CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage A10 - Bijlage 7 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Gemeenteraadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Offem Zuid tweede fase deel C (Campri)29.773 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Boeren in de ijzertijd en Romeinse tijd langs de Achterweg Proefsleuvenonderzoek in plangebied Offem-Zuid te Noordwijk

Archol

A.J. Tol M. Hemminga

380 Archol

Boeren in de ijzertijd en Romeinse tijd langs de Achterweg Proefsleuvenonderzoek in plangebied Offem-Zuid te Noordwijkd)

A.J. Tol M. Hemminga

Colofon Archol Rapport 380 Boeren in de ijzertijd en Romeinse tijd langs de Achterweg. Proefsleuvenonderzoek in plangebied Offem-Zuid te Noordwijk Projectleiding:

drs. A.J. Tol

Auteurs:

drs. A.J. Tol & drs. M. Hemminga

Met bijdragen van:

J.H.J.M. Aal MA

dr. H. van Haaster (Biax)

E. van Hees BA (Universiteit Leiden)

W. Kuipers (Universiteit Leiden)Drs. M. van Waijjen (Biax)

dr. W.K. van Zijverden (Earth)

Tekstredactie

drs. A.J. Tol

Beeldmateriaal:

S. Shek & drs. W. Laan

Objecttekeningen:

F. van der Spelde MA

Opmaak:

A.J. Allen

Druk: Haveka, Alblasserdam

Datum:

16 oktober 2017

Versie:

2.0

Status:

goedgekeurd bevoegd gezag

Autorisatie: drs. A.J. Tol Handtekening

ISSN 1569-2396 © Archol, Leiden 2017 Einsteinweg 2 2333 CC Leiden info@archol.nl Tel. 071 527 33 13

Inhoudsopgave

Samenvatting

5

1

Inleiding

7

1.1 Aanleiding

7

1.2 Het plangebied, huidige en toekomstige situatie

7

2

3

4

5

6

1.3 Onderzoeksopzet en organisatie

8

1.4 Leeswijzer

10

Landschappelijk en archeologisch kader

13

2.1 Landschap

13

2.2 Archeologie

14

2.3 De vindplaatsen uit het vooronderzoek

16

Doel- en vraagstelingen, strategie en methodiek

19

3.1 Doelstelling

19

3.2 Vraagstellingen

19

3.3 Strategie veldwerk

20

3.4 Werkwijze veldwerk

22

3.5 Werkwijze uitwerking

22

3.6 Introductie resultaten en datering

25

Resultaten landschappelijk onderzoek

27

4.1 Algemeen

27

4.2 De archeologische niveaus en hun datering

30

4.3 De overstromingsafzettingen: aard en ouderdom

34

4.4 Evaluatie landschappelijke resultaten van het vooronderzoek

35

Grondsporen

37

5.1 Inleiding

37

5.2 Sporen uit het oudste duinniveau

37

5.3 Sporen uit het jongste duinniveau

39

5.4 Sporen uit het duinpakket zonder begraven bodem

41

5.5 De sporen uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd

44

5.6 Conclusie: vindplaatsen A en B

44

5.7 Evaluatie archeologische resultaten van het vooronderzoek

45

Het vondstmateriaal

47

6.1 Het handgemaakte aardewerk uit de ijzertijd en Romeinse tijd

47

6.1.1 Inleiding

47

6.1.2 Het handverzamelde aardewerk

47

6.1.3 Scan van aardewerk uit de zeefresiduen uit de akkerlaag en de laag met

verspoelde vondsten.

51

6.1.4 Conclusie

51

6.2 Aardewerk uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd

51

6.3 Het steenmateriaal

53

6.3.1 Inleiding

53

6.3.2 Vuursteen

54

6.3.3 Natuursteen

54

6.3.4 Conclusie

54

6.4 Zoöarcheologisch onderzoek

55

6.4.1 Inleiding

6.4.2 Onderzoeksmethodiek

55

6.4.3 Het botmateriaal uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd

56

6.4.4 Het botmateriaal uit de ijzertijd en Romeinse tijd

56

6.4.5 Conclusies

57

7

55

Archeobotanisch onderzoek van macoresten uit sporen en akkerlagen uit de ijzertijd en Romeinse tijd

59

7.1 Inleiding

59

7.2 Methode

59

7.3 Resultaten

59

7.3.1 Waardering

59

7.3.2 Analyse

60

8

7.4 Conclusie

61

Specialistisch onderzoek aan een erosiegeul in plangebied Offem-Zuid

63

8.1 Inleiding

63

8.2 Inventariserend pollen- en macrorestenonderzoek

63

8.2.1 Materiaal en methode

63

8.2.2 Resultaten

64

8.3 Onderzoek van een schelpenlaag uit een erosiegeul in plangebied Offem-Zuid

65

8.3.1 Methode

65

8.3.3 Resultaten

65

9

10

8.4 Conclusies

66

Landschap, bewoning en waardering van de vindplaatsen

71

9.1 Inleiding

71

9.2 Landschap

71

9.3 Bewoningsgeschiedenis

72

9.4 Vindplaatsen, ligging en waardering

72

Conclusie, selectieadvies

77

10.1 Conclusie

77

10.2 Selectieadvies

77

10.3 Beantwoording onderzoeksvragen

77

Literatuur

83

Bijlage 1_Allesporenkaart Noord

85

Bijlage 2_Allesporenkaart mid

86

Bijlage 3_Allesporenkaart Zuid.pdf

87

Bijlage 4_Allesporenkaart Detail_deel 1

88

Bijlage 4_Allesporenkaart Detail_deel 2

89

Bijlage 4_Allesporenkaart Detail_deel 3

90

Bijlage 4_Allesporenkaart Detail_deel 4

91

Bijlage 5. Sporenlijst

93

Bijlage 6a. Determinatielijst handgemaakt aardewerk

101

Bijlage 6b. Determinatielijst handgemaakt aardewerk

104

Bijlage 7. Determinatielijst aardewerk uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd

105

Bijlage 8. Determinatielijst dierlijk bot

107

Offem-Zuid 5

Samenvatting Plangebied Offem-Zuid ligt in het duinenlandschap van West-Nederland. Het bestaat centraal en in het oosten uit drie ruggen duinen van Oude duinen die geflankeerd worden door lager gelegen strandvlakten. Het noordwestelijke deel van het plangebied bestaat geheel uit een strandvlakte. De duinenruggen zijn in de midden-ijzertijd tot vroeg-Romeinse tijd bewoond geweest, mogelijk met een start in de vroege ijzertijd. De bewoners waren lokale boeren die hier hun nederzettingen en akkers hadden. De strandvlakten waren te nat voor bewoning en beakkering, mogelijk zijn deze gebieden wel extensief gebruikt (beweiding, rituele activiteiten), maar daar zijn geen sporen van teruggevonden. Na de Romeinse tijd is het plangebied lange tijd onbewoond geweest. In de vroege middeleeuwen is het gebied als gevolg van een stormvloed overstroomd geraakt. Dit heeft geleid tot meestal een oppervlakkige erosie van de het duinenlandschap, lokaal was echter sprake van aanzienlijke erosie. Als gevolg van de overstromingen zijn de lage en middelhoge delen van het plangebied bedekt geraakt met een dik pakket overstromingsafzettingen. Vanaf de late middeleeuwen is het gebied als akker- en weidegebied gebruikt, later ook voor de bollenteelt. De noordelijke helft van het plangebied kan als “archeologisch leeg” worden beschouwd.

Dit deel is op basis van een eerder gegeven voorlopig advies, door de gemeente inmiddels vrijgegeven voor ontwikkeling. Ter hoogte van de duinafzettingen zijn twee vindplaatsen onderscheiden: vindplaats A (nederzetting en akkers uit de midden-ijzertijd – vroeg Romeinse tijd, mogelijk ook de vroege ijzertijd) en vindplaats B (akkerareaal uit waarschijnlijk de ijzertijd en/of de Romeinse tijd). Beide vindplaatsen zijn getoetst op hun behoudenswaardigheid. Geconcludeerd is dat zowel vindplaats A als B behoudenswaardig is. Aanbevolen wordt de terreindelen buiten vindplaatsen A en B vrij te geven (zie figuur 9.1). Aanbevolen wordt vindplaatsen A en B in situ te behouden. Als dat niet mogelijk is wordt geadviseerd beide vindplaatsen door een opgraving ex situ te behouden. Hierbij adviseren wij de volgend uitgangspunten te laten gelden: -

De nederzettingsresten van vindplaats A zo compleet mogelijk op te graven. Hierbij dient er rekening mee gehouden te worden dat de nederzettingsresten die ten oosten van de Achterweg zijn aangetroffen, doorlopen tot in een strook met duinafzettingen ten westen van de Achterweg.

-

De akkerarealen A en B dienen extensief onderzocht te worden met doel het bepalen van de aard, omvang en ouderdom ervan en het beantwoorden van specifieke vragen over de landbouw- en voedseleconomie.

6

Offem-Zuid

Offem-Zuid 7

1

Inleiding 1.1 Aanleiding Het plangebied Offem-Zuid ligt ten oosten van de bebouwde kom van NoordwijkBinnen (figuur 1.1). Dit tot voor kort landelijk gebied wordt in de toekomst ontwikkeld tot nieuwe woonwijk. Uit enkele vooronderzoeken blijkt dat zich in het gebied enkele zones te bevinden die kansrijk zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen. De gemeente heeft aan deze zones in het Bestemmingsplan Offem-Zuid de dubbelbestemming waarde archeologie 2 toegekend (figuur 1.2). De planontwikkeling vormt een serieuze bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Daarom dient in de zones met een dubbelbestemming een proefsleuvenonderzoek te worden uitgevoerd om de aard, omvang en behoudenswaardigheid van eventueel aanwezige vindplaatsen vast te stellen. Dit onderzoek is in de zomers van 2016 en 2017 in opdracht van de gemeente Noordwijk door Archol B.V. uitgevoerd. In het hier gepresenteerde rapport worden de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek besproken.

1.2 Het plangebied, huidige en toekomstige situatie Het plangebied Offem Zuid ligt aan de zuidoostzijde van Noordwijk Binnen en heeft volgens het Bestemmingsplan Offem-Zuid een omvang van 30 ha (24 ha exclusief bestaande bebouwing langs de randen). Het plangebied grenst in het oosten aan de provinciale weg N206, in het zuiden aan de Beeklaan (N451) en in het westen aan de Herenweg. De noordelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de Woensdagse Watering grenzend aan het landgoed Offem. Het plangebied wordt van

Figuur 1.1

Ligging plangebied Offem-Zuid.

noordoost naar zuidwest doorsneden door de Achterweg.

8

Offem-Zuid

Figuur 1.2 Momenteel ligt het terrein vrijwel braak. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest voor agrarische doeleinden en (glas)tuinbouw. Zo stonden er kassen en was op een deel van het plangebied een volkstuinencomplex. Deze bebouwing is inmiddels gesloopt en verwijderd, waardoor het plangebied hoofdzakelijk bestaat uit grasland. Ten noorden van het plangebied, langs de Hogeweg, staan diverse, deels nieuwe woningen. Nog verder naar het noorden ligt het landgoed Offem. Aan de westzijde van het terrein, langs de Herenweg, staan verschillende woningen en een aantal bedrijven in de vorm van lintbebouwing. In de toekomst wordt Offem-Zuid heringericht tot een woongebied met 750 woningen en een woonvoorziening met bijbehorende infrastructuur.

1.3 Onderzoeksopzet en organisatie Al sinds 1961 kent Nederland een monumentenwet. In 1988 werd deze wet vervangen door de Monumentenwet 1988, die op zijn beurt per 1 juli 2016 is komen te vervallen en deels is overgegaan naar de Erfgoedwet. Deze wet regelt de omgang met het archeologisch erfgoed. Iedere initiatiefnemer van projecten waarbij de bodem wordt verstoord kan door de overheid verplicht worden een rapport te overleggen waaruit de archeologische waarde van het te verstoren terrein (het plangebied) blijkt. Voor een dergelijk rapport is archeologisch onderzoek vereist: het archeologisch vooronderzoek. Dit onderzoek heeft tot doel vast te stellen of in het plangebied waardevolle vindplaatsen voorkomen. Het vooronderzoek is opgebouwd uit twee onderdelen: het bureauonderzoek (BO) en een eventueel inventariserend veldonderzoek (IVO), elk met bijbehorende standaardrapportages. Dit rapport betreft een inventariserend veldonderzoek middels proefsleuven (IVO-p). Het IVO-p heeft tot doel het opsporen van archeologische vindplaatsen in het plangebied en het vaststellen van hun aard, omvang, ouderdom en ligging. Daarbij dient informatie te worden verzameld over de vindplaats(en) om deze op de vijf criteria: gaafheid, conservering, zeldzaamheid, informatiewaarden en ensemblewaarde

Uitsnede Bestemmingsplan Offem-Zuid met de zones met de dubbelbestemming waarde archeologie 2 (gebied met plusjes).

Offem-Zuid 9

te kunnen toetsen. Uiteindelijk dient te worden gekomen tot een waardestelling van het terrein, met bijbehorend selectieadvies. Op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan het bevoegd gezag een beslissing nemen ten aanzien van (mogelijk) behoud van vindplaatsen, nader onderzoek of vrijgave van terreinen. Archol heeft het proefsleuvenonderzoek in twee perioden uitgevoerd. Het leeuwendeel van de proefsleuven is tussen 20 juni en 22 juli 2016 aangelegd (figuur 3.1: putten 1-48). De proefsleuven 49-54 zijn tussen 17 en 19 juli 2017 uitgevoerd. Het terrein waarop deze sleuven liggen, kwam toen pas beschikbaar omdat het vanwege een vervuiling met asbest eerst gesaneerd diende te worden. Het onderzoek is uitgevoerd door een team van archeologen van Archol, aangevuld met enkele externe specialisten. Daarnaast hebben twee stagiaires en een vrijwilliger aan het onderzoek deelgenomen.

Tabel 1.1

Samenstelling onderzoeksteam Offem-Zuid.

Medewerker

Functie

Organisatie

drs. A.J. Tol

projectleider

Archol

drs. M.E. Hemminga

veldwerkleider

Archol

drs. L. Meurkens

veldarcheoloog

Archol

R. Nieuwkamp MA

veldarcheoloog

Archol

J. van der Leije MA

veldarcheoloog

Archol

S. Hagendoorn MA

veldarcheoloog

Archol

J. Aal MA

veldarcheoloog / junior-specialist zoöarcheologie

Archol

P. van de Geer MA

veldarcheoloog

Archol

B. Cornelisse MA

veldarcheoloog

Archol

F. van de Spelde MA

junior-specialist aardewerk middeleeuwen en Nieuwe tijd

Archol

dr. W. van Zijverden

specialist fysische geografie

Earth/Universiteit Leiden

drs. S. Bloo

specialist prehistorisch aardewerk

BAAC

E. van Hees BA

junior-specialist archeobotanie

St. Lab/Universiteit Leiden

Drs. H. van Haaster

specialist archeobotanie

Biax

W. Kuijper

specialist mollusken

Universiteit Leiden

A. Postma

stagiaire

S. Reinders

stagiair

B. Naardin

vrijwilliger

Voorafgaand aan het onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) opgesteld.1 Het onderzoek is uitgevoerd conform de in dit PvE vastgestelde methodiek, het Plan van aanpak waarin de eisen uit het PvE zijn geoperationaliseerd2, en de richtlijnen in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 3.3). De opgraving werd namens de gemeente Noordwijk begeleid door een projectgroep bestaande uit M. van Schie (projectleider), J. Lanzing (adviseur opdrachtgever en directievoerder) en M. Rietkerk (adviseur bevoegd gezag). Gedurende het veldwerk is regelmatig met de directievoerder en het bevoegd gezag overlegd over de te volgen veldstrategie. Na afloop van het veldwerk in de zomer van 2016 is een evaluatierapport opgesteld waarin een voorstel voor de uitwerking van de onderzoeksresultaten is gedaan. De projectgroep heeft het uitwerkingsvoorstel op 3 januari 2017 akkoord bevonden. Van de campagne van medio juli 2017 is in overleg met de projectgroep geen evaluatierapport gemaakt maar een tussenverslag met een beschrijving van de resultaten van deze campagne. Ten behoeve van dit tussenverslag zijn de fysisch-geografische gegevens en de sporen en structuren uitgewerkt, en is het vondstmateriaal gescand. Er is geen specialistisch onderzoek uitgevoerd. De uitwerking en rapportage vonden plaats tussen februari 2017 en 12 oktober 2017.

Bij deze uitwerking zijn verschillende archeologen en specialisten betrokken geweest (tabel 1.1). 1 Lanzing 2016. 2 Tol, Hemminga & Van Wijk, 2016.

10

Offem-Zuid

1.4 Leeswijzer De bij het proefsleuvenonderzoek verzamelde gegevens zullen in dit rapport als volgt gepresenteerd worden. Na een korte landschappelijke en archeologische inkadering (hoofdstuk 2) en een recapitulatie van vraagstellingen en methodiek (hoofdstuk 3) die aan het onderzoek ten grondslag liggen, volgt een beschrijving van de resultaten van het landschappelijk onderzoek (hoofdstuk 4) en het archeologisch onderzoek (hoofdstukken 5 t/m 10). De archeologische grondsporen komen aan bod in hoofdstuk 5, waarbij op basis van de verspreiding, aard en datering twee vindplaatsen zijn onderscheiden. Hoofdstukken 6 t/m 7 presenteren de resultaten van de vondstenanalyse, onderverdeeld in de categorieën handgemaakt aardewerk, middeleeuws vondstmateriaal, natuur- en vuursteen en botmateriaal. Het archeobotanisch onderzoek aan macroresten is beschreven in hoofdstuk 7 en in hoofdstuk 8 worden een tweetal specialistische onderzoeken aan de vulling van een geul gepresenteerd. In hoofdstuk 9 zijn de resultaten van het landschappelijke, archeologisch en ecologisch onderzoek geïntegreerd en worden de vindplaatsen gewaardeerd. Op basis hiervan wordt in hoofdstuk 10 een advies gegeven over de noodzaak van behoud van de aangetroffen vindplaatsen. De beantwoording van de onderzoeksvragen is ondergebracht in de laatste paragraaf van hoofdstuk 10. Soort onderzoek:

Waarderend proefsleuvenonderzoek (IVO-p)

Projectnaam:

Proefsleuvenonderzoek plangebied

Archolprojectcode:

ZON1620

Archis-zaaknummer:

4002585100

Opdrachtgever:

Gemeente Noordwijk, M. van Schie (projectleider)

Directievoering:

J. Lanzing (Archeologisch Adviesbureau Lanzing)

Bevoegd gezag:

Gemeente Noordwijk, adviseur:

Adviseur bevoegd gezag:

M. Rietkerk (Erfgoed Leiden)

Uitvoerder:

Archeologisch Onderzoek Leiden bv

Periode van uitvoering veldwerk:

20 juni – 22 juli 2016, 17 – 19 juli 2017

Rapport gereed:

16 oktober 2017

Versie

2.0 (definitief )

Goedkeuring bevoegd gezag

Ja

Provincie:

Zuid-Holland

Gemeente:

Noordwijk

Plaats:

Noordwijk

Toponiem:

Offem-Zuid

Coördinaten gebied:

Centrumcoördinaat 90.999 / 471.349

Oppervlakte plan- of onderzoeksgebied:

30 ha

Huidig grondgebruik:

Grasland

Beheer en plaats van documentatie en vondsten:

Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Provincie ZuidHolland

Tabel 1.2

Administratieve gegevens.

Offem-Zuid 11

Geologische perioden Archeologische perioden heden

Laat Subatlanticum

1650 1500 1250

1150 na Chr.

1050 900 725 525

Vroeg Subatlanticum

450

270 70 na Chr.

0 15 voor Chr.

450 voor Chr.

250 500 800

1100 1800

Subboreaal

2000

3700

Atlanticum Boreaal Preboreaal

Laat Glaciaal

Late Dryas Allerød Vroege Dryas Bølling

Laat

Vroegste Dryas

Vroeg Midden

Denekamp Hengelo

Odderade

Saalien I Belvedere/Holsteinien

Elsterien

4200 4900/5300

7300

6450

8700

7100 8800

9700

laat vol Ottoons Karolingisch Merovingisch laat laat midden

12500 13500

laat ijzertijd

midden vroeg laat

bronstijd

midden vroeg laat midden

neolithicum (nieuwe steentijd)

vroeg

laat

mesolithicum (midden steentijd)

midden vroeg

12000 18000

Romeinse tijd

vroeg

11050 11500 12000

middeleeuwen

Merovingisch vroeg

laat

jong B jong A

30500

35000

71000

midden

Brørup

Oostermeer

Holsteinien

2850

Nieuwe tijd

B A

60000

Moershoofd

Eemien Saalien II

Glaciaal x

Tijdperk

C

Pleistoceen Holoceen Prehistorie

1850

vroeg

Datering

Chronozone

Weichselien Pleniglaciaal

Tijdstabel.

Vroeg Glaciaal

Tabel 1.3

114000 126000 236000 241000 322000

300000

336000 384000 416000

463000

oud

paleolithicum (oude steentijd)

12

Offem-Zuid

Offem-Zuid 13

2

Landschappelijk en archeologisch kader A.J. Tol Recentelijk is de verwachtingen- en beleidskaart van Katwijk, Noordwijk, Noordwijkerhout, Lisse, Teylingen en Hillegom geactualiseerd. De toelichting hierop geeft een uitstekend overzicht van de landschappelijke ontwikkeling en de bewoningsgeschiedenis van Noordwijk. 3 Verder leveren verschillende vooronderzoeken die reeds in het plangebied hebben plaatsgevonden een goed inzicht in de landschappelijke opbouw van het gebied en de hierin te verwachten archeologsiche resten.

2.1 Landschap4 Het plangebied behoort geologisch gezien tot de kuststrook. Deze strook is ontstaan door een samenspel van zee en wind. De zee voerde zand aan dat, in de vorm van een strandwal, parallel aan de kustlijn werd afgezet. Zodra een strandwal ruim boven het Gemiddeld Hoogwater uitkwam, viel deze droog en vormden zich door de wind opgewaaide lage duinen. Deze duinen werden in het verleden Oude Duinen genoemd. Aan de zeezijde bevond zich een lager gelegen strandvlakte. De oudste strandwal in West-Nederland ligt circa acht kilometer ten oosten van de huidige kustlijn en is gevormd tussen 4500 en 4000 voor Chr. Vanaf dit moment bouwde de kust zich zeewaarts uit. Deze uitbouw vond plaats door de vorming van nieuwe strandwallen die smalle of brede strandvlakten afsneden van de zee. De kustuitbreiding duurde tot ongeveer 500 voor Chr. en resulteerde in een zes tot tien kilometer brede kuststrook, bestaande uit een reeks van strandwallen met daartussen lager gelegen strandvlakten. Eindigde de kustuitbouw in grofweg 500 voor Chr., de vorming van duinen ging langer door (plaatselijk tot na de Romeinse tijd). Duinvorming beperkte zich overigens niet alleen tot de strandwallen. Door verstuivingen ontstonden ook duinen in de strandvlakten.

Uit de verschillende vooronderzoeken blijkt dat in het midden van het plangebied – onder de Achterweg – een strandwal ligt met aan weerszijden strandvlakten. De strandwal is vermoedelijk tussen 2.500 en 2.250 v. Chr. tot stand gekomen en volgt in noordelijke richting de huidige Bronsgeesterweg (Van der Valk, 1996). Een tweede strandwal die tussen 2.250 en 1.950 v. Chr. is gevormd, ligt direct ten westen van het plangebied. De booronderzoeken van Tol (2001) en Nales (2012) laten de aanwezigheid van duinzand zien op de strandwal van de Achterweg en plaatselijk in de strandvlakten aan weerszijden hiervan (figuur 2.1). In een groot deel van de aangetroffen duinen zijn (op een diepte die varieert van 0,2 tot 1,1 m –NAP, vanaf circa 50 tot 140 cm -Mv) begraven bodems aangetroffen. In de lager gelegen strandvlakten heeft zich onder invloed van de stijgende grondwaterstand veen ontwikkeld. De strandvlakten werden ook beïnvloed door de Oude Rijn, die hier vooral kleiig materiaal heeft afgezet. Tijdens perioden waarin de zee-invloed dominant was, werd via de riviermonding zand en klei in de strandvlakten afgezet. 3 Wink e.a. 2015. 4 De paragraaf landschap is grotendeels gebaseerd op de rapporten Tol 2001, Nales 2012 en Wink e.a. 2015.

14

Offem-Zuid

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat vanaf de 3de en 4de eeuw na Chr. de afvoer van de Oude Rijn begint af te nemen om in 1121 vrijwel tot stilstand te komen als de Oude Rijn bij Wijk bij Duurstede wordt afgedamd. Een van de gevolgen is dat nieuw zand op de kust werd geworpen, dat door de wind landinwaarts werd afgezet. Dit leidde tussen 800 en 900 tot het ontstaan van nieuwe duinen die zich tot in de late middeleeuwen bleven ontwikkelen en plaatselijk oude afzettingen afdekten. Dit pakket duinafzettingen werd in het verleden Jonge duinen genoemd. Een laatste belangrijke “landschappellijke”gebeurtenis vond plaats in ongeveer 1135. Er is dan een zware storm op zee, waarbij de smalle duinreep langs de Oude Rijn tussen Katwijk en Noordwijk doorbreekt en het achterland tot aan Alphen aan den Rijn onder water komt te staan. Bij deze doorbraak wordt het duinzand door het wassende water in de loop van de Oude Rijn afgezet waardoor deze geheel verdwijnt. Onduidelijk is of de overstroming ook tot Offem-Zuid heeft gereikt en daar sediment heeft afgezet.

2.2 Archeologie5 Uit de globale ouderdom van de strandwal van de Achterweg (2500-2250 voor Chr.) blijkt dat deze vanaf het eind van het laat neolithicum (5300-2000 v.Chr.) bewoond kan zijn geweest. In ARCHIS geregistreerde losse vondsten uit de omgeving geven inderdaad aan dat de strandwallen van Noordwijk vanaf deze periode bewoning hebben gekend. In de daarop volgende vroege bronstijd (2000-1800 v.Chr.) zijn op diverse plaatsen in de gemeente resten aangetroffen. Zo zijn tijdens opgravingen bij Bronsgeest (1,5 km ten noordoosten van het plangebied) een boerderijplattegrond en bijbehorende akkerpercelen uit ongeveer 1850 voor Chr. tevoorschijn gekomen in de top van het Oude duinzand op een diepte variërend van 0,2 m +NAP tot 0,55 m -NAP.6 Voor aanwezigheid in de midden bronstijd (1800-1100 v.Chr.) zijn slechts enkele aanwijzingen gevonden, maar in de late bronstijd neemt de bewoning in Noordwijk weer toe. Gedurende de ijzertijd (800 v.Chr.-0) lijkt sprake te zijn van intensieve bewoning. Er zijn veel vindplaatsen uit die periode bekend, waaronder locaties in buurtschap Langeveld en een vindplaats aan de Achterweg (locatie afvalwateringszuivering). In de Romeinse tijd bevindt Noordwijk zich direct ten noorden van het Romeinse Rijk.

Veel vondsten uit de Romeinse tijd in Noordwijk wijzen op contact met nabijgelegen plaatsen ten zuiden van de grens (Limes) in Katwijk en Valkenburg gedurende de periode 0-250 na Chr. Het gaat dan vooral om “losse”vondsten van aardewerk en munten. Vanaf ca. 250 na Chr. en ook gedurende de 4e eeuw is het onrustig aan de grens van het Romeinse Rijk. Uit die periode en het begin van de Merovingische tijd (4e-6e eeuw na Chr.) zijn uit de kuststrook vrijwel geen vondsten bekend; het lijkt erop dat in die periode sprake was van een vrijwel volledige ontvolking van de kuststrook. Pas in de loop van de vroege middeleeuwen verschijnen nieuwe kolonisten in het gebied. Ook zij vestigen zich op de Oude Duinen en strandwallen. Het gebied rond Noordwijk bleef vermoedelijk van de Friezen, die de kuststrook beheersten, maar in de 8e eeuw maakten de Friezen plaats voor de Franken. In de 10e eeuw kreeg Noordwijk aanvallen te verduren van de Noormannen, die gebied innamen. Er zijn sporen van 5 De paragraaf archeologie is grotendeels gebaseerd op en overgenomen uit De Wink e.a. 2014. 6 Van Heeringen e.a. 1998.

Offem-Zuid 15 Figuur 2.1

Gereconstrueerde bodemopbouw en de hierin aanwezige vindplaatsen 1 en 2 (uit Tol, 2001). Het grijs gearceerde gebied in het noordwesten (in 2001 niet onderzocht) bestaat volgens Nales (2012) volledig uit duinafzettingen. Vindplaatsen 3 en 4 zijn komen te vervallen. Rood omlijnde rechthoek: vindplaats met vondstlagen uit: Wink & Jaspers, 2014.

16

Offem-Zuid Figuur 2.2

Resultaten veldonderzoek locatie 3 Offem-Zuid. Geologische interpretatie en waargenomen archeologische indicatoren. Rode lijnen: verspreiding vondstlagen in veen (bruin) en duinzand (gele arcering)(uit: Wink & Jaspers 2014).

bewoning aangetroffen in Noordwijk uit de periode 500-1050 na Chr. Hiertoe behoren een grafveld onder de Grote Kerk en aardewerkvondsten uit Bronsgeest en plangebied Offem-Zuid. In de periode 1000-1500 na Chr. ontwikkelde Noordwijk zich verder. Het werd een ambacht onder de Graven van Holland. Verder lagen binnen het grondgebied ook de heerlijkheden Langhevelt en Offem en ontwikkelde de dorpskern van NoordwijkBinnen zich tot volwaardig dorp en officieel bedevaartsoort voor Sint Jeroen. Vanaf de late middeleeuwen worden de strandvlakten ook structureel ontgonnen en intensiever gebruikt als weidegrond. In de Nieuwe tijd (1500-heden) zijn eerst de kruidenteelt en later ook de bollenteelt belangrijk voor het landelijk gebied van Noordwijk. Verder grenst het plangebied direct aan het landgoed Offem, dat ooit toebehoorde aan de ‘heere van Noortwijk’ maar sinds 1812 in bezit is van de familie Van Limburg Stirum, en loopt de historische ‘Achterweg’ van zuidwest naar Noordoost door het plangebied.

2.3 De vindplaatsen uit het vooronderzoek Volgens de verschillende vooronderzoeken zijn in het plangebied grote oppervlakten met duinafzettingen aanwezig langs beide zijden van de Achterweg en in het noordwesten van het plangebied (figuur 2.1).7 In het oosten ligt een smallere strook met duinafzettingen. Buiten de duinafzettingen bestaat het plangebied uit strandvlakten, gevuld met veen. In totaal hebben de vooronderzoeken drie vindplaatsen opgeleverd. Tijdens het booronderzoek uit 2001 zijn in de zones met duinafzettingen op het niveau van de

7 Tol 2001, Cohen-Stuart 2012, Nales 2012 .

Offem-Zuid 17

begraven bodem (circa 0,75 m –Mv) twee vindplaatsen aangetroffen (figuur 2.1: vindplaatsen 1 en 2). Voor beide vindplaatsen lijkt op grond van de vondsten (vuursteen en prehistorisch aardewerk) in combinatie met de ouderdom van de onderliggende strandwal, een datering in het laat neolithicum tot de ijzertijd aannemelijk. Ter plaatse van vindplaats 2 bevonden de vondsten zich in een “vuile” grijze laag. Een dergelijke laag kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een nederzettingsterrein. Het onderzoek van 2001 heeft ook nog twee vondsten in de strandvlakten opgeleverd (vindplaatsen 3 en 4). Het aanvullend booronderzoek van 2012 heet echter aangetoond dat beide vondsten uit een ophogingspakket komen. Deze vindplaatsen zijn daarom komen te vervallen. In het kader van de actualisatie van het archeologiebeleid in de Duin- en Bollenstreek is in 2014 centraal aan de noordzijde van Offem-Zuid een veldtoets uitgevoerd in een 1 ha groot onderzoeksgebied (figuren 2.1 & 2.2). Hierbij zijn twee vondstlagen aangetoond in het veen (aardewerk) en de strandwal (vuursteen). De vondstlagen sluiten in het westen aan op vindplaats 1 van het booronderzoek uit 2001.

18

Offem-Zuid

Offem-Zuid 19

3

Doel- en vraagstelingen, strategie en methodiek 3.1 Doelstelling Op grond van de resultaten van de eerder uitgevoerde vooronderzoeken kunnen in het plangebied archeologische resten vanaf het late neolithicum worden verwacht. Het proefsleuvenonderzoek heeft als doel vast te stellen of dat zo is en zo ja, wat de aard, omvang en datering van de aan te treffen resten zijn. Daarbij dient informatie te worden verzameld over de vindplaats(en) om deze op de vijf criteria: gaafheid, conservering, zeldzaamheid, informatiewaarden en ensemblewaarde te kunnen toetsen. Uiteindelijk dient te worden gekomen tot een waardestelling van het terrein, met bijbehorend selectieadvies. De proefsleuven zijn er niet alleen op gericht op het opsporen en waarderen van archeologische vindplaatsen. Bij afwezigheid van archeologische resten dient daarvoor ook een verklaring gegeven te worden.

3.2 Vraagstellingen In het PvE zijn een aantal vraagstellingen geformuleerd om bovengenoemde doelstelling te realiseren: •

Wat is de aard, omvang en kwaliteit van de archeologische sporen en structuren?

•

Wat is de conservering en gaafheid van de vindplaats(en) en wat is hun diepteligging

•

Wat is de datering van de vindplaats(en)?

•

Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of

(boven- en onderkant) t.o.v. NAP en het maaiveld?

vondstcategorieën behoren zij? •

In hoeverre komen de onderzoeksresultaten uit het vooronderzoek overeen met de resultaten uit het proefsleuvenonderzoek?

•

Hoe is de geologische, geomorfologische en bodemkundige opbouw van het onderzoeksgebied?

•

Wat is het karakter van de ín het booronderzoek als ‘begraven bodems’ omschreven donkere, vuile lagen in de zandafzettingen?

•

Wat is de relatie van de sporen en/of vondsten met de bodemopbouw?

•

Welke eigenschappen van de (natuurlijke) omgeving speelden een rol bij de

•

Indien geen of nauwelijks archeologische resten worden aangetroffen: wat is de reden

•

Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect

•

Welke mogelijkheden zijn er voor het specifiek dateren van zowel archeologische

locatiekeuze voor bewoning en gebruik? hiervoor? daarvan op de archeologische resten? resten als bodemhorizonten met behulp van laboratoriumonderzoeken als dendrochronologie, C-14 en OSL? •

Welke mogelijkheden zijn er voor paleo-ecologisch en botanisch onderzoek en welke bijdrage kan dit onderzoek leveren aan de reconstructie van het natuurlijke landschap en de benutting daarvan? Denk aan de rol van landbouw en veeteelt in de voedseleconomie en handel.

•

Zijn aangetroffen resten uit de nieuwe tijd (bijvoorbeeld percelering) terug te herkennen op historische kaarten en geldt dit ook voor op kaarten herkenbare (afgevlakte) duintjes?

Offem-Zuid

91000

91200

91400

471600

471600

90800

16 15

23

17

21

27

50

22

30 43

49 51

471400

24

52

18

20

36

31 11

28

42

54 8

25 26

48

12

13

41

44

3

40

32

2

47

38

10

33

4 38

35 N

45

5 37

39

9 7

6

1

14

471200

46

53

29

471400

19

471200

20

471000

471000

34

0

250m

90800

91000

91200

Figuur 3.1 •

Indien een behoudenswaardige vindplaats wordt aangetroffen; wat zijn dan de fysieke (on)mogelijkheden voor in-situ behoud?

3.3 Strategie veldwerk Het proefsleuvenonderzoek bestond uit een karterende (fase 1) en waarderende fase (fase 2). Fase 1 was gericht op het opsporen van vindplaatsen. Fase 2 had als doel de aard, omvang, diepteligging en fysieke kwaliteit van tijdens fase 1 aangetroffen vindplaatsen vast te stellen. Deze sleuven zijn tevens ingezet om vragen over de geologische opbouw te kunnen beantwoorden.

Fase 1 In het PvE waren voor fase 1 29 proefsleuven van 50 x 5 m en zeven sleuven van 25 x 5 m voorzien. Hiermee zou 8.125 m2 worden opengelegd. In figuur 3.1 is te zien dat

91400

Overzicht van de aangelegde proefsleuven (grijs) met de oorspronkelijk geplande locaties van de proefsleuven van fase 1(lichtblauw).

Offem-Zuid 21

91200

91400

471600

91000

471600

90800

16 15

18

20

23

52

17

49

21

471400

51

24

22

27

50

30 43 31 11

28

42

54

29

8

12 25

41

26

45

6

10

5

13 1 471200

9 7 44

48

14

46

53

36

471400

19

32

40 33

37

39

35

47

2

3

471200

A

4

38 38

A'

34

471000

471000

N

0

250m

90800

91000

91200

91400

Figuur 3.2

Overzicht van de aangelegde proefsleuven en de gedocumenteerde profielkolommen (zwarte stippen).

enkele sleuven ten opzichte van het oorspronkelijke sleuvenplan zijn verlegd. Dit is gebeurt vanwege de aanwezigheid van begroeiing en toegankelijkheid van het terrein. In totaal zijn er tijdens fase 1 39 werkputten aangelegd met een totaal oppervlak van 7.117 m2 (put 1 t/m 35 en 49 t/m 52). Per put zijn er twee vlakken aangelegd. Het eerste vlak is aangelegd in de top van de Oude Duinen. Om diepere niveaus in kaart te brengen is in eerste instantie verdiept door middel van kijkgaten. Daar waar potentieel archeologische niveaus werden aangetroffen (cultuurlagen, vegetatiehorizonten), is het hele vlak verdiept aangelegd.

Fase 2 Op basis van de resultaten van fase 1 heeft Archol een voorstel gedaan voor de waarderende proefsleuvenfase. In deze fase zijn er 15 proefsleuven aangelegd met wisselende lengte (put 36 t/m 48 en put 53 en 54). In de meeste van deze putten zijn weer twee vlakken aangelegd. In put 46 zijn ook een vlak 3, 4 en 5 aangelegd en gedocumenteerd (tabel 3.1).

22

Offem-Zuid

fase

vlak 1

vlak 2 vlak 3 vlak 4 vlak 5

1

7.117

2.068

2

2.808

1.123

95

48

21

totaal 9.925

3.191

95

48

21

3.4 Werkwijze veldwerk Voorafgaand aan het onderzoek was bekend dat het plangebied een hoge grondwaterstand kent. Om het onderzoek in den droge uit te kunnen voeren is daarom gebruik gemaakt van bronbemaling. Deze is door de firma Voorham uit Wassenaar geplaatst en bestond uit horizontale bemaling die langs alle putten is aangebracht. Ondanks de bemaling bleef er sprake van overlast door grondwater, met name bij het onderzoek van profielen waardoor deze regelmatig tijdens het documenteren instortte. Waarschijnlijk was de wateroverlast het gevolg van de overvloedige regenval in het begin van het veldwerk. De putten zijn machinaal aangelegd door een ervaren machinist van de firma Duivenvoorden, met behulp van een graafmachine voorzien van een gladde bak. Het vlak is laagsgewijs verdiept waarbij het tussenvlak steeds is geïnspecteerd op de aanwezigheid van vondsten. De vlakken zijn gefotografeerd en daarna ingetekend met een DGPS. Alle vlakken zijn nagelopen met een metaaldetector. De vlakbeschrijving van de sporen is ingevoerd in een velddatabase, waarna de sporen zijn gecoupeerd, getekend, gefotografeerd en afgewerkt voordat verdiept is naar het volgende niveau. Per put is telkens één lengteprofiel door middel van profielkolommen gedocumenteerd.

De profielkolommen zijn gefotografeerd en vervolgens digitaal gedocumenteerd en beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB). De profielen zijn gedocumenteerd door een fysisch geograaf (dr. W. van Zijverden, Universiteit Leiden/ Earth Integrated Archaeology) en een door hem geïnstrueerde KNA-archeoloog. In totaal zijn 144 profielkolommen gedocumenteerd. Aanlegvondsten zijn verzameld per vak van 4 x 4 m. Vondsten uit sporen zijn zoveel mogelijk verzameld per vulling. Van houtskoolrijke en humeuze sporen zijn monsters van 5 liter genomen voor archeobotanische onderzoek en ¹⁴C-onderzoek. Tevens zijn uit bodemlagen schelpenmonsters genomen. De aangetroffen vondst- en akkerlagen zijn onderzocht door om de 10 m een zeefvak van 50x50 cm en een gemiddelde diepte van 20 cm te bemonsteren. De zeefvakken zijn per laag van 10 cm “nat” gezeefd over een zeef met een maaswijdte 3 mm. Vervolgens zijn de zeefresiduen gesplitst naar vondstcategorie. Doel van dit monsterprogramma was het krijgen van inzicht in de samenstelling van het vondstmateriaal uit deze lagen. De akkerlagen zijn buiten dit monsterprogramma om ook bemonsterd voor het akkeronderzoek van Corrie Bakels (Universiteit Leiden).

3.5 Werkwijze uitwerking Het veldwerk is gevolgd door de technische uitwerking. Tijdens de technische uitwerking zijn de onderzoeksdata verwerkt in digitale kaarten en databases en de vondsten en monsters naar categorie gesplitst (tabellen 3.2 en 3.3). Na de veldcampagne van juli 2016 is vervolgens een evaluatierapport met een uitwerkingsvoorstel opgesteld. Onderdeel van het evaluatierapport was ook een voorlopig advies om het noordwestelijke deel van het plangebied, waarin geen archeologische waarden zijn aangetroffen, vooruitlopend op het definitieve selectieadvies vast voor verdere ontwikkeling vrij te geven (figuur 3.3).

Tabel 3.1

Aangelegde vierkante meters per fase per vlak (zie figuur 3.2).

Offem-Zuid 23

Van de campagne van juli 2017 is in overleg met de projectgroep geen evaluatierapport gemaakt maar een tussenverslag met een beschrijving van de resultaten van deze campagne. Ten behoeve van dit tussenverslag zijn de fysisch-geografische gegevens en de sporen en structuren uitgewerkt, en is het vondstmateriaal gescand. Er is geen specialistisch onderzoek uitgevoerd. Het uitwerkingsvoorstel, het selectieadvies en het tussenverslag zijn door de projectgroep akkoord bevonden.

Tabel 3.2

Overzicht van de vondsten.

Tabel 3.3

Totaal Monsters.

Figuur 3.3

Voorstel vrij te geven terreindeel.

totaal vondstcategorie

aantal

gewicht

aardewerk middeleeuwen - NT

56

1152,3

aardewerk Romeins onbepaald

2

74,6

aardewerk prehistorisch

702

8489,4

baksteen

26

3352,3

keramiek pijpen

6

17,1

glas

4

53,4

verbrande klei

10

240,5

hout

8

ijzer

7

85,1

dierlijk bot

85

2206,4

houtskool

15

2,2

natuursteen

11

916,7

vuursteen

3

28,3

totaal

938

16808

categorie

aantal

Monster algemeen akkerlaag (voor faculteit Archeologie-Corrie Bakels)

35

Monster schelp (voor faculteit Archeologie-Wim Kuipers)

10

Zeefmonster akkerlaag/vondstlaag

25

Monsters archeobotanie

12

Pollenmonster (bak)

9

totaal

83

24

Offem-Zuid

Op basis van de evaluatie van de onderzoeksresultaten zijn de volgende specialistische onderzoeken uitgevoerd:

Aardewerk Uit de quickscan van het aardewerk bleek dat deze vondstcategorie bestaat uit handgemaakt aardewerk en aardewerk uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd (incl. keramieken pijpen). Al het aardewerk (m.u.v. gruis) is geanalyseerd om zo de datering van de sporen en de verschillende archeologische niveaus scherper in beeld te krijgen.

Dierlijk bot Het dierlijk bot is afkomstig uit vondst- en akkerlagen en grondsporen uit de ijzertijd. Om die reden is al het botmateriaal nader onderzocht.

Steen Er zijn elf stuks natuursteen en 3 stuks vuursteen aangetroffen, die deels afkomstig zijn uit sporen uit sporen en lagen uit de Nieuwe tijd en deels uit ijzertijd-sporen. Er is voor gekozen alleen het steenmateriaal uit de de ijzertijd-sporen te analyseren.

Baksteen, verbrande klei en glas Deze vondstcategorieën zijn klein in aantal en bestaan uit kleine fragmenten die over het algemeen niet determineerbaar zijn. Een analyse van het materiaal is niet noodzakelijk voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen.

Hout In totaal zijn er acht staken aangetroffen. Uit de quickscan van het hout is naar voren gekomen dat het elshout betreft en bekapt met een ijzeren bijl. Het hout is niet geschikt voor dendrochronologie, eventueel wel voor C14-analyse. Het hout is niet nader geanalyseerd omdat dit niet meer informatie zou opleveren.

Houtskool Het houtskool komt allemaal uit een spoor dat in de top van de overstromingsafzettingen is ingegraven. Op grond van deze stratigrafische ligging wordt het spoor als niet heel oud beschouwd. Het houtskool is daarom niet uitgewerkt.

Metaal Er zijn in totaal zeven stuks metaal aangetroffen. Vijf (fragmenten van) spijkers zijn van geringe informatiewaarde en daarom niet verder geanalyseerd. Een metalen voorwerp is afkomstig uit de vondstlaag, deze is naar Restaura gebracht om te worden geröntgend, wegens omstandigheden is er nog geen nadere informatie hierover.

Schelpen Schelpenmonster 191 uit de geul spoor 280 is geanalyseerd om de milieuomstandigheden waaronder de geul is gevormd te achterhalen. De overige schelpmonsters zijn ter beschikking gesteld aan Wim Kuipers voor zijn onderzoeksprogramma van de Faculteit Archeologie Universiteit Leiden.

Archeobotanie Tijdens de evaluatie zijn drie contexten geselecteerd voor archeobotanisch onderzoek. 1. Akkerlaag. Om een beeld te krijgen van de aanwezigheid en kwaliteit van archeobotanische resten in de akkerlaag en hun geschiktheid voor

Offem-Zuid 25

¹⁴C-dateringsonderzoek, zijn de monsters 22 (put 3) en 75 (put 30) geïnventariseerd en gewaardeerd. Beide monsters bleken ongeschikt voor verdere analyse en bevatten geen ¹⁴C-geschikt materiaal. 2. Grondsporen. Voor het vaststellen van de aanwezigheid en kwaliteit van archeobotanische resten in de grondsporen uit de ijzertijd zijn vier monsters geïnventariseerd en gewaardeerd.8 De monsters 134 en 135 van greppelsporen 230 en 231 uit put 41 bleken ongeschikt voor analyse. De monsters 126 en 176 van kuilen 228 (put 43) en 265 (put 46) bevatten wel voldoende archeobotanische resten en zijn nader onderzocht. Beide monsters bleken ook geschikt voor ¹⁴C-onderzoek. Het meest kansrijke monster 176 is geselecteerd voor ¹⁴C-onderzoek. 3. Erosiegeul. In het noorden van het plangebied is een grote geul (spoor 280 in werkput 21) aangetroffen van waaruit het plangebied grootschalig is overstroomd, waarbij delen van de duinafzettingen zijn geërodeerd. Onduidelijk is of de erosie een fluviatiele- of mariene achtergrond heeft en wanneer deze plaats had. Om licht op deze problematiek te werpen, zijn zes pollenmonsters en zes macromonsters uit de geulvulling geïnventariseerd en geanalyseerd.9 Tevens zijn uit drie van de macromonsters macroresten geselecteerd voor ¹⁴C-onderzoek. Alle niet voor archeobotanisch onderzoek geselecteerde monsters zijn voorlopig opgeslagen.

Na afloop van een eventuele opgraving wordt bepaald of verder onderzoek aan deze monsters zinvol is of dat zij verwijderd kunnen worden. De akkerlaag-monsters worden door Corrie Bakels van de Faculteit Archeologie, buiten het kader van onderhavig onderzoek, in het kader van haar akkeronderzoek uitgewerkt.

3.6 Introductie resultaten en datering Het proefsleuvenonderzoek heeft geleerd dat het plangebied bewoond is geweest vanaf de vroege of midden-ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Hierna lijkt het plangebied lange tijd onbewoond te zijn, om in de 13e eeuw als akker- en weidegebied in gebruik genomen te worden. Er zijn geen aanwijzingen dat toen ook in het gebied gewoond werd. Bij het bepalen van de ouderdom van de aangetroffen archeologische resten zijn twee methoden gehanteerd. 1. Typochronologie van vondstmateriaal. Alle vondsten zijn typologisch en technologisch geanalyseerd. Met name het aardewerk leverde op deze manier chronologische aanwijzingen op. Het merendeel van het handgemaakte aardewerk is slechts globaal te dateren. De scherper te dateren vondsten zijn hoofdzakelijk toe te wijzen aan de midden- en late ijzertijd, maar er zijn ook aanwijzingen dat aardewerk uit de vroege ijzertijd en de Romeinse tijd in het vondstcomplex aanwezig is. Naast het handgemaakte aardewerk is ook gedraaid aardewerk uit de late middeleeuwen (vanaf 14e eeuw) en de Nieuwe tijd aangetroffen. 2. ¹⁴C-analyse. Er zijn vier monsters geselecteerd voor ¹⁴C-onderzoek. Een monster is gedateerd door het Poznań Radiocarbon Laboratory (Poznań, Polen; tabel 4.1).

De analyse van het monster, dat betrekking heeft op een grondspoor van vindplaats A, resulteert in een gecalibreerde ouderdom van 60 – 220 AD. 8 Uitgevoerd door E. van Hees (Stichting Lab/ Faculteit Archeologie Universiteit Leiden). 9 Uitgevoerd door H. van Haaster en M. van Waaijen (BIAX).

26

Offem-Zuid

Drie dateringen zijn uitgevoerd door het Ångström Laboratory te Uppsala in Zweden (tabel 7.7). Het betreffen monsters uit een erosiegeul in het noorden van het plangebied. Twee monsters dateren uit de vroege middeleeuwen (610-690 AD en 710-900 AD). Het derde monster heeft een afwijkend oude datering (3250-3190 BC). Een waarschijnlijke verklaring is dat het monster bestaat uit verspoelde plantenresten van een oudere bodemlaag.

Offem-Zuid 27

4

Resultaten landschappelijk onderzoek W.K. van Zijverden & A.J. Tol

4.1 Algemeen In het gehele onderzoeksgebied bestaat de basis van het profiel uit matig gesorteerd matig grof tot grof zand. In dit zand bevinden zich naast schelpgruis vooral enkelkleppige mollusken . Het betreft naast mariene kokkels vooral soorten als het nonnetje. Opvallend is dat er relatief weinig schelpmateriaal in zit. Op veel plaatsen zijn in de top van het zand dunne kleilagen aanwezig of is op het zand een kleilaag afgezet. Deze laatste kleilaag is humeus van aard, matig geconsolideerd en sterk horizontaal gelaagd. De zand- en kleiafzettingen kunnen worden geïnterpreteerd als

Figuur 4.1

Reconstructie van het duinenlandschap. 90800

91000

91200

91400

Legenda veen op strandzand oude duinen op strandzand veen op oude duinen op strandzand 471600

471600

verspoelde top oude duinen

471400 471200

471200

471400

niet onderzocht

471000

471000

N

0

250m

90800

91000

91200

91400

-230

-180

-130

-80

-30

20

70

0

A

64,51

85,08 102,48

bouwvoor/ opgebracht zand

overstromings afzettingen

oude duinafzettingen

veen

strand- en kwelder- afzettingen

21,07

240,85

282,33 322,26

365,54

Afstand tot nulpunt in meters

421,7

452,67

476,4

501,21

528,73

584,33

614,47

A'

28 Offem-Zuid

Figuur 4.2

Schematisch profiel van het plangebied Offem-Zuid. Voor de ligging van het profiel, zie figuur 3.2.

Hoogte t.o.v. NAP in centimeters

Offem-Zuid 29

90800

91000

91200

91400

Legenda overstromings afzettingen oude duinen (intact)

471600 471400 471200

471200

471400

471600

niet onderzocht

471000

471000

N

0

250m

90800

91000

91200

91400

Figuur 4.3

Reconstructie van de overstromingsafzettingen. De locatie van de erosiegeul (spoor 280) in put 21 is met een rode ster weergegeven.

strandafzettingen (figuur 4.1 en 4.2). De kleiige afzettingen vormen de aanzet tot een kwelder. Het geringe aantal schelpen in deze kleilaag is opmerkelijk. Mogelijk heeft dit te maken met een grote dynamiek in waterkwaliteit. De top van de strandafzettingen varieert van 0,85 tot 1,6 m –NAP. Ten westen van de Achterweg liggen de strandafzettingen 40 tot 50 cm hoger dan in de rest van plangebied. Mogelijk is dit de strandwal die volgens Van der Valk10 in het midden van het plangebied zou liggen en daar vermoedelijk tussen 2.500 en 2.250 voor Chr. tot stand is gekomen. De aan beide zijden van deze strandwal lager gelegen strandafzettingen zouden dan gedefinieerd kunnen worden als strandvlakten. Op de strandafzettingen bevindt zich in het centrale en zuidelijke deel van het plangebied een pakket goed gesorteerd zwak siltig matig grof zand. Dit pakket is geïnterpreteerd als duinzand. In dit pakket zijn op verschillende niveaus begraven

10 1996.

30

Offem-Zuid

bodemhorizonten aangetroffen (zie onder). De hoogste delen van het duinzand liggen rond 0 m +NAP. Deze duinen lijken grofweg in drie ruggen te zijn gevormd. Een rug direct ten westen en vooral ten oosten van de Achterweg, een rug in het oosten van het plangebied (de zuidelijke punt ervan lijkt ter hoogte van put 4 aan te sluiten op de “Achterwegse” rug) en een rug verder ten noordwesten van de Achterweg die doorloopt in het hier gelegen nog niet onderzochte deel van het plangebied. Daar waar geen duinen zijn gevormd, worden de strandafzettingen afgedekt door een circa 40 cm dikke veenlaag. Dit veen bedekt ook de flanken van de duinafzettingen. Het veen bestaat gedeeltelijk uit rietveen (liggend blad) en zeggeveen (fijne worteltjes structuur). Het veen en delen van de duinen zijn afgedekt met een pakket dat overwegend uit zand bestaat maar waarin ook dikkere kleilagen aanwezig zijn (figuur 4.3). De zandige lagen bestaan uit goed gesorteerd matig grof zand. Dit zand bevat geen mollusken en is horizontaal gelamineerd en voorzien van dunne klei- en humuslagen. Aan de basis bevat het zand in enige mate organische stof naar boven toe neemt dit abrupt af voor de redox grens. Dit wijst er op dat op deze plaats waarschijnlijk sprake is van een recent verhoogde grondwaterstand. De aard van de gelaagdheid en het zandige sediment doet erg denken aan overstromingsafzettingen (wash-overs).

Verderop wordt nader op de achtergrond en de datering van de zandige overstromingsafzettingen ingegaan. Plaatselijk is onder of op de zandige overstromingsafzettingen een pakket matig tot uiterst siltige klei aanwezig. Ook hier betreft het overstromingsafzettingen. Gezien de homogene aard, de relatieve datering en het ontbreken van mollusken is het aannemelijk dat het klei van de Oude Rijn betreft. Bij een grote wateraanvoer trad deze rivier buiten zijn oevers en overstroomde de nabij gelegen strandvlakten, waarbij vooral kleiig materiaal werd afgezet. In het gehele plangebied worden de “natuurlijke” afzettingen afgedekt door opgebrachte grond. In de top is de huidige bouwvoor aanwezig.

4.2 De archeologische niveaus en hun datering Binnen de bodemhorizonten zijn verschillende potentiële archeologische niveaus aan te wijzen: niveaus die langere tijd aan het oppervlak hebben gelegen en daardoor door de mens betreden en bewoond kunnen zijn geweest. Hieronder wordt op deze potentiële archeologische niveaus dieper ingegaan.

Overstromingsafzettingen De top van de overstromingsafzettingen heeft, voordat het werd afgedekt met ophogingszand, eeuwenlang aan het oppervlak gelegen. De hierbij ontstane bodem is echter nergens meer aanwezig. Vermoedelijk is deze voorafgaand aan de ophoging verwijderd en op het ophogingszand als bouwvoor teruggezet. Binnen de zandige overstromingsafzettingen zijn geen begraven bodems in de vorm van vegetatiehorizonten aangetroffen. In de kleiige overstromingsafzettingen (Oude-Rijnafzettingen) zijn op enkele plaatsen (sleuven 1, 30, 33, 40 en 44) mogelijke vegetatiehorizonten vastgesteld. Alle sporen die stratigrafisch gekoppeld zijn aan de overstromingsafzettingen, zijn ingegraven vanuit de top ervan. Er zijn geen sporen aangetroffen die gerelateerd zijn aan de bodemhorizonten. De aangetroffen sporen hangen alle samen met het agrarische gebruik in de middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vaak zijn het sporen van recente datum.

Offem-Zuid 31 Figuur 4.4

Schematisch profiel langs de proefsleuven, 1, 37 en 2.

put 73

put 1

50

put 2

Hoogte t.o.v. NAP in centimeters

0

-50

-100

-150

-200 0

30,96

54,69

79,5

92,03

107,02

118,49

Afstand tot nulpunt in meters strand- en kwelder- afzettingen oude duinen akker in oude duinen bodem in oude duinen veen overstromings afzettingen bouwvoor/ opgebracht zand

Veenlaag Op veel plaatsen is de top van het veen geërodeerd door de bovenliggende overstromingsafzettingen. Op andere plaatsen is de top geoxideerd hetgeen suggereert dat hier sprake is van een intact veenpakket met een top die door ontwatering drooggevallen was. Het is overigens niet duidelijk of dit komt door moderne ontwatering of oudtijdse ontwatering. Hoe het ook zij, er zijn geen aan het veen gerelateerde grondsporen aangetroffen die erop duiden dat de moerassige standvlakte in het verleden betreedbaar was. Er komen in het veen wel enkele scherpe insnijdingen voor die onderin gevuld zijn met brokken sediment en boven “natuurlijk” zijn opgevuld. In het veld zijn deze insnijdingen aanvankelijk als mogelijke greppels geïnterpreteerd. De insnijdingen hangen echter samen met de bovenliggende overstromingsafzettingen en zijn als erosiegeultjes te beschouwen. De grote cohesie van het veen zorgde ervoor dat alleen sterk stromend water in geultjes het veenpakket diep kan eroderen. Deze erosiegeultjes zijn doorgaans scherp begrensd, hetgeen ze een antropogeen uiterlijk geeft.11

11 Zie voor voorbeelden: Dijkstra en Zuidhoff, 2011.

32

Offem-Zuid

90800

91000

91200

91400

Legenda bodem oudste duinfase bodems jongste en oudste duinfase

471600

niet onderzocht

471400 471200

471200

471400

geen oude duinen

471600

geen bodems in oude duinen akkersporen in bodem oudste duinfase

471000

471000

N

0

250m

90800

91000

91200

Figuur 4.5 Duinen Binnen de duinafzettingen zijn in grote lijnen twee hoofdniveaus te onderscheiden. Deze stratigrafie kan het best worden geïllustreerd aan de hand van het profiel langs de proefsleuven 1, 37 en 2 (figuur 4.4). De basis van dit profiel bestaat uit strandafzettingen met in de top een kleiige aanzet van een kwelder. Hierop ligt een circa 50 cm dik pakket duinzand waar zich in de top een bodem heeft ontwikkeld (circa 1,0 m –NAP). Deze bodem bevatte in het zuidelijke deel van put 1 en in put 37 veel houtskool en kleine sterk gefragmenteerde partikels handgemaakt aardewerk. De circa 4 cm diepe ploegsporen van een eergetouw die onder de bodem voorkomen, maken duidelijk dat hier sprake is van een akker (dikte circa 15 cm). In het noorden van put 1 en in het noorden van put 2 lijkt de bodem niet tot akker te zijn omgezet. In het zuiden van put 2 is de bodem niet aangetroffen, op een smalle strook in het uiterste zuiden na.

91400

Reconstructie van de verspreiding van de bodem- en akkerlagen in de duinafzettingen.

Offem-Zuid 33

In het noorden van put 1 is op de bodem een dunne laag stuifzand afgezet. Vervolgens is sprake van vernatting waardoor zich hier een dunne veenlaag heeft ontwikkeld. De veenlaag bevatte veel partikels houtskool waardoor de laag waarschijnlijk (deels) gelijktijdig is met de akkerlaag. Hierna is op deze veenlaag en het noordelijke deel van de akker een nieuw duin ontstaan. Tegelijkertijd ontwikkelde zich op het resterende deel van de akker door vernatting een veenlaag die ook de flank van het nieuwe duin bedekte. Op het hogere deel van het duin (circa 0,5 m –NAP) vormde zich een “droge” bodem waaraan verschillende grondsporen zijn gekoppeld. Feitelijk bestaat deze bodem uit twee vegetatiehorizonten van elkaar gescheiden door een dunne stuiflaag. Deze “dubbele” bodem is door de latere overstroming grotendeels verdwenen. Dit afdekkende pakket overstromingsafzettingen heeft een dikte van circa 50 cm en valt op door de aanwezigheid van grote stukken verspoeld aardewerk. De erosie/ verspoeling kan niet over een heel grote afstand hebben plaatsgevonden gezien de grote hoeveelheid scherven en de wijze waarop de scherven in het sediment zijn ingebed (kriskras).

Ook de overeenkomst in datering tussen de verspoelde vondsten en de vondsten uit de onderliggende grondsporen (hoofdzakelijk late ijzertijd) pleit voor een associatie tussen het verspoelde materiaal en de onderliggende grondsporen. Ook elders binnen de zone met duinafzettingen zijn op ongeveer dezelfde diepte als in putten 1 en 37 begraven bodems aangetroffen die voor een belangrijk deel als akker zijn benut (zie figuur 4.5). Deze begraven bodems/akkers liggen tussen 0,7 m en 1,17 m –NAP en hebben een dikte van 10 tot 20 cm. In figuur 4.5 is de verspreiding van deze akkerlagen en bodems weergegeven. Te zien is dat de akkerlaag uit putten 1 en 37 deel uitmaakt van een groter begraven akkerareaal dat zich vooral net ten oosten van de Achterweg uitstrekt. Daarnaast zijn kleinere arealen van begraven bodems met akkersporen aanwezig ten westen van de Achterweg en in het oosten van het plangebied. Dit niveau wordt in onderhavig onderzoek het “oudste duinniveau” genoemd. Net als in putten 1 en 37 is dit niveau op veel plaatsen, met name ter plaatse van de akkersporen, afgedekt door een dun veenlaagje. Alleen in put 1 zijn binnen het oudste duinniveau subniveaus aanwezig die van elkaar gescheiden zijn door een dunne stuiflaag. Elders in het plangebied is een dergelijke gelaagdheid niet vastgesteld.

Het is echter niet uitgesloten dat deze er daar oorspronkelijk ook is geweest maar dat dit door de beakkering is gehomogeniseerd. Een uitzondering vormt het profiel van put 7. Hier bevond zich circa 40 cm onder de akkerlaag een begraven bodem met venige top (op circa 1,2 m –NAP). Het oudste duinniveau heeft niet alleen akkersporen opgeleverd, maar ook enkele “losse”paalsporen, greppels en een waterkuil. Het weinige diagnostische vondstmateriaal dat uit de akkerlaag afkomstig is dateert het gebruik ervan globaal in de tweede helft van de midden- en de late ijzertijd.

Tabel 4.1

Monsters uit de lagen met verspoelde vondsten. Overzicht van het aantal vondsten per vondstcategorie.

put vondstnrs vak

plantaardig houtskool schelp

1

2-4

9001

-

42

1

6-8

9002

-

18

46

166-167

9051

-

46

168-169

9050

-

5

steen aardewerk bot baksteen

residu indet

1

220

22

37

x 280

3

51

1

5

x

60

4

46

3

x

49

4

64

2

x

67

1

Op vier plaatsen is op het oudste duinniveau een tweede duinfase afgezet (jongste duinfase). De top hiervan ligt tussen 0,16 m +NAP en 0,5 m –NAP. Opvallend is dat deze tweede duinfase nauwelijks “overlapt” met de akkers, maar vooral op de delen van het oudste duinniveau zijn afgezet die niet als akker zijn benut. Alleen in put 1 zijn in de top van het jongste duinniveau resten van bodems aangetroffen. Overal elders zijn deze bodems door de overstromingsafzettingen geërodeerd. Vanuit de top van het

34

Offem-Zuid

jongste niveau zijn ruim 70 grondsporen ingegraven die nog redelijk geconserveerd zijn. Dit betekent dat de overstromingen slechts geleid hebben tot een oppervlakkige erosie van de top van het jongste duinniveau. Zoals hierboven reeds aangegeven was in put 1 in de afdekkende overstromingsafzettingen veel verspoeld vondstmateriaal aanwezig (zie tabel 4.1). Ook in de sporenrijke putten 5 en 46 bevatten de afdekkende overstromingsafzettingen veel verspoelde vondsten. Hierboven is beargumenteerd dat de verspoelde vondsten waarschijnlijk globaal geassocieerd kunnen worden met de onderliggende grondsporen van het jongste duinniveau. Op grond van het vondstmateriaal uit beide contexten kan het jongste duinniveau in de middenijzertijd tot in de Romeinse tijd worden gedateerd. Dat het jongste niveau tot in de Midden-Romeinse tijd door de mens betreden is, wordt bevestigd door de 14C datering van kuilspoor 265 uit put 46 (zie tabel 4.2). labnr. Poznan Poz-91135

14C-datering BP

kalenderouderdom (2 sigma)

1885 ± 30

60 – 220 AD

In grote stukken met duinafzettingen zijn geen bodemhorizonten aangetroffen waardoor hier geen oudste en jongste duinfase is te onderscheiden. Deels kan dit zijn veroorzaakt door de eroderende werking van de overstromingsafzettingen die de duinafzettingen soms tot 0,7 m -NAP hebben opgeruimd. Dit geldt met name voor de meer oostelijke delen van het duincomplex. Bij de duinafzettingen zonder bodems langs de Achterweg is dat zeker niet het geval. Hier is niet of slechts oppervlakkig sprake van erosie door overstromingsafzettingen. De bodem in de top van dit duinpakket is in historische tijden, vermoedelijk tijdens het aanbrengen van het ophogingszand, afgegraven. Begraven bodems zijn in deze strook niet aanwezig waardoor het erop lijkt dat dit duinpakket in één keer op de strandafzettingen is afgezet. Dit zou kunnen betekenen dat dit duinpakket correspondeert met het oudste duinniveau en het hoogste deel hiervan vertegenwoordigt. Een voorzichtige aanwijzing hiervoor leveren de grondsporen in putten 39 en 41 in de top van het duinpakket en de dunne afdekkende laag overstromingsafzettingen. Deze bevatten aardewerk uit de vroege ijzertijd tot in de Romeinse tijd, hetgeen overlappend is met het vondstmateriaal uit het oudste duinniveau.

Zeker is het bovenstaande allerminst, omdat tijdens het proefsleuvenonderzoek geen putten zijn aangelegd waarin de relatie tussen het oudste duinniveau en de top van het duinpakket langs de Achterweg in één profiel kon worden onderzocht.

4.3 De overstromingsafzettingen: aard en ouderdom Het grootste deel van de natuurlijke bodem in het plangebied bestaat uit overstromingsafzettingen in de vorm van geulen en horizontaal gelamineerde pakketten kleiig zand. Omdat er binnen de overstromingsafzettingen (vrijwel) geen stilstandsfasen in de afzetting zijn vastgesteld, is het aannemelijk dat het voor het grootste deel om afzettingen van een grote overstroming gaat. Uit het feit dat de overstromingen plaatselijk geleid hebben tot aanzienlijke erosie van de ondergrond is af te leiden dat deze met veel kracht hebben plaatsgevonden. De afzettingen van een dergelijke krachtige overstroming worden ook wel washover genoemd. Een washover is een tijdelijke krachtige doorbraak van de kust waarbij het achterland overstroomt raakt. De vraag is wanneer deze washover heeft plaatsgevonden en of het een door aanvoer vanuit de Rijn geïnduceerde overstroming is of dat het een gevolg is van een stormvloed.

Tabel 4.2

Resultaten van het daterend onderzoek aan botanische resten uit spoor 265 (put 46). De calibratie is uitgevoerd met OxCal v4.2.3

Offem-Zuid 35

In het noorden van het plangebied is een grote geul aangetroffen van waaruit de erosie (deels) heeft plaatsgevonden (spoor 280 in werkput 21; zie figuur 4.3). Onderzoek is verricht aan schelpen en archeobotanische resten uit de geulvulling om te bepalen wat de achtergrond en ouderdom van de overstroming was (zie hoofdstuk 8). Voorafgaand aan het onderzoek van de geul, was duidelijk dat de overstroming na het begin van de Romeinse tijd moet hebben plaatsgevonden. De jongste vondsten uit de overstromingsafzettingen dateren immers uit de Romeinse tijd. Het pollenbeeld, gecombineerd met een tweetal ¹⁴C-dateringen uit het bovenste deel van de geulvulling plaatsen de overstroming in waarschijnlijk de vroege middeleeuwen (7e eeuw of iets eerder). Het blijkt dat na de vorming van de geul, deze in principe gevuld was met zoet water maar dat ook regelmatig sprake was van brakke invloed. Het water stroomde rustig. Onderin lijkt de mariene invloed het sterkst te zijn geweest. Het onderzoek geeft geen duidelijkheid over het milieu waarin de overstroming plaatsvond. Omdat ten tijde van de overstroming de activiteit van de Oude Rijn vrijwel tot stilstand was gekomen, is het echter aannemelijk dat het om een overstroming als gevolg van een stormvloed gaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=d59a3547-a556-443d-a6f8-d24b4eeea084