Bijlage Bestemmingsplan Julianastraat 50A Noordwijk - Toelichting en regels - AVG
Tekst van het document
Bestemmingsplan Julianastraat 50A, Noordwijk
Planstatus: Vaststelling
Bestemmingsplan Julianastraat 50A, Noordwijk
Identificatie Kenmerk
: :
NL.IMRO.0575.BPNAZJulianastr50A-VA01 19122387/JBR
Plangeschiedenis
:
Voorontwerp Ontwerp Raadsbesluit Vaststelling
Contactpersoon
:
[8 oktober 2020] [23 februari 2021] [13 april 2021] [21 juni 2021]
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
Inhoudsopgave toelichting
1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding .................................................................................................................... 5 Aanleiding .................................................................................................................. 5 Ligging plangebied ..................................................................................................... 5 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 9 Leeswijzer ................................................................................................................ 10
2.1 2.2
Huidige situatie en planbeschrijving ..................................................................... 11 Bestaande situatie .................................................................................................... 11 Gewenste situatie..................................................................................................... 14
3.1 3.2 3.3 3.4
Beleidskader........................................................................................................... 17 Nationaal beleid ....................................................................................................... 17 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 18 Regionaal beleid ...................................................................................................... 20 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 23
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
Omgevingsonderzoeken ........................................................................................ 27 Archeologie en cultuurhistorie................................................................................... 27 Bedrijven- en milieuzonering .................................................................................... 28 Bodem ..................................................................................................................... 30 Ecologie ................................................................................................................... 32 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 33 Externe Veiligheid .................................................................................................... 34 Geluidhinder ............................................................................................................. 37 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 37 Water ....................................................................................................................... 40 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 44
5.1 5.2 5.3
Juridische aspecten ............................................................................................... 45 Inleiding ................................................................................................................... 45 Opzet van de planregels ........................................................................................... 45 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 45
6.1 6.2 6.3
Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 47 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 47 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 47 Eindconclusie ........................................................................................................... 48 Bijlagen ................................................................................................................... 49
Inleiding 1.1
Aanleiding
Op de locatie Julianastraat 50A in Noordwijk aan Zee staat een voormalige bedrijfsmatige opslag. Omdat deze opslag zijn functie heeft verloren en in verouderde staat is, heeft de eigenaar de wens om deze te slopen en in de plaats ervan een nieuwbouwwoning te realiseren. De gemeente heeft via een akkoord op het principeverzoek aangegeven een positieve grondhouding te hebben ten aanzien van de sloop van de bestaande bedrijfspanden en de wijziging van de bestemming naar ‘Wonen’. Onderstaand is het projectgebied weergegeven in relatie tot de directe omgeving op de bestemmingsplankaart.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in een woonblok dat omsloten wordt door de Julianastraat, Piet Heinstraat en Stijtjesduinstraat in Noordwijk aan Zee. Binnen het plangebied van Noordwijk aan Zee zijn meerdere woonblokken te vinden waarvan het binnenterrein een bedrijfsmatige of horecabestemming heeft, zoals hier ook het geval is.
Stedelijke ontwikkeling omgeving plangebied Het plangebied ligt net buiten de oude dorpskern van Noordwijk aan Zee. Omstreeks 1850 is nog geen teken van bebouwing in de nabijheid van het plangebied. Aan het begin van de 20e eeuw vinden langs de Nieuwe Zeeweg de eerste bebouwingen plaats. In de periode na de Tweede Wereldoorlog, wordt de oude kern van Noordwijk aan Zee flink uitgebreid. Op de historische kaart van 1951 is ook duidelijk een nieuwe structuur van wegen en gebouwen te herkennen, die in de periode 1905-1930 is aangelegd.
