CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Duindamseweg 1-3_Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 11 juli 2024, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Doorgeschoven naar september 2024 Bestemmingsplan ‘Duindamseweg 1 – 3’15.038 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

37/116

De manege wordt in de bestaande situatie beperkt door de aanwezige woning aan de Kraaierslaan 2. Deze woning bevindt zich op een afstand van circa 67 meter tot de manege. De aanwezigheid van dit geurgevoelige object bepaalt reeds in de huidige situatie de ontwikkelruimte van de manege. Gezien de ligging van deze woning zijn er voor de manege geen reële uitbreidingsmogelijkheden in zuidwestelijke richting. Er is daarmee geen sprake van nadere beperking van het manege als gevolg van het voorgenomen initiatief. Met betrekking tot het woon- en leefklimaat wordt opgemerkt dat het overgrote deel van de manege op meer dan 100 meter van de beoogde woningen is gelegen. Slechts een beperkt deel van de lucht verlaat de stal aan de zijde van de Duindamseweg. De locatie van de vaste mestopslag ligt op grote afstand van de beoogde woningen. De afstand van de mestopslag tot de meest nabij gelegen nieuwe woning bedraagt circa 130 meter zodat ruimschoots wordt voldaan aan de minimumafstand van 100 m. Er is daarom geen kans op geurhinder als gevolg van de opslag van paardenmest. Verder is van belang dat paarden geen kuilgras eten maar het veel drogere voordroogkuil of volledig gedroogd hooi. Dit voer produceert geen stank waardoor de situering van de opslag van ruwvoer van paarden niet van belang is vanuit het oogpunt van geurhinder.

Tot slot is van belang dat er geen sprake is van cumulatie van geur (meerdere bedrijven met geuruitstoot). Uit een inventarisatie op basis van de vigerende bestemmingsplannen volgt dat in de directe omgeving geen (intensieve) veehouderijen zijn gelegen. Het betreffen voornamelijk tuinbouwbedrijven. Hierdoor is in het gebied sprake van een lage achtergrondbelasting (de geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt 'achtergrondbelasting' genoemd). Gezien de hiervoor genoemde redenen kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen aanvaardbaar worden geacht m.b.t. het aspect geur. Bollenteelt Ten zuiden grenst de planlocatie aan bollenteeltgronden. Er bestaan geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen (nieuwe) woningen. Er dient een locatiespecifiek onderzoek uitgevoerd te worden waarin de relevante kenmerken van de teelt en de directe omgeving worden geïnventariseerd om te beoordelen of het bestaande bedrijf niet wordt beperkt en of er bij de nieuwe woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een dergelijk onderzoek is uitgevoerd door Adromi en is opgenomen in bijlage 2.

In het onderzoek wordt geconcludeerd dat op een afstand van 5 meter het maximale blootstellingsniveau aan individuele gewasbeschermingsmiddelen circa 36,6% van het maximaal toegelaten blootstellingsniveau is. Wel dienen er verschillende onzekerheidsfactoren gewogen te worden. Met het oog op deze onzekerheden kan er worden gekozen voor de plaatsing van een wintergroene (wind)haag van ca. 1,5 meter langs de zuidoostelijke perceelsgrens. Vanwege het belang van het plaatsen van deze windhaag is dit verankerd in de regeling behorend bij dit plan. Conclusie Het aspect Bedrijven en milieuzonering staat de vaststelling niet in de weg. Bestaande bedrijven worden niet in hun belangen geschaad en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

38/116

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk onderbouwing uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1. Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof

Toetsing van

Grenswaarde

stikstofdioxide (NO2)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate bijdragen In dit Besluit niet in betekenende mate bijdragen is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Ter plaatse van het plangebied worden maximaal 22 woningen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate bijdragen onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg.

Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2019 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

39/116

De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Duindamseweg. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen, zie ook figuur 4.2. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Figuur 4.2: Uitsnede plangebied en directe omgeving van NSL-monitoringstool 2019 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat

4.6

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit plan wordt in het kader van het wettelijk vooroverleg, overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader wordt behandeld.

