CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Westeinde 52 en 54, NWH_Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 11 juli 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Bespreekstuk ivm indienen amendement Bestemmingsplan ‘Westeinde 52-54, Noordwijkerhout’14.036 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout NL.IMRO.0575.BPBGWesteinde52NWH-VA01

bestemmingsplan Toelichting

Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

7 7 7 9 11

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

13 13 14

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

17 17 19 23 27

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Water 4.2 Ecologie 4.3 Bodem 4.4 Geluid 4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Externe veiligheid 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Verkeer en parkeren 4.10 Milieueffectrapportage 4.11 Duurzaamheid

29 29 30 33 35 36 39 40 41 44 44 45

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 De bestemmingen

47 47 47

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49 49 49

3

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

4

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Toelichting

5

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

6

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op het perceel Westeinde 52 en 54 te Noordwijkerhout is een bedrijfsverzamelgebouw en een bollenschuur aanwezig. Een deel van de achterliggende gronden is in gebruik voor opslag. Ook is hier een volkstuin gelegen. De initiatiefnemer is voornemens een deel van deze gronden om te vormen tot bollengrond. Ter compensatie biedt de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) de mogelijkheid een nieuwe woning te realiseren. Hiertoe is een overeenkomst gesloten met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek (GOM). Deze nieuwe woning is beoogd op het agrarische perceel ten zuidwesten van Westeinde 54. Voor het plangebied is thans het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' van de voormalige gemeente Noordwijkerhout van toepassing. Om het plan uit te kunnen voeren is een herziening van het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Noordwijk en wordt gevormd door de gronden horende bij Westeinde 52 en 54 en achterliggende gronden. De gewenste ontwikkelingen zijn beoogd op de volgende kadastrale percelen: sectie D, nummer 2311 sectie D, nummer 2054 (gedeeltelijk) sectie D, nummer 2053 (gedeeltelijk) sectie D, nummer 2310 (gedeeltelijk)

7

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Ligging plangebied (geel)

8

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Overzichtskaart plangebied (rood omlijnd)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' van de voormalige gemeente Noordwijkerhout, zoals vastgesteld op 20 juni 2016. De gronden in het plangebied hebben de volgende bestemmingen: Westeinde 54 en de zuidwestelijk gelegen gronden: Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1, met deels een aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten'. Westeinde 52 (voormalige bollenschuur): Bedrijf - Handels en exportbedrijf, met een aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' en 'cultuurhistorische waarden'. Achterliggende percelen: 1. Bedrijf, met deels een aanduiding 'garagebedrijf/botenhandel annex houtzagerij'. 2. Dagrecreatie met een aanduiding 'volkstuin'. Op het perceel Westeinde 54 is een bedrijfswoning toegestaan. Tot slot zijn de gronden aangewezen als 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Onderstaande afbeelding geeft door middel van rode lijnen het plangebied op een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' weer.

9

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2015', bron: www.ruimtelijkeplannen.nl

Het voorliggende plan is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om die reden is een aanpassing van het bestemmingsplan noodzakelijk. Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen

10

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Dit bestemmingsplan vult het al geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2015' op een tweetal onderwerpen aan. Wat betreft parkeren en wat betreft wonen moeten de regels van dit bestemmingsplan worden gevolgd. De regels van dit bestemmingsplan zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan.

1.4

Leeswijzer

In de planbeschrijving, hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid beschreven en in hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een juridische beschrijving van het plan weergegeven. Tot slot beschrijft hoofdstuk 6 de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

11

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

12

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Bestaande situatie

Het plangebied ligt aan de Westeinde 52 en 54 te Noordwijkerhout. De Westeinde dient als hoofdontsluitingsweg. De locatie is gelegen in agrarisch gebied. De naastgelegen agrarische gronden horen bij het (bloem)bollenteeltgebied en zijn als zodanig bestemd. Westeinde 54 en het naastgelegen onbebouwde perceel De gronden ter plaatse van de bedrijfswoning Westeinde 54 en het naastgelegen weiland hebben een agrarische bestemming, maar worden niet voor agrarische doeleinden gebruikt. Beide percelen vormen planologisch gezien één agrarisch bedrijf door middel van gekoppelde bouwvlakken. Hoewel er een vergunning is verleend voor de bouw van een schuur op het perceel D2311 is enkel sprake van een weiland met begroeiing. Er is geen bebouwing aanwezig.

Bestaande situatie perceel D2311

Westeinde 54 betreft een agrarische bedrijfswoning (gebouwd in 1900). Tussen de bedrijfswoning en de bollenschuur bevinden zich ca. 300 m2 aan bedrijfsgebouwen. Westeinde 52, de voormalige bollenschuur Aan de bedrijfswoning Westeinde 54 met de bijgebouwen grenst de oude bollenschuur. Deze schuur is een gemeentelijk monument en dateert van 1929. Deze wordt momenteel gebruikt voor opslag. Onderstaande afbeelding vormt het aanzicht van de bebouwing vanaf de Westeinde. Rechts is de bollenschuur zichtbaar. Links daarvan respectievelijk de bijgebouwen en de voormalige bedrijfswoning van Westeinde 54.

Aanzicht Westeinde 52 (rechts) en 54 (links), bron: Google Streetview

Achterliggend bedrijfsperceel en volkstuinen

13

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Achter de bijgebouwen van de woning op nummer 54 en de bollenschuur is nog een bedrijfsgebouw aanwezig. In het verleden werd dit gebruikt ten behoeve van een houtzagerij, garagebedrijf en botenhandel. In de huidige situatie wordt deze ruimte verhuurd aan derden, voornamelijk voor opslag. Op een afstand van ca. 30 m achter deze bebouwing zijn volkstuinen gelegen en is er sprake van buitenopslag. Op onderstaande afbeelding zijn de oude bollenschuur en achterliggend bedrijfsgebouw weergegeven.

