CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

OBP2 Noordwijk aan Zee - Prins Hendrikweg 17 e.o_Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan ‘Noordwijk aan Zee - Prins Hendrikweg 17 e.o.’13.956 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Noordwijk aan Zee - Prins Hendrikweg 17 e.o. Noordwijk

DATUM IMRO IDN

08-06-2023 NL.IMRO.0575.BPNAZPrHendrik17-ON02

PROJECT PROJECTLEIDER

Noordwijk aan Zee - Prins Hendrikweg 17 e.o.

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Rhodan 401251.20161057

AUTEUR STATUS

ontwerp

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

6

1.4

Leeswijzer

8

Huidige situatie en planbeschrijving

9

2.1

Bestaande situatie

9

2.2

Beoogde situatie

9

2.3

Kwaliteitsverbetering

13

Ruimtelijk beleidskader

15

3.1

Inleiding

15

3.2

Rijksbeleid

15

3.3

Provinciaal beleid

16

3.4

Regionaal beleid

19

3.5

Gemeentelijk beleid

21

3.6

Conclusie

24

Hoofdstuk 4

Onderzoek

25

4.1

Inleiding

25

4.2

Mer-beoordeling

25

4.3

Verkeer en parkeren

26

4.4

Wegverkeerslawaai

27

4.5

Bodem

27

4.6

Grondwater

28

4.7

Luchtkwaliteit

28

4.8

Externe veiligheid

30

4.9

Kabels en leidingen

31

4.10

Bedrijven en milieuzonering

31

4.11

Ecologie

32

4.12

Water

36

4.13

Archeologie en cultuurhistorie

40

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

3/45

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

42

5.1

Algemeen

42

5.2

Inleidende regels

42

5.3

Bestemmingsregels

42

5.4

Algemene regels

43

5.5

Overgangs- en slotregels

43

Uitvoerbaarheid

44

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

44

6.2

Economische uitvoerbaarheid

45

Hoofdstuk 6

4/45

Toelichting

5/45

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Prins Hendrikweg 17 te gemeente Noordwijk is een woonhuis gevestigd. Aangrenzend ligt aan de oostelijke kant een perceel waarop een garage staat. Het betreft de percelen met de kadastrale nummers 4005, 4006 en 3566. De eigenaar is voornemens om de bestaande woning te slopen. Hiervoor in de plaats wil de eigenaar twee nieuwe woningen oprichten. Ten zuiden van deze percelen ligt een groenstrook. De gemeente wil een deel van deze groenstrook toevoegen aan de al aanwezige begraafplaats. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de Prins Hendrikweg, in het duinengebied van Noordwijk aan Zee, gemeente Noordwijk. Het plangebied bevindt zich aan de oostelijke grens van de woonwijk Dobbelmannduin waar veelal vrijstaande villa's gerealiseerd zijn. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een woonperceel en het Dompad. Het plangebied grenst aan de westkant aan het Benedict Noordwijk, het geheel vernieuwde voormalige Hightop Hotel Noordwijk. Aan de zuidelijke kant van het perceel bevindt zich een begraafplaats. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied globaal weergegeven.

Figuur 1.1: Ligging plangebied (bron: Google Earth)

1.3

Vigerende bestemmingsplannen

Bestemmingsplan 'Noordwijk aan Zee'

6/45

Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Noordwijk aan Zee' van de gemeente Noordwijk, onherroepelijk sinds 3 september 2014. In de toelichting van het vigerende bestemmingsplan is in paragraaf 2.4 reeds een aankondiging gemaakt van de beoogde ontwikkeling aan de Prins Hendrikweg. De volgende tekst is opgenomen in het vigerende plan: 'Ad g High Top Hotel aan de Oude Zeeweg 72 en Prins Hendrikweg 19 Er is een verzoek ingediend voor het ontwikkelen van twee percelen, te weten Oude Zeeweg 72 (High Top Hotel) en Prins Hendrikweg 19 (de bijbehorende villa). Geadviseerd is om in het huidige hotel drie appartementen te realiseren en op de twee kavels aan de Prins Hendrikweg vier villakavels te realiseren, rekening houdend met het doorzicht vanuit het Dobbelmannduin en met ruimte aan het Dompad om dit meer toegankelijk te maken. Ook is besproken om eventueel een gedeelte dat grenst aan de begraafplaats aan de gemeente te verkopen om zo ruimte te creëren voor de begraafplaats. In het bestemmingsplan is vooralsnog geen rekening gehouden met het verzoek, omdat eerst overeenstemming over de planologische uitgangspunten en financiering van de herontwikkeling moet zijn verkregen. Dit in het kader van het hotelbeleid'. De voorgenomen plannen passen binnen bovengenoemd kader.

De genoemde vier villakavels hebben namelijk betrekking op de huidige villa, gelegen aan de Prins Hendrikweg 19 en behorend bij het voormalige High Top Hotel en de mogelijkheid nog 3 villa's op het naastgelegen perceel, Prins Hendrikweg 17, te ontwikkelen. Met de voorgenomen plannen worden twee woningen gebouwd ter hoogte van het perceel aan de Prins Hendrikweg 17, één minder dan zoals beschreven in het vigerend bestemmingsplan. Ook wordt er rekening gehouden met het behoud van de doorzichten en de ruimte aan het Dompad. De uitbreiding van de begraafplaats is tevens al benoemd. In het vigerende bestemmingsplan is het meest oostelijke perceel van de twee percelen binnen het plangebied bestemd als 'Groen'. Het westelijke perceel, waar reeds één woonhuis is gevestigd is voorzien van één bouwvlak. De gronden waar de uitbreiding van de begraafplaats voorzien is, zijn ook bestemd als 'Groen'. Voor de beoogde ontwikkeling moet dan ook een nieuw bestemmingsplan worden opgesteld. Paraplu Bestemmingsplan Grondwater Het 'Paraplu Bestemmingsplan Grondwater' is vastgesteld op 12 april 2018. Op de locatie is vanwege dit parapluplan Grondwater een dubbelbestemming 'Waterstaat – Ondergrondsbouwen' van toepassing. Deze dubbelbestemming met maatvoeringen is opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Paraplu Bestemmingsplan Parkeren Dit paraplubestemmingsplan is vastgesteld op 30 mei 2018.