40/116

Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027  Omgevingsverordening Zuid-Holland  Omgevingsvisie Zuid-Holland Waterschapsbeleid Het algemeen bestuur van Rijnland heeft op 29 september 2021 het nieuwe Waterbeheerplan 'Water wijst de weg' (WBP6) vastgesteld. In het WBP6 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2022 -2028. Daarmee realiseert Rijnland de ambities uit het coalitieakkoord, zodat het gebied nu en in de toekomst goed beschermd wordt tegen overstromingen en wateroverlast, er een goede waterkwaliteit ontstaat, het afvalwater op duurzame wijze wordt gezuiverd en de grondstoffen worden hergebruikt. In het WBP6 speelt goed waterbeheer, in meerdere maatschappelijke uitdagingen waaronder klimaatverandering, de hoofdrol. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij:  waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden);  watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken);  andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen);  de bodem van kwelgevoelige gebieden.

Maar ook aan het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Op 1 juni 2020 is de meest recente Keur van Rijnland in werking getreden. De Keur is een juridisch document (verordening) waarin Rijnland regelt stelt die nodig zijn om binnen het beheergebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoon oppervlaktewater te bieden. In de Keur zijn verschillende geboden en verboden opgenomen. Hierop kan echter door het waterschap ontheffing worden verleend. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto's wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater.

De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

41/116

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat. Onderzoek Huidige situatie Het plangebied wordt voor het overgrote deel gebruikt voor agrarische doeleinden. In de bestaande woning (3A) wordt gewoond. Daarnaast is verharding aanwezig door verschillende bijgebouwen. Het plangebied is gelegen op grond wat bestaat uit leemarm zand in stuifduinen en stranden, zie figuur 4.3. Daarnaast ligt het plangebied in een gebied met grondwatertrap IIb. Dit betekent dat de laagste grondwaterspiegel zich tussen 50 en 80 cm beneden NAP begeeft. De hoogste grondwaterspiegel bevindt zich tussen de 25 en 40 cm beneden NAP, zie figuur 4.4.

Figuur 4.3: Uitsnede Bodemkaart Nederland en plangebied (blauwe cirkel)

Figuur 4.4: Uitsnede kaart Grondwatertrappen

42/116

Waterkwantiteit Om en in het plangebied ligt oppervlaktewater in de vorm van een sloot. Dit water valt in de categorie 'overig oppervlaktewater'. Eigenaren van aanliggende percelen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud.

Figuur 4.5: Uitsnede Legger Oppervlaktewater Hoogheemraadschap van Rijnland Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale/primaire waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde situatie betreft maximaal 22 Greenportwoningen met bijbehorende voorzieningen. Waterkwantiteit Bij een toename verhard oppervlak van 500 m² of meer geldt een compensatie eis vanuit het Hoogheemraadschap. In de huidige situatie is het plangebied voor circa 2.250 m2 verhard. In de toekomstige situatie is circa 6.073 m2 verhard. De verharding neemt met circa 3.823 m2 toe. Watercompensatie is voor dit plan dan ook vereist. Minimaal 15% van de toename aan verharding dient gecompenseerd te worden door een toename van oppervlaktewater. Omgerekend is dit 573,5 m2 aan oppervlaktewater. In de beoogde ontwikkeling wordt een totaal van circa 2.144 m2 aan oppervlaktewater gerealiseerd. Dit is een toename van circa 1.908 m2 ten opzichte van de huidige situatie (circa. 236 m2). Procentueel wordt circa 31% van de toename aan verharding gecompenseerd in aanleg van oppervlaktewater.

43/116

Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting;  (in-) filtratie van afstromend hemelwater;  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap mag worden gebouwd, geplant of opgeslagen.

De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de beoogde ontwikkeling wordt advies van het Hoogheemraadschap van Rijnland ingewonnen. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.7

Ecologie

Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk project dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit plan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

44/116

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden:  Natuurnetwerk Nederland (NNN)  Natura 2000-gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb.

In de provincie Zuid-Holland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de “overig” beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.6). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het NNN, een weidevogelgebied of van een strategisch gereserveerd natuurgebied van de provincie Zuid-Holland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Coepelduynen, ligt op een afstand van circa 400 meter. Dit is tevens het dichtstbijzijnde NNN gebied.

45/116

Figuur 4.6: Nabijgelegen Natura 2000-gebieden / NNN-gebieden en plangebied (rode cirkel) De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 22 woningen. Gezien de afstand en ligging tot Natura 2000 zijn effecten als vernietiging/areaalverlies, versnippering verandering van de waterhuishouding of verstoring op voorhand uit te sluiten. Het enige mogelijk relevante ecologische effect betreft vermesting/verzuring als gevolg van stikstofdepositie. Om te bepalen of een mogelijke toename van stikstofdepositie optreedt ten gevolge van de ontwikkeling, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De bijbehorende berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase zijn opgenomen in bijlage 4 en 5. Uit de verschilberekening blijkt dat de stikstofdepositie in zowel de bouw- als gebruiksfase getalsmatig gelijk blijft danwel afneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Per saldo leidt het project dus niet tot een toename in stikstofdepositie. Nader onderzoek is niet nodig. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een quick scan flora- en fauna uitgevoerd door IDDS op 11 juni 2019, zie bijlage 6.

Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rusten verblijfplaatsen worden aangetast van de in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Wel moet tijdens de werkzaamheden rekening gehouden worden met mogelijk kolonisatie van het plangebied door rugstreeppad en/of oeverzwaluw. Drie jaar na de uitvoering van de ecologische quick scan is deze geactualiseerd (zie bijlage 7). Hieruit is gebleken dat het plangebied mogelijk geschikt is voor verblijfplaatsen van rugstreeppadden. De overige conclusies uit de quick scan blijven van kracht. In oktober 2022 is een aanvullend onderzoek naar de rugstreeppad uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen rugstreeppadden in het plangebied zijn aangetoond.

46/116

De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hieronder wordt uitgelegd hoe aan de zorgplicht kan worden voldaan: 

       

Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en half augustus. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode. Maai afgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de watergang en de doorgaande weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de watergang in gejaagd waar ze kunnen verdrinken of over de weg waar ze kunnen worden overreden. Voer de werkzaamheden uit tussen zonsopgang en zonsondergang zodat vleermuizen en andere nachtactieve dieren niet verstoord worden. Indien werkzaamheden na zonsondergang onvermijdelijk zijn, beperk dan zoveel mogelijk het gebruik van licht op het terrein en maak gebruik van gerichte lichtbronnen waarbij de boven- en achterzijde afgeschermd zijn. Wees tijdens de werkzaamheden alert op de aanwezigheid van (beschermde) soorten en geef deze de tijd en ruimte om te vluchten. Schakel steeds een deskundige in bij het aantreffen van beschermde soorten.

Indien nieuw zand wordt aangebracht: Opslag van open vergraafbaar zand wordt afgedekt met wegendoek of plastic. Randen minimaal 10 cm ingraven, zodat geen kieren en gaten ontstaan waar rugstreeppad onder kan kruipen. In het actieve seizoen van de rugstreeppad van maart tot oktober: (Grond)werkzaamheden worden zoveel mogelijk aaneengesloten uitgevoerd. Het zoveel mogelijk aaneengesloten uitvoeren van grondwerkzaamheden helpt om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen. Er wordt, met name in de voortplantingsperiode (april-september) voorkomen dat ondiepe vegetatieloze plassen kunnen ontstaan, door rijplaten te gebruiken.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten. Wel geldt een aantal maatregelen en de zorgplicht. Verder wordt geconcludeerd dat er geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden plaatsvindt. De ontwikkeling niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.

47/116

4.8

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Voor de twee percelen (Duindamseweg 1 en Duindamseweg 3) heeft afzonderlijk bodemonderzoek plaats gevonden. Begin juli 2019 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van Duindamseweg 1, zie ook bijlage 9. In dit onderzoek is het terrein inclusief de aanwezige schuur onderzocht. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  In de grond zijn zintuiglijk zeer plaatselijk (boring 08) bijmengingen met bodemvreemde materialen (sporen baksteen) waargenomen.  Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen.

 De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met lood, kwik en PCB.  De ondergrond is niet verontreinigd.  Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met barium en naftaleen. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden en/of de streefwaarden, dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel, ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Op 1 maart 2017 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Soilution ter plaatse van Duindamseweg 3, zie ook bijlage 10. Soilution heeft op 6 oktober 2023 de conclusie van het in 2017 uitgevoerde onderzoek te handhaven omdat er geen bodembedreigende activiteiten zijn uitgevoerd sinds 2017 en daarom worden de destijds gevonden gehalten momenteel representatief geacht (zie bijlage 11).

Aan de hand van de resultaten van het onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:  de geanalyseerde grondmengmonsters van de bovengrond zijn uitgezonderd een incidenteel licht verhoogde concentratie voor kwik, hexachloorbenzeen of heptachloorepoxide (som), niet verontreinigd met de onderzochte stoffen. Het separate op OCB geanalyseerde grondmonster, bevat geen verontreinigingen;  in de geanalyseerde grondmengmonsters van de ondergrond, zijn geen verontreinigingen aangetoond;  de geanalyseerde grondwatermonsters zijn licht verontreinigd met naftaleen;  in de sterk glashoudende laag ter plaatse van AS05 is geen asbest waargenomen of aangetoond.

48/116

De gemeten lichte verontreinigingen met OCB en kwik in de toplaag kunnen worden toegeschreven aan de voormalige teeltactiviteiten. Voor de zeer licht verhoogde concentraties naftaleen in het grondwater is geen directe verklaring. De licht verhoogde concentraties aan verontreinigde stoffen geven geen aanleiding voor vervolgonderzoek en leveren geen beperking op het betreffende gebruik van de locatie. Indien bij een herinrichting grond van het terrein vrijkomt leveren de lichte verontreinigingen mogelijk beperkingen op het betreffende gebruik van deze grond. Bij een aantal boorpunten (AS02, AS03 en AS05) is glas in de bodem aanwezig. Bij herontwikkeling dient er rekening mee te worden gehouden dat de bodem ter plaatse van deze glashoudende laag niet geschikt is voor het gebruik als tuin. Binnen het plangebied is asfalt aanwezig. Mogelijk is onder dit asfalt een asbesthoudende verhardingslaag aanwezig. Onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de grond onder het asfalt zal plaatsvinden als blijkt dat onder het asfalt een asbesthoudende verhardingslaag aanwezig is. Mocht dit onderzoek nodig zijn zal het worden aangeleverd bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van de woningen. Conclusie Uit beide onderzoeken volgen geen verontreinigingen die het toekomstige gebruik van de grond kunnen belemmeren. Het aspect Bodem staat de ontwikkeling niet in de weg.

Wel dient bij de aanvraag van de omgevingsvergunning een onderzoek aangeleverd te worden naar:  de aanwezigheid van asbest in de grond onder de asfaltverharding als blijkt dat onder het asfalt een asbesthoudende verhardingslaag aanwezig is;  de aanwezigheid van asbest in de schuur op het perceel van Duindamseweg 1 als blijkt dat hier asbest aanwezig is.

4.9

Archeologie en cultuurhistorie

Toetsingskader Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

49/116

Beoordeling en conclusie Op de Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordwijk (2020) is het plangebied aangegeven met de categorie 6, ofwel een middelhoge verwachting. Hiervoor geldt dat grondroerende werkzaamheden die op een diepte plaatsvinden van 30 cm of dieper en een oppervlakte hebben van minimaal 500 m2, onderzoeksplichtig zijn. Aangezien met de beoogde herinrichting voornoemde drempelwaarden worden overschreden is een archeologisch onderzoek uitgevoerd ter plaatse van Duindamseweg 1, zie bijlage 12. Op basis van de resultaten van het booronderzoek blijkt dat het met boringen onderzochte deelgebied gelegen is op strandvlakteafzettingen die verstoord zijn geraakt ten gevolge van de bloembollenteelt. De archeologische verwachting van het plangebied kan worden bijgesteld naar laag voor alle periodes. Ook is ter plaatse van Duindamseweg 3 een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd in het kader van een eerdere beoogde ontwikkeling op dit perceel. Uit het onderzoek blijkt dat de bovengrond is omgewerkt tot een diepte van 120 tot 300 cm-mv. Dit is waarschijnlijk ontstaan doordat het perceel is omgewerkt ten behoeve van grondverbetering voor de landbouw. Er zijn geen potentiële archeologische lagen aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen voor archeologische resten.

