KWIZ Armoedemonitor 2019 Inkomenseffectrapportage en enquete gemeente Noordwijk versie 1.0
Tekst van het document
ARMOEDEMONITOR 2019, INKOMENSEFFECT RAPPORTAGE EN ENQUÊTE GEMEENTE NOORDWIJK
Armoedemonitor 2019, Inkomenseffect Rapportage en enquête gemeente Noordwijk Onderzoek naar de omvang en samenstelling van de doelgroepen voor het gemeentelijke armoedebeleid en het gebruik van inkomensondersteunende regelingen in de gemeente Noordwijk.
Colofon Opdrachtgever Gemeente Noordwijk Datum Oktober 2020 Auteurs Michelle Ellens Tessa Schoot Uiterkamp Databewerking Johan Knol Grafische ondersteuning Senne Trip KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en/ of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ. 1
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Inhoudsopgave Inhoudsopgave .............................................................................................................................. 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 2 Grafische samenvatting ................................................................................................................. 5 Samenvatting................................................................................................................................. 7 1. Minima in beeld ....................................................................................................................... 15 2. Minimakinderen tot 18 jaar in beeld ........................................................................................ 20 3. Minimaregelingen .................................................................................................................... 23 4. Wmo en schuldhulpverlening .................................................................................................. 29 De inkomenseffecten............................................................................................................... 31 6. Enquête: Kenmerken respondenten ....................................................................................... 39 7.
Enquête: Minimaregelingen..................................................................................................... 42 8. Enquête: Kindregelingen ......................................................................................................... 47 9. Enquête: Hulp en ondersteuning ............................................................................................. 50 10. Enquête: Participatie ............................................................................................................. 54 11. Enquête: Sociale contacten................................................................................................... 58 12. Enquête: Welzijn en leefstijl .................................................................................................. 59 13. Enquête: Tips en adviezen .................................................................................................... 62 Bijlage 1. Methodiek Armoedemonitor ........................................................................................ 63 Bijlage 2. Bevolkingskarakteristieken .......................................................................................... 65 Bijlage 3. Kenmerken kinderen ................................................................................................... 66 Bijlage 4.
Kenmerken minima tot 100% Wsm ............................................................................. 67 Bijlage 5. Vergelijking minima 100% ‘oude’ gemeente Noordwijk .............................................. 68 Bijlage 6. Gebruik minimaregelingen naar inkomensbron .......................................................... 69 Bijlage 7. Gebruik per regeling 2014-2019 .................................................................................. 70 Bijlage 8. Methodiek Inkomens Effectrapportage........................................................................ 71 Bijlage 9. Financieel maandoverzicht .......................................................................................... 75 Bijlage 10. Afkortingen ................................................................................................................ 81
1
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Inleiding Gemeenten hebben de zorgplicht om de leefsituatie en het toekomstperspectief van kwetsbare burgers die in armoede verkeren, te verbeteren. Daarnaast hebben zij de taak en het belang om prikkels te geven aan burgers om zoveel mogelijk zelfstandig in hun levensonderhoud te laten voorzien. Het armoedebeleid is ook in de gemeente Noordwijk een actueel thema. Per 1 januari 2019 is de gemeente Noordwijk samengegaan met de voormalige gemeente Noordwijkerhout en De Zilk tot de ‘nieuwe’ gemeente Noordwijk. In 2015 heeft KWIZ een nulmeting uitgevoerd voor de gemeente Noordwijk waarbij het aantal minimahuishoudens in 2014 en het gebruik van de regelingen in beeld zijn gebracht middels een Armoedemonitor. De gemeente heeft in de afgelopen jaren een aantal beleidswijzigingen doorgevoerd en heeft KWIZ daarom gevraagd om een update van de Armoedemonitor uit te voeren. Hiermee wordt ook inzichtelijk hoeveel ‘extra’ minima de gemeente heeft door de samenvoeging met voormalig gemeente Noordwijkerhout en De Zilk. Daarnaast gaat de Armoedemonitor in op een aantal – voor de gemeente - belangrijke thema’s: het aanpakken van de armoedeval en het verkrijgen van inzicht in de omvang van de doelgroep ZZP’ers die in armoede leven. Verder is er inzicht gewenst in de mate waarin de minima ook gebruikmaken van andere voorzieningen in het sociale domein: schuldhulpverlening, Wmo en Jeugdwet.
Tenslotte is de gemeente benieuwd naar de effecten van het beleid op de minima zelf (bijvoorbeeld op maatschappelijke participatie) evenals de mening van de doelgroep over de regelingen. Daarom is ook een enquête onderdeel van dit onderzoek. Om de eventuele armoedeval in beeld te brengen is een Inkomens Effectrapportage opgesteld. Opzet Armoedemonitor De Armoedemonitor beschrijft de doelgroep voor het lokale armoedebeleid aan de hand van een aantal kenmerken. Daarnaast brengt de monitor het gebruik en bereik van de verschillende minimaregelingen in beeld. De gegevens over de omvang en samenstelling van de doelgroep geven de situatie per 31 december 2019 weer (peildatum minimapopulatie), op basis van het inkomen op het Wettelijk sociaal minimum1 (Wsm). Het gebruik van de regelingen is gemeten over het jaar 2019. De cijfers worden (waar mogelijk) vergeleken met die van de Armoedemonitor 2015. Onderzoeksmethode Armoedemonitor De gemeente heeft geen rechtstreekse toegang tot inkomensgegevens van al haar inwoners. Door gebruik van diverse informatiebronnen van gemeentelijke regelingen voor minimahuishoudens, maken we een inschatting van het aantal minimahuishoudens op 31 december 2019. Daarvoor zijn registraties van de volgende voorzieningen gebruikt: de Participatiewet, minimaregelingen, collectieve zorgverzekering en kwijtschelding gemeentelijke belastingen.
Tevens zijn voor dit onderzoek de registraties van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en schulddienstverlening (SDV) via ISD Bollenstreek meegenomen. Met behulp van de Basisregistratie Personen (BRP) zijn de gebruikersgegevens vervolgens op huishoudniveau gegroepeerd. Op deze manier ontstaat een samenhangend beeld van de omvang en samenstelling van de minimapopulatie, de mate van gebruik van voorzieningen en de overlap in het gebruik van voorzieningen op andere beleidsterreinen. Omdat wij niet over inkomensgegevens van alle inwoners beschikken, komt de groep die geen gebruikmaakt van een van bovenstaande regelingen of voorzieningen niet voor in de Armoedemonitor. Wanneer we het in deze monitor hebben over minimahuishoudens zijn dit de huishoudens die we in beeld hebben gekregen via de bovenstaande onderzoeksmethode; daarmee hebben ongeveer 90 tot 95 procent van alle minimahuishoudens in de gemeente in beeld. Het is op basis van de onderzoeksmethodiek niet mogelijk om de ontbrekende 5 à 10 1 Het wettelijk sociaal minimum (Wsm) is het bedrag dat iemand nodig heeft om van te leven. De hoogte
van dit bedrag hangt af van leeftijd en de leefsituatie. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt het bedrag van de bijstandsnormen (Wsm) jaarlijks vast.
2
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
procent nauwkeurig groep in beeld te krijgen – wel doen we een schatting van het aantal minima dat nu niet in beeld is (en daarmee van de totale minimapopulatie). Het is overigens mogelijk dat een deel van die groep ook geen gebruik wil maken van gemeentelijke ondersteuning. De kenmerken van het huishouden zijn gebaseerd op de kenmerken van de oudste persoon in het huishouden. Onderzoeksmethodiek Inkomens Effectrapportage De Inkomens Effectrapportage biedt inzicht in de actuele financiële positie van minima en in de mate waarin het huidige (lokale) beleid een bijdrage daaraan levert. Voor zes verschillende huishoudtypen met vier verschillende inkomens ten opzichte van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm) worden de effecten berekend. Met behulp van landelijke inkomensnormen, landelijke toeslagen en informatie over gemeentelijke regelingen is per huishoudtype het inkomen bepaald. Voor de vaste uitgaven is uitgegaan van cijfers en normen van het Nibud2. Voor andere uitgaven is waar mogelijk gebruikgemaakt van lokale tarieven (zoals huur en waterschapsbelasting). Tenslotte worden de gemeentelijke regelingen omgezet in een maandbedrag. Op die manier ontstaat per huishoudtype een overzicht van de inkomsten en uitgaven per maand.
