BP Herenweg 300, Noordwijkerhout - Toelichting (1)
Tekst van het document
Bestemmingsplan Herenweg 300, Noordwijkerhout
Planstatus: Vaststelling Bestemmingsplan Herenweg 300, Noordwijkerhout - Toelichting
Identificatie Kenmerk
: :
NL.IMRO.0575.BPBGHerenweg300NWH-VA01 A2331-07/LVL/BP-VO
Planstatus
:
Vastgesteld
Contactpersoon :
[n.t.b.]
V.C.A. Mientjes MSc
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE
I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
Inhoud toelichting 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Inleiding ........................................................................................................................ 6 Aanleiding ...................................................................................................................... 6 Ligging van het plangebied ............................................................................................ 7 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................... 7 Strijdigheid met het bestemmingsplan ........................................................................... 8 Leeswijzer ...................................................................................................................... 9
2. 2.1 2.2
Planbeschrijving ........................................................................................................ 10 Huidige situatie ............................................................................................................ 10 Planvoornemen ............................................................................................................ 10
3. 3.1 3.2 3.3 3.4
Beleidskader ............................................................................................................... 13 Rijksbeleid .................................................................................................................... 13 Provinciaal beleid ......................................................................................................... 14 Regionaal beleid .......................................................................................................... 17 Gemeentelijk beleid ..................................................................................................... 21
4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Omgevingsonderzoeken ........................................................................................... 23 Verkeer en parkeren .................................................................................................... 23 Bodemkwaliteit ............................................................................................................. 23 Archeologie en cultuurhistorie...................................................................................... 24 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................... 25 Geluid ........................................................................................................................... 28 Flora en Fauna (Ecologie – soortenbescherming)....................................................... 29 Stikstofdepositie (Ecologie – gebiedsbescherming) .................................................... 30 Luchtkwaliteit................................................................................................................ 31 Externe veiligheid ......................................................................................................... 35 Watertoets ....................................................................................................................
37 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................ 41
5. 5.1 5.2 5.3
Juridische aspecten .................................................................................................. 43 Inleiding ........................................................................................................................ 43 Opzet van de planregels .............................................................................................. 43 Uitleg van de planregels .............................................................................................. 43
6. 6.1 6.2 6.3
Uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 46 Maatschappelijk uitvoerbaarheid ................................................................................. 46 Financiële uitvoerbaarheid ........................................................................................... 46 Eindconclusie ............................................................................................................... 46
7.
Bijlagen ....................................................................................................................... 47
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
De eigenaren van de Herenweg 300 te Noordwijkerhout zijn voornemens om de bedrijfsactiviteiten op de percelen te beëindigen en de bedrijfsbebouwing te verwijderen. Het plangebied heeft als huidige bestemming ‘Agrarisch - Bollenteelt - Bollenzone 1’. Het plan van de initiatiefnemer is om voor een deel van het plangebied de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’ te behouden, en de bestemming van een gedeelte van het plangebied te wijzigen naar ‘Wonen’ en ‘Tuin’. In de huidige situatie is tevens een bedrijfswoning gevestigd. De te verwijderen bedrijfsbebouwing bestaat uit glazen kassen en opslagruimtes. Het planvoornemen is om de woning te behouden. De voorgenomen plannen passen qua omvang en functie niet binnen het huidige bestemmingsplan.
Tabel 1: Gegevens locatie Plaats
Noordwijkerhout
Locatie
Herenweg 300
Perceel
NWK04 – B – 2619, 3046 en 3047
Aanleiding onderzoek
Wijzigen van enkelbestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1 naar de enkelbestemmingen Wonen en Tuin en verwijderen bouwvlak op de enkelbestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1.
Oppervlakte onderzoeksgebied
6.680 m2
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt in de gemeente Noordwijk en is omgeven door weilanden. Ten noorden van het plangebied is het Oosterduinse Meer gesitueerd. De directe omgeving kenmerkt zich door zijn open karakter en bollengronden. De planlocatie ligt aan de Herenweg en sluit richting het noorden aan op de N206.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’ met codering NL.IMRO.0576.BP201400028-0003. Het plangebied kent de volgende bestemmingen: • •
Enkelbestemming: Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1 Dubbelbestemming: Waarde – Archeologie 1
Op de huidige bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’ is een woning gevestigd welke bij het bedrijf hoort. Op locatie geldt ook het paraplubestemmingsplan ‘Paraplu Bestemmingsplan Parkeren en Wonen’, welke is vastgesteld op 27 september 2018. In dit plan staan de regels betreffende parkeren in Noordwijkerhout. Dit paraplubestemmingsplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Er zijn in de gewenste situatie geen strijdigheden met bovengenoemde paraplubestemmingsplan.
1.4
Strijdigheid met het bestemmingsplan
De voorgenomen plannen passen qua omvang en functie niet binnen het huidige bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’. De bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Tuin’ dienen toegevoegd te worden aan de noordwest kant van het plangebied. De huidige bedrijfswoning krijgt een nieuwe functie als burgerwoning. Door het omzetten van de bestemming naar Wonen, wordt een bouwvlak toegevoegd aan het bestemmingsplan. De woning krijgt enkel een nieuwe functie, in het toekomstige plan worden dus geen aanpassingen voorzien aan het gebouw. De vrijkomende grond uit de bedrijfsbebouwing en de huidige agrarische bollengrond behouden in het nieuwe bestemmingsplan de bestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1. In de nieuwe situatie dient de grond met deze bestemming langdurig in stand te worden gehouden als 1e klas bollengrond. Voorgenoemde is verklaard in een bijdrageovereenkomst tussen de initiatiefnemer en het besloten vennootschap Greenport Ontwikkelingsmaatschappij B.V. (hierna te noemen: GOM). Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bouwvlakken en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient een nieuw bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin.
1.5
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan bestaat uit drie delen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven, planregels waarin de regels voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen en een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de planregels het bindende deel van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor onderwerpen zoals de huidige situatie en planvoornemen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, provinciaal, regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. Hoofdstuk 5 beschrijft het juridisch kader en in hoofdstuk 6 wordt de uitvoerbaarheid behandeld. De bijlagen behorende bij dit plan zijn benoemd in hoofdstuk 7. De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).
2.
Planbeschrijving
2.1
Huidige situatie
Het plangebied heeft in de huidige situatie een bedrijfsbestemming met de functie agrarische bollenteelt. De bedrijfswoning is gelegen in het noordwesten van de planlocatie. Richting het zuidoosten staan op de huidige grond houten en bakstenen schuren en glazen kassen. In onderstaand figuur is het plangebied afgebeeld.
2.2
Planvoornemen
Op de planlocatie aan de Herenweg 300 te Noordwijkerhout wordt de huidige bedrijvigheid gestopt. Daarom zullen de glazen kassen en schuren worden verwijderd. Een deel van het plangebied zal formeel de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’ krijgen. Het overige deel wordt aangemerkt als 1e klas bollengrond met de bestemming Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1. Eén houten schuur wordt behouden binnen de toekomstige woonbestemming. De al aanwezige woning zal worden omgezet van een bedrijfswoning naar een burgerwoning. Deze wordt omgezet naar een burgerwoning en niet naar een plattelandswoning aangezien de bedrijfsvoering volledig stopt, en het bij een plattelandswoning nodig is om actief bedrijf te houden. In de bovenstaande figuur zijn de te behouden woning en de houten schuur in het groen aangeduid. De te verwijderen kassen en schuren zijn oranje gemarkeerd.
Het planvoornemen is dat de GOM het huidige agrarische bollenteeltgebied zal herstructureren tot een 1e klas bollengrond. Omdat de eigen bedrijfsvoering stopt, zal deze grond in de toekomstige situatie worden verhuurd aan bollentelers uit de omgeving. Op de volgende pagina is een impressie te vinden van het plangebied.
3.
Beleidskader
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen.
3.1
Rijksbeleid
Nationale omgevingsvisie (NOVI) Tot 2030 moeten ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een Stedelijk Netwerk Nederland. Een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s waarbij het potentieel van heel Nederland benut wordt. Om de woningbouw een impuls te geven zijn 14 locaties benoemd waar overheden samen goed bereikbare grootschalige woningbouw gaan ontwikkelen. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking verbeteren we niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad. De belangrijkste keuzes die de rijksoverheid voorziet zijn: • • • •
Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; en Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.
Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Vanaf 12 woningen is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient gekeken te worden naar de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met de wijziging van de Laddersystematiek sinds 1 juli 2017 is het niet langer noodzakelijk in een ‘actuele regionale’ behoefte te voorzien (maar uiteraard wel nog steeds in een behoefte).
Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt in vergelijking met de voorgaande Laddersystematiek een uitgebreidere motiveringsplicht. Toetsing aan de ladder De provincie heeft hier in de Verordening Ruimte nadere invulling aan gegeven. Het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) definieert zij als “het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Nieuwe stedelijke ontwikkeling dient primair plaats te vinden binnen het BSD. Onderliggend planvoornemen betreft de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, hiermee is het plan niet Ladderplichtig. Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende plangebied. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader. 3.2
Provinciaal beleid
De Visie ruimte en mobiliteit en de daarbij behorende Verordening ruimte 2014 zijn op 1 april 2019 vervallen. In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Beide documenten zijn op 7 augustus 2021 vastgesteld. Daarnaast zijn beide documenten op 2 februari 2022 herzien, hierin zijn een aantal wijzigingen verwerkt. De oorspronkelijke documenten worden gebruikt ter beschrijving van het provinciaal beleid, tenzij een latere wijziging van toepassing is. Omgevingsvisie Zuid-Holland 2020 De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; en • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving.
De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: • De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); • Het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); • Het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); • Het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; en • De natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Omgevingsverordening Zuid-Holland
De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. In de omgevingsverordeningen worden geen regels beschreven die direct op wonen slaan. Wel staan een aantal verordeningen beschreven die slaan op bestemmingsplannen. Er wordt wat vermeld over ruimtelijke kwaliteit, stedelijke ontwikkelingen, Ke-contour Schiphol, NNN, bescherming landgoed- en kasteelbiotoop en ontheffing op natuur. Dit zijn onderwerpen die betrekking hebben op het plangebied en planvoornemen. Artikel 6.9: Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, onder de volgende ruimtelijke voorwaarden: 1. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen 2. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a.
Zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; 3. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a. Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en b. Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.14: 20 Ke-contour Schiphol In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.14 aandacht voor het afwegingsbeleid vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. Het plangebied is gelegen buiten de 20 Ke-contour van het LIB (zie onderstaand figuur). De 20 Ke-contour houdt in dat binnen die contour circa 20% van de mensen die blootgesteld wordt aan vliegverkeergeluid geluidgehinderd is en 10% ernstig geluidgehinderd. Het planvoornemen met betrekking tot de 20 Ke-contour en de externe veiligheid wordt in paragraaf 0 nader beoordeeld.
Artikel 6.17: Bollenteeltgebied In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.17 benoemd dat gronden binnen het bollenteeltgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II, primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toelaat, alsmede de daarbij behorende voorzieningen. Het plangebied valt onder het ‘Bollenteeltgebied’. •
Een bestemmingsplan voor het bollenteeltgebied als bedoeld in de bovenstaande alinea, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat op gronden die in het voorgaande bestemmingsplan zijn bestemd voor bollenteelt, voorziet in compensatie van bollenteeltgebied door middel van een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek.
Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Het planvoornemen past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in een wijziging op structuurniveau. Het planvoornemen draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit door het verbeteren van de openheid en belangrijke zichtlijnen door middel van het verwijderen van de bedrijfsbebouwing. De herontwikkeling, waarbij de huidige bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning, past binnen het provinciaal beleid. Hierbij is geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van de geluidscontouren of beperkingengebieden in het LIB valt.
Daarnaast valt het plangebied onder het bollenteeltgebied. Het planvoornemen omvat de omzetting van een gedeelte van de grond tot een 1e klas bollengrond zoals gesteld door de GOM, waarmee met name wordt bedoeld dat de huidige opstallingen worden verwijderd en de gronden in gebruik moeten worden genomen als kwalitatief hoogwaardige bollengrond. Een gedeelte van 750 m2 grond wordt herontwikkeld tot de enkelbestemmingen Wonen en Tuin. Het gaat ten koste van een “Bollenteeltgebied”, maar afgezien daarvan is de grond niet bollengrondcompensatieplichtig omdat dit perceeldeel reeds voor 1996 in gebruik is als tuin. De gemeente Noordwijk heeft verklaard dat het gebied bij herbestemming niet bollengrondcompensatieplichtig is. Een bijdrageovereenkomst is vastgelegd tussen de initiatiefnemer en de GOM. Conclusie provinciaal beleid Het planvoornemen ondervindt geen strijdigheid en past hierdoor binnen het provinciaal beleidskader.