Voor de locatie zijn de relevante bepalingen uit dit parapluplan opgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

7/45

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie beschreven en vervolgens ingegaan op de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 is de gewenste ontwikkeling getoetst aan het relevante rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Vervolgens is in hoofdstuk 4 de toetsing van de gewenste ontwikkeling aan de relevante omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid. Ten slotte is in hoofdstuk 6 de juridische regeling nader toegelicht.

8/45

Hoofdstuk 2 2.1

Huidige situatie en planbeschrijving

Bestaande situatie

In de huidige situatie bestaat het plangebied uit drie percelen. Het westelijke perceel is bebouwd met één woonhuis. Dit woonhuis is gevestigd op de westelijke kant van het perceel, dichtbij het voormalige Hightop Hotel Noordwijk. De woning is in noord-zuid richting geplaatst met de voorgevel richting de Prins Hendrikweg. De west- en noordgrens van het perceel zijn voorzien van veel groen in de vorm van struiken en bomen. Het oostelijke perceel is op dit moment bebouwd met een garage. Er is in de huidige situatie sprake van een graslandschap dat niet gebruikt wordt. Het meest zuidelijke perceel is de groenstrook richting de begraafplaats. De ligging van het plangebied is in figuur 2.1 weergegeven.

Figuur 2.1: Indeling plangebied

2.2

Beoogde situatie

De bestaande woning zal worden gesloopt. In plaats hiervan worden volgens de gewenste ontwikkeling twee vrijstaande woonhuizen gerealiseerd, verdeeld over de twee bestaande percelen aan de Prins Hendrikweg binnen het plangebied. In de beoogde ontwikkeling worden deze percelen onderverdeeld in twee kavels van beide circa 1.500 m2. De derde kavel betreft de meest zuidelijke hoek van het plangebied. Deze zal niet bebouwd worden. Wel is de intentie dat deze hoek wordt ingericht als groenstrook en deels als onderdeel van de al aanwezige begraafplaats.

9/45

2.2.1 Positiebepaling en uitgangspunten twee villa's Voor de invulling van de kavels aan de Prins Hendrikweg te Noordwijk, is door Elberfeld. bureau voor landschap en stedenbouw (juli 2019) een nadere studie verricht naar de exacte positionering van twee mogelijke villa's, zodanig dat optimaal wordt rekening gehouden met de omliggende kavels en woonbebouwing met betrekking tot doorzicht, uitzicht, privacy en mogelijke schaduwwerking. In eerste instantie is onderzocht en in kaart gebracht hoe het terrein in de omgeving verloopt en vanuit welke positie de nieuwbouw kan worden beleefd. Ook zijn er enkele belangrijke uitgangspunten getoetst die eerder door de gemeente zijn meegegeven die betrekking hebben op de mogelijke positionering van de villa's. Reliëf Op dit moment staat op het kavel een villa aan de westzijde en een kleiner bijgebouw aan de oostzijde. Het terrein loopt af van west naar oost. Met name aan de westzijde is het terrein hoger (+20 NAP), naar het oosten richting het Dompad loopt het af tot +13 NAP aan de Prins Hendrikweg en naar het zuiden, richting de begraafplaats loopt het terrein verder af in de structuur van de steilrand. In de nieuwe situatie bij ontwikkeling van de 2 villa's moet deze karakteristiek behouden blijven.

Dit gebeurt door de villa's met bijgebouw op afstand te houden van de Prins Hendrikweg (ervaarbaarheid landschap en reliëf) en van de steilrand (begroeide helling), door het beganegrondniveau en aangrenzende tuin/terras goed op te nemen in de bestaande maaiveldhoogtes en door logische aansluitingen te maken op de Prins Hendrikweg voor een oprit (niet onmogelijk steil). Daarnaast wordt aangegeven dat het Dompad aan de oostzijde met de opgaande begroeiing eromheen waarneembaar en karakteristiek moet blijven.

Figuur 2.2 : bestaande situatie terrein (links) en mogelijk voorstel opbouw terrein en hoogtelijnen (rechts) Landschap In de ontwikkeling staat een optimale beleving van de plek, met de karakteristieken van flinke hoogteverschillen, slingerende wegen met groene bermen, vrijstaande villa's, doorzichten en een aanwezige steilrand (overgang duin - strandvlakte) centraal. De opritten naar de parkeergelegenheid op de eigen kavel is zodanig gepositioneerd dat er zo min mogelijk hoogteverschillen ontstaan, zodat zo min mogelijk keerwanden of andere constructies nodig zijn om de garage te bereiken. Dit houdt het straatbeeld rustig en laat het groen met daarachter een villa bepalend zijn (en niet de erfgrens of de auto-oprit). Op de kavels zijn twee locaties bepaald waar gebouwd kan worden. Daarnaast blijft er voldoende ruimte over voor een groene invulling aan de weerszijden van de kavels en tussen de villa's. Ook is er voldoende ruimte over

10/45

om de steilrand met de karakteristieke helling en (gezonde) begroeiing in tact te houden. Dit is belangrijk voor de beleving vanuit het zuiden (begraafplaats Middengebied). Het aanzicht van de steilrand met veel groen en enkele vrijstaande villa's wordt daarmee gerespecteerd.