Onderzoeksmethodiek enquête De doelgroep van het onderzoek bestaat uit inwoners van de gemeente Noordwijk die in 2019 een voorziening hadden vanuit de Participatiewet, een bijstandsuitkering en/of gebruik hebben gemaakt van een van de beschikbare minimaregelingen. Dat zijn in totaal 940 huishoudens 3. De vragenlijsten zijn in juni 2020 verstuurd en inwoners hadden de mogelijkheid om deze online of op papier in te vullen. In de vragenlijst staan de volgende thema’s centraal:
Kennis en gebruik van de (kind)regelingen; Effecten van de regelingen; Hulp en ondersteuning; Participatie; Sociale contacten; Welzijn en leefstijl.
Respons enquête Van de 940 huishoudens die zijn aangeschreven, hebben er 203 de vragenlijst ingevuld: een respons van 24 procent. Dat is net voldoende om betrouwbare uitspraken over de volledige doelgroep te kunnen doen (bij een 90 procent betrouwbaarheidsinterval). Leeswijzer Na de samenvatting waarin de belangrijkste kenmerken van de minimapopulatie visueel worden weergegeven, worden de belangrijkste ontwikkelingen beschreven in de samenvattende analyse. In de daaropvolgende hoofdstukken wordt de minimapopulatie in kaart gebracht, evenals de overlap met de Wmo en schulddienstverlening. Hoofdstuk 5 beschrijft de inkomenseffecten van zowel de landelijke als de lokale inkomensondersteunende regelingen (zoals die in 2020 gelden). In hoofdstuk 6 tot en met 13 wordt per hoofdstuk een thema uit de vragenlijst weergegeven.
2 Het Nationaal instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) is een onafhankelijke stichting die informeert en
adviseert over financiën van huishoudens. 3 Er zijn 940 huishoudens aangeschreven voor de vragenlijst. Dit wijkt af van het aantal minimahuishoudens waarover er in de Armoedemonitor wordt gerapporteerd (925 huishoudens). Dit is een verschil van 15 huishoudens. Het verschil kan worden verklaard door de peildatum waarop de bestanden zijn samengesteld.
3
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
In de bijlagen staan de onderzoeksmethodieken Armoedemonitor en Inkomens Effectrapportage verder uitgeschreven. Daarnaast wordt een aantal achterliggende cijfers weergegeven: kenmerken van alle huishoudens en kinderen, minima tot 100 procent Wsm en aantal huishoudens met een bijstandsuitkering per minimaregeling. Tevens worden de financiële maandoverzichten per huishoudtype weergegeven. Alle landelijke cijfers zijn afkomstig van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en vergelijking met andere gemeenten wordt gedaan op basis van ervaringscijfers van KWIZ. Omdat niet iedere vraag uit de enquête door elke respondent is ingevuld geven we bij de vragen het aandeel per antwoordcategorie weer. Dit is het aantal respondenten dat het antwoord gaf, afgezet tegen alle respondenten die de vraag hebben ingevuld. Daarvoor laten we iedereen die de vraag niet heeft ingevuld buiten beschouwing. Dit komt de leesbaarheid en inhoudelijke analyse ten goede. Bij de titel van de grafiek of tabel geven we weer hoeveel respondenten de vraag hebben beantwoord (N=…). Daarbij tellen de respondenten die de vraag niet hebben ingevuld of waarbij de vraag niet van toepassing was, niet mee. Wanneer er meerdere stellingen of vragen in een grafiek worden weergegeven, dan wordt het laagste aantal respondenten en het hoogste aantal respondenten weergegeven (N=…~N=…).
4
MINIMA IN NOORDWIJK Aantal minimahuishoudens
5%
van de huishoudens hebben een inkomen tot 120% van het Wettelijk sociaal minimum (Wsm), dit zijn 925 huishoudens.
Inkomensbron Inkomensbronnen van de minimahuishoudens in 2019.
37% 43%
925 2019
Bijstand Aantal minimahuishoudens met een bijstandsuitkering in 2019.
Bijstand AOW
20%
399
Overig
Minimakinderen
5%
van alle kinderen tot 18 jaar groeit op in een huishouden met een inkomen tot 120% Wsm, dit zijn 431 kinderen.
2019
431
Langdurige minima 74% In 2019 heeft 74% van alle minima al 3 jaar of langer een minimuminkomen.
Woonplaatsen
Eenoudergezinnen
van alle huishoudens in Noordwijkerhout heeft een inkomen tot 120% Wsm. In Noordwijk is het aandeel minima 4% en in De Zilk 3% van alle huishoudens.
van de eenouder-gezinnen (op huishoudniveau) heeft een inkomen tot 120% Wsm. Kinderen in een eenoudergezin groeien bijna twee keer zo vaak op in een minimahuishouden als kinderen in een huishouden met twee ouders.
5%
13%
Niet-westerse achtergrond
Minimaproblematiek Wmo-voorzieningen
28%
28% Schulddienstverlening 10%
van alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond heeft een inkomen tot 120% Wsm.
Jeugdwet 6%
Minimaregelingen
83%
29%
43%
27%
51%
17%
58%
Kwijtschelding
Bijzondere bijstand
Inspanningspremie
Persoonsondersteunend Budget
Collectieve zorgverzekering
Doe mee regeling
Jeugdfonds Sport & Cultuur
2019 *Het Jeugdfonds Sport & Cultuur valt onder de Doe mee regeling, maar wordt in dit rapport beschouwd als een aparte regeling.
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Samenvatting In deze samenvatting staat een aantal kenmerken van de minimapopulatie in 2019 (huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm). Daarnaast zullen de effecten van het lokale en landelijke beleid worden beschreven en volgen de belangrijkste bevindingen uit de enquête.
S1.1 Bevindingen Armoedemonitor Minimahuishoudens 2019 Op 31 december 2019 heeft de gemeente Noordwijk 925 huishoudens in beeld met een inkomen tot 120 procent Wsm. Zij vormen 4,6 procent van alle huishoudens in de gemeente en dat aandeel minima is lager dan het gemiddeld aantal minima in gemeenten met minder dan 50.000 inwoners (6 à 7 procent). Het aandeel minima tot 100 procent Wsm is 3,2 procent, in totaal 650 huishoudens. Er zijn 399 huishoudens met een bijstandsuitkering, dit is iets minder dan de helft (43 procent) van de 925 minimahuishoudens. In andere gemeenten vormen bijstandsgerechtigden 45 tot 50 procent van de minimapopulatie. Het aandeel huishoudens met een overig inkomen (dat wil zeggen geen bijstandsuitkering en geen AOW-uitkering) ligt in de gemeente Noordwijk iets hoger dan gemiddeld bij andere gemeenten, namelijk 37 procent (340 huishoudens). Bij andere gemeenten is het gemiddeld ongeveer 30 procent. Driekwart van de minimahuishoudens heeft al drie jaar of langer een minimuminkomen, 14 procent is het afgelopen jaar ‘ingestroomd’ in de minimapopulatie. Landelijk is het aandeel langdurige minima de laatste jaren gestegen terwijl de instroom afnam. De verhoudingen in de gemeente Noordwijk passen in dit beeld, al is het aandeel langdurige minima in Noordwijk wel iets hoger dan landelijk (74 procent in Noordwijk tegenover 65 tot 70 procent gemiddeld landelijk).