3.3
Regionaal beleid
Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Het regionale samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, heeft op 24 juni 2009 de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) vastgesteld. Deze verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020. Na 2020 houdt de RSV rekening met een doorkijk naar 2030. Op diverse onderwerpen, werken de deelnemende gemeenten samen. Dit zijn onder andere ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. De RSV ziet een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio als belangrijk streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten. Specifiek voor de woningmarkt is het voorzien in een gedifferentieerd woonmilieu een streven. Het doel is om een topwoonregio in de Randstad te worden. Voldoende aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een kernpunt. Dit leidt tot de volgende kernbeslissingen: • •
Tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden; en Per gemeente moet 30% van de woningbouw in de sociale huursector worden gerealiseerd.
Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Het Algemene Bestuur van Holland Rijnland heeft op 14 maart 2018 de Regionale Woonagenda vastgesteld. De Woonagenda heeft betrekking op de regionale woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) en de bijbehorende planlijst wordt hierop afgestemd.
Woningbouwontwikkelingen moeten passen binnen de kaders die de provinciale Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) bieden. Beide prognoses kennen verschillende uitgangspunten, waardoor een bandbreedte voor de woningbehoefte ontstaat. In de regio Holland Rijnland is vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en de regio aantrekkelijk te houden voor huidige en toekomstige bewoners, heeft de regio de volgende keuzes gemaakt: 1. Tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; 2. Groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; 3. Een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; 4. Bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; 5. Een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; 6. Groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; 7. Langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; 8. Bereikbaar bouwen; en 9.
Solidariteit; Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (2016) ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van de ISG 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De ISG 2016 is een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie, maar dan wel met een zelfbindend karakter voor de betreffende gemeenten. De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro.
Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting. Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.
Landschapsvisie Hogeveensepolder Op 3 oktober 2014 heeft de GOM in samenwerking met Stichting Kavelruil, de Gemeente Noordwijkerhout, LTO Noord Duin- en Bollenstreek, Dienst Landelijk Gebied (DLG) en Hoogheemraadschap van Rijnland het rapport Landschapsvisie Hogeveensepolder vastgesteld. Het doel van deze visie is om zorg te dragen voor structuurverbetering van de Duin- en Bollengemeenten. Het behoud van het bollenlandschap in Noordwijkerhout is belangrijk voor de identiteit van de streek. Het landschap dient aantrekkelijk te zijn voor bewoners, recreanten en toeristen. Met deze visie wordt vooruitgekeken hoe de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd kan worden in de komende 20 jaar. Deze visie heeft de ambitie de strandwallen en strandvlaktes zichtbaar te maken en werkt toe naar een herstructurering van de polder vanwege de economische en landschappelijke vitaliseringsopgave. Hierbij worden de volgende uitgangspunten gegeven: • • • • •
Versterken van de hoofdstructuur, strandwal, strandvlakte; Verbeteren van de totale waterhuishouding en verkaveling; Verbeteren van bedrijfsontsluiting in het middengebied en daarmee de overige wegen van agrarisch verkeer ontlasten; Verbeteren van de openheid en belangrijke zichtlijnen; Tegengaan van verdere verrommeling.
Beoordeling planvoornemen regionaal beleid Noordwijkerhout is een onderdeel van een aantrekkelijk woongebied binnen de regio Holland Rijnland. De locatie ligt dichtbij duin en strand, waardoor de vraag naar woningen in het gebied hoog is. Dit geldt zowel voor de bestaande inwoners als toekomstige bewoners van buitenaf. Het planvoornemen heeft niet een directe impact op het woonaanbod in de regio, omdat in de eerste instantie dezelfde bewoners blijven wonen in de woning. De functieomzetting van bedrijfswoning naar burgerwoning draagt op de lange termijn wel bij aan de wens om het aantal woningen in de regio te vergroten. Het omzetten van een bedrijfswoning naar burgerwoning draagt bij aan een meer flexibel woonaanbod dat beter aansluit op de huidige behoeften. De locatie ligt in een gebied, aangewezen als ‘Herstructurering naar vitale Greenport met landschapsverbetering en integratie wateropgaven, sanering, schaalvergroting en intensivering van het bollencomplex’. Volgens de beleidsvoornemens die vanuit de ISG 2016 gelden is bebouwing in dit gebied niet toegestaan, tenzij de ontwikkeling verrommeling tegengaat en actief bijdraagt aan openheid van het landschap. Binnen de ISG komt dit tot uiting doordat geen nieuwe woningen worden toegestaan, met uitzondering van greenportwoningen. De GOMwoningen zijn enkel toegestaan met een GOM-overeenkomst.
