BP Westeinde 52 en 54, NWH_Toelichting
Tekst van het document
35
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Om de betreffende woningen mogelijk te maken dient het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Noordwijk hogere waarden te verlenen. In het rapport is gemotiveerd waarom maatregelen aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk zijn. Daarbij is getoetst aan de landelijke wetgeving. Mogelijk zijn voor het verlenen van een hogere waarde wel aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de betreffende gevels van de geluidsgevoelige bebouwing nodig, teneinde te voldoen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB. Dit onderzoek dient bij de indiening van het bouwplan mede aangeleverd te worden. Conclusie Het planvoornemen is uitvoerbaar te achten met betrekking tot de Wet geluidhinder. Wel dient er voor de woningen een hogere waarde verleend te worden. Hieruit kan volgen dat er bij indienen van het bouwplan aanvullende geluidsisolerende maatregelen aan de gevels onderzocht dienen te worden.
4.5
Archeologie en cultuurhistorie
4.5.1
Wet- en regelgeving
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. 4.5.2
Archeologie
Het archeologiebeleid van de gemeente Noordwijk is opgenomen in de Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordwijk (2020). De gronden van het te bebouwen plangebied kennen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Op het achtergelegen stuk grond welke wordt omgezet naar bollengrond, rust een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Een archeologische onderzoeksplicht geldt in principe indien het bouwplan een oppervlakte kent die groter is dan respectievelijk 500 m2 en 1.000 m2 . Voor het plangebied is derhalve geen sprake van een archeologische onderzoeksplicht ten behoeve van de nieuwe woning. Voor de omzetting van bollengrond is dit afhankelijk van de omvang en diepte van eventuele graafwerkzaamheden.
36
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Kaartbijlage 5b. Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordwijk (2020)
Een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase is uitgevoerd, zie Bijlage 1. De doel- en vraagstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Met het inventariserend veldonderzoek wordt deze verwachting getoetst en zo nodig aangevuld. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied is gelegen op (de flanken van) een tweetal strandwallen
37
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
en de strandvlakte daartussen. Op historisch kaartmateriaal is te zien dat er op de locatie bollenteelt heeft plaatsgevonden tussen ca. 1915 en de jaren 60 van de 20e eeuw. Indien er in het plangebied weinig is afgegraven en omgewerkt, dan is het mogelijk dat er nog archeologische resten voorkomen. Eventuele archeologische waarden in het gehele plangebied kunnen voorkomen vanaf het maaiveld of in eventuele vegetatieniveaus in de ondergrond. De diepte hiervan is op voorhand niet vast te stellen. Op basis van de ouderdom van de strandwal kunnen eventuele archeologische resten dateren vanaf het Laat Neolithicum. Op basis van de archeologische waarden die in de directe omgeving van het plangebied zijn aangetroffen zal het dan met name gaan om resten uit de periode Ijzertijd – Vroege Middeleeuwen. Strandwallen waren vanaf de prehistorie gunstige vestigingslocaties vanwege hun relatief hoge en droge ligging. Er zouden dan ook resten van bewoning kunnen worden aangetroffen, in de vorm van sporen zoals paalsporen, greppels en kuilen, en vondsten zoals aardewerk. Ook andere complextypes, zoals landgebruik (ploegsporen) en begravingen zijn mogelijk.
Uit het veldonderzoek blijkt dat het plangebied ligt in een smalle strandvlakte tussen twee strandwallen waar oorspronkelijk een laag veen op is ontstaan vanwege een natte laagte (watergang) in het centrum van de strandvlakte (en van het plangebied). Oorspronkelijk kwam op de strandvlakte in het plangebied een dunne veenlaag voor met een hoogteligging van ongeveer -0,4 m NAP. Voor dat niveau gold oorspronkelijk een lage archeologische verwachting omdat dit gebied niet optimaal was voor gebruik door de mens. Echter dit niveau en veel dieper is door de mens verstoord, vergraven en opgehoogd en daarom geldt in het plangebied nog slechts een zeer lage archeologische verwachting op intacte archeologische waarden. Geadviseerd wordt om het plangebied, wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden. 4.5.3
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in het door de provincie op de Kwaliteitskaart aangewezen bollenlandschap. Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Het plangebied is gelegen in het (bloem)bollenteeltgebied.
De gronden in het plangebied hebben een agrarische- of bedrijfsbestemming en worden niet voor agrarische doeleinden gebruikt. Op het erf naast de voormalige bedrijfswoning Westeinde 54 wordt een burgerwoning gebouwd. Voor de goot- en bouwhoogte wordt aangesloten bij de gangbare maatvoering van woningen in het buitengebied. De kavel wordt aan de zuidoost-, noordoost- en noordwestzijde begrensd door een groenstrook met bomen en struiken. De landschappelijke structuur wordt met de voorgenomen ontwikkeling niet aangetast. Daarnaast vormt de bollenschuur een gemeentelijke monument. De werkgroep 'Behoud en Herbestemming van het CultuurHistorisch Genootschap Duin- en Bollenstreek' wordt betrokken bij de ontwikkeling van deze bollenschuur ten behoeve van burgerbewoning. 4.5.4
Conclusie
Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.
38
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
4.6
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m3 , NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd.
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit, heeft het ministerie, in samenwerking met InfoMil, de 'nibm-tool 2020' ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool (zie onderstaande afbeelding) is de toename van de stoffen NO2 en PM10 bepaald. Hierbij is uitgegaan van twee extra woningen met in totaal 18 extra voertuigbewegingen. Uit de berekeningen met de nibm-tool blijkt dat het plan de grens van 3% (een toename van 1,2 ug/m3) niet overschrijdt. Het project wordt dan beschouwd als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve achterwege blijven.
Rekentool luchtkwaliteit
Conclusie De realisatie van twee woningen kan gezien worden als een 'nibm' project. Daarom hoeft er niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig. Voorts wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er worden geen personen blootgesteld aan onacceptabele concentraties luchtvervuiling.
39
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
4.7
Externe veiligheid
Bepaalde maatschappelijke en bedrijfsmatige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid beschrijft het risico voor personen (zowel individueel als per groep) als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Beide variabelen geven inzicht in het overlijdensrisico van personen in de omgeving van de gevaarlijke stoffen activiteit. Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt "vertaald" als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken.
Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden. Risicokaart Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de digitale Risicokaart voor het plangebied weer.
Uitsnede risicokaart (plangebied rode cirkel), bron: www.risicokaart.nl
In en nabij het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook vindt in de directe omgeving van het plangebied geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor, het water of door buisleidingen.
40
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Conclusie Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Plangebied In de VNG-publicatie wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende omgevingstypen. De VNG-publicatie gebruikt het omgevingstype 'gemengd gebied' om gebieden te typeren waar sprake is van meerdere functies die zorgen voor een bepaalde levendigheid, maar ook voor een bepaalde milieubelasting. In een dergelijk gemengd gebied wordt de vestiging van milieubelastende activiteiten op een kortere afstand dan in woongebieden, mogelijk geacht. Voor het plangebied en omgeving is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Noordwijkerhout aan de Westeinde. In het plangebied is sprake van functiemenging. Een groot deel van het plangebied betreft de achterliggende gronden waar een bedrijfsgebouw aanwezig.
Het gebouw dient voornamelijk als bedrijfsverzamelgebouw met hoofdzakelijk een opslagfunctie. Daarnaast is er buitenopslag aanwezig. Ten noorden van het bedrijfsgebouw zijn in de huidige situatie volkstuinen gelegen. Direct aan de Westeinde bevindt zich de voormalig agrarische bedrijfswoning met bijgebouwen en daarnaast de bollenschuur. Het bedrijfsverzamelgebouw bevindt zich op een afstand van ca 12 m tot de bollenschuur en 6 m tot de bijgebouwen van de agrarische bedrijfswoning. Op grond van het geldende bestemmingsplan is ter plaatse een garagebedrijf van categorie 2 en een houtzagerij van categorie 3.2 toegestaan. In de praktijk en vanwege de voorliggende bestemmingswijziging is er enkel sprake van bedrijfsactiviteiten van categorie 2. Voor bedrijven van categorie 2 geldt een richtafstand van 30 m voor een rustige woonwijk en 10 m voor gemengd gebied. In dit geval is sprake van een gemengd gebied. Wanneer in een gemengd gebied minimaal 10 m wordt aangehouden tussen woningen en bedrijfsgebouwen, kan in redelijkheid worden geconcludeerd dat ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In dit geval is gelet op de beperkte oppervlakte van de bebouwing (max. 1.571 m2 bvo), de beperkte feitelijke (bedrijf)activiteiten en de afstand van 12 m geen aanleiding om te veronderstellen dat er geen goed woon- en leefklimaat bereikt kan worden.
