Bijlage Bestemmingsplan Duinweg 12 en 12A Noordwijk - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Duinweg 12 en 12 A, Noordwijk Toelichting
Ontwerpbestemmingsplan Duinweg 12 en 12A, Noordwijk Toelichting
Datum Kenmerk IMRO Auteur
: : : :
18 juni 2021 18091691/JBR/rap1 NL.IMRO.0575.BPMGDuinweg12-VA01
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE
I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
Inhoud 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding .................................................................................................................... 6 Aanleiding .................................................................................................................. 6 Ligging projectgebied ................................................................................................. 6 Geldend bestemmingsplan ......................................................................................... 7 Leeswijzer .................................................................................................................. 7
2.1 2.2
Gebiedsvisie ............................................................................................................. 8 Bestaande situatie ...................................................................................................... 8 Beoogde situatie ........................................................................................................ 9
3.1 3.2 3.3
Beleidskader........................................................................................................... 10 Rijksbeleid................................................................................................................ 10 Provinciaal en regionaal beleid ................................................................................. 10 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 12
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11
Omgevingsaspecten .............................................................................................. 15 Archeologie .............................................................................................................. 15 Cultuurhistorie .......................................................................................................... 15 Watertoets................................................................................................................ 15 Flora en fauna .......................................................................................................... 17 Geluidhinder ............................................................................................................. 17 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 18 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 22 Externe veiligheid ..................................................................................................... 24 Bodemgeschiktheid .................................................................................................. 27 Bedrijven en milieuzonering ......................................................................................
27 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 29
5.1 5.2 5.3
Juridische aspecten ............................................................................................... 32 Inleiding ................................................................................................................... 32 Opzet van de planregels ........................................................................................... 32 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 32
6.1 6.2 6.3
Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 35 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 35 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 36 Eindconclusie ........................................................................................................... 36
Inleiding 1.1
Aanleiding
Het plan betreft een omzetting van agrarisch naar woonbestemming met tuin en een verwijdering van een bouwvlak schuur. De bestaande kassen en schuur worden gesloopt. Een klein deel tussen de woning en de gesloopte schuur blijft bestemd als agrarisch. Daarnaast zal een deel van de bestaande schuur met huisnummer 12A worden verbouwd tot een woning. Met als gevolg een verbetering van de beeldkwaliteit. Rondom dit perceel wordt een nieuwe, kleinschalige woonwijk ontwikkeld: De Nes. De Nes gaat uit van een kwaliteitsslag van dit deel van het Middengebied. Door de bestaande bedrijfsbebouwing bij Duinweg 12 A (schuren en bijgebouwen) te slopen (circa 290 m2) wordt de gewenste kwaliteitsslag gemaakt die aansluit op het plan voor De Nes. Deze ontwikkeling sluit in die zin goed aan bij De Nes en vormt er als het ware een voorbereiding op. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan ‘Noordwijk Middengebied’ noodzakelijk. Dit (postzegel) bestemmingsplan voorziet om het planvoornemen planologisch mogelijk te maken.
1.2
Ligging projectgebied
Het plangebied is gelegen aan de Duinweg aan de rand van Noordwijk aan Zee. Achter het plangebied is het sportpark De Duinwetering gelegen. Het plangebied is te bereiken via de gedeelde oprit met de woning aan de Duinweg 10.
1.3
Geldend bestemmingsplan
Het plangebied is gelegen in het bestemmingsplan ‘Noordwijk Middengebied’ vastgesteld op 25-01-2018 (kenmerk: NL.IMRO.0575.BPmiddengebied-VA01). Het plangebied heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch’. Daarnaast kent het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. De beoogde functie ‘wonen’ en ‘tuin’ is in strijd met het vigerend bestemmingsplan.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleidskader toegelicht. De relevante onderzoeken komen aan de orde in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat een toelichting op de juridische regeling van het plan. De maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid komen in hoofdstuk 6 aan de orde. Daarna volgen de bijlagen en de regels.
Gebiedsvisie 2.1
Bestaande situatie
Het plangebied betreft diverse opstallen met de aanduiding kas. De bestaande situatie betreft een bedrijfswoning met schuren. Aangezien het bedrijf al geruime tijd beëindigd is, wordt er in werkelijkheid op Duinweg nummer 12 en 12a gewoond.
2.2
Beoogde situatie
Het planvoornemen betreft een transformatie van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’ en ‘tuin’. Alle bedrijfsbebouwing (kassen, schuren) wordt gesloopt en de bedrijfswoningen krijgen de bestemming wonen. Het lage deel tussen de twee woningen wordt gesloopt. De schuur op figuur 4 wordt ook gesloopt, hiertoe wordt in het bestemmingsplan het bouwvlak ervan verwijderd. Op de afbeelding onder is de beoogde situatie weergeven, ook wordt de relatie weergeven met het verkavelingsplan ‘’De Nes’’.
Beleidskader 3.1
Rijksbeleid
Gezien de geringe omvang van de planlocatie is geldend rijksbeleid hier niet bijzonder van toepassing. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte benoemt weliswaar de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor het land, maar het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn.
Derhalve is onderhavig initiatief niet ladderplichtig.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
Visie Ruimte en Mobiliteit De provincie Zuid-Holland heeft haar ruimtelijk beleid vastgelegd in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Aan deze structuurvisie is een programma Ruimte en een programma Mobiliteit gekoppeld Hierin wordt beschreven welke instrumenten de provincie inzet om de doelen en ambities uit de Visie Ruimte en Mobiliteit te realiseren. De regels die voortkomen uit de visie en de beide programma’s, zijn vastgelegd in de Verordening Ruimte. Deze regels hebben een directe doorwerking in bestemmingsplannen. Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) - Actualisering 2018 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden. De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden: 1. 2. 3. 4.
beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving.
Gezien de staking van de huidige opstallen aan de Duinweg 12 en 12A niet als kas worden gebruikt is de omzetting naar wonen met tuin een vorm van beter benutten van wat er is. De voorgenomen ontwikkeling sluit hierom aan bij de ambities en doelen uit de Visie Ruimte en Mobiliteit.
Greenport Duin- en Bollenstreek Meer flexibiliteit en ontwikkelingsmogelijkheden voor het totale bollen- en sierteeltcomplex in de Duin- en Bollenstreek, met zijn productie, handel, distributie, onderzoek en promotie om te komen tot een Vitale Greenport, zonder daarbij het landschap verder te ‘verrommelen’. Dat is tezamen met het herstel van het karakteristieke (bollen)landschap in één zin de ambitie van Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016, waarmee op hoofdlijnen voortgeborduurd wordt op de ISG uit 2009. Deze visie heeft naast de economische dus ook een sterke ruimtelijke component (herstel en bevordering openheid bollenlandschap), anders dan bijvoorbeeld in het Westland. Deze Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport is een uitgave van de vijf samenwerkende gemeenten in de Greenport Duin- en Bollenstreek, naast Noordwijk zijn dat Katwijk, Lisse, Hillegom en Teylingen. De Greenport Duin- en Bollenstreek is nog altijd goed voor 60% van de wereldhandel en -export in bloembollen (met een welhaast monopolie op de hyacint), met een handelsomzet van 550 miljoen euro en een exportwaarde van 415 miljoen euro. Daarmee neemt deze regio circa 10% van het nationale productieareaal en de daarmee samenhangende productiewaarde voor haar rekening.
Om dit aandeel te waarborgen en bollenteeltbedrijven zich economisch te laten handhaven, wordt in de ISG ingezet op herstructurering en schaalvergroting. Het regionaal beleid is er vooral op gericht ruimte te bieden aan greenportgerelateerde bedrijven, oftewel het mogelijk maken van investeringen die onmiskenbaar bijdragen aan de kwaliteit van de Greenport.
Het plangebied wordt aangeduid als stedelijk gebied. Om deze reden is er in het kader van het ISG 2016 geen enkele belemmering voor het planvoornemen.
3.3
Gemeentelijk beleid
Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Vastgesteld in juni 2018, kenmerkt de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Noordwijk als ‘Energieke 7-sterren Kustplaats’ met als centrale doelstelling: “Noordwijk is een energieke, duurzame, inspirerende en gastvrije kustplaats met topkwaliteit en allure”. De zeven kwaliteiten waar de gemeente Noordwijk op inzet, zijn: 1. Energieke samenleving; 2. Geweldige sportmogelijkheden; 3. Sfeervolle dorpscentra; 4. Aantrekkelijke leefomgeving; 5. Rijke natuur & mooi landschap; 6. Uitstekende bereikbaarheid; 7. Veelzijdige economie & toerisme In onderstaand figuur de kaart van de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 weergeven met daarbij het plangebied uitgelicht. Het plangebied is aangeduid als uitbreidingszone dorpsgebied met woningbouw. Het planvoornemen transformatie van agrarische naar wonen sluit hier goed bij aan. De groene strook ten zuiden van het plangebied is gereserveerd voor nieuwe sportvelden. Het planvoornemen belemmert niet de ontwikkeling van sportvelden ten zuiden van het plangebied.
De Noordwijkse Woonagenda 2016-2020 De nieuwe Woonagenda is nadrukkelijk een ‘agenda’ die betrekking heeft op een kortere periode en beoogt om, gegeven alle onzekerheden en de huidige knelpunten, het vizier te richten op de toekomst van het wonen in Noordwijk. De Woonagenda Noordwijk schetst daarbij de belangrijkste dilemma’s en opgaven tot 2020, maar kijkt ook verder in de toekomst. De woonagenda zet dan ook in op vier thema’s die de komende jaren richtinggevend zijn voor keuzes omtrent het wonen in Noordwijk. Deze thema’s zijn: 1. 2. 3. 4.
werken aan beschikbaarheid van woningen; werken aan betaalbaarheid van woningen; werken aan zorg en flexibiliteit; werken aan duurzaamheid.
Het omzetten van een bedrijfwoning naar een reguliere woningen én het toevoegen van een nieuwe woning (op nummer 12 A) draagt bij aan het werken aan beschikbaarheid van woningen. Doordat er een nieuwe woning ontstaat, bestaat er bijvoorbeeld de kans dat de nieuwe bewoners een betaalbare woning achterlaten. Dit heeft een positief effect voor doorstromers. Verordening Bestemmingsreserve ter bevordering van Sociale Huurwoningen Noordwijk Er moet getoetst worden aan het beleid zoals vastgelegd in de Verordening Bestemmingsreserve sociale woningbouw (vanaf 3 woningen minimaal 30% sociaal). Aangezien het hier slechts één woning, bestaat dus geen verplichting tot sociale woningbouw. Voorbereiding op De Nes I – Wonen in Steil Het planvoornemen is een voorbereiding op de grootschalig woningbouwontwikkeling De Nes. Zoals in de afbeelding onder te zien valt is het plangebied niet opgenomen in dit woningbouwproject. De huidige situatie met de agrarische bestemming ter plaatse van de Duinweg 12 en 12A is niet wenselijk binnen dit woningbouwproject. De ontwikkeling naar wonen sluit hierom naadloos aan bij de woningbouwontwikkeling ‘’De Nes’’.
Conclusie beleid Gelet op het bovenstaande, vormt het landelijke, regionaal en gemeentelijk beleid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen. De aanbouw bij de bestaande woning draagt bij aan het geldende beleid.
Omgevingsaspecten 4.1
Archeologie
Verdrag van Valleta Nederland heeft zich in 1992 in Europees verband gecommitteerd aan het Verdrag van Valetta (Malta). Dit verdrag heeft als doel de bescherming van het archeologisch erfgoed van Europa te bevorderen. In aansluiting op dit verdrag is in Nederland op 1 september 2007 de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht geworden. Deze is per 1 juli 2016 met grote delen van de Monumentenwet opgegaan in de Erfgoedweg. Dit is sindsdien de wet voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. De belangrijkste artikelen uit het Verdrag van Malta zijn in de Nederlandse wetgeving overgenomen, te weten: -
het archeologisch erfgoed dient zo veel mogelijk ter plaatse te worden behouden; het archeologisch erfgoed dient in de ruimtelijke belangenafweging te worden betrokken; de verstoorder (lees: de initiatiefnemer) is verantwoordelijk voor het vroegtijdig uitvoeren van archeologisch onderzoek alsmede de financiering van dit onderzoek.
-
Beoordeling planvoornemen Het plangebied kent de bestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Dit vormt echter geen belemmering voor het planvoornemen aangezien het enkel een planologische verandering betreft. Er vindt geen vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte wordt uitgebreid of op een nieuwe fundering wordt gezet. Er vinden ook geen graafwerkzaamheden plaats.
4.2
Cultuurhistorie
Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. Beoordeling planvoornemen Het plangebied is niet aangemerkt als monument of andere vormen van cultuurhistorische waarden.
Conclusie Archeologie en cultuurhistorie Gelet op bovenstaande bevindingen gelden er vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.3
Watertoets
Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging
is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1. Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen).
Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling). 2. Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 1 juli 2015 is een nieuwe Keur en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maakt de Keur en uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Het is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt.
Beoordeling planvoornemen Bij een toename in verharding dient deze toename te worden gecompenseerd. Volgens de eis van het waterschap dient bij een toename vanaf 500 m2 in verharding 15% van deze toename te worden gecompenseerd door de aanleg van functioneel open water. Het dempen van sloten dient daarnaast voor 100% te worden gecompenseerd. Ten gevolge van het plan is er geen sprake van een toename in verharding. Water compenseerde maatregelen zijn dus niet noodzakelijk.
Conclusie Watertoets Gelet op de bovenstaande resultaten, voldoet het plan aan de eisen voor wat betreft het waterbeleid van het Hoogheemraadschap.
4.4
Flora en fauna
Gezien de ontwikkeling enkel een planologische omzetting betreft zijn er geen belemmeringen in het kader van flora en fauna. Voorafgaand aan de sloop wordt een ecologische Quickscan uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre er beschermde flora en fauna worden getroffen door deze ingreep.
Conclusie Flora en Fauna Gelet op de bovenstaande bevindingen, vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor het planvoornemen. Dit in acht name met de uitvoering van een ecologische Quickscan.
4.5
Geluidhinder
Een woning is in het kader van de Wet geluidhinder een gevoelig object. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Aangetoond dient dat er wordt voldaan aan de gestelde akoestische eisen. Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Beoordeling planvoornemen Er kan vastgesteld worden dat er ter plaatse van Duinweg 12A, Noordwijk een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden ten aanzien van geluidhinder. In de huidige situatie wordt er in de bestaande woning al gewoond. Daarnaast is er voor de naastgelegen woning (Duinweg 10) ook een aangenaam woon- en leefklimaat vastgesteld. Deze woning is op 45 meter gelegen van de geluidbron (Duinweg), de beoogde woning is op 60 meter gelegen van de geluidsbron. Het planinitiatief ligt daarmee binnen de geluidzone Wet geluidhinder van de Duinweg.
Gebaseerd op een eenvoudige geluidberekening kan er aangetoond worden dat aan de voorkeurswaarde van 48 dB Wet geluidhinder (Wgh) wordt voldaan. Op basis van een indicatieve geluidberekening (RVMK - prognosejaar 2030) ligt de 48 dB contour op circa 55-60 meter van de Duinweg. Hieruit kan opgemaakt worden dat voor het planvoornemen ook een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden. Dit mede vanwege het feit dat er voldoende geluidisolerende maatregelen worden getroffen aan de gevels.
Conclusie geluidhinder Gelet op bovenstaande is er geen belemmering de bedrijfswoningen planologisch om te zetten in burgerwoningen en is het niet doelmatig hier specifiek akoestisch onderzoek naar te verrichten.
4.6
Luchtkwaliteit
Wet milieubeheer Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van
luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in de wet weergegeven.
Tabel 1: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer
Stof NO2 PM10 PM2,5
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
40
Jaargemiddelde concentratie
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).
AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening
worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan, bijvoorbeeld om de bewoners en/of kinderen in een school/kinderdagverblijf aan de gebiedsontsluitende wegen. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2018.
Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs de Duinweg en het Piet Heinplein ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen maximaal 18,2 µg/m3 is en 20,1 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5, deze is in de nabijheid van het plangebied maximaal 11,8 µg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 7,7 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd.
Tabel 2: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO 2, PM2,5 en PM10
Stof
Maximale achtergrondwaarde [μg/m3]
Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3]
PM2,5
11,8
25
PM10
20,1
40
NO2
18,2
40
Conclusie luchtkwaliteit Het project valt onder de regeling NIBM en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Stikstofdepositie
Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat juli 2015 van kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Beoordeling planvoornemen Het plangebied ligt op één kilometer van het Natura 2000-gebied Kennemerland-Zuid en op circa 3 kilometer van het gebied Coepelduynen.
Gebruiksfase Het gaat hier om een planologische omzetting van twee bedrijfswoningen naar twee burgerwoningen. Het bestaande gebruik van de bestaande woningen wordt voortgezet. Er is dus ook geen wijziging van de stikstofemissie en depositie. Nadelige effecten op Natura 2000gebieden ten gevolge van de gebruiksfase van dit plan zijn dus op voorhand uit te sluiten. Een berekening van de gebruiksfase is dan niet zinvol en niet nodig.
Sloopfase Als voorwaardelijke verplichting voor de omzetting naar twee burgerwoningen is in dit bestemmingsplan opgenomen dat de bestaande schuur gesloopt dient te worden. Om die sloop mogelijk te maken is er een stikstofberekening uitgevoerd voor de sloopfase.
De bestaande schuur heeft een oppervlakte van ca. 180 m2 en een geschatte goot- en
nokhoogte van respectievelijk 4 en 6 meter. Gelet op de omvang van het pand (één verdieping met een lage kap) en het materieel (bakstenen muur met plaatmateriaal voor de afwerking) valt de inzet van sloopmachines en de afvoer van grondstoffen mee. De onderstaande tabel geeft weer met welk soort materieel er (worst-case) rekening is gehouden. Gelet op de omvang is er uitgegaan van maximaal 2 werkweken werk. Dit is op basis van een inhoud van het pand van ca. (4*180=720m3) + (180*2/2=180m3) = 900 kuub. Aangezien er weinig binnenmuren e.d. aanwezig zijn in het pand, wordt er rekening gehouden met een inhoud/grondstofratio van 1/5. Dit betekend dat er sprake is van 180 kuub te vervoeren grondstoffen. Voor de emissiefactoren is aangesloten bij de gegevens uit AERIUS Calculator 2020 (voor de belaste uren) en het Excelbestand ‘TNO_getallen_voor_AERIUS_ 2020v9_mobiele_werktuigen.xlsx’ (voor de stationaire uren).
Bron Type motor, kW, bouwjaar Sloopkraan Diesel, 170, 2014
Belasting in %
69
Emissie-factor NOX
Emissie-factor NH3
Emissie-factor NOX
Emissie-factor NH3
belast
belast
stationair
stationair
0,8
0,00241
10
0,003142
Draaiuren Belast in uren
Stationair in uren
40
10
Gelet op de 180 kuub vrij te komen grondstoffen, en de inzet van 20 kuub vrachtwagens, wordt er rekening gehouden met de 9 vrachtwagens voor de afvoer van grondstoffen. Worst-case wordt er rekening gehouden met de inzet van 15 vrachtwagens (mede om de mobiele werktuigen aan- en af te voeren). Dit leidt in totaal tot 30 verkeersbewegingen in de categorie zwaar. Gelet op de maximale slooptijd van 10 werkdagen, is er ook rekening gehouden met de inzet van 2 personenauto’s/busjes per etmaal, wat leidt tot maximaal 40 verkeersbewegingen in de categorie licht. De aantallen zijn ingevoerd als jaargemiddelde. De vervoersbewegingen zijn allen gemodelleerd via de Duinweg naar de Van de Mortelweg richting de provinciale weg. Vanaf daar zijn de voertuigen niet meer te onderscheiden van het heersende verkeer. Er is rekening gehouden met 1% filevorming. De bijlage van de berekening is bijgesloten als bijlage. Conclusie stikstofdepositie De stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen leidt niet tot significant negatief effect in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstofdepositie vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Draaiuren
Externe veiligheid
Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met
gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning, recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).
Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico als onacceptabel moet worden geacht. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico vooraf gaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron.
Tot hoever die omgeving strekt voor zover dat relevant is binnen de methodiek van het GR, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.
Bestuurlijk kader Externe Veiligheid Holland Rijnland De regio Holland-Rijnland heeft in 2014 de omgevingsvisie externe veiligheid geactualiseerd (Bestuurlijk kader Externe Veiligheid Holland Rijnland). In deze omgevingsvisie heeft de regio een beslismodel op basis van zonering van het groepsrisicodiagram opgesteld en richtsnoeren voor veilig ruimtelijk ontwerpen geformuleerd. Het toepassen van deze richtsnoeren leidt tot een ruimtelijk veilig ontwerp. De mate waarin deze richtsnoeren moeten worden toegepast is afhankelijk van de hoogte van het groepsrisico. In het groepsrisico kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, dan behoeven de ontwerprichtsnoeren maar beperkt te worden toegepast. Komt het groepsrisico boven de oriëntatiewaarde, dan is het wenselijk alle ontwerprichtsnoeren onverkort toe te passen. Beoordeling planvoornemen Het plan ligt niet in het invloedsgebied van een bedrijf waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of geproduceerd en niet in het invloedsgebied van een weg, spoorlijn, waterweg of buisleiding die wordt gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen.
Conclusie externe veiligheid Gelet op het bovenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Bodemgeschiktheid
De aanleiding tot het uitvoeren van het onderzoek is de bestemmingswijziging van agrarisch naar wonen. De doelstelling van het onderzoek is het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (grond en grondwater) ter plaatse van de onderzoekslocatie. Wet bodembescherming Onverdacht terrein De bovengrond bestaat uit zand en bevat plaatselijk een bijmenging met sporen baksteen en glas. Uit de analyse resultaten blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met een aantal zware metalen en OCB’s. De ondergrond bestaat uit zand en klei. Dieper dan 0,6 m-mv zijn geen bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen. De onderzochte klei in de ondergrond bleek niet verontreinigd met de onderzochte parameters. Aan het grondwater zijn gedurende de monstername geen bijzonderheden opgemerkt. Geen van de onderzochte parameters overschrijden de desbetreffende streefwaarden. Olievlek De sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond in 2002 kon in onderhavig onderzoek niet worden gereproduceerd. Aangezien recent onderzoek als meest representatief wordt geachte en gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden (grond) en/of de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende streefwaarden (grondwater) dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen.
Echter, de gemeten waarden zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel ingevolge de Wet bodembescherming, niet noodzakelijk is. Beperkingen inzake het verlenen van een bestemmingswijziging worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. Het gehele bodemonderzoek is al bijlage bijgesloten met kenmerk 1809L867/ISO/rap1 Conclusie bodemgeschiktheid Beperkingen inzake het verlenen van een bestemmingswijziging worden op basis van de onderzoeksresultaten uit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien.
4.10
Bedrijven en milieuzonering
De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden
door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden te allen tijde twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009" ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is.
In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen Door het planvoornemen verdwijnt (binnen het plangebied) de aanduiding ‘kas’. Hierdoor is het niet meer mogelijk om in de direct nabijheid van de woningen een kas te plaatsen.
Ook het huidige bouwvlak rondom de bestaande schuur zal verdwijnen. Daarmee verdwijnen ook de bouw –en gebruiksmogelijkheden binnen dat bouwvlak. Dit komt het woon- en leefklimaat ten goede. In de nabije omgeving van het plangebied zijn enkel horeca en recreatievoorzieningen gesitueerd. Op 100 meter ten noorden van het plangebied is Residence Aan der Kust gelegen. Voor hotels en pensions (SBI-2008: 5510, milieucategorie 1) geldt in gemengd gebied een richtafstand van 0 meter. Deze inrichting vormt dus geen belemmering voor het planvoornemen. Ten zuiden van het plangebied op 100 meter is sportpark Duinwetering gelegen. Voor een veldsportcomplex met verlichting (SBI-2008: 931-G, milieucategorie 3.1) geldt een richtafstand van 30 meter. Deze inrichting vormt dus ook geen belemmering voor het planvoornemen. Ook liggen er in de omgeving diverse percelen met een agrarisch gebruik. Op verzoek van de Omgevingsdienst wordt er ingegaan op bestrijdingsmiddelen en het opslaan van agrarische hulpstoffen. Gelet op het feitelijke gebruik van de gronden, is er in de praktijk geen sprake van
het opslaan van dergelijke hulpstoffen (mest e.d.). Dit wordt versterkt door het feit dat er reeds een woonbestemming aanwezig is náást de huidige bedrijfswoning. Wel wordt er kort ingegaan op het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Blootstelling bestrijdingsmiddelen In een eerder advies van de Omgevingsdienst, werd opgemerkt dat er voldoende aandacht moet zijn voor eventuele gevolgen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen op de omliggende akkers. Aangetoond dient te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals te lezen in onder andere de uitspraak van de Raad van State ‘ECLI:NL:RVS:2016:2373’ zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Er wordt gesproken over een minimale afstand van 50 meter als vuistregel tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij opgemerkt wordt dat er een keuze gemaakt kan worden voor een kortere afstand indien dit middels een deugdelijke belangenafweging en motivatie wordt gedaan. In dit specifieke geval moet worden opgemerkt dat de gronden om de woning heen allen in bezit zijn van de beoogde bewoner van de woning. Daarnaast, en tevens belangrijker, zal er ter afscherming tussen de woonkavel en de bollenteeltgronden een gebiedseigen haag worden gerealiseerd, welke zorgt voor een afschermende werking.
De woning is dermate gepositioneerd, dat de woning via alle zijde geventileerd kan worden. Uit het milieukundig bodemonderzoek blijkt dat uit de metingen naar voren komt dat de huidige bodem niet is vervuild met bestrijdingsmiddelen (OCB). Er zijn wel OCB’s aangetroffen, maar deze metingen zitten ruim onder de achtergrondwaarden. De mate van vervuiling valt mee. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) heeft recentelijk onderzoek gedaan naar een mogelijk verband tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwgewassen. Daarbij hebben zij geen duidelijk verband gevonden. Sterker nog, over het algemeen leken mensen die dichter bij landbouwpercelen wonen zelfs wat gezonder. Dat blijkt uit een meerjarig onderzoek genaamd ‘Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen’ met als publicatiedatum 06-07-2018. Het RIVM rapport heeft het kenmerk 2018-0068 en is te vinden via het RIVM. Conclusie Bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.11
M.e.r.-beoordeling
Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen plantontwikkeling. Het instrument daarvoor is de m.e.r.-beoordeling. (In de literatuur is het gebruikelijk om met de afkorting m.e.r. op de procedure van milieueffectrapportage te doelen en onder MER het milieueffectrapport zelf te verstaan). In de Wet milieubeheer staat onder § 7.6. “Besluiten ten aanzien waarvan moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden gemaakt” (artikelen 7.16 t/m 7.20a) de procedure voor de m.e.r.-beoordeling beschreven. In de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) staan de activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Bovendien staat voor (het merendeel van) de opgenomen activiteiten een drempelwaarde opgenomen.
Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C en boven de daar genoemde drempelwaarde uitkomen, geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig en er moet een milieueffectrapport worden opgesteld. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet op voorhand vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Wanneer een activiteit boven de daar genoemde drempelwaarde uitkomt én mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4 van de D-lijst, dan geldt een formele m.e.r.beoordelingsplicht. Voor activiteiten die onder de D-drempel uitkomen, geldt een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoewel bij deze activiteiten de drempelwaarde dus niet wordt overschreden, kan toch niet worden uitgesloten dat een dergelijke activiteit geen belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu en derhalve geldt ook hier een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof op 15 oktober 2009 over de foutieve manier waarop de Europese m.e.r.-richtlijn in de nationale regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat er altijd een m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. Naar aanleiding hiervan is de m.e.r.-regelgeving in Nederland aangepast.
Eerst op 1 juli 2010 met de Wet Modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage (Stb. 2010, 20) en vervolgens met de wijziging van het hierboven reeds aangehaalde Besluit m.e.r. op 1 april 2011 (Stb. 2011, 102). Sindsdien moet de m.e.r.-beoordeling gebaseerd zijn op een toets die qua inhoud aansluit bij de formele m.e.r.-beoordeling. Omdat er voor de toets geen vormvereisten gelden, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Na 1 april 2011 bestond er inhoudelijk weinig verschil tussen de beide m.e.r.-beoordelingen, maar procedureel wel: de vormvrije m.e.r.-beoordeling was procedurevrij. Per 16 mei 2017 is het Besluit m.e.r. gewijzigd en per 7 juli 2017 is deze ook van toepassing geworden op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er geldt geen overgangsrecht. Als gevolg hiervan dient het bevoegd gezag ook bij kleine ontwikkelingen (met activiteiten onder de D-drempel) een beslissing te nemen of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Dit besluit is een extra procedurestap. Er bestaat momenteel daarom nauwelijks nog verschil tussen de formele en de vormvrije m.e.r.-beoordelingsprocedure.
Beoordeling planvoornemen De voorgenomen ontwikkeling staat genoemd in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. In het planvoornemen is het toevoegen van slechts één woning opgenomen. De drempelwaarde van 2.000 woningen wordt met dit planvoornemen bij lange na niet gehaald. Derhalve is het hier niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op het bovenstaande vormt het aspect m.e.r.-beoordeling geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
Juridische aspecten 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding. Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels.
5.2
Opzet van de planregels • • • •
Hoofdstuk 1: Inleidende bepaling; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene bepalingen; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotbepalingen.
Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk. De gemeente Noordwijk heeft op 25 januari 2018 het bestemmingsplan “Noordwijk Middengebied” vastgesteld. De systematiek van dit (postzegel)bestemmingsplan sluit zo veel mogelijk aan bij de systematiek uit het moederplan. Gelet op de huidige tijd en het bestaan van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is het soms noodzakelijk gebleken om diverse teksten en regels conform deze standaard te verwoorden. Indien verwezen wordt naar een bepaling en/of een bestemming welke niet wordt genoemd in dit bestemmingsplan, wordt verwezen naar het moederplan. In de slotregel is de naamgeving van dit bestemmingsplan bepaald.
5.3
Uitleg van de planregels
Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Artikel 1 Begripsbepaling In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de voorschriften worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De begripsomschrijvingen zijn
overgenomen uit het moederplan. Artikel 2 Wijze van meten De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. De wijze van meten is overgenomen uit het moederplan. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch De op de plankaart voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor uitoefening van volwaardige grondgebonden agrarische bedrijven. Artikel 4 Tuin De op de plankaart voor tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen gebouwen. Artikel 5 Wonen De op de plankaart voor wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen en/of erven. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen welke ervoor zorgt dat het juridisch geborgd is dat de te slopen opstallen worden gesloopt, voordat de woning als zodanig gebruikt mag worden. Artikel 6 Waarde - Archeologie – 3 De op de plankaart aangegeven dubbelbestemming archeologie. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 7 Anti dubbeltelbepaling Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 8 Aanvullende werking bouwverordening De voorschriften van de Bouwverordening ten aanzien van onderwerpen van stedenbouwkundige aard blijven overeenkomstig het gestelde in artikel 9, lid 2 van de Woningwet buiten toepassing Artikel 9 Algemene gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van de gronden en bouwwerken, wordt in ieder geval een seksinrichting, escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie verstaan. Artikel 10 Algemene vrijstellingsbepaling Naast hetgeen daaromtrent is bepaald in de specifieke vrijstellingsbepalingen onder de bestemmingen, kunnen burgemeester en wethouders, overeenkomstig artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en met inachtneming van het bepaalde in artikel 1.3 van deze voorschriften, vrijstelling verlenen van het bepaalde in deze voorschriften of de aanwijzingen op de plankaart.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. Artikel 11 Overgangsregels Deze overgangsregels zijn overgenomen uit het nieuwe Besluit op de Ruimtelijke Ordening. De grootste verandering ten opzichte van de tot voor kort gebruikelijke overgangsregels is dat de peildatum voor bouwen en gebruik, gelijk is getrokken. Ook voor het bouwen is nu de datum van inwerkingtreding van het bestemmingsplan beslissend. Dat was voorheen de datum van de terinzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan. De wetgever heeft met die gelijkschakeling beoogd eenduidigheid te scheppen. Bij het tenietgaan van bouwwerken die onder het overgangsrecht vallen bestaat de mogelijkheid om terug te bouwen. Onder een calamiteit wordt hier verstaan: een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten schuld van de indiener van de bouwaanvraag veroorzaakt onheil. Artikel 12 Slotregel Hier is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald.
Uitvoerbaarheid 6.1
Maatschappelijk uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. De voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan, zijn besproken met belanghebbenden. Daarnaast dient het plan in overwegende mate op maatschappelijk draagvlak te kunnen rekenen. De ervaring leeft dat het niet altijd mogelijk is om alle belanghebbenden bij dergelijke ruimtelijke ontwikkelingen volledig tegemoet te komen. De raadpleging van belanghebbenden tijdens verschillende fasen in het planvormingsproces moet er dan ook vooral toe leiden dat het bevoegd gezag een goede afweging kan maken tussen eventuele tegenstrijdige ruimtelijke belangen. Op grond van artikel 3.1.1 van de Bro worden burgemeester en wethouders verplicht gesteld om bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan in overleg te treden met de besturen van andere gemeenten, het waterschap, de provincie, de inspecteur op de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van het Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. De instanties die in kennis gesteld moeten worden, zullen een bericht ontvangen. De reacties worden meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens ter inzage gelegd waarbij er gedurende zes weken zienswijzen kunnen worden ingediend.
Vervolgens wordt het plan ter vaststelling aangeboden aan de raad. Voorontwerp bestemmingsplan Het voorontwerp heeft in de periode van woensdag 11 november tot en met dinsdag 22 november 2020 ter inzage gelegen. Hierop zijn geen inspraakreacties binnengekomen. Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan is ten opzichte van het voorontwerp op de volgende punten aangepast: -
Paragraaf 4.7 is aangevuld met een stikstofberekening voor de sloopfase. Dit is nodig in verband met de voorwaardelijke verplichting van de sloop. De goothoogte van de verbeelding is aangepast van 3 meter naar 4,3 meter. Per abuis stond hier een te lage goothoogte. Dit geldt voor het bouwvlak van nummer 12 A.
Vaststelling bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft van woensdag 28 april tot en met dinsdag 8 juni ter inzage gelegen. Hierop zijn geen zienswijzen binnengekomen. Het plan wordt dus ongewijzigd ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
6.2
Financiële uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens bestaat overeenkomstig Hoofdstuk 6 in de Wet ruimtelijke ordening de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en de plankosten, deze verhaald moeten kunnen worden op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. De kosten van de ontwikkeling liggen bij de initiatiefnemer. Hiertoe wordt tussen de gemeente en de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. Deze overeenkomst bevat tevens afspraken omtrent eventuele planschadeclaims. Gelet hierop is het plan financieel uitvoerbaar.