Vergelijking 2014 Op 31 december 2014 had de voormalige gemeente Noordwijk 519 huishoudens met een inkomen tot 110 procent Wsm in beeld (waarvan 395 een inkomen tot 100 procent Wsm hadden). Dat was 4,1 procent van alle huishoudens. Directe vergelijking met de minimahuishoudens in 2019 is door het samengaan met de gemeente Noordwijkerhout en De Zilk niet goed mogelijk. Vergelijken we echter de cijfers van de voormalige gemeente Noordwijk 2014 met de minima van 2019 die in de plaats (en de ‘oude’ gemeente) Noordwijk wonen dan constateren we dat het aantal bijstandsuitkeringen daar is gestegen met 23 en het aantal minima tot 100 procent is toegenomen met 6 huishoudens. Het totaal aantal minimahuishoudens dat in beeld is, is gestegen van 519 huishoudens in 2014 (inkomen tot 110 procent Wsm) naar 568 in 2019 (inkomen tot 120 procent Wsm). Doelgroepen Eenoudergezinnen hebben vaker een minimuminkomen dan andere huishoudtypen; 13 procent van alle 668 eenoudergezinnen met minderjarige kinderen in de gemeente heeft een inkomen tot 120 procent Wsm (86 huishoudens). Daarnaast zijn huishoudens tot 45 jaar vaker minima dan huishoudens van 45 jaar of ouder. Naar herkomst zijn huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond oververtegenwoordigd onder minima; 28 procent van alle huishoudens met een dergelijke achtergrond heeft een inkomen tot 120 procent Wsm; dit zijn 292 huishoudens.
Dit ligt in lijn met het gemiddelde dat we bij andere gemeenten zien, namelijk ongeveer 30 procent. Van alle huishoudens met een Nederlandse achtergrond in de gemeente heeft 3 procent een minimuminkomen. Daarnaast hebben huishoudens in Noordwijkerhout iets vaker een minimuminkomen dan huishoudens in Noordwijk en De Zilk. Tenslotte heeft de gemeente 35 ZZP’ers in beeld die ook gebruikmaken van het minimabeleid (omdat zij een aanvullende uitkering krijgen of omdat ze gebruikmaken van minimaregelingen).
7
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Minimakinderen tot 18 jaar Op 31 december 2019 heeft de gemeente 431 minimakinderen tot 18 jaar in beeld. Dit zijn kinderen die opgroeien in huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Dit is 5,5 procent van alle kinderen in de gemeente en dat is lager dan het gemiddeld aandeel minimakinderen in gemeenten van vergelijkbare grootte (8 procent). Bijna de helft van deze groep (205 kinderen) groeit op in een huishouden met een bijstandsuitkering. Een op de zeven (14 procent) kinderen in een eenoudergezin groeit op in een minimahuishouden (147 kinderen). Dit is ruim drie keer zo vaak als kinderen in een gezin met twee ouders. Ruim een derde van alle kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond groeit op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm (251 kinderen) en kinderen uit Noordwijkerhout groeien iets vaker op in een minimahuishouden dan kinderen uit andere woonplaatsen (181 kinderen). Regelingen In de volgende figuur staat het bereik per regeling in 2019. Dit is het gebruik van de regeling, afgezet tegen de doelgroep.
In 2019 hebben 540 huishoudens gebruikgemaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Dit betekent dat 83 procent van de doelgroep gebruik heeft gemaakt van de regeling. Dat ligt hoger dan het gemiddelde van 70 à 75 procent dat we bij andere gemeenten vinden; De bijzondere bijstand kent een bereik van 29 procent onder de doelgroep. In 2019 hebben 224 huishoudens een of meerdere verstrekkingen gekregen vanuit de bijzondere bijstand. Hiervan hebben 135 huishoudens (ook) een verstrekking gekregen voor bewindvoering. Het bereik ligt in lijn met het gemiddelde bereik van 25 à 30 procent dat we bij andere gemeenten zien; In 2019 hebben 184 huishoudens gebruikgemaakt van de Inspanningspremie, dit is een bereik van 43 procent van de doelgroep. Het bereik kunnen we niet vergelijken met andere gemeenten, omdat zij een dergelijke regeling anders hebben ingericht 4; Het bereik van het Persoonsondersteunend budget is 27 procent; in 2019 hebben 141 huishoudens gebruikgemaakt van deze regeling. Ook bij deze regeling kunnen we
4 De meeste andere gemeenten kennen de individuele inkomenstoeslag voor inwoners die langdurig
afhankelijk zijn van een minimuminkomen. Voorwaarde is meestal dat inwoners dan 3 jaar of langer een laag inkomen hebben. De gemeente Noordwijk heeft als referteperiode 12 maanden gesteld. Omdat de referteperiode verschilt, kunnen we het bereik niet vergelijken met andere gemeenten.
8
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
het bereik niet vergelijken met andere gemeenten omdat de meeste gemeenten geen direct vergelijkbare regeling kennen; In 2019 hebben 469 huishoudens een zorgverzekering afgesloten via de collectieve zorgverzekering. Dit is een bereik van 51 procent. Dit bereik is hoger dan het bereik van 35 à 40 procent in andere gemeenten. Het relatief hoge bereik kan (deels) worden verklaard doordat de gemeente meerdere zorgpakketten aanbiedt, waarbij het eenvoudige pakket relatief goedkoop is; Er zijn 161 huishoudens die in 2019 gebruik hebben gemaakt van de Doe mee regeling, een bereik van 17 procent. Dit bereik is aanzienlijk lager dan het bereik van vergelijkbare (participatiegerichte) regelingen in andere gemeenten (rond de 40 procent). Een verklaring voor dit relatief laag bereik is dat deze regeling niet breed gecommuniceerd is onder de doelgroep, waardoor deze regeling bij de meeste minima mogelijk niet bekend is; Het Jeugdfonds Sport en Cultuur kent een bereik van 58 procent onder de doelgroep; 248 kinderen hebben in 2019 gebruikgemaakt van het fonds. Hiervan hebben 229 kinderen een aanvraag voor sport gedaan en 29 kinderen voor cultuur. In andere gemeenten zien we een gemiddeld bereik tussen de 35 en 40 procent. Het bereik in de gemeente Noordwijk ligt hier dus ruim boven; Het Jeugdfonds Sport en Cultuur maakt onderdeel uit van de Doe mee regeling.
In totaal hebben 220 huishoudens in 2019 gebruikgemaakt van de Doe mee regeling en/of het Jeugdfonds Sport en Cultuur, waarvan 110 huishoudens van de Doe mee regeling, 148 huishoudens van Jeugdfonds Sport en Cultuur en 38 huishoudens maken van beide regelingen gebruik. Dit betekent een bereik van 24 procent onder alle huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Huishoudens zonder kinderen maken gemiddeld van 1,8 regelingen gebruik. Bij huishoudens met kinderen ligt het gemiddelde gebruik op 2,4 regelingen.
Meervoudige problematieken Een deel van de minimahuishoudens heeft ook andere ondersteuningsvragen: 28 procent heeft een of meerdere Wmo-voorzieningen, 10 procent is in beeld bij de schulddienstverlening en 6 procent van de minimagezinnen heeft een of meerdere kinderen met een voorziening vanuit Jeugdwet. Huishoudens in de gemeente die geen minimuminkomen hebben, maken minder vaak gebruik van een of meer van deze voorzieningen. Bij andere gemeenten zien we een gemiddelde overlap van 25 à 30 procent met Wmo,10 tot 15 procent met de schulddienstverlening en 20 tot 25 procent met de Jeugdwet (op huishoudniveau).
S1.2 Bevindingen Inkomenseffect Rapportage Financieel effect Het bedrag dat minima aan toeslagen vanuit het Rijk kunnen ontvangen is veel hoger dan het bedrag dat ze uit gemeentelijke regelingen kunnen ontvangen. Financieel gezien is de invloed van de gemeente daarom kleiner dan die van het Rijk. De bijdrage vanuit het Rijk neemt voor de meeste huishoudens geleidelijk af bij ieder hoger inkomen. Het recht op de minimaregelingen van de gemeente (behalve de kwijtschelding gemeentelijke belastingen en de Inspanningspremie) vervalt bij een inkomen boven 120 procent Wsm. Het bedrag uit de gemeentelijke regelingen zorgt ervoor dat huishoudens maandelijks meer ruimte overhouden voor het doen van vrije bestedingen. Dit geldt met name voor paren (zowel met als zonder kinderen) met een bijstandsuitkering. Zonder de gemeentelijke regelingen zouden zij een relatief klein budget voor vrije bestedingen overhouden. Het budget dat huishoudens overhouden voor vrije bestedingen verschilt aanzienlijk per huishoudtype en per inkomensniveau. Alleenstaande ouders houden bij elk inkomensniveau het grootste bedrag over voor vrije besteding. 9
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Alleenstaanden (zonder kinderen) houden bij ieder hoger inkomen een groter budget over voor het doen van vrije bestedingen. De andere huishoudtypen hebben bij een inkomen tot 120 procent Wsm een relatief groot budget voor het doen van vrije bestedingen, mede dankzij de gemeentelijke regelingen. Dit leidt er echter wel toe dat deze huishoudens bij het wegvallen van de gemeentelijke regelingen (bij een inkomen hoger dan 120 procent Wsm) een daling in hun vrij besteedbare budget tegemoetzien. Voor alleenstaande ouders is deze daling relatief klein doordat zij bij een hoger inkomen ook een groter bedrag aan toeslagen vanuit het Rijk ontvangen. Voor paren (met en zonder kinderen) is de daling van het vrij besteedbaar budget groter doordat de bijdrage vanuit het Rijk voor hen afneemt bij een hoger inkomen. Voor paren met kinderen is de terugval het grootst: zij hebben bij een inkomen van 130 procent Wsm een kleiner vrij besteedbaar budget dan in de bijstandssituatie. Belangrijk is wel dat deze effecten zijn berekend met het gebruik van alle gemeentelijke regelingen. Uit de Armoedemonitor bleek echter dat de meeste minima van twee of drie regelingen gebruikmaken. En sommigen van geen enkele.
Werken vanuit de bijstand loont meestal Werken loont: wanneer huishoudens in de gemeente Noordwijk vanuit de bijstand gaan werken tegen een loon gelijk aan 110, 120 of 130 procent Wsm gaan zij er in totaal inkomen meestal op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie (mits zij gebruikmaken van alle regelingen en alle toeslagen). Het totaal inkomen bestaat uit het netto-inkomen (inclusief vakantietoeslag), landelijke toeslagen en de gemeentelijke regelingen. Deze vooruitgang in totaal inkomen is echter niet evenredig met de vooruitgang in loon. Landelijke toeslagen lopen terug en het recht op gemeentelijke regelingen vervalt. Voor meerpersoonshuishoudens heeft dit tot gevolg dat zij bij een hoger loon soms toch een lager totaal inkomen hebben. Alleenstaanden gaan er bij iedere vooruitgang in loon (tot 130 procent Wsm) ook in totaal inkomen telkens op vooruit. Voor deze huishoudens leidt een hoger loon dus altijd tot een hoger inkomen. Alleenstaanden gaan er bij ieder hoger inkomen ten opzichte van de bijstandssituatie ook (relatief) het meest van alle huishoudtypen op vooruit. Werken is dus financieel gezien het meest aantrekkelijk voor alleenstaanden. Voor de andere huishoudens is de situatie anders: alleenstaande ouders en paren zonder kinderen hebben bij een loon van 120 procent Wsm een hoger totaal inkomen dan bij een loon van 130 procent Wsm.
Paren met kinderen krijgen bij een loon van 130 procent Wsm te maken met een armoedeval. Voor paren met kinderen is het totaal inkomen bij een loon van 130 procent Wsm enkele tientallen euro’s lager dan in de bijstand. Figuur S1.2.1 Verandering in totaal inkomen t.o.v. 100 procent Wsm bij werkaanvaarding5 110% Wsm
120% Wsm 2%
Alleenstaande
9%
2%
Alleenstaande ouder
6% 1%
Paar zonder kinderen Paar met kinderen
130% Wsm
7%
4%
2% 1%
11%
3%
-2%
5 De percentages in de grafiek zijn (voor de leesbaarheid) afgerond op hele getallen. Daarom zijn niet alle
staven met dezelfde percentages even groot.
10
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Effect beleidswijzigingen sinds 2015 In 2015 heeft KWIZ ook onderzoek gedaan naar de inkomenseffecten van het toenmalige landelijke en lokale beleid (de nulmeting). Sinds 2015 heeft een aantal veranderingen in het lokale en landelijke beleid plaatsgevonden. Ten eerste nemen de bijdragen vanuit het Rijk minder snel af bij een hoger inkomen (huishoudens houden langer recht op hetzelfde bedrag). Daarnaast heeft de overheid de hoogte van de toeslagen verhoogd. Het lokale beleid is ook gewijzigd: inkomensgrenzen zijn verhoogd en er zijn extra regelingen bijgekomen. Dit heeft tot gevolg dat de maximale bijdrage die minima van de gemeente kunnen krijgen in 2020 hoger is dan in 2015. Al deze wijzigingen hebben tot gevolg dat er in 2020 geen armoedeval meer optreedt wanneer minima vanuit de bijstand gaan werken tegen een loon van 110 of 120 procent Wsm. In 2015 kregen paren (met en zonder kinderen) te maken met een armoedeval (een afname in hun totaal inkomen) als zij vanuit de bijstand gingen werken tegen een loon gelijk aan 110 of 120 procent Wsm, en dat is in 2020 dus niet meer aan de orde: werken tegen een dergelijk inkomen loont nu dus wél. Daarnaast gaan alle huishoudens er in 2020 méér op vooruit dan in 2015 wanneer zij vanuit de bijstand gaan werken tegen een loon van 110 of 120 procent Wsm (hun stijging in inkomen is groter geworden).
S1.3 Bevindingen enquête Kenmerken van de respondenten Ruim de helft van de respondenten is tussen de 46 en 66 jaar, een kwart is tussen de 27 en 46 jaar. Meer dan de helft (60 procent) van de respondenten woont alleen, en 18 procent heeft thuiswonende kinderen. Van alle respondenten heeft 53 procent een uitkering van de gemeente, daarnaast heeft 62 procent een chronische ziekte of beperking. Tenslotte maken vrijwel alle respondenten gebruik van de zorg- en huurtoeslag. De meeste respondenten werken niet; zij zijn met pensioen of hebben een bijstandsuitkering. Wel doet 21 procent van de respondenten vrijwilligerswerk, dit zijn met name respondenten met een bijstandsuitkering. Kennis en gebruik van minimaregelingen De respondenten kennen de regelingen voornamelijk via de website of een medewerker van de gemeente. Van alle minimaregelingen is de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen zowel de meeste bekende als de meest gebruikte regeling onder de respondenten. De collectieve zorgverzekering is ook bij de meeste respondenten bekend en bijna 70 procent van de respondenten maakt hier ook gebruik van. Slechts een klein deel (8 procent) van de respondenten maakt van geen enkele regeling gebruik. De voornaamste reden waarom respondenten sommige regelingen niet gebruiken is dan ook dat zij deze regeling(en) niet kennen.
Een deel van de respondenten geeft aan dat zij de informatie over de regelingen niet goed kunnen vinden en niet weten waar zij voor in aanmerking komen. De regelingen die zij niet gebruiken, zouden respondenten vooral helpen om rond te komen en om hun kinderen meer te kunnen laten doen. De regelingen helpen respondenten vooral om rekeningen te kunnen betalen en om huishoudelijke apparaten te kunnen kopen. Dit laatste wordt het vaakst genoemd door respondenten die het Persoonsondersteunend budget/ de Inspanningspremie en/of de Doe mee regeling gebruiken. Bij respondenten die (onder andere) de Doe mee regeling gebruiken, helpen de regelingen ook relatief vaak om kleding te kopen, en om mee te doen aan sportieve, culturele en andere leuke activiteiten. In iets mindere mate dragen de regelingen bij aan het krijgen van noodzakelijke medische zorg. Dit zien we met name onder respondenten die de collectieve zorgverzekering gebruiken. Meer dan de helft van de respondenten heeft wel eens te weinig geld voor sociale behoeften zoals sporten en vrijetijdsactiviteiten. Dit komt nog iets vaker voor onder respondenten die de Doe 11
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
mee regeling gebruiken. Gevraagd naar eventuele regelingen die de respondenten missen, worden het vaakst regelingen voor sporten en voor leuke activiteiten genoemd. Leuke activiteiten die respondenten noemen zijn bijvoorbeeld dagjes uit, sporten of muziek. Meer specifieke regelingen die respondenten nog missen zijn regelingen voor kleding of voor grotere uitgaven zoals huishoudelijke apparaten. Kennis en gebruik kindregelingen Van alle respondenten heeft 18 procent kinderen jonger dan 18 jaar. In de gemeente Noordwijk kunnen gezinnen met kinderen gebruikmaken van vier verschillende regelingen. Van deze regelingen is het Jeugdfonds Sport en Cultuur het meest bekend: 74 procent van de respondenten met kinderen kent deze regeling, 61 procent maakt hier ook gebruik van. De regelingen voor schoolkosten en de fietsregeling zijn bij minder dan de helft van de respondenten met kinderen bekend, mogelijk doordat deze regelingen bedoeld zijn voor een specifieke leeftijdsgroep. De gebruikers van deze regelingen geven aan dat de regelingen hun kinderen met name helpen om lid te worden van een (sport)vereniging of om schoolbenodigdheden te kopen. Sommige dingen blijven echter te duur om te kunnen doen; met name kleding, lidmaatschap en benodigdheden voor een sportvereniging zijn voor relatief veel minima te duur, ook als zij hiervoor het Jeugdfonds Sport en Cultuur gebruiken.
Respondenten missen voor hun kinderen vooral nog een regeling voor leuke activiteiten (bijvoorbeeld een dagje uit of hun verjaardag vieren) en voor reiskosten. Hulp en ondersteuning Meer dan de helft van de respondenten vindt dat de gemeente genoeg doet voor mensen met een laag inkomen, en hoeft niet meer ondersteuning. Respondenten die vinden dat de gemeente niet genoeg doet voor minima lichten toe dat de vergoedingen die zij krijgen niet genoeg zijn om kosten te dekken waardoor zij niet rondkomen. Ook willen zij graag meer informatie van de gemeente over het minimabeleid, en kunnen zij naar eigen zeggen te weinig doen. Respondenten die meer ondersteuning willen vanuit de gemeente, willen voornamelijk meer regelingen en hulp bij het zoeken naar werk. De meeste respondenten (61 procent) hebben geen hulp gekregen van andere maatschappelijke organisaties. De mate waarin respondenten in staat zijn om anderen te helpen wisselt: de helft zegt hier onvoldoende toe in staat te zijn, de andere helft is hier voldoende toe in staat. Op een schaal van 1 tot 10 komt de mate waarin respondenten in staat zijn om anderen te helpen op een 5,1. De meest genoemde drempel waarom respondenten anderen niet kunnen helpen is dat zij zelf een slechte gezondheid hebben. Participatie De respondenten konden de mate waarin zij deelnemen aan de maatschappij aangeven op een schaal van 1 tot 10.
Gemiddeld geven de respondenten hun mate van participatie een 5,6. (39 procent gaf een onvoldoende en 61 procent een voldoende). De meest genoemde drempels waardoor men niet volledig deel kunnen nemen aan de maatschappij zijn weinig geld en een slechte gezondheid. Beiden vormen voor 43 procent van de respondenten een drempel om te participeren. De meeste respondenten bezoeken met enige regelmaat vrienden, familie en buren, driekwart doet dit minstens één keer per maand. Iets meer dan de helft van de respondenten doet wel eens vrijwilligerswerk, waarvan de meesten dit minstens één keer per week doen. Andere activiteiten, zoals culturele activiteiten, volgen van een cursus, of sportactiviteiten, worden door minder respondenten (en minder vaak) gedaan. Wel vinden de meeste respondenten (70 procent) dat de gemeente voldoende tot genoeg mogelijkheden biedt om mee te doen. Daarnaast beoordeelt 39 procent het aanbod van activiteiten in de gemeente als (heel erg) goed, en vindt 49 procent het aanbod aan activiteiten redelijk.
12
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Sociale contacten Vrijwel alle respondenten hebben met enige regelmaat contact met mensen uit hun omgeving. Hierbij gaat het met name om contact met hun ouders of kinderen: 92 procent heeft (in wisselende frequenties) contact met zijn ouders of kinderen, (35 procent heeft meerdere keren per week contacten met ouders/kinderen). Van alle respondenten kan 95 procent in meer of mindere mate voor zichzelf opkomen, en 94 procent vindt zichzelf (min of meer) zelfstandig. Wel ervaart iets meer dan de helft van de respondenten in meer of mindere mate leegte om zich heen. Welzijn en leefstijl Van alle respondenten beoordeelt 42 procent zijn eigen gezondheid als redelijk, 21 procent beoordeelt zijn gezondheid als (heel erg) goed. Aan de andere kant beoordeelt 37 procent de gezondheid als (heel erg) slecht. Bijna driekwart van alle respondenten wordt in meer of mindere mate in het dagelijks leven beperkt door een langdurige ziekte, beperking of aandoening. Respondenten die hierdoor beperkt worden, oordelen ook negatiever over hun eigen gezondheid. De respondenten geven hun geluk gemiddeld een 6,1 als cijfer. Respondenten die aangeven niet te worden beperkt door een chronische ziekte, handicap of beperking zijn gelukkiger en geven een 7,0 als cijfer. Respondenten die wel worden beperkt geven een 5,1.
De meeste respondenten bewegen elke dag minstens 30 minuten, 39 procent eet elke dag voldoende groente en fruit. Daarentegen kijkt 41 procent elke dag minstens 3 uur televisie. De meeste respondenten roken en drinken niet, degenen die wel alcohol drinken doen dit meestal een paar keer per jaar. Tips en adviezen Aan het eind van de vragenlijst konden respondenten tips en adviezen geven voor het minimabeleid van de gemeente. De tips en adviezen die zijn gegeven zijn in te delen in drie categorieën: Uitbreiding van het minimabeleid en de regelingen, door extra regelingen of hogere bedragen per regeling. Bijvoorbeeld een regeling voor grote uitgaven, zoals voor huishoudelijke apparaten of voor opleidings- en reiskosten. Daarnaast willen sommige respondenten hulp bij het vinden van werk; Meer of betere informatie vanuit de gemeente over het minimabeleid en de minimaregelingen. Een deel van de respondenten geeft als tip dat de gemeente meer informatie kan verspreiden over het minimabeleid en mogelijkheden tot ondersteuning. Een aantal respondenten vindt het jammer dat zij de informatie zelf moeten opzoeken of er per toeval achter kwamen dat zij aanspraak maakten op regelingen en ondersteuning. Een soepelere behandeling van een aanvraag en meer maatwerk voor minimaregelingen.
Sommige respondenten geven aan dat een aanvraag te snel wordt afgewezen wanneer zij te veel vermogen hebben, terwijl zij de regelingen wel nodig hebben.
S1.4 Conclusie Minimahuishoudens Het aandeel minimahuishoudens en aandeel minimakinderen is lager dan in andere gemeenten van vergelijkbare grootte. Er zijn relatief weinig minima met de AOW-gerechtigde leeftijd. Onder kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is het aandeel dat opgroeit in een minimagezin (37 procent) een stuk hoger dan onder kinderen met een andere achtergrond. Hetzelfde geldt voor alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond: zij zijn ook oververtegenwoordigd in de minimapopulatie. Zij maken vaker dan gemiddeld gebruik van de verschillende minimaregelingen. Een groot deel (74 procent) van de minimahuishoudens is al langdurig afhankelijk van een inkomen tot 120 procent Wsm en deze groep is groter dan in 2014. Dit komt overeen met de landelijke trends; ook landelijk is er een stijging te zien van de langdurige minima.
13
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
De minimapopulatie (zowel minimahuishoudens als minimakinderen) is niet evenredig verdeeld over de verschillende plaatsen in de gemeente. In Noordwijkerhout is het aandeel minima hoger dan in Noordwijk en De Zilk.
