CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA Hoogwakersbosstraat 12_def

Gemeenteraadsvergadering 26 februari 2026, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor het realiseren van 31 sociale huurappartementen op het perceel Hoogwakersbosstraat 12 te Noordwijk24.057 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Met de ontwikkeling wordt een geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Om aan te tonen dat het geluidsniveau aanvaardbaar is ter plaatse van de projectlocatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. De ontwikkeling ligt op basis van artikel 17.5 van de Omgevingsregeling in het geluidaandachtsgebied van meerdere gemeentewegen. Uit de berekening blijkt dat de geluidbelasting vanwege gemeentewegen tot en met 47 dB bedraagt, dit is lager dan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen. Het geluid door gemeentewegen wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld. Omdat uit de beoordeling van geluid door activiteiten blijkt dat de richtwaarden in het Bkl worden overschreden, is het wel nodig om het gecumuleerd geluid te beoordelen en het gezamenlijk geluid vast te leggen. Hierop wordt in paragraaf 5.6 ingegaan. 5.5.3

Conclusie

Het geluid door wegen voldoet op de planlocatie aan de standaardwaarde en wordt daarmee als aanvaardbaar beoordeeld.

5.6

Geluid door activiteiten

5.6.1

Algemeen

Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2 instructieregels voor geluid door activiteiten. Op basis van artikel 5.59 Bkl dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast voorziet een omgevingsplan erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 5.2 en tabel 5.3.

37/68

Tabel 5.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw

Tabel 5.3: Grenswaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten

Op grond van artikel 5.66, eerste lid, Bkl kan van de standaardwaarden worden afgeweken. Het toelaatbaar geluid op de gevel wordt begrensd door de grenswaarde van de binnenwaarde. Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door activiteiten. 5.6.2

Toetsing

De ontwikkeling voorziet in een functiewijziging naar een woonfunctie ten behoeve van de nieuwbouw van 31 sociale huurappartementen. Met de ontwikkeling wordt een geluidgevoelig gebouw mogelijk gemaakt. Om aan te tonen dat het geluidsniveau aanvaardbaar is ter plaatse van de projectlocatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Uit het onderzoek volgt dat er vanwege spelende kinderen op het naastgelegen schoolplein de dagperiode langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus tot 56 dB(A) in de dagperiode optreden. Dit is tot 6 dB(A) meer dan de richtwaarde van 50 dB(A) zoals opgenomen in het Bkl (waarbij in het Bkl expliciet is opgenomen dat het stemgeluid van kinderen niet betrokken hoeft te worden in de toetsing). Vanwege spelende kinderen op het schoolplein treden er in de dagperiode maximale geluidniveaus op tot 77 dB(A). Voor maximale geluidniveaus in de dagperiode is geen richtwaarde van toepassing. Overigens beschikt elk appartement over een gevel waarbij sprake is van geluidbelastingen van ten hoogste de richtwaarde. Hoewel zich aan de meest geluidbelaste gevel slaapkamers bevinden, zijn deze gevels alleen gedurende de dagperiode geluidbelast vanwege activiteiten op de naastgelegen schoolpleinen.

Bezien dat de optredende geluidniveaus uitsluitend in de dagperiode (tussen 07:00 en 18:30 uur) optreden en sprake is van een maatschappelijke functie waarvan het wenselijk is dat deze in een woonwijk gesitueerd is, kunnen de berekende geluidbelastingen als acceptabel beschouwd worden.

38/68

Gecumuleerd geluid Omdat er sprake is van meer dan één geluidbronsoort is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gecumuleerde geluidbelasting vanwege weg- en industrielawaai samen inzichtelijk gemaakt. Bij de beoogde woningen is sprake van een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 59 dB. 5.6.3 Conclusie Middels de uitvoering van het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. De berekende geluidbelastingen kunnen als acceptabel beschouwd worden.

5.7

Bodemkwaliteit

5.7.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient voorkomen worden dat bodemgevoelige activiteiten op verontreinigd grond plaats vinden. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Een bodemgevoelige locatie is:  een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit;  een onmiddellijk aan een bodemgevoelig gebouw grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein. Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn of een woonschip of woonwagen, met uitzondering van een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2. Voor het realiseren van een nieuw bodemgevoelig gebouw geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de geldende grenswaarden.

Omgevingsverordening Zuid-Holland In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing op de ontwikkeling, omdat de ontwikkeling voorziet in de realisatie van een grondwatergevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 7.27 van de omgevingsverordening. § 7.3.5.1 Toelaten van een bouwactiviteit op een grondwatergevoelige locatie Artikel 7.29 (voorafgaand onderzoek) 1. Een omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie alleen is toegelaten als door onderzoek is aangetoond dat er geen sprake is van een verontreiniging van het grondwater, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een verdenking van verontreiniging van grondwater als bedoeld in artikel 7.30 redelijkerwijs is uit te sluiten.

39/68

2. Het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit: a. het verrichten van voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of b. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is. 5.7.2

Toetsing

Gelet op artikel 5.89g van het Bkl zijn woningen bodemgevoelige gebouwen. Volgens artikel 5.89i van het Bkl bevat een omgevingsplan waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem. Conform artikel 22.30 van de bruidsschat is de toelaatbare kwaliteit van de bodem gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit. Op de planlocatie is met de functiewijziging ten behoeve van wonen en de realisatie van de sociale huurappartementen sprake van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Om te beoordelen of de bodemkwaliteit geschikt is, is een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden de volgende conclusies gesteld:  In de grond is plaatselijk sprake van zwakke bijmengingen met kolen, metselpuin en baksteen;  Op de locatie is in 1997 een ondergrondse hbo-tank gesaneerd. Bij het veldwerk is betreffende tank vermoedelijk aangetroffen ten zuidoosten van het pand. In de onderzochte grond ter plaatse zijn zintuiglijk geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op een verontreiniging met minerale olie;  De grond is niet tot licht verontreinigd met enkele zware metalen;  In de grond met puinbijmengingen is op indicatieve wijze geen asbest aangetoond;  Het grondwater is niet verontreinigd met de onderzochte parameters.

Uit de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek blijkt dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden er geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen herontwikkeling. 5.7.3

Conclusie

De kwaliteit van de bodem en het grondwater voldoen aan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit en dragen in zoverre bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

40/68

5.8 Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed 5.8.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.

Omgevingsverordening De omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland zijn in paragraaf 7.3.7 specifieke instructieregels opgenomen ter bescherming van de landschappelijke waarden en ruimtelijke kwaliteit. Artikel 7.43 (definitie soort ruimtelijke ontwikkeling) Voor de toepassing van deze paragraaf wordt verstaan onder: a. inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied; b. aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau; c. transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1. Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. In een omgevingsplan wordt voor het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit rekening gehouden met: a. de beschermingscategorie en het gebiedstype; b. het soort en de mate van ingrijpendheid van de ruimtelijke ontwikkeling: inpassen, aanpassen en transformeren; c. de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A.

41/68

Artikel 7.43c (randvoorwaarden soorten ruimtelijke ontwikkeling) 1. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort inpassen als deze rekening houdt met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit, zodanig dat de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. 2. Een omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van het soort aanpassen mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 3. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling van de soort transformeren als de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp. Daarin wordt behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd en wordt ook rekening gehouden met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. 5.8.2

Cultureel erfgoed

De Cultuurhistorische waardenkaart van Noordwijk geeft een overzicht van cultuurhistorisch waardevolle objecten, structuren en gebieden in de gemeente Noordwijk. De projectlocatie ligt in de Jaren 70 wijk rondom Willem Alexanderpark. De cultuurhistorische waardering voor dit gebied is Basis. Vanwege de groenstructuur en geschakelde villa's Willem Alexanderpark is dit gebied aangewezen als waardevol gebied. Met de ontwikkeling blijft het aanwezige groen grotendeels behouden, waardoor de groenstructuur in het gebied behouden blijft. Daarnaast heeft de ontwikkeling invloed op de cultuurhistorische waarde van de geschakelde villa's aan Willem Alexanderpark; de locatie grenst niet aan deze straat. Er zijn verder geen andere cultuurhistorische waarden aangewezen binnen de projectlocatie. Gelet op voorgaande doet de ontwikkeling geen afbreuk aan cultuurhistorische waarden in de omgeving van de locatie. 5.8.3

Archeologie

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Om invulling te geven aan het behouden van de archeologische waarden heeft de gemeente Noordwijk archeologisch beleid vastgesteld, waarvan de Archeologische Beleidskaart een belangrijk instrument vormt. De kaart toont de archeologische waarden en verwachtingen binnen Noordwijk en geeft aan hoe de gemeente daarmee omgaat. Voor de ontwikkeling is een archeologische notitie opgesteld, deze notitie is opgenomen in bijlage 10. Uit deze archeologische notitie blijkt dat het plangebied gelegen is op Jonge duinen, met daaronder mogelijk Oude duinen op een strandwal. Voor deze gebieden geldt een lage tot hoge verwachting op archeologische resten. Archeologisch onderzoek is daarom noodzakelijk bij werken die een oppervlakte beslaan van meer dan 250 m2 en dieper reiken dan 5 m NAP. De gemiddelde maaiveldhoogte binnen het plangebied is 7,8 m NAP, waardoor de diepte van 5 m NAP vrijwel zeker niet bereikt zal worden met de geplande werkzaamheden tot een geschatte maximale diepte van 2,0 m -mv. In het plangebied zijn voor zover bekend geen ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig.

Op historisch kaartmateriaal is geen bebouwing binnen het plangebied zichtbaar tot de bouw van het huidige pand in de jaren zestig van de vorige eeuw.

42/68

IDDS Archeologie adviseert daarom om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden. Er is geen reden om m.b.t. dit aspect een voorschrift aan de omgevingsvergunning voor de Bopa te verbinden. 5.8.4

Landschap

De ontwikkeling voorziet in een functiewijziging naar een woonfunctie ten behoeve van de nieuwbouw van 31 sociale huurappartementen. De planlocatie ligt niet in een gebied dat door de provincie als beschermd is aangemerkt. Vanuit de provinciale verordening is de ontwikkeling aan te merken als inpassing. De ontwikkeling speelt zich af op kavelniveau en past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau en past bij de aard en schaal van het gebied. Het omliggende gebied wordt gekenmerkt door een mix van voornamelijk woningen, afgewisseld met groene structuren en maatschappelijke, bedrijfs- en horeca-activiteiten. De toevoeging van nieuwe woningen sluit daarmee goed aan bij de bestaande gebiedsidentiteit. Bij inpassing is het uitgangspunt dat de ontwikkeling volledig past binnen de richtpunten van de kwaliteitskaart. Dat is het geval, zo is hieronder uitgelegd. De nieuwbouw van de sociale huurappartementen vindt plaats binnen het bestaand bebouwd gebied. Op de locatie is momenteel reeds bebouwing aanwezig, die gesloopt zal worden om ruimte te maken voor de nieuwbouw. Het complex wordt maximaal 17 meter hoog, 6 meter hoger dan de toegestane hoogte in de huidige situatie. De nieuwbouw komt echter grotendeels op de bestaande fundering, met een iets groter bebouwd oppervlak dan het huidige gebouw.

De positionering van de bebouwing op het perceel blijft daarom grotendeels ongewijzigd, waardoor het aanzicht van het perceel vrijwel gelijk blijft. Bovendien wordt het aanzicht van het perceel op dit moment vooral bepaald door de hoge beplanting die het terrein omringt. Deze groene omheining blijft grotendeels behouden in de nieuwe situatie. Gezien de groene omheining en de afstand tot de perceelsgrenzen verandert het straatbeeld door de nieuwbouw slechts beperkt en blijft de ruimtelijke kwaliteit behouden. Onderstaande tekeningen tonen de huidige en toekomstige situatie. Hieruit blijkt dat het groene karakter van de locatie behouden blijft en de impact op de beleving van de omgeving minimaal is.

Figuur 5.1: Situatietekening bestaande situatie

43/68

Figuur 5.2: Situatietekening beoogde situatie

Figuur 5.3: Sfeerimpressie beoogde situatie Kwaliteitskaart Zuid-Holland Bij inpassing moet worden voldaan aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. In de kwaliteitskaart onderscheidt de provincie vier lagen: de ondergrond, cultuur- en natuurlandschappen, stedelijke occupatie en beleving. Iedere ondergrond kent zijn eigen richtpunten om de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Vanuit de kwaliteitskaart Zuid-Holland zijn landschappelijke kenmerken en richtpunten verbonden aan dorpen. Hieronder wordt getoetst aan het kwaliteitsbeleid.

44/68

Laag van de ondergrond In figuur 5.4 is te zien dat de projectlocatie is gelegen binnen het kustlandschap op de ondergrond zeezandafzettingen. Er zijn geen relevante richtpunten van deze laag van toepassing op de ontwikkeling.

Figuur 5.4: Laag van de ondergrond (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Figuur 5.5 laat zien dat de projectlocatie binnen het duinlandschap ligt. De volgende richtpunten zijn relevant voor het duinlandschap:  Ontwikkelingen dragen zorg voor het behoud van het openbare karakter en de afwisseling in de belevingskwaliteit (van druk naar rustig) langs de kust van Zuid-Holland.

45/68

Figuur 5.5: Laag van de cultuur- en natuurlandschappen (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van de stedelijke occupatie Figuur 5.6 laat zien dat de locatie is gelegen binnen het dorpsgebied. De volgende richtpunten zijn relevant:  Elk dorp bouwt voort op de eigen identiteit en op de karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap;  Ruimtelijke ontwikkelingen dragen bij aan de groen- en waterstructuren en recreatieve uitloopmogelijkheden in en rond het dorp;  Ontwikkelingen dragen bij aan de leefbaarheid en vitaliteit van het dorp.

46/68

Figuur 5.6: Laag van de stedelijke occupatie (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Laag van cultuurhistorie In figuur 5.7 is te zien dat de locatie is gelegen in het gebied Steden en Dorpen. Er zijn geen relevante richtpunten aanwezig is ter plaatse van de projectlocatie.

47/68

Figuur 5.7: Laag van de cultuuhistorie (bron: Kwaliteitskaart Zuid-Holland) Met de functiewijziging naar een woonfunctie ten behoeve van de nieuwbouw van de sociale huurappartementen wordt geen afbreuk gedaan aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. De nieuwbouw van de sociale huurappartementen vindt plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. De nieuwbouw komt grotendeels op de bestaande fundering, met een iets groter bebouwd oppervlak dan het huidige gebouw. De positionering van de bebouwing op het perceel blijft daarom grotendeels ongewijzigd. Daarnaast blijft de groene omzooming grotendeels behouden in de nieuwe situatie. Gelet hierop blijft met de ontwikkeling de belevingskwaliteit en de karakteristieke structuur van het dorp ongewijzigd. In de huidige situatie wordt het perceel gekenmerkt door een ruime aanwezigheid van beplanting. Omdat deze beplanting rondom het terrein grotendeels behouden blijft, is de ontwikkeling in lijn met de ambitie om bij te dragen aan de bestaande groenstructuur van het dorp. Daarnaast draagt de ontwikkeling, met het toevoegen van 31 sociale huurappartementen, bij aan het vergroten van het woningaanbod waarnaar momenteel een grote vraag is. De ontwikkeling draagt bij aan het voorzien in passende huisvesting voor huishoudens met een lager inkomen.

Passende huisvesting, wat gepaard gaat met sociale stabiliteit en inclusieve buurten, vergroot de leefbaarheid van de beoogde doelgroep en het dorp. Gelet op voorgaande voldoet de ontwikkeling aan de richtpunten uit de kwaliteitskaart. De ontwikkeling is in overeenstemming met het kwaliteitsbeleid van de provincie Zuid-Holland.

48/68

5.8.5

Welstand

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Noordwijk), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Noordwijk). De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de Welstandsnota Noordwijk 2019. De nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Noordwijk hanteert een gebiedsgericht welstandsbeleid. De gemeente identificeert 19 welstandsgebieden met ieder hun specifieke samenhangend beoordelingskader. De locatie ligt binnen het welstandsgebied 'Planmatig woongebied' en heeft het welstandsniveau 'normaal'. Voor dit gebied heeft de gemeente een aantal welstandscriteria opgesteld die toezien op de ligging, massa en vorm, gevelkarakteristiek en materiaal- en kleurgebruik. Een overzicht van deze criteria is gegeven op pagina 58 van de Welstandsnota. De beoogde ontwikkeling moet worden getoetst aan de gebiedsgerichte criteria van de welstandsnota van de gemeente Noordwijk.

In de volgende fase dienen de definitieve bouwtekeningen door de welstandscommissie getoetst te worden aan de welstandscriteria van de gemeente Noordwijk. 5.8.6 Conclusie De ontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische, archeologische en landschappelijke waarden. Gelet hierop is in voldoende mate rekening gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en is de ontwikkeling in overeenstemming met de instructieregel in artikel 5.130 van het Bkl. Daarnaast blijven met de ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke kernkwaliteiten ter plaatse van de locatie behouden. Hierdoor is de ontwikkeling in overeenstemming met de relevante instructieregels van paragraaf 7.3.7 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. De functiewijziging naar wonen ten behoeve van de realisatie van de sociale huurappartementen is gelet op het thema beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed aanvaardbaar. Daarnaast dienen de definitieve bouwtekeningen door de welstandscommissie getoetst te worden aan de welstandscriteria van de gemeente Noordwijk. Mits een positief advies wordt gegeven door de welstandscommissie, is de ontwikkeling eveneens in overeenstemming met het gemeentelijke welstandsbeleid.

5.9

Zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand

5.9.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een BOPA.

49/68

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moeten de mogelijkheden worden bezien om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Voor wonen is de lijn dat vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2. Voor tijdelijke functiewijzigingen was de ladder voorheen niet van toepassing. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestaan de zogenoemde kruimelgevallen niet meer. Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat relevante instructieregels met betrekking tot het thema zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand.

Artikel 7.44 (afgestemde regionale behoefte) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt, houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde afgestemde regionale behoefte aan deze ontwikkeling. De afgestemde regionale behoefte kan blijken uit regionale bestuurlijke afspraken, waaronder een regionale programmering, waarmee gedeputeerde staten geheel of gedeeltelijk hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld. Artikel 7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd of die door gedeputeerde staten zijn vastgesteld, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Artikel 7.45b (dichtheid en verscheidenheid woningbouw) 1.

Een omgevingsplan voor een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen houdt rekening met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en draagt bij aan een goede woon- en leefomgeving. 2. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekt de mogelijkheden voor gevarieerde woningtypen bij het toelaten van woningbouw. Artikel 7.45h (functiemenging en meervoudig ruimtegebruik) Een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik.

50/68

Artikel 7.47a (voldoende sociale huurwoningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd. 2. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan: a. minimaal 1/3 sociale huurwoningen; dan wel b. wat hierover is vastgelegd in een mede door gedeputeerde staten vastgestelde afgestemde regionale woningbouwprogrammering in het kader van de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. 3. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, gaat in de motivering in op: a. welke wijze de nieuwe ontwikkeling voorziet in voldoende sociale huurwoningen; b. hoe die ontwikkeling bijdraagt aan het doorgroeien naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente; en c. het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de nieuwe ontwikkeling op dit aandeel. 4. Als het aandeel sociale huurwoningen in een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer in een afgestemde regionale woningbouwprogrammering is opgenomen, dan kan de motivering, bedoeld in het derde lid, bestaan uit een verwijzing naar die programmering.

Artikel 7.47b (voldoende betaalbare woningbouw) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met 12 woningen of meer mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. 2. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan: a. minimaal 2/3 betaalbare woningbouw; dan wel b. wat hierover is vastgelegd in een mede door gedeputeerde staten vastgestelde afgestemde regionale woningbouwprogrammering in het kader van de afgestemde regionale behoefte, bedoeld in artikel 7.44. 3. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, gaat in de motivering in op welke wijze de nieuwe ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe die ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw. 4. Als het aandeel betaalbare woningbouw in een ontwikkeling met 12 woningen of meer in een afgestemde regionale woningbouwprogrammering is opgenomen, dan kan de motivering bedoeld in het derde lid, bestaan uit een verwijzing naar die programmering. 5.9.2

Toetsing

Beschrijving behoefte (Besluit kwaliteit leefomgeving) Uit de actuele provinciale woningbehoefteprognose (WBR 2023) blijkt dat de woningbehoefte in de regio Holland Rijnland groot is. In de periode 2023 tot en met 2032 is er een gewenste woningvoorraadtoename van 28.860 woningen.

51/68

Regionale Realisatieagenda Wonen - Regio Holland Rijnland (regionale woondeal) Op 14 maart 2023 ondertekenden bestuurders uit Zuid-Holland en de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening de regionale realisatieagenda's, of regionale woondeals. Zo ook voor de regio Holland Rijnland, waar de ambitie is om 30.500 woningen toe te voegen tot 2030, waarvan tweederde in het betaalbare segment. Uit het regionale programma blijkt dat er slechts harde plancapaciteit is voor 19.445 woningen. Tabel 5.4: Woningbouwprogramma regio Holland-Rijnland 2022 (Bron: Realisatieagenda)

Gemeente Noordwijk werkt met netwerkpartijen samen om lokaal maatwerk te bieden en om de woningvoorraad uit te breiden. De gemeente zet zich er voor in om jaarlijks 190 woningen tot te voegen (+2.080 woningen in 2030). Met name voor die woningzoekenden die zitten te springen om een woning. Twee belangrijke documenten wijzen de weg: de Woonvisie Noordwijk 2020-2030 (zie paragraaf 4.5.2) en de Prestatieafspraken 2022-2025 (zie paragraaf 4.5.3). Gemeente Noordwijk zet in op voldoende en betaalbare woningen. Voor de periode 2021 tot en met 2030 waren er in april 2023 woningbouwplannen voor ruim 4.000 woningen. De gemeente werkt per project met een verdeling van woningen op basis van betaalbaarheid. Deze is vastgelegd in de Woonvisie Noordwijk 2020-2030. Het gaat om sociale huur, middenhuur en middenkoop. De gemeente wil zo stappen kunnen maken en het bouwen van betaalbare woningen bevorderen. Voor elk nieuw woningbouwplan van 3 woningen en meer geldt:  Minimaal 30% sociale huur tot € 808,06 (prijspeil 2023).  Minimaal 15% middenhuur van € 808,06 tot € 1.000, – op basis van de nieuwe Regionale woonagenda en nieuwe Rijkswetgeving en de Doelgroepenverordening Noordwijk 2022.

 Minimaal 25% middenkoop vastgesteld op de NHG grens tot € 355.000,- (prijspeil 2022 aangehouden op basis van regionale woonvisie en rijksbeleid) en € 376.300,- inclusief energiebesparende maatregelen (prijspeil 2022). Daarmee zet gemeente Noordwijk in op 70% betaalbare woningen bij nieuwbouw. Deze 70% is een fors deel van elk project en betekent dat met 30% duurdere woningen een groot deel van de realisatiekosten gedekt moet worden.

52/68

In dit project wordt uitgegaan van 100% sociale huur, waarmee een grote bijdrage wordt geleverd aan de gewenste voorraad betaalbare woningen. Conclusie Uit de bovenstaande toetsing blijkt dat met deze ontwikkeling sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Het binnenstedelijk toevoegen van betaalbare woningen voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking. Het rijksbeleid staat de ontwikkeling niet in de weg. Toetsing regels omgevingsverordening De woningbehoefte is afgestemd binnen de regio Holland Rijnland en door de provincie geaccordeerd. De behoefte is hierboven beschreven (ladder voor duurzame verstedelijking). In dit geval is er voor gekozen om alleen sociale huurappartementen te realiseren. 5.9.3

Conclusie

Met de ontwikkeling is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De ontwikkeling voldoet aan de relevante regels uit de omgevingsverordening.

5.10 Mobiliteit en parkeren 5.10.1 Toetsingskader Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt te worden onderbouwd dat er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. Daarnaast zijn in de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in artikel 7.45c en artikel 7.45f wel specifieke instructieregels opgenomen ten behoeve van de bereikbaarheid en parkeren. Hieronder volgen de relevante instructieregels vanuit deze verordening. Artikel 7.45c (bereikbaarheid) Een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling houdt rekening met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Artikel 7.45f (parkeernorm sociale huur) 1. Een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe sociale huurwoningen hanteert een parkeernorm van maximaal 0,7 autoparkeerplaats per sociale huurwoning. 2.

In afwijking van het eerste lid kan een andere parkeernorm worden gehanteerd, als er op de lokale situatie afgestemde regels of beleid voor parkeren zijn vastgesteld gebaseerd op het autobezit per woningtype of woonoppervlak.

53/68

5.10.2 Toetsing Ontsluiting Langzaam verkeer De projectlocatie is gelegen op de hoek tussen de Hoogwakersbosstraat en de Derk Bolhuisstraat. Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen, met vrijliggende voetpaden aan weerszijden van de rijbaan. Voor fietsers zijn op zowel de Hoogwakersbosstraat en de Derk Bolhuisstraat geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. In oostelijke richting komt de Hoogwakersbosstraat uit op de Duinweg. De Duinweg is een gebiedsontsluitingsweg met een vrijliggend voetpad aan de westzijde van de rijbaan. Tevens ligt aan de westzijde van de rijbaan een vrijliggend tweerichtingsfietspad. De Duinweg leidt in zuidelijke richting naar de Nieuwe Zeeweg, welke vervolgens in westelijke richting naar het centrumgebied van Noordwijk leidt op minder dan 1 kilometer loopafstand van de projectlocatie. Openbaar vervoer De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is gelegen op circa 450 meter loopafstand aan de Van Panhuysstraat. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijnen 20, richting Leiden Centraal Station, lijn 361, tussen Noordwijk en Schiphol via Lisse, en lijn 385, tussen Noordwijk en Den Haag via Katwijk. Gemotoriseerd verkeer De projectlocatie wordt ontsloten via de Hoogwakersbosstraat.

De Hoogwakersbosstraat is ingericht als een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De Hoogwakersbosstraat leidt in oostelijke richting naar de Duinweg, een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. De Duinweg leidt in noordelijke richting buiten de bebouwde kom naar Noordwijkerhout. In zuidelijke richting leidt de Duinweg naar het kruispunt Duinweg – Van Panhuysstraat – Piet Heinplein, vanaf waar de Van Panhuysstraat in oostelijke richting leidt naar de aansluiting op de N206 en vanaf daar verder in oostelijke richting naar Voorhout en Oegstgeest. Verkeer De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 31 sociale huurappartementen, waarvoor een bestaand bedrijfsverzamelgebouw komt te vervallen. Voor het bepalen van de verkeerstoename van de beoogde ontwikkeling kan dan ook rekening worden gehouden met het toepassen van saldering. De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is bepaald op basis van kencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. Voor het bepalen van de te hanteren kencijfers wordt voor de gemeente Noordwijk op basis van CBS-data een stedelijkheidsgraad van 'matig stedelijk' aangehouden. De ligging van de projectlocatie is gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'.

Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit binnen Noordwijk conform het CBS per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte aangehouden. Met behulp van de CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie gedurende een gemiddelde weekdag berekend. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is de gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt voor woonfuncties conform CROW-744 een omrekenfactor van 1,11 toegepast en 1,33 voor werkfuncties. In de onderstaande tabel is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bepaald.

54/68

Tabel 5.5: Verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling Bestaande situatie Functie

Aantal

Bedrijfsverzamelgebo 1.439 m² bvo uw

Kencijfer

Weekdag (mvt/etmaal)

Werkdag (mvt/etmaal)

7,35 per 100 m² bvo

105,77

140,67

Kencijfer

Weekdag (mvt/etmaal)

Werkdag (mvt/etmaal)

2,7 per woning

83,7

92,91

-22,07

-47,76

Beoogde situatie Functie

Aantal

Huur appartement, 31 woningen sociale huur, <75 m² bvo Toename (beoogd – bestaand)

Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeersafname van 48 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. Parkeren Autoparkeren Voor het bepalen van de benodigde aantal parkeerplaatsen is gebruik gemaakt van de 'Nota Parkeernormen' van de gemeente Noordwijk. Conform de gebiedsindeling uit het gemeentelijke beleid is de projectlocatie gelegen in 'zone B'. Aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen is in tabel 5.6 het benodigde aantal autoparkeerplaatsen bepaald. Tabel 5.6: Normatieve parkeerbehoefte Functie

Aantal

Parkeernorm Bewoners

Sociale 31 woningen huur/goedkope huur (gestapeld)

Parkeerbehoefte (pp) Bezoekers

Bewoners

0,8 per woning 0,3 per woning 24,8

Bezoekers

Totaal

9,3

34,1

De beoogde ontwikkeling heeft een parkeerbehoefte van afgerond 35 parkeerplaatsen. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt voorzien in de realisatie van 36 parkeerplaatsen, waarmee de volledige parkeerbehoefte kan worden opgevangen binnen de projectlocatie. De beoogde ontwikkeling is echter niet de enige doelgroep die gebruik zal maken van de voorziene parkeergelegenheid. Afspraken zijn gemaakt dat voor de parkeerbehoefte van de naastgelegen school en kinderopvang gebruik kan worden gemaakt van 4 parkeerplaatsen binnen de projectlocatie. Dit zou normatief leiden tot een parkeereis van (35 + 4 =) 39 parkeerplaatsen. De parkeereis is echter opgebouwd uit de parkeerbehoefte van meerdere doelgroepen, waarvan de parkeerbehoefte verschilt per weekmoment. Daarom bestaat de mogelijkheid voor het toepassen van dubbelgebruik indien er geen sprake is van overlap in het maatgevende moment per doelgroep. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte per 55/68

weekmoment is gebruik gemaakt van de onderstaande aanwezigheidspercentages afkomstig uit het gemeentelijke parkeerbeleid. Tabel 5.7: Aanwezigheidspercentages per doelgroep Doelgroep

Werkdag Werkdag ochtend middag

Werkdag avond

Koopavond

Werkdag nacht

Zaterdag middag

Zaterdag avond

Zondagmid dag

Woningen bewoners

50%

50%

90%

80%

100%

60%

80%

70%

Woningen bezoekers

10%

20%

80%

70%

0%

60%

100%

70%

Dagonderwijs 100%

100%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

Te zien is dat gedurende geen enkel weekmoment alle doelgroepen een aanwezigheid hebben van 100%. Op basis daarvan kan dubbelgebruik worden toegepast binnen de projectlocatie. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte per weekmoment inzichtelijk gemaakt. Tabel 5.8: Parkeerbehoefte projectgebied per weekmoment Doelgroep

Werkdag ochtend

Werkdag middag

Werkdag avond

Koopavond

Werkdag nacht

Zaterdag middag

Zaterdag avond

Zondag middag

Woningen bewoners

12,4

12,4

22,3

19,8

24,8

14,9

19,8

17,4

Woningen bezoekers

0,9

1,9

7,4

6,5

0,0

5,6

9,3

6,5

Dagonderwij 4,0 s

4,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

0,0

Totaal

18,3

29,8

26,4

24,8

20,5

29,1

23,9

17,3

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat rekening houdende met dubbelgebruik, de aanvullende parkeereis van de naastgelegen school en kinderopvang probleemloos kan worden opgevangen in het voorziene parkeeraanbod van 36 parkeerplaatsen binnen de projectlocatie. Fietsparkeren Naast de autoparkeerbehoefte dient conform het gemeentelijke parkeerbeleid ook te worden voorzien in de realisatie van voldoende stallingsplaatsen voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte. In de onderstaande tabel is de fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bepaald. Tabel 5.9: Fietsparkeerbehoefte Functie

Aantal

Parkeernorm Bewoners

Sociale 31 woningen huur/goedkope huur (gestapeld)

56/68

Fietsparkeerbehoefte (stallingsplaatsen) Bezoekers

Bewoners

2,0 per woning 1,0 per woning 62

Bezoekers

Totaal

31

93

In totaal heeft de beoogde ontwikkeling een fietsparkeerbehoefte van 93 stallingsplaatsen, waarvan 62 stallingsplaatsen voor bewoners en 31 stallingsplaatsen voor bezoekers. Als onderdeel van de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met een interne berging van 2,7 m² per woning. Daarnaast wordt er extern een separate fietsenberging voorzien met een capaciteit van minimaal 62 stallingsplaatsen, met mogelijkheid om uit te breiden tot 124 stallingsplaatsen doormiddel van dubbellaags stallen. Hiermee kan de fietsparkeerbehoefte ruimschoots worden opgevangen binnen de projectlocatie.

5.10.3 Conclusie Ten opzichte van de bestaande situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeersafname. Op basis daarvan wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid van het omliggende wegennet. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bestaat uit 35 autoparkeerplaatsen en 93 stallingsplaatsen. Daarnaast wordt binnen de projectlocatie rekening gehouden met het opvangen van een parkeerbehoefte van 4 autoparkeerplaatsen voor de naastgelegen school en kinderopvang. Binnen de projectlocatie wordt rekening gehouden met de realisatie van 36 autoparkeerplaatsen, wat na toepassing van dubbelgebruik voldoende is voor het probleemloos opvangen van de totale parkeereis binnen de projectlocatie. Ook wordt voorzien in de realisatie van voldoende stallingsruimte voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling voor het het aspect verkeer en parkeren bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarnaast is gelet op voorgaande rekening gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de bereikbaarheid, waardoor de ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale instructieregel in artikel 7.45c van de provinciale omgevingsverordening.

Omdat de gemeente Noordwijk met haar 'Nota Parkeernormen' zelf beleid voor parkeren heeft vastgesteld op basis van het autobezit per woningtype, kan worden afgeweken van de provinciaal voorgeschreven parkeernorm van 0,7 voor sociale huur. Hierdoor is de ontwikkeling eveneens in overeens temming met de instructieregel 7.45f van de provinciale omgevingsverordening.

5.11 Ecologie: soortenbescherming 5.11.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties onderbouwd te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen. Daarnaast is in de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland in artikel 7.45ca een specifieke instructieregel opgenomen ten behoeve van de kansen voor biodiversiteit. Hieronder volgt de relevante instructieregel vanuit deze verordening.

57/68

Artikel 7.45ca (kansen voor biodiversiteit) Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit. 5.11.2 Toetsing De quickscan is opgenomen als bijlage 11. De conclusie van dit onderzoek stelt dat de locatie in potentie geschikt is voor beschermde soorten van de vogels en vleermuizen. De volgende maatregelen zijn noodzakelijk om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen:  Vogels zonder jaarrond beschermd nest: diverse algemene broedvogels kunnen broeden in de bomen en struiken binnen het plangebied. Algemene vogelsoorten die broeden zijn gedurende deze tijd beschermd (grofweg van 15 februari tot 15 augustus, in gebruik zijnde nesten zijn ook buiten deze periode beschermd). Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden. Als dit niet mogelijk is, dient alle aanwezige vegetatie voor het broedseizoen verwijderd te zijn en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog.

Indien tijdens een broedvogelinventarisatie broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest verlaten is.  Vleermuizen: in de opstallen grenzend aan het plangebied zijn potentieel verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Vleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring bij hun verblijven. Wanneer in het actieve seizoen (1 april t/m 31 oktober) van vleermuizen gewerkt wordt met (bouw)verlichting en deze verlichting op de omliggende panden geschenen wordt, kan verstoring ontstaan van vleermuisverblijven. In de periode 1 november t/m 31 maart zijn vleermuizen inactief en heeft verlichting geen effect, in deze periode zijn dan ook geen beperkingen. Het advies luidt daarom om in de actieve periode (1 april t/m 31 oktober) niet met (bouw)verlichting op de omliggende woningen te schijnen om verstoring van verblijven van vleermuizen te voorkomen. Verlichting kan ook in de toekomstige situatie voor verstoring zorgen. Dit betekent dat in de toekomstige situatie niet met (extra) verlichting om de omliggende panden geschenen mag worden. Wanneer dit niet mogelijk is, zal nader onderzoek moeten 'BHuitwijzen of vleermuisverblijven aanwezig zijn.

Daarnaast concludeert de quickscan dat nader onderzoek dient te worden uitgevoerd naar vleermuizen voordat beoordeeld kan worden of negatieve effecten uitgesloten kunnen worden en of maatregelen noodzakelijk zijn. Dit aanvullende onderzoek is opgenomen in bijlage 13. De conclusies en aanbevelingen uit dit vervolgonderzoek luiden:  In het plangebied is een paarverblijf van één gewone dwergvleermuis geconstateerd. Zodoende kan niet worden uitgesloten dat als gevolg van de geplande werkzaamheden verblijfplaatsen fysiek worden aangetast en individuen opzettelijk worden verstoord. Het planvoornemen leidt tot een overtreding van de Ow. Het is voor vleermuisverblijven noodzakelijk om een omgevingsvergunning voor een Flora- en Faunaactiviteit aan te vragen alvorens de werkzaamheden mogen starten. Om een vergunning van de Omgevingswet te verkrijgen is het noodzakelijk dat deze verblijfplaats gecompenseerd en gemitigeerd wordt.  Het plangebied wordt gebruikt door minimaal vijf gewone dwergvleermuizen als foerageergebied. Een vergunning van de Ow met betrekking tot de gewone dwergvleermuis is noodzakelijk om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Het aangetroffen foerageergebied is geen essentieel foerageergebied vanwege de geringe omvang en de alternatieven in de omgeving, echter wordt wel aangeraden om de groenstructuren zoveel mogelijk te behouden binnen het planvoornemen.

 Daarnaast blijven de hierboven genoemde maatregelen uit de quickscan in bijlage 11 van toepassing.

58/68

In bijlage 14 zijn de reeds getroffen compenserende en mitigrerende maatregelen voor het paarverblijf beschreven. Er wordt tevens een Activiteitenplan opgesteld voor het verkrijgen van de Flora- en Fauna-vergunning. 5.11.3 Conclusie Op basis van de uitgevoerde quickscan wordt geconcludeerd dat aanvullend onderzoek nodig is naar vleermuizen. Voor de andere soorten werd geconcludeerd dat overtreding met eenvoudige maatregelen kan worden voorkomen, waardoor aanvullend onderzoek niet nodig is. Uit het aanvullende onderzoek blijkt dat binnen de planlocatie een paarverblijf van één gewone dwergvleermuis aanwezig is. Het is voor vleermuisverblijven noodzakelijk om een omgevingsvergunning voor een Flora- en Faunaactiviteit aan te vragen. Om deze vergunning te verkrijgen zijn reeds compenserende en mitigrerende maatregelen getroffen. Daarnaast volde uit het aanvullende onderzoek dat de locatie wordt gebruikt door minimaal vijf gewone dwergvleermuizen als foerageergebied. Een vergunning van de Ow met betrekking tot de gewone dwergvleermuis is noodzakelijk om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Het aangetroffen foerageergebied is echter geen essentieel foerageergebied vanwege de geringe omvang en de alternatieven in de omgeving. Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het project geen negatieve gevolgen heeft voor beschermde soorten, mits de aanbevelingen worden opgevolgd.

5.12 Ecologie: gebiedsbescherming 5.12.1 Algemeen Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. 5.12.2 Toetsing De projectlocatie is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid ligt op circa 470 meter (zie figuur 5.9). De projectlocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde onderdelen van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevinden zich op circa 460 meter (zie figuur 5.10).

59/68

Figuur 5.9: Planlocatie (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: AERIUS Calculator)

Figuur 5.410: Ligging projectlocatie (omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (bron: provincie Zuid-Holland) Stikstof In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofmemo met berekeningen zijn opgenomen in bijlage 12. Hieruit blijkt dat mogelijk stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden worden getroffen door de voorgenomen ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt daarom een toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebieden. Voor het beoogde gebruik is een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit noodzakelijk en zal een Passende Beoordeling noodzakelijk zijn. Met deze procedure wordt geborgd dat de beoogde ontwikkeling geen significante negatieve effecten heeft op Natura 2000-gebieden.

60/68

Deze vergunning moet worden aangevraagd bij gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland. Vanwege het schrappen van de aanhaakverplichting onder de Omgevingswet kan de omgevingsvergunning voor de bopa worden vergund zonder koppeling met de omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. Aangetoond dient te worden dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Om te kunnen spreken van een niet evident onuitvoerbare ontwikkeling is onderzocht of er zicht is het verkrijgen van de omgevingsvergunning voor de Natura2000-activiteit. Voor het project kan interne saldering worden toegepast. Interne saldering houdt in dat de stikstofemissie van de nieuwe situatie wordt gecompenseerd door het vervallen van stikstofemissie uit de bestaande situatie. Dit wordt beschouwd als een mitigerende maatregel en vereist een vergunning op grond van de Omgevingswet. De bestaande situatie betreft een bedrijfsverzamelgebouw aan de Hoogwakersbosstraat 12, dat sinds 2006 in eigendom is van de gemeente. Het gebouw huisvest diverse gebruikers en beschikt over een bijbehorend parkeerterrein. Deze bestaande emissiebron komt te vervallen en kan worden verrekend met de emissies die voortvloeien uit de beoogde ontwikkeling. Voor het gebruik zal wel een natura2000-activiteit verleend moeten worden.

5.12.3 Conclusie Voor het project is een stikstofberekening uitgevoerd waaruit blijkt dat er mogelijk een stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 2000-gebieden. Met mitigrerende maatregelen in de vorm van interne saldering kan de stikstofemissie worden gecompenseerd. Hiervoor is een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit vereist. Vanwege het schrappen van de aanhaakverplichting onder de Omgevingswet kan de omgevingsvergunning voor het gebruik worden vergund zonder koppeling met de omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. Gelet op voorgaande is de verwachting dat deze omgevingsvergunning kan worden verleend, en daarmee is de beoogde ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar.

5.13 Beschermen van de gezondheid 5.13.1 Algemeen Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3 onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden dient te worden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4 instructieregels voor aspecten die relevant zijn voor het beschermen van de gezondheid, zoals luchtkwaliteit, geluid en geur. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen van een ontwikkeling kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen, zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging en sociale cohesie. Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema gezondheid.

61/68

5.13.2 Beoordeling en conclusie De omgevingsaspecten in relatie tot gezondheidsbescherming zijn in dit hoofdstuk uitgebreid onderzocht. Voor bijvoorbeeld de omgevingsaspecten bodemkwaliteit, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en omgevingsveiligheid blijkt dat aan de normen wordt voldaan, dan wel dat hiervoor de nodige maatregelen kunnen worden getroffen om aan deze normen te voldoen. Gelet op de gestelde normen zijn voor geen enkel omgevingsaspect belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling met betrekking tot gezondheid. Het projectgebied is goed bereikbaar voor langzaam verkeer. De projectlocatie is gelegen op de hoek tussen de Hoogwakersbosstraat en de Derk Bolhuisstraat. Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen, met vrijliggende voetpaden aan weerszijden van de rijbaan. Voor fietsers zijn op zowel de Hoogwakersbosstraat en de Derk Bolhuisstraat geen aparte voorzieningen aanwezig, waardoor fietsers de rijbaan moeten delen met het gemotoriseerde verkeer. In oostelijke richting komt de Hoogwakersbosstraat uit op de Duinweg. De Duinweg is een gebiedsontsluitingsweg met een vrijliggend voetpad aan de westzijde van de rijbaan. Tevens ligt aan de westzijde van de rijbaan een vrijliggend tweerichtingsfietspad.

De Duinweg leidt in zuidelijke richting naar de Nieuwe Zeeweg, welke vervolgens in westelijke richting naar het centrumgebied van Noordwijk leidt op minder dan 1 kilometer loopafstand van de projectlocatie. Door de nabijheid van de voorzieningen en voet- en fietspaden, wordt het autogebruik beperkt en een gezonde leefstijl (met zo veel mogelijk beweging) bevorderd. Daarnaast ligt, zoals in paragraaf 5.4 al vermeld, de concentratie stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse ruim onder de omgevingswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar en de gezondheid van de (toekomstige) bewoners komt niet in het geding. Uit het bodemonderzoek, opgenomen in bijlage 7 blijkt bovendien dat de bodemkwaliteit voldoet aan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit. In het bijzonder wordt de gezondheidskundige waarde van lood op de locatie niet overschreden. De bodemkwaliteit is geschikt voor wonen en de gezondheid van de (toekomstige) bewoners komt niet in het geding. Het akoestisch onderzoek, zoals opgenomen in bijlage 6 en beschreven in paragraaf 5.6, concludeerde wel dat vanwege het naastgelegen schoolplein de geluidsniveau's ter plaatse van de beoogde woningen de richtwaarde van 50 dB(A) vanuit het Bkl overschrijden. Elk appartement beschikt over een gevel waarbij sprake is van geluidbelastingen van ten hoogste de richtwaarde.

Hoewel zich aan de meest geluidbelaste gevel slaapkamers bevinden, zijn deze gevels alleen gedurende de dagperiode geluidbelast vanwege activiteiten op de naastgelegen schoolpleinen. Bezien dat de optredende geluidniveaus uitsluitend in de dagperiode (tussen 07:00 en 18:30 uur) optreden, zal de geluidsbelasting geen invloed hebben op de nachtrust van de bewoners. De geluidbelasting zal daarom een geringe invloed hebben op de gezondheid van toekomstige bewoners. Het is noodzakelijk om voor deze locatie het gezamenlijke geluid op de gevels van de woningen in de omgevingsvergunning vast te leggen (5.78ad Bkl) middels een maatwerkvoorschrift. Bovenstaand in acht genomen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor het aspect gezondheid.

62/68

5.14 Duurzaamheid en klimaatadaptatie 5.14.1 Algemeen Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een bopa rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Daarnaast is in de Zuid-Hollandse omgevingsverordening een instructieregel opgenomen met betrekking tot het toekomstbestendig bouwen van woningen: Artikel 7.41aa (toekomstbestendig bouwen van woningen) 1. Een omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling met een of meer gebouwen met een totale vloeroppervlak van 1.000 m2 of meer mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen, die mede afhankelijk zijn van de functie van het gebouw en de daarmee samenhangende gebiedsontwikkeling. 2. De volgende aspecten van toekomstbestendig bouwen worden in onderlinge samenhang betrokken: a. de risico’s van klimaatverandering; b. de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g.

het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. 5.14.2 Beoordeling en conclusie De ontwikkeling voorziet in een functiewijziging naar een woonfunctie ten behoeve van de nieuwbouw van 31 sociale huurappartementen. De initiatiefnemer streeft ernaar om de woningen tenminste energie neutraal te bouwen. In de nadere planuitwerking worden nul-op-de-meterwoningen, houtbouw en de ambitie voor bio-based en de MPG-score nader onderzocht. Bij verdere uitwerking worden de duurzaamheidseisen onderzocht, waarbij wordt gekoerst op een plan dat een lange reeks van jaren mee kan. Hiermee draagt de ontwikkeling bij aan de duurzaamheidsdoelstellingen. Daarnaast zijn in de Weging van het waterbelang de gevolgen van klimaatverandering op de planlocatie beschreven. Volgens de Rijnland Klimaatatlas is er op de planlocatie geen wateroverlast te verwachtten als gevolg van instroming van hemelwater vanuit de omgeving. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving in de toekomst te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. In paragraaf 5.10 is bovendien beschreven dat voorzieningen vanaf de projectlocatie goed bereikbaar zijn voor niet-gemotoriseerd verkeer en dat het openbaar vervoer op geringe afstand ligt. Dit draagt dan ook bij aan de mogelijkheid tot een duurzame mobiliteit van en naar de projectlocatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=c76a8eb0-2cc3-452c-a786-cc2189d1aa5f