Figuur 2.3: groene straat (links) en tuin- en groenstructuur (rechts) (impressie) Doorzicht Een andere karakteristiek op deze plek is het doorzicht. Op deze hoger gelegen plek is het uiteraard een grote kwaliteit om uitzicht te bieden op het (lagere) ommeland. Op dit moment is dat in de openbare ruimte met name vanaf de Dobbelmannduin het geval, komende vanuit het noorden. Ook op de Prins Hendrikweg zelf is, komende vanuit het westen, het ommeland waarneembaar, ware het niet dat de begroeiing van de steilrand hier het uitzicht grotendeels verspert. Behalve vanuit de openbare ruimte, is er een uitzicht vanuit de omliggende hoger gelegen woningen en hun erf. Dit uitzicht of doorzicht is uiteraard een waardevolle karakteristiek die optimaal moet worden gerespecteerd. Gesteld is dat bij de positionering van de nieuwe villa's veel aandacht moet zijn voor de bestaande doorzichten. Zo is er een vrije zone (bestemming 'Tuin') gereserveerd tussen de twee bouwkavels in het verlengde van de Dobbelmannduin. Ook is er een vrije zone (bestemming 'Tuin') richting de buurpanden aan de oost- en westzijde. Er is onderzocht hoe de huidige doorzichten per pand zijn en hoe dit bij de ontwikkeling van de villa's gerespecteerd kan worden (zie bijlage 1 van deze toelichting). Bij de positionering van de twee te realiseren villa's is rekening gehouden met maximaal behoud van uitzicht en doorzichten.

Vanuit de woningen ten noorden van de kavels (hoger gelegen) liggen de nieuwe villa's lager. Eromheen is vrij uitzicht. De bijgebouwen liggen zodanig lager dat hier overheen wordt gekeken.

Figuur 2.4: open doorzicht (links) en bebouwingslijn (rechts) (impressie)

11/45

Schaduwwerking Om verslechtering van schaduwwerking tegen te gaan is een maximale bouwcontour bepaald aan de oost- en westzijde. Deze is gebaseerd op de bestaande bebouwing op de kavel. Aan de westzijde wordt de afstand beduidend groter en daarmee voordeliger voor de buren. Aan de oostzijde is de positie van bestaande bijgebouwtje bepalend. Overigens is aan deze zijde de begroeiing bij het Dompad bepalender voor de schaduwwerking. 2.2.2 Stedenbouwkundige principes In de volgende tekst en afbeeldingen zijn de stedenbouwkundige principes opgesomd. Hierbij zijn de mogelijke posities van hoofd- en bijgebouwen aangegeven, alsmede de opbouw van het groen / tuin. Daarmee is rekening gehouden met behoud van Dompad en aangrenzende groenzone (behoud gezonde bomen en onderbegroeiing voorkomt ongewenste erfafscheidingen en confrontatie met nieuwe privetuin), een berm langs de Prins Hendrikweg, de mogelijke posities van de opritten en bouwvrije zones aan weerszijden van en tussen de villa's. Een vergelijking van het oude uitzicht en het nieuwe uitzicht vanuit de aangrenzende kavels op de situering van de twee te realiseren villa's is in bijlage 1 van deze toelichting vermeld.

Figuur 2.5: uitgangspunten terreinindeling (impressie)

12/45

Figuur 2.6: bouwcontouren op basis van zichtlijnen, schaduwvlakken en rooilijnen (impressie)

2.3

Kwaliteitsverbetering

In het kader van de Verordening Ruimte 2014 dient elk bestemmingsplan waarbij een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, voorzien te zijn van een motivering, bij voorkeur een beeldkwaliteitsparagraaf, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft dan wel verbeterd wordt. Het landschappelijke raamwerk laat nieuwe bebouwing toe, zonder dat het beeld rommelig wordt. Een zorgvuldige vormgeving en positionering van de bebouwing is belangrijk voor de beeldkwaliteit van het landschap. Er wordt, zoals in paragraaf 2.2 is aangegeven, op meerdere manieren rekening gehouden met de beeldkwaliteit van het landschap en de gebouwde omgeving in dit plan: Er wordt rekening gehouden met de noord-zuid zichtlijnen. De nieuwe woningen zullen zo geplaatst worden dat er vrije zichtlijnen blijven; de zuidelijke punt van het plangebied zal in de gewenste ontwikkeling eigendom van de gemeente worden. Dit deel van het perceel zal de bestemming 'Groen' en 'Maatschappelijk' krijgen. Op deze manier is er ruimte voor uitbreiding van de bestaande aangrenzende begraafplaats, met een bufferzone tussen de begraafplaats en de woonpercelen; de te bouwen woningen sluiten aan bij het bestaande beeld in de directe omgeving. In de huidige situatie is er sprake van een verzameling van grote vrijstaande huizen in de omgeving van het plangebied.