Minimaregelingen De meeste regelingen hebben een goed bereik onder de doelgroep. Al zijn niet alle regelingen even goed bekend bij de inwoners. Voor alle doelgroepen is er een regeling; kindregelingen, participatieregeling voor volwassenen en AOW’ers. De Doe mee regeling kent een lager bereik dan het gemiddelde bereik voor een participatieregelingen bij andere gemeenten. Een mogelijke verklaring voor het relatief lage gebruik kan zijn dat de Doe mee regeling via de gemeente aangevraagd moet worden en de andere regelingen via de ISD Bollenstreek worden verstrekt Tegelijkertijd geeft ruim de helft van de respondenten in de enquête aan dat ze niet altijd kunnen participeren in de maatschappij. Dit komt nog iets vaker voor onder respondenten die de Doe mee regeling gebruiken. Daarnaast missen sommige respondenten een regeling voor sport en activiteiten. Twee derde van de respondenten geeft aan dat ze te maken hebben met een chronische ziekte, beperking of handicap. En (eveneens) twee derde van de respondenten geeft aan dat ze beperkt worden door hun slechte gezondheid. Dit verklaart het hoge gebruik van het duurste pakket van de collectieve zorgverzekering. Tegelijkertijd heeft de gemeente geen specifieke andere regeling voor chronisch zieken. De gemeente (website en medewerkers) is de belangrijkste bron van informatie voor de minimaregelingen.
Tegelijkertijd is een deel van de respondenten ontevreden over de informatievoorziening, vooral omdat zij de informatie zelf moeten opzoeken en de gemeente en de gemeente hen niet actief op de mogelijkheden wijst. Overig Voor paren met kinderen loont werken vanuit de bijstand financieel gezien niet altijd: bij een loon gelijk aan 130 procent Wsm gaan zij er in totaal inkomen op achteruit ten opzichte van de bijstandssituatie. Daarnaast geldt voor paren zonder kinderen en alleenstaanden dat zij bij een loon van 130 procent Wsm een lager totaal inkomen hebben dan bij een loon gelijk aan 120 procent Wsm (mits zij van alle regelingen en toeslagen gebruikmaken). Participatie: Er is voldoende aanbod en dat wordt ook goed beoordeeld. Toch lukt het relatief veel minima niet om mee te doen.
14
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
1. Minima in beeld De gemeente Noordwijk hanteert voor het minimabeleid in beginsel een bovengrens van 120 procent van het Wettelijk sociaal minimum. In dit hoofdstuk beschrijven we de kenmerken en ontwikkelingen van deze doelgroep. We vergelijken een aantal kerncijfers met de cijfers over de minima in 2014. Omdat de gemeente daarna samen is gegaan met de voormalige gemeente Noordwijkerhout en De Zilk, is het niet mogelijk om een goede vergelijking te maken van alle kenmerken van de minimahuishoudens.
1.1. Aantal minimahuishoudens licht gestegen Op 31 december 2019 heeft de gemeente Noordwijk 925 huishoudens in beeld met een inkomen tot 120 procent Wsm. Daarvan wonen er 568 huishoudens in de ‘oude’ gemeente Noordwijk en 357 in de voormalige gemeente Noordwijkerhout en De Zilk. In 2014 had de gemeente Noordwijk 519 minimahuishoudens (met een inkomen tot 110 procent Wsm) in beeld. Het totaal aantal minima in de voormalige gemeente is dus gestegen met 49 huishoudens 6.
1.2. Bijna 5 procent van de huishoudens is minima Op 31 december 2019 heeft de gemeente Noordwijk 925 huishoudens in beeld die aangewezen zijn op een inkomen tot 120 procent Wsm. Deze huishoudens vormen bijna 5 procent van alle huishoudens in de gemeente. Dat is iets minder dan we gemiddeld zien bij gemeenten met minder dan 50.000 inwoners (gemiddeld 6 à 7 procent). Het grootste deel van deze huishoudens (650 huishoudens; 3,2 procent) heeft een inkomen tot 100 procent Wsm. Van alle minimahuishoudens in de gemeente heeft 43 procent (399 huishoudens) een bijstandsuitkering, 20 procent (186 huishoudens) heeft een AOW-uitkering en 340 huishoudens hebben een andere inkomensbron, bijvoorbeeld uit de WW of een kleine (bij-)baan. Vergeleken met andere gemeenten is het aandeel bijstandsgerechtigden in de gemeente Noordwijk iets lager dan gemiddeld (gemiddeld heeft ongeveer 45 à 50 procent van de minimapopulatie een bijstandsuitkering en rond de 30 procent een andersoortig inkomen). Tabel 1.2.1 Huishoudens naar inkomen in Noordwijk Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% 100% tot 110% 110% tot 120% Subtotaal minima in beeld
Aantal 395 124 Onb. 519
2014 % 3,1% 1,0% Onb. 4,1%
Aantal 6507 113 162 925
2019 % 3,2% 0,6% 0,8% 4,6%
Overig Totaal
12.069 12.588
95,9% 100%
19.249 20.1748
95,4% 100%
Tabel 1.2.2 Inkomensbron minima, inkomen tot 120% Wsm 2014 Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
Aantal 235 111 173 519
% 45% 22% 33% 100%
Aantal 399 186 340 925
2019 % 43% 20% 37% 100%
6 In bijlage 5 is er een vergelijking van de minimahuishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm
tussen 2014 en 2019 opgenomen. Hierbij gaat het om de ‘oude’ gemeente Noordwijk. 7 De kenmerken van de huishoudens met een inkomen tot 100 procent Wsm staan beschreven in bijlage 4. 8 In bijlage 2 worden de kenmerken van alle huishoudens in de gemeente Noordwijk weergegeven.
15
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
1.2.2. Ruim de helft van de minimahuishoudens is alleenstaand Het grootste deel (58 procent) van de huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm is alleenstaand en een kwart heeft thuiswonende kinderen. Dit is in lijn met wat we zien bij andere gemeenten van vergelijkbare grootte. 46 procent van de minimahuishoudens is tussen de 45 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd en ruim de helft (56 procent) heeft een Nederlandse achtergrond. 32 procent heeft een niet-westerse migratieachtergrond. Tenslotte woont de grootste groep minimahuishoudens (552 huishoudens) in de plaats Noordwijk. 323 minimahuishoudens wonen in Noordwijkerhout en 29 minimahuishoudens in De Zilk. Gemiddeld gezien hebben eenoudergezinnen en huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een inkomen tot 120 procent Wsm dan andere huishoudens: 13 procent van alle eenoudergezinnen in de gemeente Noordwijk heeft een inkomen tot 120 procent Wsm en 28 procent van alle huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond heeft een minimuminkomen. Onder huishoudens met een Nederlandse achtergrond is dit 3 procent. Naar woonplaats zijn huishoudens in Noordwijkerhout gemiddeld gezien iets vaker minima dan huishoudens in Noordwijk en De Zilk. 5 procent van alle huishoudens in Noordwijkerhout heeft een inkomen tot 120 procent Wsm. Aandeel minimahuishoudens per wijk, inkomen tot 120 procent Wsm
16
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Verdeling naar kenmerken In de volgende tabel staat de verdeling naar diverse kenmerken. We vergelijken de minimapopulatie met alle huishoudens in de gemeente om zo per kenmerk het aandeel minima te kunnen weergeven (in de kolom ‘Aandeel minima t.o.v. alle huish.’). Tabel 1.1.1 Kenmerken minima, inkomen tot 120% Wsm Aandeel 2019 Categorie Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
minima t.o.v. alle
Aantal
%
huish.
534 86 168 137 925
58% 9% 18% 15% 100%
7% 13% 2% 4% 5%
Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal
60 250 429 186 925
7% 27% 46% 20% 100%
8% 5% 5% 3% 5%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
519 114 292 925
56% 12% 32% 100%
3% 4% 28% 5%
Woonplaats Noordwijkerhout Noordwijk De Zilk Totaal
328 568 29 925
36% 61% 3% 100%
5% 4% 3% 5%
* leeswijzer: van de 925 minimahuishoudens is 58 procent (534 huishoudens) alleenstaand. Afgezet tegen alle alleenstaande huishoudens in de gemeente laat de laatste kolom zien dat 7 procent daarvan een minimuminkomen heeft. Onder eenoudergezinnen is dat 13 procent.
1.3. Driekwart van de minimahuishoudens is langdurig minima In 2019 behoorden 683 minimahuishoudens (74 procent) tot de langdurige minima. Dit zijn minima die drie jaar of langer zijn aangewezen op een inkomen tot 120 procent Wsm. Ten opzichte van 2014 is het aandeel langdurige minima aanzienlijk gestegen. In 2014 was 50 procent van alle minimahuishoudens drie jaar of langer afhankelijk van een minimuminkomen. Ook bij andere gemeenten is het aandeel langdurige minima de laatste jaren gestegen. En dit is meestal gepaard gegaan met een afname van de instroom. Ook dat is in de gemeente Noordwijk het geval: 13 procent van de minima in 2019 is in dat jaar ‘ingestroomd’ in de minimapopulatie (2014: 32 procent). Tegelijkertijd komen de huishoudens die tot de minimadoelgroep behoren, moeilijk uit de situatie en blijven langdurig een minimuminkomen houden. Overigens is de algemene verwachting dat het aantal (nieuwe) minima de komende tijd zal stijgen als gevolg van de coronacrisis. AOW’ers, meerpersoonshuishoudens zonder kinderen en huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond zijn vaker dan gemiddeld aangewezen op een minimuminkomen. Huishoudens met een andersoortig inkomen, huishoudens jonger dan 45 jaar en huishoudens met een westerse migratieachtergrond zijn gemiddeld juist het minst vaak langdurig op een minimuminkomen aangewezen.
17
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Tabel 1.3.1 Langdurigheid minimahuishoudens 2014 Langdurigheid Tot en met 1 jaar 1 tot en 3 jaar 3 jaar en langer Totaal
Aantal 166 92 261 519
2019 Aantal % 129 14% 113 12% 683 74% 925 100%
% 32% 18% 50% 100%
Tabel 1.3.2 Kenmerken langdurige minima, inkomen tot 120% Wsm Aandeel langdurige 2019 Categorie Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
minima t.o.v. alle
Aantal
%
minima
325 179 179 683
48% 26% 26% 100%
81% 96% 53% 74%
Huishoudtype Alleenstaand Eenoudergezin Meerpers zonder kinderen Meerpers met kinderen Totaal
406 43 141 93 683
59% 6% 21% 14% 100%
76% 50% 84% 68% 74%
Leeftijdscategorie Tot 27 jaar 27 tot 45 jaar 45 tot AOW-leeftijd AOW-leeftijd Totaal
11 164 329 179 683
2% 24% 48% 26% 100%
18% 66% 77% 96% 74%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
374 76 233 683
55% 11% 34% 100%
72% 67% 80% 74%
1.4. De gemeente heeft 35 ZZP’ers met minimuminkomen in beeld In 2019 stonden 2.240 inwoners van de gemeente als ZZP’ers bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. Dit is 6,8 procent van de beroepsbevolking 9 in de gemeente Noordwijk. Landelijk staat 8,2 procent van de beroepsbevolking ingeschreven als ZZP’er 10. Van de 2.240 ZZP’ers in de gemeente Noordwijk zijn er 35 bij de gemeente in beeld als minimahuishouden; 1,6 procent van alle ingeschreven ZZP’ers. De meeste ZZP’ers die in beeld zijn als minimumhuishouden hebben (voornamelijk) inkomsten vanuit hun ondernemerschap en krijgen geen bijstandsuitkering. Twee derde is een huishouden zonder kinderen en 60 procent heeft een Nederlandse achtergrond.
9 Alle inwoners tussen de 15 en 75 jaar. 10 Bron: CBS.
18
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Tabel 1.4.1 ZZP’ers naar inkomen in de gemeente Noordwijk Inkomenspercentage t.o.v. 2019 Wsm Aantal % Tot 100% 26 1,2% 100% tot 120% 9 0,4% Subtotaal 35 1,6% Overig Totaal
2.205 2.240
98,4% 100%
Tabel 1.4.2 Kenmerken ZZP’ers, inkomen tot 120% Wsm Alle ZZP’ers
2019 Categorie Inkomensbron Participatiewet AOW Ander inkomen Totaal
Aantal
%
Aantal
%
7 7 21 35
20 20 60 100%
Huishoudtype Huishoudens zonder kinderen Huishoudens met kinderen Totaal
22 13 35
63% 37% 100%
1.406 834 2.240
63% 37% 100%
Leeftijdscategorie Tot 45 jaar 45 jaar en ouder Totaal
12 23 35
34% 66% 100%
735 1.505 2.240
33% 67% 100%
Herkomst Nederlandse achtergrond Migratieachtergrond Totaal
21 14 35
60% 40% 100%
1.651 589 2.240
74% 26% 100%
19
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
2. Minimakinderen tot 18 jaar in beeld In dit hoofdstuk geven we het aantal kinderen tussen 0 en 18 jaar weer dat opgroeit in een minimahuishouden.
2.1. Bijna 6 procent van alle kinderen groeit op in minimahuishouden Op 31 december 2019 groeien 431 kinderen op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm, dat is 5,5 procent van alle kinderen in de gemeente Noordwijk. Dit ligt (net als het totaal aantal minimahuishoudens) iets onder het gemiddelde dat we zien bij vergelijkbare gemeenten (8 procent). Het grootste deel van deze kinderen groeit op in een huishouden met een inkomen op bijstandsniveau. Naar inkomensbron groeit 48 procent van deze kinderen op in een huishouden met een bijstandsuitkering en 52 procent in een huishouden met een andersoortig inkomen. Als we het aantal minimakinderen in 2014 van de ‘oude’ gemeente Noordwijk vergelijken met het aantal minimakinderen in 2019 van de ‘oude’ gemeente Noordwijk dan zijn de aantallen als volgt: in 2014 had de gemeente 152 minimakinderen tot 18 jaar in beeld (inkomen tot 110 procent Wsm), in 2019 waren dat er 228 (inkomen tot 120 procent Wsm). Dat is een toename van 76 kinderen. Tabel 2.1.1 Aantal kinderen in (minima)huishoudens Inkomenspercentage t.o.v. Wsm Tot 100% 100 tot 110% 110 tot 120% Subtotaal minima in beeld
Aantal 120 32 Onb. 152
2014 % 2,5% 0,7% Onb. 3,2%
Aantal 280 21 130 431
2019 % 3,6% 0,3% 1,7% 5,5%
Overig Totaal
4.609 4.761
96,8% 100%
7.412 7.84311
94,5% 100%
Tabel 2.1.2 Inkomensbron kinderen in minimahuishoudens, inkomen tot 120% Wsm 2014 Inkomensbron Participatiewet Ander inkomen of AOW Totaal
Aantal 82 70 152
% 54% 46% 100%
Aantal 205 226 431
2019 % 48% 51% 100%
11 In bijlage 3 worden de kenmerken van alle kinderen in de gemeente Noordwijk weergegeven.
20
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
2.2. Kinderen in eenoudergezinnen en kinderen in huishoudens met een niet-westerse migratieachtergrond hebben meer kans op armoede In de gemeente Noordwijk groeien meer minimakinderen op in een huishouden met twee ouders dan in een eenoudergezin (66 procent tegenover 34 procent). Bijna de helft van alle minimakinderen is tussen de 4 en 12 jaar oud en 39 procent is ouder dan 12 jaar. Naar herkomst heeft 58 procent van de minimakinderen een niet-westerse migratieachtergrond en een derde heeft een Nederlandse achtergrond. In de plaats Noordwijk wonen 228 kinderen in een minimahuishouden, dat is ruim de helft van alle minimakinderen in de gemeente Noordwijk. In Noordwijkerhout wonen 181 minimakinderen (42 procent). Kinderen in eenoudergezinnen groeien ruim drie keer zo vaak op in een minimahuishouden als kinderen in een huishouden met twee ouders; 14 procent van alle kinderen in een eenoudergezin groeit op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm. Van alle kinderen met twee ouders is dat 4 procent. Ook kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond groeien vaker op in een minimahuishouden dan gemiddeld; 37 procent van alle kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond woont in een minimahuishouden. Van alle kinderen met een Nederlandse achtergrond groeit 2 procent op in een minimahuishouden.
Tenslotte groeien kinderen in woonplaats Noordwijkerhout vaker op in een minimahuishouden dan kinderen in andere woongebieden. Waar gemiddeld in de gemeente 5 procent van alle kinderen in een minimahuishouden woont, is dat in Noordwijkerhout 7 procent. Aandeel minimakinderen per wijk, inkomen tot 120 procent Wsm
21
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
Tabel 1.1.2 Kenmerken minimakinderen, inkomen tot 120% Wsm Aandeel 2019 Categorie Huishoudtype Eenoudergezin Meerpers met kinderen Totaal
minima t.o.v. alle
Aantal
%
kinderen
147 284 431
34% 66% 100%
14% 4% 5%
Leeftijdscategorie Tot 4 jaar 4 tot 12 jaar 12 tot 18 jaar Totaal
68 196 167 431
16% 45% 39% 100%
4% 6% 6% 5%
Herkomst Nederlandse achtergrond Westerse migratieachtergrond Niet-westerse migratieachtergrond Totaal
141 39 251 431
33% 9% 58% 100%
2% 4% 37% 5%
Woonplaats Noordwijkerhout Noordwijk De Zilk Totaal
181 228 22 431
42% 53% 5% 100%
7% 5% 6% 5%
Een op de vijf minimakinderen krijgt hulp vanuit de Jeugdwet In 2019 hebben 85 kinderen hulp gekregen vanuit de Jeugdwet (JW), dat is 1,1 procent van alle kinderen in de gemeente. In veel andere gemeenten is dat ongeveer 10 procent. Van deze kinderen groeien er 17 (20 procent) op in een huishouden met een inkomen tot 120 procent Wsm. Dit betekent dat 4 procent van alle minimakinderen in 2019 hulp vanuit de Jeugdwet kregen, dat os bijna vier keer zo vaak als andere kinderen (kinderen in huishouden met een inkomen hoger dan 120 procent Wsm). De 17 minimakinderen met een indicatie voor de Jeugdwet zijn verdeeld over 14 huishoudens, oftewel 6,4 procent van de minimahuishoudens met kinderen krijgt hulp vanuit de Jeugdwet. Dit aandeel is aanzienlijk lager dan bij de meest andere gemeenten (gemiddeld 25 à 30 procent). Van de minimakinderen met een indicatie voor de Jeugdwet groeit twee derde op in een huishouden met twee ouders en 53 procent is tussen de 12 en 18 jaar. Naar herkomst heeft twee derde een Nederlandse achtergrond en een derde een migratieachtergrond. Tabel 1.1.3 Aantal kinderen in Jeugdwet naar huishoudinkomen Categorie Kinderen tot 120% Wsm Overige kinderen Totaal
2019 Aantal Aandeel 17 20% 68 80% 85 100%
Aandeel Jeugdwet 4,0% 0.9% 1,1%
Tabel 1.1.4 Aantal huishoudens in Jeugdwet naar huishoudinkomen Categorie Huishoudens tot 120% Wsm Overige huishoudens Totaal
2019 Aantal Aandeel 14 18% 62 82% 76 100% 22
Aandeel Jeugdwet 6,4% 1,4% 1,7%
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
3. Minimaregelingen In dit hoofdstuk geven we het gebruik en bereik van de verschillende minimaregelingen in 2019 weer. Het bereik is het gebruik van het aantal huishoudens in 2019 afgezet tegen de doelgroep. Eveneens brengen we de kenmerken van de gebruikers in kaart.
3.1. Beleidswijzigingen De gemeente heeft sinds 2015 een aantal beleidswijzigingen doorgevoerd. Allereerst is de inkomensgrens van de (meeste) regelingen verruimd van 110 procent Wsm naar 120 procent Wsm. Daarnaast zijn enkele regelingen komen te vervallen, aangepast of ingevoerd. Tenslotte is de gemeente Noordwijk per 2019 samengegaan met gemeente Noordwijkerhout en De Zilk. Om deze redenen is een vergelijking met het bereik van de regelingen in 2014 niet mogelijk. Wel kunnen we de gebruikscijfers op huishoudniveau naast elkaar zetten, dat doen we in bijlage 7.
3.2. Het bereik van de meeste regelingen is gestegen
In 2019 hebben 540 huishoudens gebruikgemaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen. Dit betekent dat 83 procent van de doelgroep gebruik heeft gemaakt van de regeling. Dat ligt hoger dan het gemiddelde van 70 à 75 procent dat we bij andere gemeenten vinden; De bijzondere bijstand kent een bereik van 29 procent onder de doelgroep. In 2019 hebben 224 huishoudens een of meerdere verstrekkingen gekregen vanuit de bijzondere bijstand. Hiervan hebben 135 huishoudens (ook) een verstrekking gekregen voor bewindvoering. Het bereik ligt in lijn met het gemiddelde bereik van 25 à 30 procent dat we bij andere gemeenten zien; In 2019 hebben 184 huishoudens gebruikgemaakt van de Inspanningspremie, dit is een bereik van 43 procent van de doelgroep. Het bereik kunnen we niet vergelijken met andere gemeenten, omdat zij een dergelijke regeling anders hebben ingericht 12; Het bereik van het Persoonsondersteunend budget is 27 procent; in 2019 hebben 141 huishoudens gebruikgemaakt van deze regeling. Ook bij deze regeling kunnen we het bereik niet vergelijken met andere gemeenten omdat de meeste gemeenten geen direct vergelijkbare regeling kennen; In 2019 hebben 469 huishoudens een zorgverzekering afgesloten via de collectieve zorgverzekering. Dit is een bereik van 51 procent. Dit bereik is hoger dan het bereik van 35 à 40 procent in andere gemeenten.
Het relatief hoge bereik kan (deels) worden verklaard doordat de gemeente meerdere zorgpakketten aanbiedt, waarbij het eenvoudige pakket relatief goedkoop is; Er zijn 161 huishoudens die in 2019 gebruik hebben gemaakt van de Doe mee regeling, een bereik van 17 procent. Dit bereik is aanzienlijk lager dan het bereik van vergelijkbare (participatiegerichte)regelingen in andere gemeenten (rond de 40 procent). Een verklaring voor dit relatief laag bereik is dat deze regeling niet breed gecommuniceerd is onder de doelgroep, waardoor deze regeling bij de meeste minima mogelijk niet bekend is; Het Jeugdfonds Sport en Cultuur kent een bereik van 58 procent onder de doelgroep; 248 kinderen hebben in 2019 gebruikgemaakt van het fonds. Hiervan hebben 229 kinderen een aanvraag voor sport gedaan en 29 kinderen voor cultuur. In andere gemeenten zien we een gemiddeld bereik tussen de 35 en 40 procent. Het bereik in de gemeente Noordwijk ligt hier dus ruim boven; Het Jeugdfonds Sport en Cultuur maakt onderdeel uit van de Doe mee regeling. In totaal hebben 220 huishoudens in 2019 gebruikgemaakt van de Doe mee regeling en/of het Jeugdfonds Sport en Cultuur, waarvan 110 huishoudens van de Doe mee regeling,
12 De meeste andere gemeenten kennen de individuele inkomenstoeslag voor inwoners die langdurig
afhankelijk zijn van een minimuminkomen. Voorwaarde is meestal dat inwoners dan 3 jaar of langer een laag inkomen hebben. De gemeente Noordwijk heeft als referteperiode 12 maanden gesteld. Omdat de referteperiode verschilt, kunnen we het bereik niet vergelijken met andere gemeenten.
23
Gemeente Noordwijk
Versie 1.0
148 huishoudens van Jeugdfonds Sport en Cultuur en 38 huishoudens maken van beide regelingen gebruik. Dit betekent een bereik van 24 procent onder alle huishoudens met een inkomen tot 120 procent Wsm. Gebruik en bereik regelingen Tabel 3.2.1 Gebruik en bereik regelingen 2019 Regeling Kwijtschelding Doelgroep Gebruik Bereik