
ew
eg
Parallel
Zeereep
Zeereep
Koningin Wilhelmina Boulevard
Bosweg
Oude Zeew eg
De G
ren t
Koningin Astrid Boulevard
Palaceplein Parall el Bo uleva rd
Legenda Begrenzing zone recreatiewoning voor eigen gebruik Woningen binnen zone recreatiewoning voor eigen gebruik
Datum: 02-12-2020
Bijlage 2: Nota van beantwoording zienswijzen
Hoofdstuk 6
48
Regels
Inhoudsopgave
Regels
3
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Van toepassing verklaring
4 7
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
8
Artikel 3
Huisvesting
8
Hoofdstuk 3
Algemene regels
10
Artikel 4
Anti-dubbeltelregel
10
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels
11
Artikel 5 Artikel 6
Overgangsrecht Slotregel
11 12
2
Bestemmingsplan "Parapluplan Gebruik Woningen" (vastgesteld)
Regels
Bestemmingsplan "Parapluplan Gebruik Woningen" (vastgesteld)
3
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
Plan
Het bestemmingsplan Parapluplan Gebruik Woningen met identificatienummer NL.IMRO.0575.BPPLUGebruikwoning-VA01 van de gemeente Noordwijk. 1.2
Bestemmingsplan
De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels. 1.3
Aanduiding
Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
Aanduidingsgrens
De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5
Bebouwing
Éen of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.6
Bed & Breakfast
Een overnachtingsaccommodatie gericht op het tegen betaling bieden van de mogelijkheid tot een veelal kortdurend toeristisch verblijf met het serveren van een ontbijt als nevenfunctie van de permanente bewoning van een woning. 1.7
Bedrijfsmatige kamerverhuur
De verhuur van onzelfstandige woonruimte van een woning, waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte, anders dan bedoeld in lid 1.15. 1.8
Bestaand met betrekking tot bebouwing: de bebouwing als legaal aanwezig ten tijde van inwerkingtreding van het plan danwel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip verleende omgevingsvergunning; met betrekking tot gebruik: het gebruik als legaal aanwezig ten tijde van inwerkingtreding van het plan.
1.9
Bestemmingsgrens
De grens van een bestemmingsvlak.
4
Bestemmingsplan "Parapluplan Gebruik Woningen" (vastgesteld)
1.10
Bestemmingsvlak
Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11
Bijbehorend bouwwerk
Uitbreiding van het hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk, met een dak. 1.12
Hoofdgebouw
Gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.13
Huishouden
Persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van een op duurzaamheid gerichte onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 1.14
Gebruiksoppervlak
De gebruiksoppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten, gemeten op vloerniveau, tussen de opgaande scheidingsconstructies die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen, een en ander berekend conform NEN 2580, dan wel een opvolgende c.q. vervangende richtlijn. 1.15
Kamerverhuur
De verhuur van onzelfstandige woonruimte door de hoofdgebruiker(s) van de woning als nevenfunctie van de permanente bewoning daarvan, waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte. 1.16
Onzelfstandige woonruimte
Een woonruimte die geen eigen toegang heeft of die niet op zichzelf kan functioneren als een woning in die zin dat een of meerdere belangrijke voorzieningen ontbreken, zoals een keuken, badkamer en toilet. 1.17
Permanente bewoning
Duurzaam hoofdverblijf van één of meerdere personen in een woning. 1.18
Recreatief gebruik van een woning
Het recreatief gebruik van een woning, gericht op ontspanning of vrijetijdsbesteding door personen die elders hun hoofdverblijf hebben.