Binnen het plangebied wordt deze vorm voortgezet door twee vrijstaande woonvilla's te ontwikkelen; de bouwhoogte wordt 7 meter, waarmee gestuurd wordt op drie bouwlagen, waarvan twee bovengronds en één bouwlaag ((gedeeltelijk) ondergronds. Dit is overeenkomstig met het bestaande bebouwingsbeeld in de omgeving. Ter illustratie is in bijlage 2 van deze toelichting een tabel opgenomen met de toegestane maatvoering van aangrenzende woningen aan de Prins Hendrikweg; door de achterste kavel grotendeels te behouden als groengebied en door een groot deel van het

13/45

plangebied te bestemmen als 'Tuin' blijft ook de groene uitstraling van het plangebied behouden. De overgang naar dit groengebied wordt in het plan versterkt door circa 11 meter van de gronden ten westen van het Dompad te bestemmen als Groen. Omdat de woonwijk is opgebouwd uit vrijstaande villa's, sluit de gewenste ontwikkeling goed aan op de ruimtelijke opbouw binnen de wijk. Deze vrijstaande setting is tevens geborgd in de regels van dit bestemmingsplan Hiermee is de ontwikkeling passend binnen de huidige situatie rondom het plangebied.

14/45

Hoofdstuk 3 3.1

Ruimtelijk beleidskader

Inleiding

Het bestemmingsplan dient getoetst te worden aan het nu geldende rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid nader beschreven.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Natonale Omgevingsvisie (NOVI & Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen we in gebieden komen tot betere, meer geïntegreerde keuzes. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee.

Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen Toetsing De NOVI kent een dusdanig hoog abstractieniveau dat er geen directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma’s op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn. Het Barro kent geen concrete kaders, directe uitgangspunten of uitvoeringsprogramma’s die op het voorliggende bestemmingsplan en de daarin voorziene ontwikkeling van toepassing zijn. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (Rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is in 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6). Hieruit volgt dat alle ruimtelijke besluiten die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, aandacht moeten besteden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

15/45

Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt voor de wijziging is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Toetsing De omvang van het plan, de netto toevoeging van één woning aan de bestaande woonvoorraad, is op basis van jurisprudentie (bijvoorbeeld uitspraken Raad van State 23 december 2015, 201408383/1 en 10 februari 2016, 201505424/1) niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Ook de uitbreiding van de begraafplaats is dermate beperkt dat dit niet aan te merken valt als een stedelijke ontwikkeling. Daarom hoeft dit ruimtelijk plan in principe niet getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Desondanks blijkt uit het feit dat de ontwikkeling van deze woningen een particulier initiatief is dat er een behoefte is aan de woningen. Bovendien worden de woningen geplaatst binnen het bestaand stads- en dorpsgebied.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouw- corporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Daarnaast zijn nieuwe woningen gasloos of energieneutraal of leveren zelfs energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (extreme regenval, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Toetsing Het plangebied ligt in het bestaand stads- en dorpsgebied. De provincie wil de bebouwde ruimte beter benutten.

Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de systemen stedelijke agglomeratie, dorpen en linten en logistiek-industrieel systeem, inclusief de bijbehorende infrastructuur. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Verder blijven ook buiten de bebouwde ruimte nieuwe woon- en werklocaties mogelijk en wenselijk. Het voorliggende plan voorziet in een herontwikkeling waarbij de gronden opnieuw worden ingericht en bebouwd ten behoeve van een bij de wijk passende bebouwing en ten behoeve van de uitbreiding van de al

16/45

aanwezige begraafplaats. Met deze herontwikkeling wordt een kleine bijdrage geleverd aan het opvangen van de (regionale) behoefte aan nieuwe woningen door middel van het opwaarderen van gronden binnen het bestaande stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling draagt daarmee bij aan de provinciale doelstelling 'beter benutten en opwaarderen van wat er is' (speerpunt 1). Ook wordt er door de herontwikkeling van het gebied een bijdrage geleverd aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse (speerpunt 3). Het plangebied is tevens onderdeel van een door de provincie aangewezen 'stads- of dorpsrand'. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van een stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu doordat stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen en er vaak sprake is van vrij uitzicht. In de voorgenomen planontwikkeling is stedenbouwkundig gezien een relatie gezocht met de naastgelegen begraafplaats en het daarachter gelegen open landschap. In hoofdstuk 2 is hier nader op ingegaan.

3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen in Zuid-Holland moeten voldoen. Naar aanleiding van nieuwe wetgeving en/of provinciaal beleid wordt de verordening regelmatig aangepast. De meest recente versie is de geconsolideerde versie van 7 augustus 2021. Voor dit plan is het volgende van belang: Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft de voorkeur aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten en de onderstaande bepaling in de Omgevingsverordening. 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, mits is aangetoond dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Om de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen wordt in het bestemmingsplan rekening gehouden met de beschermingscategorie, het gebiedstype en de relevante richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit, zoals vermeld op kaart 14 in bijlage II en beschreven in de omgevingsvisie, beleidskeuze landschap. 3.

Bij het beantwoorden van de vraag of bij een beoogde ruimtelijke ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan blijven, wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd als bedoeld in het vijfde lid. 4. Een bestemmingsplan kan een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken, mits een zorgvuldige afweging is gemaakt over de locatiekeuze. De motivering gaat in op de beschreven kenmerken en waarden van het gebied en de effecten van de ontwikkeling daarop. Deze vereisten gelden voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling waarbij: a. een of meer richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit in het geding zijn zoals beschreven in de omgevingsvisie beleidskeuze landschap; of b. sprake is van aanpassen of transformatie als bedoeld in het vijfde lid. 5. Een bestemmingsplan kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling onder de volgende voorwaarden:

17/45

a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, waardoor de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In dit geval is er sprake van inpassen; b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen; c. de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Een dergelijke ontwikkeling wordt uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van transformeren. Toetsing Gelet op het karakter van de ontwikkeling is er sprake van inpassen.

