CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A11 - Bijlage 8 Evaluatierapport archeologie

Gemeenteraadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Offem Zuid tweede fase deel C (Campri)39.617 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Evaluatierapport Noordwijk, Offem-Zuid, opgraving

Projectnummers:

A-18.0232 54910418

Onderzoeksmeldingsnummer: Auteur (en actor): Medeauteurs

4629648100 M. Kooi (senior KNA-archeoloog) S. Bloo (senior KNA-specialist), A. Wilbers (senior KNAprospector en Senior KNA-specialist Fysische Geografie) maart2019 R.G. van Mousch (senior KNA-archeoloog) R.P.B. Torremans (senior KNA-archeoloog)

Datum: Controle senior KNA-archeoloog: Datum en paraaf:

28-03-2019

Inhoud 1 Inleiding ............................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding voor het onderzoek .................................................................................................. 4 1.2 Administratieve gegevens............................................................................................................ 5 1.3 Ligging onderzoeksgebied .......................................................................................................... 5 1.4 Doel van het onderzoek, onderzoeksagenda’s en vraagstelling van het PvE ......................... 6 1.5 Geschiedenis van het onderzoek en werkwijze ....................................................................... 10 1.6 Strategie ...................................................................................................................................... 11 1.7 Methoden en technieken........................................................................................................... 12 2 Voorlopige resultaten veldwerk ...................................................................................................... 14 2.1 Landschap (A. Wilbers) ...............................................................................................................

14 2.1.1 Inleiding ................................................................................................................................ 14 2.1.2 Interpretatie ......................................................................................................................... 14 2.2 Sporen en structuren .................................................................................................................. 16 2.2.1 Inleiding ................................................................................................................................ 16 2.2.2 Enkele administratieve gegevens ....................................................................................... 16 2.2.3 Zuidoostflank duinrug (vlakken 2 en 3) ............................................................................. 16 2.2.4 Duinrug en en akkerniveau met greppels (vlakken 1 en 2) ............................................. 19 2.3 Vondsten en monsters ................................................................................................................ 22 2.4 Potentie voor beantwoording van de onderzoeksvragen ...................................................... 23 3 Uitwerking en selectie ...................................................................................................................... 25 3.1 Landschap (A.

Wilbers) ............................................................................................................... 25 3.1.1 Waarderen en analyse monsters ......................................................................................... 25 3.1.2 Uitwerking ............................................................................................................................ 26 3.2 Sporen en structuren .................................................................................................................. 26 3.3 Vondsten en vondstspreiding .................................................................................................... 27 3.3.1 Keramiek (S. Bloo)................................................................................................................ 27 3.3.2 Metaal ................................................................................................................................... 31 3.3.3 Natuursteen .......................................................................................................................... 31 3.3.4 Vuursteen .............................................................................................................................

32 3.3.5 Glas ....................................................................................................................................... 32 3.3.6 Bot en schelpen .................................................................................................................... 32 3.3.7 Organisch materiaal............................................................................................................. 33 3.3.8 Hout ...................................................................................................................................... 33 3.4 Monsters ...................................................................................................................................... 35 3.4.1 Inleiding ................................................................................................................................ 35 3.4.2 Macrobotanische monsters ................................................................................................. 35 3.4.3 Algemene akkermonsters ................................................................................................... 38 3.4.4 Pollenmonsters ..................................................................................................................... 39 3.4.5 Houtskoolmonsters en

14

C-dateringsonderzoek ................................................................ 40

3.4.6 OSL-monsters ........................................................................................................................ 41

2

3.4.7 Micromorfologisch monster ................................................................................................ 41 3.4.8 Overzicht daterend en archeobotanisch onderzoek ......................................................... 42 3.5 Conservatie/restauratie .............................................................................................................. 43 4 Opgave te deponeren materiaal ...................................................................................................... 44 5 Actieplan Uitwerking ........................................................................................................................ 44 6 Literatuur ........................................................................................................................................... 45 Bijlagen ................................................................................................................................................. 46 Bijlage 1 Fysische geografie (A. Wilbers) ............................................................................................ 47 Bijlage 2 Allesporenkaart, vlakken 1-3 ...............................................................................................

55 Bijlage 3 Structurenkaart ..................................................................................................................... 56 Bijlage 4 Sporenlijst (excel) .................................................................................................................. 57 Bijlage 5 Vondstenlijst per categorie (excel) ...................................................................................... 58 Bijlage 6 Weergave sporen met selectie monsters ............................................................................ 59

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het onderzoek IDDS Archeologie en BAAC hebben tussen 10 september en 21 november 2018 in opdracht van Campri Vastgoed een opgraving uitgevoerd in het plangebied Offem-Zuid in de gemeente Noordwijk. Tijdens het onderzoek zijn in totaal 32 opgravingsputten met een totale oppervlakte van 3,75 ha (verdeeld over drie vlakken) onderzocht. De aanleiding voor het archeologisch onderzoek is de voorgenomen realisatie van woningbouw in het plangebied. Het uitgevoerde onderzoek is het vervolg van diverse onderzoeken die tussen 2001 en 2017 zijn uitgevoerd. In 2001 en 2012-2014 zijn enkele bureau- en booronderzoeken in het plangebied 1 uitgevoerd. Deze onderzoeken zijn gevolgd door een proefsleuvenonderzoek dat in 2016-2017 2 door Archol is uitgevoerd. Op basis van dit laatst uitgevoerde onderzoek zijn twee vindplaatsen 3 (A en B) in het plangebied geselecteerd. Vindplaats A bestaat uit resten van nederzettingen en akkers uit de midden-ijzertijd tot midden-Romeinse tijd. Mogelijk ligt een component van de bewoning al in de vroege ijzertijd. Vindplaats B bevindt zich in het oosten van het plangebied en ligt op duin- en strandafzettingen. Hier zijn akkerresten uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd aangetroffen. Nederzettingssporen zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek niet aangetroffen op vindplaats B.

In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de achtergrond en doelstellingen van het onderzoek en de gebruikte methoden en technieken tijdens de opgraving. In hoofdstuk 2 komen de voorlopige resultaten van het veldwerk aan de orde, met aandacht voor het landschap, de sporen en structuren en de verzamelde vondsten en monsters. Hoofdstuk 3 betreft het voorstel voor de uitwerking en welke monsters in eerste instantie geselecteerd worden voor een waardering op hun potentie voor verder onderzoek. Welke en hoeveel monsters uiteindelijk geselecteerd worden voor definitieve analyse kan in deze fase van het onderzoek nog niet bepaald worden. In paragraaf 3.4.8 staan de concrete aantallen opgesteld van de monsters die geselecteerd zijn voor de waarderingen.

Afb. 1.1 Sfeerfoto van de opgraving. Foto is genomen in westelijke richting ter hoogte van werkput 1.

1

Tol 2001; Cohen Stuart 2012; Nales 2012; Wink & Sprangers 2015. Tol & Hemminga 2017. 3 Tol 2018. 2

4

1.2 Administratieve gegevens Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Startdatum veldwerk: Einddatum veldwerk: BAAC projectnummer: IDDS projectnummer: Centrumcoördinaten: Oppervlakte plangebied: Oppervlakte onderzoeksgebied: Zaakidentificatienummer: Soort onderzoek: Opdrachtgever: Contactpersoon: Bevoegde overheid: Contactpersoon: Adviseur namens de gemeente: Contactpersoon: Uitvoerders:

Projectleider BAAC: Bewaarplaats documentatie en vondsten:

Zuid-Holland Noordwijk Noordwijk Offem-Zuid 10 september 2018 22 november 2018 A-18.0232 54910418 X1: 90999, Y1: 471349 30 ha 5,1 ha (vindplaats A) en 0,13 ha (vindplaats B) 4629648100 opgraving Campri Vastgoed Dhr. L. Smits Gemeente Noordwijk M. van Schie – van der Putten Erfgoed Leiden en Omstreken M. Rietkerk IDDS Archeologie en Bouwhistorie Postbus 126 2200 AC Noordwijk BAAC Graaf van Solmsweg 103 5222 BS ’s-Hertogenbosch A. Kooi Momenteel op het BAAC-kantoor te ’s-Hertogenbosch; deze worden te zijner tijd overgedragen aan het depot archeologische bodemvondsten Zuid-Holland (Alphen aan den Rijn)

1.3 Ligging onderzoeksgebied Het plangebied Offem-Zuid ligt ten zuidoosten van de bebouwde kom van Noordwijk-Binnen, in de gemeente Noordwijk. Het onderzoeksgebied grenst in het oosten aan de provinciale weg N206, in het westen aan de Herenweg, in het noorden aan de Hogeweg en in het zuiden aan de Beeklaan (N451). Het plangebied wordt van noordoost naar zuidwest doorsneden door de Achterweg. Het plangebied lag ten tijde van het onderzoek braak. In het verleden is het terrein in gebruik geweest voor agrarische doeleinden en (glas)tuinbouw. Deze bebouwing is inmiddels gesloopt en verwijderd, waardoor het plangebied hoofdzakelijk bestaat uit grasland. In de toekomst wordt Offem-Zuid heringericht tot een woongebied met 750 woningen en een woonvoorziening met bijbehorende infrastructuur. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 30 ha. De oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt circa 5,23 ha (vindplaatsen A en B).

5

Afb. 1.2 De ligging van het onderzoeksgebied/plangebied op de topografische kaart van Nederland. 4

1.4 Doel van het onderzoek, onderzoeksagenda’s en vraagstelling van het PvE

Het proefsleuvenonderzoek heeft de aanwezigheid aangetoond van de behoudenswaardige vindplaatsen A en B uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Beiden vindplaatsen zullen verloren gaan bij de ontwikkeling van het plangebied. Doel van de opgraving is het ex situ veilig stellen van de vindplaatsen A en B en het verzamelen van zo veel mogelijk informatie over de bewoningsgeschiedenis en het landschap in het verleden. Met deze kennis kan het beeld van de bewoningsgeschiedenis van Noordwijk worden aangevuld.

Relatie met de NOaA en/of andere onderzoekskaders De NOaA biedt een onderzoekskader en onderzoeksthema’s voor al het archeologisch onderzoek in Nederland. Voor iedere periode is Nederland opgedeeld in zogenaamde archeoregio’s. Noordwijk ligt in archeoregio 11: Het Hollands Duingebied. Voor de periode midden-ijzertijd tot midden-Romeinse tijd zijn de onderzoeksthema’s uit de NOaA hoofdstuk 14

4

Tol 2018.

6

“De late prehistorie in West-Nederland” en hoofdstuk 15 “Het West-Nederlandse kustgebied in 5 de Romeinse tijd” van toepassing c.q. relevant bij het onderzoek. Naast de nationale onderzoeksagenda heeft de Provincie Zuid-Holland een eigen onderzoeksagenda waaruit drie thema’s relevant kunnen zijn voor het onderhavige onderzoek. Thema 1 betreft de strijd tegen en met het water. Vanaf de late ijzertijd lijkt de mens begonnen te zijn met het op structurele wijze ingrijpen in de natuurlijke waterhuishouding en ook in de Romeinse tijd was sprake van meer of mindere uitgebreide infrastructurele werken ten behoeve van watermanagement. Vanaf de late ijzertijd gaan de bewoners meer proactief om met water. In perioden hiervoor waren de bewoners meer reactief. Als na een stroomverlegging of zeespiegelstijging de eens droge plek weer onder water kwam te staan, trokken de bewoners namelijk weer weg of pasten zich aan aan de nieuwe omstandigheden. Onderzoek in het kader van het thema strijd tegen het water en watermanagement omvat in de eerste plaats het onderzoeken en in kaart brengen van materiele resten, die hiermee in verband gebracht kunnen worden. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan dammen, duikers en sluizen, maar ook andere kunstwerken, zoals dijken, terpen, molens, kanalen, sloten, weteringen en dergelijke.

Een ander sub-thema binnen thema 1 betreft de datering van de duinafzettingen. Hoe kan de lokale gelaagdheid in het duingebied gedateerd worden? Bij elk onderzoek in de duinen dient informatie verzameld te worden zodat de lokale gelaagdheid beter gedateerd kan worden. Er zijn tegenwoordig sterke aanwijzingen dat de in het verleden veronderstelde gelijktijdige ontwikkeling van bodems en vegetatieniveau’s in de Oude en Jonge Duinen niet langer houdbaar is. Het moment van bodemvorming en/of overstuiving is waarschijnlijk eerder afhankelijk van lokale vernattings- en verdampingsomstandigheden. Het volgende thema dat van belang kan zijn voor het onderhavige onderzoek is thema 2 “Overgangsfasen in de bewoningsgeschiedenis”. Op basis van de tot nu toe bekende gegevens e lijkt omstreeks het begin van de 1 eeuw voor Chr. sprake te zijn van een afname in de omvang en intensiteit van de bewoning. Voor het goed in kaart brengen van eventuele fluctuaties en de intensiteit van bewoning is het van belang naar het landschap te kijken. Landschappelijke veranderingen (bijvoorbeeld zeespiegelstijging) zijn van invloed op de levenswijze van de laatprehistorische lokale gemeenschappen (locatiekeuze, nederzettingspatroon, voedseleconomie). Het laatste thema, is thema 3 “Leven en wonen rond de Limes”.

Onderzoek in landelijke, agrarische nederzettingen in zowel het voor- als achterland van de Limes heeft inmiddels aangetoond dat ontwikkelingen in het achterland in diverse gevallen direct gekoppeld kunnen worden aan de Limes-zone. Hoewel op hoofdlijnen inzicht bestaat in de omvang en aard van de voedselproductie, alsook de handel daarin, ontbreken de gegevens om deze op regionaal niveau gedetailleerd in te vullen. Het verkrijgen van dergelijke informatie is van wezenlijk belang voor het in kaart brengen van de sociale en economische betrekkingen tussen de lokale bevolking en de Romeins militaire wereld, aangezien de laatste voor haar bevoorrading voor een deel aangewezen zal zijn geweest op lokale producten. Verder, wat voor invloed had de komst van de Romeinen op functionele verschillen en specialisatie van inheemse nederzettingen?

Oogst voor Malta In 2017 is een rapport gepresenteerd met daarin de evaluatie en analyse van de opgravingsgegeven die tussen 1997 en 2013 zijn verzameld in de archeoregio Hollands Duingebied. Uitgaande van de archeologische verwachting (ijzertijd en Romeinse tijd) zijn de volgende kennislacunes relevant voor het onderzoeksgebied:   

5

erfinrichting, huistypologie en dodenbestel; inzicht in omvang van akkerarealen en hun ligging ten opzichte van nederzettingsterreinen; relatie tussen lokale gemeenschappen direct ten noorden van de Limes en de Romeinse civitas;

Heeringen & Koot 2006; Londen et al. 2008.

7

e

afwezigheid van bewoning in het kustgebied ten noorden van de Rijn vanaf de 3 eeuw na Chr.

Vraagstelling Het doel van het onderhavige onderzoek is een samenhangend beeld te krijgen over de aard, omvang, datering en inhoudelijke betekenis van de archeologische resten. Uitgangspunt bij de vraagstellingen vormt de verwachting van resten van nederzettingen en akkerbouw uit de ijzertijd en Romeinse tijd. De vraagstellingen komen voort uit de NOaA, de POA en de specifieke kenmerken van de te onderzoeken vindplaatsen A en B.

Onderzoeksvragen De onderzoeksvragen hebben vooral betrekking op het paleolandschap, de opeenvolgende bewonings- en gebruiksfasen en de inrichting van het cultuurlandschap in de ijzertijd en de Romeinse tijd. Algemeen:

1. Welke zijn de aard, omvang en ouderdom van de archeologische resten die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen? 2. Hoe is de gaafheid en conservering van de vindplaats? Welke factoren hebben daarbij een rol gespeeld? 3. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten? Landschap:

4. Wat is de geologische/bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied en in hoeverre sluit deze opbouw aan op verwachtingen op basis van de vooronderzoeken? Hoe kan de lokale gelaagdheid van de duinafzettingen gedateerd worden? 5. Welk beeld geeft het onderzoek van de natuurlijke vegetatie en wat zegt dit over de (veranderingen in) aanwezigheid of invloed van de mens? In hoeverre is er sprake van een open landschap? Reconstrueer indien mogelijk het landschap (in combinatie biotisch en abiotisch) voor en na de start van de prehistorische en historische bewoning. 6. Welke verbanden zijn er te leggen tussen de archeologische vindplaatsen en de bodemgelaagdheid/ stratigrafie, alsmede de paleogeografische context? In hoeverre hebben de fysisch-geografische veranderingen in de kuststrook invloed gehad op het landgebruik en bewoningspatronen? 7. Op welke wijze is gedurende de ijzertijd en Romeinse tijd gebruikgemaakt van de verschillende landschappelijke zones in het plangebied? Zijn er intacte vegetatiehorizonten aanwezig, bijvoorbeeld afgedekte bodems en akkerlagen, en wat zeggen deze over het toenmalige landschap(sgebruik)? 8. Zijn er resten van vroege vormen van watermanagement aangetroffen? Zo ja, welke? Menselijke aanwezigheid

9. Wat is de onderlinge relatie tussen eventueel aanwezige sporen en vondsten? 10. Wat is de omvang van de nederzettingen uit de ijzertijd/Romeinse tijd, hoe lang zijn deze in gebruik geweest en is er sprake van verschuiving van bewoning in de loop van de bewoningsperiode? 11. Is er sprake van continuïteit of discontinuïteit in het grondgebruik vanaf de vroege/midden-ijzertijd naar de late ijzertijd/Romeinse ijzertijd? Welke verklaring is hiervoor te geven? 12. Is er sprake van de aanwezigheid van erven en / of huisplattegronden. Zo ja, hoe dateren deze en van welk type huisplattegrond is er sprake? Wat is de samenstelling en ruimtelijke ordening van erven? 13. Welke inzichten zijn er wat betreft de inrichting van de nederzettingsterreinen uit deze perioden (een- of meerfasige losse erven of bewoningsclusters)? 14. Welke aanwijzingen zijn er voor inrichtingssporen rondom de huisplaatsen uit deze periode? Kan er inzicht verkregen worden omtrent aard en omvang van het ingerichte

8

landschap rondom de huisplaatsen? Zijn er aanwijzingen voor bijzondere fenomenen als wegen, cultusplaatsen ed.? 15. Hoe verhouden de nederzettingsresten van Offem-Zuid zich tot andere opgegraven gelijktijdige nederzettingen in het Hollandse kustgebied in termen van nederzettingsgrootte, locatie, functie of belang? 16. Wat is de aard, context en betekenis van intentionele (rituele?) deposities in en rond huis en erf? 17. Wat is de aard en context van ‘diergraven’? 18. Wat is de context en betekenis van los menselijk skeletmateriaal in en buiten nederzettingen? 19. Wat zijn de aard, herkomst en betekenis van al dan niet geïmporteerde ‘luxe’ goederen (aanwijzingen voor sociale differentiatie)? 20. Welke culturele effecten had de interactie tussen enerzijds ‘Romeins’ Nederland en anderzijds het gebied ten noorden van de limes op de bewoners van Offem-Zuid? 21. Welke aanwijzingen zijn er op basis van botanisch en zoölogisch onderzoek voor de economische relatie van de kant van de bewoners van Offem-Zuid jegens de Romeinen in de Limeszone? 22. Tijdens het proefsleuvenonderzoek is er een menselijke ellepijp aangetroffen in een akkerlaag. Zijn er meer menselijke resten aangetroffen (niet in grafcontext) en wat is de betekenis van het aantreffen van dergelijke resten buiten een grafcontext? 23.

Zijn er menselijke resten binnen een grafcontext aanwezig? Zo ja, wat zijn de kenmerken van de grafcontext(en) en welke informatie levert(leveren) deze op over het grafritueel? Zo nee, hoe kan het ontbreken van grafcontexten worden verklaard? Bestaanseconomie

24. Wat zijn de aard, verschijningsvormen, omvang en context van ambachtelijke activiteiten? 25. Welke rol speelt de exploitatie van natuurlijke voedselbronnen (inclusief jacht en visserij)? 26. Is op basis van de akkerlagen of hieraan te relateren verkavelings- of bewerkingssporen vast te stellen of het plangebied bestond uit één of meer percelen? Zijn er wijzigingen in de omvang/ afmetingen van herleidbare percelen aan te geven en zo ja, wanneer vinden deze plaats? 27. Wat is de ouderdom van de akkers? Is er tussen de verschillende akkerlagen een fasering aan te brengen? 28. Wat is de omvang van het akkerareaal? Waar liggen de begrenzingen (denk aan gebruik van slijpplatenonderzoek)? Zijn de begrenzingen voorzien van greppels of andere structuren? 29. In hoeverre zijn de akkers te relateren aan de nederzettingssporen? 30. Wat werd op de akkers verbouwd? Zijn de akkers bemest, en zo ja, waarmee (denk aan dierlijk mest, plaggen)? 31. Hoe zijn de akkers bewerkt (eergetouw, keerploeg)? Hoe verliep de ontwikkeling van de ploeglandbouw? Zijn er sporen (anders dan eergetouwkrassen) die te maken hebben met de grond als akkerland? Archeologische monumentenzorg (AMZ)

32. In hoeverre komen de resultaten overeen met de verwachting gebaseerd op het eerder uitgevoerde onderzoek? 33. In hoeverre levert het onderzoek nieuwe kennis op die kan worden gebruikt bij de evaluatie van het huidige archeologische beleid van Noordwijk? 34. Geeft het onderzoek aanleiding om de verwachting voor de directe omgeving bij te stellen? Naar aanleiding van de opgravingsresultaten zijn de onderzoeksvragen in het Programma van Eisen aangevuld met een aantal nieuwe onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen met betrekking tot de vondsten uit de bronstijd:

9

35. Wat betekenen de losse vondsten uit de bronstijd op deze site? 36. Is er een verklaring te geven voor de afwezigheid van sporen uit de bronstijd? Kunnen de sporen uit de bronstijd vergraven zijn door jongere sporen? 37. De vindplaats met vondsten uit de bronstijd is gelegen in het zuidelijke deel van het strandwallengebied tussen Rijn en Oer-IJ (zie NAR 526). Hoe verhoudt deze vindplaats zich tot de andere vindplaatsen in de omgeving? 1.5 Geschiedenis van het onderzoek en werkwijze Het onderzoek in Offem-Zuid vond plaats van 10 september tot en met 22 november 2018. Het vaste veldteam bestond uit A. Kooi (projectleider, senior KNA-archeoloog), J. Aal (KNAarcheoloog), J. Irving (veldarcheoloog), R. van Mousch (vervangend projectleider, senior KNAarcheoloog), M. Opbroek (KNA-archeoloog), N. Warmerdam (KNA-archeoloog) en B. van der Weerd (veldarcheoloog). S. van der Gaag (veldarcheoloog), W. Kemme (senior KNA-archeoloog), P. Kubistal (senior KNA-archeoloog), N. Lameris (KNA-archeoloog) en M. Pieters (KNAarcheoloog) waren invallende veldarcheologen. De overkoepelende projectleiding was in handen van R. Torremans (senior KNA-archeoloog). Tijdens het veldwerk is A. Wilbers (senior KNA Specialist Fysische Geografie) ingezet als fysisch geograaf voor de beschrijving en interpretatie van de bodemprofielen.

Opmerkelijke complexen met aardewerk zijn, wanneer deze tot vragen leidden, bekeken door de specialist prehistorisch aardewerk S. Bloo (senior KNA Specialist Materialen). De specialisten botanie C. Bakels (emeritus hoogleraar) en R. Grabowski (senior KNA Specialist Archeobotanie) zijn tijdens het veldwerk langs geweest om aanwijzingen te geven met betrekking tot monstername van relevante akkerlagen. Tijdens het veldwerk heeft elke twee weken (of vaker wanneer de omstandigheden daarom vroegen) overleg plaatsgevonden tussen de archeologische uitvoerders en de deskundige namens de bevoegde overheid om de strategie daar waar nodig aan te passen. De uitvoering van het onderzoek, de strategie en werkwijze, vond plaats volgens de richtlijnen in het PvE. In de komende paragrafen worden de strategie en werkwijze rechtstreeks overgenomen uit het PvE, waarbij telkens de implementatie in het veld, afwijkingen of opmerkingen worden vermeld.

Afb. 1.3 Sfeeroverzicht van de opgraving, werkput 32.

6

Van Heeringen & Van der Velde (eds) 2017.

10

1.6 Strategie 7 Het onderzoek van de vindplaatsen A en B is gefaseerd uitgevoerd. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de zones met akkerbouw en de zones met nederzettingssporen. Het doel van het onderzoek was om de nederzettingsresten zo compleet mogelijk bloot te leggen om zo de volledige topografie en ontwikkeling van het nederzettingsterrein in beeld te krijgen. Doel van het onderzoek naar de akkerbouwresten was het verkrijgen van inzicht in de omvang, topografie, gebruikswijze en fasering/ontwikkeling van het akkerareaal. 2

In de tabel hieronder wordt een overzicht gegeven van de m die beschikbaar waren voor de 2 opgraving van de vindplaatsen A en B en hoeveel m daadwerkelijk is onderzocht. Vindplaats A Vindplaats B

fase 1 fase 2 fase 1 fase 2

beschikbaar 11950 15000 150 200

daadwerkelijk onderzocht 20600 16700 160 0

Tabel 1.1 Overzicht van de m2 die voor het onderzoek beschikbaar waren en de daadwerkelijk opgegraven m2.

Zone A is in twee fasen onderzocht. Tijdens fase 1 is circa 50 % van de zone onderzocht door om en om aangelegde werkputten met een breedte van 10 m. Met deze strategie kon snel inzicht verkregen worden in de verspreiding van grondsporen en kon makkelijk geselecteerd worden welke tussenliggende werkputten verder onderzocht moesten worden. Oorspronkelijk zou na afloop van fase 1 een voorstel richting het bevoegd gezag en de opdrachtgever worden gedaan welke werkputten uit fase 2 nog onderzocht moesten worden. In verband met de bemaling en het verplaatsen ervan is er voor gekozen om tussentijds naar de opdrachtgever en bevoegd gezag te communiceren welke putten uit fase 2 in aanmerking kwamen voor verder onderzoek. Bij de selectie voor welke tussenliggende delen van werkputten onderzocht zouden worden, is het volgende criterium gehanteerd. Onderzoek van de werkputten uit fase 2 was noodzakelijk wanneer sprake was van incomplete structuren, erven of sporenclusters uit archeologische relevante periodes. Van vindplaats A zijn alle werkputten uit fase 2 onderzocht waardoor de criteria voor het niet onderzoeken van tussenliggende werkputten niet relevant zijn. Voor vindplaats B is enkel fase 1 onderzocht. Tijdens het onderzoek zijn geen akkerbouwresten aangetroffen waardoor fase 2 niet onderzocht is.

De reden waarom deze resten wel zijn aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek en niet tijdens de opgraving dient nog onderzocht te worden. Tijdens het veldwerk bleek dat niet alle putten conform het puttenplan konden worden aangelegd in verband met de aanwezigheid van sloten, bomenrijen en kabels en leidingen. In overleg met het bevoegd gezag zijn de akkersleuven, werkputten 10 en 12, in verband met de aanwezigheid van bomen niet volledig aangelegd. Op basis van extrapolatie van de andere akkersleuven was het tijdens de opgraving al mogelijk om de grens van het akkerareaal te bepalen. Ter hoogte van werkput 26 (zie afb.1.4) was een akkersleuf gepland. In verband met de aanwezigheid van een sloot, waardoor geen onverstoord bodemprofiel kon worden gedocumenteerd, is deze akkersleuf richting het noorden verplaatst, werkput 6. In afbeelding 1.4 is een puttenplan opgenomen inclusief de delen van de vindplaatsen die niet zijn onderzocht.

7

Vindplaats B is gelegen ter hoogte van werkput 18 (afb. 1.2).

11

Afb. 1.4 Het puttenplan van het onderzoeksgebied Offem-Zuid. In lichtgeel de putten uit het PvE en in het oranje de daadwerkelijk aangelegde werkputten.

1.7 Methoden en technieken De werkputten zijn aangelegd met behulp van een rupskraan met gladde bak. Bij de aanleg is zoveel mogelijk geprobeerd het reliëf van de laag te volgen. In het grootste deel van het onderzoeksgebied zijn twee vlakken aangelegd. Op sommige plaatsen was een derde vlak noodzakelijk. Het eerste vlak is steeds aangelegd onder de bouwvoor in de top van het schone duinzand of in de top van de overstromingsklei waarin de eerste sporen zichtbaar werden. Het tweede vlak is dieper in het schone duinzand aangelegd en onder de kleilaag of in de top van een oude akkerlaag. Het derde vlak is aangelegd onder de oude akkerlaag, het niveau waarop de eergetouwkrassen zichtbaar werden. Het vlak met de eergetouwkrassen is handmatig opgeschaafd. Bij de aanleg van de vlakken is systematisch gebruik gemaakt van een metaaldetector voor het opsporen van metalen voorwerpen. Bij de aanleg van de vlakken is vondstmateriaal per spoor (vulling) of laag (puntvondst) verzameld. Bijzondere vondsten zijn als puntwaarneming

12

geregistreerd. De vlakken zijn digitaal getekend met Robotic Total Station (RTS). Van de vlakken en het maaiveld zijn eveneens NAP-hoogtes genomen. De grote sporen zijn machinaal gecoupeerd. De coupes, de vlakken en de profielen zijn digitaal gefotografeerd, getekend en gedocumenteerd. Hierbij dient opgemerkt te worden dat de lengteprofielen van werkputten 4, 6, 8, 10, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 door middel van fotogrammetrie zijn gedigitaliseerd. De vlakken met eergetouwkrassen zijn door middel van een drone gefotografeerd en gedigitaliseerd. Alle gecoupeerde grondsporen zijn na documentatie afgewerkt. Voor de akkersleuven is een monsterprogramma opgesteld. Volgens het PvE moest van elke akkersleuf om de 10 m een twee liter monster van de akkerlaag genomen worden. Na overleg met de specialisten botanie C. Bakels en R. Grabowski is besloten om per akkersleuf om de 5 m een twee liter monster van de akkerlaag te nemen. In werkput 17 en 18 ontbrak de akkerlaag en zijn geen macrobotanische monsters genomen. Tijdens het veldwerk is de specialist prehistorisch aardewerk S. Bloo (BAAC) langs geweest voor het lichten van een aardewerkcomplex dat aanwezig was in een waterput (spoor 20006). Na afloop van het onderzoek zijn de putten dichtgedraaid en is het terrein opgeleverd.

13

2 Voorlopige resultaten veldwerk 2.1 Landschap (A. Wilbers)

2.1.1 Inleiding Tijdens de opgravingen aan de Achterweg, Offem-Zuid te Noordwijk zijn profielen van de opgravingsputten afgestoken, gefotografeerd, ingekrast en zijn alle lagen beschreven en sommige lagen bemonsterd. Vooraf was in het PvE bepaald dat in putten 2, 4, 6, 8, 10, 12, 14, 15, 16, 17 en 18 het volledige profiel moest worden gedocumenteerd, terwijl bij putten 1, 3, 5, 7, 9, 11 en 13 alleen kolommen op strategische locaties gedocumenteerd behoorden te worden. In enkele van deze opgravingsputten met kolommen zijn ook kortere stukken profiel gedocumenteerd als de situatie daarom vroeg. Het inkrassen van de verschillende lagen en het beschrijven van de lagen is gedaan door dr. A.W.E. Wilbers (Senior KNA Prospector en Senior KNA Specialist Fysische Geografie) of door N. Warmerdam (KNA Archeoloog) onder toezicht van dhr. Wilbers. Alle lagen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008) en opgenomen in de sporendatabase van de opgraving. Enkele profielen zijn getekend met behulp van meetlinten, maar de meeste profielen zijn fotogrammetrisch gemaakt. Van karakteristieke lagen zijn in het veld monsters genomen die zijn of kunnen worden gebruikt voor korrelgrootte-analyse, OSL-dateringen, analyse van pollen, macroresten, foraminiferen en diatomeeën.

Hoewel nog niet alle mogelijke databronnen zijn gebruikt en er nog geen gedetailleerde informatie is over de aanwezige vegetatie en over de dateringen van de verschillende gebeurtenissen is het voor de evaluatie van de opgraving wel mogelijk om globaal een beeld te schetsen van de landschapsontwikkeling en het gebruik van het landschap door de mens. Voor de definitieve rapportage moet nog een uitgebreidere uitwerking worden uitgevoerd. Daarvoor moeten specialistische analyses worden gedaan aan verschillende monsters en moeten enkele sedimentlagen worden gedateerd. In paragraaf 2.1.2 wordt de voorlopige interpretatie van het landschap van het onderzoeksgebied en de omgeving kort besproken. In bijlage 1 wordt het gehele onderzoek, inclusief de lithologie en de geologische opbouw van het onderzoeksgebied weergegeven.

2.1.2 Interpretatie Op basis van de geologische opbouw van de omgeving ligt het opgegraven gebied in een landschap van strandvlakten en strandwallen, die naar het zuiden in open verbinding staan met de hoofdgeul van de Oude Rijn en in de nabijheid liggen van de monding van deze rivier. De onderste lagen die zijn aangetroffen in het plangebied (met name tijdens het proefsleuvenonderzoek en niet bij de opgravingen) bestaan uit zand en kleilagen die waarschijnlijk zijn afgezet in een soort kwelder of lagunaire setting tussen twee strandwallen (naar het westen die van Noordwijk) en in directe verbinding met het estuarium of de monding van de Oude Rijn. De bovenste zandafzettingen komen op een gegeven moment steeds verder van de invloed van het getij te liggen en vallen daarbij steeds vaker en langer droog waardoor een deel van het zand kan worden verplaatst door de wind en er duinen kunnen vormen. Dat het gebied dan nog steeds af en toe overstroomd, blijkt uit de in de laagste delen voorkomende kleilagen. Deze lagen ontstaan in poeltjes en blijven als dunne dekens achter na het verdwijnen van het water, waarna er weer zand overheen wordt geblazen. Toch valt het zand niet geheel droog, er is daardoor eigenlijk minder zand beschikbaar dan door de wind verblazen kan worden en er ontstaan duinen onder zandarme condities.

Daarbij komen duinvormen voor zoals zandstrepen of zwaardduinen en barchanen. Deze duinen zijn laag (maximaal slechts enkele meters hoog) en veelal kleiner in omvang, maar daardoor ontstaat wel een zeer reliëfrijk landschap met veel hoogteverschillen op korte afstand. De hoogste delen van deze duinen zijn waarschijnlijk bij deze opgravingen onderzocht, de hoogste en belangrijkste rug ligt vermoedelijk direct ten oosten en onder de Achterweg. Bij opgravingsputten 15 en 18 komen kleinere duinen voor en ook bij de opgravingsputten in het zuiden is de duin breder dan de rug, maar lager.

14

Nadat de duinen zijn ontstaan, begint het grondwater te stijgen en vormt veen in de laagste delen van het landschap tussen de duinen en in de kommen van de barchanen. Deze veenvorming gaat langere tijd door waardoor het veen uiteindelijk ook de lagere flanken van de duinen (en de duinrug) bedekt. Opvallend is dat deze flanken van de duinen al voordat het veen er overheen groeide in gebruik waren als akkers. Er was dus sprake van veenvorming ten tijde van het beakkeren van de duinflanken, maar het is onduidelijk of de mens al gebruik maakte van het landschap toen de veenvorming in de laagstgelegen delen begon. De veenvorming (door de stijging van het grondwater) zorgde uiteindelijk wel voor het krimpen van het akkerareaal dat gebruikt kon worden door de mens. De mens heeft ook op een andere manier last van veranderingen in het landschap, maar die verandering wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de mens zelf. Door het ontbossen (verwijderen van vrijwel alle vegetatie) van de hoogste delen van de duinen gaat het duinzand opnieuw verstuiven en ontstaan op de akkers (en veenlagen) dunne stuifzandlagen. Als de verstuivingen (tijdelijk) stoppen worden deze stuifzandlagen weer omgewerkt tot akker of raken de lagen begroeid.

Waar de zuidoostflank van de duinrug blijkbaar voornamelijk wordt gebruikt als akkers, worden de flanken van de lagere (kleinere) duinen in de opgravingsputten 15, 16, en 17 (in het noorden van het plangebied) vooral gebruikt voor het weiden van vee. Dit is af te lezen aan de veel voorkomende betredingssporen in de venige lagen in deze putten. Terwijl er mensen wonen en werken op deze duinen, komt het gebied weer onder invloed te staan van het water uit de rivier en de zee. Dit water wordt waarschijnlijk aangevoerd via een beekje dat de strandvlakte ontwaterd die ligt tussen het plangebied en de strandwal van Noordwijk. Dit beekje is door IDDS Archeologie eerder onderzocht aan de Menakkerweg (ongeveer 700 m ten zuidwesten van het plangebied). Bij de eerste overstromingen werd er klei afgezet in de laaggelegen veenmoerassen, maar vooral ontstond er een kolkgat in de duinrug en overstroomde de laagte ten zuidoosten van de duinrug met redelijk veel geweld. Ook in dit veenmoeras werd een dik pakket klei afgezet, maar het veen werd daarvoor eerst geërodeerd en omgewoeld (waarschijnlijk door het omvallen van de bomen die voorkwamen in dit moeras). Deze erosie en het ontstaan van een kolkgat wijzen er op dat er een groot waterstandsverschil aanwezig was tussen het gebied ten noordwesten en ten zuidoosten van de duinrug.

In eerste instantie was het gebied ten zuidoosten van de duinrug (bij profielen 2, 4 en 6) nog niet overstroomd, omdat het volledig afgeschermd was van de toestroom van water vanuit het zuiden. Waarschijnlijk is de duinrug onderdeel van een barchaan-duin (de linkerarm) en ligt de laagte in deze barchaan en daardoor beschut voor de overstroming. Het kolkgat is ontstaan door een doorbraak van de duinrug (een soort crevasse). Deze doorbraak ligt ter plaatse van de huidige sloot tussen opgravingsputten 23 en 26 en vanuit deze doorbraak is achter de duinrug een kolkgat (een soort wiel) in het plangebied ontstaan. Door het waterstandsverschil had het instromende water veel kracht en kon de sedimenten ter plaatse van het kolkgat gemakkelijk eroderen. Het water en het sediment stroomde daarna verder het laaggelegen moeras in en vormde daarbij vele kleine en ondiepe geultjes in het veen. Na de overstroming bleef het kolkgat open en stond in verbinding met het beekje waarop getijwerking aanwezig was. Een tijdlang kon er zoutwater het kolkgat bereiken waardoor er brakwater in het gat stond en daarin konden brakwaterkokkels wonen. Uiteindelijk verdwijnt de verbinding met het getij en verzoet het water in het gat. Langs de oevers en op de bodem ontstaat een venige bodemlaag. De mens had wel de gevolgen ondervonden van de overstromingen maar was niet weggetrokken.

Het landschap werd nog steeds gebruikt. Op een deel van de akkers was geen klei afgezet en die akkers konden nog bewerkt worden. In de gebieden met klei werden nieuwe sloten gegraven en ook bij het kolkgat werden verschillende greppels gegraven. De menselijke aanwezigheid bleef mogelijk in stand tot een tweede fase van overstromingen. Daarbij werden alle akkers bedekt met een kleilaag en konden daarna niet meer gebruikt worden. Ook het kolkgat werd grotendeels opgevuld met een dik kleipakket. Nog later zijn er nog meer overstromingen, hoeveel precies is onduidelijk. Het is niet na te gaan hoeveel overstromingslagen verstoord zijn door de ontginning en de akkerbouw sinds de late

15

middeleeuwen. Of de derde fase van overstromingen, waarvan zeer zandige afzettingen zijn gevonden, gekoppeld kunnen worden aan de overstromingen van de St. Thomasvloed (de laatste grote overstroming vanuit zee in het mondingsgebied van de Oude Rijn, daterend uit 1165 na Chr.) is onduidelijk en onzeker. Sinds de late middeleeuwen is het gebied opnieuw ontgonnen en in gebruik als landbouwareaal. Waarschijnlijk waren bij de ontginning nog de sporen zichtbaar van het duinlandschap, daarom zijn de (toen aangelegde) hoofdsloten zo aangelegd dat ze gebruik maken van de laagte van de crevasse en een scheiding tussen het zand van de duinrug en de klei- en veenlagen in de lagere gedeeltes. Ook de ligging van de Achterweg (vroeger waarschijnlijk veel kronkeliger) is gekoppeld aan het landschap en ligt daarom nagenoeg midden op de hoogste duinrug. Waarschijnlijk is het terrein sinds de ontginning geëgaliseerd, waarbij een deel van de top van de duinrug is verdwenen en gebruikt om de lagere delen mee op te vullen. Tegenwoordig is het maaiveld in het plangebied nagenoeg vlak. De bewerking van de bodem sinds de late middeleeuwen (waarschijnlijk vooral e gedurende de 20 eeuw) heeft er voor gezorgd dat de bodem tot gemiddeld wel een meter diep is omgewerkt en dat veel van de archeologische sporen op de hoge duinrug afgetopt zijn. 2.2 Sporen en structuren

2.2.1 Inleiding In deze paragraaf worden de aangetroffen sporen en structuren kort besproken. De periodisering en datering van de sporen is nog niet definitief en is dan ook een belangrijk onderdeel van de aanstaande uitwerking. Op dit moment kunnen op basis van het gedateerde 8 aardewerk binnen het onderzoeksgebied de volgende perioden voorzichtig worden onderscheiden: bronstijd (midden-bronstijd), late ijzertijd en Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. Wat betreft de groep niet gedateerde sporen zal tijdens de uitwerking getracht worden ze alsnog in een bepaalde periode te plaatsen. Bijlage 2 is de allesporenkaart in pdfformaat met de mogelijkheid tot het aan- en uitzetten van spoorlabels. Bijlage 3 is een overzicht van de tot nu toe herkende structuren.

2.2.2 Enkele administratieve gegevens Binnen het onderzoek is een aantal vaste spoornummers uitgedeeld aan telkens terugkomende lagen of groepen sporen, beginnend met het duizendtal van het putnummer. De aantallen van de lagen en spoorgroepen die zijn terug te vinden in de veldadministratie, zijn weinig zeggend. Een bodemlaag heeft in elke werkput een uniek spoornummer, terwijl het in werkelijkheid een en dezelfde afzetting is die over het hele terrein doorloopt. Binnen een werkput is voor de spoorgroepen telkens hetzelfde spoornummer gebruikt, waardoor deze ondervertegenwoordigd zullen zijn in de totalen. Verder zijn aan groepen staken die een bij elkaar horende rij vormden hetzelfde spoornummer toegekend. Bij de verdere uitwerking zullen de stakenrijen structuurnummers krijgen. Ditzelfde geldt voor de afzonderlijke complexen met eergetouwkrassen. Structuurnummers zijn tijdens het veldwerk toegekend aan gebouwen in volgorde van ontdekking of op het moment dat de betreffende structuur gecoupeerd en afgewerkt ging worden. De nummering is daardoor willekeurig, beginnend bij structuur 1. In totaal zijn op dit moment 5 structuurnummers uitgedeeld. Waterputten en waterkuilen zullen bij de verdere uitwerking structuurnummers krijgen, beginnend bij 101. In dit evaluatieverslag behouden ze voorlopig nog hun spoornummer.

Kuilen en doorlopende greppels hebben vooralsnog geen structuurnummer gekregen.

2.2.3 Zuidoostflank duinrug (vlakken 2 en 3) Tijdens het onderhavige onderzoek zijn op de zuidoostflank van de duinrug de akkers (eergetouwkrassen) onderzocht die bij het proefsleuvenonderzoek zijn aangesneden. De sporen bestaan hoofdzakelijk uit eergetouwkrassen, kuilen en stakenrijen. Verschillende kuilen die op dit niveau zijn aangetroffen, worden oversneden door de eergetouwkrassen. In deze kuilen is geen aardewerk aangetroffen, maar mogelijk kunnen de monsters die genomen zijn, ingezet 8

Een selectie van het aardewerk is bekeken door S. Bloo. Verschillende specialisten moeten nog geraadpleegd worden om de dateringen scherper te krijgen.

16

14

worden voor C-onderzoek om de sporen op deze wijze te kunnen dateren. Hieronder volgt een korte beschrijving van de sporen die op de zuidoostflank van de duinrug aanwezig waren.

Zone met eergetouwkrassen De eergetouwkrassen liggen hoofdzakelijk op de zuidoostflank van de duinrug, maar ook op de flanken van de lagere (kleinere) duinen in het noorden van het opgravingsterrein (werkputten 15, 16 en 17). De eergetouwkrassen lopen door tot waar het terrein vernat en een veengebied begint. Tijdens het veldwerk is waargenomen dat de akkers systematisch kruislings met een eergetouw zijn geploegd, maar er zijn ook afwijkende oriëntaties waargenomen. Bij het couperen zijn verschillende eergetouwtypes aangetroffen, die nog verder uitgewerkt moeten worden. Duidelijke afbakeningen van verschillende akkerpercelen zijn tot op heden nog niet waargenomen. De greppels die aanwezig zijn, lijken bij een jongere fase te horen, maar onderzoek zal dit moeten uitwijzen. In afbeelding 2.1 is een foto afgebeeld met daarop eergetouwkrassen zoals die zijn aangetroffen in het vlak.

Afb. 2.1 Een dronefoto van eergetouwkrassen in werkput 12.

Stakenrijen Stakenrijen komen voornamelijk voor in de lagere delen van het terrein, zowel op de zuidoostflank van de duinrug als de lagere kleine duinen in het noorden van het onderzoeksgebied. De stakenrijen lijken deels de contouren van het landschap te volgen maar lijken ook een afbakening te vormen van depressies. Op sommige locaties werden de rijen gevormd door dubbele staken. De stakenrijen hebben voornamelijk een lineair verloop. In werkputten 9, 25 en 29 lopen twee noord-zuid georiënteerde stakenrijen die duidelijk een soort van depressie begrenzen (afb. 2.2). Binnen deze stakenrij zijn diverse hoefafdrukken zichtbaar. Zeer waarschijnlijk vormen de stakenrijen een soort pad waarbinnen het vee liep.

17

Afb. 2.2 Detail van de stakenrijen die zijn onderzocht in werkputten 9, 25 en 29.

(Paal-)kuilen Ter hoogte van het akkerniveau zijn verschillende geïsoleerd liggende kuilen aangetroffen, waarvan de functie, formatie en datering nog verder dient te worden uitgewerkt. Enkele kuilen worden oversneden door de eergetouwkrassen. Typerend voor de kuilen die zijn aangetroffen in de zones met eergetouwkrassen, is dat ze in de coupe grillig van vorm zijn. Niet duidelijk afgelijnd en opgevuld met gelaagd humeus materiaal (afb. 2.3). De reden waarom ze zo grillig en niet duidelijk afgelijnd zijn, is op dit moment nog niet duidelijk. Mogelijk hangen de sporen samen met de beakkering of met activiteiten voorafgaand aan de aanleg van de akkers in het gebied. In het zuidoosten van werkput 6, aan het begin van de akker, is structuur 5 gelegen (bijlage 3). De plattegrond betreft waarschijnlijk een spieker waarvan nog maar drie palen bewaard zijn gebleven. Er is gezocht naar de vierde paal maar die is niet teruggevonden.

18

Afb. 2.3 Foto’s van kuilen die zijn aangetroffen ter hoogte van de eergetouwkrassen. Links spoor 21098 en rechts spoor 5068.

2.2.4 Duinrug en akkerniveau met greppels (vlakken 1 en 2) Ter hoogte van de duinrug naast de Achterweg en het duin in het zuiden van het onderzoeksgebied werd direct onder de bouwvoor het duinzand aangetroffen dat deels was afgetopt door moesbedden/grondverbeteringsbanen. Op de duinrug zijn een aantal gebouwstructuren, kuilen, waterkuilen en waterputten aangetroffen. Op de zuidoostflank van de duinrug lag een tweede akkerniveau. In hoeverre dit niveau correspondeert met de bewoningssporen die op het hogere deel zijn aangetroffen, moet worden uitgezocht. Het tweede akkerniveau is aangelegd op een stuifzandlaag dat wordt afgedekt door een dik pakket klei. In de stuifzandlaag zijn diverse greppels, paalkuilen, kuilen en zelfs eergetouwkrassen aanwezig.

Structuren In het onderzoeksgebied zijn verspreid over het terrein vier structuren (bijlage 3) aangetroffen, die nog niet gedateerd zijn en daardoor nog niet in een bepaalde periode geplaatst kunnen worden. Verder zijn er veel paalsporen gevonden in werkputten 8, 9 en 25 waar mogelijk nog een structuur of structuren in aanwezig zijn, maar die tijdens deze fase van het onderzoek nog niet zijn herkend. In de verdere uitwerking zal aandacht worden besteed aan het zoeken naar structuren. Hieronder een korte beschrijving van de tot nu toe bekende structuren. Structuur 1 Structuur 1 is gelegen in het zuidoosten van werkput 7. Het betreffen twee palenrijen die taps toelopen. Gezien de diepte van de paalsporen (4-10 cm) zal een aantal paalsporen verdwenen zijn. Structuur 2 In een kleilaag in werkput 11 is structuur 2 aangetroffen. Gezien het landschappelijke verhaal in paragraaf 2.1 zou geconcludeerd kunnen worden dat de structuur na de eerste fase van overstromingen is gebouwd. De menselijke aanwezigheid in het onderzoeksgebied bleef zeer waarschijnlijk in stand tot een tweede fase van overstromingen. Daarna werden alle akkers bedekt met een kleilaag en konden niet meer worden gebruikt. In hoeverre de structuur jonger is dan de andere structuren in het onderzoeksgebied is nog niet bekend.

De structuur bestaat uit een vierkant, afgeronde wandgreppel (6,1 bij 5,0) met een ingang in het zuidoosten. In het midden van de plattegrond liggen vijf paalkuilen op een rij met een noordwest-zuidoost oriëntatie. Structuur 3 Structuur 3 is aangetroffen in het noordwesten van werkput 24 op vlak 2. De structuur is rechthoekig van vorm met een afmeting van 6,6 bij 2,2. Op de middenas liggen twee paalkuilen.

19

Afb. 2.4 Overzicht van structuur 2, werkput 24, in het vlak.

Structuur 4 Deze structuur is aangetroffen in het noordwesten van werkput 31, waar nog de helft van een vierkant, afgeronde wandgreppel is onderzocht. Binnen deze wandgreppel ligt een cluster aan paalkuilen met een diepte die varieert tussen de 10 en 50 cm. Op basis van diepte en vergelijking met andere structuren in de regio dient bepaald te worden welke paalkuilen onderdeel zijn van de structuur. Mogelijk zijn er meerdere structuren uit het cluster met paalkuilen te reconstrueren.

Greppels Binnen het onderzoeksgebied zijn verschillende greppelsystemen aangetroffen. De aard, functie en exacte datering van de verschillende greppelsystemen moet nog verder onderzocht worden. Greppels kunnen bijvoorbeeld gediend hebben voor de indeling of ontwatering van akkers/weidegronden of als erfgreppel of als wandgreppel van een huis. In het onderzoeksgebied zijn diverse ronde/ovaalvormige greppelstructuren onderzocht die onderdeel zouden kunnen zijn van een plattegrond.

Eergetouw in stuifzandlagen In een bepaalde periode is door het ontbossen van de hoogste delen van de duinen het duinzand opnieuw gaan verstuiven en zijn deze stuifzandlagen op de akkers (en veenlagen) afgezet. De stuifzandlagen zijn daarna zeer waarschijnlijk weer omgewerkt tot akker of zijn begroeid geraakt. In verschillende werkputten (met name werkputten 4, 21 en 32) zijn in een stuifzandlaag eergetouwkrassen waargenomen. In andere werkputten waar een stuifzandlaag aanwezig was, zijn dikwijls geen eergetouwkrassen waargenomen. Dit heeft te maken met het bovenliggende kleipakket dat brak bij het aanleggen van het vlak waardoor ondiep bewaard gebleven sporen (waaronder de eergetouwkrassen) verdwenen bij de aanleg van het vlak.

Kuilen Binnen het onderzoek zijn veel kuilen aangetroffen, waarvan de functie, formatie en datering nog verder dient te worden uitgewerkt. In ieder geval is er al onderscheid te maken in verschillende kuilen op basis van hun ligging. Diverse kuilen liggen in de buurt van clusters met paalkuilen en ook liggen kuilen ter hoogte van de greppels. In het onderzoeksgebied zijn een aantal kuilen aangetroffen met een grote hoeveelheid aardewerk. Mogelijk kan het aardewerk nog iets zeggen over de functie van de kuilen. In werkput 1 is een kuil (spoor 1050; afb. 2.5) aangetroffen met een hoeveelheid aardewerk, waaronder een fragment van een haardkraag en metaalslakken. Mogelijk is de kuil onderdeel

20

geweest van een vorm van metaalproductie. Mogelijk kan onderzoek aan de metaalslakken uitkomst bieden.

Afb. 2.5 Kuil spoor 1050 waarin de haardkraag en de metaalslakken zijn aangetroffen.

Waterputten en waterkuilen Er zijn binnen het onderzoek vijftien waterputten en elf waterkuilen opgegraven. In eerste instantie, wanneer er constructiehout aanwezig was, werd er gesproken van een waterput en zonder constructiehout van een waterkuil. Echter tijdens het onderzoek zijn vier waterputten onderzocht die wel bestonden uit een schacht opgebouwd uit plaggen maar zonder houten fundering. De waterputten met constructie bevinden zich in het noorden van het onderzoeksterrein, op de duinrug langs de Achterweg. De waterputten zonder constructie bevinden zich daarentegen in het midden en zuiden van het onderzoeksgebied. Alle onderzochte waterputten hebben een opbouw van plaggen, waarbij de plaggenring gefundeerd is op verschillende houtconstructies (zie tabel 2.1). In vijf van de vijftien waterputten zijn fragmenten aardewerk aangetroffen die wanneer ze geplakt worden zeer waarschijnlijk behoren bij complete aardewerken potten. In spoor 20006 is een volledige depositie aan aardewerk aangetroffen (afb. 3.2). Onder de depositie lag een vierkante houtconstructie en een wagenwiel (afb. 2.5).

Afb. 2.6 Houtconstructie onder depositie. Links het wagenwiel met de vierkante constructie en rechts alleen de vierkante constructie. constructie vierkant, houten plankjes/balken vlechtwerk mand

spoor 1002, 3007, 19006, 32056

opmerking

karrenwiel

1083, 1108, 3016, 19091, 19094 20005, 20006

In 1108 zijn staken aangetroffen, maar geen vlechtwerk Bij 20006 ligt onder het karrenwiel nog een kleine vierkante constructie van één laag

Geen

8170, 13034, 23046, 30004

Tabel 2.1 Overzicht van de verschillende houten constructies die zijn gebruikt om de plaggen op te verstevigen.

21

De waterkuilen bevinden zich hoofdzakelijk op de lagere delen van het terrein en worden vooral gevonden in het zuidelijke deel van het opgravingsterrein. Een aantal waterkuilen die wel gesitueerd zijn op een hoger deel van de duin, lijkt in opbouw op een waterput, namelijk een plaggenconstructie. Het verschil bij deze waterkuilen ten opzichte van de waterputten is dat ze niet gefundeerd zijn op een houtconstructie.

Overige sporen In de werkputten 9, 25 en 29 is een noord-zuid georiënteerde depressie aangetroffen, waarin pootafdrukken van dieren zijn herkend. Hetgeen een bewijs is dat vee door deze depressie/laagte heeft gelopen. De stakenrijen die langs deze depressie liggen kunnen mogelijk met het vee in verband gebracht worden. De stakenrijen vormden misschien veedriften om het vee door het drassige terreindeel te leiden. In het uiterste noorden van het onderzoeksterrein is een diergraf (spoor 1073) met daarin een paardenskelet aangetroffen. 2.3 Vondsten en monsters Tijdens het onderzoek zijn diverse materiaalcategorieën verzameld of delen van sporen en lagen bemonsterd. De verzamelwijze vond plaats volgens de opgravingsstrategie en – methodologie:     

tijdens de aanleg van het vlak, waarbij vondsten als puntlocaties zijn ingemeten; bij het vrijleggen van het sporenvlak, waarbij het vondstmateriaal per spoorcontext werd verzameld; bij het couperen en afwerken van sporen, waarbij het vondstmateriaal per spoorvulling is verzameld; kansrijke spoorvullingen zijn bemonsterd voor archeobotanisch en/of daterend onderzoek; per structuur zijn minimaal vier paalkuilen bemonsterd die gebruikt kunnen worden voor daterend onderzoek;

In onderstaande tabellen staan de aantallen vondsten vermeld, waarbij onderscheid is gemaakt tussen de categorieën objecten/artefacten (tabel 2.2) en categorieën monsters (tabel 2.3). In hoofdstuk 3 zal verder ingegaan worden op de potentie van het materiaal en de selecties van de monsters voor verder specialistisch onderzoek. MATERIAAL

AANTAL

MATERIAAL

AANTAL

Keramiek

5683

handgevormd Keramiek

489

monster, botanie

57

6

monster, houtskool

16

Romeins

3460

monster, algemeen

88

Romeins, gedraaid

24

monster, hout

114

middeleeuws/nieuwetijds

15

huttenleem

1

hout

4

bouwkeramiek

17

houtskool

51

aardewerk, nog te bepalen

1671

organisch plantaardig

1

Metaal

69

metaal, nog te bepalen

40

monster, pollen

7

Slak

29

monster, slijpplaten

1

monster, osl

10

Natuursteen

236

steen, nog te bepalen

141

Tabel 2.3 Archeobotanische monsters en hun aantallen

22

tefriet/basaltlava

95

Vuursteen

20

Glas

1

Bot/schelp

1395

bot, onbekend

630

bot, dierlijk

757

bot, menselijk

7

schelp, monster

1

Onbekend/organisch

2

Tabel 2.2 Vondstcategorieën en hun aantallen.

x x x x x x x x x x x x

x x x x

x x

Pollen

Slijpplaten

OSL

14

Houtsoorten/dendr ochronologie

Overige vonsten/monsters

Datering

x x

x x

x x

x

x

x x

x x

x x

x x

x x

X x

x

x

x

x

x x

x

x

Literatuur

Botanie

x x

C-onderzoek

Fysische antropologie

x x x x x x

Archeozoölogie

Fysische geografie

Vondstspreiding x x

Organische artefacten

x x x

Anorganische artefacten

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26

Structuren en sporen

Vraag

2.4 Potentie voor beantwoording van de onderzoeksvragen In paragraaf 1.4 staan de 35 onderzoeksvragen uit het PvE verwoord. In de onderstaande tabel staat per onderzoeksvraag welke onderzoeken tijdens het veldwerk en de uitwerking tot beantwoording van de onderzoeksvragen kunnen/moeten leiden.

x

x

x x x x

x x x x

x x x x

x x

x

x

x

x

x x

x x

x

x

x

x x x

x

x x x

x x x x x

x

x

x x

x

x x

x x

x

x x

x

x

x

x x

x x

x x

x

x

x x x x x

x x

x x

x x

x

x

x x

x

23

27 28 29 30 31 32 33 34 35 x x x x x x x x x

x x 14

x x

x x x x x

Literatuur

Datering

Overige vonsten/monsters

Houtsoorten/dendr ochronologie

C-onderzoek

OSL

Slijpplaten

Pollen

Botanie

Fysische antropologie

Archeozoölogie

Organische artefacten

Anorganische artefacten

Fysische geografie

Structuren en sporen

Vraag

Vondstspreiding

x x x

x x

x

x x x x

Tabel 2.4 De onderzoeken die aangewend worden ter beantwoording van de onderzoeksvragen.

24

3 Uitwerking en selectie 3.1 Landschap (A. Wilbers)

3.1.1 Waarderen en analyse monsters Zoals in de beschrijving van de verschillende afzettingen al beschreven, zijn er verschillende monsters verzameld die moeten worden onderzocht om een duidelijke datering te kunnen geven van de verschillende fases van de landschapsontwikkeling. Daarnaast kunnen deze monsters helpen bij het bepalen van de vegetatie die op verschillende momenten voorkwam in het plangebied en informatie verschaffen over de verschillende overstromingsfases. In de onderstaande tabel zijn de verschillende monsters opgenomen en de verschillende waarderingen/analyses die noodzakelijk zijn, om te komen tot een volledig en duidelijk verhaal. vondst

spoor

vulling

afzetting

analyse/waarderen

reden

0

verzamel wijze OSL

170

2701

stuifzandlaag

OSL

datering van de verstuivingen

166

2704

0

OSL

OSL

165

2750

0

OSL

duinzandlaag in de flank van duinrug akkerlaag

786

6700

0

OSL

OSL

788

6700

0

OSL

787

6752

0

OSL

duinzandlaag in duinrug duinzandlaag in het lage deel akkerlaag

714

6017

9&5

POL

vulling 9 is kleilaag van de 2e overstromingsfase

Macro-

datering van het ontstaan van de duinen9 dateren van de laatste keer dat deze akker is geploegd datering van het ontstaan van de duinen1 datering van het ontstaan van de duinen1 dateren van de laatste keer dat deze akker is geploegd informatie over de vegetatie die voorkomt in de omgeving die is meegespoeld informatie over het afzettingsmilieu van deze 2e fase in het kolkgat informatie over de vegetatiesamenstelling in het plangebied tijdens de 2e overstromingsfase datering van de 2e overstromingsfase

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=05c8a835-1366-4161-a06d-ca1412c50af1