Zijaanzicht achterliggende bedrijfsbebouwing., bron: Google Streetview

2.2

Toekomstige situatie

Voorliggend plan voorziet in een aantal ontwikkelingen: I.

De achterliggende gronden ter hoogte van de volkstuinen en de daarachter gelegen opslagfunctie worden middels een overeenkomst met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) omgevormd tot eersteklas bollengrond met de bestemming Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1. II. Ter compensatie biedt de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) de mogelijkheid een nieuwe woning te realiseren. De initiatiefnemer is voornemens deze woning te realiseren op het perceel kadastraal bekend gemeente Noordwijkerhout sectie D nummer 2311, ten zuidwesten van Westeinde 54. Het perceel heeft een oppervlakte van ca. 1.850 m2 . Ten behoeve van de nieuwe vrijstaande woning wordt een oppervlakte van 600 m2 gebruikt ten behoeve van de bestemming Wonen. Voor de goot- en bouwhoogte wordt aangesloten bij de maatvoering van de bedrijfswoning. De goot- en bouwhoogte bedragen maximaal 4,5 respectievelijk 8 meter. III. De voormalige cultuurhistorisch waardevolle bollenschuur blijft behouden en krijgt een woonfunctie ten behoeve van één wooneenheid (bestemming Wonen). IV. De bestaande bedrijfsbestemming wordt gewijzigd in een bedrijfsbestemming met een lagere milieucategorie (bestemming Bedrijf). De agrarische bedrijfswoning Westeinde 54 blijft behouden en maakt om die reden geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Op onderstaande afbeelding zijn bovengenoemde vier ontwikkelingen weergegeven.

14

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Ligging ontwikkelingen

Landschappelijke inpassing Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld voor de verschillende ontwikkelingen binnen het plangebied (zie Bijlage 1 bij de planregels). Door de omvorming van de achterliggende bedrijfsgrond en volkstuin naar bollengrond, vindt er een duidelijke verbetering van landschappelijke waarden plaats, doordat openheid wordt versterkt. De nieuwe greenportwoning dient ruimtelijk te worden opgezet, waarbij in de architectuur rekening wordt gehouden met de omgeving. Er is uitgegaan van het waar mogelijk behouden of versterken van het zicht op de bollenvelden. De harde overgang naar het landschap wordt verzacht door de inzet van inheemse beplantingsstructuren aan de achterzijde van het perceel. De beplanting bestaat uit streekeigen en inheemse soorten. Ter plaatse van de bestaande houtwal aan de oostzijde van het perceel wordt een bloemrijk grasland gerealiseerd. De bollenschuur dient in originele staat behouden te blijven. De voor- en achterzijde van de bollenschuur krijgt een tuinfunctie met haag. Aan de achterzijde komt een geluidswerende voorziening met haag, ter afscherming van de achterliggende bedrijfspanden.

15

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

16

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Hoofdstuk 3

Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied relevante geldende beleidskader. In paragraaf 3.1 wordt ingegaan op het Rijksbeleid. In paragraaf 3.2 is het provinciaal beleid opgenomen en het regionaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. In paragraaf 3.4 is het gemeentelijk beleid beschreven. Het in dit hoofdstuk samengevatte ruimtelijk beleidskader is niet uitputtend.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Toetsingskader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht geworden. De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. De NOVI bevat de hoofdzaken van het beleid voor de fysieke leefomgeving. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. Het gaat om het strategisch beleid, omdat de NOVI een visie is en de hoofdzaken bevat van het beleid voor de fysieke leefomgeving (artikel 3.2 Omgevingswet). Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone.

De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. In zijn totaliteit kent de NOVI in totaal 21 nationale belangen en opgaven die het verder uitwerkt. Die opgaven zijn niet meer op zichzelf staand op te lossen, maar grijpen in elkaar. Met de NOVI zoekt het Rijk een perspectief om de grote opgaven aan te pakken, om Nederland mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Om die reden worden binnen de NOVI prioriteiten gesteld. De NOVI stelt daarbij een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Toetsing en conclusie Het plangebied ligt niet in een gebied waarvoor de NOVI gerichte belangen of opgaven kent. Om die reden kan verdere toetsing aan de NOVI achterwege blijven. 3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Toetsing In het Barro zijn geen regels opgenomen die relevant zijn voor het voorliggende bestemmingsplan.

17

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, 07-12-2011), ook wel bekend onder de naam AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen uit de SVIR voorzien van juridische kaders, waarmee de doorwerking van de nationale belangen op ruimtelijk gebied is geborgd. Uit het Barro blijkt dat voor het planvoornemen en het plangebied geen sprake is van specifieke aspecten van nationaal belang. Wel geldt bij elk ruimtelijk plan nationaal belang 13 met betrekking tot zorgvuldig ruimtegebruik. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Bro en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt.

De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op ontwikkelingen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.

Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Afweging 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. In dit geval betreft het 'wonen'. Als een plan met overige functies wordt aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de Ladder worden toegepast. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling bepaalt men door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan elf woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van een vrijstaande woning en een nieuwe woonfunctie in een bestaande oude bollenschuur, in het buitengebied van Noordwijkerhout. Vanwege de kleinschalige omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor Duurzame Verstedelijking is niet van toepassing op dit initiatief. Wel moet in zulke gevallen in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de betreffende woningen worden aangetoond. Subparagraaf 3.3.2 'Regionale woonagenda' gaat hier verder op in.

Toetsing Op grond van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de ladder geen belemmering vormt voor de gewenste realisatie van twee woningen en het planvoornemen op dit onderdeel dus als uitvoerbaar is te achten.

18

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland geeft aan waar de provincie voor staat. De visie beschrijft hoe de provincie de toekomst van Zuid-Holland voor zich ziet. De Omgevingsvisie bevat verschillende onderdelen. In de ambities wordt omschreven waar de provincie naartoe wil. De beleidsdoelen geven hier richting aan en de beleidskeuzes bepalen hoe de ambities bereikt dienen te worden. Daarnaast zijn in het omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken deel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie.

19

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

20

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Uit deze bovenstaande kaart volgt dat het plangebied van dit bestemmingsplan in de visie van de provincie Zuid-Holland deel uitmaakt van het kustlandschap en de bollenstreek. Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Deze langgerekte structuur is op twee plaatsen onderbroken: bij de monding van de Oude Rijn en bij de voormalige monding van de Maas. Veel strandwallen zijn in de loop van de tijd vergraven voor het zand of de bollenteelt, waardoor het kenmerkende reliëf is verdwenen. De duinen en het strand kennen een grote natuurlijke dynamiek en uitersten in omstandigheden: van droog en heet naar nat en koud of van zout naar zoet. Dit maakt het strand en de duinen ecologisch erg waardevol. Richtpunten in het kustlandschap betreffen: Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever). Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen "hoog en droog" en "laag en nat" en bouwen voort op de parallelle kuststructuur. Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter. Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt.

Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Richtpunten in het bollenlandschap betreffen: Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones.

Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. 3.2.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland

In samenhang met de visie, is ook de Omgevingsverordening Zuid-Holland (2020) opgesteld. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende bepalingen zijn relevant voor het plan: Artikel 6.9 - Ruimtelijke kwaliteit Met behulp van artikel 6.9 poogt de provincie Zuid-Holland te sturen op de ruimtelijke kwaliteit in de provincie. Gebiedsgericht sturen op ruimtelijke kwaliteit betekent voor de provincie richting en ruimte geven aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid gaat uit van ‘ja, mits’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel de groene ruimte als de bebouwde ruimte. De provincie hanteert hier het handelingskader ruimtelijke kwaliteit: een benadering die enerzijds onderscheidt maakt in drie soorten ruimtelijke ontwikkelingen (nieuwe bebouwing of nieuw gebruik van grond of bebouwing) naar gelang hun impact op de omgeving en anderzijds de realisatie van bepaalde soorten ruimtelijke ontwikkelingen uitsluit in gebieden met een bepaalde

21

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

beschermingscategorie. Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid, hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 1.

2.

3.

Inpassing: Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. Aanpassing: Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat. Transformatie: Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat.

Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden.

Indien sprake is van inpassing stelt artikel 6.9, eerste lid, sub a, dat: "Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen)." Bij dit voorliggende bestemmingsplan is hiervan sprake. Wel moet een gebiedseigen ontwikkeling of functie naadloos aansluiten op de bestaande kenmerken en gebruikswaarden van een gebied. Een gebiedseigen ontwikkeling draagt bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving en heeft daarmee geen negatieve invloed op de (kenmerken) van de omgeving. Het ondersteunt bestaande landschappelijke structuren of heeft een belangrijke functie bij het in stand houden van de bestaande gebiedskenmerken en kwaliteiten. Dit planvoornemen betreft een gebiedseigen ontwikkeling. Tot slot wordt opgemerkt dat artikel 6.9, vierde lid, bepaalt dat een beeldkwaliteitsparagraaf moet zijn opgenomen in het bestemmingsplan. Paragraaf 2.2 Toekomstige situatie en en het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1 bij de regels) voorziet hierin.

Artikel 6.10 - Stedelijke ontwikkelingen Dit artikel van de Omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijke plan in haar toelichting moet ingaan op de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking indien het voorziet in een stedelijke ontwikkeling. Zoals reeds geconstateerd in subparagraaf 3.1.3 voorziet dit bestemmingsplan niet in een stedelijke ontwikkeling. Wel moet in zulke gevallen in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de betreffende woningen worden aangetoond. Subparagraaf 3.3.2 gaat hier verder op in. Artikel 6.17 Bollenteeltgebied

22

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Een bestemmingsplan voor gronden binnen het bollenteeltgebied laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. Een bestemmingsplan kan echter ook voorzien in greenportwoningen en 'ruimte voor ruimte'-woningen als bedoeld in subparagraaf 3.3.1. Voornoemd artikel uit de Omgevingsverordening verzet zich dus niet tegen dit plan met inachtneming van het regionale beleid. 3.2.3

Toetsing plan aan provinciaal beleid

Voorliggend plan betreft de omzetting van gronden naar bollengrond en de bouw van een woning in het kust- en bollenlandschap van Noordwijk. Daarnaast wordt een woonfunctie mogelijk gemaakt in een bestaande bollenschuur. Voor de omzetting van grond naar bollengrond en de realisatie van de nieuwe woning is een overeenkomst gesloten met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. De ruimtelijke kwaliteit van het agrarisch (bloem)bollengebied wordt niet aangetast. Voorts wordt voldaan aan de provinciale Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Het voorliggende plan sluit aan bij het provinciale beleid.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1

Intergemeentelijke structuurvisie Greenport (ISG)

De raden van de vijf Greenportgemeenten (Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen) beschikken sinds 2009 over een integrale ruimtelijke visie in de vorm van de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin en Bollenstreek (ISG). De structuurvisie vervangt het 'Pact van Teylingen' en het 'Offensief van Teylingen'. De ISG is voor de Greenportgemeenten van de Duin- en Bollenstreek een wettelijk zelfbindend kader voor gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het buitengebied tot 2030 en geldt als toetsingskader voor toekomstige plannen. De Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) B.V. zal samen met de aandeelhoudende Greenportgemeenten verder vormgeven aan de inhoud en uitvoering van het meerjarenprogramma, dat voortvloeit uit de ISG. De ISG is gericht op het creëren van een vitale Greenport met een vitaal landschap. Hiervoor zijn de volgende ambities en uitgangspunten opgesteld: 1. 2. 3. 4.

5.

6.

de economische herstructurering van de Greenport staat centraal; de gemeenten zullen de herstructureringsopgave combineren met landschapsverbetering; de gemeenten zullen verdergaande verrommeling van het landschap tegengaan; met het uitvoeren van de woningbouwopgave, zoals in de Gebiedsuitwerking Haarlemmermeer-Bollenstreek overeen is gekomen, de maximale woningbouwbijdrage van de Duinen Bollenstreek bereikt is; de gemeenten het areaal aan 1e klas bollengrond van 2.625 ha duurzaam moeten handhaven, hoewel zij met het herstructureringsproces tijdelijke krimp onder nader te bepalen voorwaarden (waaronder harde tijdgebonden compensatiegaranties) toestaan; primaire greenportfuncties, zoals bollencluster, vaste planten, bloemencluster en toerisme (inclusief greenportgerelateerde handel en dienstverlening), krijgen bij conflicterende ruimteclaims prioriteit boven niet primaire greenportfuncties, zoals overige landbouw en veeteelt.

De basis om tot verbetering van de landschapskwaliteiten in de Duin- en Bollenstreek te komen is het Landschapsperspectief. In de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek wordt het landschap verdeeld in verschillende 'kamers' en worden de beleidsregels op hoofdlijnen weergegeven. Onderstaande kaart geeft het landschapsperspectief weer.

23

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

24

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Kaart Landschapsperspectief, plangebied rood omlijnd (bron: Intergemeentelijkestructuurvisie Greenport)

Toetsing Het plangebied is gelegen in een zone waar geen specifiek beleid ten aanzien van het landschapsperspectief geldt. Wel ligt het nabij de zone 'openheid actief vergroten'. Waar is aangegeven dat een 'nee, tenzij'-beleid geldt gericht op sanering en in beginsel alleen uitbreidingen van bebouwing is toestaan onder strenge voorwaarden dat openheid actief wordt vergroot en gestreefd wordt naar behoud en versterken van doorkijk en vensters. Bij het inrichtingsplan wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het in stand houden van de openheid. Zie ook paragraaf 2.2 Toekomstige situatie. Daarnaast betreft de nieuwe woning een greenportwoning. In het buitengebied staat de verbetering van de landschappelijke kwaliteit en de economische vitaliteit voorop en worden geen nieuwe woningen gebouwd, met uitzondering van greenportwoningen. In de Regionale Woonagenda is opgenomen dat er 600 Greenportwoningen in het buitengebied gebouwd worden. Voorgenomen ontwikkeling betreft de bouw van een Greenportwoning en het gebruik van een bestaande bollenschuur voor een woonfunctie. Dit plan is niet in strijd met de ambities van de ISG. 3.3.2

Regionale woonagenda

De gemeenten die deel uitmaken van het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland hebben op 20 februari 2018 de regionale woonagenda vastgesteld. Hierin staat wat de woonbehoefte is in de gemeenten binnen Holland Rijnland en hoe het woningaanbod per subregio op de vraag kan worden afgestemd. De regionale woonagenda is nodig omdat er veranderingen zijn op de woningmarkt. Deze is bijvoorbeeld veranderd van een aanbod- naar vragersmarkt. Ook de vraag naar de woningen zelf blijkt veranderd; de woonomgeving en de nabijheid van voorzieningen wordt steeds belangrijker.

25

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Uit de regionale woonagenda blijkt dat er in Noordwijk in de periode 2017-2022 een vraag is naar 610 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt deze behoefte 170 extra woningen. Van deze totale behoefte van 780 woningen, zijn er volgens de agenda 400 indicatief voorzien in een woongebied ‘rustig stedelijk’. Zie onderstaande tabellen uit de Woonagenda.

Uitsnede met woningbouwbehoefte tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Uitsnede met indicatieve behoefte woonmilieus tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland

Toetsing Het voornemen betreft de realisatie van twee woningen waarvan één nieuw te realiseren. Met deze ontwikkeling wordt een bijdrage geleverd aan de doelen uit de regionale woonagenda. 3.3.3

Regionaal bollenschurenbeleid 2006

In 2005 is door elf gemeenten in de Duin- en Bollenstreek en de Projectgroep Behoud en Herbestemming Bollenschuren samengewerkt aan het opstellen van een Regionaal Bollenschurenbeleid en een Regionale Collectie Bollenschuren. In de nota 'Regionale Collectie Bollenschuren met een Regionaal Bollenschurenbeleid' is de lijst met schuren die tezamen de regionale collectie vormen vermeld. In de nota is ook een scala aan beleidsinstrumenten verzameld, die gemeenten en particulieren een handvat moeten bieden bij het behouden en herbestemmen van bollenschuren. Daarbij valt te denken aan stimuleringsregelingen voor bescherming en behoud van bollenschuren en maatregelen voor het bevorderen van functiewijziging en herbestemming. Het doel van de nota is een eenduidig regionaal beschermings- en herbestemmingsbeleid tot stand brengen, waarmee het voor particulieren duidelijk wordt hoe gemeenten omgaan met behoud, sloop, verbouwing, restauratie en herbestemming van bollenschuren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. In de Duin- en Bollenstreek is geen eenduidig beleid op het gebied van herbestemming van bollenschuren. Wonen in een bollenschuur in het buitengebied wordt in de ene gemeente toegestaan of zelfs met een

26

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

formele procedure geregeld, terwijl het in de buurgemeente niet mogelijk is. Er is behoefte aan een meer eenduidig planologisch herbestemmingsbeleid voor alle bollenschuren. Daarin kan worden afgestemd hoe gemeenten omgaan met sloop, verbouwing, restauratie en herbestemming van bollenschuren, zowel binnen de bebouwde kom als in het buitengebied. De afspraken hierover zouden moeten worden verwerkt in het regionaal beleid rond het Pact en Offensief van Teylingen en in gemeentelijke bestemmingsplannen. Daardoor komt een eenduidig regionaal beleid tot stand. Soms is formele herbestemming niet nodig of zelfs onwenselijk. Dan zou de agrarische bestemming behouden kunnen blijven en een ander gebruik gedoogd kunnen worden. In de nota wordt aangedragen dat gemeenten soepeler zouden moeten omgaan met de herbestemming van bollenschuren tot woning, atelier, en dergelijke. Het zou goed zijn een vergelijking te maken met de mogelijkheden die de Reconstructiewet biedt voor agrarisch erfgoed in de provincies Noord-Brabant en Gelderland.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Woonvisie

Voor wonen is de gemeentelijke woonvisie van toepassing (inwerkingtreding 26 januari 2021). Op basis van de woonvisie en ook bij de vorige woonvisie van de voormalige gemeente Noordwijk is de Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van sociale huurwoningen van toepassing. Gomwoningen/Greenport woningen vallen op basis van artikel 1 h en artikel 2, lid 3 van de Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van sociale huurwoningen buiten de werkingssfeer van de verplichte segmentering van de geldende woonvisie. Bij de woonvisie is een vastgestelde woningbouwplanlijst opgenomen. Hier is in de categorie 4a, de locatie (nog) niet specifiek vermeld, wel zijn er reserveringen in Noordwijkerhout voor Greenportwoningen, locaties onbekend opgenomen. Deze woning valt onder die categorie. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning en het mogelijk maken van een woonfunctie in een bestaande bollenschuur, in het buitengebied aan de rand van het kern Noordwijkerhout. Het plangebied is via de Westeinde goed bereikbaar. Deze ontwikkeling past binnen de ambitie van de woonvisie. 3.4.2

Welstandsnota

In de welstandsnota is een analyse gemaakt van de (voormalige) gemeente Noordwijkerhout. Op basis van deze analyse zijn verschillende gebieden onderscheiden. Deze gebieden worden beschreven en gewaardeerd en aan de hand van de bevindingen zijn criteria geformuleerd waaraan bouwplannen in de betreffende gebieden (welstandshalve) zouden moeten voldoen. De beoordeling van de woongebouwen is gericht op afwisseling en individualiteit, zorgvuldige detaillering en traditioneel materiaal- en kleurgebruik. Voor bouwplannen in het buitengebied worden hier de beschrijving en de welstandscriteria gegeven. Toetsing Bij aanvraag van de omgevingsvergunning voor bouwen zal de Welstandscommissie beoordelen of de nieuwbouw past binnen de welstandseisen zoals deze gelden voor het buitengebied. Een afzonderlijke beeldkwaliteitsparagraaf is reeds opgenomen in het bestemmingsplan, zie paragraaf 2.2.

27

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

28

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk worden de voor dit bestemmingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de (technische) onderzoeken met conclusies.

4.1

Water

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Voor de voorliggende ontwikkeling is daarom een digitale watertoets (www.dewatertoets.nl) uitgevoerd. Het toetsresultaat van de digitale watertoets is opgenomen in Bijlage 8. In deze paragraaf wordt verwoord hoe er in het plan met de aspecten water en ruimte rekening wordt gehouden, in relatie tot enerzijds het waterbeleid en anderzijds de waterhuishouding. Waterschapsbeleid Op 9 maart 2016 heeft het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerplan 5 (WBP) vastgesteld. In dit plan geeft het Hoogheemraadschap aan wat zijn ambities voor de planperiode 2016-2021 zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. De hoofddoelen zijn: waterveiligheid: bescherming tegen overstromingen vanuit de zee en de rivieren; voldoende water: er is voldoende water. Niet te veel en niet te weinig, passend bij het gebruik. schoon en gezond water: Rijnlands water is schoon, zodat de mens, de natuur en de economie er optimaal gebruik van kunnen maken. waterketen: het afvalwater wordt optimaal gezuiverd en de grondstoffen hergebruikt. Waterbeheer De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen.

Hiermee wordt voorkomen dat de ruimtelijke ontwikkeling in strijd is met het duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Op 10 juni 2016 is de nieuwe Keur Rijnland 2015 in werking getreden. Een nieuwe Keur is nodig vanwege de totstandkoming van de Waterwet en daarmee verschuivende bevoegdheden in onderdelen van het waterbeheer. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebods- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten en beken); andere waterstaatswerken (onder andere bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terechtkomt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Plangebied Het plangebied ligt in het buitengebied van Noordwijkerhout. In het plangebied zijn geen knel- en aandachtspunten inzake de waterkwaliteit en de waterkwantiteit bekend. Het hemelwater dat in het plangebied neerkomt op het onverharde oppervlak wordt opgenomen in de bodem door middel van infiltratie. In het plangebied wordt één woning gebouwd met een bebouwd/ verhard oppervlakte kleiner dan 500 m2 .

29

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

Het is daarom op basis van de Keur niet noodzakelijk om een watervergunning aan te vragen. Er is ook geen compensatie nodig in de vorm van oppervlaktewater. Voor de bouw van de woning worden duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Hoogheemraadschap van Rijnland concludeert op basis van de watertoets een waterbelang te hebben bij het plan. Naar aanleiding van de uitgevoerde watertoets wordt overleg gevoerd met het Hoogheemraadschap of er watercompenserende maatregelen moeten worden toegepast. Vanwege de verwachting dat er slechts sprake zal zijn van een beperkt waterbelang, hoeft dit de voortgang van het bestemmingsplan niet in de weg te staan.

4.2

Ecologie

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 5. Soortbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Onderzoek De voormalige bollenschuur is een monumentaal gebouw, waardoor deze alleen intern kan worden verbouwd. In het advies van 23 oktober 2023 heeft de Omgevingsdienst geconcludeerd dat een nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in de bollenschuur niet noodzakelijk is. Bij uitvoering van het plan gaan ook geen nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten verloren. Voor de overige vogelsoorten geldt dat, indien de werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, in gebruik zijnde nesten van vogels kunnen worden verstoord of vernietigd.

Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Het plangebied zal door de bouw van één woning, de mogelijke sloop van de loods tussen Westeinde 52 en 54 en de omvorming van het volkstuincomplex en opslagterrein naar een agrarisch perceel naar verwachting niet ongeschikt worden als foerageergebied voor de te verwachten vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen. Bovendien is in de directe omgeving in ruime mate alternatief en bovendien ook hoogwaardig foerageergebied voor vogels en vleermuizen aanwezig. Zo ligt het plangebied vlak naast landgoed Nieuw Leeuwenhorst waar veel hoogwaardig leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten en vleermuizen aanwezig is. Negatieve effecten op vleermuizen en vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. De bomenrij aan de zuidoostrand van het plangebied kan onderdeel vormen van een essentiële vliegroute van vleermuizen. Het is op dit moment niet duidelijk of deze bomenrij behouden blijft bij uitvoering van het plan.

Indien de bomenrij wordt onderbroken, is nader onderzoek naar een vliegroute van vleermuizen nodig. Ook is nader onderzoek nodig indien de bomenrij verlicht wordt tijdens de aanlegfase en/of

30

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

gebruiksfase, aangezien uit de omgeving verstoringsgevoelige soorten als watervleermuis bekend zijn (NDFF). Op basis hiervan kan worden bepaald of sprake is van aantasting van een essentiële vliegroute en of daarom een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd. Bij uitvoering van het plan wordt landbiotoop van rugstreeppad aangetast. Bij omvorming van het voormalige volkstuincomplex en opslagterrein in een agrarisch bloembollenperceel wordt het perceel naar verwachting minder geschikt voor deze soort. Ook is het niet uitgesloten dat er bij een onzorgvuldige werkwijze dieren worden gedood of verwond. Daarom is het nodig om voor deze soort een ontheffing van de Wnb aan te vragen. De watergangen om het plangebied blijven behouden, zodat geen sprake is van aantasting van voortplantingsbiotoop. Het perceel waar de bouw van de nieuwe woning is in de huidige situatie door het ontbreken van goed vergraafbare grond en opgeslagen materialen nog niet geschikt voor rugstreeppad. Doordat de soort echter elders in het plangebied voorkomt en de soort zich graag vestigt op zandige bouwterreinen, zeker als daar bovendien laagtes ontstaan die zich vullen met water, dient wel rekening te worden gehouden met deze soort bij de bouwwerkzaamheden. Indien rugstreeppad zich vestigt tijdens de aanlegfase, dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd.

Daarom wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een amfibieënscherm aan te leggen om de bouwplaats, zodat rugstreeppad geen toegang heeft tot het terrein. Het amfibieënscherm bestaat uit stevig plastic of worteldoek van 50 cm hoog en is minimaal 10 cm ingegraven in de grond. Het scherm wordt verankerd met houten paaltjes die aan de binnenzijde van het scherm (dus aan de kant van de bouwlocatie) worden bevestigd. Om te voorkomen dat eventuele algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren ingesloten raken binnen het amfibieënscherm, is het nodig om voor deze dieren passages naar de buitenzijde van het scherm aan te leggen. Hiertoe wordt om de 20 meter een halve emmer ingegraven aan de binnenzijde van het scherm. Om te zorgen dat dieren weer uit de emmer kunnen kruipen, wordt aan de buitenzijde van het scherm de grond naar de emmer schuin (met een flauwe hellingshoek) weggegraven. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen tot slot enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieën- en zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Zuid-Holland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb.

Zo kan het terrein een week voorafgaand aan de start van de werkzaamheden onaantrekkelijk worden gemaakt voor algemene amfibieën en zoogdieren door het grasland kort af te maaien en te verwijderen opgaande beplanting al te kappen. Hierdoor zullen aanwezige amfibieën en zoogdieren zich verplaatsen naar een locatie buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Gebiedsbescherming Voor onderhavig projectgebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. Wet Natuurbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Natuurnetwerk Nederland Het NNN (voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van

31

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland, dat voldoende robuust is voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van de provinciale NNN is voor de provincie Zuid-Holland vastgelegd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Overige provinciale natuur Behalve voor het NNN zijn in de provincie Zuid-Holland in het kader van de Omgevingsverordening Zuid-Holland nog gronden aangewezen als ecologische verbindingszone. Onderzoek Het plangebied is gescheiden van het Natura 2000-gebieden door bebouwing, (water)wegen en agrarisch gebied. Gezien de ruime afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan (de bouw van 1 woning), kunnen de meeste potentiële effecten op voorhand uitgesloten worden. In het kader van het bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout is de depositie van stikstof ten gevolge van de bouw en het gebruik van de woningen in de gemeente Noordwijk berekend. De depositie van stikstof in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de emissie van NOX en NH3 van deze ontwikkeling, alsmede van het verkeer van en naar de locatie is berekend met het programmapakket AERIUS. Het rapport en rekenresultaten zijn bijgevoegd als Bijlage 5 bij deze toelichting.

Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring van Natura 2000-gebieden door andere factoren zoals geluid, verlichting en optische verstoring eveneens worden uitgesloten. Conclusie Op basis van de veldbezoeken (d.d. 5 februari en 26 mei 2021) is, mede gelet op de aangetroffen terreinomstandigheden en de aard van de ontwikkeling, een mogelijk nog onvoldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan. Vleermuizen Uit het onderzoek komt naar voren dat nader onderzoek nodig is naar de vliegroute van vleermuizen indien de bomenrij langs de zuidoostrand van het plangebied wordt gekapt en/of indien deze wordt verlicht tijdens de aanleg- en gebruiksfase. In dat geval moet op basis van het onderzoek worden bepaald of een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd in verband met aantasting van een essentiële vliegroute van vleermuizen. Er is geen sprake van het kappen van deze bomenrij en er is geen sprake van verlichting tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Rugstreeppadden Verder komt uit het onderzoek naar voren dat in verband met de aanwezigheid van rugstreeppadden op het perceel met de voormalige volkstuinen en het voormalige opslagterrein een ontheffing van de Wnb moet worden aangevraagd. Dit nadere onderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 6.

In het plangebied zijn geen rugstreeppadden aangetroffen tijdens de veldbezoeken. Dit heeft ermee te maken dat het gebruik in het plangebied is veranderd. Voorheen was het plangebied in gebruik als volkstuin. In volkstuinencomplexen worden vaak rugstreeppadden aangetroffen, omdat ze een geschikt habitat vormen. Echter zijn de volkstuinactiviteiten geëindigd en is het terrein nu braakliggend. Hierdoor is de eerste fase van successie ontstaan, wat betekent dat een mix van gras en kruiden ruigte is ontstaan. De rugstreeppad is een echte pionierssoort die plekken met veel hoge kruiden en grassen vermijdt. Gezien de verandering in gebruik, is geen pioniershabitat meer aanwezig, waardoor geen geschikt zomer- en winterhabitat meer aanwezig is voor de rugstreeppad. Plassen blijven evenmin staan, waardoor ook voortplantingswater niet aanwezig is. Om de werkzaamheden uit te mogen voeren is geen ontheffing van

32

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

de Wet natuurbescherming nodig. Wel kan het plangebied tijdens de aanlegfase, door het aanbrengen van bouwzand, weer geschikt worden als landbiotoop voor de rugstreeppad. Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden in de actieve periode van de rugstreeppad (april tot november) dient het plangebied omringd te worden met een paddenscherm. Dit scherm voorkomt dat de rugstreeppad het plangebied kolonialiseert tijdens de werkzaamheden. Wanneer buiten de actieve periode wordt gewerkt, is een paddenscherm niet nodig. De rugstreeppad is dan in winterslaap en binnen het plangebied is geen geschikt winterbiotoop aanwezig waar de rugstreeppad dan verblijft. Zorgplichtmaatregelen Verder gelden er de volgende zorgplichtmaatregelen bij de uitvoering van de werkzaamheden: Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren. Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. In gebruik zijnde nesten mogen niet worden vernietigd. Broedende vogels mogen niet worden verstoord. Activiteiten welke verstorend zijn voor broedende vogels, zoals rooi- en sloopwerkzaamheden, dienen buiten de broedperiode te worden gestart. Het broedseizoen verschilt per soort.

Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en eind augustus. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet door een deskundig ecoloog worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Om kolonisatie door de rugstreeppad te voorkomen worden: Een paddenscherm geplaatst. De werkzaamheden zoveel mogelijk aanééngesloten uitgevoerd zodat de rugstreeppad geen kans krijgt om het plangebied te koloniseren. Eventueel aanwezig bandensporen, kuilen, plassen worden uitgevlakt, of worden voorkomen door rijplaten te gebruiken. Opslag van zand wordt afgedekt met plastic en de randen van het afdek plastic worden ingegraven zodat de rugstreeppad niet onder dit plastic kan komen. Om verstoring van de vliegroute van vleermuizen langs de bomenrij aan de zuidoostzijde van het plangebied te voorkomen word de bomenrij niet verlicht in de aanleg en gebruiksfase.

Gebiedsbescherming De voorgenomen ontwikkeling is verder niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op het NNN of een ecologische verbinding. Op voorhand kan in redelijkheid worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het ruimtelijke plan niet in de weg staat.