De Julianastraat maakt deel uit van de uitbreidingen ten noordoosten van Noordwijk aan Zee, die in de periode tussen grofweg 1905 en 1930 plaatsvonden en die te relateren zijn aan de woningwet (1905). Deze uitbreidingen kwamen niet tot stand uit gemeentelijk initiatief, maar werden opgepakt door particuliere woningstichtingen en lokale aannemers. De Julianastraat werd voor een belangrijk deel bebouwd door de lokale, en sterk socialistische, aannemer Krau. Het opvallende poortgebouw nabij Julianastraat 50 werd ooit voor kerkdiensten gebruikt en staat bij de oudere Noordwijkers nog steeds bekend als “het zaaltje van Krau”. Bron: Noordwijk aan Zee, monografie van een badplaats. M. van Dam, K. Marijt, J. Verhoog en W van der Haak. In prep.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Op de locatie is op dit moment het huidige bestemmingsplan 'Noordwijk aan Zee' van de gemeente Noordwijk van kracht. Deze is onherroepelijk sinds 3 september 2014. De beoogde wijziging past niet binnen de geldende regels uit dat plan. Het perceel heeft de bestemming ‘Bedrijf – 2’. Ook geldt er een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie - 2’, en een bouwvlak met een maximale bouwhoogte van 6 meter. Mede gelet op de bestemmingsregels is de woning niet toegestaan onder het huidige bestemmingsplan.
Tevens is op de locatie het Paraplu Bestemmingsplan Parkeren van toepassing. Op grond van dit bestemmingsplan moet er bij een bestemmingswijziging worden voldaan aan de Nota parkeren en stallen Noordwijk 2013. Ook geldt ter plaatste dat het plan moet voldoen aan het Paraplu Bestemmingsplan Grondwater. Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw (postzegel)bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin.
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofstuk 2 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 3 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, het provinciaal, het regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 5 en 6. De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).
Huidige situatie en planbeschrijving 2.1
Bestaande situatie
In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een voormalige bedrijfsmatige opslag. Het gebied ligt middenin een woonblok. Onderstaand is de plansituatie weergegeven, waarbij opvalt dat de bedrijfsbestemming grotendeels samenvalt met perceel N.3075 (Julianastraat 50A t/m 52), maar ook overlap vertoont met het achterterrein van perceel N.3076 (Julianastraat 50).
In de onderstaande figuren is met behulp van een luchtfoto en foto’s op locatie een impressie gegeven van de staat van het bouwwerk en de wirwar aan bijgebouwen (veelal schuren) in dit achtererfgebied.
2.2
Gewenste situatie
Het plan bevat de volgende wijziging: •
Het wijzigen van de bedrijfsbestemming in Wonen, in combinatie met het slopen van de bedrijfsbebouwing en nieuwbouw van een woning
De nieuwe woning wordt gebouwd met aandacht voor het huidige bouwwerk voor wat betreft bouwvolume. Bewust worden niet overal 2 bouwlagen toegepast, maar aan de oostzijde 1 bouwlaag met daarop een balkon in lijn met de huidige situatie (zie figuur 11, foto 2). Het plan voorziet in een dubbele garage om inpandig twee voertuigen te parkeren. Deze plaatsen mogen conform de nota ieder voor 0,4 parkeerplaatsen worden meegerekend, dus inpandig wordt voorzien in 0,8 parkeerplaatsen. Daarnaast bied het eigen terrein voldoende ruimte voor het parkeren van voertuigen. De ontwikkeling bied daarmee voldoende ruimte om te voorzien in de parkeerbehoefte. Verder voorziet de begane grond in de entree, een slaapkamer en een berging. De eerste verdieping bevat naast de woonkamer/keuken ook een extra slaapkamer, de badkamer en een balkon.
Met dit planvoornemen wordt bereikt: • Een logischere en wenselijkere planologische situatie: een woonblok waarbij alle bouwwerken onder de bestemming Wonen vallen • Een ruimschootse verkleining van de huidige toegestane bouwmassa, om te voorkomen dat het achterterrein nog dichter wordt bebouwd • Een kwaliteitsimpuls door een verouderde bedrijfsmatig gebruikte opslag te vervangen door nieuwbouw die aan de eisen van deze tijd moet voldoen (bijvoorbeeld ten aanzien van energieverbruik) • De toevoeging van een woning aan de voorraad van Noordwijk, in lijn met de doelstellingen in het woonbeleid (zie hoofdstuk 3).
Beleidskader In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen.
3.1
Nationaal beleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteitsaanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor het ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.
Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Beoordeling rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Derhalve is onderhavig (particulier) initiatief niet ladderplichtig.
Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het nationale beleidskader.
3.2
Provinciaal beleid
De Visie ruimte en mobiliteit en de daarbij behorende Verordening ruimte 2014 zijn op 1 april 2019 vervallen. In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: • Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; • De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; • Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; • De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: • De provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); • Het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); • Het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); • Het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; • De natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Specifieke beleid wonen De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied (verdichting) en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer (nabij mobiliteitsvoorzieningen). De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt expliciet om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied mee te wegen. De provincie heeft de ambitie dat alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (hevigere regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt. Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening.
Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en de verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving.
Artikel 6.10: Stedelijke ontwikkeling In de omgevingsverordening is er geen specifieke kaart of expliciet beleid voor wonen. Wel wordt er in artikel 6.10 ‘Stedelijke ontwikkeling’ aangehaald dat het uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte bestaat uit de betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen het BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. Artikel 6.14: 20 Ke-contour Schiphol In de Omgevingsverordening is onder artikel 6.14 aandacht voor het afwegingsbeleid vanuit het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol. Het plangebied is gelegen buiten de 20 Ke-contour van het LIB (zie onderstaande figuur). De 20 Ke-contour houdt in dat binnen die contour circa 20% van de mensen die blootgesteld wordt aan vliegverkeergeluid geluidgehinderd is en 10% ernstig geluidgehinderd. Ten opzichte van de heersende geluidbelasting vanwege wegverkeer levert vliegverkeerlawaai geen relevante bijdrage op de gecumuleerde geluidbelasting in het plangebied.
Beoordeling planvoornemen provinciaal beleid Deze ontwikkeling, waarbij er één woning aan de woningvoorraad wordt toegevoegd, vindt plaats binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. In de paragraaf Rijksbeleid is de Ladder voor duurzame verstedelijking al toegelicht. Daar is aangetoond dat er geen strijdigheid is. Ook is er geen strijdigheid met het LIB aangezien het plan niet binnen de grenzen van de geluidscontouren of beperkingengebieden in het LIB valt.
Conclusie provinciaal beleid De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het provinciale beleidskader.
3.3
Regionaal beleid
Regionale Structuurvisie 2020 (2009) Het regionale samenwerkingsorgaan Holland Rijnland, heeft op 24 juni 2009 de Regionale Structuurvisie 2020 (RSV) vastgesteld. Deze verankert de intergemeentelijke afspraken in een ruimtelijke vertaling naar 2020. Na 2020 houdt de RSV rekening met een doorkijk naar 2030. Op diverse onderwerpen werken de deelnemende gemeenten samen. Dit zijn onder andere ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, natuur en landschap, verkeer en vervoer, samenleving en welzijn. De RSV ziet een goede balans tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter van de regio als belangrijk streven. Concentratie van stedelijke ontwikkeling en verbetering van de regionale bereikbaarheid zijn hierbij speerpunten. Specifiek voor de woningmarkt is het voorzien in een gedifferentieerd woonmilieu een streven. Het doel is om een topwoonregio in de Randstad te worden. Voldoende aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving is daarbij een kernpunt. Dit leidt tot de volgende kernbeslissingen: • •
Tot 2020 moeten er 40.000 woningen in de regio gebouwd worden; Per gemeente moet 30% van de woningbouw in de sociale huursector worden gerealiseerd.
Beoordeling planvoornemen RSV Noordwijk wordt gekenmerkt door een aantrekkelijk woonklimaat. Deze locatie ligt tegen de oude kern aan, op een loopafstand van de kustzone. De vraag naar woningen is in het gebied hoog. Dit geldt zowel voor de bestaande inwoners als toekomstige bewoners van buitenaf. Deze ontwikkeling draagt bij aan de wens om nieuwe woningen aan de regio toe te voegen. Hierdoor wordt een bijdrage geleverd aan de kwantitatieve taakstelling en wordt de doorstroming op de woningmarkt bevorderd. Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek (2010) ‘Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van de ISG 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De ISG 2016 is een deeluitwerking van de Regionale Structuurvisie, maar dan wel met een zelfbindend karakter voor de betreffende gemeenten.
De greenportgemeenten hebben gezamenlijk de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij (GOM) opgericht die zich vanuit deze intergemeentelijke structuurvisie richt op herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek.
De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro. Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening. Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting. Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenport-gerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.
Beoordeling planvoornemen ISG De locatie ligt in een gebied, aangewezen als ‘Begrenzing stedelijk gebied van de Greenport’. Voor deze gebieden zijn geen specifieke beleidsvoornemens van toepassing vanuit de ISG 2016. De extra woning sluit wel aan bij de woningbouwopgave van de regio. Dit plan voorziet deels in deze woningbehoefte en is daarmee passend binnen dit beleid. Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 Het Algemene Bestuur van Holland Rijnland heeft op 14 maart 2018 de Regionale Woonagenda vastgesteld. De Woonagenda heeft betrekking op de regionale woningbehoefte (kwantitatief en kwalitatief) en de bijbehorende planlijst wordt hierop afgestemd. Woningbouwontwikkelingen moeten passen binnen de kaders die de provinciale Woningbehoefteraming (WBR) en Bevolkingsprognose (BP) bieden. Beide prognoses kennen verschillende uitgangspunten, waardoor een bandbreedte voor de woningbehoefte ontstaat.
In de regio Holland Rijnland is vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze vraag te kunnen voldoen en de regio aantrekkelijk te houden voor huidige en toekomstige bewoners, heeft de regio de volgende keuzes gemaakt: 1. tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; 2. groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; 3. een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; 4. bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; 5. een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; 6. groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; 7. langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; 8. bereikbaar bouwen; 9. solidariteit; Beoordeling planvoornemen regionale woonagenda Met het toevoegen van deze woning aan de woningvoorraad, wordt er op een inbreidingslocatie op korte termijn een woning toegevoegd. Dit plan veroorzaakt geen verdringing op de woningmarkt en bevordert het aantrekkelijke woonmilieu van Noordwijk. Uit de regionale woonagenda blijkt dat er in Noordwijk in de periode 2017-2022 een vraag is naar 610 extra woningen. In de periode 2022-2030 bedraagt deze behoefte 170 extra woningen.
Van deze totale behoefte van 780 woningen, zijn er volgens de agenda 400 indicatief voorzien in een woongebied ‘rustig stedelijk’. Zie onderstaande tabellen uit de Woonagenda.
Tabel 1: Uitsnede met woningbouwbehoefte tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland
Tabel 2: Uitsnede met indicatieve behoefte woonmilieus tot 2030 – Woonagenda Holland Rijnland
Conclusie regionaal beleid Het voorgenomen plan past binnen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte naar woningen in de gemeente Noordwijk.
3.4
Gemeentelijk beleid
Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 De Ruimtelijke Structuurvisie Noordwijk 2030 met als ondertitel ‘Kiezen voor kwaliteit’ is op 2 september 2009 door de gemeenteraad vastgesteld en in 2013 geactualiseerd. Het doel van deze Structuurvisie is het behoud van de karakteristieke kenmerken van de verschillende landschappelijke zones die Noordwijk rijk is en deze te versterken door middel van een gebiedseigen invulling. In de Ruimtelijke Structuurvisie worden vijf zones onderscheiden: 1. 2. 3. 4. 5.
Duinen, strand en zee; Binnenduinrandzone; Strandwal; Strandvlakte; De Klei.
Beoordeling planvoornemen structuurvisie Zoals blijkt uit de onderstaande uitsnede uit de Structuurvisie, valt het plangebied binnen het gebied aangewezen als Zone I: Duinen, Strand en Zee.
Een van de doelen voor dit gebied, doel 3, luidt: behoud van eigen identiteit van de kernen. Hiermee wordt als doel gesteld om de kernen Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee niet aan elkaar te laten groeien en de eigen identiteit van deze kernen te behouden. Om deze eigen identiteiten te bewaren, is het van belang de contrasten te versterken. Dat betekent dat de kernen Binnen en Zee niet aan elkaar mogen vastgroeien. Daarnaast moeten de kernen met een open zone gescheiden blijven van Katwijk, Teylingen en Noordwijkerhout. Hierbij moeten de contrasten tussen open en onbebouwd landschap bewaard blijven.
Gelet op de ligging van het plangebied, past het plan ook binnen doelstelling 6: Sterke positie in de regio behouden en uitbouwen. Hiermee wordt specifiek voor dit planvoornemen gedoeld op de woningbouw en de open ruimte. In zowel de directe als de ruimere omgeving wordt de komende jaren flink gebouwd. De druk op de woningmarkt in Noordwijk is groot, vanwege de bijzondere ligging in een afwisselend kustlandschap en dicht bij een aantal aantrekkelijke steden. Daarnaast is er sprake van een probleem voor starters op de woningmarkt. Noordwijk kiest uitdrukkelijk voor beheerste groei. Omgevingsvisie Noordwijk 2030 De gemeente Noordwijk heeft in december 2017 haar Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Noordwijk met als ondertitel ‘Energieke 7-sterren Kustplaats’ kent de volgende centrale doelstelling: “Energieke, duurzame, inspirerende en gastvrije kustplaats met topkwaliteit en allure”. De zeven kwaliteiten waar de gemeente Noordwijk op inzet, zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Energieke samenleving; Geweldige sportmogelijkheden; Sfeervolle dorpscentra; Aantrekkelijke leefomgeving; Rijke natuur & mooi landschap; Uitstekende bereikbaarheid; Veelzijdige economie & toerisme.
In de ‘kaart bij deel A – Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief’ is de projectlocatie onderdeel van een groter gebied dat aangewezen is voor ‘behoud dorpsgebied en gerichte verbetering van de ruimtelijke kwaliteit’.
Beoordeling planvoornemen omgevingsvisie Gelet op de ligging van het plan (binnen de dorpskern Noordwijk aan Zee) en de kenmerken van het plan (het toevoegen van één woning aan de woningvoorraad), bestaat er geen strijdigheid met het gemeentelijke beleid vanuit de Structuurvisie en de Omgevingsvisie. Voor het voorliggende plangebied wordt op de ontwikkelingsperspectiefkaart uitgegaan van 'Behoud dorpsgebied en gerichte verbetering van de ruimtelijke kwaliteit'. Het voorliggende initiatief voorziet daar in. Noordwijkse Woonagenda, De toekomst van het wonen in Noordwijk Naast het bovengenoemde algemene beleid, heeft de gemeenteraad van Noordwijk op 25 augustus 2016 de Noordwijkse Woonagenda vastgesteld. Hierin streeft zij naar een goed woonklimaat voor iedereen in de gemeente. Noordwijk verwacht dat het aantal huishoudens in de komende decennia met ruim 1.300 zal toenemen. Belangrijke bewegingen welke deze groei onder andere versterken zijn vergrijzing, toestroom van arbeidsmigranten, gezinsverdunning en de uitstroom van starters en gezinnen. De afgelopen jaren zijn er slechts een beperkt aantal nieuwbouwwoningen gerealiseerd. Mede hierdoor is er vrijwel voor elk type woning een groeiende vraag. Voor de komende jaren zet de gemeente Noordwijk in op de volgende vier thema's: • • • •
werken aan beschikbaarheid van woningen; werken aan betaalbaarheid van woningen; werken aan zorg en flexibiliteit; werken aan duurzaamheid.
De woonagenda biedt een basis voor de planvorming en realisatie van de woningen. Hiervoor zoekt de gemeente nadrukkelijk de samenwerking op met bewoners, ontwikkelaars, particuliere initiatiefnemers en de woningcorporaties. Beoordeling planvoornemen Noordwijkse woonagenda In Noordwijk blijkt er voldoende vraag te zijn naar woningen in alle typen. Zo ook naar de typologie vrijstaande koopwoning zoals mogelijk wordt gemaakt in dit plan. Door de woning toe te voegen aan de voorraad, wordt met de beoogde ontwikkeling een bijdrage geleverd aan de benodigde extra woningbouw. Verordening Bestemmingsreserve sociale woningbouw Op 21 maart 2018 heeft de gemeente Noordwijk de verordening Bestemmingsreserve sociale woningbouw vastgesteld. Hierin streeft de gemeente naar het toevoegen van sociale woningen binnen de gemeente. Bij het realiseren van nieuwe woningen moet minimaal 30% sociale woningbouw zijn. Dit geldt bij het realiseren vanaf 3 woningen. Beoordeling planvoornemen Verordening Bestemmingsreserve sociale woningbouw In het planvoornemen wordt maar één nieuwe woning gerealiseerd. Daarom is het niet nodig om de verordening bestemmingsreserve sociale woningbouw toe te passen en sociale woningbouw te realiseren.
Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 De gemeente Noordwijk heeft in mei 2013 de Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 vastgesteld. De gemeente hanteert voor woningen in principe een behoeftevolgend beleid. De Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 vloeit ook voort uit het vigerende paraplubestemmingsplan Parkeren. Er moeten nu en in de toekomst voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd om aan de vraag van de bewoners en hun bezoekers te kunnen volden. Hierbij sluit de gemeente aan bij de normen zoals beschreven zijn door de CROW. Deze beschrijft per woningtype en functie een norm voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Beoordeling planvoornemen parkeren Op grond van de Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013 is gekeken naar de te verwachte parkeerbehoefte voor dit plan. De Nota maakt gebruik van de normen van de CROW publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren – Van parkeercijfers naar parkeernormen’. Hierbij is op basis van de omgevingsadressendichtheid van 2.032 uitgegaan van een sterk stedelijk gebied in de schil van het centrum (Dorpskern). De woning betreft een vrijstaande koopwoning. Gelet op de CROW norm, dient er minimaal 1,4 en maximaal 2,2 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het plan voorziet in 2 parkeerplaatsen in de woning op de begane grond.
Deze parkeerplaatsen mogen conform de nota ieder voor 0,4 parkeerplaatsen worden meegerekend dus inpandig wordt voorzien in 0,8 parkeerplaatsen. Daarnaast biedt het eigen terrein voldoende ruimte voor het parkeren van voertuigen. Hiermee wordt er voldaan aan de parkeerbehoefte. Paraplubestemmingsplan Grondwater Het plangebied valt binnen de plangrenzen van het paraplubestemmingsplan Grondwater zoals vastgesteld door de gemeenteraad in april 2018. Dit is opgesteld naar aanleiding van grondwateroverlast in de winter van 2013/14 in Noordwijk aan Zee. Om in de toekomst problemen te voorkomen, is door de gemeente Noordwijk besloten specifiek voor ondergrondse bouwwerken nadere regels te stellen. Door te voorkomen dat te diep onder maaiveld wordt gebouwd, kunnen toekomstige problemen met grondwaterstanden in combinatie met ondergrondse bouwwerken voorkomen worden. In de planregels van dit bestemmingsplan, is dit regime overgenomen. Er mag niet dieper gebouwd worden dan 4,75m boven NAP. (De reden voor de NAP keuze is het sterk fluctuerende maaiveld, terwijl een grondwaterpeil vrij egaal is.) Beoordeling planvoornemen grondwater Volgens het AHN is de maaiveldhoogte op de planlocatie circa 8,3 tot 8,5 m boven NAP. Onder de nieuwe woning wordt geen kelder gebouwd. Het planvoornemen overschrijdt niet de grenswaarde.
Conclusie gemeentelijk beleid Het voorgenomen plan past binnen de het beleid van de gemeente Noordwijk.
Omgevingsonderzoeken 4.1
Archeologie en cultuurhistorie
Wetgeving archeologie Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -
het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
Beoordeling planvoornemen archeologie Overeenkomstig het bestemmingsplan ligt een deel van het plangebied in een zone met dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie -2’. In principe is hier een archeologisch onderzoek nodig. Echter, onder bepaling 4 is gesteld dat een dergelijk niet nodig is indien er wordt voldaan aan de volgende uitgangspunten: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 500 m²; c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Gelet op het feit dat er inderdaad sprake is van vervanging van bestaande bebouwing waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid, is dergelijk onderzoek niet nodig. Daarnaast bevindt het plangebied zich in de Jonge Duinen. Uit alle reeds uitgevoerde onderzoeken in dit gebied, blijkt dat archeologisch onderzoek niet als doelmatig wordt beschouwd bij dergelijke plannen. Enkel wanneer gegraven wordt tot een diepte van 8m-mv is archeologisch onderzoek hier zinvol. Tot die diepte is dat niet het geval. Geconcludeerd wordt dat er geen onderzoek nodig is omdat er geen gerede kans is op het aantreffen van archeologische sporen. Voor dit planvoornemen is dus geen archeologisch onderzoek nodig.
Indien bij werkzaamheden van kleinere omvang archeologische resten worden aangetroffen dan adviseert IDDS Archeologie deze resten te laten vallen onder de regeling van toevalsvondsten.
Wetgeving cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Op de planlocatie is geen dubbelbestemming aangaande een cultuurhistorische vrijwaringszone (bijvoorbeeld van een molenbiotoop) van toepassing. Beoordeling planvoornemen cultuurhistorie Het plangebied vormt geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht van Noordwijk, noch bevinden zich beeldbepalende panden of monumenten in het plangebied. Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Naar verwachting worden geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen bodemverstorende werkzaamheden. Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.2
Bedrijven- en milieuzonering
Wetgeving De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. VNG-publicatie “Bedrijven en Milieuzonering 2009” Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009" ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).
Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in
het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is.
Tabel 3: richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype gemengd gebied Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied [m]
1
0
2
10
3.1
30
3.2
50
Beoordeling planvoornemen De omgeving van het plangebied kan op grond van zijn karakteristiek geschaard worden onder het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Hierdoor kan de aan te houden richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. De directe omgeving van het plangebied, kent op dit moment enkel woonbestemmingen. Met dit bestemmingsplan worden alle percelen in dit bouwblok formeel woningen. In de nabije omgeving van het plangebied zijn diverse bedrijfsbestemmingen te vinden. De onderstaande verbeelding geeft deze percelen weer, inclusief de feitelijke afstand van de uiterste perceelsgrens van de betreffende percelen tot aan de beoogde gevel van de nieuwe woning.
Op de Julianastraat nummer 21 en 17a is op dit moment een gemengde bestemming voorzien. Deze laat bedrijven tot en met categorie 2 toe. Gelet op de richtafstand, wordt er met 55 meter ruimschoots aan voldaan. Op de Julianastraat 45c (en de achterliggende percelen welke worden afgeschermd door de huidige woningen), zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan van de categorie 1 en 2 zoals opgenomen in de bijlage 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' uit het vigerende bestemmingsplan dan wel activiteiten die naar hun aard en omvang gelijk zijn te stellen aan de genoemde categorieën. Met een afstand van circa 50 meter wordt er ruimschoots voldaan aan deze richtafstand. Op de Stijntjesduinstraat 34 en aanliggende percelen, zijn bedrijfsactiviteiten toegestaan van de categorie 1 en 2 zoals opgenomen in de bijlage 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' uit het vigerende bestemmingsplan dan wel activiteiten die naar hun aard en omvang gelijk zijn te stellen aan de genoemde categorieën. Met een afstand van circa 70 meter wordt er ruimschoots voldaan aan deze richtafstand. Alle bedrijven bevinden zich op ruime afstand van het plangebied. Andersom geldt dat de nieuwe woning de eventuele bedrijfsvoering van de huidige bedrijven (of uitbreiding daarvan) niet in de weg zit. Bovendien bevinden zich al meerdere woningen tussen de nieuwe woning en de bedrijfslocaties in.
Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.3
Bodem
Wetgeving In het kader van de Woningwet / Gemeentelijke Bouwverordening dient een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem.
Beoordeling planvoornemen Uit het verkennend bodemonderzoek, zijn de volgende resultaten naar voren gekomen welke van belang zijn voor deze bestemmingswijziging: - In de grond is sprake van bijmengingen met bodemvreemde materialen. Het betreft met name zwakke bijmengingen met baksteen en plaatselijk beton. - In boring 04 is verdacht bodemvreemd materiaal (bot) aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid betreft dit slachtafval. - Plaatselijk is in de grond een matige olie-water reactie aangetroffen en een zwakke verdachte geur. - Op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen waargenomen. - De bovengrond is maximaal licht verontreinigd met zink, lood en minerale olie. - De ondergrond is licht tot matig verontreinigd met minerale olie. - Het grondwater is niet verontreinigd. - De matige verontreiniging met minerale olie beperkt zich tot de ondergrond en wordt niet teruggevonden in het grondwater. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrond/tussenwaarden dient de hypothese verdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden gehandhaafd. Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is.
Beperkingen inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen), alsmede de voortzetting van het huidige bodemgebruik, worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het volledige rapport met kenmerk 1912N235/JSM/rap1 is als losse bijlage toegevoegd bij deze toelichting.
Conclusie bodem Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Ecologie
Wetgeving Bij de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van de Quickscan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. Verder is de zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hierbij zijn de zorgplicht zoals in artikel 1.1 en de zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 1.3 van toepassing. In ‘Bijlage 2 Quickscan Wnb Julianastraat 50A Noordwijk’ is geadviseerd hoe aan de zorgplicht kan worden voldaan in het project. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt in het centrum van Noordwijk aan Zee. Op de onderstaande kaart is te zien dat het plangebied geen deel uitmaakt van het Natuurnetwerk Nederland. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Binnen een straal van 10 kilometer liggen de volgende Natura 2000-gebieden: • • •
Coepelduynen 0,7 Gevoelig tot zeer gevoelig Kennemerland-Zuid 0,9 Gevoelig tot zeer gevoelig Meijendel & Berkheide 6,0 Gevoelig tot zeer gevoelig
In het plangebied staan drie geschakelde opstallen, het bestaat uit twee garages en een schuur. De beide garages hebben een eerste verdieping en een niet afgetimmerde zolder. De dakpannen liggen op pannenlatten en zijn van binnenuit zichtbaar. Aan de achterzijde zijn in de loop der jaren schuren en zomerhuizen van daar gesitueerde woningen tegen de muur van beide garages aangebouwd. Deze muur blijft hierdoor behouden. Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat het onwaarschijnlijk is dat met de plannen vaste rust- en verblijfplaatsen worden aangetast van in de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Eveneens is het plangebied ongeschikt biotoop voor beschermde soorten. Het volledige rapport met de bevindingen en de aanbevelingen, is als bijlage toegevoegd bij deze toelichting.
Conclusie ecologie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Stikstofdepositie
Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Beoordeeld dient te worden of er als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. In de nabijheid van het plangebied liggen stikstofgevoelig Natura 2000-gebieden. Daarom is het nodig om een stikstofonderzoek uit te voeren. Er wordt een stikstofonderzoek uitgevoerd voor de sloop-, bouw- en gebruiksfase van het planvoornemen.
Beoordeling planvoornemen Zoals eerder genoemd, liggen er binnen een straal van 10 kilometer meerdere stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met behulp van AERIUS is het effect van het planvoornemen doorgerekend. IDDS heeft op basis van ervaring een onderbouwing opgesteld met een AERIUS stikstofdepositieberekening. De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft geen rekenresultaten van meer dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. De notitie met AERIUS uitvoerbestanden zijn als losse bijlage toegevoegd als ‘Bijlage 3 Stikstofonderzoek Julianastraat 50A-v2’. De berekeningen zijn geactualiseerd naar de meest recente versie van AERIUS.
Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Externe Veiligheid
Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).
Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.
Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevinden zich: -
Hotels van Oranje, Koningin Wilhelminaboulevard 20, Noordwijk Residence Rembrandt, Zeewijck 2, Noordwijk Texaco Abswoude B.V., Schiestraat 9, Noordwijk
De contour van de bijbehorende invloedgebieden plaatsgebonden risico enkel rondom de desbetreffende bedrijven. Gelet op de ruimte afstand tussen het planvoornemen en deze contouren, vormen de risicovolle inrichtingen geen risico. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op ruim 1.200 meter van het planvoornemen ligt aardgasleiding (A-560). Deze aardgasleiding heeft een diameter van 914 mm en een druk van 66,2 bar. In het vigerend bestemminsplan is beschreven dat de PR 10-6 contour op de leiding zelf ligt. De contouren voor het invloedsgebied bedraagt 430 meter. Door de vaststelling van het bestemmingsplan zal het GR dan ook niet toenemen. Het GR vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Gelet op het plan en de ruime afstand tot de buisleiding is een nadere toetsing is dus niet noodzakelijk.
Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Geluidhinder
Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen wegverkeer, geen spoorlijn (railverkeerlawaai) en ligt het plangebied niet binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeer-lawaai). Een nadere onderbouwing is dus niet nodig. Ook voor het aspect wegverkeerlawaai geldt dat geen nader onderzoek noodzakelijk is. Gelet op de huidige omgeving waarbij de nieuwe woning omsloten wordt door de bestaande woningen, is een nader onderzoek niet doelmatig. Omdat in deze woningen al een goed woonen leefklimaat geborgd moet zijn, is het niet doelmatig voor dit planvoornemen apart akoestisch onderzoek.
Uiteraard zal de nieuwe woning voldoen aan de laatste eisen uit het Bouwbesluit.
Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande, luidt de conclusie dat er een goed woon- en leefklimaat geborgd is met het realiseren van dit planvoornemen.
4.8
Luchtkwaliteit
Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven.
Tabel 4: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
NO2 Stikstofdioxide
40
Jaargemiddelde concentratie
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
PM10
40
Jaargemiddelde concentratie
Fijnstof (grove deeltjes)
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).
AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m 3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan.