CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Ontwerp TAM-Omgevingsplan regels en toelichting (1)

Gemeenteraadsvergadering 19 juni 2025, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) omgevingsplan Koningin Wilhelmina Boulevard17.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

23

Omgevingsveiligheid 4.5.1

Toetsingskader

Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. Zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. Kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. Beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid, en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: 

activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;

het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;

buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;

naast de eerder genoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd, bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen:

opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4);

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5);

exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5);

opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden. De grenswaarden voor het plaatsgebonden risico zijn ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd mogen niet binnen de plaatsgebonden risicocontour 10-6-contour van een activiteit vallen.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

24

Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Er zijn drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. Voor beperkt kwetsbare, kwetsbar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden. 4.5.2

Doorwerking plangebied

De provincie Zuid-Holland heeft in de ZHOV geen instructieregels ten aanzien van omgevingsveiligheid opgenomen. In het omgevingsplan zijn wel regels opgenomen ten aanzien van omgevingsveiligheid. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7.3 ‘Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan’ en in paragraaf 22.3.26 ‘Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten’. Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er zullen geen ruimtelijke aanpassing gedaan worden waardoor het groepsrisico niet zal toenemen ten opzichte van de huidige vigerende situatie. Volledigheidshalve zijn omliggende risicobronnen wel beschouwd. Figuur 4.1 weergeeft een uitsnede van de Atlas Leefomgeving ter plaatse het projectgebied.

Figuur 4.1 Uitsnede Atlas leefomgeving met globale aanduiding projectgebied

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

25

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven Uit de risicokaart van Atlas Leefomgeving blijkt dat direct ten noorden van het projectgebied een inrichting is gelegen. Dit betreft ‘Hotels van Oranje’, wat is aangeduid als ‘rest categorie’. Het projectgebied bevindt zich niet binnen het aandachtsgebied van activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven in de omgeving. De risico’s als gevolg hiervan vormen geen aandachtspunt voor de planvorming waardoor een verantwoordingsplicht niet aan de orde is. Buisleidingen Uit de risicokaart van Atlas Leefomgeving blijkt dat er ten noorden en westen van projectgebied buisleidingen zijn gelegen. Deze leidingen zijn beiden op meer dan 1 kilometer afstand gelegen. Het projectgebied is niet binnen een aandachtsgebied van een buisleiding. Alleen binnen een aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Er is geen sprake van een verantwoordingsplicht van het groepsrisico en er dienen geen aanvullende beschermingsmaatregelen getroffen te worden. Transport over de weg Het projectgebied ligt op meer dan 5 kilometer afstand van de rijksweg A44. Het projectgebied is niet binnen een aandachtsgebied van deze wegen. Alleen binnen een aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het groepsrisico.

Er is geen sprake van een verantwoordingsplicht van het groepsrisico en er dienen geen aanvullende beschermingsmaatregelen getroffen te worden. Transport over spoor Het projectgebied is niet in de nabijheid van spoor gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Nadere verantwoording is niet noodzakelijk. Transport over water Het projectgebied is niet in de nabijheid van een watergang gelegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Nadere verantwoording is niet noodzakelijk. 4.5.3

Conclusie

Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Geluid - (spoor)wegverkeer 4.6.1

Toetsingskader

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

26

Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron. Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: a. de standaardwaarde, bedoel in tabel 4.2; of b. het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond.

Tabel 4.2: Standaardwaarde en grenswaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

Geluidbronsoorten

Standaardwaarde

Grenswaarde

Rijkswegen en provinciale wegen

50 Lden

60 Lden

Gemeentewegen en waterschapswegen

53 Lden

70 Lden

Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen

55 Lden

65 Lden

Industrieterreinen

50 Lden

55 Lden

40 Lnight

45 Lnight

Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaar-de kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in artikel 3.32 lid 1 worden overschreden als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. de overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c.

het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoel in tabel 4.2.

Afdeling 3.5 (artikel 3.18 lid 1) van het Bkl voorziet in het toetsingskader/instructieregels omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 van het Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon-, onderwijs- of zorgfunctie heeft. 4.6.2

Doorwerking plangebied

Het wijzigen van het Omgevingsplan heeft geen invloed op het aspect geluid. Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. In zowel de huidige als de toekomstige situatie is sprake van een geluidsgevoelige functie, derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering. 4.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

27

Luchtkwaliteit 4.7.1

Toetsingskader

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.

Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Aandachtsgebieden De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Niet in betekende mate De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl.

Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Tabel 4.3: Luchtkwaliteit dichtstbijzijnde meetpunten (bron: CIML, RIVM)

ID

NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM10 over-

PM2.5 μg/m3

Jaar

schrijdingsdagen 15850467

15,7759

17,1607

6,06

8,232

2022

15849964

14,1175

16,8648

6,02

8,1459

2022

15849928

14,3959

16,9115

6,02

8,1596

2022

15850103

14,2368

16,882

6,02

8,151

2022

Norm

40

40

35

25

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

28

4.7.2

Doorwerking plangebied

Noordwijk is niet gelegen in een aandachtgebied voor luchtkwaliteit, zoals opgenomen in artikel 5.51, lid 2 en 3 van het Bkl. Volledigheidshalve is aangetoond worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. In tabel 4.3 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen. Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Hierdoor is er geen sprake is van een verandering in verkeersgeneratie wat in mogelijk in betekende mate kan bijdrage aan de luchtkwaliteit. 4.7.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Bodem 4.8.1

Toetsingskader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; 

beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;

evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;

duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. Het uitgangspunt is dat bij elke ruimtelijke ontwikkeling middels een bodemonderzoek wordt aangetoond dat de bodemkwaliteit voldoende is voor de te realiseren activiteit en dat sprake is van een uitvoerbaar plan. Bodemonderzoeken worden net zoals onder de Wro uitgevoerd conform de NEN 5725 en/of NEN 5740 (eventueel aangevuld met een verkennend bodemonderzoek asbest conform de NEN 5707). Bij het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt getoetst aan achtergrondwaarden, interventiewaarden en tussenwaarden. Verder zijn ook in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regels opgenomen met betrekking tot het aspect bodem, bijvoorbeeld over de te hanteren richtlijnen voor het bodemonderzoek. 4.8.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Tevens zullen er geen bodemroerende werkzaamheden mogelijk gemaakt. Er is geen noodzaak tot nader bodemonderzoek.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

29

4.8.3

Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Activiteiten en milieuzonering 4.9.1

Toetsingskader

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het van belang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren: 

menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;

scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.

Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied. De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering. De systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten. 4.9.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er is dus geen sprake van een nieuwe belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven. Indien een initiatiefnemer in de toekomst wil afwijken van het verbod op wonen op de begane grond op basis van het in deze wijziging van het omgevingsplan vastgestelde beoordelingskader, dient te worden voldaan aan het beoordelingskader zoals opgenomen in hoofdstuk 2.2.2. Onderdeel hiervan is het aantonen dat de beoogde woning de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet belemmerd, dan wel dat er sprake is van een geschikte woonlocatie. Eventueel volgen hieruit te treffen maatregelen die in op dat moment in een separate ruimtelijke procedure dienen te worden getoetst. 4.9.3

Conclusie

Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Weging van het waterbelang 4.10.1

Toetsingskader

De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 20222027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

30

hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland. Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.37, lid 1, een “weging van het waterbelang” uit te voeren. Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers online, middels de digitale watertoets, nagaan of hun ruimtelijk plan voldoende rekening houdt met de waterbelangen. Uit de digitale watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom. Aanvullend op dit advies dient in het plan verantwoording afgelegd te worden over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders.

Dit gebeurt meestal in de “weging van het waterbelang” van het ruimtelijke plan. De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse beleidsdocumenten en regelgeving op verschillende niveaus. Gelet op de aard van de ontwikkeling (interne verbouwing van een bestaand gebouw in sterk verstedelijkt gebied) wordt enkel waar nodig ingegaan op deze regelgeving en beleidsdocumenten. 4.10.2

Doorwerking plangebied

Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er is geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige situatie ten aanzien van het aspect water. Er wordt geen nieuwe bebouwing of verharding mogelijk gemaakt. Er is geen noodzaak tot nadere onderbouwing ten aanzien van de weging van het waterbelang. Daarnaast zijn er voorwaarden en beperkingen van toepassing voor het ondergronds verrichten van werkzaamheden vanuit het ‘Paraplubestemmingsplan Grondwater’. Deze blijven onverkort van toepassing. 4.10.3

Conclusie

Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Ecologie 4.11.1

Toetsingskader

De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. Onder Artikel 5.1, lid 1 Ow is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, tevens is onder Artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een floraen fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan, waterschap verordening, omgevingsverordening of ministeriele regeling. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

31

fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). Natura 2000-gebieden Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een Natura 200-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Natuurnetwerk Nederland (NNN) De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden en Soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan.

Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: 

Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bal);

Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bal);

Omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bal).

Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bal, schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bal.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

32

Provinciale omgevingsverordening Vanuit de TAM-Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (d.d. 24 juli 2024) gelden ter plaatse geen nadere instructieregels ten aanzien van flora en fauna. Conform paragraaf 7.3.1. (Natuurnetwerk Nederland) van het Bkl dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen (artikel 7.8 Bkl). 4.11.2

Doorwerking plangebied

Het projectgebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn ‘Coepelduynen’ op circa 800 meter ten zuiden van het plangebied en ‘Kennemerland-Zuid’ op circa 700 meter ten noorden van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt ongeveer 90 meter ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Er worden met het wijzigen van het Omgevingsplan geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er is in dit opzicht dus geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Als gevolg hiervan zijn er ook geen effecten voor eventueel aanwezige beschermde soorten.

In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Zoals geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen, dienen eventuele toekomstige woningbouwontwikkelingen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid te worden uitgevoerd. 4.11.3

Conclusie

Vanuit het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Stikstof 4.12.1

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben er geen veranderingen plaatsgevonden met betrekking tot de invloed van stikstof op het verlenen van vergunningen voor bouwprojecten. Het beschermingsniveau van Natura 2000-gebieden onder de Omgevingswet wijzigde niet. Wel werd het proces en de vindplaats van de artikelen anders. Dit staat beschreven in artikel 4.15 van de Omgevingsregeling. Artikel 4.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit) 1. Dit artikel is van toepassing op het bepalen van de stikstofdepositie bij het vaststellen of een activiteit door het veroorzaken van stikstof-depositie als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

33

2. Op het berekenen van de stikstofdepositie is AERIUS Calculator van toepassing. In de memorie van toelichting bij dit artikel wordt verder stilgestaan bij de betekenis van dit artikel. Met de AERIUS-berekening wordt gekeken of het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelige habitat in en Natura 2000-gebied een significant effect kan hebben. Het gaat dan uiteraard uitsluitend om habitats die in het kader van artikel 6, derde lid, habitatrichtlijn relevant zijn, namelijk typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten waarvoor in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd en die stikstofgevoelig zijn. Instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd voor de habitats of soorten die worden genoemd in bijlage I of II habitatrichtlijn en die in niet-verwaarloosbare mate in het gebied voorkomen. Daarnaast worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de leefgebieden van vogels als bedoeld in artikel 4 van de vogelrichtlijn. Dit artikel is een voortzetting van het voorheen geldende artikel 2.1 Regeling natuurbescherming. 4.12.2

Doorwerking plangebied

Er worden met het wijzigen van het Omgevingsplan geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er worden geen bouwactiviteiten mogelijk gemaakt. Tevens is er geen sprake van en verkeersgeneratie. Er is dan ook vooraf te concluderen dat er geen sprake is van een vergroting van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Derhalve is ook geen stikstofberekening voor de gebruiks- en aanlegfase noodzakelijk. Indien een initiatiefnemer in de toekomst een woonfunctie wil mogelijk maken op basis van het in deze wijziging van het Omgevingsplan vastgestelde beoordelingskader, dient deze aan te tonen dat er geen sprake is van een stikstofdepositie hoger van 0,00 mol/ha/jaar in zowel de aanleg- als gebruiksfase. 4.12.3

Conclusie

Vanuit het aspect stikstof is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Geur 4.13.1

Toetsingskader

Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl 'Geur', onderdeel van paragraaf 5.1.4 'Beschermen van de gezondheid en van het milieu'. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: 

zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);

houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);

enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).

Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

34

De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het omgevingsplan. Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: 

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. In het omgevingsplan zijn de instructieregels ten aanzien van geur opgenomen in paragraaf 22.3.6. Het betreft instructieregels ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. 4.13.2

Doorwerking plangebied

Er worden met het wijzigen van het Omgevingsplan geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, met anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er is in dit opzicht dus geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Tevens kan worden gesteld dat het projectgebied in het centrum van Noordwijk ligt. In een straal van 500 meter rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Voor het projectgebied kan daarom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gegarandeerd. Tegelijkertijd zal de ontwikkeling geen belemmering opleveren voor de bedrijfsvoering van omliggende veehouderijbedrijven. 4.13.3

Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Archeologie 4.14.1

Toetsingskader

De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet en, voor zover betrekking hebbend op de fysieke leefomgeving, in de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 4.14.2

Doorwerking plangebied

Ter plaatse het projectgebied zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ’Waarde – Archeologie 3’ vigerend. Deze dubbelbestemmingen blijven onverkort van toepassing.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

35

De voor 'Waarde - Archeologie - 1' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Voor alle grondwerkzaamheden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Hierbij gelden de volgende uitzonderingen: 

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet worden uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

er geen grondwerk wordt verricht dieper dan 50 centimeter onder maaiveld en er geen hei- of schroefwerkzaamheden worden verricht.

De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden. Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m 2 met grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder het maaiveld dient archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Er worden met het wijzigen van het Omgevingsplan geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Tevens zullen er geen bodemroerende werkzaamheden mogelijk gemaakt. Er kan daarom vooraf worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden. 4.14.3

Conclusie

Vanuit het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Cultuurhistorie 4.15.1

Toetsingskader

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen. Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stadsen dorpsgezichten. Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen. Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed).

Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

36

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging. 4.15.2

Doorwerking plangebied

Er worden met het wijzigen van het Omgevingsplan geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er is geen sprake van een ruimtelijke verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Het plangebied is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Noordwijk niet aangegeven als zijnde een cultuurhistorische locatie. Wel zijn de omliggende wegen Koningin Wilhelmina Boulevard en Parallel Boulevard aangemerkt als waardevolle wegen. De cultuurhistorische waardering betreft ‘basis’. De Noordzeestraat wordt aangeduid als ‘midden’. Aan de structuur van de historisch waardevolle wegen treden geen veranderingen op, waardoor voorliggende wijziging van het Omgevingsplan geen negatieve invloed heeft op de historische waardevolle wegen. Rondom het plangebied zijn enkele Rijksmonumenten gelegen. Deze zijn echter op meer dan 100 meter afstand gelegen. Voorliggend wijziging van het Omgevingsplan geen negatieve invloed hebben op de Rijksmonumenten. Daarnaast gaan er geen historische gebouwen verloren. Derhalve heeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van dit gebied. 4.15.3

Conclusie

Vanuit het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Trillingen 4.16.1

Toetsingskader

Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld door schade aan gebouwen te veroorzaken en het welzijn van gebruikers daarvan. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen: 

continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer);

herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).

Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

37

4.16.2

Doorwerking plangebied

Er worden met het wijzigen van het Omgevingsplan geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan een verbod op wonen op de begane grond. Er is geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Er is in de nabijheid van de projectlocatie geen sprake van een trillingsbron (spoor, weg of machines). Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.16.3

Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

38

5

Juridische planopzet Inleiding

Onderhavige wijziging van het Omgevingsplan ziet enkel toe op het toevoegen van een verbod op wonen op de begane grond binnen de bestemming ‘Wonen’, met aanduiding ‘gemengd’ voor bepaalde delen van panden gelegen aan de boulevardzijde van de Koningin Wilhelmina Boulevard te Noordwijk. Daarnaast zijn de beoordelingsregels opgenomen voor het onder voorwaarden toestaan van de functie wonen en het gebruiken van delen van panden als berging en/of entree behorende tot de functie wonen. In dit hoofdstuk wordt de juridische opzet van deze wijziging nader toegelicht.

Verbeelding Het plangebied van de verbeelding komt overeen met dat van het Voorbereidingsbesluit Koningin Wilhelmina Boulevard (19 december 2023), Op de verbeelding is uitsluitend een werkingsgebied opgenomen, dat aangeeft dat ter plaatse van de betreffende gronden wijzigingen van de regels plaatsvinden. Dit betreft de aanduiding ‘overige zone – wonen begane grond uitgesloten’. Op de betreffende gronden blijven in beginsel de overige regels van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk van toepassing, zie nader de navolgende paragraaf 5.3.

Uitgangspunten juridische regeling Preambule De regels van het TAM-omgevingsplan bevatten een preambule, waarin is toegelicht hoe het TAM-omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk en hoe de opgenomen regels dienen te worden gelezen binnen het omgevingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgenomen als hoofdstuk 22A van het omgevingsplan. Toepassingsbereik Onderliggende (paraplu)bestemmingsplannen (nu deel uitmakend van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Noordwijk) blijven behoudens de aanvullingen/wijzigingen, die in de regels van dit TAM-omgevingsplan zijn opgenomen, in beginsel onverkort van toepassing. In art. 1.1 van de regels is het toepassingsbereik als volgt beschreven: de besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.3, tenzij in dit TAM-omgevingsplan een aanvullende of afwijkende regeling is opgenomen in Artikel 2, Artikel 3 en Hoofdstuk 2. Hierop zijn enkele uitzonderingen opgenomen met betrekking tot artikel 2 (begripsbepalingen). Toelichting op de regels In artikel 4 van het TAM-omgevingsplan zijn de inhoudelijke regels opgenomen.

In dit artikel is een verbod opgenomen om gronden en/of bouwwerken te gebruiken voor wonen op de begane grondlaag, dan wel ondergronds, met uitzondering van bergingen en entrees, voor zover deze bergingen/entrees gelegen zijn op een afstand minimaal 10 meter van de naar de Koningin Wilhelminaboulevard gekeerde zijde van een gebouw. Tevens zijn beoordelingsregels opgenomen op grond waarvan alsnog een omgevingsvergunning kan worden verleend om wonen op de begane grond toe te staan. De beoordelingsregels betreffen een limitatiefimperatieve opsomming: als aan de beoordelingsregels wordt voldaan, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend. Hierbij mag uitsluitend worden getoetst aan deze beoordelingsregels. De set met beoordelingsregels is zorgvuldig samengesteld op basis van de afwegingen die de gemeente in deze gevallen wenselijk acht. Een en ander is in deze motivering al nader toegelicht.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

39

6

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid Financiële haalbaarheid

Kostenverhaal houdt de verplichting voor de gemeente in om er in dat geval voor te zorgen dat de kosten, die zij maakt om deze ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken, verhaald worden op de initiatiefnemer. In artikel 13.13 van de Omgevingswet staat aangegeven dat bij de volgende planologische besluiten het kostenverhaal aan de orde kan zijn: 

bij het wijzigen van het omgevingsplan;

bij een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Wanneer er sprake is van een van de voorgenoemde besluiten, moet er worden beoordeeld of er sprake is van een bouwactiviteit in de zin van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. Dit artikel definieert een bouwactiviteit als volgt: 

de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie;

de bouw van een of meer hoofdgebouwen anders dan gebouwen met een woonfunctie;

de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1.000 m² bruto-vloeroppervlakte of met een of meer gebouwen met een woonfunctie;

de bouw van een gebouw dat geen hoofdgebouw als bedoeld onder b is, met ten minste 1.000 m² brutovloeroppervlakte;

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een woonfunctie tot gebouwen met een woonfunctie, mits het ten minste tien woonfuncties betreft; of

de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen met andere gebruiksfuncties dan een kantoorfunctie, een winkelfunctie of een bijeenkomstfunctie voor het verstrekken van consumpties voor het gebruik ter plaatse tot gebouwen met een of meer van deze gebruiksfuncties, mits de cumulatieve brutovloeroppervlakte van de nieuwe gebruiksfuncties ten minste 1.500 m2 bedraagt.

Wanneer van het bovenstaande sprake is, is de gemeente verplicht om kosten te verhalen. Bovenstaande bouwactiviteiten zijn kostenverhaalplichtig. Dit kan op twee manieren: 

privaatrechtelijk kostenverhaal: in een anterieure of posterieure overeenkomst (afdeling 13.6.2 Omgevingswet);

publiekrechtelijk kostenverhaal: kostenverhaalregels in een omgevingsplan, kostenverhaalvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (afdeling 13.6.3 Omgevingswet).

Het afsluiten van een anterieure of posterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Wanneer het niet mogelijk is om een overeenkomst te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dat betekent dat het bevoegd gezag dan de kosten op basis van de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verhaalt. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren. Slechts in een aantal specifieke gevallen kan (hoeft niet) de gemeente afwijken van het verplichte kostenverhaal (artikel 8.14 Omgevingsbesluit): a. Het totaal van de verschuldigde geldsommen dat op grond van artikel 13.18 van de wet kan worden verhaald, bedraagt minder dan € 10.000,-. b. Er zijn geen verhaalbare kosten als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV1.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

40

c.

De verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.

Het onderhavige wijziging van het Omgevingsplan worden geen nieuwe woningen of andere functies, anders dan wat in de huidige situatie reeds is toegestaan, mogelijk gemaakt. In geval van een functiewijziging van een niet-woonfunctie naar wonen, binnen een bestaand gebouw, is er geen sprake van een kostenverhaalplichtige bouwactiviteit indien het om minder dan 10 woningen gaat. In deze gevallen is de Legesverordening van de gemeente Noordwijk van toepassing en is het kostenverhaal op die wijze geborgd. Indien er 10 of meer woningen gerealiseerd worden is binnen bestaande gebouwen of er sprake is van sloop-nieuwbouw waarbij woningen worden gebouwd is er sprake van een kostenverhaalplichtige bouwactiviteit. Voor deze ontwikkeling in het projectgebied dient er tussen de initiatiefnemer en de gemeente een anterieure overeenkomst gesloten te worden om het kostenverhaal te voorzien. Voor over hier geen sprake van is, dient hier een extra exploitatieplan te worden opgesteld in het kader van de Omgevingsvergunningsprocedure.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1

Omgevingsdialoog

Onderhavige wijziging van het Omgevingsplan voorziet in de reparatie van een omissie in het Bestemmingsplan Zeewaardig (d.d. 18 december 2014). Er wordt afgezien van participatie vanwege de beperkte aard en omvang van het in voorbereiding zijnde plan. Het plan zorgt niet voor directe ontwikkelmogelijkheden maar is gericht op herstel van een omissie in een planregel. Naar verwachting wordt in het voorjaar van 2025 het ontwerp TAM-omgevingsplan ter inzage gelegd. Dan is het voor eenieder mogelijk om te reageren op het ontwerp TAM-omgevingsplan door het naar voren brengen van zienswijzen. In het gemeenteblad wordt te zijner tijd aangekondigd wanneer en op welke manier kan worden gereageerd. 6.2.2

Advies en instemming

Onderhavige wijziging van het Omgevingsplan voorziet in de reparatie van een omissie in het Bestemmingsplan Zeewaardig (d.d. 27 juni 2013). Het plan zorgt niet voor directe ontwikkelmogelijkheden maar is gericht op herstel van een omissie in een planregel. Er is geen sprake van een belang voor de wettelijk vooroverlegpartners.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

41

7

Belangenafweging en conclusie Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Om te beoordelen of het planvoornemen resulteert in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zijn alle relevante aspecten voor de fysieke leefomgeving nauwkeurig onderzocht en afgewogen. Met name uit hoofdstuk 4 ‘Milieuaspecten’ kan worden geconcludeerd dat de beoogde activiteit leidt tot een situatie waarin er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er heeft een zorgvuldige belangenafweging plaatsgevonden, waarbij doeltreffend verband is gelegd tussen de instrumenten van de Omgevingswet en recent beleid. Er is een duidelijke link gecreëerd tussen de belangen van de initiatiefnemer, de doelen van de gemeente, en de belangen van omwonenden en andere belanghebbenden.

Conclusie Op grond van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat de aanvraag voor een wijziging van het omgevingsplan adequaat gemotiveerd is, en derhalve de het omgevingsplan gewijzigd kan worden.

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

42

TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

Toepassingsbereik Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen

4 5 7

Hoofdstuk 2

Functies en activiteiten

8

Artikel 4

Wonen op de begane grond

8

2

"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4" (ontwerp)

Regels

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het corrigeren van een omissie van in het bestemmingsplan 'Zeewaardig' door middel van het toevoegen van een verbod voor het wonen op de begane grond ter plaatse van een gedeelte van de Koningin Wilhelmina Boulevard in Noordwijk en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22A) van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22A van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22A.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22A.' gelezen worden.

"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4" (ontwerp)

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1

Inleidende regels

Toepassingsbereik

Toepassingsbereik tijdelijk omgevingsplan

a. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.2. b. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.2, tenzij in dit TAM-omgevingsplan een aanvullende of afwijkende regeling is opgenomen in Artikel 2, Artikel 3 en Hoofdstuk 2, met uitzondering van artikelen 2.3, 2.6, 2.7, 2.8, 2.10, 2.11 en 2.12. 1.2

Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Koningin Wilhelminaboulevard te Noordwijk, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0575.TAM22AZeewCorr4-On01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl/.

4

"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4" (ontwerp)

Artikel 2

Begripsbepalingen

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk 22A van dit omgevingsplan gelden de begripsbepalingen die, op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Omgevingsbesluit en Bijlage I bij de Omgevingsregeling. 2. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in artikel 1.1 van het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk zijn van overeenkomstige toepassing op dit TAM-omgevingsplan. 3. In aanvulling op het bepaalde onder 1. en 2. gelden de volgende aanvullende begripsbepalingen bij de toepassing van dit hoofdstuk 22A: 2.1

omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Noordwijk. 2.2

TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4 met identificatienummer NL.IMRO.0575.TAM22AZeewCorr4-On01 van de gemeente Noordwijk. 2.3

bedrijfsmatige kamerverhuur

de verhuur van onzelfstandige woonruimte van een woning, waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte, anders dan bedoeld in lid 2.7. 2.4

beuk

de beukbreedte is de breedte van een door hoofdmuren begrensde ruimte die haaks of bijna haaks staat op de rooilijn. 2.5

groen dak

dakbedekking waarop een plantaardige laag is aangebracht, mede bedoeld voor het vergroten van het waterbergend vermogen. 2.6

huishouden

persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van een op duurzaamheid gerichte onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; bedrijfsmatige kamerverhuur wordt daaronder niet begrepen. 2.7

kamergewijze verhuur

de verhuur van onzelfstandige woonruimte door de hoofdgebruiker(s) van de woning als nevenfunctie van de permanente bewoning daarvan, waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.

"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4" (ontwerp)

5

2.8

onzelfstandige woonruimte

een woonruimte die geen eigen toegang heeft of die niet op zichzelf kan functioneren als een woning in die zin dat een of meerdere belangrijke voorzieningen ontbreken, zoals een keuken, badkamer en toilet. 2.9

open uitstraling

een open uiterlijke verschijningsvorm te bereiken door middel van onder meer raampartijen, gevelopeningen en of entrees. 2.10

permanente bewoning

duurzaam verblijf van één of meerdere personen in een woning. 2.11

wonen

permanente bewoning van een woning door maximaal één huishouden. 2.12

woning

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor wonen.

6

"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4" (ontwerp)

Artikel 3

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 2.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden in dit TAM-omgevingsplan, voor zover hier niet van is afgeweken in dit artikel.

"TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22A Correctie Zeewaardig, fase 4" (ontwerp)

7

Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1

Functies en activiteiten

Wonen op de begane grond

Verbod

Ter plaatse van het werkingsgebied 'overige zone - wonen begane grond uitgesloten' is het, in afwijking van het bepaalde in artikel 1.1 sub b, verboden om gronden en/of bouwwerken te gebruiken voor wonen op de begane grondvloer, dan wel ondergronds, met uitzondering van: a. bergingen en entrees, voor zover gelegen op een afstand van minimaal 10 meter van de naar de Koningin Wilhelminaboulevard gekeerde zijde van een gebouw. 4.2

Beoordelingsregels wonen op de begane grond

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen om, in afwijking van het bepaalde in artikel 4.1 aanhef, wonen op de begane grondlaag toe te staan, mits wordt voldaan aan de volgende beoordelingsregels: a. voor zover de functie wonen wordt toegekend op een afstand van maximaal 10 meter van de naar de Koningin Wilhelminaboulevard gekeerde zijde van een gebouw, dient: 1. middels onderzoek aangetoond te worden dat er onvoldoende behoefte bestaat aan de overige op basis van het omgevingsplan ter plaatse toegestane functies c.q. dat de betreffende locatie niet geschikt is voor duurzaam gebruik ten behoeve van de overige op basis van het omgevingsplan ter plaatse toegestane functies. 2. ten minste 75% van de gevellengte van de naar de Koningin Wilhelminaboulevard gekeerde zijde ingevuld te zijn met de overige toegestane functies, zoals onder 1. benoemd; b. de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit dienen te passen binnen de Welstandsnota Noordwijk 2019, dan wel de actualisatie of opvolger van deze nota, waarbij in ieder geval het bouwvlak, voor zover gelegen binnen het bouwperceel, volledig dient te worden bebouwd in de vorm van een gebouw. Voor zover de functie wonen wordt toegekend op een afstand van maximaal 10 meter van de naar de Koningin Wilhelminaboulevard gekeerde zijde van een gebouw, gelden tevens de volgende aanvullende voorwaarden: 1.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=a62a6f5a-fcd6-4286-967c-104f5c9f6063