4.3

Bodem

Op basis van de Woningwet en het Bouwbesluit mag niet worden gebouwd op verontreinigde grond. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moet vaak een bodemonderzoek worden geleverd. Dit is een verplichting uit de Woningwet om de gezondheid en veiligheid te garanderen van mensen die wonen, werken of verblijven in het gebouw waarvoor vergunning wordt aangevraagd. Een bodemonderzoek is noodzakelijk wanneer: nog geen gegevens betreffende de bodemgesteldheid bekend zijn (dit betekent dus ook dat als er een bodemkwaliteitskaart is, er geen bodemonderzoek meer hoeft te komen); er meer dan twee uur per dag mensen verblijven; het bouwwerk de grond raakt en;

33

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

er na sloop wordt herbouwd. Plangebied Voorliggend plan maakt de omzetting van de agrarische bestemming naar een woonbestemming op het perceel ten zuidwesten van Westeinde 54 te Noordwijkerhout mogelijk. Daarnaast is burgerbewoning beoogd in de bestaande bedrijfswoning en naastgelegen bollenschuur te Westeinde 54 en 52. Ten derde wordt er een deel van het achtererf omgezet naar eersteklas bollengrond. Door middel van bodemonderzoek wordt aangetoond dat de bodem geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Onderzoek Een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodem- en asbestonderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 2.

Onderzoeksgebied met deellocaties 1 t/m 3 (bron: OpenTopo)

Op basis van de onderzoeksresultaten worden de navolgende conclusies getrokken: De grond ter plaatse van deellocatie 1 is plaatselijk sterk verontreinigd met enkele zware metalen. De grond ter plaatse van de deellocatie 2 en 3 is hooguit licht verontreinigd met enkele parameters. Het grondwater ter plaatse van deellocatie 1 en 3 is niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Het grondwater ter plaatse van deellocatie 2 is licht verontreinigd met nikkel. Ter plaatse van deellocaties 1 en 2 is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetoond. Het asfalt ter plaatse van deellocatie 1 is niet teerhoudend en komt in aanmerking voor hergebruik. Gelet op de onderzoeksresultaten kan de hypothese verdacht voor deellocaties 1 en 2 worden gehandhaafd. De hypothese onverdacht voor deellocatie 3 dient formeel te worden verworpen in verband met de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond). Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in

34

bestemmingsplan Westeinde 52 en 54, Noordwijkerhout

de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden voor deellocaties 2 en 3 vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen realisaties van woningen en het hierop volgende gebruik. De sterk verhoogde gehalten zware metalen ter plaatse van deellocatie 1 vormen en beperking voor het voorgenomen gebruik. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten kan de mate en omvang van de verontreiniging met zware metalen niet worden bepaald. De onderzoeksresultaten geven aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek om uitsluitsel te geven of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m³ aaneengesloten grond welke gemiddeld sterk verontreinigd is). Nader bodemonderzoek Nader bodemonderzoek is uitgevoerd, zie Bijlage 3. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld: De grond buiten de klinkerverharding is niet tot licht verontreinigd met zware metalen; De grond onder de klinkerverharding is sterk verontreinigd met zware metalen. De sterke verontreiniging is gerelateerd aan de aanwezige bodemvreemde bijmengingen, welke vermoedelijk ter fundering zijn aangebracht. De omvang van de verontreiniging binnen het plangebied van het nader bodemonderzoek wordt op ca. 230 m3 geraamd.

Er is derhalve, ingevolge de Wet bodembescherming, sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging; De klinkerverharding loopt buiten de grenzen van het plangebied van het nader bodemonderzoek door. Mogelijk is de omvang van de verontreiniging derhalve groter dan hierboven genoemd. Aangezien de verontreiniging gerelateerd is aan de aanwezige bodemvreemde bijmengingen en derhalve visueel is waar te nemen, wordt het niet doelmatig geacht om de verontreiniging verder in kaart te brengen middels aanvullende boringen en analyses. Op de onderzoekslocatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Voorgenoemde vormt een belemmering voor de voorgenomen functiewijziging van de locatie. De sterk verontreinigde grond is inmiddels verwijderd. Van deze verwijdering is een melding gedaan (verzoeknummer 2024012400052). Van deze verwijdering is door de Omgevingsdienst een evaluatieverslag ontvangen. Conclusie De bodemkwaliteit is geschikt te achten voor de beoogde functie(s).

4.4

Geluid

In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs alle wegen zones. In geval van het realiseren van geluidgevoelige bebouwing binnen deze zones dient een akoestisch onderzoek plaats te vinden. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe burgerwoning en het mogelijk maken van burgerbewoning in een bestaande agrarische bedrijfswoning en een monumentale bollenschuur. De woningen vormen geluidsgevoelige objecten in het kader van de Wet geluidhinder en zijn gelegen binnen de wettelijke geluidzone (Westeinde). In verband hiermee is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in Bijlage 4. Onderzoek In het onderzoek is de geluidsbelasting onderzocht vanwege wegverkeerslawaai afkomstig van het Westeinde, op de gevels van de te realiseren woningen. Hieruit blijkt dat de woningen niet voldoen aan de eisen wat betreft het wegverkeerslawaai die de Wet geluidhinder stelt aan geluidsgevoelige bebouwing. De overschrijding van de ten hoogste toelaatbare waarde van 48 dB bedraagt maximaal 5 dB vanwege het verkeer op het Westeinde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=4902cb64-dc86-4978-b522-dbcbfdf0f470