CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerp bestemmingsplan Perceel D 961, Noordwijkerhout - Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 12 april 2022, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Westeinde perceel D 961, Noordwijkerhout14.247 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ontwerp bestemmingsplan Westeinde perceel D961, Noordwijkerhout Toelichting

Ontwerp bestemmingsplan Westeinde perceel D961, Noordwijkerhout Toelichting

Datum Kenmerk Auteur Vrijgave

: : : :

31 januari 2022 18101706/JLA/rap1.2 Dhr. J.C. Langeweg MSc ir. H.J. Breukelman MSc

Opdrachtgever

:

Van Reisen Bouwmanagement & Advies B.V. ’s-Gravendijckseweg 39 2201 CZ Noordwijk

IMRO-code

:

NL.IMRO.0575.BPBGWesteindeD961-O01

Planstatus

:

Voorontwerp Ontwerp Vaststelling

[20 april 2020] [31 januari 2022]

© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.

INHOUDSOPGAVE

I.

TOELICHTING

II.

REGELS

III.

BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)

IV.

VERBEELDING

I.

TOELICHTING

Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding .................................................................................................................... 6 Aanleiding .................................................................................................................. 6 Doel van het project ................................................................................................... 7 Ligging van het plangebied ......................................................................................... 7 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 8 Leeswijzer .................................................................................................................. 9

2. 2.1 2.2 2.3

Beleidskader........................................................................................................... 10 Rijksbeleid................................................................................................................ 10 Provinciaal en regionaal beleid ................................................................................. 11 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 18

3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Planbeschrijving..................................................................................................... 19 Planvoornemen ........................................................................................................ 19 Stedenbouw ............................................................................................................. 20 Verkeer en vervoer ................................................................................................... 20 Ecologie ................................................................................................................... 21 Duurzaamheid .......................................................................................................... 22

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Omgevingsaspecten .............................................................................................. 23 Archeologie .............................................................................................................. 23 Cultuurhistorie .......................................................................................................... 24 Flora en fauna .......................................................................................................... 24 Geluidhinder ............................................................................................................. 27 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 28 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 31 Externe veiligheid ..................................................................................................... 33 Bodemgeschiktheid .................................................................................................. 36 Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................... 37 Watertoets................................................................................................................

38 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 43

5. 5.1 5.2 5.3

Juridische aspecten ............................................................................................... 45 Inleiding ................................................................................................................... 45 Opzet van de planregels ........................................................................................... 45 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 45

6. 6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 50 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 50 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 50 Eindconclusie ........................................................................................................... 51

7.

Bijlagen ................................................................................................................... 52

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

De eigenaar van het perceel, kadastraal bekend, Noordwijkerhout sectie D nummer 961 (verder: perceel D961), is voornemens om, in het kader van de ‘Ruimte voor Ruimte-regeling,’ een woning te bouwen en een ecologische zone te ontwikkelen door middel van een dubbelbestemming. Hiervoor dient er een planologische procedure doorlopen te worden om de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’ om te zetten naar een woonbestemming. Om dit mogelijk te maken is door de initiatiefnemer al afstemming gezocht met de provincie en de gemeente, die beide hebben aangegeven mee te willen werken aan dit planvoornemen. In een anterieure overeenkomst is vastgelegd dat de woning is toegestaan onder de volgende voorwaarden: -

Er wordt 4.050 m2 aan glasrechten, verbonden aan de agrarische opstallen, gesloopt; deze glasrechten worden door de initiatiefnemer gekocht ten behoeve van de bouw van de woning; er wordt 950 m2 aan glasopstanden gesaneerd waardoor er in totaal 5.000 m2 aan glasrechten ontstaat; de te saneren glasrechten geven recht op 1 compensatiewoning.

Tabel 1: Gegevens locatie Plaats

Noordwijkerhout

Locatie

nabij Westeinde 86 Noordwijkerhout

Perceel

sectie D nummer 961, Noordwijkerhout

Aanleiding onderzoek

nieuwbouw woning en realiseren ecologische verbindingszone

Oppervlakte onderzoeksgebied

1.200 m2 (woning + tuin) + 3.000 m2 (ecologische verbindingszone)

1.2

Doel van het project

De beoogde nieuwbouw van de woning past niet binnen de geldende regels uit het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’. Op delen van het terrein geldt tot op heden de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’. Mede gelet op de bestemmingsregels is de woning niet toegestaan onder het huidige bestemmingsplan. Om de ontwikkeling van de gewenste bebouwing en terreininrichting in juridisch-planologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie gemaakt te worden. Dit document voorziet daarin. 1.3

Ligging van het plangebied

Het plangebied is gelegen ten noordwesten van de bebouwde kom van Noordwijk. Het perceel waar de woning is voorzien, ligt niet direct langs de Westeinde, maar ligt op circa 50 meter ten noordwesten ervan, verscholen achter enkele bomen. De omgeving kenmerkt zich door een open landschap (bollenareaal) met verspreid langs de Westeinde diverse bouwwerken, voornamelijk woningen en bedrijven. In de directe omgeving (ten oosten van het planvoornemen) zijn enkele uitlopers van het aan de overzijde van de weg gelegen landgoed aanwezig.

1.4

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2015’ met codering NL.IMRO.0576.BP201400028-0003. Het plangebied kent de volgende bestemmingen: • • • •

enkelbestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’; enkelbestemming ‘Tuin’; dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’; dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’.

Strijdigheid met het bestemmingsplan Op het perceel is het niet toegestaan om de gewenste woning te realiseren, aangezien dit niet in de bestemmingsomschrijving valt. Ook is er geen bouwvlak aanwezig. Hierdoor is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan. Daarnaast kent het perceel de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ en ‘Waarde – Ecologie’. Er dient in voldoende mate rekening te worden gehouden met deze waarden.

Om af wijken van het bestemmingsplan, wordt een nieuw (postzegel-) bestemmingsplan opgesteld. Hiertoe worden delen van de bestemming ‘Agrarisch – Bollenteelt – Bollenzone 1’ gewijzigd naar ‘Wonen’, ‘Tuin’, ‘Natuur’ en ‘Waarde – ecologie’. De overige gronden binnen het plangebied, behouden de vigerende bestemmingen. 1.5

Leeswijzer

Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 2) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 3). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofstuk 2 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 3 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij het gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).

2. Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen. 2.1

Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit, de Mobiliteit Aanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de SVIR geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden.

De Ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Barro doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende plangebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet Ladderplichtig. Er wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader.

2.2

Provinciaal en regionaal beleid

In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: - Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; - de ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; - een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - de samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: -

De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Specifieke beoordeling wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen. De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO²-neutraal en vóór 2050 klimaat robuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.

Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. De verdere ontwikkeling van de Greenport Duin- en Bollenstreek tot een vitale, economisch concurrerende en duurzame greenport is van provinciaal belang. In verband hiermee streeft de provincie naar herstructurering van het bollencomplex, landschapsverbetering en handhaving van het teeltareaal bollengrond. Het bollenteeltgebied is aangeduid op kaart 11 van de verordening. Binnen het bollenteeltgebied bevinden zich ook bedrijfsgebouwen, (bedrijfs)woningen met erf en de eventuele kassen van de bollenteeltbedrijven.

Het plangebied is in de Omgevingsverordening ook aangewezen als Natuurnetwerk Nederland. In artikel 6.2.7 Natuur wordt hierover het volgende gemeld: “Een bestemmingsplan voor gronden binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuurgebied en ecologische verbinding, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 7 in bijlage II, wijst geen bestemmingen aan die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.”

Wijziging van de begrenzing is mogelijk ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het Natuurnetwerk Nederland of ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling.

Beoordeling planvoornemen Natuurnetwerk Nederland Aangezien het plangebied valt binnen het Natuurnetwerk Nederland, zijn er regels omtrent het inpassen van kleinschalige plannen. Onder het artikel 6.9 ‘Ruimtelijke kwaliteit’ is te lezen dat de provincie de volgende uitgangspunten hanteert om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is. Daarbij is vooral de ruimtelijke impact van belang: • •

een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.

Het mogelijk maken van deze ontwikkeling wordt gezien als een kleinschalige ontwikkeling waarbij er sprake is van een inpassing: “Inpassing. Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit.” Gelet op bovenstaande, is het van belang dat het plan op de juiste wijze wordt ingepast in de bestaande omgeving. Om deze reden gaat er bij het ontwerpen van de woning en de inrichting van de tuin, veel aandacht naar natuur-inclusief ontwerpen én wordt de woning in lijn met de reeds gerealiseerde woningen aan de zuidzijde van het perceel gebouwd. Gedacht kan worden aan het gebruik van circulaire materialen. Hiermee blijft de impact voor de omgeving beperkt. Bollenteeltbedrijven Artikel 6.17 van de Verordening gaat specifiek in op gebieden aangewezen als Bollenteeltgebied.

De gronden (ook de gronden van dit bestemmingsplan) laten primair bollenteeltbedrijven toe. Lid 4 van artikel 6.17, maakt het mogelijk om middels een bestemmingsplanprocedure te voorzien in een greenportwoning als bedoelt in de ISG Greenport Duin- en Bollenstreek. De verder regionale afweging vindt plaats in de Regionale woonagenda, Holland Rijnland 2017. In paragraaf 2.1 is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. Ook is er geen strijdigheid met het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (LIB) aangezien het plan niet binnen de grenzen van het LIB valt (meer hierover in paragraaf 4.4 (geluidhinder). (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland De planlocatie is onderdeel van een ecologische verbinding gelegen ten noordoosten van de bebouwde kom van Noordwijk en verbindt na afronding de Noordduinen – Landgoed Leeuwenhorst – Landgoed de Offem – Coepelduynen (Natura 2000). De corridor bestaat uit twee delen. Tussen de Noordduinen (Natura 2000 gebied Kennemerland Zuid)- Leeuwenhorst en Offem – Coepelduynen ligt een bosverbinding (ca. 3,8 km). Tussen Leeuwenhorst en Offem een moerasverbinding (ca. 800 m). Het bosgedeelte wordt minimaal 25 meter breed en bestaat uit verschillende inheemse boomsoorten waaronder eiken, met hierlangs een zoom van struweel en kruiden.

Het nectaraanbod (boswilg, vlier, wilde kers) in combinatie met geschikte waardplanten (brandnetel, pinksterbloem) zijn van belang voor insecten en vlinders. Voor verschillende soorten is het van belang (voorplanting, drink- en badplaats) dat poelen aanwezig zijn en plaatselijk aansluiting wordt gezocht op bestaande watergangen. De laatste 650 meter richting de Coepelduynen is reeds ingericht met struweel en poelen. Onderdeel van het planvoorstel is een directe verbinding tussen de bosgebieden Leeuwenhorst en langs de binnenduinrand van de Noordduinen (Natura 2000). Hiervoor is een beplantingsvoorstel gemaakt voor de indeling van het gebied. In hoofdstuk 4 (onder ecologie) is de invulling van de ecologische zone verder beschreven.

Provinciale afstemming Verder zijn er tussen de provincie, de gemeente en de initiatiefnemer afspraken gemaakt omtrent het realiseren van een daadwerkelijke ecologische verbindingszone op gronden welke nu in gebruik zijn als agrarische gronden. Hiervoor wordt een strook van minimaal 25 meter breed over de gehele lengte voorzien van de bestemming ‘Natuur’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’. In de regels wordt vastgelegd dat er een verplichting tot realisatie van de zone ligt, alvorens de woning te mogen bouwen. Daarmee wordt de gewenste verbindingszone daadwerkelijk gerealiseerd. In het kader van deze ontwikkeling heeft er al afstemming plaatsgevonden met zowel de gemeente als de provincie. Uit het overleg is naar voren gekomen dat er door de sloop van de aanwezige bebouwing, hekken en andere bouwwerken, de mogelijkheid bestaat om medewerking te verlenen aan de voormalige Ruimte voor Ruimte-regeling. Door de sloop (waar ook het saneren van het glas onder valt) ontstaat er een open, agrarische bestemming. Daarnaast is er ruimte om de ecologische verbindingszone op het perceel aan te leggen, om op deze wijze bij te dragen een het versterken van de ecologische waarden. Door het realiseren van het bovengenoemde, is er geen strijd meer met het provinciaal ruimtelijke- en ecologisch beleid. Daarmee is er ook ruimte om de woning mogelijk te maken.

Belangrijk is dat de verbindingszone eerst gerealiseerd wordt, waarna de bouw van de woning mag worden gestart. Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van de Intergemeentelijke Structuurvisie Duin- en Bollenstreek 2016 (ISG), waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze ISG is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De Greenport Duin- en Bollenstreek is goed voor ca. 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met welhaast een monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro (p. 14 ISG 2016). Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting.

Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan Greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport. Door het realiseren van de ecologische verbindingszone is er ook geen strijd met het ISG. Om de ecologische verbindingszone in het bestemmingsplan te borgen, is er naast de bestemming ‘Natuur’, ook de dubbelbestemming ‘Waarde – Ecologie’ aan de strook toebedeeld.

De locatie ligt in de zone die door de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) als het gebied is aangewezen, waarbinnen herstel van de openheid van het landschap een leidend principe is. Bebouwing is in principe niet toegestaan, tenzij de ontwikkeling verrommeling tegengaat en actief bijdraagt aan openheid van het landschap. Ook is er een ecologische verbindingszone in het ISG voorzien. Het gebied kent, gezien vanuit de kaart ‘Landschapsperspectief’ in de ISG, geen specifieke aanwijzingen.

Het perceel ligt direct naast bestaande bebouwing De woning wordt gerealiseerd op één lijn met de naastgelegen woning en zal in de plaats komen van de al aanwezige opstal. Hierdoor wordt de landschappelijke openheid niet tot nauwelijks aangetast. Op het perceel is op dit moment 950 m2 glasrecht aanwezig in de vorm van vervallen bouwwerken. De eigenaar van het naburige perceel (Westeinde 88) heeft de wens geuit om 4.050 m2 glasrechten te kopen. Zo ontstaat de mogelijkheid voor 5.000 m2 aan glas te saneren en daar één compensatiewoning voor te realiseren met behulp van de Ruimte voor Ruimteregeling. Deze regeling is gericht op verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied door de sloop van voormalige agrarische, en niet-agrarische bedrijfsgebouwen of kassen en specifiek voor dit soort situaties bedoeld. Conclusie provinciaal en regionaal beleid Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief inpasbaar is binnen de ISG en de provinciale verordeningen. Meer over de exacte indeling van het kavel is te vinden in Hoofdstuk 3, ‘Planvoornemen’.

2.3

Gemeentelijk beleid

De locatie van de nieuwbouwwoning ligt binnen de voormalige gemeentegrens van Noordwijkerhout. Sinds de fusie met de gemeente Noordwijk, dient er zowel getoetst te worden aan het beleid van de gemeente Noordwijk als aan dat van de voormalige gemeente Noordwijkerhout. Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Vastgesteld in december 2017, kenmerkt de Omgevingsvisie Noordwijk 2030, Noordwijk als ‘Energieke 7-sterren Kustplaats’ met als centrale doelstelling: “Energieke, duurzame, inspirerende en gastvrije kustplaats met topkwaliteit en allure”. De zeven kwaliteiten waar de gemeente Noordwijk op inzet, zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Energieke samenleving; geweldige sportmogelijkheden; sfeervolle dorpscentra; aantrekkelijke leefomgeving; rijke natuur & mooi landschap; uitstekende bereikbaarheid; veelzijdige economie & toerisme.

In de ‘kaart bij deel A – Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief’ is de planlocatie onderdeel van een groter gebied dat aangewezen is voor ‘behoud dorpsgebied en gerichte verbetering van de ruimtelijke kwaliteit’. Structuurvisie Noordwijkerhout In de Structuurvisie Noordwijkerhout is beschreven dat voor het buitengebied de ISG geldt. Zoals geconcludeerd paragraaf 2 van dit hoofdstuk is het planvoornemen inpasbaar binnen deze visie. Het perceel is gelegen direct naast bestaande bebouwing en als gevolg van de ontwikkeling wordt de landschappelijke openheid niet tot nauwelijks aangetast. De woning wordt namelijk gerealiseerd in lijn met de naastgelegen woning en zal in de plaats komen van de al aanwezige opstal. Hierdoor wordt verrommeling van het landschap tegengegaan. Conclusie gemeentelijk beleid Het toevoegen van één enkele woning sluit aan bij het gemeentelijk beleid, aangezien er sprake is van een gerichte verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Structuurvisie Noordwijkerhout. De positie en de uitstraling van het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten zoals die zijn gesteld in die visie, met behoud van het villakarakter van de omgeving. Ook is er geen strijdigheid met de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 en de Structuurvisie Noordwijkerhout.

Conclusie beleid Gelet op de omvang en de kenmerken van het planvoornemen, past het plan in de het beleid van uit het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente.

3. Planbeschrijving 3.1

Planvoornemen

Op de planlocatie, perceel D961, is de initiatiefnemer voornemens om de huidige bebouwing te verwijderen en deze te vervangen voor een nieuw te bouwen woning. Op het perceel zal een woning komen die voldoet aan de voorwaarden die nodig zijn vanuit de gemeente en de regio om een Ruimte-voor-Ruimte woning te realiseren. Daarnaast wordt er op het meest oostelijke deel van het perceel een ecologische verbindingszone gerealiseerd van 25 meter breed. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Tevens is hiervoor een anterieure overeenkomst gesloten met de eigenaar/initiatiefnemer. Het bestemmingsplan voorziet dus enkel in het toevoegen van de bestemming ‘Natuur, ‘Wonen’, ‘Tuin’ en ‘Waarde - Ecologie. De rest van de agrarische gronden vallen niet binnen dit bestemmingsplan.

3.2

Stedenbouw

Het bebouwingsvlak zal minimaal drie meter terug liggen van de uiterste kavelgrenzen. Binnen het bouwvlak zal de woning worden gerealiseerd met een maximale inhoudsmaat van 750 m3. De woning ligt ten opzichte van de nabij gelegen woning lichtelijk naar achteren (gezien vanuit de Westeinde). Op deze wijze ligt de woning evenwijdig met de denkbeeldige lijn ten opzichte van de Westeinde. Het oppervlak van het onderstaande bebouwingsvlak is 600 m2. Opgemerkt wordt dat de daadwerkelijke bebouwde oppervlakte nooit de 600 m2 zal halen, aangezien er voldaan moet worden aan de maximale inhoudsmaat van 750 m3. Deze maatvoering komt voort uit de regionale afspraken. Door deze maatvoering te hanteren bestaat er nog enige flexibiliteit in de daadwerkelijke positionering van de woning.

3.3

Verkeer en vervoer

Parkeervoorzieningen Het vigerende beleid voor dit plan is de ‘Nota Parkeernormen Noordwijkerhout voor auto en fiets 2020’. Bij een woning moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bewoners en bezoekers. Het beleid gaat uit van een zonering, waarbij het centrum van Noordwijk en Noordwijkerhout aangeduid zijn met zone A, de rest van de bebouwde kom als zone B en het buitengebied als zone C.

Ten behoeve van de nieuw te bouwen woning zijn voldoende parkeerplaatsen nodig. Afhankelijk van de definitieve oppervlakte van de woning wordt bepaald hoeveel parkeerplekken er benodigd zijn. Gelet op de huidige plannen, wordt er uitgegaan van de volgende berekening: Worst case wordt er uitgegaan van niet-gestapelde zeer grote woning (>150 m2). Deze kent, gelet op de positie van het plan (in zone C), een totale parkeernorm van 2,4 parkeerplaatsen met een bezoekersaandeel van 0,3. Dit betekent dat er afgerond drie parkeerplekken gerealiseerd moeten worden op eigen terrein. Deze benodigde parkeerplaatsen zullen op het eigen terrein worden gerealiseerd. Daarmee wordt er voldaan aan de parkeernorm. Verkeersgeneratie Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in de publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' kencijfers voor verkeersgeneratie. De gemeentelijke eisen voor parkeer en verkeersgeneratie is hierop gebaseerd. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Gelet op de CROWkencijfers verkeersgeneratie, zal de woning naar schatting een verkeergeneratie kennen van circa 8,6 (minimaal 7,8) verkeersbewegingen per etmaal. Het aantal verkeersbewegingen is dus zeer gering.

Er kan worden geconcludeerd dat de omgeving de extra verkeersbewegingen op kan vangen.

3.4

Ecologie

In het huidige bestemmingsplan kent het hele perceel de dubbelbestemming ‘Waarde Ecologie’. De gronden zijn, naast de andere voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de ecologische hoofdstructuur. Deze keuze om de bevoegdheid te beperken tot alleen deze gronden houdt verband met de afspraak het bestaande areaal aan bollengrond niet af te laten nemen. Landelijk en provinciaal liggen er echter concrete afspraken om een Ecologische Hoofdstructuur te ontwikkelen. De gemeente ondersteunt de afspraken met het opnemen van deze wijzigingsbevoegdheid naar de bestemming ‘Natuur’, voor zover het gronden betreft die gelegen zijn binnen dit natuurnetwerk. Een deel van de huidige agrarische gronden is in dit bestemmingsplan gereserveerd voor de ecologische hoofdstructuur. Dit betreft een strook van 25 meter breedte op het meest oostelijke deel van het perceel. Door de gronden te bestemmen als Ecologische Verbindingszone, is een ecologische structuur gewaarborgd. Zie onderstaande verbeelding een impressie (donkergroene strook). Meer over de uitwerking van dit gebied is te vinden in de paragraaf ‘Flora en Fauna’ in hoofdstuk 4.

3.5

Duurzaamheid

In de plannen is er aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie. Zo is het streven om de woning aardgasloos op te leveren. Er komt dan ook geen aansluiting voor aardgas. Uitgangspunt is daarom de realisatie van een woning die zeer energiezuinig is met een EPC van naar verwachting 0.0. Daarnaast wordt er gezocht naar passend en duurzaam materiaalgebruik.

4.

Omgevingsaspecten

4.1

Archeologie

Wetgeving Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valletta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedwet. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -

Het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.

Volgens het bestemmingsplan ligt een deel van het plangebied in een zone met dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. In deze zone is het niet toegestaan om grondbewerkingen uit te voeren die groter zijn dan 100 m2 en dieper reiken dan 2 m-mv zonder dat eerst archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Derhalve is recent archeologisch bureauonderzoek en inventariserend onderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Op grond van het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De doelstelling van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. Na uitvoering van het onderzoek bij het bouwkavel en de ecologische zone wordt bepaald of de archeologische verwachting verworpen dan wel gehandhaafd dient te worden. De achterliggende gronden zijn voor ook meegenomen in het archeologisch onderzoek, maar vallen buiten de bestemmingsplanwijziging. Beoordeling planvoornemen In december 2018 is er door IDDS een archeologisch bureauonderzoek en een ‘inventariserend veldonderzoek verkennende fase’ uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat de bovengrond in het plangebied is verstoord.

De verstoringen reiken het diepst in het zuiden, namelijk tot -0,8 m NAP (1,1 à 1,2 m –mv). In de rest van het plangebied reiken de verstoringen tot -0,3 m NAP m NAP (0,5 à 0,7 m –mv). Van een natuurlijke bodemopbouw is geen sprake meer. Er bevinden zich geen archeologische relevante afzettingen in het plangebied. Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied een lage tot zeer lage archeologische verwachting heeft. IDDS Archeologie adviseert om het plangebied, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor de voorgenomen civieltechnische werkzaamheden.

Bovenstaand advies dient gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Noordwijkerhout. Deze zal vervolgens een besluit nemen inzake de te volgen procedure. IDDS Archeologie wil meegeven dat voordat dit besluit genomen is, er niet begonnen kan worden met bodemverstorende activiteiten. Het archeologisch rapport met kenmerk ‘56851018’ is als bijlage toegevoegd.

4.2

Cultuurhistorie

Wetgeving Op grond van artikel 3.1.6, lid 5, onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming betreffende een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld een molenbiotoop) van toepassing. Beoordeling planvoornemen Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van Noordwijkerhout, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied.

Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Naar verwachting worden geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodem verstorende werkzaamheden. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het archeologisch onderzoek dient door de gemeente te worden beoordeeld.

4.3

Flora en fauna

Wetgeving Bij het ruimtelijke plan toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde (Natura 2000) gebieden. Doel van de Quickscan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. In opdracht van Van Reisen Bouwmanagement & Advies is een flora - en faunaonderzoek uitgevoerd op Perceel D 961. Aanleiding tot het uitvoeren van dit flora- en faunaonderzoek zijn de voorgenomen plannen, de sloop van een loods en de bouw van een woning. Tevens is er in de Quickscan ingegaan op de aanleg van een ecologische zone in het noorden van het plangebied. In de paragraaf ‘Stikstofdepositie’ wordt ingegaan op dat onderdeel. Beoordeling planvoornemen Het gebied maakt onderdeel uit van een ecologische verbindingszone. Het maakt geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000 (groen gearceerd), belangrijk weidevogelgebied (lichtgroen) of strategische reservering natuur (bruin). Binnen een straal van tien kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden:

• • •

Kennemerland-Zuid op een afstand van ca. 600 m; Coepelduynen op een afstand van ca. 3,5 km; Berkheide/Meijendel op een afstand van ca. 8 km.

Uit een bureaustudie en een biotooptoets is naar voren gekomen dat het mogelijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied worden aangetast van een in de Wnb beschermde soort, te weten de rugstreeppad. Tijdens de bezoeken in het kader van het nader onderzoek, zijn geen rugstreeppadden in het plangebied gehoord of gezien. Naast het plangebied zijn wel koorgeluiden gehoord. Tijdens de bouwfase kunnen rugstreeppadden uit de omgeving het plangebied koloniseren. Ze kunnen op grote afstand vers vergraven zand ruiken en zich in het plangebied vestigen voor hun winterrust. Zodra zich rugstreeppadden hebben gevestigd, is een ontheffing van de Wnb noodzakelijk. Voor de overige beschermde soorten en beschermde planten geldt dat deze niet zijn aangetroffen. Wel moet er rekening worden gehouden met het broedseizoen voor vogels. Zoals ook blijkt uit de zorgplicht van de Wnb. Aanbevelingen voor de aanleg ecologische zone Het rapport doet enkele aanbevelingen voor de aanleg van de ecologische zone. Dit rapport gaat met name in op het aanleggen van een grote amfibieënpoel voor padden en watersalamanders en een natuurlijke oever. Meer over dit onderwerp en de hele Quickscan met kenmerk ‘1706/RSL/rap1’ is te vinden in de bijlage. Ook de notitie van het ‘nader onderzoek rugstreeppad’ is in de bijlage toegevoegd.

Met deze inrichtingsplannen wordt er aangesloten bij de (Herziene) Nota Ecologische Verbindingen in de provincie Zuid-Holland (Kenmerk: 20160402/rap01, d.d. 28 augustus 201, atkb). Op pagina 22 van de Nota worden de Noordduinen – Leeuwenhorst – Offem (2,4) aangehaald. De volgende ambitie en streefbeeld worden benoemd in het document: “Deze ecologische verbinding is gelegen ten noordoosten van de bebouwde kom van Noordwijk en verbindt na afronding de Noordduinen – Landgoed Leeuwenhorst – Landgoed de Offem – Coepelduynen (Natura 2000). De corridor bestaat uit twee delen. Tussen de Noordduinen (Natura 2000 gebied Kennemerland Zuid)- Leeuwenhorst en Offem – Coepelduynen ligt een bosverbinding (ca. 3,8 km). Tussen Leeuwenhorst en Offem een moerasverbinding (ca. 800 m). Het bosgedeelte wordt minimaal 25 meter breed, maar bij voorkeur meer dan 100 meter en bestaat uit verschillende inheemse boomsoorten waaronder eiken, met hierlangs een zoom van struweel en kruiden. Het nectaraanbod (boswilg, vlier, wilde kers) in combinatie met geschikte waardplanten (brandnetel, pinksterbloem) zijn van belang voor insecten en vlinders. Voor verschillende soorten is het van belang (voorplanting, drink- en badplaats) dat poelen aanwezig zijn en plaatselijk aansluiting wordt gezocht op bestaande watergangen. De laatste 650 meter richting de Coepelduynen is reeds ingericht met struweel en poelen.

De moerassige verbinding tussen de twee landgoederen loopt deels door agrarisch en deels door stedelijk gebied. De beoogde breedte is tussen de 25 en 50 meter. Als fundament van de verbinding dient een watergang aanwezig te zijn; hierlangs worden natuurvriendelijke oevers gerealiseerd. De begroeiing bestaat uit een kruidenrijke moerasvegetatie met rietland en plaatselijk bosjes met wilgen en elzen. Een deel van ongeveer 500 meter is reeds ingericht met flauwe oevers en bosjes.” In overleg met de provincie en de gemeente is er een voorstel gemaakt voor de invulling van het gebied. Daarbij is rekening gehouden met onder andere volgende opmerkingen: •

• •

Het gaat om een directe verbinding tussen de bosgebieden van Leeuwenhorst en langs de binnenduinrand van de Noordduinen (Natura 2000). Deze ligt binnen het (voormalige) verspreidingsgebied van eekhoorn en boommarter. Vanuit ecologisch oogpunt heeft het maximaal benutten van de oppervlakte – dus zo breed mogelijk – de voorkeur. Dit met het oog op de doelsoorten als eekhoorn en boommarter, maar ook om te kunnen zorgen voor een optimale variatie in beheertypen (van gesloten bos naar open terrein) en een omvangrijke randzone, voor zo veel mogelijk andere doelsoorten (kleine zoogdieren, dagvlinders); Het is goed om de breedte optimaal te benutten door de zone aan één kant helemaal open te maken; Voor de beplantings-typologie is er rekening gehouden met de opbouw zoals is aangegeven door de provincie. Daarbij is de meest noordelijke punt ruig grasland en de meest zuidelijke punt opgaand bos;

Daarnaast is er een beplantingsvoorstel ontworpen welke is toegevoegd als losse bijlage. Bij het ontwerp van de woning wordt er veel aandacht besteed aan een landschappelijke inpassing en aansluiting bij de natuurlijke omgeving. Het plan wordt ingepast in de bestaande

omgeving. Bij het ontwerpen van de definitieve woning en bij de inrichting van de tuin wordt er veel aandacht besteed aan-natuurinclusief ontwerpen en wordt de woning in lijn met de reeds gerealiseerde woningen aan de zuidzijde van het perceel gebouwd. Op deze wijze blijft de impact voor de omgeving beperkt.

Conclusie Flora en Fauna Met in acht neming van het broedseizoen en de bevindingen uit het aanvullend onderzoek rugstreeppad, vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor het planvoornemen.

4.4

Geluidhinder

Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, rail-, weg- en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig Bijlage 1, onderdeel D, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn (railverkeerlawaai). Blijft over: het aspect luchtverkeerslawaai en wegverkeerslawaai. Afweging Luchthavenindelingsbesluit Schiphol Het plangebied is gelegen buiten het 20 Ke-contour van het LIB. Dit blijkt uit onderstaand figuur. Ten opzichte van de heersende geluidbelasting vanwege wegverkeer levert dit geen relevante bijdrage aan de gecumuleerde geluidbelasting.

Wegverkeerslawaai Op basis van de definitieve tekeningen zal er een akoestisch onderzoek worden gehouden om te bepalen of er wordt voldaan aan de geldende normen vanuit de wet geluidhinder. Dit onderzoek zal in de verdere bestemmingsplanprocedure worden gevoegd. Conclusie Geluidhinder Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai zal nog worden uitgevoerd.

4.5

Luchtkwaliteit

Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in de wet weergegeven.

Tabel 4.1. Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer

Stof

Concentratie [μg/m3]

Omschrijving

40

Jaargemiddelde concentratie

200

Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden

40

Jaargemiddelde concentratie

Fijnstof (grove deeltjes)

50

24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden

PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)

25

Jaargemiddelde concentratie

NO2 Stikstofdioxide

PM10

Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).

AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol.

Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving

daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebied ontsluitende wegen. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2016.

Uit bovenstaande figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de Westeinde geen monitoring plaats vindt. Andere grotere wegen in de nabijheid van het plangebied worden wel gemonitord (te weten de Gooweg en de Duinweg). Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk

maximaal 21.1, 19.2 en 10.6 µg/m3 zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 7,0 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd. Tabel 4.2 Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO 2, PM2,5 en PM10 Stof

Maximale achtergrondwaarde [μg/m3]

Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3]

PM2,5

10.6

25

PM10

19.2

40

NO2

21.1

40

Conclusie Luchtkwaliteit Het project valt onder de regeling NIBM en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen. 4.6

Stikstofdepositie

Wetgeving Met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in juli 2015 is bepaald dat berekend dient te worden of een nieuwe activiteit een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zal geven. Indien dit inderdaad het geval is, dient beoordeeld te worden of de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden dermate in het geding zijn dat gesproken kan worden van een significant negatief effect, of dat de verslechtering niet significant is en de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte. Met de invoering van het PAS geldt alleen nog een vergunningplicht voor activiteiten die meer dan 1 mol stikstofdepositie per hectare per jaar geven op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Bij een stikstofdepositie tussen de 0,05 mol en 1 mol N/ha/j bestaat er een meldingsplicht. Door de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 is de juridische houdbaarheid van het bovenstaande niet meer volledig. Als gevolg van de uitspraak gelden de drempel- en grenswaarden uit het PAS niet meer. Dit kan leiden dat er voor een ruimtelijke ontwikkeling een Wnb-vergunning (artikel 2.7 Wnb) nodig is. Door het schrappen van de bovengenoemde drempel- en grenswaarden van het PAS, kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunning plichtig zijn.

Beoordeeld dient te worden of er als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. Met een Quickscan wordt bepaald of negatieve effecten op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Indien we deze effecten niet worden uitsluiten, is het nodig om een stikstofberekening uit te voeren.

Beoordeling planvoornemen In de nabijheid van het plangebied ligt het volgende Natura 2000- gebied: • • •

Kennemerland-Zuid op een afstand van ca. 600 m; Coepelduynen op een afstand van ca. 3,5 km; Berkheide/Meijendel op een afstand van ca. 8 km.

Beide gebieden zijn aangewezen als stikstofgevoelig. Gelet op de omvang van het planvoornemen is voor deze ontwikkeling een berekening opgesteld. Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt gelet op de tijdelijkheid, de berekende uitstoot en de omvang van het bouwwerk dan ook niet tot een belemmering voor het planvoornemen. Het stikstofdepositieonderzoek met bijbehorende AERIUS-bestanden is als bijlage toegevoegd. Opgemerkt wordt dat er in de tussentijd (tijd tussen het voorontwerp en het ontwerp) een nieuwe AERIUS release is uitgebracht. Dit heeft echter geen invloed op de uitkomst van de stikstofberekening. Het is dan ook niet doelmatig om een nieuw onderzoek uit te voeren.

Conclusie Stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt gelet op de tijdelijkheid, de berekende uitstoot en de omvang van het bouwwerk dan ook niet tot een belemmering voor het planvoornemen.

4.7

Externe veiligheid

Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).

Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico als onacceptabel moet worden geacht. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico voorafgaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.

Tot hoever die omgeving strekt voor zover dat relevant is binnen de methodiek van het GR, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te

overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied gelegen zijn. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risico-contouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.

Risicovolle inrichtingen Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd. In het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig waarop het huidige Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing is. Transport gevaarlijke stoffen over de weg De planlocatie ligt niet binnen het groepsrisico-aandachtsgebied (oftewel, binnen een afstand van 200 meter) van een A- of N-weg zoals benoemd in het Basisnet. Binnen de directe omgeving van het planvoornemen vindt geen transport van gevaarlijke stoffen over de weg

plaats. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen zijn geen spoorlijnen gelegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Ten westen van het perceel ligt een aardgasleiding (A-560) met een uitwendige diameter van 36 inch en een druk van 66,2 bar. Voor deze leiding geldt een belemmeringenstrook van 5 meter aan weerszijden van de leiding. Deze belemmeringenstrook ligt buiten het plangebied. In het kader van een eerdere ontwikkeling (Bestemmingsplan ‘Westeinde 94’) is er al eerder een kwantitatieve risicoberekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het PR 10-6-risicocontour niet buiten de leiding ligt. Daarmee vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling. Voor het GR geldt een invloedsgebied van 430 meter. Daarmee valt de beoogde woning binnen het invloedsgebied aangezien deze op circa 125 meter van de buisleiding is beoogd. Uit de risicoberekening van het bestemmingsplan Westeinde 94 volgde dat de GR destijds onder de oriëntatiewaarde lag. In de verantwoording van het groepsrisico is aangegeven dat de toename van de personendichtheid zeer beperkt was. Ook voor het toevoegen van één enkele woning gelden dezelfde conclusies. Daardoor is de toename van het GR zeker kleiner dan 10%.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=666f3a9e-f374-4488-a35b-62e765b0949c