CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

iWKp Bollenstreek - Beleidsmodule nov 22

Gemeenteraadsvergadering 28 maart 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Besluitvorming integraal Waterketenplan Bollenstreek 22-2632.198 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

25

BELEIDSMODULE

IWKP BOLLENSTREEK

BELEIDSMODULE 3.

DROGE VOETEN

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

26

BELEIDSMODULE

3

DROGE VOETEN EN DROOGTE BESTRIJDING

3.1

Beleid voor wateroverlast en klimaatbestendigheid

3.1.1

Algemeen

We weten het allemaal: door klimaatverandering krijgen we vaker en langer te maken met hevige buien, hogere temperaturen en perioden van droogte. Dit is niet alleen een probleem voor de toekomst; het klimaat verandert nu al. De gevolgen uiten zich in materiële, economische en volksgezondheidsschade. De kosten van de klimaatopgave in Nederland (neerslag, schade, droogte) zijn becijferd op €44 miljard tot 2050. Het convenant Klimaatbestendig Bouwen Zuid-Holland is richtinggevend voor de verdere invulling hiervan. Het is aan elke organisatie hoe dit nader uit te werken en zich al dan niet formeel juridisch ook aan dit convenant te committeren.

Wettelijk kader en afbakening voor de waterketen In het Deltaprogramma zijn op basis van de Deltawet 5 deltabeslissingen opgesteld. Hierin staan plannen om Nederland te beschermen tegen hoogwater en zoetwatertekort. De Deltabeslissingen vormen de basis voor het waterbeleid. Het kabinet heeft de beslissingen overgenomen met de vaststelling in de tussentijdse wijziging van het Nationaal Waterplan 2016-2021. Jaarlijks wordt een nieuw Deltaprogramma opgesteld, dat verschijnt tijdens Prinsjesdag van het voorgaande jaar. De volgende 5 deltabeslissingen zijn wettelijk verankerd: 11. Waterveiligheid, met als doel om de kans op een overstroming en de gevolgen hiervan zo klein mogelijk te maken; 12. Zoetwaterstrategie; afspraken omtrent het verdelen van zoetwater voor landbouw, industrie en natuur tijdens droogte. Ook zijn plannen opgenomen om meer zoetwater meer naar droge gebieden te laten stromen; 13. Ruimtelijke adaptatie; afspraken om bij bouwplannen beter te kijken naar de gevolgen van droogte, overstromingen en wateroverlast en hoe de stad koel blijft tijdens heel warme zomers ter mitigatie van de effecten van klimaatverandering; 14. IJsselmeergebied; hierin staat onder andere hoe overtollig water naar de Waddenzee wordt afgevoerd en onder welke voorwaarden het IJsselmeergebied kan dienen als voorraadbuffer voor andere gebieden. 15. Rijn-Maasdelta.

Voor de waterveiligheid in dit gebied is het van groot belang hoe het Rijnwater verdeeld wordt over de Waal, de Nederrijn-Lek en de IJssel. Tot 2050 verandert er volgens deze voorgestelde deltabeslissing niets. De komende jaren wordt besloten of het wijzigen van de afvoerverdeling als optie openblijft voor de periode na 2050.

Het op orde houden van keringen, boezem en polderpeilen is een primaire verantwoordelijkheid voor Rijkswaterstaat en het hoogheemraadschap van Rijnland. De waterketen vormt geen factor in het voorkomen van het falen van keringen én kan daarin ook geen oplossing zijn. Ten aanzien van waterverdeling kan de waterketen alleen anticiperen en de gevolgen van besluiten verzachten (par. 3.1.2). Voor de gemeentelijke watertaken is vooral de 3e Deltabeslissing ten aanzien van Ruimtelijke Adaptatie een belangrijk uitgangspunt voor het iWKp. Het gaat daarbij om het omgaan met teveel of juist een tekort aan water in stedelijk gebied met als gevolg: wateroverlast, droogte en hitte die vervolgens kunnen leiden tot schade aan de volksgezondheid, welvaart en welbevinden. Overheden en marktpartijen zijn samen verantwoordelijk voor de invulling hiervan. Volledigheidshalve wordt vermeld dat de overheid zorgdraagt voor de bewoonbaarheid van het land (grondwet art. 21). Dit is echter geen afdwingbaar recht en geldt vooral voor structureel nadelige gevolgen (art. 3.6). Een incidentele zware hoosbui of overstroming wordt niet gezien als structureel, burgers hebben hierin een eigen risico en verantwoordelijkheid.

In het bestuursakkoord klimaatadaptatie (2018) is afgesproken, dat de gemeenten, waterschappen en provincies uiterlijk in 2020 de klimaatopgaven in beeld hebben gebracht inclusief de noodzakelijke maatregelen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke inrichting. Gezien de reikwijdte van dit beleidsdocument zal vooral worden ingegaan op de invulling van de hemelwater- en grondwaterzorgplichten; waarbij de focus komt te liggen op de gevolgen van extreme neerslag en droogte. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

27

BELEIDSMODULE

3.1.2

Droogtebestrijding

Onze huidige omgang met regenwater en de manier van inrichting leidt samen met het veranderend klimaat en de toenemende verstening tot dalende grondwaterstanden. De waterbalans is door woningbouw, klimaatverandering en verdere ontgroening steeds meer uit balans geraakt. De watervraag uit het stedelijk gebied neemt toe door verdamping, terwijl het wateraanbod vanuit het lokale (grond)watersysteem verder afneemt. Regenwater wordt door de huidige omgang met hemelwater direct naar zee afgevoerd en infiltreert nauwelijks meer in de bodem. Dit kan in het stedelijke gebied leiden tot het afsterven van groen én verzakkingen waardoor huizen op veen of klei onbewoonbaar worden, maar ook tot problemen in de levering van drinkwater. Additioneel leidt een tekort aan water in de stedelijke omgeving tot een stijging van de temperatuur in de stedelijke omgeving (tot wel 8 graden Celsius t.o.v. landelijk gebied). Deze problematiek speelt ook in onze gemeenten. Aanvoer van (meer) oppervlaktewater is daarbij niet altijd de oplossing. Bovenstrooms kampen gemeenten en waterschappen immers met dezelfde problemen. Bovendien wordt door waterschappen en Rijkswaterstaat het water bij droogte verdeeld op basis van de verdringingsreeks. Daarbij wordt met de toenemende watervraag bij droogte vanuit het stedelijk gebied geen rekening gehouden, tenzij het gaat om het voorkomen van funderingsschade.

Belangen gericht op de primaire keringen, drinkwatervoorziening en andere functies gaan voor (zie onderstaande figuur). Gemeenten hebben bij de verdeling van water geen stem.

Figuur 3.1 – verdringingsreeks droogte (bron: InfoMil)

Het stedelijk gebied zal daarom moeten proberen water in natte tijden vast te houden om in droge tijden schade te voorkomen. Idealiter houden we daarbij zoveel mogelijk rekening met de oorspronkelijke waterhuishouding van het kustgebied. In duingebieden infiltreert het water voor het grootste deel én in de overgangsgebieden komt het dichter aan het maaiveld. Om onze stedelijke omgeving aan te passen aan het veranderend klimaat én het watertekort te beperken zijn er drie mogelijkheden: 1. Regenwater vasthouden in de bodem in plaats van afvoeren naar zee; 2. Regenwater benutten als extra waterbron voor de samenleving in plaats van het te beschouwen als schoon afvalwater; 3. Drinkwaterverbruik in de stedelijke omgeving verminderen. Randvoorwaarde is wel dat de grondwaterstanden niet te hoog mogen worden vanwege risico op schimmelvorming en schade aan de volksgezondheid.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

28

BELEIDSMODULE

3.1.3

Maaiveld, riolering en grondwater

Onze stedelijke omgeving in nu zo ingericht dat regenwater wordt ingezameld en getransporteerd naar het oppervlaktewater of de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Veelal gebeurt dit door een ondergronds netwerk van rioolbuizen en bij een gemengd stelsel ook met rioolgemalen. De afvoercapaciteit van dit systeem is beperkt en berekend op een ontwerpnorm van een standaardbui op een leeg stelsel. Grote buien kunnen niet in één oogwenk door de riolering worden afgevoerd maar wordt tijdelijk geborgen op het maaiveld. Klimaatadaptatie Uitgangspunt is dat het stedelijk gebied in de Bollenstreek in 2050 een klimaatbui van T=100 (70 mm in één uur voor het stedelijk gebied kan opvangen. Het regionale watersysteem is nauwelijks gevoelig voor kortdurende en lokale regenbuien. Waterschappen hanteren daarom ook andere uitgangspunten. Overigens geldt voor stedelijk gebied een inundatie-norm van 1 keer in de 100 jaar (NBW, 2008). Gemeenten zullen een minimale schade moeten accepteren. Welke minimale schade wordt geaccepteerd, is een autonome bestuurlijke afweging op basis van het restrisico. Het beschermingsniveau tot waar de gemeente schade en overlast wil voorkomen (niet accepteert) wordt vastgelegd in de beleidsuitwerking voor de zorgplichten. Riolering Voor de ondergrondse infrastructuur houden we vast aan de ontwerpnormen van riolering.