Zoals eerder benoemd is in “Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid”, is deze herontwikkeling afgestemd en vastgesteld in de bijdrageovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de GOM. De planlocatie valt onder het gebied ‘Landschapsvisie Hogeveensepolder’. Het planvoornemen draagt bij aan het verbeteren van de openheid en belangrijke zichtlijnen door middel van het verwijderen van de bedrijfsbebouwing. Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Noordwijkerhout en de regio Holland Rijnland. Als gevolg van de beëindiging van de bedrijfsbebouwing op het perceel neemt de openheid van het bollengebied toe en wordt de bollengrond verbeterd. Op grond hiervan en de vastgestelde overeenkomst is het initiatief inpasbaar binnen het regionaal beleid.
3.4 Gemeentelijk beleid De locatie van het planvoornemen ligt binnen de voormalige gemeentegrens van Noordwijkerhout. Sinds de gemeente Noordwijkerhout gefuseerd is met de gemeente Noordwijk op 1 januari 2019, dient getoetst te worden aan het beleid van de fusiegemeente Noordwijk. Structuurvisie Noordwijkerhout In de structuurvisie Noordwijkerhout is beschreven dat voor het buitengebied de ISG geldt. Zoals beschreven in paragraaf 3.3 van dit hoofdstuk is het planvoornemen inpasbaar binnen deze visie. Opgemerkt wordt dat sinds de fusie (1 januari 2019), de gemeente Noordwijkerhout is opgegaan in de fusiegemeente Noordwijk. Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 De Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 met als ondertitel ‘Kiezen voor kwaliteit’ is op 2 september 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2013 geactualiseerd. Het doel van deze Structuurvisie is het behoud van de karakteristieke kenmerken van de verschillende landschappelijke zones die Noordwijk rijk is en deze te versterken door middel van een gebiedseigen invulling. In de Ruimtelijke Structuurvisie worden vijf zones onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.
Duinen, strand en zee; Binnenduinrandzone; Strandwal; Strandvlakte; en De Klei.
Zoals blijkt uit de onderstaande uitsnede uit de Structuurvisie, valt het plangebied binnen het gebied aangewezen als Zone IV: Strandvlakte. Dit entree naar de bebouwde kom van Noordwijk moet worden vormgegeven en kwalitatief hoogwaardig worden ingericht. De zone wordt gekenmerkt door: weidevogelgebied, jachthavens, agrarisch gebied en wonen in grootschalige ruimtes, vergezichten, lange lijnen en openheid in noord zuidelijke en oost westelijke richting. Het perceel bevindt zich in het buitengebied, zoals blijkt uit de kaart ‘Positionering in de regio’. Het perceel is gelegen in een gebied wat zich kenmerkt door de openheid van het bollenlandschap, de duinen en diverse verspreide bouwwerken.
Omgevingsvisie ‘Samen maken we de toekomst voor Noordwijk!’ De gemeente Noordwijk heeft op 23 februari 2022 een nieuwe omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie, met als ondertitel ‘Samen maken we de toekomst van Noordwijk’, fungeert nog in de ontwerpfase. Deze omgevingsvisie resulteert uit de nieuwe omgevingswet. Het is opgezet om gebruikt te worden door de hele gemeente voor de lange termijn en zal de huidige gemeentelijke beleidsvisies vervangen. De vijf thema’s voor de toekomst van Noordwijk zijn: 1. 2. 3. 4. 5.
Ondernemende gemeente; voldoende welvaart voor iedereen Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen Welzijn en gezondheid (cultuur en sport) Bereikbaarheid en Duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig (natuur).
Het thema “Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen” omschrijft een toekomst met voldoende woningen. De gemeente Noordwijk wil de grote variatie aan woningen in het gebied voor verschillende categorieën in stand houden. Daarom wordt ingezet op behoud en nieuwbouw van betaalbare woningen. Beoordeling planvoornemen gemeentelijk beleid Gelet op de ligging van het plan (binnen de gemeente Noordwijk) en de kenmerken van het plan (het toevoegen van één burgerwoning aan de woningvoorraad), bestaat geen strijdigheid met het gemeentelijke beleid vanuit de Structuurvisie en de Omgevingsvisie. Voor het voorliggende plangebied wordt op de ontwikkelingsperspectiefkaart uitgegaan van 'Behoud dorpsgebied en gerichte verbetering van de ruimtelijke kwaliteit'. Het voorliggende initiatief voorziet daarin. Conclusie gemeentelijk beleid De omzetting van de huidige bedrijfswoning naar een formele woonbestemming, in een groene omgeving, sluit goed aan bij het gemeentelijk beleid.
4.
Omgevingsonderzoeken
4.1 Verkeer en parkeren Op het eigen terrein is voldoende ruimte om auto’s te parkeren. In de huidige situatie zijn minimaal drie plekken waar auto’s geparkeerd kunnen staan. De planlocatie behoort tot het buitengebied van Noordwijkerhout, met een adressendichtheid van 314 per km 2 wordt het gebied geclassificeerd als niet stedelijk. Volgens de CROW-richtlijnen heeft deze vrijstaande (koop) woning minimaal 2 en maximaal 2,8 parkeerplaatsen nodig. In de beoogde situatie, waarbij de bedrijfsopstanden worden verwijderd, wordt rekening gehouden met minimaal 3 parkeerplaatsen. Hiermee wordt ruim voldaan aan de parkeereis. De woning is gesitueerd aan de Herenweg. Het plangebied kan worden bereikt door een aftakking van de Herenweg. De aftakking eindigt in een doodlopende ‘eigen’ weg met een maximale snelheid van 15 kilometer per uur. Bij het verlaten van het perceel kan de Herenweg in twee verschillende richtingen worden opgereden. In de noordoostelijke en zuidwestelijke richting kan de N206 bereikt worden. Daarnaast sluit de Herenweg in de zuidwestelijke richting aan op de oude dorpskern van Noordwijkerhout. Het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten en het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning zorgt niet voor een toename in vervoersbewegingen per dag. Het is mogelijk dat de verkeersgeneratie afneemt.
De ontwikkeling heeft daardoor geen negatieve invloed op het verkeersbeeld. Conclusie verkeer en parkeren Op basis van de vastgestelde gegevens zorgt het plan niet voor een belemmering wat betreft verkeer en parkeren. 4.2
Bodemkwaliteit
Aanleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is in april 2022 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door IDDS. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen De conclusie van het bodemonderzoek luidt als volgt.
Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en de aangetoonde overschrijding van de betreffende streefwaarde (grondwater), kan de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie worden aangenomen. Echter, de gemeten waarden zijn
dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen ten aanzien van het voorgenomen gebruik, zijnde voor een deel wonen met tuin en voor een deel bollengrond, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het volledige rapport is als bijlage bijgevoegd. Conclusie bodemgeschiktheid Op basis van het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmeringen bestaan voor het realiseren van een woning op de planlocatie. Dit milieuaspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.3
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta, ook wel de Conventie van Malta genoemd. Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Op 1 juli 2016 is de Wamz met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet, sindsdien dé wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Valletta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: • • •
Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; Het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; en De verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen Overeenkomstig met het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’ ligt de planlocatie in een zone met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’. In principe is hier een archeologisch onderzoek nodig. Echter, onder bepaling 4 is gesteld dat een dergelijk onderzoek niet nodig is indien wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten: a. Vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. Een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; c. Een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Gelet op het feit dat in het planvoornemen sprake is van een bestemmingswijziging en sloop van bestaande bebouwing waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid, is dergelijk onderzoek niet nodig.
Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is een gebiedsaanduiding betreffende een ‘overige zone’ aanwezig. Deze zone is mede bestemd voor het behoud van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden van de Hogeveensepolder. Bij de toepassing van een afwijking bij een omgevingsvergunning of een wijzigingsbevoegdheid uit de regels van dit plan ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - Hogeveensepolder' moet worden voldaan aan de ontwerpprincipes, zoals vastgesteld in de ‘Landschapsvisie Hogeveensepolder’ en beoordeeld in paragraaf 3.3 (regionaal beleid). Beoordeling planvoornemen Het huidige planvoornemen zal geen van de richtpunten rondom het ‘Bollenlandschap’ verstoren. De locatie van het planvoornemen zal meer open worden door het verwijderen van de bedrijfsopstanden. De omgeving is altijd een open landschap geweest met agrarische functies. Onderliggend planvoornemen zal de openheid van het gebied waarborgen.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt is er geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4
Bedrijven en milieuzonering
Aanleiding De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar ook het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand.
Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is.
In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen Binnen en rondom het plangebied vindt agrarische bedrijvigheid van bollenteelt plaats. In de nabije omgeving zijn verschillende bedrijven gevestigd.
Uitgaande van dit gegeven wordt aangenomen dat het een gemengd gebied betreft, waardoor één stap terug kan worden teruggezet van de richtlijnen afstanden. Ten noorden van het plangebied is een garagebedrijf gevestigd. Dit bedrijf heeft een categorie 2 volgens de VNG-richtlijnen. Hierbij hoort een richtafstand van 10 meter. Ten westen van het perceel is een hoveniersbedrijf gevestigd. Dit bedrijf behoort tot categorie 3.1 van de VNGrichtlijnen. Hier hoort een richtafstand van 30 meter bij. Voorbij het hoveniersbedrijf in de westelijke richting ligt een timmerfabriek. Een bedrijf van deze specifieke vorm valt onder categorie 2, waarbij een richtafstand van 10 meter hoort. Daarnaast ligt in de noordwestelijke richting een bedrijf zonder functieaanduiding. Hierbij wordt uitgegaan van de worst-case scenario, dat is in dit geval categorie 4.1 met een richtafstand van 100 meter. De afstanden zijn in de onderstaande afbeelding geografisch weergeven. De richtafstand van het hoveniersbedrijf tot de dichtstbijzijnde woning is exact 30 meter. Geconcludeerd wordt dat de woning op genoeg afstand van de bedrijven ligt. Het omliggende agrarische bollenteeltgebied behoort tot categorie 2 volgens de VNG-richtlijnen, hierbij hoort een afstand van 10 meter. Betreffende de omliggende bestemming ‘Agrarisch’, geldt een richtafstand van 10 meter in een gemengd gebied.
De buffer hiervan is op onderstaande afbeelding weergegeven. Zoals te zien op onderstaande afbeelding, wordt het plangebied omringd door agrarische gronden. Planologisch gezien wordt niet voldaan aan de richtafstand van 10 meter, omdat het plangebied direct grenst aan de agrarische grond.
Echter, op onderstaande figuur is te zien dat wanneer wordt gekeken naar de feitelijke afstand tussen de woning en de agrarische grond, met 12 meter wel ruim wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter. Op basis hiervan wordt geoordeeld dat milieuzonering geen belemmering is voor het planvoornemen, en sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.5
Geluid
Aanleiding Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Het plangebied ligt niet aan een drukke weg of spoorlijn (railverkeerlawaai), op een afstand van 185 meter ligt de Provincialeweg N206. Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een ‘zone’, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De ‘zone’ is een aandachtsgebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. Toetsing van niet gezoneerde wegen is in het kader van de Wgh niet aan de orde. In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing dient echter wel aangegeven te worden in hoeverre nabij gelegen 30 km/uur wegen een relevante invloed uitoefenen op het akoestisch klimaat ter plaatse.
Wegens de ligging van het plangebied aan een 15 km/uur weg, welke ook nog eens een privé weg bedraagt, kan aangenomen worden dat er geen sprake is van wegverkeerslawaai afkomstig van deze weg. Deze weg gaat over op de Herenweg, waar een maximumsnelheid van 50 km/u geldt. Opgemerkt wordt dat aan deze weg al woningen liggen, welke een stuk dichter bij de weg liggen dan het plangebied. Hiervoor wordt verwezen naar onderstaande figuur. Omdat deze woningen al vergund zijn op korte afstand van de Herenweg, is onderzoek naar wegverkeerslawaai niet nodig. Wegverkeerslawaai vormt samengevat geen belemmering voor het planvoornemen.
Conclusie geluidhinder Akoestisch onderzoek naar wegverkeer is wegens de ligging van het plangebied niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 4.6
Flora en Fauna (Ecologie – soortenbescherming)
Aanleiding In verband met de voorgenomen beëindiging van de bedrijfsactiviteiten, waarbij bedrijfsbebouwing wordt verwijderd, is inzicht nodig in de gevolgen voor (beschermde) flora en fauna. Dit in het kader van de Wet natuurbescherming. Beoordeling planvoornemen Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of Natuur Netwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten.