Er wordt geadviseerd het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Gezien de aangetroffen zeer diepe verstoringen en de afwezigheid van potentiële archeologische relevante lagen kan het plangebied, in afwijking van de archeologische waardenkaart en beleidsadvieskaart 2020, volledig worden vrijgegeven. Hierom is er geen archeologische dubbelbestemming opgenomen in de regeling van dit bestemmingsplan. Het aspect Archeologie en cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

50/116

Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek De risicobronnen in de omgeving zijn geïnventariseerd aan de hand van de professionele risicokaart (https://nederlandprof.risicokaart.nl). In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen of vervoerstrajecten van gevaarlijke stoffen over de weg, spoor of water aanwezig. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

4.11 Planologisch relevante leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Zowel in het plangebied als in de directe omgeving van het plangebied liggen geen planologisch relevante leidingen. Ook zijn hier geen hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Er wordt daarom geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling.

51/116

4.12 Duurzaamheid Toetsingskader Gemeente Noordwijk vindt duurzaam bouwen belangrijk. Duurzaam bouwen is zodanig bouwen dat zo min mogelijk negatieve effecten op het milieu en de menselijke gezondheid ontstaan, gedurende de hele levensloop van het bouwwerk en de gebouwde leefomgeving. Noordwijk streeft er naar bij elk bouwplan de schade aan het milieu op korte en lange termijn zoveel mogelijk te beperken. Zij wil daarmee de kwaliteit en duurzaamheid van de ontwikkelingen op een zo hoog mogelijk niveau brengen. In de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 is vastgelegd om in 2030 energie neutraal en klimaat bestendig te zijn. Alle huidige en toekomstige ontwikkelingen zullen daar aan bij moeten dragen. Immers wat nu al voldoet hoeft niet meer aangepast te worden voor 2030. Dit gaat verder dan de toekomstige wettelijke wijziging van nieuwbouw. Alle bouwwerken (oud en nieuw) zullen een bijdrage moeten leveren aan deze doelstelling door energie te besparen en/of duurzaam op te wekken. Het advies is om toekomstige ontwikkelingen energie neutraal te realiseren. Op stedenbouwkundig, landschappelijk en sociaal niveau wil de gemeente hoogwaardige en duurzame plannen realiseren. Er dient daarbij o.a. aandacht besteed te worden aan de inpassing in de omgeving, oriëntatie, flora en fauna en waterhuishouding.

Stedenbouw Het plan is in harmonie ontworpen met de omgeving door de bebouwing zoveel mogelijk te laten aansluiten op bestaande schaal, structuur, karakter en architectuur van de reeds aanwezige bebouwing. Omgevingskwaliteit Aandacht voor maatschappelijk, sociaal en veilig wonen, met logische aansluitingen tussen openbaar en privé. Er wordt (deels) een nieuw ontsluitingsstructuur gerealiseerd waarmee een duidelijke ingang wordt gerealiseerd voor (langzaam) bestemmingsverkeer welke herkenbaar is voor iedereen. Waterhuishouding Het hemelwater wordt lokaal opgevangen en is gescheiden door afkoppeling van het vuilwaterriool. Bebouwing Als het gaat om de bebouwing dan wordt gestreefd naar het realiseren van een duurzame ontwikkeling waar mensen veilig kunnen wonen. De woningen worden dan ook goed toegankelijk en functioneel alsmede veilig gemaakt. Het plan past zich zoveel mogelijk aan op de bestaande bebouwingsstructuren van de directe omgeving. Bij de (technische) uitwerking van de gebouwen zal nader inzichtelijk worden gemaakt welke maatregelen ten aanzien van duurzaamheid toegepast worden. De woningen zullen gasloos worden uitgevoerd. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling.

52/116

4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Beleid en Normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van maximaal 22 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is.

De aanmeldnotitie is opgenomen in bijlage 14. Op basis hiervan heeft het bevoegd gezag een m.e.r. beoordelingsbesluit opgesteld. Dit besluit is toegevoegd in bijlage 15. Hierin is aangegeven er geen MER nodig is.

