CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Quick scan flora en fauna

Gemeenteraadsvergadering 28 september 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan De Zilk Het Zilt10.602 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

De Zilk, Het Zilt

Gemeente Noordwijk

Datum: 26 maart 2021 Projectnummer: 160261.02

INHOUD 1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

6

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

7 8 8

3

Onderzoeksmethode

9

3.1 3.2

Deskundigheid Werkwijze

9 9

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

11

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

11 12 22

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

23

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

23 23 26

6

Conclusie

28

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In de gemeente Noordwijk wordt het voormalige zoutdepot herontwikkeld tot een nieuwe woonbuurt, ‘Het Zilt’ geheten. De herontwikkeling bestaat uit maximaal 130 woningen alsmede enkele voorzieningen en detailhandel. Op grond van het vigerende bestemmingsplan ‘De Zilk’ is op deze locatie sprake van een uit te werken woonbestemming waarmee is voorgesorteerd op deze herontwikkeling. Enkele planonderdelen passen echter niet geheel binnen de uitwerkingsregels van het bestaande bestemmingsplan. Dit betreft het zuidelijke plandeel waarin wordt voorzien in enkele voorzieningen (een supermarkt en een G.O.E.D.) en appartementen alsmede een strook beoogde woningen aan de noordzijde. Om die reden is besloten om voor deze planonderdelen een separaat bestemmingsplan op te stellen. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie De ontwikkelingslocatie Het Zilt ligt aan de noordwestzijde van De Zilk, in de gemeente Noordwijk, provincie Zuid-Holland. Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat twee delen; de zuidwestelijke hoek van de ontwikkelingslocatie Het Zilt en een strook aan de noordzijde ervan. Het centrale deel van de ontwikkelingslocatie valt niet binnen het nieuwe bestemmingsplan. Aan de westzijde van beide deelgebieden ligt duingebied dat is aangewezen als Natura 2000-gebied. Ten oosten van de deelgebieden ligt de bebouwde kom van De Zilk en ten noorden liggen sportvelden, met daarachter open landbouwgebied. De N206 ligt ten westen van de locatie. Het centrale deel tussen beide deelgebieden in, behoort ook tot de ontwikkelingslocatie De Zilk. Hier zijn recent huizen gebouwd en worden ook nu nog woningen gebouwd. De volgende afbeeldingen geven de ligging van beide deelgebieden weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK.

Luchtfoto met de globale ligging van de twee deelgebieden van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK.

Op 12 maart is een veldbezoek uitgevoerd. Tussen beide deelgebieden in worden momenteel woningen gebouwd. Het noordelijke deelgebied wordt voor deze bouw gebruikt. Op het terrein liggen enkele grondhopen en ook is verharding aangebracht dat wordt gebruikt als parkeerplaats. Verder zijn enkele bouwketen aanwezig. Andere delen van het terrein liggen braak en bestaan uit kaal zand met plassen. Langs de noordgrens van het terrein ligt een watergang die de afscheiding vormt met het ernaast gelegen sportveld. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

4

Deelgebied gezien vanuit het noordoosten

Parkeerplaats en kaal zand

Watergang die de noordgrens vormt

Impressie van de zuidzijde

Het zuidelijke deelgebied bestaat vooral uit opgaand bos met daaronder een dichte struik- en kruidlaag. Aan de westzijde van het perceel, langs de N206, ligt een hoge aarden wal, die ook met bomen en struweel is begroeid. Aan de noordzijde, tegen de nieuwbouwlocatie aan, liggen enige hopen met grond en puin. De zuidoostkant van het deelgebied grenst aan de Zilkerduinweg en loopt in een bocht. Langs deze weg ligt grasveld begroeid met boomgroepjes binnen het deelgebied. De oostkant van het deelgebied bestaat uit een smalle strook begroeid met bomen die grenst aan twee straten. Door het deelgebied heen lopen enige paden. Navolgende foto’s geven een impressie van het zuidelijke deelgebied.

Deelgebied gezien vanuit zuiden

Gazon met boomgroepjes, langs de Zilkerduinweg

5

1.2.2

Wandelpad bovenop de aanrden wal aan de

De smalle strook aan de oostkant, begroeid

westzijde

met bomen

Toekomstige situatie De totale ontwikkeling op de ontwikkelingslocatie Het Zilt voorziet in de bouw van maximaal 130 woningen, een commerciële ruimte ter vervanging van de tijdelijke supermarkt aan het Breeland en een G.O.E.D. (Gezondheidsvoorzieningen Onder Een Dak). Het deel dat hiervan al gerealiseerd wordt betreft 98 woningen in diverse typologieën en ligt centraal binnen de ontwikkelingslocatie (uitwerkingsplan). Het nieuwe bestemmingsplan (noord- en zuidzijde ontwikkelingslocatie) ziet toe op het deel van het ontwikkelingsplan dat wordt gerealiseerd in afwijking van de uitwerkingsregels. Hier zijn 16 appartementen en 16 grondgebonden woningen, dus in totaal 32 woningen gelegen, alsmede de niet-woonfuncties (supermarkt en G.O.E.D.).

Indicatieve tekening verdeling ontwikkelingslocatie in plangebied uitwerkingsplan en bestemmingsplan

6

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Zuid-Holland heeft de bescherming van Natuurnetwerk Nederland opgenomen in artikel 6.24 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland 2019. Via artikel 6.9 van deze verordening worden daarnaast belangrijke weidevogelgebieden beschermd via een ‘nee, tenzij’-regime.

De regels voor compensatie van waarden die verloren gaan binnen het NNN of binnen belangrijk weidevogelgebied staan beschreven in de beleidsregel Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-Holland (2013).

7

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Zuid-Holland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

8

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 12 maart 2021, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 12 maart 2021, bij bewolkt, droog weer en een temperatuur van circa 8 graden. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.

Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor ver-

9

volgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

10

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden

4.1.1

Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding).

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Aerius. Bewerking: SAB.

Het plangebied ligt direct naast Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid. De afstand van het zuidelijk deelgebied van het plangebied tot het Natura 2000-gebied bedraagt circa 40 meter, de afstand van het noordelijk deelgebied tot het Natura 2000-gebied bedraagt circa 90 meter. Overige Natura 2000-gebieden (zoals Coepelduynen, Meijendel & Berkheide en Polder Westzaan) liggen op meer dan 10 kilometer afstand van het plangebied.

11

4.1.2

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich direct ten westen van het plangebied en wordt gevormd door natuurgebied Kennemerland-Zuid. Enkel de Provincialeweg N206 scheidt het plangebied van dit gedeelte van het NNN. De dichtstbijzijnde ecologische verbinding en belangrijk weidevogelgebied bevinden zich op respectievelijk 600 meter en 7,5 kilometer van het plangebied. Aangezien het plangebied niet in het Natuurnetwerk of een gebied met de status als ecologische verbinding, strategische reservering natuur of belangrijk weidevogelgebied ligt, vormt de ligging van het plangebied ten opzichte van deze gebieden geen beperkingen voor de beoogde plannen.

Globale ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen. Bron: Provincie Zuid-Holland.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten Beide deelgebieden vormen geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren. In zowel het noordelijk als het zuidelijk deelgebied is enig groen aanwezig en ook komt open grond voor.

12

4.2.2 4.2.2.1

Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek aan het noordelijk deelgebied werd in de watergang een meerkoet gezien. Met name deze watergang vormt geschikt broedgebied voor vogelsoorten binnen dit deelgebied. In het zuidelijk deelgebied werden meerdere nesten gezien, van onder meer houtduiven. Ook waren in dit deelgebied veel vogels aanwezig, zoals koolmezen, vinken, merel en pimpelmees. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in dit deelgebied tot broeden komen.

4.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. In de NDFF zijn waarnemingen opgenomen uit deze omgeving, van verschillende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017c). In beide deelgebieden is geen bebouwing aanwezig. Ook werden bij het veldbezoek geen huismussen waargenomen.

Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Aangezien er geen duidelijke nestlocaties voor de huismus in de deelgebieden aanwezig zijn, en huismussen of sporen van de soort niet zijn waargenomen, is het onwaarschijnlijk dat de deelgebieden onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van deze soort. Roofvogelsoorten als buizerd, havik, sperwer of boomvalk Verschillende soorten roofvogels waarvan het nest jaarrond is beschermd nestelen in hoge bomen in bos of in boomgroepen. Het gaat dan om de soorten buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief of zwarte wouw. Andere soorten nestelen vaak in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) of in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). Tijdens het veldbezoek werden de deelgebieden gecontroleerd op de aanwezigheid van grotere nesten die van roofvogels zouden kunnen zijn. Omdat de bomen nog niet

13

in het blad zaten was deze controle goed uit te voeren. In het noordelijk deelgebied ontbreekt het aan bomen. Nestplaatsen van deze soorten zijn daar uitgesloten. In het zuidelijk deelgebied zijn wel veel bomen aanwezig. Naast verschillende kleinere nesten, was er één wat groter nest aanwezig, in de top van een boom. Dit betrof een eksternest, wat bleek uit de aanwezigheid van een afdakje op het nest, zoals eksters dat vaak maken. Ook waren eksters in de directe omgeving aanwezig. Een roofvogelnest bleek niet aanwezig binnen het zuidelijk deelgebied. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van roofvogels is daarmee niet te verwachten binnen de deelgebieden. Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), in kieren en spleten van gebouwen in stedelijk gebied (gierzwaluw), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogelbescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in de deelgebieden aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet verwacht. 4.2.2.3

4.2.3

Categorie 5-soorten - eksternest Naast nestplaatsen die altijd jaarrond zijn beschermd, bestaan er ook nestplaatsen die enkel jaarrond zijn beschermd ingeval er sprake is van zwaarwegende factoren, zoals het ontbreken van alternatieve nestplaatsen. Tot deze categorie 5-soorten behoort ook de ekster, waarvan binnen het plangebied dus een nestplaats aanwezig is, zoals in de paragraaf hierboven werd beschreven. Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl).

In het noordelijk deelgebied is nauwelijks sprake van de aanwezigheid van planten. Het grootste deel van het deelgebied bestaat uit kale, open grond dat zeer recent nog is bewerkt of hier is aangebracht. Op enkele plekken is enige begroeiing aanwezig, zoals nabij de watergang. Vanwege de vele menselijke activiteit en het zo goed als ontbreken van begroeiing worden beschermde plantensoorten hier niet verwacht.

14

Daarbij werd eerder in deze omgeving aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van beschermde planten (SAB 2018a). Deze werden daarbij niet aangetroffen. Het zuidelijk deelgebied bestaat uit strookjes gazon, bos en enige paden. De bosbodem is vooral bedekt met klimop. Ook zijn veel soorten aanwezig die duiden op een voedselrijke bodem, zoals kleefkruid, brandnetel, hondsdraf en braam. Beschermde planten werden niet aangetroffen en worden in een dergelijk voedselrijk biotoop ook niet verwacht. 4.2.4

Grondgebonden zoogdieren

4.2.4.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.4.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). De steenmarter komt vooral in het oosten van het land voor, maar breidt zich wel uit naar het westen (verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en de verspreidingsatlas komt het damhert in deze omgeving voor. Het damhert komt algemeen voor in het nabij gelegen Natura 2000-gebied. Een wildkerend raster scheidt dit gebied echter van de Zilk. Daarbij werden in de deelgebieden geen sporen van herten gevonden. De aanwezigheid van het damhert is daarom uitgesloten. Verder zijn er in de NDFF waarnemingen opgenomen van de eekhoorn en boommarter uit de (verdere) omgeving.

Het noordelijk deelgebied vormt voor deze zoogdieren geen geschikt leefgebied, vanwege de dagelijkse menselijke aanwezigheid en het ontbreken van groenstructuren en dekking. Het zuidelijk deelgebied zou voor deze diersoorten wel geschikt leefgebied kunnen zijn. De aanwezige bomen werden daarom gecontroleerd op holten en nesten die door boommarter of eekhoorn als schuilplaats gebruikt zouden kunnen worden. Ook werd gezocht naar sporen van deze soorten. Bomen met holten zijn nauwelijks aanwezig binnen het zuidelijk deelgebied. Holten die groot genoeg zouden kunnen zijn voor de boommarter of eekhoorn werden niet gevonden. Ook werden geen eekhoornnesten aangetroffen en werden geen sporen gevonden. De bomen zaten tijdens de controle nog niet in het blad en konden dus goed gecontroleerd worden op de aanwezigheid van nesten en holten. Omdat ge-

15

schikte verblijfplaatsen voor deze soorten ontbreken is de aanwezigheid van leefgebied voor boommarter en eekhoorn redelijkerwijs uitgesloten.

4.2.5

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis in de buurt voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011).

4.2.5.1

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). Omdat binnen de deelgebieden gebouwen ontbreken, is de aanwezigheid van verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten uitgesloten.

4.2.5.2

Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het zuidelijk deelgebied staan verschillende grote bomen. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Bij twee bomen werden holten gevonden. Echter, de holten bij één boom waren ongeschikt voor vleermuizen, doordat de holten ondiep zijn en regenwater opvangen. Eén holte bij een andere boom, in een dikke zijtak, is mogelijk wel geschikt voor vleermuizen. Daarnaast groeien binnen het plangebied enkele bomen die begroeid zijn met klimop. Eén daarvan betreft een grote populier die tot hoog in de kruin begroeid is met klimop. Vleermuizen kunnen ook achter klimop verblijven. Ook zou wellicht een holte aanwezig kunnen zijn achter de klimop waarin boombewonende vleermuizen een verblijfplaats zouden kunnen hebben. Deze boom kon niet tot bovenin gecontroleerd worden. Het is daarom niet op voorhand uit te sluiten dat bij deze boom een verblijfplaats aanwezig is.

16

Holte in dikke zijtak, die mogelijk geschikt is voor vleermuizen.

Populier begroeid met klimop.

17

Locatie van de twee bomen, waarvan niet uitgesloten kan worden dat verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig zijn.

De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

4.2.5.3

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Gewone dwergvleermuis

-

x

x

-

Ruige dwergvleermuis

-

x

x

-

Laatvlieger

-

-

-

-

Rosse vleermuis

x

x

x

x

Gewone grootoorvleermuis

x

x

x

-

Watervleermuis

x

x

-

-

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd.

18

De deelgebieden hebben een beperkt oppervlakte en in de directe omgeving is alternatief foerageergebied aanwezig waar vleermuizen voedsel kunnen vinden. Dit betreft onder andere het ernaast gelegen Natura 2000-gebied. Het is daarom niet waarschijnlijk dat de bomen in het plangebied een essentieel foerageergebied voor vleermuizen vormen. 4.2.5.4

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Binnen het zuidelijk plangebied komen bomen voor. Wellicht vliegen vleermuizen langs deze bomen van en naar hun verblijfplaats. Wanneer de bomen verdwijnen zijn er echter in de omgeving nog voldoende structuren over die als vliegroute zouden kunnen dienen. Zo blijven er langs de N206 bomen aanwezig en zijn er in de directe omgeving huizenrijen waarlangs dieren zich kunnen oriënteren. Het is niet te verwachten dat een essentiële vliegroute verloren gaat.

4.2.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt de zandhagedis in de omgeving voor. De zandhagedis komt voor op droge en zandige plekken op (struik)heidevelden, duinen of bosranden. Ook op open plekken in het bos en langs weg- en spoorbermen is de soort te vinden. De aanwezigheid van struikhei en helm en voldoende zonnige plekken zijn hierbij de belangrijkste structuurbepalende landschapskarakteristieken. De optimale habitat is een mozaïek van dwergstruikvegetatie, hogere grassen en kale grond. In kalkrijke duinen bestaat het voorkeurshabitat uit met duinriet vergrast duindoornstruweel met lage grassen, korstmossen en zand. Zandhagedissen overwinteren in de grond in een verlaten zoogdier- of een zelf gegraven hol (Creemers & van Delft 2009). Binnen het noordelijk deelgebied is wel open zand aanwezig, maar ontbreekt het aan vegetatie.

Daarbij wordt dit deelgebied intensief bereden en betreden, waardoor het als leefgebied voor deze soort niet geschikt is. Het zuidelijk deelgebied is sterk beschaduwd en begroeid. Open plekken en open grond is hier nauwelijks aanwezig. Als leefgebied voor de zandhagedis is dit deelgebied daarom weinig geschikt. Bij eerder onderzoek (SAB 2018a) werd de zandhagedis

19

bij de ontwikkelingslocatie Het Zilt tevens niet aangetroffen. In de deelgebieden wordt de soort ook nu niet verwacht. 4.2.7

Amfibieën

4.2.7.1

Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

4.2.7.2

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de boomkikker en rugstreeppad in deze omgeving voor. De aanwezigheid van de boomkikker in de duinen berust waarschijnlijk op uitzettingen en grote populaties zijn er niet aanwezig (ravon.nl). Boomkikkers planten zich voort in kleine poeltjes met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie (Creemers en van Delft 2009). Bij de deelgebieden ontbreekt het aan dergelijk voortplantingswater voor de boomkikker, zodat de aanwezigheid van deze soort redelijkerwijs is uitgesloten. De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties.

Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft 2009). In het zuidelijk deelgebied is een gesloten begroeiing met veel bomen en een dichte struiklaag aanwezig. Een dergelijk biotoop is voor de rugstreeppad als leefgebied niet geschikt. Het noordelijk deel vormt wel een geschikte leefomgeving voor deze soort. In het deelgebied is veel open zand aanwezig en tijdens het veldbezoek stonden er ook ondiepe plassen op de locatie. Waarschijnlijk zullen deze plassen snel droogvallen. Maar ook dan blijft het open zand geschikt als verblijfplaats, waar dieren zich in kunnen graven.

20

Ondiepe plassen en kaal zand binnen het noordelijk deelgebied.

4.2.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het zuidelijk deelgebied is open water niet aanwezig. In het noordelijk deelgebied is open water wel aanwezig, in de vorm van de watergang aan de noordzijde. Beschermde vissoorten worden in deze omgeving echter niet waargenomen. Zo komt de grote modderkruiper in deze omgeving niet voor (verspreidingsatlas.nl). De aanwezigheid van beschermde vissoorten is daarom niet te verwachten.

4.2.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivie-

21

rengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). In de deelgebieden is geen sprake van open water, soortenrijk grasland, heide, vochtig bos of veen. Leefgebied voor veel van deze soorten is hierdoor niet aanwezig. In de omgeving wordt de duinparelmoervlinder waargenomen, zo blijkt uit NDFFgegevens. Voor deze soort ontbreekt het binnen de deelgebieden echter aan geschikt leefgebied, dat vooral bestaat uit duingrasland. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden In het plangebied is een houtopstand aanwezig. De bomen en struiken die aanwezig zijn in het zuidelijk deelgebied zijn namelijk onderdeel van een eenheid bomen en struiken waarvan de oppervlakte groter is dan duizend vierkante meter.

22

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

5.1

Mogelijke effecten op beschermde gebieden

5.1.1

Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid direct naast de deelgebieden is gelegen. Ten behoeve van de toekomstige nieuwbouw op de ontwikkelingslocatie het Zilt werd eerder een voortoets Natura 2000 opgesteld (SAB 2018b). Uit deze voortoets blijkt dat van de ontwikkeling alleen negatieve gevolgen te verwachten zijn voor het Natura 2000-gebied door verzurende en vermestende effecten door stikstofdepositie. Andere gevolgen, zoals de verstoring van licht en geluid zijn uitgesloten. Omdat het voorliggende plan inhoudelijk sterk lijkt op het plan dat destijds werd getoetst en omdat voor het Natura 2000-gebied nog dezelfde vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen gelden als waar destijds aan werd getoetst, gaan we uit van de resultaten uit de bestaande voortoets voor de gehele ontwikkelingslocatie. Dat betekent dat de ontwikkeling een significant gevolg kan hebben voor het Natura 2000gebied door de toename in stikstofdepositie ten gevolge van het plan. Andere verstoringen van de instandhoudingsdoelstellingen, zoals de verstoring door licht en geluid zijn uitgesloten. Om te onderzoeken of van het huidige plan negatieve effecten op het Natura 2000gebied mogelijk zijn door stikstofdepositie, wordt reeds een stikstofonderzoek uitgevoerd.

Mocht uit de stikstofberekening blijken dat een toename in depositie te verwachten is, dan dient aanvullend ecologisch onderzoek uitgevoerd te worden, om te toetsen of de depositie kan leiden tot significante gevolgen. Zo nodig dient voor de ontwikkeling een vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

5.1.2

Provinciale bescherming Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op minimaal 25 meter afstand. De bescherming van het NNN kent in de provincie Zuid-Holland niet het begrip externe werking. Aangezien het plangebied niet in het NNN, in weidevogelgebied of in een ecologische verbinding ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland hebben. De bescherming van het natuurnetwerk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuur-

23

bescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond de deelgebieden vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen.

5.2.2.1

Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.

24

5.2.2.2

Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Van verschillende vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd. Met het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat essentieel leefgebied voor deze soorten niet in of bij het plangebied aanwezig is. Negatieve effecten op deze soorten zijn van de ontwikkeling dan ook niet te verwachten. Nader onderzoek naar deze soorten is niet nodig en de bescherming van deze soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Binnen het zuidelijk deelgebied is wel een eksternest aanwezig. Dit nest is beschermd wanneer het als broedlocatie wordt gebruikt. De nesten van deze soort zijn daarnaast jaarrond beschermd bij zwaarwegende factoren zoals het ontbreken van alternatieve nestplaatsen. Eksters zijn goed in staat nesten te bouwen. In de directe omgeving blijven veel bomen en bosschages aanwezig zoals direct ten zuiden en ten westen van het zuidelijke deelgebied. Doordat alternatieve aanwezig blijven waar deze soort nesten kan bouwen, hoeft hier niet van een jaarrond beschermd nest uitgegaan te worden. Geadviseerd wordt wel, in het kader van het voorzorgsbeginsel, waar mogelijk bomen te sparen of nieuwe bomen te planten, zodat het deelgebied zelf als leefgebied zoveel mogelijk geschikt blijft voor deze soort.

5.2.3

Overige beschermde soorten

5.2.3.1

Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht.

5.2.3.2

Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Dit betreft verblijfplaatsen van vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis) in twee bomen in het zuidelijk deelgebied. Deze vleermuissoorten zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen. Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen in de twee bomen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig.

25

Daarnaast vormt het noordelijk deelgebied geschikt leefgebied voor de rugstreeppad. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in dit deelgebied voorkomt, doordat het open zand recent is ontstaan, is verplaatst en is vlak gereden. Het is echter mogelijk dat de soort zich in het deelgebied zal vestigen. De soort is namelijk een pioniersoort die nieuw ontstane geschikte leefgebieden snel koloniseert. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen, door het bijvoorbeeld in te zaaien met graszaad. Ook wordt aangeraden grondhopen af te dekken, met bijvoorbeeld plastic folie. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Het zuidelijk deelgebied vormt momenteel geen geschikt leefgebied voor deze soort. Maar wanneer hier door bouwwerkzaamheden kale grond en plassen ontstaan, kan ook in het zuidelijk deelgebied leefgebied ontstaan. Ook dan geldt het advies om plassen snel te dempen en kale grond niet lang braak te laten liggen, maar dit af te dekken of in te zaaien. 5.2.4

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten: onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vier veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Twee daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied.

Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiode van de vleermuizen weer. Soortgroep

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

Vleermuizen

5.3

Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden In het zuidelijk deelgebied is een houtopstand aanwezig en als onderdeel van het plan worden bomen of struiken van deze houtopstand geveld. Het overgrote deel van het zuidelijk deelgebied ligt echter binnen de bebouwde kom voor houtopstanden van de

26

gemeente, zodat het beschermingsregime voor houtopstanden voor dat deel niet van toepassing is. Wel dient hier rekening gehouden te worden met de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente, die gelden voor de kap van bomen. Dit houdt onder meer in dat voor de kap van de bomen een omgevingsvergunning noodzakelijk is. De westrand van het zuidelijk deelgebied valt niet binnen bebouwde kom voor houtopstanden (zie navolgende afbeelding). Ook hier is een houtopstand aanwezig groter 2 dan 1.000m . Op dit deel is wel het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing. Van een eventuele velling in dit deel dient melding te worden gedaan bij de provincie en dient herbeplanting plaats te vinden. Herbeplanting kan mogelijk ook plaats vinden op andere grond dan de locatie waar de houtopstand wordt geveld. Hiervoor is een ontheffing van de provincie noodzakelijk. Deze herbeplanting op andere grond dient te voldoen aan regels zoals die zijn gesteld in de provinciale verordening.

Ligging van de deelgebieden (rood kader) ten opzichte van de grens van de bebouwde kom voor houtopstanden (groen kader). Bron: Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Bewerking: SAB.

27

6

Conclusie In de gemeente Noordwijk wordt het voormalige zoutdepot herontwikkeld tot een nieuwe woonbuurt, ‘Het Zilt’ geheten. Enkele planonderdelen passen niet geheel binnen de uitwerkingsregels van het bestaande bestemmingsplan. Dit betreft het zuidelijke plandeel waarin wordt voorzien in enkele voorzieningen (een supermarkt en een G.O.E.D.) en appartementen alsmede een strook beoogde woningen aan de noordzijde. Om die reden is besloten om voor deze planonderdelen een separaat bestemmingsplan op te stellen. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Hiervoor werd deze quick scan natuur opgesteld.

6.1

Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid nabij het plangebied ligt. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000gebied is niet uit te sluiten, vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied. Nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening is daarom noodzakelijk. Mogelijk dient aanvullend natuuronderzoek plaats te vinden, om te onderzoeken of stikstofdepositie door de ontwikkeling kan leiden tot verstoring van het Natura 2000-gebied. Ook dient voor de ontwikkeling mogelijk een vergunning Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Overige verstoringen van het Natura 2000-gebied door de ontwikkeling zijn uitgesloten, zo bleek uit een eerder opgestelde voortoets Natura 2000. Verder blijkt uit de quick scan dat binnen het plangebied geen Natuurnetwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.

6.2

Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield.

28

Verder zijn in twee bomen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Tot slot blijkt uit het onderzoek dat het noordelijk deelgebied geschikt leefgebied vormt voor de rugstreeppad, doordat hier open zand en ondiepe plassen aanwezig zijn. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in dit deelgebied voorkomt, doordat het open zand recent is ontstaan, is verplaatst en is vlak gereden. Om te voorkomen dat de rugstreeppad zicht vestigt wordt aangeraden om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen, door het bijvoorbeeld in te zaaien met graszaad. Ook wordt aangeraden grondhopen af te dekken, met bijvoorbeeld plastic folie. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Het zuidelijk deelgebied vormt momenteel geen geschikt leefgebied voor deze soort. Maar wanneer hier door bouwwerkzaamheden kale grond en plassen ontstaan, kan ook in het zuidelijk deelgebied leefgebied ontstaan.

Ook dan geldt het advies om plassen snel te dempen en kale grond niet lang braak te laten liggen, maar dit af te dekken of in te zaaien.

6.3

Bescherming houtopstanden In het zuidelijk deelgebied is een houtopstand aanwezig. Op de westelijke zijde van deze houtopstand (een strook langs de N206) is het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing. Wanneer van deze westelijke zijde bomen worden geveld, dan dient hiervan melding te worden gedaan bij de provincie ZuidHolland. Ook dient herplant plaats te vinden en dient dan een ontheffing te worden aangevraagd, om herplant mogelijk te maken op een andere locatie dan binnen het deelgebied zelf. Voor de oostelijke zijde van dit deelgebied geldt niet het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming voor houtopstanden. Voor de velling van bomen aan deze zijde dient bij de gemeente een omgevingsvergunning aangevraagd te worden.

6.4

Vervolgstappen  Houd rekening met de zorgplicht;  Houd rekening met broedende vogels;  Laat nader onderzoek uitvoeren naar boombewonende vleermuizen in het zuidelijk deelgebied;  Maak het noordelijk deelgebied ongeschikt voor de rugstreeppad en zorg tijdens de bouwfase dat de twee deelgebieden niet geschikt worden voor de rugstreeppad;  Houd rekening met het beschermingsregime voor houtopstanden, voor de westelijke zijde van het zuidelijk deelgebied.

29

Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12. 2017a. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017b. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. BIJ12. 2017c. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0, juli 2017. BIJ12, Utrecht. Bos, F. Bosveld, M. Groenendijk, D. van Swaay, C. Wynhof, I. De Vlinderstichting. 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming. Nederlandse fauna deel 7. Creemers, R. van Delft, J. 2009. De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna deel 9. Dietz, Ch. von Helversen, O. Nill, D. 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Janssen, J. A. M. Schamineé, J. H. J. 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de habitatrichtlijn. Lange, R. Twisk, P. van Winden, A. van Diepenbeek, A. 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Limpens, H. J. G. A. Twisk, P. Veenbaas, G. 2004. Met vleermuizen onderweg. Uitgave DDW en VZZ. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie. 2002. De Nederlandse Libellen (Odonata). Nederlandse Fauna deel 4. Netwerk Groene Bureaus, Definitielijst Netwerk Groene Bureaus 2020, 16 januari 2020. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2020. Vleermuisprotocol 2021. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ.

2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. SAB. 2018a. Nader onderzoek Wet natuurbescherming. Het Zilt, De Zilk. Projectnummer 160261.01.

SAB. 2018b. Voortoets Natura 2000. Bestemmingsplan Het Zilt, De Zilk. projectnummer 160261. SOVON. 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels. Verspreiding, aantallen, verandering. Nederlandse Fauna deel 5. Sparrius, L. Odé, B. Beringen, R. Basisrapport Rode Lijst Vaatplanten 2012 volgens Nederlandse en IUCN-criteria. FLORON rapport 57. Zoogdiervereniging & Probos. 2012. Laanbeheer en vleermuizen; met oog voor veiligheid en cultuurhistorie; met bijdragen van E. A. Jansen, M. H. A. van Benthem, C. de Groot, P. Twisk & H. J. G. A. Limpens.

Websites www.anemoon.org www.aerius.nl www.eis-nederland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.sovon.nl statline.cbs.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vogelbescherming.nl

Bijlage 1. Wettelijk kader Gebiedsbescherming Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming. Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=b40e0202-d3e8-4acd-a33e-cc3ac10212b8