CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

A. Bestemmingsplan ‘Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk’ - toelichting

Gemeenteraadsvergadering 6 februari 2025, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk’17.370 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

24/45

4

Omgevingsaspecten

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.

4.2

Archeologie

4.2.1 Inleiding Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.2.2 Betekenis voor het plan De gemeente heeft een beleidsadvieskaart archeologie voor het gehele grondgebied opgesteld. Ter plaatse van het plangebied geldt voor het grootste deel een middelhoge verwachting en voor een smalle strook langs de Adriaan Mouriszweg een hoge verwachting. In gebied met een middelhoge verwachting moeten ingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter beneden maaiveld worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek. In gebied met een hoge verwachting geldt dit voor ingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter beneden maaiveld worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek. De nieuwe bebouwing komt voor een groot deel ter plaatse van de bestaande bebouwing.

De gronden zijn hier daardoor nu niet goed te onderzoeken. Ook is de bodem hier al verstoord. Om mogelijke archeologische waarden te beschermen, zijn in het nieuwe bestemmingsplan twee dubbelbestemmingen opgenomen, te weten ‘Waarde – Archeologie 5’ voor het gebied met een hoge verwachting en ‘Waarde – Archeologie 6’ voor het gebied met een middelhoge verwachting. Daarmee is geborgd dat voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning het benodigde onderzoek wordt uitgevoerd.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

25/45

afbeelding 11: uitsnede Archeologische beleidskaart Noordwijk

4.3

Cultuurhistorie

4.3.1 Inleiding In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is vastgelegd dat de ruimtelijke ordening een samenhangende afweging van alle belangen behelst. Tot die belangen wordt ook het cultureel erfgoed gerekend. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is daarom de verplichting vastgelegd om in de ruimtelijke ordening “rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden”. 4.3.2 Betekenis voor het plan Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Noordwijk kan worden geconstateerd dat er binnen het plangebied geen monumenten of objecten aanwezig zijn met een hoge of middelhoge cultuurhistorische waarde. Aan de gehele wijk Boerenburg wordt een basiswaarde toegekend als naoorlogse uitbreidingswijk van Noordwijk-Binnen. De ontwikkeling vindt plaats binnen de oorspronkelijke structuur van de wijk en wijzigt de opzet van de wijk nauwelijks (zie ook paragraaf 2.3). 4.3.3 Conclusie De ontwikkeling doet geen onevenredige afbreuk aan ter plaatse bekende cultuurhistorische waarden. Daarmee is er vanuit het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de (financiële) haalbaarheid van het plan. 4.4.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Aveco de Bondt, 1 mei 2023). Het rapport is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

26/45

Over het algemeen is op de locatie in de bovengrond sprake van heterogeen verdeelde licht tot matige verhoogde gehalten met diverse stoffen. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen. Ter plaatse van de onderzochte verdachte activiteiten (transformatorhuis, vul-/ontluchtingspunt en gedempte watergang) zijn geen verontreinigingen aangetroffen die aan de betreffende activiteiten kunnen worden gerelateerd. In de noordoosthoek is bij één boorlocatie (06) een sterke verontreiniging met lood en zink aangetroffen en is een matig verhoogd asbestgehalte aangetroffen. De verontreiniging is gerelateerd aan de aangetroffen bijmengingen en betreft waarschijnlijk een ophooglaag die is aangebracht voor het bouwrijp maken van het terrein. Omdat deze laag begin jaren 70 van de 20ste eeuw is aangebracht is sprake van een historische verontreiniging. Omdat de locatie nog bebouwd is, was geen volledige maaiveldinspectie mogelijk. Daarom zal na het verwijderen van de bebouwing, verharding en begroeiing alsnog een volledige maaiveldinspectie uit worden gevoerd en zal de bodem onder het aanwezige gebouw worden onderzocht. Tevens zal voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning bouwen nader onderzoek worden uitgevoerd ter hoogte van boring 06, conform het advies uit het verkennend bodemonderzoek.

De algemene bodemkwaliteit voldoet niet aan de gewenste toekomstige functie "wonen" Daarnaast zijn lokale gevallen van verontreiniging aangetroffen. De aanwezigheid van de aangetroffen lokale verontreiniging met asbest, lood en zink kan bij de realisatie van het bestemmingsplan aanleiding zijn voor het uitvoeren van sanering. Deze vervolgonderzoeken worden verder opgepakt en mocht sanering nodig zijn, dan zal dit worden uitgevoerd, zodat de grond geschikt wordt voor de toekomstige functie wonen. 4.4.3 Conclusie Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit volgen enkele aanbevelingen voor nader onderzoek dat uitgevoerd dient te worden voordat er nieuwe woningen gebouwd kunnen worden. Voor het bestemmingsplan is de bodem voldoende onderzocht. De vervolgonderzoeken worden verder opgepakt en mocht sanering nodig zijn, dan zal dit worden uitgevoerd, zodat de grond geschikt wordt voor de toekomstige functie wonen. Daarmee is er vanuit het aspect bodem geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.5

Water

4.5.1 Beleid en regelgeving Voor alle ruimtelijke plannen is de uitvoering van een watertoets wettelijk verplicht. Het doel van de watertoets is om waterbelangen vroegtijdig en evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland en van de gemeente Noordwijk relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap. 4.5.1.1 Waterbeheerprogramma 6: Water wijst de weg Het plangebied ligt in het beheersgebied van het hoogheemraadschap Rijnland. Op 8 februari 2022 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) gepubliceerd.

Dit programma beschrijft het waterbeer voor de periode tussen 2022 en 2028.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

27/45

De ondertitel van het programma luidt: Water wijst de weg. Binnen het programma worden er 5 maatschappelijke opgaves benoemd, waar het Hoogheemraadschap de kerntaken aan koppelt: • Bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; • Tegengaan van bodemdaling; • Versterking van de biodiversiteit; • Energieneutraal werken; • Nederland circulair in 2050. Per deelgebied heeft het Hoogheemraadschap een interactieve visiekaart gemaakt, met de 4 landschapstypen (veen, steen, zand en zout). Afhankelijk van de ligging van het plangebied geldt een andere beleidsvisie. Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en wordt er meer water afgevoerd via de grote rivieren. Dit kan grote gevolgen hebben voor de (primaire) waterkeringen. Rijnland heeft als taak het leefgebied, de inwoners en bedrijven te beschermen tegen overstromingen vanuit de zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voor het beschermen van het gebied is samenwerken van belang. Rijnland zorgt er op die manier voor dat er bij ruimtelijke plannen waterveiligheid wordt meegenomen. Ook de overige (water gerelateerde) onderwerpen zoals peilbeheer, het watersysteem en wateroverlast) komen aan bod in het WBP6). 4.5.1.2 Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 13 mei 2020 is een nieuwe Keur (gewijzigd vastgesteld) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet.

Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer. De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen.

De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500 m2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000 m2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. 4.5.1.3 Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a. Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b. Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c. Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater;

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

28/45

d. Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e. Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. 4.5.1.4 Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie.

Er kan gedacht worden aan natuurinclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. 4.5.1.5 Waterschapsverordening van Rijnland 2024 Rijnland werkt momenteel hard aan het omzetten van de Keur in de Waterschapsverordening, waar nieuwe klimaatregels aan worden toegevoegd. Deze nieuwe regels zijn op basis van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen nader uitgewerkt voor het beheergebied van Rijnland. Deze regels gaan in per 1 januari 2024. Dit heeft voor het plan nu geen invloed. 4.5.2 Betekenis voor het plan - watertoets Voor het bestemmingsplan is deze waterparagraaf opgesteld, waarin de voor dit plan relevante waterhuishoudkundige aspecten zijn beschreven. Er is getoetst aan de regels van het hoogheemraadschap door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat er beperkte waterbelangen zijn en de zogenoemde ‘korte procedure’ van de watertoets van toepassing is. Dit betekent dat het volstaat om het hoogheemraadschap te informeren door het bestemmingsplan toe te sturen in het kader van het vooroverleg. Eerdere afstemming in de voorbereidende fase is niet nodig. Het resultaat van de uitgevoerde watertoets is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.

Hierna wordt nader ingegaan op de waterhuishoudkundige aspecten in het plangebied. Verharding In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook is er geen water in de directe nabijheid van het plangebied. In de huidige situatie is het plangebied volledig verhard (met enkel wat groen in de vorm van klimop en enkele bomen aan de randen van het terrein. De aanwezige bebouwing heeft een oppervlakte van ongeveer 690 m2. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er komt een nieuw gebouw van ongeveer 600 m2 terug. Het terrein bij het nieuwe gebouw wordt ingericht als parkeerterrein. Daar waar ruimte is komen enkele groenelementen op het terrein. Aan de straatzijde krijgen de appartementen op de begane grond een voortuin. In totaliteit zal sprake zijn van een gelijkblijvend verhard oppervlak en in elk geval geen toename die groter is dan 500 m2. Dit betekent dat er geen compensatie-eis is vanuit het beleid van het hoogheemraadschap. Riolering en afkoppelen hemelwater Het plan maakt 24 appartementen mogelijk en leidt daarmee tot een lozing van meer dan 15 huishoudens op de aanwezige riolering. Bij een grote toename van woon- en bedrijfseenheden heeft dit invloed op de waterketen en het aanbod van afvalwater op de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Daarnaast kan een toename invloed hebben op het watersysteem. Vanuit dit

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

29/45

oogpunt vraagt het hoogheemraadschap om op de hoogte te worden gehouden van dergelijke ontwikkelingen. Daar zal aan worden voldaan. Om te voldoen aan het streven om vuil water en schoon water zoveel mogelijk te scheiden, zal de afvoer van hemelwater worden ontkoppeld van de afvoer van afvalwater in het plangebied. De afvoer van het afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel. Er zullen voorzieningen komen in het plangebied om het hemelwater te kunnen laten infiltreren in de bodem. Gedacht wordt om delen van het parkeerterrein in te richten met halfopen verharding. De exacte manier wordt uitgewerkt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning. Klimaatadaptief bouwen In de huidige situatie is het plangebied voor het grootste deel verhard en bebouwd. Enkel aan de straatzijde is sprake van wat groenstroken en aan de randen zijn struiken en enkele bomen. Het plan zal bijdragen aan de urgente woningbouwopgave in Noordwijk en biedt de mogelijkheid om nieuwe sociale huur en middeldure woningen te realiseren op deze binnenstedelijke locatie. Dat betekent dat er ook een opgave is om tot voldoende parkeerplekken te komen op het terrein. Er is daardoor weinig ruimte over om tot vergroening te komen ten opzichte van d de huidige situatie. Daar waar ruimte is, zal in de definitieve inrichtingstekening worden getracht groenstroken aan te brengen.

De appartementen op de begane grond krijgen aan de straatzijde een kleine voortuin, waar ruimte is om beplanting aan te brengen. Wat betreft waterstress is te melden dat er ter hoogte van het plangebied geen probleem is. Door de aanleg van een regenwaterriool en de herinrichting kan de wijk een klimaatbui in de openbare ruimte opvangen. 4.5.3 Conclusie De ontwikkeling leidt niet tot een toename aan verharding in het gebied. Er wordt rekening gehouden met de algemene aandachtspunten die uit de watertoets volgen. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het wateraspect geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.6

Ecologie

4.6.1 Inleiding De Wet natuurbescherming (Wnb) beschermt Nederlandse natuurgebieden, houtopstanden en planten- en dierensoorten. Gebiedsbescherming Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, zoals Natura-2000 gebieden. De bescherming van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) gebeurt in het ruimtelijk spoor van het Barro (Rijk) en de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Soortenbescherming Het doel van de wet is het in stand houden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De wet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. De verbodsbepalingen zijn een belangrijk onderdeel van de wet. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogelrichtlijnsoorten, 3.5 Habitatrichtlijnsoorten en 3.10 Andere soorten).

Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11)

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

30/45

4.6.2 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is een quickscan uitgevoerd naar de effecten op beschermde planten- en diersoorten en beschermde gebieden (Van der Goes en Groot, 25 november 2021, zie bijlage 3). In aanvulling hierop is een nader onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en huismussen (Van der Goes en Groot, 21 oktober 2022, zie bijlage 4). Ook is een stikstofdepositie rekening uitgevoerd (Van der Goes en Groot, 20 november 2023, zie bijlage 5). Hieronder is eerst ingegaan op de gebiedsbescherming en stikstofdepositie en daarna op de soortenbescherming. 4.6.2.1 Gebiedsbescherming Natura-2000 Het plangebied ligt op meer dan 600 meter afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000gebied, de Coepelduynen. Gezien de grote afstand, afscherming vanwege bebouwing en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring op het Natura-2000 gebied. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Enige effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, zijn effecten van stikstofdepositie. Stikstofemissie kan Natura 2000-gebieden op grotere afstand beïnvloeden. In voorliggend plan gaat het om de sloop van de bestaande bebouwing en de bouw en het gebruik van de woningen.

Uit de uitgevoerde stikstofdepositie berekening volgt dat er geen natuurgebieden zijn met een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor het aspect stikstofdepositie is geen vergunning of VVGB voor de Wnb gebiedenbescherming benodigd. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door de voorgenomen ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied bevindt zich niet binnen de contouren van Natuurnetwerk Nederland (NNN) of zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. De plannen hoeven verder niet getoetst te worden aan beschermde waarden binnen dit netwerk. De bescherming van gebieden als NNN-gebied is een planologische bescherming die alleen geldt voor ingrepen binnen de gebieden. ‘Externe werking’ op deze gebieden hoeft niet getoetst te worden. Wel dient te worden bekeken of een project valt onder ‘een goede ruimtelijke ordening’. De vraag is daarbij of de locatie wel de beste is voor deze bestemming (ook met het oog op natuurwaarden) en of de gevolgen van het plan nabijgelegen NNN-gebieden niet in betekenende mate aantasten. In het geval van het beschreven project wordt op grond van locatie, aard van het werk en afscherming geen belangrijke invloed verwacht op NNN-gebieden.

Weidevogelgebieden Het gebied is niet begrensd als een bijzonder te beschermen weidevogelleefgebied of belangrijk weidevogelgebied. Er is geen negatief effect mogelijk op Weidevogelleefgebieden, een nadere toetsing is niet nodig.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

31/45

afbeelding 12: ligging van het plangebied (rode pijl) ten opzichte van Natura-2000 gebied, NNN, natuurverbindingen en beschermde weidevogelleefgebieden (bron: Van der Goes en Groot)

4.6.2.2 Soortenbescherming Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie. Uit de quickscan is gebleken dat er alleen voor de huismus en vleermuizen nog nader onderzoek nodig is om na te gaan of deze soorten mogelijk aanwezig kunnen zijn in het plangebied. Overige beschermde niet vrijgestelde soorten zijn niet aangetroffen of er is geen geschikte biotoop voor. De bevindingen van het nader onderzoek naar de huismus en vleermuizen zijn hieronder beschreven. Huismussen Rondom het plangebied werden tijdens de inventarisaties vier nesten van Huismussen gevonden, grotendeels in huismusnestkasten. Bij de bebouwing van het plangebied zelf werden geen Huismussen waargenomen. Diverse Huismussen zaten zeer frequent in de klimophaag van het hek welke de noordwestkant van het perceel vormt. De Huismus werd niet broedend aangetroffen in het plangebied. Het plangebied biedt wel essentieel leefgebied voor de soort in de vorm van de brede klimophaag en/of andere brede opgaande groenstroken. Dit essentiële leefgebied ligt rondom de gehele noordwestelijke grens van het plangebied.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

32/45

afbeelding 13: klimop waar huismussen zijn waargenomen (bron: Van der Goes en Groot, 2022)

Vleermuizen In plangebied Susanna van Ettenstraat 2 zijn twee soorten vleermuizen vastgesteld, de Gewone dwergvleermuis (enkele exemplaren) en de Ruige dwergvleermuis (één exemplaar). Het gaat om langsvliegende, foeragerende exemplaren en baltsende vleermuizen. Verblijfplaatsen in bomen of gebouwen zijn niet vastgesteld. De Gewone dwergvleermuis werd met name aan de noordwestzijde aangetroffen. De dieren werden ook jagend nabij lantaarnpalen waargenomen. Gezien de mogelijkheden om te foerageren buiten het plangebied en de grootte van het plangebied ten opzichte van (geschiktere) gebieden daarbuiten, is het plangebied wat betreft foerageergebied geen ‘essentieel’ deel van het leefgebied van Gewone dwergvleermuizen. In het plangebied werd de Ruige dwergvleermuis éénmaal aangetroffen in het zuidelijke deel van het gebied. De soort werd in de derde ronde rond 04:00 alleen langsvliegend en kort foeragerend gezien zonder dat aanwijzingen werden verkregen dat de vleermuis binding had met bebouwing in het plangebied. Vanwege het beperkte gebruik van het plangebied en omdat geen waarnemingen werden gedaan die duiden op belangrijk binding van de soort aan het plangebied, is geen aparte verspreidingskaart opgenomen. Conclusie Gelet op de bevindingen is enkel de aanwezigheid van leefgebied van de huismus van belang voor de voorgenomen ontwikkeling.

Voor het verwijderen van de omheining of de klimopbegroeiing aan de noordwestkant van het plangebied is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Voor de aanvraag zullen passende mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn. Dit is nodig voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd. Het grootste deel van het bestaande hekwerk met begroeiing blijft behouden in het plan. Enkel ten behoeve van de nieuwe inrit aan de Susanna van Ettenstraat wordt een deel van het bestaande hek verwijderd. Hiervoor wordt een ontheffing aangevraagd en er wordt rekening gehouden met de hiervoor benodigde mitigatie en compensatie eisen. Dit doorloopt een eigen procedure. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied. Er gelden vanuit de Wet natuurbescherming geen belemmeringen voor de sloop van de bebouwing.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

33/45

Algemene zorgplicht In het plangebied kunnen mogelijk algemene vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden komen. Vanuit de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming dient hier rekening mee te worden gehouden. Werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. 4.6.3 Conclusie gebieds- en soortenbescherming Er zijn geen negatieve effecten op beschermde gebieden vanwege de voorgenomen ontwikkeling. Ook is geen sprake van stikstofdepositie op een Natura-2000 gebied. Uit het soortenonderzoek volgt dat er een ontheffing nodig is voor het kunnen verwijderen van een klein deel van het hekwerk voor de aanleg van de nieuwe inrit. Deze ontheffing wordt aangevraagd en er wordt rekening gehouden met de benodigde mitigerende en compenserende maatregelen. De ontheffing is nodig voorafgaand aan werkzaamheden. Voor het bestemmingsplan is deze ontheffing nog niet nodig, enkel voor de activiteit die leidt tot de verstoring. In de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de bevindingen van de ecologische onderzoeken en dient de zorgplicht in acht te worden genomen. De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

4.7

Bedrijven en Milieuzonering

4.7.1 Algemeen De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een ander omgevingstype is het gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een variatie aan functies.

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren ook tot het omgevingstype gemengd gebied. Gezien de aanwezige functiemenging of de ligging nabij drukke wegen kent een gemengd gebied al een hogere milieubelasting. Dat rechtvaardigt het verlagen van de richtafstanden met één stap. De richtafstand van 30 meter voor een bedrijf in milieucategorie 2 kan dan bijvoorbeeld worden verkleind tot 10 meter en de richtafstand van 100 meter voor een bedrijf in milieucategorie 3.2 kan verlaagd worden tot 50 meter. Milieu-categorie 1

Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m

Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied 0m

2 3.1

30 m 50 m

10 m 30 m

3.2

100 m

50 m

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

34/45

4.1 200 m 100 m Tabel 2: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

4.7.2 Betekenis voor het bestemmingsplan Het plangebied kan getypeerd worden als het omgevingstype 'gemengd gebied', omdat het gelegen is nabij de ontsluitingswegen van Noordwijk (Van Panhuysstraat/Van de Mortelstraat en Duinwetering) en sprake is van een matige tot sterke functiemenging vanwege de aanwezigheid van bedrijvigheid, winkels en maatschappelijke voorzieningen rondom de planlocatie. De richtafstanden uit de VNG-publicatie kunnen daarom, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap verlaagd worden. Uit de inventarisatie op basis van de richtafstanden tussen de omliggende niet-woonfuncties en het plangebied blijkt dat er geen beperkingen zijn tussen het plangebied en omliggende functies. De dichtstbijzijnde niet-woonfuncties zijn hieronder in Tabel 3 benoemd. Daarbij is aangegeven wat de richtafstand is en de werkelijke afstand tot het plangebied. Binnen het bestemmingsplan Noordwijk Binnen zijn in de bestemming Gemengd meerdere functies toegestaan die vallen onder milieucategorie 1. Ook zijn bedrijven toegestaan van milieucategorie 2 mits deze bouwkundig zijn afgescheiden van woningen en maatschappelijke voorzieningen. Worstcase is daarom voor de bestemming Gemengd uitgegaan van milieucategorie 2, ook als er een functie in zit van categorie 1 zoals een supermarkt.

Direct ten zuidoosten van het plangebied zijn gronden met een maatschappelijke bestemming. Binnen de bestemming zijn diverse maatschappelijke voorzieningen mogelijk, waaronder religieuze en onderwijsinstellingen. Ook kinderopvang is toegestaan. Onderwijs en kinderopvang valt onder milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Het plan ligt op 13 meter en voldoet aan de richtafstand. Het is echter in aanvulling hierop nog goed om op te merken dat op de plek van de maatschappelijke bestemming recent zorggerichte appartementen zijn gerealiseerd in afwijking van het bestemmingsplan. De onderliggende bestemming is toen niet gewijzigd om overeen te komen met het gebruik. Het is echter niet aannemelijk dat deze nieuwe appartementen worden afgebroken en er een kinderdagverblijf of basisschool komt. Uit de beoordeling volgt dat wordt aan de richtafstanden voldaan of er is reeds sprake van bestaande beperkingen waardoor de ontwikkelingen binnen het plangebied geen verdere beperkingen opleveren. Bedrijven worden niet onevenredig gehinderd in de uitoefening van hun activiteiten, er is geen sprake van aantasting van planologisch gebruiksmogelijkheden en in het plangebied voor het appartementengebouw zelf zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Wat betreft de milieuhinder van het plan zelf (externe werking): Binnen het plangebied worden appartementen gerealiseerd, appartementen veroorzaken geen milieuhinder voor functies in de omgeving.

Adres Rederijkersplein 8 Rederijkersplein 12 Hoek Adriaan Mouriszweg - Rederijkersplein Johanna van Hoornstraat 8

Bestemming (huidig gebruik) Gemengd (supermarkt) Gemengd (detailhandel / dienstverlening) Maatschappelijk (zelfstandige zorggeschikte appartementen) Sport met aanduiding specifieke vorm van sport – schietvereniging (schietvereniging)

Max. milieucategorie toegestaan 2

richtafstand (gemengd gebied) 10 m

werkelijke afstand tot bouwvlak 44 m

2

10 m

20 m

2

10 m

13 m

4.1

100 m

120 m

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

35/45

Bedrijf met functieaanduiding garagebedrijf (garagebedrijf) Tabel 3: omliggende niet-woonfuncties met richtafstand Van de Mortelstraat 254-260

2

10

155 m

4.7.3 Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering is geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.8

Geluidhinder wegverkeer

4.8.1 Wettelijk kader Wegverkeers- en spoorweglawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers- en/of spoorweglawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) stelt specifieke eisen aan bestemmingsplannen. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Voor dit bestemmingsplan is de regelgeving ten aanzien van wegverkeerlawaai (art. 77 Wgh) en railverkeerslawaai (art. 105 Wgh) van belang. Geluidzones en geluidsgevoelige bestemmingen De Wet geluidhinder werkt met het systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen (wegverkeer, railverkeer en industrielawaai). Als een geluidgevoelige bestemming binnen een geluidzone ligt, moet de geluidbelasting op dat object worden onderzocht. In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 km/uur-wegen. In het kader van een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van 30 km/uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (Art.