53/116

54/116

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische plantoelichting

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de planregels. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. Inleidende regels. 2. Bestemmingsregels. 3. Algemene regels. 4. Overgangs- en slotregels.

5.2

Inleidende regels

In dit hoofdstuk zijn de begrippen en wijze van meten opgenomen. Begrippen (artikel 1) Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.3

Bestemmingsregels

Artikel 3 Groen De landschappelijke inpassing binnen het plangebied is voorzien van de bestemming Groen. Naast groen zijn tevens water, waterberging, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en voet- en fietspaden toegestaan binnen deze bestemming. Het bouwen van gebouwen is binnen de bestemming niet toegestaan. Enkel het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde met een maximale bouwhoogte van 3 m is toegestaan. Artikel 4 Tuin De tuinen van de woningen richting de Duindamseweg en naar de waterranden zijn bestemd met de bestemming Tuin. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - wintergroene windhaag' dient een wintergroene windhaag van 1,5 meter te worden gerealiseerd ter afscherming van de woningen. Onder de specifieke gebruiksregels is vastgelegd dat het gebruik van de gronden alleen is toegestaan indien de windhaag is uitgevoerd en/of in stand wordt gehouden.

55/116

Artikel 5 Verkeer De ontsluiting van de woningen richting de Duindamseweg is voorzien met de bestemming Verkeer. Deze gronden zijn bestemd voor wegen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, waterhuishoudkundige voorzieningen en straatmeubilair. Binnen de bestemming mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Artikel 6 Water Naast water zijn tevens infiltratiegebieden, oevers, bruggen, duikers, nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en/of waterkering toegestaan. Het bouwen van gebouwen is binnen de bestemming niet toegestaan. Enkel het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van waterstaatkundige doeleinden is toegestaan. Artikel 7 Wonen Binnen de woonbestemming zijn gronden aangewezen behorende bij wonen. Tevens zijn aan-huis-gebonden beroep en bedrijf, tuinen en erven, parkeervoorzieningen, groen- en speelvoorzieningen, water en waterberging toegestaan. Binnen de bestemming zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan. Per bouwvlak is één woning toegestaan. De bouw- en goothoogte van hoofdgebouwen bedraagt respectievelijk 9 en 5 m. Tevens zijn er enkele regels opgenomen om de stedenbouwkundige kwaliteiten van de ontwikkeling te waarborgen. Dit zijn een inhoudsmaat van de woningen, minimale afstanden van de woningen tot de perceelsgrenzen en oppervlaktematen van de percelen.

Ook is een regel opgenomen om te waarborgen dat parkeervoorzieningen naast de woningen worden gesitueerd. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - wintergroene windhaag' dient een wintergroene windhaag van 1,5 meter te worden gerealiseerd ter afscherming van de woningen. Onder de specifieke gebruiksregels is vastgelegd dat het gebruik van de gronden alleen is toegestaan indien de windhaag is uitgevoerd en/of in stand wordt gehouden.

5.4

Algemene regels

Dit hoofdstuk (artikel 8 t/m 12) bevat een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, afwijkingsregels, wijzigingsregels en overige regels.

5.5

Overgangs- en slotregels

In artikel 3.2.1 Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In artikel 13 is de overgangsregel opgenomen. In de slotregel (artikel 14) wordt de citeerwijze van de regels van het plan voorgeschreven.

56/116

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Ingevolge het Bro heeft de gemeente de onderzoeksverplichting om de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen (artikel 3.1.6 lid 1 sub f Bro). Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zal de initiatiefnemer met de gemeente afspraken maken omtrent de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en om de daarbij behorende procedures te verzekeren. De verantwoordelijkheid en het risico van de exploitatie ligt volledig bij de initiatiefnemer. Het vaststellen van een exploitatieplan is gezien voorgaande niet noodzakelijk en de economische uitvoerbaarheid is voldoende gewaarborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft vanaf woensdag 8 november 2023 tot en met dinsdag 19 december 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 15 zienswijzen ontvangen. De binnengekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in een nota van beantwoording. Deze nota van beantwoording is opgenomen in bijlage 16.

57/116

58/116

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=504f3649-2032-4f65-9d24-406ddfa03dc3