Deze stelsels worden ontworpen op een afvoercapaciteit die er voor garant staat dat er geen wateroverlast op treedt bij neerslag die tot 1 keer per 2 jaar te verwachten is. Van buien met een grotere intensiteit, die minder vaak voorkomen, kan dit niet worden gegarandeerd en zal regenwater tijdelijk geborgen worden op het maaiveld. Vanuit verdroging en duurzaam omgaan met zoet water heeft het de voorkeur om regenwater vast te houden (in de bodem) en langzaam af te voeren. Maaiveld Om ook neerslag groter dan de gehanteerde standaardbui te verwerken, zullen de gemeenten het hemelwater bovengronds afvoeren naar plaatsen waar het geen kwaad kan of tijdelijk kan worden geborgen. Dit betekent dat de rioolbeheerder zich ook bezig zal houden met de ruimtelijke inrichting en bovengrondse renovatieprojecten. Water bovengronds halen of houden biedt ook kansen voor de verfraaiing van de leefomgeving van de inwoners. De ratio is echter vooral, dat bovengrondse mogelijkheden voor het omgaan met hemelwater groter zijn dan de ondergrondse ruimte die sterk onder druk staat van o.a. de warmtetransitie. Het bovengronds afvoeren van hemelwater betekent wel dat er over de projectgrenzen heen gekeken moet worden en vereist een 3D-benadering, want water stroomt van hoog naar laag.

Het maaiveld is daarmee een factor voor de rioolbeheerder om met de wegenbeheerder en groenbeheerder het regenwater te sturen en zo ook de klimaatadaptatie en de kwaliteit van de leefomgeving handen en voeten te geven. Samenhang stedelijk gebied met regionaal watersysteem De kans op zware neerslag in een korte tijd neemt de laatste jaren toe, evenals langdurige forse neerslag. In Nederland ligt het ‘record’ op 131,6 mm per uur (2014) én ook de beelden afgelopen jaar bij forse en langdurige neerslag in Limburg staan ons nog helder voor de geest. Hoewel dit incidenten zijn maakt het duidelijk dat we niet blind moeten vertrouwen op normen, maar ook moeten kijken naar de samenhang tussen regionale watersystemen en lokale stedelijke gebieden. Voor het watersysteem geldt het door Provincies vastgesteld beleid in de verordening van het hoogheemraadschap van Rijnland. Dit wordt tevens afgestemd op het gemeentelijke beleid voor de hemelwater- en grondwaterafvoer. De hieronder opgenomen paragraaf 3.5 beschrijft de afstemming van de hemelwater- en grondwaterafvoer op het watersysteem. Voor het watersysteem is het hoogheemraadschap bevoegd gezag, het te voeren beleid is vastgelegd in de Keur en de onderliggende beleidsregels.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

29

BELEIDSMODULE

3.2

Vasthouden voor fundering, bodemdaling, verdroging en hittebestrijding

3.2.1

Bodemdaling

Bodemdaling in Nederland kan het gevolg zijn van de ontwatering van veengronden, gas- en zoutwinning en tektoniek. Bij tektoniek gaat het maximaal om enkele centimeters per eeuw, bij winningen om enkele decimeters en bij veenbodems gaat het in sommige veengebieden om een daling van meer dan een meter. Voor de Bollenstreek is ook gekeken naar de effecten van bodemdaling op de omgeving, voortkomend uit de ontwatering van veengronden. Bodemdaling kan vooral gevolgen hebben voor de riolering, die gedurende de levenscyclus van de riolering kan gaan zetten. Ook kan het hydraulisch functioneren worden aangetast, aangezien (grond)waterpeilen vaak constant blijven en er minder hydraulische ruimte in het systeem aanwezig is.

3.2.2

Vasthouden in de bodem en waarom

Het maatschappelijk belang voor vasthouden van regenwater in de bodem is duidelijk en betreft samengevat: 1. Het beschikbaar houden van zoetwater voor de drinkwater- en voedselvoorziening (Drinkwaterbesluit; Grondwet artikel 21). Drinkwater in voldoende en goede kwaliteit is van levensbelang; 2. De bewoonbaarheid van woningen en gezondheid bewoners (Grondwet artikel 21 en 22). Door structurele grondwateronderlast of -overlast kan schade ontstaan aan woningen en de gezondheid van de bewoners; 3. Zonder bereikbaar grondwater verdroogt de natuur en het stedelijke groen met als gevolg minder schaduw en een grotere kans op hittestress in de bebouwde kom en veranderende biotopen, verdamping van water kan hittestress aanzienlijk verminderen; 4. Ook veiligheid en beheerkosten kunnen geraakt worden door lagere grondwaterstanden.

De druk op het beschikbare oppervlaktewater en grondwater neemt toe door de volgende drie factoren die deels binnen onze regionale beïnvloedingsfeer liggen. 1. De watervraag in het stedelijk gebied neemt toe door een veranderend klimaat. Hitte en langdurige droogte leiden tot een hogere watervraag van bewoners en de natuur. De grondwaterstanden dalen o.a. door verdamping en mogelijk door lagere oppervlaktewaterpeilen. Dit kan leiden tot zetting of inklinking van de bodem met gevolgen voor woningen die op houten palen staan en verzakking van de ondergrondse infrastructuur (drinkwaterleidingen en riolen). 2. Ook zorgt de toenemende stedelijke verdichting o.a. door de woningbouwopgave vanuit het Rijk voor meer verstening, waardoor de aanvulling van het grondwater met regenwater zonder maatregelen verder afneemt. 3. Daarnaast is onze stedelijke omgeving nu zo ingericht dat regenwater zo snel mogelijk en liefst zo volledig mogelijk wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij onze regenwaterkolken begint daarmee in feite de zee, want daar komt het regenwater terecht.

Samenvattend leidt de toenemende watervraag, de verdere verstedelijking van ons landschap en onze huidige omgang met regenwater tot dalende grondwaterstanden en tot problemen voor drinkwaterwinning, woningen, natuur, biodiversiteit en (groen)beheer. Aanvoer van oppervlaktewater is daarbij niet (meer) de oplossing om watertekorten aan te vullen. De Bollenstreek ligt benedenstrooms in het stroomgebied van de Rijn, staat onder invloed van zoute kwel van de zee en ontvangt als laatste zoet oppervlaktewater. Om toekomstige problemen met zout grondwater en dalende grondwaterstanden voor te zijn, moeten we ons sterk verstedelijkte landschap anders inrichten en zelf voorkomen dat schaars zoet water in de zee verdwijnt. Om ons verstedelijkte landschap aan te passen aan het veranderend klimaat én het watertekort te beperken zouden we meer rekening moeten houden met de morfologie, bodemopbouw en waterhuishouding van het oorspronkelijke kustgebied. Waar mogelijk streven we naar:

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

30

BELEIDSMODULE 1. Regenwater vasthouden in de bodem in plaats van afvoeren naar zee; 2. Regenwater benutten als extra waterbron voor de samenleving in plaats van het te beschouwen als schoon afvalwater; 3. Drinkwaterverbruik in de stedelijke omgeving verminderen. Tot slot als extra motivatie, de bovenstroomse waterschappen en Rijkswaterstaat verdelen het water, dat bij Lobith de grens overkomt. Bij droogte is de verdringingsreeks, waarin staat aangegeven welke functies cruciaal zijn voor de samenleving, leidend. Het stedelijk gebied valt buiten de vier gedefinieerde categorieën. De zorg voor de waterkeringen, drinkwatervoorziening en economie zijn daarin leidend.

3.2.3

Hergebruik regenwater

In de meeste hemelwaterverordeningen en klimaatplannen staat dat men maatregelen moet nemen tot het voorkomen van overlast. Hierbij wordt genoemd dat men op eigen terrein verantwoordelijk is voor het opvangen, bufferen en vertraagd afvoeren van hemelwater ter voorkoming van overlast in het watersysteem. Hierbij wordt niet of nauwelijks gekeken naar hergebruik maar alsnog wordt regenwater naar zee afgevoerd. Dat zou een gemiste kans zijn als men op zoek is naar relatief schoon water voor gebruik in de tuin of zelfs in huis, waar men niet persé schoon drinkwater voor nodig heeft. Zo is het in Nederland toegestaan om regenwater of gezuiverd grijswater (onder de noemer Huishoudwater) te gebruiken voor: • • •

het spoelen van de WC, in de wasmachine of op de buitenkraan.

Door te onderzoeken in welke situatie de toepassing van (regen)water voor hergebruik toepasbaar is, kunnen we bijdragen aan verschillende transities. Klimaat door regenwater op te slaan en vervolgens te voor diverse doelen te gebruiken. Door zuinig en bewust om te gaan met drinkwater waarbij regen of ligt verontreinigd afvalwater wordt gebruikt op plekken waar drinkwater niet perse nodig is. In grotere systemen zou men zelfs een strategische zoetwatervoorraad kunnen realiseren, bijvoorbeeld wanneer men in een specifiek gebied wateroverlast ervaart, zou men door water in de bodem te infiltreren zoetwater kunnen opslaan als strategische voorraden.

3.2.4

Grondwater

3.2.4.1

Grondwaterzorgplicht

Gemeenten hebben een grondwaterzorgplicht, een coördinerende taak om structurele nadelige gevolgen van hoge of lage grondwaterstanden te voorkomen. Ook gelden hiervoor dezelfde verantwoordelijkheden, waarbij elke eigenaar zorg draagt voor de verwerking of handhaving op het eigen grondgebied De gemeente is verantwoordelijk voor het handhaven van het grondwater in openbaar gebied. Alleen als particuliere grondeigenaar zich niet van het grondwater kan ontdoen en van de hoge grondwaterstand structureel nadelige gevolgen ondervindt, dient de gemeente op openbaar terrein maatregelen te nemen. Drainagewater wordt op regie van de gemeente verwerkt. Streven is om – waar mogelijk – de belasting van relatief schoon water op de zuivering zo laag mogelijk te houden en dit water rechtstreeks af te voeren naar de hemelwaterriolering of rechtstreeks naar oppervlaktewater. Het grondwaterbeleid wordt verder uitgewerkt in het afvoerstructuurplan.

3.2.4.2

Grondwatermodel

De effecten van een veranderend klimaat, maar ook de toenemende verharding hebben gevolgen op de grondwaterstanden. Dunea zoekt o.a. om deze redenen, naast nieuwe winbare bronnen (zie paragraaf 2.2: productie en levering drinkwater), naar uitbreiding van de capaciteit van de bestaande winningen bij Berkheide. Ook voor gemeenten kan de toepassing van grondwatermodellen zinvol zijn voor maatregelen gericht op grondwateroverlast of -onderlast. Binnen de regio zijn er grondwatermodellen aanwezig. Vaak zijn deze gebaseerd op een evenwichtsbenadering (stationair), terwijl ook behoefte bestaat aan niet-stationaire (dynamische) modellen. Modellen die droge en natte perioden beter weerspiegelen, of ingrepen bij de bronnen van Dunea of een

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

31

BELEIDSMODULE grondwateronttrekking van een bedrijf. Met niet-stationaire modellen is het daardoor mogelijk om sneller tot inzicht én maatregelen te komen die effectiever zijn.

3.3

Bovengrondse berging en afvoer over maaiveld

Vanuit de hemelwaterzorgplicht ontwerpen gemeenten hun stelsels op een afvoercapaciteit die overeenkomt met een bui met een herhalingstijd van 2 jaar (bui 08) of 5 jaar (bui 09). In module C2150 is aangegeven hoe kan worden omgegaan met overbelasting in bestaand stedelijk gebied. De methode waarmee de bovengrondse berging en -afvoer wordt getoetst zijn maaiveldanalyses op basis van het actueel hoogtebestand Nederland (AHN). In de DoFeMaMe zullen hiervoor toetsingscriteria worden uitgewerkt die bijvoorbeeld inzicht geven in: • • •

De definitie van overlast en de daarbij te onderscheiden categorieën van overlast; De maatgevende bui die op maaiveld en daken kan worden geborgen zonder overlast te veroorzaken; De berging op het maaiveld die beleidsmatig wordt nagestreefd.

Bovenstaande toetsingscriteria worden in een afvoerstructuurplan nader uitgewerkt, zodat voor de gemeente inzicht wordt gegenereerd en voor de bovengrondse berging en –afvoer de locaties worden aangegeven waar: • • • •

Knelpunten optreden; Welke maatregelen in de openbare ruimte moeten worden uitgevoerd; Burgerparticipatie moet worden ingezet; Acties van particulieren nodig zijn al dan niet op basis van verordening.

Figuur 3.2 - gevolgen van extreme neerslag voor het functioneren van de openbare ruimte

Voor de Bollenstreek is het Afvoerstructuurplan van de gemeente Lisse het leidend voorbeeld, dat als blauwdruk dient voor het in beeld brengen van de effecten op klimaatverandering voor de waterpartners. Hierin vindt een doelmatige afweging plaats voor de zorgplichten voor de lange termijn; wordt de burger duidelijkheid gegeven over de resterende risico’s en waar nodig wordt een beroep gedaan op participatie van de burger. Een gerichte aanpak volgt na het doen van onderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan door de gemeente een beschermingsniveau worden vastgesteld, dat wordt gebruikt als basis voor het te voeren beleid in het kader van extreme neerslag en als basis dient voor de risicoverdeling tussen particulier en overheid.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

32

BELEIDSMODULE

3.4

Ondergrondse afvoer naar watersysteem

Zware buien kunnen niet volledig door de riolering worden verwerkt, maar worden tijdelijk geborgen op maaiveld of daken. Het systeem is zo ingericht dat regen voor ca. 90% zonder vertraging wordt afgevoerd via het rioolsysteem. De bodem krijgt geen kans om het regenwater op te nemen. Bij de regenwaterkolk begint bijna letterlijk de zee. Om de “oorspronkelijke” waterbalans in de stedelijke omgeving te herstellen is het streven om 90% van alle neerslag die valt vast te houden in de ondergrond. Met een grondwatermodel kunnen de effectiviteit en de effecten van de maatregelen op de grondwaterstanden worden onderzocht. De methode waarmee de afvoercapaciteit van de riolering wordt getoetst is een water-op-straat berekening op basis van een compleet en actueel rioleringsmodel. Periodiek worden de overstortdrempels gecontroleerd (bijvoorbeeld hoogte en functioneren van terugslagkleppen). In de DoFeMaMe is dit per gemeente nader uitgewerkt. De riolering voert hemelwater versneld af naar het watersysteem. Maatregelen in de riolering hebben effect op het volledige systeem en moeten daarom in samenhang worden bekeken. Wellicht kunnen de waterpartners hieraan bijdragen door de droge-voeten-toets voor hemelwateruitlaten en overstorten (par.3.4) uit te breiden tot een integrale droge-voeten-analyse voor het stedelijk gebied.

3.5

Watersysteem

3.5.1

Toetsing watersystemen

Op basis van de provinciale verordening geeft het hoogheemraadschap invulling aan de controle en borging van de waterveiligheid en bescherming tegen wateroverlast (door inundatie). Met watergebiedsplannen voor de polders worden de eventuele wateropgaven opgespoord en doelmatig opgelost. Hiermee wordt primair de regionale waterkwantiteit veiliggesteld overeenkomstig de geldende normering voor wateroverlast zoals opgenomen in de Waterverordening. Ook de lokale waterkwaliteit wordt onderzocht. Voor iedere polder en de boezem ligt het waterpeil vast in een peilbesluit. In peilbesluiten worden de waterstanden in het oppervlaktewater vastgelegd; dit wordt door het hoogheemraadschap geregeld. Het hoogheemraadschap betrekt particulieren en gemeenten bij de totstandkoming van peilbesluiten. Voor nieuwe initiatieven is het watertoetsproces opgenomen in de Waterwet. Dit proces is als schema opgenomen in Bijlage K.

3.5.2

Droge voeten toets voor hemelwateruitlaten en riooloverstorten

Om te toetsen of het watersysteem de (plaatselijke) aanvoer uit het riool aan kan wordt een droge voeten toets uitgevoerd. Aangezien een bebouwde kom zowel boezemland en/of meerdere polders kan omvatten worden riool-gerelateerde vraagstukken dan ook binnen het beheergebied van het hoogheemraadschap van Rijnland per kern in beeld gebracht. Zowel de huidige situatie als eventueel toekomstige wijzigingen worden getoetst. In Bijlage G is de procedure integraal opgenomen. • • • •

• •

Doel is te controleren of het watersysteem de hoeveelheid rioolwater goed kan afvoeren. De toets geeft overzicht over alle lozingspunten in het stedelijk gebied, ongeacht de ligging in polder- of boezemland. Ook nieuwe lozingspunten3 worden in combinatie met bestaande lozingspunten getoetst. Hiermee is een watervergunning overbodig. Gevraagd wordt om een gedetailleerde benadering, omdat vooraf niet duidelijk is welke oppervlakken op één lozingspunt lozen én omdat vooraf niet duidelijk is of elke duiker voldoende groot is om opstuwing te voorkomen. De berekening wordt door het hoogheemraadschap uitgevoerd, de gemeente bepaalt of levert de omvang van de lozingen per locatie (ha per lozingslocatie op basis van bijvoorbeeld bui 08 of 09). Knelpunten worden afgestemd met de gemeentelijke beleidsuitwerking voor de hemelwaterzorgplicht en met de watergebiedsplannen e.d. van het hoogheemraadschap.

3 Nieuwe ontwikkelingen mogen de bestaande situatie niet verslechteren. Dat betekent bijvoorbeeld dat

nieuwe verharde oppervlakken moeten worden gecompenseerd. Ook kan dat bijvoorbeeld betekenen dat afkoppelen kan leiden tot compensatie INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

33

BELEIDSMODULE

3.5.3

Berging Rekening-Courant

'Teveel' gegraven water wordt met de Berging Rekening-Courant voor later gebruik veiliggesteld, dit draagt bij aan een flexibele en kostenbewuste aanpak. Op polderniveau of op peilvakniveau zou dit kunnen leiden tot samenwerking tussen gemeenten, zodat efficiënter kan worden omgegaan met het grondgebruik binnen het samenwerkingsverband. Voor een klimaatbestendige leefomgeving is een robuust watersysteem noodzakelijk. Ter compensatie van nieuw verhard oppervlak moet extra water worden gegraven. Als er ‘teveel’ water wordt gegraven (overcompensatie) dan kan dit momenteel na drie jaar niet meer worden ingebracht als compensatie voor nieuwe plannen. Dan vervallen de rechten tenzij dit expliciet in een vergunning is vastgelegd. Met een Berging Rekening Courant (BRC) wordt het ‘vooraf’ graven van water gestimuleerd. Een BRC is een waterbalans in de vorm van een overeenkomst tussen het hoogheemraadschap en een gemeente. Dit kan de ontwikkeling van projecten vergemakkelijken, zeker in gebieden waar het realiseren van voldoende oppervlaktewater moeilijk is. Gemeenten beheren, volgens vaste procedures en regels omschreven in de overeenkomst met het hoogheemraadschap, zelf de BRC. Er mag geen negatief saldo ontstaan.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

34

BELEIDSMODULE

IWKP BOLLENSTREEK

BELEIDSMODULE 4.

LEEFOMGEVING EN MILIEU

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

35

BELEIDSMODULE

4

LEEFOMGEVING EN MILIEU (EFFECT OP DE OMGEVING)

4.1

Algemeen

In dit hoofdstuk wordt vooral ingegaan op de doelen die dienen te worden bereikt in de afvalwaterketen om de negatieve effecten op de leefomgeving en het milieu te beperken. Ook wordt ingegaan op de omgang met calamiteiten.

4.2

Milieutechnisch functioneren

Doel is dat de inzameling, transport en zuivering van stedelijk afvalwater in de Bollenstreek niet tot gezondheidsrisico´s, geurhinder of water(bodem)kwaliteitsproblemen leidt. Als afgeleid doel wordt gekeken naar het sluiten van de energie- en grondstoffenkringloop (paragraaf 4.3). In het verleden is al veel bereikt. Het realiseren van de basisinspanning en gericht lozingenbeleid voor afvalwaterzuiveringen draagt bij aan het veiligstellen van de waterkwaliteit. Met de procedure waterkwaliteit overstorten (zie paragraaf 4.2.1) monitoren de waterpartners de waterkwaliteitsknelpunten achter de riooloverstortlocaties.Daarnaast is het huidige beleid gericht op het ontvlechten van schoon hemelwater (paragraaf 2.2.3). Hierdoor zal bijvoorbeeld ook het risico op een E-coli besmetting tijdens een water-op-straat situatie verder afnemen. Gemeenten en hoogheemraadschap realiseren zich dat lozingen vanuit de afvalwaterketen naar het oppervlaktewatersysteem onvermijdbaar zijn en zorgen er gezamenlijk voor dat de effecten op de leefomgeving en het (water)milieu aanvaardbaar zijn. Hiertoe volgen de waterpartners een doelmatige aanpak met kosteneffectieve maatregelen.

4.2.1

Riolering BLBI

Doel is om onnodige emissies als gevolg van te lage overstorten of te hoge inslagpeilen van rioolgemalen te voorkomen. Waterkwaliteitsproblemen als gevolg van de riolering worden door gemeente en hoogheemraadschap gezamenlijk in beeld gebracht. Hiervoor wordt de procedure voor de “smalle” waterkwaliteitsspoor toets gevolgd. In Bijlage I is de procedure waterkwaliteitsspoor overstorten opgenomen. Door toepassing van deze gemeenschappelijke aanpak is een overstortvergunning niet meer nodig. Het hoogheemraadschap neemt hierin het voortouw. Er wordt rekening gehouden met alle functies van het watersysteem zoals bijvoorbeeld zwemwater en eventuele KRW-doelen. De basisinspanning is niet meer maatgevend en heeft tegenwoordig een indicatieve functie. Basis afspraak hierbij is dat wijzigingen in het stelsel minimaal gelijkwaardig zijn (stand stil) en bij voorkeur (waterpositief) een verbetering van de waterkwaliteit dient op te leveren. Voor eventuele kwaliteitsknelpunten worden doelmatige oplossingen gezocht in zowel de riolering als in het watersysteem. Ook voor het verwerken van hemelwater is er een aantal aandachtspunten, zodat het te lozen hemelwater geen significante verslechtering van de kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater veroorzaakt en emissie van vervuilende stoffen op het oppervlaktewater waar mogelijk wordt voorkomen: • • • • • • •

Duurzaam bouwen; Het toepassen van een berm- of bodempassage; Toezicht en controle tijdens de aanlegfase en handhaving tijdens de beheerfase ter voorkoming van verkeerde aansluitingen; Het regenwaterriool uitvoeren met (straat)kolken voorzien van extra zand-/slibvang of zakputten (putten met verdiepte bodem) op tactische plekken in het stelsel; Adequaat beheer van straatoppervlak, straatkolken en zakputten (straatvegen en kolken/putten zuigen); Het toepassen van duurzaam onkruidbeheer; De bewoners, gebruikers en beheerders voorlichten over de werking van de riolering en een juist gebruik hiervan. Bijvoorbeeld het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en repareren en chemische onkruidbestrijding.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

36

BELEIDSMODULE

4.2.2

AWZI / Activiteitenbesluit en maatwerkbesluit

De Rijnlandse afvalwaterzuiveringsinstallaties (AWZI’s) lozen het gezuiverde afvalwater grotendeels op boezemwater. Hoewel een groot deel van de vervuilingen in de AWZI wordt verwijderd is deze lozing toch een relevante bron van voedingsstoffen en vervuilingen. Rijnland stelt zelf de lozingseisen op voor de betreffende effluentlozingen, deze liggen vast in het maatwerkbesluit lozingen AWZI’s. De Rijnlandse lozingsnormen zijn beduidend strenger dan de doorgaans in den lande gehanteerde normen. Dat de normen in de Bollenstreek strenger zijn komt door de aanwezigheid van gevoelige teelten, de voedselrijke grondslag van het gebied en de beperkte beschikbaarheid van kwalitatief schone bronnen in de droge maanden van het jaar.

4.2.3

Ongerioleerde particuliere lozingen / BLAH

Ongerioleerde lozingen, al dan niet voorzien van een IBA, mogen niet tot waterkwaliteitsproblemen leiden. Daarom zijn dergelijke lozingen op gevoelige wateren niet gewenst. Onder gevoelige wateren vallen alle meren en plassen en alle wateren met zwemwater- of natuurfunctie (o.a. Natura 2000, EHSwater(Natuurwerk Nl), KRW-wateren en waterparels). In geval van zwemwater- of natuurfunctie wordt tevens een afstand van 1 km gehanteerd tussen de (‘bovenstroomse’) lozing en het gevoelige water.

Binnen de subregio Bollenstreek liggen de volgende gevoelige wateren: Gemeente

Naam watersysteem (relevante doelstellingen) Alle duinwateren in Zuid-Kennemerland (KRW, Natura 2000 en zwemwater)

Noordwijk

Amsterdamse Waterleidingduinen (KRW en Natura 2000)

Katwijk

Alle duinwateren m.n. in Meijendel en Berkheide (KRW en Natura 2000), Valkenburgsemeer (KRW en zwemwater) en speelvijver Valkenburg (toekomstig zwemwater?)

Noordwijkerhout

Oosterduinse Meer (zwemwater)

Oegstgeest

Klinkenbergerplas (zwemwater), kleine Klinkenbergerplas

Teylingen

Kagerplassen (KRW, EHS-water en zwemwater), ’t Joppe (onderdeel van de Kagerplassen, KRW en zwemwater)

Tabel 4.1 - gevoelige wateren binnen de subregio Bollenstreek

De gemeenten en Rijnland stemmen met elkaar af hoe we nu en in de toekomst omgaan met bestaande en nieuwe ongerioleerde lozingen van huishoudelijk afvalwater. Hiervoor wordt procedure voor ongerioleerde lozingen gevolgd (zie Bijlage H). Voor het uitvoeren van de toets voor ongerioleerde lozingen neemt het hoogheemraadschap het voortouw. Deze afspraken bevatten: • •

Voor de betreffende lozingen wordt nagegaan wat eronder valt en op welke manier het wel of niet kan worden toegestaan; Ruimtelijke ordening: waar ongerioleerde lozingen nu plaatsvinden (huidige situatie) en worden geprojecteerd (wenselijke situatie).

Deze afspraken resulteren in een lijst (adreslocatie, type lozing) en een kaart met invulling van de zorgplicht (waar smal, waar breed) en afspraken op welk moment wordt overgegaan op aansluiting op riool (bijlage C van de module Kringmaatregelen). Dit wordt ontsloten in het nog te ontwikkelen dataportaal (par. 5.3)

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

37

BELEIDSMODULE

4.2.4

Geurhinder

Langere verblijftijden en aanrotting in druk- en persleidingen veroorzaken H2S vorming, wat betonschade, corrosievorming en geurhinder tot gevolg kan hebben, naast dat het gas ook een serieus risico is voor rioolinspecteurs en technici. Een goed ontwerp kan zorgen voor een significante vermindering van natuurlijke vorming van H2S en geurhinder, waardoor onnodige kosten voor geur beperkende maatregelen kunnen worden voorkomen. Dit kan door: • • •

Het voorkomen van lange verblijftijden in druk- en persleidingen; Persleidingen zoveel mogelijk injecteren op persleidingen; Bij aansluiting van persleidingen op een vrijverval riool zorgen voor een verdronken aansluiting.

Doseringen van bijvoorbeeld grote hoeveelheden Nutriox hebben een negatief effect op het functioneren van de zuivering. Emissiemaatregelen voor geur en geluid zijn voor rioolgemalen binnenkort vastgelegd in de Omgevingswet en het activiteitenbesluit. Door het hoogheemraadschap worden gemalen en persleidingen tegen H2S corrosie beschermd en worden geur beperkende maatregelen toegepast. De omvang van deze maatregel hangt af van de kwaliteit van het aangevoerde rioolwater. Er worden geen normen gesteld aan de hoeveelheid H2S die door het rioolstelsel worden geloosd op gemalen en persleidingen. Om de kwaliteit van eindgemalen, persleidingen en aanliggende rioleringsstelsels niet te snel te laten afnemen is het nemen van maatregelen om H2S te voorkomen of te minimaliseren aan te bevelen. Voor de AWZI wordt ook binnenkort vanuit de Omgevingswet een emissienorm voor geur opgelegd. De vastgestelde geurcontouren worden weergegeven in de module kringmaatregelen. Om te voldoen aan de gestelde eisen worden waar nodig op de zuivering geur beperkende maatregelen toegepast. H2S wordt bij binnenkomst op de zuivering afgevangen. Aanrotting van het afvalwater of de aanwezigheid van H2S heeft dan ook geen significant effect op het zuiveringsproces.

4.2.5

Calamiteitenbestrijding

In het kader van calamiteiten- en rampenbestrijding is de Wet Veiligheidsregio’s van toepassing. In het kader van voorbereiding, calamiteiten- en crisisplannen is de veiligheidsregio aan zet en adviseert het bevoegde gezag. Dit is in voorkomende gevallen de burgemeester van de inliggende gemeente, de voorzitter van de veiligheidsregio, de Commissaris der Koning of de minister. Gemeentelijke diensten en het hoogheemraadschap zijn adviserend aan het bevoegde gezag en kunnen uitvoerende taken hebben. Wanneer er dreiging is voor het functioneren van de AWZI of voor de waterkwaliteit wordt het hoogheemraadschap van Rijnland ingeschakeld. Elke dienst dient een eigen calamiteitenplan te hebben, afgestemd met de andere diensten en de veiligheidsregio. Om tijdens een calamiteit voldoende informatie te hebben, worden kaarten gegenereerd met de rioleringen, gemalen, e.d. binnen de gemeente. Ook worden van de verschillende zuiveringen, eindgemalen en watersysteemgegevens weergegeven.

4.2.6

KRW voor overig (stedelijk) water

In de vorige planperiode zijn de lijnen voor ‘Overig water’ verder uitgewerkt. Hieronder valt het merendeel van de watergangen in de polders, maar ook de vele kleine watersystemen op boezemniveau. Vrijwel al het stedelijk water valt ook binnen deze categorie. Parallel aan deze route kunnen gemeenten de mogelijkheden bekijken om binnen het stedelijk gebied de waterkwaliteit te verbeteren. Gemeenten krijgen hierin expliciet ruimte om haar ambities met betrekking tot waterkwaliteit kenbaar te maken en zal worden gezocht naar de verwezenlijking daarvan. Bovenstaande zou kunnen resulteren in een kaart /aanwijzing van (meerdere typen) wateren waar we meer willen en wateren waar we geen extra ambitie hebben. Onderwerpen die aan bod kunnen komen en waarover afspraken gemaakt kunnen worden, zijn o.a.: • • • • •

Inrichting (bijv. oevers, locatie hwa-lozingen, overbrugging/overkluizing); Onderhoud (bijv. baggeren en maaien watergangen en oevers); Beheer; Monitoring (wat gaan we waar en hoe vaak meten - en waarom); Emissies binnen stedelijk gebied (bijv. bestrijdingsmiddelengebruik en toepassing van bouwmaterialen).

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

38

BELEIDSMODULE Dit betreft een open overleg waarvoor geen procedure wordt opgesteld. Hierin neemt het hoogheemraadschap het voortouw.

4.2.7

Schadelijke microverontreinigingen

Per AWZI is bepaald of ze een ‘hot-spot’ zijn voor Schadelijke Microverontreinigingen. Afhankelijk van nut en noodzaak worden maatregelen benoemd in de module kringmaatregelen van dit iWKp. Voorbeelden van microverontreinigingen zijn: micro plastics, nano deeltjes, Pfos/pfas, medicijnresten, hormoonstoffen en bestrijdingsmiddelen. Er zijn nog geen emissie-opgaven voor al deze stoffen. Het effect van veel van deze stoffen op het (aquatisch) ecosysteem is niet altijd voldoende duidelijk/bewezen. De wetgever focust op preventie/voorkomen van vervuiling. Een eenduidige boodschap helpt de burger in het nemen van verantwoordelijkheid in het eigen gedrag. De komende iWKp-periode zetten alle ketenpartners zich in om de communicatie over ‘wat wel en niet in het riool’ weer onder de aandacht te brengen, dit is ‘oude informatie’ maar niet minder waar. Het hoogheemraadschap van Rijnland oriënteert zich op zowel preventiemaatregelen als end of pipe verwijdering op de AWZI’s. Gedacht wordt hierbij aan het volgende. Er wordt gestreefd naar participatie door burgers en ziekenhuizen of zorginstellingen, waarbij bewustwording voor geneesmiddelen en reinigingsmiddelen prioriteit heeft. Ook hierin wordt gezocht naar een ketenaanpak door inzameling van geneesmiddelen via apothekers en gemeenten.

Ook wordt gezocht naar mogelijkheden om microverontreinigingen zoveel mogelijk te concentreren naar grotere AWZI’s. Dit kan worden bewerkstelligd door bijvoorbeeld meer ziekenhuizen naar dezelfde AWZI te laten afvoeren en de zuivering aan te passen aan dit afvalwater. Gemeenten richten zich op de vuillast vanuit de overstorten van de gemengde riolering. Bij terugdringing van deze vuillast door continuering van het ontvlechtings-/afkoppelbeleid wordt voorkomen dat huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater met een breed palet aan bekende en opkomende verontreinigingen in het milieu terecht komen. Bij overstorten uit de gemengde riolering gaat het om incidentele situaties. Er is pas een riooloverstort op het moment dat regenbui groter is dan de berging in de riolering. Door de aanleg van hemelwaterleidingen én afvoer van hemelwater over het maaiveld vermindert de belasting van het afvalwater uit de huishoudens en bedrijven op het oppervlaktewater. De aandacht zal zich door het succes van het ontvlechtings-/afkoppelbeleid gaan verleggen naar de impact van hemelwaterafvoer op het oppervlaktewater. Hemelwaterstelsels lozen zonder berging afstromend regenwater van daken, groen en wegen op het oppervlaktewater. Dit afstromende hemelwater is schoner, maar niet schoon. Lokaal zijn maatwerkoplossingen mogelijk (zie paragraaf 4.2.1 Riolering BLBI).

Bovendien ligt in de lijn der verwachting dat het vasthouden van hemelwater in de bodem om droogte te bestrijden (zie paragraaf 3.2) het negatieve effect van vervuiling van oppervlaktewater via afstromend regenwater deze impact zal verkleinen. Het maatschappelijke belang om wateroverlast en schade aan gezondheid en bezit in de bebouwde omgeving te voorkomen weegt niettemin zwaarder dan de mogelijk negatieve beïnvloeding van de waterkwaliteit door afstromend hemelwater!

4.3

Duurzaamheid

4.3.1

Algemeen

Een duurzame afvalwaterketen vraagt om energiebesparingen, lagere of geen emissie broeikasgassen en terugwinning van bijvoorbeeld energie-, grondstoffen- en CO2. Ook het zuinig en bewust omgaan met drinkwater hoort hierbij. Afvalwater wordt hierin niet meer gezien als afval, maar wordt beschouwd als een bron van grondstoffen (zoals organische stof, energie, fosfaat en water). Het dagelijkse beheer en onderhoud, en de inrichting van nieuwe werken, zijn erop gericht om een duurzaam (afval)watersysteem te creëren in samenwerking met de waterpartners. Het betrekken van de afvalwaterketen bij invulling van duurzaamheidsopgaven voor bestaand stedelijk gebied en stedelijke vernieuwing biedt kansen. De regionale omgevingsvisie helpt om deze kansen concreet te maken. In deze paragraaf volgen een aantal voorbeelden. Een ambitie is het verkleinen van de CO 2 voetafdruk voor de afvalwaterketen.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

39

BELEIDSMODULE

4.3.2

Waterscan

In de nieuwe benadering van het watersysteem wordt gesproken over passend gebruik van water, hiermee wordt bedoeld dat men voor een specifiek proces de juiste kwaliteit water gebruikt, dus geen drinkwater om de planten water geven. Om hier inzicht in te krijgen gaan de waterbedrijven het gesprek aan met o.a. de zakelijke klant, met deze klant wordt dan het bedrijf doorgelicht en gekeken of het drinkwater dat men gebruikt wel passend is. Dit gesprek of de onderliggende methode noemt men een waterscan. Dunea heeft hiervoor een methode ontwikkeld waarbij zowel intern als extern gebruik van water in beeld gebracht wordt. Op basis van gebruiksgegevens/procesgegevens en omgevingsgegevens wordt een scan uitgevoerd om de waterbalans in beeld te krijgen. Het doel is om vast te stellen of een deel van het drinkwater mogelijk door ander water in de omgeving vervangen kan worden zonder dat dit negatieve effecten heeft op de waterbalans, ecologie of andere zaken. Deze scan zou op huishoud niveau, bedrijfsniveau, bedrijventerreinen maar zelfs op wijkniveau uitgevoerd kunnen worden. De laatste, welke op grotere schaal worden uitgevoerd, zouden in combinatie met of aanvullend aan de watertoets uitgevoerd kunnen worden. Watertoets: Watertoets is het instrument waarmee waterbelangen expliciet worden meegewogen in ruimtelijke plannen.

Het is een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerders met elkaar in gesprek brengt. De bescherming van de waterkwaliteit met het oog op drinkwaterwinning is integraal onderdeel van de Watertoets, maar wordt in de praktijk nog niet altijd zo toegepast. Vaak wordt alleen getoetst op kwantitatieve aspecten. Met de komende Omgevingswet wordt het belang van de Watertoets iets versterkt. Er moet dan in ruimtelijke plannen namelijk ook inhoudelijk rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (kwantiteit én kwaliteit). Uitkomsten kunnen naast economisch ook een positief effect hebben op de omgeving, de energie transitie, de klimaat transitie, ecologie en biodiversiteit. Vraag daarom bij gebiedsontwikkelingen of bij de vestiging van een groot zakelijke klant altijd of er een waterscan kan plaatsvinden.

4.3.3

Van Nieuwe sanitatie naar circulaire waterketen

Perspectiefname Kan je in afval een roos zien bloeien? Deze perspectiefname ligt aan de basis van Nieuwe Sanitatie. Met Nieuwe Sanitatie wordt gestreefd naar een duurzame (afval)waterketen, waarbij het eindproduct een reststroom is waarbij efficiënt de afvalstoffen gescheiden kunnen worden en dat het hoogheemraadschap deze kan omzetten naar grondstoffen of energie na het verwijderen van schadelijke en zorgwekkende stoffen. Bij Nieuwe Sanitatie zijn drie partijen als schakels met elkaar verbonden: • • •

Drinkwaterbedrijf Dunea. Dit bedrijf bereidt het drinkwater en brengt het via de drinkwaterleidingen bij inwoners en bedrijven, drinkwater wordt in huis omgezet naar afvalwater; Gemeente zamelt stedelijk afvalwater in en transporteert dit naar het eindgemaal; Waterschap transporteert het stedelijke afvalwater van het eindgemaal naar de zuivering en behandelt het daar, alvorens het effluent te lozen op het oppervlaktewater.

Doelen • Verminderen afvalwaterstromen door drinkwater besparende maatregelen toe te passen; • Efficiënter kunnen transporteren en zuiveren, zodat energie, grondstoffen en schoon (gebiedseigen) water eindproducten zijn van de waterketen; • Betere waterkwaliteit door verbeteren zuiveringsrendement en voorkomen overstorten door transport en zuivering van een verminderende – maar dikkere – afvalwaterstroom. Benadering Het is een circulaire benadering, waarbij alle schakels - indirect zelfs de (toekomstige) inwoners - in de waterketen zijn betrokken. Idealiter worden de volgende stappen in deze volgorde doorlopen: 1. Start met drinkwater besparen; 2. Hergebruik van grijs water en/of regenwater; 3. Transporteer zo zwart en dik mogelijk afvalwater (met of zonder GFT) naar de zuivering én houdt relatief schoon water in het gebied. Water dat nodig is bij droogte én het ecosysteem ondersteunt; 4. Benut zwart water als grondstof voor o.a. bio-plastics of als bron voor (chemische) energie. INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

40

BELEIDSMODULE Het zal duidelijk zijn dat hier voor bewoners, drinkwaterbedrijven, gemeenten en waterschappen uitdagingen liggen die strekken van bron tot zuivering en oppervlaktewaterbron. Niet alleen technisch, maar ook bestuurlijk. Dit vraagt om een brede aanpak in het kader van stedelijke vernieuwing, want het gaat niet alleen om inpandige oplossingen, maar ook om ruimtelijke inrichtingsvraagstukken t.a.v. sturen, opslaan en circulair gebruik van water. In de Bollenstreek wordt op de ontwikkelingslocatie Valkenhorst dit concept geïmplementeerd. De echte uitdaging is natuurlijk om de principes ook in het bestaande gebied toe te passen.

Casus Valkenhorst In Valkenhorst wordt de komende 15 jaar een nieuwe woonwijk aangelegd. De gemeente Katwijk, Dunea, hoogheemraadschap van Rijnland, Rijksvastgoedbedrijf en ontwikkelaar BDP hebben onderzocht wat de toegevoegde waarde kan zijn om huishoudelijk afvalwater te scheiden in grijs en zwart water. Het onderliggend doel is de afvalwaterstroom zo dik mogelijk te maken. Hierdoor ontstaan mogelijkheden op de zuivering Katwijk om in de toekomst grondstoffen en (chemische) energie te winnen. Het leerpunt van de businesscase Nieuwe Sanitatie Valkenhorst is, dat het altijd start met drinkwater besparing. Het idee om grijs- en zwartwater gescheiden in te zamelen, te transporteren en apart te zuiveren bleek financieel onhaalbaar evenals het inpandig zuiveren en hergebruiken van grijswater. In Valkenhorst zijn vier ontwikkelpaden doorlopen op duurzaamheidsaspecten, kosten, baten. Alle vier de ontwikkelpaden vroegen extra investeringen die niet waren te financieren vanuit de grondexploitatie o.a. wegens de aanleg van dubbele leidingen (inpandig: 1 tot en met 3; openbare ruimte 2). Het ontwikkelpad, dat nu financieel haalbaar is, is het inpandig logistiek slimmer omgaan met grijswater zonder dubbele leidingen of een inpandige zuivering (ontwikkelpad 4).

Valkenhorst heeft ons meer inzicht gegeven in de uitdagingen op het vlak van financiering, governance, ondergrondse ruimte en mogelijke technieken. Voor Valkenhorst wordt beoogd om de riolering op basis van NARRBaS-ontwerpprincipes aan te leggen. Dit levert een economisch en een hydraulisch (betere doorstroming) voordeel op met minder ruimtebeslag in de ondergrond. Ook is het bij uitstek geschikt voor klimaat-neutrale ontwerpen, zoals in Valkenhorst waarbij hemelwater volledig is gescheiden van het afvalwater. Het afvalwater wordt in Valkenhorst volledig gestuurd door drinkwatergebruik. Gemeente is met haar ketenpartners voornemens om haar resultaten in een publicatie te delen.

2 4

3

2

1

Figuur 4.1 – verkende ontwikkelpaden Nieuwe Sanitatie Valkenhorst

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

41

BELEIDSMODULE

4.3.4

Klimaatmitigatie: Energie en CO2-uitstoot

Nationaal hebben we de ambitie uitgesproken dat we in 2050 geen fossiele brandstoffen verbruiken. De gemeenten zijn daarom verplicht om warmte- en energieplannen op te stellen en uit te voeren. Hoewel de waterketen fors kan bijdragen zal ook extra warmte gewonnen moeten worden uit de bodem, uit de lucht of door aanvoer van restwarmte. De benodigde infrastructuur en technologie bij de warmte– en energietransitie brengt een aantal uitdagingen mee waarop de waterketenpartners zich moeten voorbereiden Deze zijn: 1. De druk op de ondergrondse ruimte wordt groter, waardoor het moeilijker wordt om andere opgaven zoals ondergronds gescheiden houden van hemelwater ingewikkelder worden; 2. Bestaande drink- en rioolleidingen zullen in de weg liggen en moeten op kosten van de initiatiefnemer (warmtetransitie) worden verlegd. Er moeten twee warmteleidingen toegevoegd worden aan het pakket; 3. Het beheer en onderhoud wordt complexer, want de rioolleidingen liggen in de regel dieper dan de warmteleidingen, maar moeten wel bereikbaar blijven voor onderhoud én er moet rekening gehouden worden met het warmtebedrijf;

Bron De waterketen biedt als bron kansen voor de samenleving met aquathermie en kan fors bijdragen aan het warmte aanbod door warmte te winnen uit: afvalwater, drinkwater en oppervlaktewater. Met gebruik van bewezen technieken is het mogelijk om thermische energie te onttrekken uit: afvalwater, oppervlaktewater, of drinkwater (in het kort respectievelijk TEA, TEO en TED). In potentie kan de dekking van de warmtebehoefte in de Bollenstreek tot zo’n 50 en wellicht 70% oplopen. Dit blijkt uit een studie van CE Delft en Deltares (2018). Zo zal de nieuwbouwwijk Valkenhorst in Katwijk volledig zijn verwarmd door warmte uit de drinkwaterleidingen van waterketenpartner Dunea. In een zogenoemde Energiefabriek kan ook de chemische energie van het afvalwater worden benut voor het opwekken van groene energie. Rijnland kent een energie-opgave waarbij men streeft naar 30% energiebesparing en 30% duurzame energieopwekking in de waterketen (biogas, wind, zon, aquathermie4). Ook op andere plaatsen in de keten liggen kansen zoals het afvoeren van gft via de riolering. Besparen De afvalwaterketen met de zuivering is ook een systeem van pompen. Dit verpompen van water verbruikt veel energie. Met de stijgende energieprijzen veroorzaakt dit ook een opwaartse druk op de riool- en zuiveringsheffing.

Quick wins kunnen liggen in het kritisch zijn op de pompinstellingen en de pompcapaciteiten en te zorgen voor maatwerk. Uiteindelijk zal (volledig) afkoppelen van regenwater en het verminderen van het drinkwaterverbruik zorgen voor minder stedelijke afvalwater dat verpompt en gezuiverd moet worden. Uitstoot broeikasgassen Lachgas maar ook methaangas emissies vormen een zeer groot aandeel in de CO 2-eq uitstoot waterketen. Lachgas komt vrij bij de biologische stikstofverwijdering in AWZI’s. Methaangas bij lange persleidingen, slibvergisting. De bijdrage van lachgas wordt nu via een modelberekening afgeleid. Rijnland wil op een aantal AWZI’s de lachgas-emissie gaan meten. Onderzoek Om goed voorbereid te zijn op de warmtetransitie en de ontwikkeling daarvan in de positieve zin te sturen, is het zinvol om: 1. Kritisch te zijn op de geïnstalleerde pompcapaciteit én zo energie en kosten te besparen; 2. Een kansenkaart aquathermie te laten maken;

4 Aquathermie: verzameldefinitie voor warmteterugwinning uit oppervlaktewater, drinkwaterleidingen en

afvalwater INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

42

BELEIDSMODULE 3. de (on)mogelijkheden in de ondergrondse ruimte aan de voorkant op hoofdlijnen in kaart te brengen. Zo kan de waterketen door een betere informatiepositie beter organisatorisch en bestuurlijk inspelen op de implementatie van de warmtetransitie.

4.3.5

Grondstoffen

Bij stedelijke vernieuwing kan de samenstelling van het afvalwater worden bijgestuurd of kan worden onderzocht of (lokale) afzetkanalen kunnen worden ontwikkeld (circulaire economie). Als voorbeeld wordt door het hoogheemraadschap gewerkt aan de ontwikkeling van een zogenoemde grondstoffenfabriek waarin wordt gewerkt aan het terugwinnen van fosfaat. Vanwege de vervuilingen in het zuiveringsslib wordt het slib tegen hoge kosten bewerkt en uiteindelijk verbrand en verwerkt op de Maasvlakte. In de afgelopen periode heeft Stowa/RIONED een onderzoek gedaan maar mogelijke verbeteringen. Afhankelijk van de kwaliteit van het afvalwater is compostering van het zuiveringsslib te overwegen, bij stedelijke vernieuwing kan hiervoor een oplossing worden gevonden.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

43

BELEIDSMODULE

IWKP BOLLENSTREEK

BELEIDSMODULE 5.

BEDRIJFSVOERING

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

44

BELEIDSMODULE

5

BEDRIJFSVOERING

5.1

Algemeen

De waterketenpartners van de Bollenstreek hebben al veel ervaring opgedaan met samenwerking. Dit 2 e waterketenplan is daar een uitvloeisel van. Ook de jarenlange samenwerking bij de inkoop van gemaalonderhoud en van kolkenzuigen illustreert deze goede en kosteneffectieve samenwerking. Dit iWKp is mede basis voor de voortzetting en waar mogelijk verdere uitbouw van de samenwerking op het gebied van de bedrijfsvoering van de waterketen - ook als integraal onderdeel van de stedelijke omgeving. De 3 K’s (Kosten, Kwaliteit en Kwetsbaarheid) blijven daarbij centraal staan. De samenwerking levert meerwaarde door gezamenlijk bijvoorbeeld efficiënter en goedkoper in te kopen en ook door gebruik te maken van elkaars ervaringen en elkaars werkwijzen over te nemen en zo te voorkomen dat ieder ‘het wiel voor zichzelf uit moet vinden’. Gelijkwaardigheid en autonomie van de partners zijn hierbij het vertrekpunt. Ontwikkelingen als klimaatadaptatie, energietransitie, woningbouw en implementatie van de Omgevingswet hebben hun impact op (het omgaan met) de waterketen en hieraan wordt door de partners vanuit hun watertaken bijgedragen. Rijnlandbreed wordt een Dataportaal ontwikkeld waar de Bollenstreekpartners in participeren. Onderlinge samenwerking gebeurt binnen de waterpartners op operationeel niveau, met gegevensuitwisseling, via gezamenlijke projecten, gezamenlijke inkoop en overleg.

De beoogde activiteiten en maatregelen (zie de Maatregelenmodules) worden geprogrammeerd en daarmee wordt de voortgang van deze activiteiten ondersteund en de gezamenlijkheid geborgd. In dit hoofdstuk komen achtereenvolgens aan bod de Ambities en Organisatie van de samenwerkingspartners, het Dataportaal, de Planning van activiteiten en maatregelen en Innovatie en Communicatie.

5.2

Ambities en Organisatie

De ketenpartners van de Bollenstreek willen in de komende planperiode ten eerste de waterketen die een groot maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigd in stand houden en waar mogelijk verbeteren met in acht neming van de hierboven genoemde 3K’s en binnen de kaders van de Omgevingswet. En daarbij - vanuit de watertaken - kansen grijpen om bij te dragen aan klimaatadaptatie, energietransitie, duurzaamheid en een gezonde en leefbare omgeving. Sleutelfactoren om deze doelen op een kosteneffectieve wijze te bereiken zijn: • •

Assetmanagement voor een goed beheer en optimaal benutten van de gezamenlijke waterketeninfrastructuur; Kennisbeheer en -ontwikkeling. Dit betreft zowel de kennis van het eigen gebied en de eigen systemen en infrastructuur (kenmerken, meetresultaten) als het benutten van elders in Nederland ontwikkelde kennis en de ervaring en inzichten van de waterketenmedewerkers.

De samenwerking vindt in de praktijk zijn basis in het ambtelijk waterketenoverleg. Van daaruit worden managers en bestuurders betrokken om richting te geven en de benodigde middelen beschikbaar te stellen. De bestuurlijke inbedding van de samenwerking, als opvolging van de in 2016 afgesloten samenwerkingsovereenkomst “Verbonden door water, werken aan later” wordt in 2022 nader vormgegeven. Alle partners in de waterketen willen de samenwerking versterken. Oude samenwerkingen zoals het bestuursakkoord water en de diensten Openbare werken in de Duin en Bollenstreek worden aangevuld met de Strategische SamenwerkingsAgenda (SSA) van Rijnland met gemeenten en Dunea. Autonomie en gelijkwaardigheid van de ketenpartners is vertrekpunt voor de samenwerking. Omdat de formaties van de organisaties niet groot zijn is de kwetsbaarheid (vertrek of tijdelijk niet beschikbaar zijn van medewerkers) een gezamenlijk aandachtspunt. Het zoveel mogelijk op een vergelijkbare wijze werken faciliteert het om elkaar daarbij te ondersteunen. De samenwerking op onderwerpen is telkens maatwerk - de ene keer gericht op de Bollenstreek als geheel en andere keren op een zuiveringskring of delen daarvan.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

45

BELEIDSMODULE

5.3

Dataportaal

In de Aanvullende afspraken Bestuursakkoord Water uit 2018 werd het belang benoemd van het inzetten op het benutten van de kansen in onze informatiesamenleving: “De samenleving verandert snel onder invloed van technologie en digitalisering. Digitalisering is de belangrijkste bron van groei, innovatie en nieuwe bedrijvigheid. In de informatiesamenleving ontstaan nieuwe kansen, ook voor de watersector. Sturen met data en technologieën maakt het makkelijker om meer samen te werken en integraal te werken. We ontwikkelen een gezamenlijke visie en aanpak om de kansen van de informatiesamenleving beter te benutten.”

Daar zijn we echter nog lang niet, zo heeft van de pilot data uitwisselportaal van Rijnland met drie gemeenten in 2019 uitgewezen. In 2021 is gestart met een follow up: Het data uitwisselportaal 2.0 tussen gemeenten, drinkwaterbedrijven en Rijnland draagt bij aan het benutten van die kansen. Er zijn globaal drie niveaus van data gedreven organisaties en samenwerken: 1) Betere beslissingen maken door data beschikbaar te maken. Bij dit niveau kunnen gebruikers zelfstandig en relatief eenvoudig de gegevens verzamelen en analyseren om gebruikersvragen te beantwoorden. 2) Snellere en betere beslissingen maken. Als dit niveau is behaald worden verschillende datasets op voorhand gecombineerd, geanalyseerd, gevisualiseerd en ontsloten om gebruikers in overzicht antwoord te geven op hun vragen. 3) Real time sturen op basis van data. Op basis van de uitkomsten van analyses wordt een asset (gemaal, stuw, klep, overstort) aangestuurd om een bepaald doel te bereiken (minder overstorten en/of beter zuiveringsrendement). Op de middellange termijn (5-10 jaar) is niveau 2 in de samenwerking haalbaar qua samenwerken, landelijke ontwikkelingen en technische mogelijkheden. Dat is de inzet van de Bollenstreekpartners bij het samen werken aan het Dataportaal. Onderstaande afbeelding schetst de Roadmap voor de ontwikkeling van het Dataportaal.

INTEGRAAL WATERKETENPLAN BOLLENSTREEK

46

BELEIDSMODULE

5.4

Planning

De activiteiten en maatregelen in de Maatregelenmodules van dit iWKp zijn daar deels al geprogrammeerd per jaar van de Planperiode. Nadere programmering en periodieke bijstelling daarvan op basis van behoeften en ontwikkelingen doen de partners in gezamenlijkheid.

5.5

Innovatie en Communicatie

Innovatie is voor de Bollenstreek geen doel op zich, maar een middel om doelen te bereiken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van ontwikkelingen elders in het land en worden waar dat meerwaarde biedt ook zelf pilots en innovatieve projecten uitgevoerd. Enkele innovaties waar in de planperiode aan zal worden gewerkt zijn: • • •

Toepassen van nieuwe sanitatie ten behoeve van een duurzame en toekomstbestendige waterketen; Verder invulling geven aan het Dataportaal en Assetmanagement ten behoeve van inzicht in en optimaal beheer van de waterketen en het benutten kansen voor verbeteringen; De Omgevingswet nodigt uit om anders (samen) te werken en daarbij Participatie nadrukkelijker een rol te geven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=2cd8ae80-dd9a-474b-aff4-312cb5f6ecb3