Wel is er sprake van een toerit naar het bedrijfsperceel die direct grenzend aan de noordoostzijde van de bollenschuur is gelegen en daarmee ook binnen de richtafstand ligt. Van bedrijfsactiviteiten op dit gedeelte is geen sprake behoudens de noodzakelijke verkeersbewegingen naar het achtergelegen bedrijfsperceel. Op grond van de CROW publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' nr. 381 kan de verkeersgeneratie worden berekend. Uitgaande van de categorie 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) bedraagt de verkeersgeneratie per 100 m2 bvo circa 4,8 mvt/dag. De bedrijfsontwikkeling bedraagt daarmee in zijn geheel 75 mvt/dag. Dit is overigens meer dan de feitelijke hoeveelheid verkeersbewegingen die op 20 mvt/dag wordt geschat door de eigenaar. In de huidige situatie is aan de betreffende zijde van de bollenschuur reeds sprake van een dove gevel en is mede gelet op de verkeersbewegingen het wenselijk in het kader van een goed woon- en leefklimaat om dit als zodanig te behouden en in het verlengde ervan een geluidscherm in de vorm van een erfafscheiding aan te leggen. Zodoende kan er in redelijkheid vanuit gegaan worden dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat.
In de planregels is de dove gevel en het geluidscherm verplicht gesteld, inclusief een mogelijkheid om af te kunnen blijken indien vaststaat uit akoestisch onderzoek dat voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat en belangen van de bedrijvigheid niet geschaad worden.
41
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Gewasbeschermingsmiddelen Omliggende gronden van het plangebied zijn bestemd voor bollenteelt. De VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering geeft hiervoor geen specifieke richtafstanden. Voor intensieve teelten waarbij sprake is van een intensief gebruik aan gewasbeschermingsmiddelen wordt op basis van jurisprudentie een richtafstand geadviseerd van 50 meter. De nieuwe woning ligt (bouwvlak) op een afstand van circa 30 m ten opzichte van omliggende agrarische gronden. De tot woning om te bouwen bollenschuur ligt op een afstand van circa 5 m ten opzichte van omliggende agrarische gronden. In dit geval is in planologisch-juridisch opzicht bollenteelt toegestaan, dit is mogelijk op grond van de geldende bestemming ‘Agrarisch - Bollenteelt – bollenzone 1’. Bij bloembollen wordt intensief, maar neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (naar beneden spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht dan opwaartse of zijwaartse machinale bespuitingen. Omdat in planologisch-juridisch opzicht maximaal bollenteelt is toegestaan wordt in deze onderbouwing uitgegaan van deze teelt en de daarbij meest gebruikte gewasbeschermingsmiddelen. In de bollenteelt worden zowel schimmelbestrijdingsmiddelen (fungiciden), onkruidbestrijdingsmiddelen (herbiciden) als insectenbestrijdingsmiddelen (insecticiden) gebruikt.
Hoewel er geen specifieke middelen voor de bollenteelt zijn ontwikkeld – de markt is daarvoor te klein en de ontwikkelingskosten te hoog - zijn veel gebruikte middelen in gewasbeschermingsmiddelen asulam, chloorprofam, prochloraz, tebuconazool en carbendazim. Een teler maakt een keus op basis van wat op een zeker moment het meest effectief is. Dat is afhankelijk van de periode van het jaar, de ziektedruk en de voorkeur van de teler. Het toegelaten gebruik staat per gewasbeschermingsmiddel aangegeven in de wettelijke gebruiksvoorschriften die te vinden zijn in de toelatingendatabank van het Ctgb. Uit onderzoeken van de Wageningen UR blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden met name liggen bij opname van stoffen door de huid (dermaal risico). Door drift (verwaaiing van spuitvloeistof) kan de mens ongewenst in contact komen met gewasbeschermingsmiddelen. In het algemeen neemt de drift af naarmate de afstand toeneemt. In de onderzoeken van de WUR is het maximaal dermale blootstellingseindpunt (AEL) vastgesteld op 100%. Overschrijding van dit eindpunt betekent dat de huidblootstelling van mensen aan bepaalde gewasbeschermingsmiddelen tot schadelijke effecten kan leiden voor de gezondheid. In de winter groenblijvende windhagen aan de rand van een perceel kunnen de hoeveelheid drift aanzienlijk beperken.
In 2019 is een omvangrijk onderzoek uitgebracht van een consortium van wetenschappers waarin voor het eerst zo uitgebreid de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in Nederland in kaart is gebracht, specifiek bij omwonenden van bollenvelden. In het algemeen blijkt uit het onderzoek dat naast opname van de huid en inademing mensen stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen op hun kleding en schoenen mee kunnen dragen en dat mensen via het eten van groente en fruit uit eigen tuin bestrijdingsmiddelen binnen kunnen krijgen. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het bollenveld na de bespuiting en inname van bestrijdingsmiddelen via huisstof. Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen. Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de windrichting bij bespuitingen. Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen).
Uit het onderzoek blijkt verder dat de blootstelling aan de onderzochte middelen bij de toelatingsprocedure niet te laag wordt ingeschat door het Ctgb: “In de procedure voor de toelating van bestrijdingsmiddelen wordt beoordeeld of langdurige blootstelling aan een bepaalde concentratie van een bestrijdingsmiddel in de lucht
42
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
leidt tot overschrijding van een risicogrens voor de gezondheid. Als dit het geval is, wordt het middel niet toegelaten. Voor deze beoordeling wordt, afhankelijk van het bestrijdingsmiddel, uitgegaan van een vaste concentratie van 1 of 15 microgram per kubieke meter lucht. De maximale luchtconcentraties voor alle bestrijdingsmiddelen op de OBO-meetlocaties waren minstens tien keer lager dan de bij de toelating gehanteerde vaste concentratie.” In het onderzoek zijn vier blootstellingsroutes voor omwonenden onderzocht: drift, verdamping, neergeslagen residuen bij huis en herbetreding van behandeld gewas. Deze routes worden ook meegenomen in het model dat het Ctgb gebruikt bij de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen bij de toelatingsprocedure. Uit het onderzoek blijkt het volgende: Drift: In het model dat ook door het Ctgb wordt gehanteerd, wordt rekening gehouden met een blootstelling van een persoon aan een vaste hoeveelheid drift op 2 meter afstand van het gewas. Hierbij wordt opname van de huid meegenomen als ook inademing. Verder blijkt (citaat RIVM 2019, p. 33): “De OBO-meetresultaten werden op dit punt sterk bepaald door de weersomstandigheden tijdens het moment van spuiten. Telers kiezen bij voorkeur een spuitmoment waarbij de wind van de woningen af staat en dat is tijdens dit onderzoek ook zo gedaan.
Dit betekende voor het OBO dat drift tijdens het spuiten niet direct bij de omwonenden terechtkwam.” Verdamping: In het model dat ook door het Ctgb wordt gehanteerd wordt rekening gehouden met verdamping van middelen (citaat, p. 33): “het EFSA-model gaat uit van een vaste concentratie bestrijdingsmiddel in de lucht (1 of 15 microgram per kubieke meter), die de hele dag aanwezig is. Tijdens de OBO-metingen waren de hoogste luchtconcentraties minstens tien keer lager dan de vaste waarde die bij de toelating wordt gebruikt als daggemiddelde concentratie, voor een toets op langdurige blootstelling.” Ten aanzien van de aspecten ‘neergeslagen residuen bij huis’ en ‘herbetreding van gewas’ is door het RIVM geen onderzoek gedaan. Men adviseert daar vervolgonderzoek naar te doen. Zoals eerder vermeld worden deze aspecten bij de toelatingsprocedure door het Cgtb wel meegenomen. Conclusie RIVM en Ctgb Hoewel nooit alle risico’s kunnen worden uitgesloten – 100% zekerheid bestaat niet - wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhingen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Ook het Ctgb heeft gereageerd op voornoemd onderzoek.
Hun conclusie luidt: “onderzoeken naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van omwonenden van landbouwgebieden laten zien dat onder realistische gebruiksomstandigheden de veilige grenswaarden niet worden overschreden. Dit betekent dat omwonenden geen gezondheidsrisico’s lopen. Er is daarom geen reden om in te grijpen in de toegelaten middelen. De onderzoeken bevestigen dat de door het Ctgb gebruikte beoordelingsmethodieken en de daarin gehanteerde Europese modellen voor verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (omwonenden, grond, moestuingewassen) robuust zijn: de feitelijke blootstelling is lager dan de berekende blootstelling bij toelating van de middelen.” Sinds 1 januari 2018 is het Activiteitenbesluit milieubeheer gewijzigd ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij open teelten. Met deze maatregelen wordt onder meer de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (zoals omwonenden) beperkt in plaats van alleen naar het water. Hoewel de meeste telers in de bollenteelt al veelvuldig (verdergaande) driftreducerende spuittechnieken toepassen, zoals spuiten met driftreducerende doppen die een driftreductie teweegbrengen van tenminste 95%, dient er vanaf voornoemde datum verplicht een driftreductie van ten minste 75% te worden bereikt voor het gehele perceel.
Voor alle open teelten worden de eisen aan driftreducerende maatregelen verscherpt en op het gehele perceel van toepassing verklaard in plaats van binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam zoals dat voorheen gold. Dit geldt ook voor de bollenteelt. Op grond van het voornoemde dient elke bollenteler dus maatregelen te nemen die een driftreductie van tenminste 75% voor het gehele perceel teweegbrengen. De meest overheersende windrichting in Nederland is de zuidwestelijke richting. Gezien de ligging van de tot woning om te bouwen bollenschuur is de kans op verwaaiing van drift richting de beoogde woonlocatie
43
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
beperkt aanwezig. Ook voor de locatie en met name de (achter)tuin van de nieuwe GOM-woning geldt dat er een kans op verwaaiing aanwezig is. Hoewel die kans klein is, kan eventuele drift van die percelen wel richting de (voor)tuin en woning waaien of anderszins terechtkomen. In beide gevallen wordt dit beperkt door een groenblijvende haag aan de noordwestzijde van de nieuwe Gom-woning en een dove gevel (geen te openen ramen) en een geluidscherm ter plaatse van de bollenschuur. Voor beide maatregelen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Zoals eerder is vermeld dient bij de besluitvorming inzake een ruimtelijke procedure te worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt bij het aspect spuitzonering in dat de bedrijfsvoering van de teler niet mag worden belemmerd door de woonlocaties (woningen met tuin) en dat ter plaatse van de woningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aanwezig dient te zijn. Zoals beschreven blijkt uit onderzoek van het RIVM dat er geen gezondheidsproblemen naar voren gekomen die samenhangen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Dit is door het Ctgb bevestigd. Dit komt mede omdat telers in de regel niet spuiten bij harde wind of een windrichting richting woningen.
Conclusie Op basis van de bovenstaande analyse en het borgen in de planregels van de te treffen maatregelen kan het plan wat betreft het aspect milieuzonering uitvoerbaar worden geacht.
4.9
Verkeer en parkeren
In deze paragraaf wordt getoetst of het plan de verkeer- en parkeersituatie niet nadelig beïnvloedt. Verkeer De locatie wordt ontsloten via de Westeinde. Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' nr. 381 kan de verkeersgeneratie per woning worden berekend. Uitgaande van een vrijstaande koopwoning in 'het buitengebied' bedraagt de verkeersgeneratie per woning circa 9 mvt/dag. De ontwikkeling is dusdanig kleinschalig van aard dat deze geen/weinig invloed heeft op de verkeersveiligheid, doorstroming van het verkeer en de bereikbaarheid van het naastgelegen perceel. Parkeren Parkeren vindt plaats op eigen terrein. Op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' nr. 381 is de parkeernorm 2,0-2,8 parkeerplaats per woning. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in de parkeerbehoefte te voorzien. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van voldoende parkeerplaatsen. Conclusie Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
4.10 Milieueffectrapportage In bijlagen C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van een bestemmingsplan planm.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
44
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Twee woningen vallen niet onder de definitie van D11.2. een stedelijke ontwikkeling. Er is geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
4.11 Duurzaamheid Overeenkomstig het landelijk beleid en het gemeentelijk beleid dient duurzaam te worden gebouwd. Als duurzaamheid aan het begin van het project wordt meegenomen, is het veel eenvoudiger dan dat het later moet worden ingepast. Duurzame maatregelen maken de woningen comfortabeler en resulteren in een betere toekomstwaarde. Naast de wettelijke eisen ten aanzien van energie en materialen wordt tevens geadviseerd een GPR-gebouwberekening uit te voeren.
45
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
46
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan ‘Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout’ bestaat uit drie delen: een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting bevat een motivatie en verantwoording van de keuzes die in het bestemmingsplan zijn gemaakt. Daarnaast zijn in de toelichting onder andere het vigerende beleid en diverse milieuaspecten beschreven. Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de bouw een nieuwe woning. Daarbij zijn de (bouw)mogelijkheden uit het vigerende bestemmingsplan zoveel mogelijk gerespecteerd. Het plan sluit aan bij de vormvereisten van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). 5.1.1
Verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen. Het digitale plan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.0575.BPBGWesteinde52NWH-VA01) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. 5.1.2
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 5.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw- en gebruiksregels en algemene afwijkingsregels opgenomen. In de algemene gebruiksregels is de realisatie van 3 parkeerplaatsen per woning vastgelegd. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 5.1.3
Toelichting
De toelichting van een bestemmingsplan heeft geen bindende werking en maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. De toelichting heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels.
5.2
De bestemmingen
Het bestemmingsplan voorziet in een aantal regels. Hieronder volgt een korte toelichting op deze regels. Bestemming 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' De gronden die zijn bestemd als 'Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1' mogen worden gebruikt voor de uitoefening van bollenteelt. Bollenteelt door middel van kweektunnels is uitsluitend in de periode van oktober tot en met maart toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend kweektunnels, erf- of
47
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
terreinafscheidingen en windschermen worden gebouwd. Bestemming 'Bedrijf' De bestemming is opgenomen voor de bestaande bedrijvigheid. Bestemming 'Groen' De groenvoorzieningen binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming Groen. Bestemming 'Tuin' Binnen de bestemming 'Tuin' mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Bestemming 'Verkeer' Doorgaande wegen zijn bestemd met de bestemming Verkeer. Bestemming 'Wonen' De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen en een aan huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Ook is een onoverdekte paardenbak en zwembad, één tennisbaan en bijbehorende voorzieningen toegestaan. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' De gronden in het plangebied hebben een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. In de bestemmingsomschrijving is geregeld dat de voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Voor het plangebied geldt een vergunningsverplichting bij werkzaamheden waarbij de grond dieper dan 0,3 m en groter dan 500 m2 wordt verstoord. Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' De gronden in het plangebied hebben een middelhoge archeologische verwachtingswaarde.
In de bestemmingsomschrijving is geregeld dat de voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Voor het plangebied geldt een vergunningsverplichting bij werkzaamheden waarbij de grond dieper dan 0,3 m en groter dan 1.000 m2 wordt verstoord.
48
bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het plan is een particulier initiatief dat zal worden uitgevoerd en beheerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan het plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is uitvoerbaar. Ten behoeve van het bestemmingsplan zal initiatiefnemer met de gemeente een anterieure overeenkomst sluiten. Door middel van deze overeenkomst is geregeld dat de kosten die verband houden met het bestemmingsplan voor rekening zijn van initiatiefnemer.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende de wettelijke termijn van zes weken ter inzage worden gelegd. Gedurende deze zes weken heeft een ieder de gelegenheid om een zienswijze op het plan naar voren te brengen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.
49