Vleermuizen: binnen de invloedsfeer van werkzaamheden kunnen gebouwbewonende vleermuizen verblijven (Tabel 1). Indien tijdens de sloopwerkzaamheden met felle bouwverlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan dit voor verstoring van verblijven zorgen. Om verstoring van vleermuizen en overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming te voorkomen, wordt geadviseerd om felle (bouw)verlichting tussen zonsondergang en zonsopkomst te doven en niet te schijnen op de omliggende gevels en bomen. Op deze manier wordt verstoring van eventuele verblijfplaatsen van vleermuizen in en rondom het plangebied voorkomen en hoeft er geen nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog.
Indien broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is. Tabel 2: Overzicht van soorten waarmee in het vervolg van het project rekening gehouden moet worden. Soortgroep
Soort (wetenschappelijke soortnaam)
Vervolgtraject
Vogels waarvan het nest niet jaarrond beschermd is
Diverse algemene vogelsoorten
Mitigerende maatregelen
Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)
Mitigerende maatregelen
Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)
Mitigerende maatregelen
Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)
Mitigerende maatregelen
Laatvlieger (Eptesicus serotinus)
Mitigerende maatregelen
Vleermuizen
Het volledige rapport betreffende flora en fauna is bijgevoegd als bijlage met kenmerk A233103BHUqs1. Conclusie flora en fauna Beschermde soorten zijn uitgesloten binnen het plangebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoering van de werkzaamheden. 4.7
Stikstofdepositie (Ecologie – gebiedsbescherming)
Aanleiding De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen.
Door deze uitspraak dienen stikstofberekeningen te worden uitgevoerd zoals voor 1 juli 2021 het systeem was. Dit betekent dat zoals onder de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig kan zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep).
Beoordeling planvoornemen Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Aangezien de gebruiksfase van het planvoornemen tot een bevordering leidt, waarbij verschillende gebouwen worden afgebroken en de bedrijfsactiviteiten worden gestaakt, zal het planvoornemen niet leiden tot een toename van stikstofdepositie in de gebruiksfase. Een stikstofdepositie voor de gebruiksfase is hierom niet doelmatig. Met het planvoornemen wordt bestaande bebouwing gesloopt, wat leidt tot een beperkte tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Gelet op de afstand van meer dan 2,0 kilometer tot stikstofgevoelig gebied, en het feit dat het een relatief klein project betreft waarbij alleen sprake is van sloop, wordt geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat het project niet leidt tot een significante toename van stikstofdepositie. Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen betreft een klein project op ruime afstand van stikstofgevoelig gebied, waarbij alleen sprake is van sloop. Om deze reden is een stikstofberekening niet doelmatig. 4.8
Luchtkwaliteit
Aanleiding Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen.
Tabel 1: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
NO2
PM10 PM2,5
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
40
Jaargemiddelde concentratie
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM). Vanaf 1 januari 2023 wordt het CIMLK het nieuwe instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit nu in het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en later onder de Omgevingswet (Ow). Om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren is er monitoring. Het doel is het bewaken van de kwaliteit van de buitenlucht en het tijdig signaleren van een (dreigende) overschrijding van omgevingswaarden. Het gebruikte instrument voor de monitoring is het CIMLK. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden.
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10), die nemen deel aan de jaarlijkse monitoring. AMvB en Regeling niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen.
Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan worden gesteld dat het planvoornemen niet in betekende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Atlas Leefomgeving waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuren zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.
Uit bovenstaande figuren blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de omliggende wegen nabij het plangebied voor de voorgenoemde stoffen achtereenvolgens maximaal 14,0 en 16,0 μg/m³ zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 μg/m3 voor PM2,5. Deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 8,0 μg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de daggemiddelde grenswaarde vaker dan het maximum van 35 dagen wordt overschreden. Tabel 3: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Maximale achtergrondwaarde in de NSLmonitoringstool
Jaargemiddelde grenswaarde conform de Wet milieubeheer
[μg/m3]
[μg/m3]
NO2
14,0
40
PM10
16,0
40
PM2,5
8,0
25
Stof
Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Ook voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Externe veiligheid
Aanleiding Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen. Hier worden gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of gebruikt. Daarnaast wordt er gekeken naar vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (zoals een woning of recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie.