CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A11 - Bijlage 8 Evaluatierapport archeologie

Gemeenteraadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Offem Zuid tweede fase deel C (Campri)39.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

OSL

OSL OSL

Foram/diatom

Pollen

14

C

715

6017

5&6

POL

vulling 5 is de venige bodemlaag

Macro-

Foram/diatom

Pollen

14

C

715

6017

5&6

POL

vulling 6 de laag met de brakwaterkokkels

Macro-

Foram/diatom

Pollen

14

C

informatie over de vegetatie die voorkomt in de omgeving van deze verzoetende waterpartij informatie over het afzettingsmilieu, was dit echt zoet? informatie over de vegetatiesamenstelling in het plangebied tijdens de aanwezigheid van deze waterpartij datering van de open waterpartij informatie over de vegetatie die voorkomt in de omgeving die is meegespoeld informatie over het afzettingsmilieu van deze 1ste fase in het kolkgat informatie over de vegetatiesamenstelling in het plangebied tijdens de 1ste overstromingsfase datering van de 1ste overstromingsfase

9

Voor het dateren van de duinvorming zijn ten minste drie OSL dateringen noodzakelijk omdat dit een complex proces is dat over langere tijd kan hebben plaatsgevonden en waarbij afgezet zand lokaal meerdere malen kan zijn verplaatst.

25

716

6017

6&4

POL

vulling 4 is een door erosie gemengde laag?

Macro-

Foram/diatom Pollen

14

C

informatie over de vegetatie die voorkomt in de omgeving en die is vermengd met het duinzand informatie over het ontstaan van het kolkgat informatie over de vegetatiesamenstelling in het plangebied tijdens het ontstaan van het kolkgat datering van het ontstaan van het kolkgat.

3.1.2 Uitwerking De profielen worden alle lithologisch en bodemkundig geïnterpreteerd en vervolgens gekoppeld aan de bevindingen van de vooronderzoeken (boringen en proefsleuven). Aanvullend zal er een hoogtemodel worden gemaakt van het duinzand om het duinlandschap duidelijk in beeld te brengen. Tevens wordt er een geologische kaart gemaakt van het plangebied om duidelijk te visualiseren welke landschap waar voorkwam. De geologische lagen worden gedateerd en voorzien van een beschrijving van de vegetatie en milieu. Vragen die vervolgens beantwoord kunnen worden zijn:

4. Wat is de geologische/bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied en in hoeverre sluit deze opbouw aan op verwachtingen op basis van de vooronderzoeken? Hoe kan de lokale gelaagdheid van de duinafzettingen gedateerd worden? 5. Welk beeld geeft het onderzoek van de natuurlijke vegetatie en wat zegt dit over de (veranderingen in) aanwezigheid of invloed van de mens? In hoeverre is er sprake van een open landschap? Reconstrueer indien mogelijk het landschap (in combinatie biotisch en abiotisch) voor en na de start van de prehistorische en historische bewoning. 6. Welke verbanden zijn er te leggen tussen de archeologische vindplaatsen en de bodemgelaagdheid/ stratigrafie, alsmede de paleogeografische context? In hoeverre hebben de fysisch-geografische veranderingen in de kuststrook invloed gehad op het landgebruik en bewoningspatronen? 7. Op welke wijze is gedurende de ijzertijd en Romeinse tijd gebruikgemaakt van de verschillende landschappelijke zones in het plangebied? Zijn er intacte vegetatiehorizonten aanwezig, bijvoorbeeld afgedekte bodems en akkerlagen, en wat zeggen deze over het toenmalige landschap(sgebruik)? 3.2 Sporen en structuren De sporen worden in het conceptrapport uitgewerkt. De onderlinge relatie tussen de verschillende sporen en structuren zal mogelijk duidelijk worden tijdens de uitwerking.

Hierbij zal voor zover mogelijk onderscheid gemaakt worden tussen erven en zullen uitspraken gedaan worden over de fasering van de bewoning in het gebied en de relatie tussen de bewoningssporen en de agrarische sporen in het gebied. Een relatieve chronologie van de sporen zal in enkele gevallen aan de hand van de onderlinge oversnijdingen mogelijk kunnen worden vastgesteld. De chronologie zal echter vooral worden 14 verduidelijkt met vondst-, dendro- en C-dateringen. Daarnaast dient achterhaald te worden wat de relatie is tussen de bewoningssporen uit het onderhavige onderzoek, de relatie tussen de sporen en het landschap en de reeds bekende vindplaatsen in de omgeving van het onderzoeksgebied. De analyse van de sporen en structuren zal een groot deel van de onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. De beschrijving van de sporen en structuren (en de synthese) zal voorzien worden van tekeningen en foto’s; structuurafbeeldingen (indien relevant met coupetekeningen), periodekaarten, thematische kaarten, etc. en volledig voldoen aan de eisen van het PvE.

26

3.3 Vondsten en vondstspreiding In paragraaf 2.3 zijn de tabellen 2.2 en 2.3 opgenomen met de verschillende vondstcategorieën en hun aantallen. In deze paragraaf volgt een korte beschrijving van het vondstmateriaal en de bijdrage die ze wel of niet leveren aan het conceptrapport en de beantwoording van de onderzoeksvragen. Elke vondst is in principe te koppelen aan een context: vulling-spoor10 structuur; bodemhorizont; puntlocatie-bodemhorizont. Elke vondst zou daarom ook bruikbaar en relevant kunnen zijn voor de beantwoording van de onderzoeksvragen, zoals de vraagstellingen met betrekking tot de datering van sporen en structuren, de relatie tussen vondsten en sporen, (ambachtelijke) activiteiten, intentionele deposities, herkomst van materialen en handelsnetwerken, etc. De monsters en andere vondstcategorieën die informatie kunnen verschaffen over zaken als landschap en voedseleconomie komen, net als de middelen die aangewend kunnen worden voor absolute dateringen, in paragraaf 3.4 aan de orde. Voor alle materiaalcategorieën geldt dat de vondstnummers en contextgegevens zijn terug te vinden in bijlage 4, 5 en 6.

Beeldrapportage De uitwerking en rapportage van het vondstmateriaal zal voorzien worden van illustratieve en relevante afbeeldingen (objecttekeningen en/of –foto’s, verspreidingskaarten) conform het Programma van Eisen.

3.3.1 Keramiek (S. Bloo) Keramiek is de grootste materiaalcategorie, waarbij het zwaartepunt ligt bij het aardewerk uit de late ijzertijd en Romeinse tijd. Nog niet al het materiaal is bekeken, maar binnen het aardewerkcomplex is ook een component bronstijd, voor het merendeel midden-bronstijd (Hilversumcultuur 1800-1500 voor Chr.) aangetroffen en een component vroege middeleeuwen. Binnen de contouren van de opgraving zijn verder in totaal slechts vijftien laatmiddeleeuwse of nieuwetijdse scherven aangetroffen, hetgeen niet verwonderlijk is aangezien het plangebied in deze periode alleen gebruikt werd voor de landbouw. In totaal zijn 5.683 fragmenten aardewerk verzameld. Een deel van het materiaal is bekeken tijdens het wasproces en een aantal dozen/zakken zijn na het drogen gescand. Hierbij viel op dat het vaatwerk over het algemeen goed geconserveerd is. Hiermee wordt bedoeld dat de scherven vrij groot zijn (een lage fragmentatiegraad hebben), niet verweerd (niet afgerond door langdurig aan het oppervlak liggen of verplaatst door water, niet ingepakt door roestkorsten). Dit betekent dat al het materiaal geschikt is voor verdere uitwerking.

Tijdens de waardering is materiaal herkend uit de (late) ijzertijd aan de hand van de wandafwerking (grove besmijting), verschraling (potgruis en minieme hoeveelheid organisch materiaal) en rand- en potvormen (naar buitenstaande, ongefaceteerde rand en vloeiende Svormen). Het merendeel van het vaatwerk heeft kenmerken als een vooral organische verschraling, gefaceteerde randen, bolle potten met een hoge grootste diameter, en een vrij lichte tot roze buitenzijde. Er is weinig versiering gevonden, meestal betreft het vingertopindrukken tegen of op de rand. Krassen op de buik en een enkel buikfragment met vlakdekkende vingertopindrukken komt voor. Oren komen ook slechts incidenteel voor. Dit zijn kenmerken die meer horen bij het vaatwerk daterend na het begin van de jaartelling (inheemsRomeins aardewerk). De scheiding tussen dit materiaal is meer theoretisch en zal in werkelijkheid moeten gezien worden als een langdurige bewoning op deze locatie waarbij de tradities in maakwijze en uiterlijk van het vaatwerk lang doorliepen tussen circa 100 voor Chr. tot circa 200 na Chr. Tot nu toe zijn drie fragmenten aanzienlijk ouder te dateren, zij dateren in de bronstijd, vermoedelijk in de midden-bronstijd op basis van de versiering (touwindrukken) en het baksel (kwarts- en granietgruis).

Het materiaal is goed inpasbaar in bestaande typologieën voor deze regio, zoals als van Van 11 Heeringen, Taayke, Woltering, Bloemers en Diederik.

10 11

Een deel van het materiaal is nog niet gewaardeerd door de specialisten. Van Heeringen 1992; Taayke 1990; Woltering 2013; Bloemers 1978; Diederik 2013.

27

Enkele contexten zijn bijzonder te noemen. Naast dat zij veel materiaal bevatten, wat potentie biedt om met een gerichte puzzel-actie potprofielen te kunnen reconstrueren, bieden zij ook een variatie aan vormen en vermoedelijk dus ook gebruik van het vaatwerk. Spoor 1050, kuil Uit deze kuil zijn vele scherven verzameld waarvan het merendeel handgevormd is. Een fragment is van een rand van een wrijfschaal met een verticale rand en schenktuit. Dit type komt voor vanaf 150 na Chr. tot 300 na Chr. Er kunnen meerdere handgevormde potten worden gereconstrueerd. Drie stukken verbrande klei zijn onderdeel van een haardkraag, een soort potstandaard over een vuur heen (vondst 40). Aan de onderzijde van de haardkraag is nog as aangekoekt. Dit kan worden onderzocht op samenstelling. Er zijn slechts een handvol haardkragen bekend uit deze periode (Alkmaar, Heiloo) die bovendien alle een grotere diameter hebben. Nader onderzoek wordt aanbevolen om het beeld over kookwijze en het gebruik van de haardkraag en het vaatwerk te kunnen reconstrueren. Onderzoek hiernaar zal deels de vraag over ambachtelijke activiteiten kunnen beantwoorden (onderzoeksvraag 24). Spoor 1038, paalkuil In deze paalkuil is een grote drieledige pot in zijn geheel aangetroffen (afb. 3.1; vondst 26). De hals en schouder zijn kort en de buik is lang en heeft een bolle vorm.

Dergelijk aardewerk dateert vermoedelijk in de late ijzertijd. Spoor 19006, waterput In deze waterput zijn de resten van minimaal een standvoetschaal aangetroffen. Het betreft een hooggepolijst, zwarte open kom met hoge standvoet. De pot is verschraald met zand. Het pottype is vergelijkbaar met Westergo-K4 van Taayke. Dergelijk vaatwerk dateert in de Romeinse tijd, circa 100-200 na Chr. In de waterput is ook nog een bolvormig (weef-)gewicht gevonden. Spoor 19094, waterput In de waterput is op de bodem een complete pot aangetroffen. De pot is compleet gelicht met inhoud en al (afb. 3.1; vondst 350).

Afb. 3.1 Twee complete potten. De rechter is aangetroffen in paalkuil spoor 1038 en de linker in waterput spoor 19094.

Spoor 20006, waterput In de waterput is op de bodem een concentratie vaatwerk aangetroffen, waaronder een karrenwiel en een vierkante houtenconstructie was gelegen. Een pot is compleet gelicht met inhoud en al (vondst 687). De rest van de scherven en de delen van potten zijn zo goed mogelijk uit de concentratie verzameld en per eenheid verpakt. Enkele potten zijn alleen in het veld nog te herkennen als drieledig vaatwerk. In een bodem van een klein potje lag een grote kies (vermoedelijk runderkies). En onder de concentratie zijn nog een kies en een rib van een rund gevonden. Tegen het vaatwerk aan was een paal geslagen die door een blauwe kleibonk heen ging. De klei lag zeer plaatselijk en vormde geen laag maar een brok. Mogelijk is het kleipakket in zijn geheel in de waterput geworpen en heeft het geen natuurlijke oorsprong. In de zandige laag onder het vaatwerk is een OSL-monster genomen. De inhoud van deze waterput is uniek te noemen. In overleg met J. van Zoolingen (specialist Romeinse tijd van de Bollenstreek) en J. van

28

der Leije (ARCHOL, 120 waterputten uit dezelfde periode opgegraven in Heiloo) is dit een nagenoeg onbekend fenomeen.

Afb. 3.2 Concentratie aardewerk in de waterput spoor 20006.

Spoor 5027, natuurlijk Twee fragmenten met granietverschraling en een lichte kleur (oxiderend gebakken). Dit aardewerk wijkt sterk af van het overige aardewerk van deze vindplaats. De verschraling komt vooral in de vroege bronstijd voor, maar een datering algemeen in de bronstijd is niet uit te sluiten. Spoor 24180, natuurlijke laag Er zijn twee stukken die samen afkomstig zijn van de bovenste helft van een tweeledige pot met een verdikte rand waartegen nagelindrukken zijn gedrukt (vondst 906). Onderaan het fragment is een verdikking te voelen, die de aanzet voor een stafband kan zijn of de aanzet tot de knik naar de grootste diameter. Het baksel bestaat uit verschraling met potgruis en kwartsgruis en heeft een zeer open structuur. Ook dit materiaal dateert uit het begin van de bronstijd. Keramische objecten De diverse contexten hebben meerdere keramische objecten opgeleverd. Er is een speelschijfje van een scherf gemaakt, minimaal drie donutvormige (weef-)gewichten zijn gezien en een bolvormig weefgewicht. Het meest bijzonder is de haardkraag of potstandaard waarvan nog de helft van een cirkel is teruggevonden (vondst 40).

Datering Het aardewerk is in minimaal drie perioden te dateren; de (midden-)bronstijd en de late ijzertijd en Romeinse tijd. Ook lijkt er handgevormd materiaal uit de vroege middeleeuwen aanwezig te zijn. Dit dient onderzocht te worden tijdens het aardewerkonderzoek. Te volgen werkwijze De aardewerkspecialist beschrijft het aardewerk op een aantal kenmerken en voert die gegevens in een databaseprogramma. De te noteren kenmerken zijn conform de ROB-specificaties opgesteld en volgen de aanbevelingen van de KNA-Leidraad Anorganisch Materiaal deel 1 12 Handgevormd Aardewerk. De technologische en morfologische kenmerken zullen worden onderzocht zoals de magering, de wandafwerking, het bakmilieu, het scherftype, het rand- of bodemtype, de mate van verwering en wel of geen secundaire verbranding. Deze kenmerken vormen de basis voor de verdere analyse, waarmee we antwoord kunnen geven op de onderzoeksvragen. De analyse bestaat uit het onderzoeken en kwantificeren van de gegevens per context. De context kan bestaan uit een nederzetting (uit een bepaalde periode), een structuur als huisplattegrond of een spieker, een erf, een (type) kuil of een laag. Op basis van deze analyse en een vergelijkend literatuuronderzoek voor aardewerk uit de omgeving is per 12

Brinkkemper, Eerden & Van der Graaf 1998, hoofdstuk 4.4.2; Bloo et al. 2017.

29

vondstnummer of per context een datering te geven van het aardewerk. Ook kunnen op deze manier het gebruik van het vaatwerk, de herkomst of culturele identiteit worden afgeleid. De volgende werkwijze dient te worden gehanteerd: de scherven worden geteld en daarnaast gewogen met een digitale weegschaal met een precisie van 1 gram. Randen worden opgemeten met een diameterkaart, wanddikte wordt opgemeten met een schuifmaat. Op basis van het aantal verschillende randtypen kan aangegeven worden hoeveel hele potten de scherven minimaal representeren, ook wel als Minimum Aantal Individuen (MAI) weergegeven. De verschraling wordt op het oog bepaald, indien onduidelijk wordt gebruik gemaakt van een loep (vergroting 10x). Versieringstechnieken en – motieven worden beschreven conform de bestaande typologieën. Voor de morfologische kenmerken en de bijbehorende daterende aspecten zal gebruik worden 13 gemaakt van de publicaties van onder andere Van Heeringen, Taayke, Bloemers en Diederik. De kenmerken worden weergegeven in een determinatietabel (digitaal meegeleverd bij het onderzoeksrapport en ook te vinden op DANS/EASY na afronding van het onderzoek). De analyse zal met behulp van tabellen inzichtelijk worden gemaakt. Al deze gegevens worden gebruikt om een antwoord te geven op de onderzoeksvragen zoals gesteld in het PvE.

De analyse, antwoorden en conclusies zullen worden beschreven in een (deel-)hoofdstuk, als onderdeel van het onderzoeksrapport van de vindplaats. Hoewel het zwaartepunt van het aardewerk ligt bij aardewerk uit de late ijzertijd en Romeinse tijd, moet het aardewerk zeker ook bekeken worden door de perioden specialisten Romeins en vroegmiddeleeuws aardewerk.

Aankoekselonderzoek Op verschillende fragmenten vaatwerk/aardewerk is aankoeksel aanwezig. Het aankoeksel kan eventueel onderzocht worden op samenstelling. Vondst 629 bevat twee randen die aan elkaar zijn vastgekit met een groene, zandige substantie. Het is onduidelijk of het hier lijm betreft om de scherven weer te verbinden of dat het door grondinwerking is ontstaan. Nader residuen onderzoek zou een samenstelling kunnen opleveren. De haardkraag (vondst 40) is aan de onderzijde voorzien van een aankoeksel. Dit komt zelden tot nooit voor en dient onderzocht te worden op de samenstelling van de as (specialist dr. T. Oudemans KENAZconsult of dr. I. Joosten RCE ). Op een complete pot (vondst 687), afkomstig uit een waterput, is eveneens aankoeksel aangetroffen. Dit aankoeksel kan onderzocht worden op de samenstelling middels SEM en FTIR/DTMS door dr. L. Kubiak-Martens (BIAX) en dr. T. Oudemans (KENAZconsult). Op verschillende potten zijn verfstrepen aanwezig. Bij eerder onderzoek in Ellewoutsdijk en Nieuwegein, Blokhoeve-Akkerhoeve is dergelijke verf al onderzocht en hierbij is ontdekt dat het vermoedelijk om dierlijk bloed gaat. Dergelijk onderzoek is dus niet direct noodzakelijk om te herhalen. spoor 1050 12021 20006

Omschrijving aardewerk haardkraag met aankoeksel twee randen vastgekit (antropogeen?) met vingertopindrukken complete pot met bloedsporen

vondst 40 629

periode ROM IJZL-ROM

687

ROM

Tabel 3.1 Aanbeveling voor een aankoekselonderzoek. Deze lijst is gebaseerd op een selectie van al het aardewerk.

Buiten de standaarduitwerking van het aardewerk dient aankoeksel/residuenonderzoek op een aantal fragmenten aardewerk te worden uitgevoerd (tabel 3.1). Uitwerking van het aankoeksel/residuenonderzoek kan antwoord geven op vragen met betrekking tot de voedseleconomie van de lokale gemeenschap (provinciale onderzoeksagenda) en deels de vraag met betrekking tot de bestaanseconomie van de gemeenschap.

Tekenwerk en fotografie Om een beter visueel inzicht te krijgen in rand-, potvormen en versieringen, worden zestig tekeningen en 25 foto’s van het aardewerkcomplex gemaakt. Deze worden aan de rapportage toegevoegd. 13

Bloemers 1978; Diederik 2013; Van Heeringen 1992; Taayke 1990

30

Reconstructie film Van de depositie in waterput, spoor 20006, zijn talloze foto’s gemaakt die samen een 3D-beeld vormen waarbij de vondsten en de contexten gedraaid kunnen worden om van alle kanten te belichten. Deze film dient nog uitgebreid te worden met objectfoto’s van de gedetermineerde potten. Hiervoor dient tijd gereserveerd te worden. Dergelijke 3D-beelden kunnen gebruikt worden voor publieksactiviteiten.

Restaureren Het is aan te bevelen om het aardewerkcomplex dat in de waterput, spoor 20006, is aangetroffen te restaureren/conserveren. Het complex is interessant om zijn informatiewaarde en om zijn publieksvriendelijkheid. Het gerestaureerde complex kan samen met het 3D-model gebruikt worden voor publieksdoeleinden.

3.3.2 Metaal Bij de aanleg van de vlakken is de bovengrond met een metaaldetector afgezocht. Hierbij zijn 35 metalen voorwerpen uit de bovengrond verzameld (bijlage 5). Gezien de context is het voldoende om een metaalspecialist een scan te laten uitvoeren en de voorwerpen daarna te deselecteren. Deze deselectie zal worden afgestemd met het depot archeologische bodemvondsten. Een lijst/catalogus met de gescande voorwerpen zal aan het rapport worden toegevoegd. In vijf archeologisch relevante sporen (greppels en paalkuilen) zijn eveneens fragmenten metaal (5x) aangetroffen (bijlage 5). Deze dienen te worden onderzocht en gedetermineerd. Het onderzoek naar metaal kan deels antwoord kan geven op de volgende vragen uit het PvE: 9, 19 en 24 (zie paragraaf 1.4). Metaal dat gedeponeerd wordt, dient te worden geconserveerd. In totaal zijn 29 fragmenten metaalslak uit spoorcontexten verzameld. De grootste concentratie metaalslakken (27x) is aangetroffen in een kuil, spoor 1050, waaruit ook een haardkraag (vondst 40) is verzameld. Analyse op de metaalslakken levert informatie op over eventuele ambachtelijke productie of bewerking op de site. Hiermee wordt onderzoeksvraag 24 uit het PvE deels beantwoord. Een selectie van het metaal zal worden getekend en/of gefotografeerd.

3.3.3 Natuursteen In totaal zijn uit spoorcontexten en natuurlijke lagen 236 stuks natuursteen verzameld. Al het materiaal uit de contexten is verzameld, omdat tijdens het veldwerk niet te bepalen was of de stenen wel of niet door mensen zijn gebruikt of bewerkt. Bij de uitwerking van het materiaal zal het natuursteen eerst basaal beschreven worden (steensoort, gewicht). Vervolgens worden alleen de artefacten en/of stenen met gebruikssporen verder geanalyseerd en uitgewerkt in het rapport. Daarnaast dient nog het materiaal dat uit de akkerlagen afkomstig is te worden nagelopen op eventueel relevante stenen. Indien het materiaal uit deze akkerlagen bestaat uit klein grind zal dat worden afgestoten. Het onderzoek van het materiaal zal bestaan uit een techno-typologische beschrijving, de analyse van de verspreiding met in achtneming van de archeologische en stratigrafische context. Om een beter inzicht te krijgen in de morfologische en technologische aspecten, zal een selectie van artefacten en/of stenen met gebruikssporen worden gefotografeerd en/of getekend. In verschillende contexten is tefriet/basaltlava aangetroffen. Dit is een aanwijzing voor graanbewerking en daarmee bewoning ter plaatse. Het natuursteen wordt onderzocht omdat het deels antwoord geeft op de volgende vragen uit het PvE: 9 en 24.

31

3.3.4 Vuursteen Tijdens het onderzoek zijn twintig fragmenten vuursteen verzameld, waarvan de meeste in een natuurlijke laag zijn aangetroffen. Daarnaast is een deel afkomstig uit sporen. Bij de uitwerking van het materiaal zal eerst het vuursteen eerst basaal beschreven worden (herkomst, gewicht, artefact/natuurlijk). Vervolgens worden alleen de artefacten verder geanalyseerd en uitgewerkt in het rapport. Daarnaast dient nog het materiaal dat uit de akkerlagen afkomstig is te worden nagelopen op artefacten. Indien het materiaal uit onbewerkt vuursteen bestaat, zal dat worden afgestoten. Het doel van de vuursteenanalyse is de beschrijving en techno-typologische analyse van de vuursteenartefacten per chronologische periode. Om een beter inzicht te krijgen in de morfologische en technologische aspecten, zal een selectie van de gemodificeerde vuursteenartefacten getekend worden op schaal 1:1. Vuursteenonderzoek kan deels de volgende vragen uit het PvE beantwoorden: 9 en 24.

3.3.5 Glas Tijdens het onderzoek is slechts één fragment glas verzameld. Het fragment is aangetroffen in een greppel die gedateerd kan worden in de late middeleeuwen – nieuwe tijd. Het fragment glas wordt gedateerd, maar er wordt geen afzonderlijk (deel)rapport opgesteld.

3.3.6 Bot en schelpen In paragraaf 2.3 is in de tabel met de verschillende vondstcategorieën een vondstcategorie bot/schelp opgenomen. Deze vondstcategorie valt nader te specificeren onder bot-onbekend, dierlijk of menselijk. Hieronder wordt per subcategorie een aanbeveling gedaan.

Bot, dierlijk/onbekend In totaal zijn uit spoorcontexten 1387 fragmenten bot verzameld. Al het bot dat voornamelijk is aangetroffen in sporen (paalkuilen, kuilen, greppels en waterputten) komt in aanmerking voor verder onderzoek. Het materiaal is goed geconserveerd en er zitten “deposities” bij die nader onderzocht moeten worden. Bij de uitwerking zal gedetermineerd worden op soort, geslacht en knaag- en slachtsporen. Het materiaal zal verder uitgewerkt worden om vraagstellingen met betrekking tot voedseleconomie, inrichtingssporen rondom huisplaatsen en aard en context van ‘diergraven’ te kunnen beantwoorden. Daarnaast kan ook vraag 21 uit het PvE deels beantwoord worden: “welke aanwijzingen zijn er op basis van botanisch en zoölogisch onderzoek voor de economische relatie van de kant van de bewoners van Offem-Zuid jegens de Romeinen in de Limeszone?”. Om een beter visueel inzicht te krijgen in de bewerkingssporen op dierlijk bot worden 25 foto’s en 25 tekeningen van het dierlijk bot complex gemaakt. Deze worden aan het deelrapport toegevoegd. Indien blijkt dat tussen het botmateriaal nog meer menselijke resten aanwezig zijn, worden deze naar de fysische antropoloog gestuurd.

Bot, menselijk In twee contexten zijn menselijke resten aangetroffen. De eerste context betreft een waterput/kuil (spoor 1107; vondst 149). De tweede context betreft een natuurlijke overstromingslaag waarin een schedelfragment aanwezig was (spoor 10623; vondst 832). Het materiaal dient te worden bestudeerd door een fysisch-antropoloog om vraagstellingen met betrekking tot de betekenis van dergelijke resten buiten een grafcontext te kunnen beantwoorden (onderzoeksvraag 22).

Verbrand bot In een kuil (spoor 24192; vondsten 914 en 915) zijn fragmenten verbrand bot aangetroffen. De kuil is integraal bemonsterd en de monsters zullen gezeefd worden. Voordat het bot verder onderzocht zal worden, moet eerst bepaald worden of het botmateriaal dierlijk of menselijk is. Hierna zal het monster worden overgedragen aan de betreffende materiaalspecialist die na een

32

waardering de fragmenten met een hoge informatiewaarde zal determineren en beschrijven. De uitwerking van het materiaal kan vraagstellingen met betrekking tot inrichtingssporen rondom de huisplaatsen (onderzoeksvraag 14) en de betekenis van intentionele (rituele?) deposities in en rond huis en erf (onderzoeksvraag 16) beantwoorden.

Schelpen In een kolkgat is een schelpenlaag aangetroffen die is bemonsterd (vondst 717). Het monster is ter beschikking gesteld aan Wim Kuipers voor zijn onderzoeksprogramma van de Faculteit Archeologie Universiteit Leiden. De uitwerking van het materiaal is opgenomen in het hoofdstuk fysische geografie. Daarnaast dient nog het materiaal dat uit de akkerlagen afkomstig is te worden nagelopen op schelpenmateriaal. Indien schelpenmateriaal wordt aangetroffen, kan de uitwerking van het materiaal de vraagstelling beantwoorden met betrekking tot hoe de akkers zijn bemest (onderzoeksvraag 30).

3.3.7 Organisch materiaal Uit twee kuilen (sporen 3085 en 31073) is organisch materiaal (vondsten 164 en 1058) verzameld, waarvan nog niet duidelijk is wat het is. Het lijkt op haar of plantenresten. Het materiaal dient te worden onderzocht door bijv. BIAX omdat het onderzoek deels antwoord kan geven op de volgende vragen uit het PvE: 9, 21, 25 en 30.

3.3.8 Hout Tijdens de opgraving zijn 114 fragmenten hout aangetroffen in waterputten, (water)kuilen, paalkuilen en uit enkele stakenrijen zijn meerdere staakjes verzameld. Het hout is integraal verzameld ten behoeve van dendrochronologisch onderzoek en houtonderzoek (houtsoort en bewerkingssporen). Er dient een quick scan te worden uitgevoerd op al het verzamelde hout om zo te bepalen welk hout geschikt is voor verdere analyse (houtsoort, bewerkingssporen, 14 dendrochronologie, C-onderzoek). In de onderstaande tabel (tabel 3.2) wordt weergegeven uit welke sporen hout is verzameld en dat nader onderzocht wordt; voor een recent paaltje wordt geen verder onderzoek geadviseerd. De verwachting is verder dat staakjes met een diameter van circa 5 cm onvoldoende jaarringen bevatten om te gebruiken voor dendrochronologie. Op basis hiervan worden de staken alleen geselecteerd voor houtsoort bepaling en bewerkingssporen. 14 Indien geschikt worden twee staken ingezet voor C-onderzoek. spoor

vulling

omschrijving constructie

aantal

vondst

houtsoort

Bewerkingssporen

1002

7

4

120-123

x

X

1083

3

6

X

x

3

x

X

-

1108 3007

3 6

1 4

x x

X X

x

3016 4070 4071 4077 72787289 8170

3 1 1 1 0

fragment hout onderin waterkuil vierkante constructie bestaande uit vier balken restant mandje, vlechtwerk staak staakjes, 3x staakjes, 3x stakenrij, mogelijk recent

107-110, 113 en 114 140-148, 153 en 156 157 81-84

x

1107

vierkante constructie bestaande uit vier balken restant mandje, vlechtwerk en staakjes staakjes

waardering dendrochronologie x

1 1 3 3 10

93 179 176-178 172-174 378-387

x x x x x

X X X X X

x -

1

560

x

X

9112 9119 9120 9149 9151 12003 17050

2 0 0 0 0 2 0

restant hout verzameld bij afwerken kuil, fragment hout staak staak staak staak vermolmd paaltje, recente paalkuil staak

1 1 1 1 1 1 1

645 642 640 704 705 627 400

x x x x x

X X X X X

x

X

3

13

-

33

14

C

x

19006

5

19036 19041 19042 19043 19064 19065 19089 19091

1 2 2 2 0 0 2 4

19094

5

20005

7

20006

5-8

21100 21108 24149 24171

0 0 2 5

26045 29053 30002 32056

0 0 9 5

vierkante constructie bestaande uit balken en pennen staak staak staak staak staak staak paal mandje van vlechtwerk, staak en vlechtwerk bemonsterd mandje van vlechtwerk, staken en vlechtwerk bemonsterd wagenwiel

16

319-328, 330334, 342 277 282 281 280 279 278 301 591 en 592

x

X

x

x x x x x x x x

X X X X X X X X

x x

345, 348, 352354 254, 256, 266 en 267 273, 274, 275, 286, 677, 693700

x

X

x

x

X

x

vierkanten constructie van balken/planken met verbindingspennen en daarboven een ingeklapt wagenwiel. In de kern waren verder nog een aantal fragmenten hout aanwezig die bewerkt waren. kuil, niveau eergetouwkrassen staak staak meerdere stukken hout verzameld bij het afwerken van de kuil staak staakjes fragment hout in waterput vierkante constructie bestaande uit vier balken

10

x

X

x

1 1 1 ?

360 355 794 970

x x x x

X X X X

x x

1 3 1 4

975 1110-1112 1081 1135-1138

x x x x

X X X X

x

1 1 1 1 1 1 1 2 5 4

Tabel 3.2 Overzicht van het hout aangetroffen in de waterputten en waterkuilen.

Bij de quick scan zal het hout eerst basaal beschreven worden (houtsoort, afmetingen). Vervolgens zal alleen het hout met bewerkings- en gebruikssporen verder geanalyseerd en uitgewerkt worden in het rapport. Na de quick scan zal tevens bekend zijn welke fragmenten hout in aanmerking komen voor dendrochronologisch onderzoek. Indien meerdere fragmenten hout uit een spoor/structuur (bijvoorbeeld stakenrij) geschikt zijn voor dateringsonderzoek dan wordt slechts één monster per spoor/structuur geselecteerd voor dendrochronologisch onderzoek (maximaal twintig dendrodateringen). Dateringsonderzoek kan deels antwoord geven op de vragen met betrekking tot de ouderdom van de sporen, tot hoe lang de nederzettingen in gebruik zijn geweest en of er sprake is van verschuiving van bewoning in de loop van de bewoningsperiode. De uitwerking van het hout zal worden gebruikt om vraagstellingen met betrekking tot aard en ouderdom, inrichting van de nederzettingsterreinen en inrichtingssporen rondom huisplaatsen te beantwoorden. Tijdens het onderzoek is tegelijkertijd met het aardewerkcomplex mogelijk een gebruiksvoorwerp van hout aangetroffen in waterput spoor 20006 (vondst 275; afb. 3.3). Het voorwerp is nog niet geïdentificeerd. Houten voorwerpen zijn door hun vergankelijkheid vaak ondervertegenwoordigd in het archeologisch bodemarchief ten opzicht van keramiek.

In werkelijkheid zullen veel houten werktuigen in gebruik zijn geweest. Bestudering van de artefact beantwoordt vragen over de materiële cultuur. Voorgesteld wordt indien het inderdaad om een werktuig gaat het voorwerp te laten conserveren, determineren en beschrijven door een specialist. Het hout is samen met het aardewerkcomplex interessant vanwege de informatiewaarde en om zijn mogelijkheden van bijvoorbeeld tentoonstelling in het kader van de publieksvriendelijkheid. In de inschrijfstaat is een stelpost opgenomen voor de conservering van metaal, hout, been, leer, textiel en aardewerk. De conservering dient te worden afgestemd met het depot archeologische bodemvondsten.

34

x -

Afb. 3.3 Een houten voorwerp (vondst 275) aangetroffen in waterput spoor 20006. Op de linker foto is zichtbaar hoe het voorwerp lag ten opzichte van het aardewerk. Rechts is zichtbaar dat het voorwerp is aangepunt.

3.4 Monsters

3.4.1 Inleiding Tijdens het onderzoek zijn 143 monsters genomen (macrobotanische en algemene akkermonsters), waarvan 23 monsters uit waterputten, achttien uit kuilen, zeven uit waterkuilen, zeven uit greppels en twee uit paalkuilen die aan structuur 2 zijn toegekend. Uit de akkerlaag met eergetouwkrassen zijn 86 algemene monsters (MAL) genomen. Verder zijn nog houtskoolmonsters (MHK, 16x) genomen waarvan negen zijn toegekend aan structuren en zijn tijdens het wassen en splitsen uit zes sporen nog 51 fragmenten houtskool (OPHK) verzameld die eventueel ook aangewend zouden kunnen voor (daterend) onderzoek. Een selectie van deze monsters zal worden ingezet voor archeobotanisch en/of daterend onderzoek. Verder zijn zeven pollenbakken (POL) geslagen in vullingen van waterputten en verschillende bodemhorizonten. In verschillende bodemhorizonten, een waterput en een huisgreppel zijn OSL-monsters geslagen met het oog op daterend onderzoek. Ook is in een (huis)greppel (spoor 11013) een bak geslagen met het oog op slijpplatenonderzoek om inzicht te krijgen in de functie van de greppel.

Is de greppel een wandgreppel geweest, is de greppel natuurlijk of antropogeen opgevuld, is de greppel watervoerend geweest? Van de veertien waterputten is het beschoeiingshout (MHT) integraal, met uitzondering van de vlechtwerkwaterputten, verzameld voor houtonderzoek en eventueel dendrochronologisch onderzoek (zie paragraaf 3.3.8). In de komende paragrafen zal gemotiveerd worden welke monsters ingezet gaan worden voor daterend, archeobotanisch en landschappelijk onderzoek. Voor de meeste monsters geldt dat het een selectie is van monsters die in aanmerking komen voor een waardering. In paragraaf 3.4.8 staat een volledige lijst met onderzoeken/aantallen weergegeven en in bijlage 6 staan de sporen met voor waardering geselecteerde monsters. Pas na de waardering zal een selectie voorgedragen worden voor analyse. Deze uiteindelijke selectie zal zeer gewogen zijn, waarbij alle beschikbare data, voortkomend uit de verschillende specialistische onderzoeken die op dat moment zijn afgerond, met elkaar gecombineerd worden.

3.4.2 Macrobotanische monsters Tijdens het onderzoek zijn 57 macrobotanische monsters genomen, waarbij in dit evaluatieverslag een selectie van 42 monsters is gemaakt welke worden voorgesteld voor botanisch onderzoek (tabel 3.3). Archeobotanisch onderzoek heeft alleen zin als de sporen waaruit de monsters geselecteerd worden ook een kans op een betrouwbare datering hebben. De sporen en structuren waaruit monsters zijn genomen, worden daarom zoveel mogelijk in samenhang met aangetroffen vondstmateriaal gepresenteerd om selecties te motiveren. In een enkel geval kan het voorkomen dat er geen geschikt vondstmateriaal aanwezig is. Dan wordt de 14 afweging gemaakt of het spoor belangrijk genoeg is om te dateren door bijvoorbeeld Cdateringsonderzoek. Het voorstel is in ieder geval om de macrorestenmonsters van waterputten en -kuilen optimaal te benutten, om de kans te vergroten op het aantreffen van kansrijke en dateerbare vullingen. Waterputten en -kuilen kunnen belangrijke informatie opleveren over de datering van de

35

bewoning, de voedseleconomie en de gewassen die in de omgeving groeiden. Verder zijn uit twee waterputten (sporen 19094 en 20006) meerdere archeologisch complete potten verzameld waarbij twee potten met inhoud zijn verzameld. De inhoud van deze aardewerken potten is eveneens geselecteerd voor waardering. Mogelijk zijn er nog resten in de pot aanwezig die kunnen aantonen waarvoor de pot is gebruikt. In het profiel van het kolkgat (spoor 6017) zijn drie pollenbakken geslagen. Het voorstel is om de lagen uit de pollenbakken te waarderen of er geschikt palynologisch (zie paragraaf 3.4.3) en macrobotanisch materiaal aanwezig is. Naast deze contexten zijn vijf monsters geselecteerd uit kuilen waar de resultaten van het monsteronderzoek mogelijk duidelijkheid kunnen verschaffen over de functie, het gebruik van de kuilen en eventueel een datering. De kuilen zijn op hetzelfde niveau aangetroffen als de eergetouwkrassen en een enkele wordt zelfs oversneden door de eergetouwkrassen. Op basis van de waardering zal een selectie gemaakt worden welke kuilen in aanmerking komen voor 14 analyse en eventueel C-dateringsonderzoek. Verder zijn nog drie kuilen met een kansrijke vulling, twee paalkuilen van structuur 2 en twee greppels geselecteerd voor waarderend onderzoek. De twee paalkuilen van structuur 2 zullen eveneens gewaardeerd worden op 14 geschikt materiaal voor C-onderzoek.

Aan de hand van de resultaten van de waardering van deze monsters zal een selectie worden gemaakt van de monsters die uiteindelijk geanalyseerd zullen worden. Doel is uiteindelijk om van elke periode/fase een representatieve archeobotanische dataset te verkrijgen. vondst

spoor

vulling

aard spoor

76

3007

2

77

3007

119

14

Waarderen

waterput

daterend vondstmateriaal Ja

C-onderzoek

opmerkingen

4

waterput

Ja

Ja

1002

3

waterput

Ja

Ja

150

1107

1

waterput

ja

ja

175

4072

0

kuil

nee

ja

x

180

4075

2

paalkuil

nee

ja

x

181

4060

0

greppel

nee

nee

236

7105

2

kuil

ja

nee

237

7099

2

greppel

ja

ja

258

20005

4

waterput

ja

nee

Plaggen

263

20005

4

waterput

ja

nee

Plaggen

268

20006

5

waterput

ja

nee

vondst 685 is geselecteerd

285

20005

4

waterput

ja

ja

Plaggen

306

19067

2

waterkuil

nee

nee

315

19066

2

waterkuil

nee

nee

339

19091

1

waterput

ja

ja

340

19006

6

waterput

ja

ja

349

19094

4

waterput

ja

ja

362

21094

2

kuil

nee

nee

363

21100

1

kuil

nee

ja

375

7004

2

waterkuil

nee

nee

376

22071

2

kuil

nee

ja

377

22074

1

paalkuil

nee

nee

Ja Plaggen

onderin vul 1 functie niet duidelijk, eventueel 14C lijkt op de kuilen waarvan functie niet duidelijk is, humeus materiaal aanwezig gaat een greppel overheen, niet betrouwbaar

x

functie niet duidelijk, eventueel 14C

x

functie niet duidelijk, eventueel 14C

36

vondst

spoor

vulling

aard spoor

555

8170

2

556

8170

562

14

Waarderen

waterput

daterend vondstmateriaal nee

C-onderzoek

opmerkingen

nee

uitgraafkuil bemonsterd

4

waterput

nee

ja

Plaggen

8128

3

kuil

nee

nee

578

8083

1

kuil

ja

ja

579

8075

2

kuil

nee

nee

594

9046

2

waterkuil

ja

ja

639

9125

2

kuil

Ja

nee

656

11016

3

paalkuil

nee

ja

x

structuur

657

11020

0

paalkuil

nee

ja

x

structuur

685

20006

5

waterput

ja

ja

x

complete aardewerk potten

691

20006

4

waterput

ja

ja

706

9157

1

kuil

nee

Nee

714

6017

9,5

kolkgat

nee

ja, 9

x

pollenbak

715

6017

5,6

kolkgat

nee

ja, 5 en 6

x

pollenbak

716

6017

6.4

kolkgat

nee

ja, 4

x

pollenbak

868

13034

4

waterput

ja

ja

869

13034

3

waterput

ja

ja

964

25207

2

waterkuil

ja

ja

967

25212

1

waterkuil

nee

ja

969

24171

3

waterkuil

nee

ja

1016

27026

0

waterkuil

ja

ja

1026

23206

2

waterput

ja

ja

datering mogelijk vroege middeleeuwen gelijk aan 23046

1027

23206

3

waterput

ja

ja

gelijk aan 23046

1039

30054

1

kuil

ja

ja

1046

27057

0

greppel

nee

ja

1076

30004

1

waterput

ja

ja

1079

30004

2

waterput

ja

ja

1099

32025

0

greppel

nee

nee

1100

32043

0

greppel

nee

nee

1101

32044

0

greppel

nee

nee

1103

32053

1

kuil

ja

nee

1105

32026

0

greppel

nee

nee

1113

32047

2

kuil

nee

ja

1121

32113

3

paalkuil

nee

nee

1122

32126

4

kuil

nee

ja

1131

32056

2

waterput

ja

ja

1132

32056

3

waterput

ja

ja

Plaggen

vergelijkbaar met 8083

complete aardewerk potten

Plaggen

gelijk aan 27024 (vondst 942)

Plaggen

niet betrouwbaar, wordt oversneden door een greppel

x

vergelijkbaar met andere paalkuilen en kuilen die gewaardeerd worden functie onbekend

Plaggen

Tabel 3.3 Overzicht van de macrobotanische monsters die zijn verzameld tijdens het veldonderzoek.

Macrobotanische monsters

37

 

42 macrobotanische monsters zijn geselecteerd voor waardering, waarvan drie uit pollenbakken; 14 Pas na de waardering zal een selectie voorgedragen worden voor analyse en Conderzoek (na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid). Deze uiteindelijke selectie zal zeer gewogen zijn, waarbij alle beschikbare data, voortkomend uit de verschillende specialistische onderzoeken die op dat moment zijn afgerond, met elkaar gecombineerd worden. Doel is uiteindelijk om van elke periode/fase een representatieve archeobotanische dataset te verkrijgen. Na analyse zullen de resultaten in een onderzoeksverslag worden vastgelegd;

3.4.3 Algemene akkermonsters Voor het onderzoek was in het PvE een speciaal bemonsteringsprogramma opgesteld met als doel een inzicht te krijgen in de aard van de bemesting van de akker. Uit eerdere onderzoeken is gebleken dat de regio van West-Nederland uitermate geschikt is om onderzoek uit te voeren op aanwezige akkerlagen. Akkerlagen in deze regio zijn dikwijls goed bewaard gebleven omdat ze afgedekt zijn door nieuwere afzettingslagen en daardoor buiten het bereik raken van bodemverstorende processen. Uit de eerdere onderzoeken is gebleken dat niet alleen dierlijke uitwerpselen werden gebruikt voor de bemesting van de akkers. Ook stalstrooisel en veevoeder werden voor akkerbemesting gebruikt. Nog een ander element dat waarschijnlijk werd gebruikt was huisafval. Wanneer echter huisafval wordt gevonden, komt uit eerdere onderzoeken de vraag naar boven of dit werd verspreid over het land of dat de akkervelden zijn aangelegd op de top van een ouder erf/boerderij. Om deze vraag te kunnen beantwoorden is bij eerdere onderzoeken, net als in het onderhavige onderzoeksgebied, akkerland over grotere oppervlaktes bemonsterd om te onderzoeken of het afval zich geconcentreerd op één plek bevindt of gelijkmatige verspreid is over het akkerlandschap. Hoe dan ook, alle monsters uit de akkerlagen zullen conform PvE behandeld worden.

Voordat de monsters gezeefd worden, zal er uit de monsters een pollenmonster genomen worden. Het voorstel is de monsters te zeven over 0,5 en 1 mm waarna de monsters gelijk gedroogd worden. Het is niet noodzakelijk om de monsters nat te bewaren. Gezien de context (akkerlaag op zand) 14 is de kans dat er onverkoold materiaal geconserveerd is afwezig. Tevens wordt voorgesteld om de waarderingsfase over te slaan en gelijk over te gaan op analyse. De lage concentraties materiaal kunnen namelijk al tijdens de eerste scan van het materiaal gedocumenteerd worden. 14 De specialist zal wel een waardering uitvoeren voor C-dateringsonderzoek. Afhankelijk van de 15 14 resultaten worden in totaal drie C-onderzoeken, verspreid over het onderzoeksgebied, uitgevoerd. Dat wil zeggen dat alle drie de monsters afkomstig moeten zijn uit dezelfde akkerlaag die over het hele plangebied is bemonsterd. Van de pollenmonsters die uit de algemene monsters genomen zijn, worden in totaal twee pollenmonsters gewaardeerd of er eventueel potentie is voor verdere analyse. In de tabel hieronder zal per profiel worden aangegeven hoeveel algemene monsters zijn genomen. werkput 2 4 6 8 10 12

profiel 201 401 601 801 1001 1201

14

1401

15 16

1501 1601

vondst 500-509 510-522 771-781 602-618 821-831 888-892, 894897 872-873, 898900 901-904 707-712

aantal 10 13 11 17 11 9 5 4 6

Tabel 3.4 Overzicht van de algemene monsters die uit de akkerlagen zijn verzameld.

14

Mondelinge mededeling R. Grabowski. Er worden drie monsters uit dezelfde context gedateerd om op deze manier de foutmarge in het dateringsonderzoek zo klein mogelijk te houden. Een afwijkende datering kan op deze manier beter worden opgespoord wanneer een datering sterk afwijkt van de overige twee. 15

38

Algemene monsters:  Alle 86 worden gezeefd over een zeef met maaswijdte 0,5 en 1 mm;  De waarderingsfase wordt overgeslagen, de lage concentraties materiaal worden direct geanalyseerd;  Twee pollenmonsters worden geselecteerd voor waarderingsonderzoek; 14  Drie monsters verspreid over het onderzoeksgebied worden geselecteerd voor Cdateringsonderzoek.

3.4.4 Pollenmonsters Tijdens het onderzoek zijn uit verschillende kansrijke sporen palynologische monsters genomen. Hiervoor zijn in verschillende waterputten en een kolkgat pollenbakken geslagen. Daarnaast zijn verschillende macrobotanische monsters geselecteerd waaruit een pollenmonster apart wordt gehouden (zie ook hierboven). Het voorstel is in ieder geval om de palynologische monsters van de waterputten optimaal te benutten. De macrobotanische en palynologische monsters kunnen samen belangrijke informatie opleveren over de datering van de bewoning, de voedseleconomie en de gewassen die in de omgeving groeiden. Tevens wordt voorgesteld om ook de pollenmonsters die genomen zijn uit het kolkgat te waarderen en te bekijken of er geschikt 14 materiaal aanwezig is voor macrobotanie, foraminiferen en diatomeeën en C-onderzoek (zie paragraaf 3.1). In tabel 3.5 wordt een overzicht gegeven van de monsters die in aanmerking komen voor waardering (14x). Hier zijn nog niet de pollenmonsters (2x) verwerkt die genomen moeten worden uit de algemene botanische monsters (zie paragraaf 3.4.3). Aan de hand van de resultaten van de waardering zal bepaald worden welke pollenmonsters worden geanalyseerd. vondst

macro, foram/diatom

14

ja, 9

x

x

nee

ja, 5 en 6

x

x

depressie

nee

ja, 4

x

x

2

waterput

ja

Ja

1107

1

waterput

ja

Ja

339

19091

1

waterput

ja

Ja

340

19006

6

waterput

ja

Ja

349

19094

4

waterput

ja

Ja

685

20006

5

waterput

ja

Ja

869

13034

3

waterput

ja

Ja

vondst MBO

spoor

vulling

aard spoor

waarderen

waterput

daterend vondstmateriaal ja

75

3007

2

117

1002

3

waterput

ja

Ja

255

20005

3

waterput

ja

Ja

714

6017

9, 5

depressie

nee

715

6017

5, 6

depressie

716

6017

6, 4

1130

32056 150

Conderzoek

Ja

Tabel 3.5 Overzicht van de pollenmonsters die in aanmerking komen voor waardering.

Pollenmonsters:  Waardering van veertien pollenmonsters, waarbij zes pollenmonsters apart gehouden worden uit de macrobotanische monsters;  Waardering van twee pollenmonsters, verzameld uit monsters voor het akkeronderzoek;  Pas na de waardering zal een selectie voorgedragen worden voor analyse (na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid). Deze uiteindelijke selectie zal zeer gewogen zijn, waarbij alle beschikbare data, voortkomend uit de verschillende specialistische onderzoeken die op dat moment zijn afgerond, met elkaar gecombineerd worden. Doel is uiteindelijk om van elke periode/fase een representatieve archeobotanische dataset te verkrijgen;  Na analyse zullen de resultaten in een onderzoeksverslag worden vastgelegd;

39

3.4.5 Houtskoolmonsters en 14C-dateringsonderzoek Uit verschillende sporen/structuren zijn monsters genomen of fragmenten houtskool verzameld voor daterend onderzoek. De tot nu toe herkende structuren zijn nog niet gedateerd. In deze fase van het onderzoek is niet duidelijk in welke periode de structuren dateren. Gezien het aardewerk dat tot nog toe gedateerd is, kunnen de structuren dateren in de (midden-)bronstijd, late ijzertijd – Romeinse tijd of vroege middeleeuwen. Om die reden worden achttien houtskoolmonsters of houtskoolfragmenten geselecteerd voor een waarderingsonderzoek 14 waarbij gekeken wordt of er geschikt materiaal aanwezig is voor C-dateringsonderzoek. Alle paalkuilen die bij een structuur behoren worden gewaardeerd. Verder wordt bij de waardering van acht macrobotanische monsters (paragraaf 3.4.2) en vier palynologische monsters (paragraaf 14 3.4.4) gekeken of er geschikt C-materiaal aanwezig is. Aan de hand van de 14 waarderingsresultaten zal worden bepaald welke monsters in aanmerking komen voor Conderzoek. Wanneer alle monsters geschikt zijn, worden echter maximaal twee monsters per 14 structuur gedateerd. Er worden verder drie C-onderzoeken uitgevoerd op drie geselecteerde 14 monsters uit de akkerlagen (algemene monsters, zie paragraaf 3.4.3).

Met behulp van Cdatering is het mogelijk een beeld te krijgen van de ouderdom van de akkerlagen, de verschillende structuren en tegelijkertijd de mogelijkheid om te achterhalen welke structuren gelijktijdig waren en of er sprake is van verschuiving van de bewoning in de loop van de bewoningsperiode. vondst

soort

spoor

vulling

aard spoor

216

MHK

7200

0

paalkuil

waarderen 14 Conderzoek nee

waarderen houtskoolanalyse

structuur

527

MHK

21055

0

paalkuil

nee

550

MHK

8100

2

paalkuil

nee

551

MHK

8099

0

paalkuil

nee

581

MHK

6096

1

paalkuil

ja

724

MHK

24019

0

kuil

nee

725

MHK

24020

0

paalkuil

nee

812

MHK

25031

2

paalkuil

ja

918

MHK

24163

0

paalkuil

ja

? nog uitzoeken 3

919

MHK

24155

0

paalkuil

ja

3

920

MHK

24153

0

paalkuil

ja

3

921

MHK

24152

0

paalkuil

ja

3

1005

MHK

31016

0

paalkuil

ja

4

1006

MHK

31006

0

paalkuil

ja

4

1007

MHK

31011

0

paalkuil

ja

4

1008

MHK

31017

0

paalkuil

ja

4

138

OPHK

1094

0

greppel

nee

187

OPHK

2011

0

paalkuil

nee

347

OPHK

19094

3

waterput

nee

668

OPHK

20006

0

waterput

ja

X

669

OPHK

20006

1

waterput

ja

X

671

OPHK

20006

1

waterput

ja

X

676

OPHK

20006

5

waterput

ja

X

684

OPHK

20006

5

waterput

ja

X

687

OPHK

20006

5

waterput

ja

X

842

OPHK

25126

1

greppel

ja

1014

OPHK

31012

0

paalkuil

ja

-

5

4

40

Tabel 3.6 Overzicht van de houtskoolmonsters die in aanmerking komen voor waardering.

Houtskoolonderzoek Uit waterput spoor 20006, de waterput met het aardewerkcomplex, is uit de kern een hoeveelheid houtskool verzameld (vondsten 668, 669, 671, 676, 684 en 687). De houtskool zal door een specialist geïnventariseerd worden voor houtskoolanalyse. Houtskoolanalyse kan informatie leveren over de vroegere vegetatie. Daarnaast kan de analyse ook informatie geven over de kwaliteit van de brandstof, de temperatuur van het vuur en mogelijk de functie van de onderzochte context, bijvoorbeeld verbrand bouwhout. Mogelijk is aan de hand van houtskoolanalyse te achterhalen welke ambachtelijke activiteiten in de nabijheid van de waterput zijn uitgevoerd. 14

Houtskoolmonsters en C-dateringsonderzoek: 14  Waardering van achttien houtskoolmonsters voor C-onderzoek; 14  Zes houtskoolmonsters voor houtskoolanalyse, waaruit één monster voor C-onderzoek wordt gehaald;  Bij het waarderen van acht macrobotanische monsters wordt gelijk gekeken naar 14 geschikt C-materiaal;  Bij het waarderen van vier palynologische monsters wordt gelijk gekeken naar geschikt 14 C-materiaal; 14  Bij de quick scan van het hout wordt gelijk gekeken naar geschikt C-materiaal;  Aan de hand van de waarderingsresultaten zal worden bepaald (in overleg met de 14 opdrachtgever en bevoegde overheid) welke monsters in aanmerking komen voor C14 onderzoek (maximaal 25 C-dateringen);  Na analyse zullen de resultaten in een onderzoeksverslag worden vastgelegd;

3.4.6 OSL-monsters Uit verschillende plaatsen in de profielen en uit sporen (waterput en een huisplattegrond) is een OSL-monster genomen. Dergelijke monsters kunnen ingezet worden om de ouderdom van een zandlaag te bepalen en geven dus informatie over vanaf wanneer bijvoorbeeld een paalkuil is opgevuld of vanaf wanneer een akkerlaag werd afgedekt en niet langer werd beakkerd. De OSL-monsters van de wandgreppel en paalkuil worden niet aangeboden voor datering. Uit de paalkuil zijn macrobotanische monsters genomen die ingezet worden voor daterend onderzoek. Van de OSL-monsters die zijn genomen voor het landschapsonderzoek worden er zes ingezet om het ontstaan van de duinen, de overstuiving en de akkerlaag te kunnen dateren. vondst

spoor

vulling

aard spoor

Analyse

opmerking

165

2750

0

akkerlaag

Ja

OSL

166

2704

0

Ja

OSL

170

2701

0

Ja

OSL

650

11016

2

paalkuil, str 2

Nee

OSL

651

11001

0

natuurlijke laag

Nee

Referentie osl

652

11013

0

Nee

OSL

689

20006

5

wandgreppel, str 2 waterput

Nee

OSL

786

6700

0

Ja

N-kant profiel

787

6752

0

Ja

OSL

788

6700

0

Ja

OSL

Tabel 3.7 Overzicht van de OSL-monsters die in aanmerking komen voor waardering.

3.4.7 Micromorfologisch monster Op een locatie in de wandgreppel van structuur 2 is een monsterbak geslagen voor slijpplatenonderzoek om eventueel te kunnen bepalen of de greppel opnieuw is uitgegraven, of dat er zoden/plaggen in de greppel aanwezig zijn. Met micromorfologisch onderzoek zou eventueel bepaald kunnen worden wat de aard van de greppelopvulling is en of het inderdaad

41

een wandgreppel van een gebouw is. Het monster zal echter niet worden voorgedragen voor 16 analyse. ArcheoPro heeft op basis van het vlekkenpatroon in de greppel aangegeven dat er plaggen in aanwezig zijn.

3.4.8 Overzicht daterend en archeobotanisch onderzoek Het daterend en archeobotanisch onderzoek gaat in meerdere stappen plaatsvinden. Leidend in de selecties is de potentie voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. De hiervoor besproken monsters gaan eerst gewaardeerd worden op inhoudelijke potentie en geschiktheid voor dateringsonderzoek. In de tabel hieronder wordt per onderzoek weergegeven hoeveel monsters gewaardeerd gaan worden. Pas na de waardering zal een selectie voorgedragen worden voor analyse (na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid). Deze uiteindelijke selectie zal zeer gewogen zijn, waarbij alle beschikbare data, voortkomend uit de verschillende specialistische onderzoeken die op dat moment zijn afgerond, met elkaar gecombineerd worden. Uitgangspunt bij alle onderzoeken is dat alleen dateerbare contexten onderzocht worden.

16

Schriftelijke mededeling van ArcheoPro na navraag of het monster geschikt is voor analyse.

42

soort onderzoek keramiek metaal/slakken vuursteen natuursteen glas zoöarcheologie grondmonster archeozoölogie/menselijke crematieresten ‘losse’ menselijke resten botanische macroresten incl. organisch materiaal (3.3.7) monsters houtskool/houtskoolanalyse handverzameld hout palynologie akkeronderzoek 14 C-onderzoek OSL-datering dendrochronologie foraminiferen/diatomeeën aankoeksel/residuenonderzoek

waardering

analyse1718

2

2

44

max. 40

6

6

max. 6

114 16 86

114 16

114 16 86 max. 25 6 max. 20 4 3

aantal 5683 69 20 236 1 1387 2

tekening/foto 60/25 25/25 5/5 35/35 25/25

2 59

-

36 6 62 4 3

62 4 3

Tabel 3.8 Overzicht van de hoeveelheid vondsten/monsters die aangeboden worden voor waardering/analyse.

3.5 Conservatie/restauratie Het valt aan te bevelen om het vondstcomplex (aardewerkcomplex en houtconstructie) dat in de waterput, spoor 20006, is aangetroffen te restaureren/conserveren. Het complex is interessant om zijn informatiewaarde en om zijn publieksvriendelijkheid. Het gerestaureerde complex kan samen met het 3D-model gebruikt worden voor publieksdoeleinden. Tijdens de evaluatiefase zijn de kosten voor restaureren/conserveren en een 3D-model maken nog niet bekend. Tijdens het veldonderzoek zijn uit de bovengrond 35 fragmenten metaal verzameld (bijlage 5) die na een scan worden gedeselecteerd. De vijf fragmenten metaal die in archeologisch relevante sporen zijn aangetroffen, worden eveneens gescand waarna door de metaalspecialist een voorstel wordt gedaan voor conservering of deselectie. Metaal dat niet geconserveerd wordt, wordt niet aangeboden aan het depot.

17

De aantallen zijn gebaseerd op bijlage 1 bij het PvE – lijst met te verwachten aantallen. Aantallen kunnen nog minder (of meer) worden na waardering van het aangeboden materiaal. 18 Bij de uitwerking van het vondstmateriaal/specialistisch onderzoek dient rekening gehouden te worden met een aantal verschillende doorlooptijden voor waardering/analyse. Een 14C-onderzoek duurt circa 3 tot 4 maanden. Hiervoor zijn circa twee tot drie maanden nodig voordat de beslissing is genomen welke monsters opgestuurd kunnen worden. Het waarderingsonderzoek voor macrobotanie en palynologie zal circa twee maanden in beslag nemen, waarna een analysefase van circa vier maanden nodig is. Bij een OSL-datering dient rekening te worden gehouden met circa één jaar doorlooptijd.

43

4 Opgave te deponeren materiaal Bijlage 5 bevat lijsten per materiaalcategorie die worden aangeboden aan het provinciaaldepot. Sommige categorieën zullen na de uitwerking niet worden aangeboden: grondmonsters, pollenbakken, OSL-monsters, het micromorfologische monsters, een deel van de metaal- en natuursteenvondsten, houtresten (m.u.v. objecten en geconserveerd hout). Na goedkeuring van het eindrapport zal een selectierapport worden opgesteld dat goedgekeurd dient te worden door het depot archeologische bodemvondsten.

5 Actieplan Uitwerking Voor de uitwerking worden een aantal zaken uitgezet. Al het vondstmateriaal wordt uitgewerkt door specialisten en in de deelhoofdstukken beschreven. Met het waarderend onderzoek zal pas gestart worden na goedkeuring van dit evaluatierapport door de opdrachtgever en de bevoegde overheid. Pas na de waardering zal een selectie voorgedragen worden voor analyse (na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid). Deze uiteindelijke selectie zal zeer gewogen zijn, waarbij alle beschikbare data, voortkomend uit de verschillende specialistische onderzoeken die op dat moment zijn afgerond, met elkaar gecombineerd worden. Uitgangspunt bij alle onderzoeken is dat alleen dateerbare contexten onderzocht worden.

44

6 Literatuur Bloemers, J.H.F., 1978: Rijswijk (ZH), ‘De Bult’. Eine Siedlung der Cananefaten, Nederlandse Oudheden 8, Amersfoort. Bloo, S.B.C./E.Drenth/R.A. Houkes & A. Verbaas, 2017: KNA-Leidraden Anorganisch materiaal. Leidraad 1 Handgevormd aardewerk (ca. 5200-200 n.Chr.). SIKB, Gouda. Cohen Stuart, C.D.R., 2012: Archeologische Inventarisatie en Advies Actualisatie bestemmingsplan, plangebied Offem-Zuid Gemeente Noordwijk, Utrecht (Transect-rapport 87). Diederik, F., 2013: IJzertijd aardewerk in Noord-Holland. Analyse van het vondstmateriaal uit het

Romeinse fort Velsen-1/Local pottery found in the Roman military fortress Velsen I. An approach at understanding local pottery from the Late Iron Age found at the location of Velsen I , Haarlem (Provinciale Archeologische Rapportenreeks). Heeringen, R.M. van, 1992: The Iron Age in the Western Netherlands, Amersfoort. Heeringen, R.M. van & C. Koot, 2006: 14. De late prehistorie in West-Nederland, NOAA versie 1.0. Heeringen, R.M. van & H.M. van der Velde (eds), 2017: Struinen door de duinen. Synthetiserend

onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het Hollands duingebied op basis van gegevens verzameld in het Malta-tijdperk, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 52). Londen, H. van, T. de Ridder, A. Bosman & J. Bazelmans, 2008: 15. Het West-Nederlandse kustgebied in de Romeinse tijd, NOAA versie 1.0. Nales, T., 2012: Noordwijk, Offem-Zuid Gemeente Noordwijk (Zuid-Holland), Inventariserend veldonderzoek (IVO; verkennende en karterende fase), Utrecht (Transect-rapport 189). Taayke, E., 1990: Die einheimische Keramik der nördlichen Niederlande, 600 v.Chr. bis 300 n.Chr., Teil 1, Westergo. Tol, A.J., 2001: Plangebied Offem-Zuid, Gemeente Noordwijk. Een Aanvullende Archeologische Inventarisatie, Amsterdam (RAAP Rapport 665). Tol, A.J., 2018: Programma van Eisen. Plangebied Offem-Zuid, Noordwijk. Opgraving Offem-Zuid – vindplaatsen A & B, versie 1.2 (definitief), Leiden. Tol, A.J. & M. Hemminga, 2017: Boeren in de ijzertijd en Romeinse tijd langs de Achterweg. Proefsleuvenonderzoek in plangebied Offem-Zuid te Noordwijk, Leiden (ARCHOL Rapport 380). Wink, K. & J. Sprangers, 2015: Toelichting op de archeologsiche verwachtings(waarden)kaart en beleidskaart, Gemeenten Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom , Weesp (RAAP Rapport 2852). Woltering, P.J., 2017: Bewoningsgeschiedenis van Texel.

De opgravingen aan de Beatrixlaan in Den Burg (Late ijzertijd-Romeinse tijd: 100 v. Chr.-325 na Chr.). Noord-Hollandse Archeologische Publicaties 3. Castricum: Huis van Hilde.

45

Bijlagen Bijlage 1 Fysische Geografie (A. Wilbers) Bijlage 2 Allesporenkaart Bijlage 3 Structurenkaart Bijlage 4 Sporenlijst (excel) Bijlage 5 Vondstenlijst per categorie (excel) Bijlage 6 Weergave sporen met selectie monsters

46

Bijlage 1 Fysische geografie (A. Wilbers) 1. Veldonderzoek 1.1 Onderzoeksopzet en werkwijze Tijdens de opgravingen aan de Achterweg, Offem-Zuid te Noordwijk zijn profielen van de opgravingsputten afgestoken, gefotografeerd, ingekrast en zijn alle lagen beschreven en sommige lagen bemonsterd. Vooraf was in het PvE bepaald dat in putten 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 het volledige profiel moest worden gedocumenteerd, terwijl bij putten 1, 3, 5, 7, 9, 11 en 13 alleen kolommen op strategische locaties gedocumenteerd behoorden te worden. In enkele van deze opgravingsputten met kolommen zijn ook kortere stukken profiel gedocumenteerd als de situatie daarom vroeg. Het inkrassen van de verschillende lagen en het beschrijven van de lagen is gedaan door dr. A.W.E. Wilbers (Senior KNA Prospector en Senior KNA Specialist Fysische Geografie) of door N. Warmerdam (KNA Archeoloog) onder toezicht van dhr. Wilbers. Alle lagen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) en opgenomen in de sporendatabase van de opgraving. Enkele profielen zijn getekend met behulp van meetlinten, maar de meeste profielen zijn fotogrammetrisch gemaakt. Van karakteristieke lagen zijn in het veld monsters genomen die zijn of kunnen worden gebruikt voor korrelgrootte-analyse, OSL-dateringen, analyse van pollen, macroresten, foraminiferen en diatomeeën.

In het veld zijn de lagen lithologisch beschreven, waarna op kantoor de profielen zijn verwerkt en alle lagen lithogenetisch zijn geclassificeerd. Daarvoor is de onderstaande indeling aangehouden. KLD

kleilagen in duinzand

DNZ

duinzand

PLG

ploeglaag

BVR

Humeuze toplaag

STZxx

Stuifzandlaag

VNL OVSxx

Veenlaag Overstromingslaag

VST

Verstoord

Dunne kleiige of siltige lagen die voorkomen in de diepste delen van de opgravingsputten en profielen Bij de top hiervan horen ook de humeuze toplaag en de ploeglaag omdat die ontstaan zijn in de top van het duinzand. De menglaag ontstaan door (eergetouw-)ploegen. Dit is maar een deel van de bouwvoor Komt soms voor direct boven de ploeglaag en vormt dan samen de bouwvoor. Soms komen in of op het duinzand ook alleen dunne humeuze lagen voor van een beginnende bodemvorming. Verblazen duinzand over een ploeglaag, bouwvoor of veenlaag. Nummering maakt onderscheid in verschillende opeenvolgende events De veelal dikke veenlaag die is ontstaan op het duinzand Kleilagen of verspoeld zand van verschillende perioden met overstromingen. Veelal te onderscheiden aan de lithologie en het voorkomen van sporen in de top van deze lagen. Nummering maakt onderscheid in verschillende opeenvolgende events Verstoorde en geroerde bovenlaag aan het maaiveld

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=05c8a835-1366-4161-a06d-ca1412c50af1