De ontwikkeling sluit qua aard en omvang aan bij de bestaande gebiedsidentiteit. Met de ontwikkeling blijft tevens de structuur van de bestaande situatie behouden. Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. 2. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3. Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen.

Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. Toetsing Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling is de ladder voor duurzame verstedelijking het uitgangspunt . De ontwikkeling wordt binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd aansluitend op de huidige locatie. Zoals aangegeven in paragraaf 3.2.2 hoeft de ontwikkeling niet getoetst te worden aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (bijvoorbeeld uitspraken Raad van State 23 december 2015, 201408383/1 en 10 februari 2016,

18/45

201505424/1). Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1 Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Op 24 juni 2009 is de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) door Holland Rijnland vastgesteld. De RSV verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020 met een doorkijk naar 2030. De deelnemende gemeenten werken samen aan ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. Een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio zijn daarbij het streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij een van de speerpunten. Doel is het voorzien in voldoende woningen in gedifferentieerde woonmilieus zodat de regio een topwoonregio in de Randstad wordt. Aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een speerpunt. Ten aanzien van woningbouw zijn de volgende kernbeslissingen geformuleerd: tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden; per gemeente wordt 30% van de woningbouw in de sociale huursector gerealiseerd; Toetsing Noordwijk is onderdeel van de Kustzone die gekenmerkt wordt door een aantrekkelijk woonklimaat, zowel in de kustzone als in het achterland (Noordwijk-Binnen). Dit zorgt voor druk op het woningareaal en de authenticiteit van het gebied.

Noordwijk heeft een eigen woningbouwprogramma om aan de vraag van bestaande inwoners en potentiële nieuwe inwoners te kunnen voldoen. De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van twee (één herbouw plus één extra villa) kwalitatief hoogwaardige woningen. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve taakstelling en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd. De ontwikkeling is passend binnen de RSV. 3.4.2 Regionale woonagenda Holland Rijnland 2022 De Regionale Woonagenda is 14 januari 2022 vastgesteld door het Algemeen Bestuur van Holland Rijnland. Hierin is de regionale woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) beschreven en de bijbehorende planlijst regionaal afgestemd. Woningbouwontwikkelingen in aantallen moeten passen binnen de kaders die de provinciale Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) biedt. Beide prognoses kennen verschillende uitgangspunten, waardoor een bandbreedte voor de woningbehoefte ontstaat. Toetsing Op basis van de WBR is er voor de gehele regio Holland Rijnland een behoefte aan 30.500 woningen voor de periode 2021 tot en met 2030. In de subregio Noord, waar Noordwijk onder valt, is er behoefte aan 6.650 woningen.

19/45

Figuur 3.1: Woningbehoefteraming 2021, periode 2021-2030 De beoogde woningen leveren een bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. 3.4.3 Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (2010) De Intergemeentelijke structuurvisie kan worden gezien als een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie (RSV). In tegenstelling tot de RSV heeft de ISG voor de Duin- en Bollenstreek voor de betreffende gemeenten wel een zelfbindend karakter. De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. Er is namelijk een grote herstructurering van de sector nodig om te overleven in de versterkte internationale concurrentiestrijd. Een herstructurering waar ruimte is voor schaalvergroting en intensivering, maar ook voor sanering. Tegelijkertijd ligt er een belangrijke opgave om verdergaande verrommeling van het kostbare landschap tegen te gaan en de kostbare kwaliteiten van het landschap te verbeteren. Toetsing Deze extra woningbouwopgave van de regionale structuurvisie is een zeer wenselijke impuls voor de sociaaleconomische vitaliteit en ruimtelijke kwaliteit van de gemeenten.

Een toevoeging van woningen geeft een extra impuls aan de noodzakelijke herstructurering van de woningvoorraad en woonomgeving. Een toevoeging van woningen (en daarmee inwoners) draagt bij aan versterking van het draagvlak van maatschappelijke en commerciële voorzieningen en biedt tegenwicht aan teveel ontgroening en vergrijzing in de regio. Tot 2030 betreft de extra woningbouwopgave 5200 woningen. Dit plan voorziet deels in deze woningbehoefte en is daarmee passend binnen dit beleid. 3.4.4 Regionaal afwegingskader woningbouwplannen (RAW) Het regionaal afwegingskader woningbouwplannen (RAW) is het model waarmee regiogemeenten bepalen of een bestemmingsplan sub- of bovenregionale afstemming behoeft en waarmee het plan wordt verantwoord bij de provincie. Gemeenten toetsen hun woningbouwplannen aan het RAW als voor het plan een nieuw bestemmingsplan of een wijziging of herziening van het bestemmingsplan nodig is. Het gaat om zowel plannen uit de (actuele) lijst projecten als om reserveplannen en nieuwe initiatieven. Het resultaat is een dynamische lijst van woningbouwplannen met een realistische planning die jaarlijks wordt gemonitord en besproken. De afstemming is subregionaal of bovenregionaal, de terugkoppeling vindt plaats in het regionale portefeuillehoudersoverleg Ruimte.

Jaarlijks biedt het dagelijks bestuur van de regio na advies van het portefeuillehoudersoverleg Ruimte de actuele planlijst aan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland aan ter verantwoording van bestemmingsplannen. Toetsing Indien het plan past binnen de totale capaciteit die benodigd is voor de woningbehoefte zoals opgenomen in de

20/45

bandbreedte van de WBR en BP is er verder geen (sub)regionale afstemming nodig. 3.4.5 Regionale ambitie energie Binnen de regio Holland Rijnland hebben gemeenten hun ambities en doelstellingen rondom klimaat/energie uitgesproken door het opstellen en ondertekenen van een Energieakkoord. De regionale ambitie is om in 2050 een energie neutrale regio te zijn en daarmee bij te dragen aan de nationale en internationale doelstellingen op het gebied van klimaat en energie. Tevens is afgesproken nieuwbouw niet meer aan te sluiten op het gas, aangezien het aardgas eindig is. Ook wordt energie neutrale bouw gestimuleerd. Toetsing De woningen worden gasloos gerealiseerd.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1 Vigerend bestemmingsplan en afwijkingen In het door de gemeenteraad van Noordwijk vastgestelde vigerende bestemmingsplan 'Noordwijk aan Zee' (onherroepelijk sinds 3 september 2014), zijn de binnen het plangebied gelegen gronden bestemd voor 'Wonen', 'Tuin' en 'Groen' (zie figuur 3.2) Naast deze bestemmingen ligt er op de gronden een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Zoals beschreven in paragraaf 1.3 is in de toelichting van het vigerende bestemmingsplan in paragraaf 2.4 reeds een aankondiging gemaakt van de beoogde ontwikkeling.

Figuur 3.2: Uitsnede verbeelding (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Artikel 6 'Groen' De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groen-, speel-, nuts- en geluidwerende voorzieningen, duinen en natuur, water, fiets- en voetpaden, voorwerpen van beeldende kunst en bergingen ten behoeve van

21/45

wonen. Op de gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat gebouwen slechts ten behoeve van nutsvoorzieningen en bergingen in de vorm van bijgebouwen zijn toegestaan. Er bestaat voor burgemeester en wethouders geen mogelijkheid om de 'Groen' bestemde gronden te wijzigen in 'Wonen' of 'Maatschappelijk'. Een nieuw bestemmingsplan dient derhalve te worden opgesteld. Artikel 10 'Tuin' De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, duinlandschap, in- en uitritten en verkeersareaal ter plaatste van de aanduiding 'ontsluiting'. Op de gronden mogen geen gebouwen en/of overkappingen worden gebouwd. Als uitzondering hierop geldt dat de bouw van een bijbehorend bouwwerk (in de vorm van een erker en/of luifel) ten behoeve van de direct aangrenzende bestemming 'Wonen' aan de voorgevelgrens onder bepaalde voorwaarden is toegestaan. Voor burgemeester en wethouders bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van het toestaan van parkeren. Het is derhalve niet mogelijk een woning te bouwen op deze gronden of om de bestemming te wijzigen naar 'Wonen'. Een nieuw bestemmingsplan dient derhalve te worden opgesteld. Artikel 13 'Wonen' De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en bijbehorende functies als omschreven in het bestemmingsplan.

Hoofdgebouwen en ondergrondse parkeervoorzieningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd. In de gewenste ontwikkeling is het woonhuis op dit perceel buiten het huidige bouwvlak gesitueerd. Artikel 16 'Waarde-Archeologie 2' Voor de gronden ter plaatse van het plangebied is sprake van een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2. De gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor de gronden geldt dat het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 16.4 van de bestemmingsregels bestemmingsvlakken van de bestemming 'Waarde - Archeologie 2' geheel of gedeeltelijk kunnen verwijderen indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden, dan wel dat het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet. Na vaststelling van het bestemmingsplan 'Noordwijk aan Zee' zijn tevens het paraplubestemmingsplan 'Grondwater' en het paraplubestemmingsplan 'Parkeren' vastgesteld. Met deze twee plannen is in dit bestemmingsplan rekening gehouden.

3.5.2 Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Op 12 oktober 2017 is door de gemeenteraad de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 vastgesteld. Met deze visie wordt geanticipeerd op de nieuwe Omgevingswet, maar juridisch gesproken is het een structuurvisie, zoals bedoeld in de Wro. De essentie van de omgevingsvisie is: “Noordwijk is een energieke, duurzame, inspirerende en gastvrije kustplaats met topkwaliteit en allure.” De gemeenteraad heeft op 8 november 2018 de actualisatie van de omgevingsvisie vastgesteld. In de actualisatie zijn onder meer wijzigingen in nieuw vastgesteld regionaal en lokaal beleid opgenomen. Op de beleidsvelden

22/45

Cultuur en Natuur heeft een meer ingrijpende aanpassing plaatsgevonden. In de Omgevingsvisie is uitgesproken dat de gemeente Noordwijk een ambitieus woningbouwprogramma heeft om in te spelen op de verwachte vraag van een grote diversiteit aan doelgroepen. De Noordwijkse woningmarkt is onderdeel van de regionale woningmarkt. Tot 2030 moeten gemiddeld ruim 200 woningen per jaar gebouwd worden in een aantrekkelijke woonomgeving. Uitbreiding van de sociale woningvoorraad is noodzakelijk en wordt geborgd door bij binnenstedelijke projecten en bij nieuwbouw in uitleggebieden, met 3 of meer woningen, het uitgangspunt minimaal 30% ‘sociaal’ (waarvan minimaal 20% sociale huur) te hanteren.

Figuur 3.3: uitsnede uit Kaart Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief met plangebied in rood Duurzaam bouwen Gemeente Noordwijk vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde omgeving. Noordwijk streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. Om duurzaamheid in nieuwbouwplannen te borgen en inzichtelijk te maken stelt de gemeente het instrument "de Gemeentelijke Praktijk Richtlijn Gebouw" (GPR Gebouw) beschikbaar. De gemeente vraagt initiatiefnemers een GPR berekening bij plannen in te dienen. Hiermee is meteen aan de wettelijke eis van de MPG-berekening voldaan (vanaf 1 januari 2018 ook gekwantificeerd). De gemeente ambieert een hoge GPR score voor nieuwbouw ontwikkelingen. Het streven voor nieuwbouwwoningen is nu een gemiddelde score van 8,5 voor energie en milieu (DPG score) en voor de andere thema's een 8. De wettelijke verplichting voor energie, zoals vastgelegd in het huidige Bouwbesluit, komt in woningbouwprojecten overeen met een 7,8.

23/45

Toetsing Het planvoornemen levert een bijdrage aan de benodigde extra woningbouw. Omdat er sprake is van de realisatie van één extra woning is er geen noodzaak sociale woningbouw te realiseren. De woningen zullen daarnaast in ieder geval voldoen aan de gestelde eisen ten aanzien van duurzaamheid zoals vastgelegd in het Bouwbesluit. 3.5.3 Nota Parkeernormen 2020 De Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 is in december 2020 vastgesteld door het college. De gemeente Noordwijk zet in deze Nota Parkeernormen 2020 in op flexibiliteit in de omgang met parkeernormen door meer gebiedsgerichte en meer doelgroep specifieke normen. Zowel het normenkader als het toepassingskader geeft hier invulling aan. Met het benoemde toepassingskader kiest de gemeente ook voor een duidelijke rolverdeling tussen de gemeente en de initiatiefnemer van een nieuwe ontwikkeling of transformatie (wijziging bestemming en/of functie). Toetsing In paragraaf 4.3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de geldende parkeernormen. In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat voldoende parkeerruimte gerealiseerd en in stand gehouden moeten worden ten behoeve van de beoogde woningbouw.

3.6

Conclusie

De conclusie is dat het plan past binnen het gestelde in het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. De ontwikkeling is niet mogelijk binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan en er is geen wijzigingsbevoegdheid bij de betreffende bestemmingen opgenomen om de gewenste ontwikkeling te realiseren. Wel is in de toelichting van het vigerende bestemmingsplan deze ontwikkeling al aangekondigd. Voor onderhavig plan dient een nieuw bestemmingsplan te worden opgesteld. Het beleid staat de uitvoering van deze ontwikkeling niet in de weg.

24/45

Hoofdstuk 4 4.1

Onderzoek

Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

4.2

Mer-beoordeling

Normstelling en beleid In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, zie aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig. Sinds 7 juli j.l. is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden.

Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van een woning en de realisatie van twee nieuwe woningen inclusief een beperkte uitbreiding van de aanwezige begraafplaats. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Gelet op de kenmerken

25/45

van het plan zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de plaats van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van de verschillende milieuaspecten zoals deze in de volgende paragrafen zijn opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk conform het Besluit m.e.r. Voor het ontwerpbestemmingsplan zal het bevoegd gezag besluiten dat geen milieueffectrapportage noodzakelijk is.

4.3

Verkeer en parkeren

Ontsluiting De Prins Hendrikweg wordt ontsloten via de Oude Zeeweg/Beeklaan. Via deze wegen kan de N206 bereikt worden. De Prins Hendrikweg is een rustige éénrichtingsweg. Het is een erftoegangsweg binnen de 30km/u zone waar de fietsers de rijbaan delen met het gemotoriseerde verkeer. Parkeren De gemeente Noordwijk heeft een eigen parkeerbeleid, de Nota Parkeernormen 2020. De parkeerbehoefte van de ontwikkeling kan bepaald worden op basis van deze nota. De nota is gebaseerd op de normen die zijn opgesteld door het CROW. Voor Noordwijk wordt de stedelijkheidsgraad “matig stedelijk” gehanteerd. De ontwikkeling is gelegen in de “Zone B” wat geschaald kan worden in de categorie rest bebouwde kom. Voor vrijstaande woningen wordt een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning gehanteerd. Voor de twee vrijstaande woningen zijn (2 x 2,2 = 4,4) zijn afgerond in totaal 4 parkeerplaatsen benodigd. Deze parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd waar ruim voldoende ruimte is. De uitbreiding van de begraafplaats leidt niet direct tot een aanvullende parkeervraag aangezien de parkeerbehoefte per plechtigheid wordt bepaald. Het aantal plechtigheden zal niet direct toenemen als gevolg van de uitbreiding. In de regels van dit bestemmingsplan (zie artikel 12.1) is een parkeerregeling geborgd die zorgt dat bij vergunningverlening voldoende parkeerplaatsen aangelegd worden.

Verkeersafwikkeling Er zijn geen verkeersintensiteiten bekend van de Prins Hendrikweg. Aangezien het hier een rustige erftoegangsweg betreft wordt verwacht dat de verkeersintensiteit in de huidige situatie zeer beperkt is. De ontwikkeling van de twee woningen hebben een verkeersgeneratie tot gevolg. Deze is berekend op basis van kentallen die afkomstig zijn uit het ASVV 2012 (CROW). Voor deze kentallen zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd als bij parkeren. De verkeersgeneratie bedraagt maximaal 8,6 mvt/etmaal per woning. In totaal bedraagt de verkeersgeneratie (2 x 8,6 = 17,2) afgerond 17 mvt/etmaal. Omdat er reeds een woning aanwezig is, is de toename in verkeersgeneratie afgerond 9 mvt/etmaal. Een dergelijke verkeersgeneratie is dermate beperkt dat deze geen invloed heeft op de verkeersafwikkeling. De uitbreiding van de begraafplaats leidt niet direct tot een aanvullende verkeersgeneratie aangezien de verkeersgeneratie per plechtigheid wordt bepaald. Het aantal plechtigheden zal niet direct toenemen als gevolg van de uitbreiding.

26/45

Conclusie Door de ontwikkeling neemt de verkeersintensiteit op de ontsluitingswegen slechts in geringe mate toe waardoor er geen problemen zullen ontstaan op het gebied van de verkeersafwikkeling. De parkeerbehoefte kan opgevangen worden binnen het plangebied. Het aspect verkeer en parkeren staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

4.4

Wegverkeerslawaai

Normstelling en beleid Woningen zijn op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidsgevoelige functies waarvoor, indien deze gelegen zijn binnen de geluidszone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder geluidszones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging. Onderzoek en conclusie Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Oude Zeeweg met een snelheidsregime van 50 km/uur. Naar aanleiding hiervan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het volledige akoestisch onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3. Uit het onderzoek blijkt dat de berekenende geluidbelasting ten gevolge van de Oude Zeeweg ter plaatse van het plangebied ten hoogste 40 dB Lden (inclusief aftrek). De geluidsbelasting voldoet hiermee aan de grenswaarde van 48 dB Lden. Tevens is in dit akoestisch onderzoek, onderzoek gedaan naar de geluidbelasting in het plangebied ten gevolge van de Prins Hendrikweg en de Dobbelmannduin. Beide wegen zijn 30 km/uur wegen en daarom niet onderzoeksplichtig, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening is toch de geluidbelasting onderzocht.

De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Prins Hendrikweg bedraagt ten hoogste 53 dB Lden (exclusief aftrek). De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Dobbelmannduin bedraagt ten hoogste 44 dB Lden (exclusief aftrek). De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 53 dB Lden (exclusief aftrek). Dit is in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. Het aanvragen van hogere waarden is niet noodzakelijk voor dit bestemmingsplan. Binnen het plangebied wordt voldaan aan de grenswaarde van de gezoneerde Oude Zeeweg. Ook de geluidbelasting ten gevolge van de Prins Hendrikweg en de Dobbelmannduin is aanvaardbaar. Het aspect geluid vormt daarom geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.5

Bodem

Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren).

27/45

Onderzoek en conclusie Om de kwaliteit van de bodem te onderzoeken is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Tijdens dit onderzoek zijn in de grond geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. Tevens zijn op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. Uit het chemisch onderzoek bleek dat de ondergrond niet verontreinigd is, maar dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met PAK en PCB's. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel niet noodzakelijk is. Het grondwater is in het onderzoek niet meegenomen omdat het grondwater zich beneden de 5,5 meter onder maaiveld bevindt. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 4. Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), alsmede de voortzetting van het huidige grondgebruik, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.

4.6

Grondwater

Normstelling en beleid In de winter van 2013/2014 trad grondwateroverlast in Noordwijk aan Zee op. De overlast betrof grondwater in ongeveer 30 kelders van winkelpanden en woongebouwen aan en nabij de Hoofdstraat. Door de inzet van een pompinstallatie en het aanbrengen van drainage is de grondwaterstand langzaam gedaald. Op dit moment treedt nog beperkt grondwateroverlast op, maar bij een langdurig natte periode kan dit wel weer ernstiger worden. Om in de toekomst problemen te voorkomen is door de gemeente Noordwijk besloten specifiek voor ondergrondse bouwwerken nadere regels te stellen. Dit is vastgelegd in het paraplubestemmingsplan Grondwater Noordwijk (vastgesteld 12-04-2018). Onderzoek en conclusie Het grondwaterniveau ligt binnen de kern Noordwijk aan Zee boven de 0 meter +NAP. Anders dan in 'reguliere' bestemmingsplannen wordt de maximale bouwdiepte gerelateerd aan NAP en niet aan het gemiddelde maaiveld. Ter hoogte van het plangebied gelden meerdere toegestane verticale bouwdiepten op basis van het paraplubestemmingsplan. Deze variëren van 4 tot 2 meter +NAP. Onder de beide woningen komen kelders. De gemiddelde hoogte van het maaiveld ter hoogte van de westelijk gelegen woning bedraagt 19 meter +NAP en ter hoogte van de oostelijk gelegen woning 15 meter +NAP.

Omdat er vanaf 9,4 meter +NAP een archeologische onderzoeksplicht geldt (zie paragraaf 4.13) zullen de kelders tot maximaal dit niveau komen. Grondwateronderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.7

Luchtkwaliteit

Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit

28/45

onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1:. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Grenswaarde stikstofdioxide jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ (NO2) fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek Ten opzichte van de huidige situatie neemt het aantal woningen met één toe en wordt de begraafplaats beperkt uitgebreid. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekende mate. Daarmee kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2021 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

Ter plaatse van de dichtstbijzijnde rekenpunten (Oude Zeeweg) wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden. Omdat ter plaatse van de rekenpunten wordt voldaan aan de grenswaarden, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van een weg ligt.

29/45

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat.

4.8

Externe veiligheid

Normstelling en beleid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg

30/45

en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 meter binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Onderzoek Volgens de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl) zijn in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=9c06c851-b8b2-451e-8c01-5b5b8e24a94d