1 Wgh): • Woningen • Onderwijsgebouwen • Ziekenhuizen en verpleeghuizen • Geluidsgevoelige terreinen (bij onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen) 4.8.2 Onderzoek Het plangebied is gelegen binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone c.q. de invloedsfeer van de Duinwetering en de Van de Mortelstraat. Daarnaast bevindt het plan zich in de nabijheid van een aantal niet-zoneplichte 30 km/uur-wegen ((Adriaan Mouriszweg, Johanna van Hoornstraat en Susanna van Ettenstraat). Voor het bestemmingsplan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Aveco de Bondt, 6 juli 2023). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven. Zoneplichtige wegen De geluidbelasting van de Duinwetering en Van de Mortelstraat is niet hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Er worden voor het aspect geluid geen aanvullende eisen gesteld vanwege deze wegen. Niet zoneplichtige wegen De geluidbelastingen van de niet-zoneplichtige wegen (Adriaan Mouriszweg, Johanna van Hoornstraat en Susanna van Ettenstraat) is niet hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB. Er worden voor het aspect geluid geen aanvullende eisen gesteld vanwege deze wegen. De geluidbelasting vanwege het niet-zoneplichtige Rederijkersplein is hoger dan de voorkeurswaarde van 48 dB. De geluidbelasting is 55 dB op de noordoostgevel en 51 dB op zuidoostgevel.

Omdat het Rederijkersplein een niet-zoneplichtige weg is, kan er geen hogere waarde

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

36/45

worden vastgesteld volgens de Wgh. Echter in het kader van een goede ruimtelijke ordening is de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting vanwege deze weg wel afgewogen, waarbij is aangesloten op de criteria en voorwaarden uit het geluidbeleid. Algemene criteria Aangetoond is dat het treffen van geluidbeperkende maatregelen onvoldoende doeltreffend is of stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en verkeerskundige aard. Gelet op de huidige bouwstandaard die uitgaat van duurzaamheid en (thermische) isolatie, is bij een geluidbelasting van ten hoogste 60 dB (zonder aftrek artikel 110g Wgh) voldoende aannemelijk dat de gerealiseerde geluidwering van gevels met een gebalanceerd ventilatiesysteem minimaal 27 à 28 dB bedraagt bij de nieuwe woningen. Indien wordt gekozen voor ventilatieroosters, dan moeten suskasten worden toegepast met voldoende demping. Hieruit volgt dat het binnenniveau van 33 dB(A) in elk van de nieuwe woning haalbaar is. Hiermee is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De conclusie is dat is voldaan aan de algemene criteria uit het geluidbeleid van de gemeente Noordwijk. Specifieke criteria en voorwaarden Voldaan wordt aan het specifieke criterium 4: de woningen die ter plaatse worden gesitueerd, dienen als vervanging van bestaande bebouwing.

Op één woning op de hoek van Rederijkersplein en Adriaan Mouriszweg is op beide gevels sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB. Aan de zuidoostzijde is de tuin/buitenruimte voorzien. Omdat het treffen van geluidbeperkende maatregelen stuit op overwegende bezwaren van verkeerskundige aard, is de geluidbelasting vanwege het Rederijkersplein ten hoogste 51 dB op deze zijde. Alleen voor deze woning is het niet mogelijk om één stille zijde te realiseren. Er wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 58 dB uit het geluidbeleid. De geluidbelasting is echter niet dermate hoog dat er sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij de woningen op de eerste en tweede verdieping, waar sprake is van een geluidbelasting van meer dan 48 dB op de gevel, kan met een gesloten borstwering van 1 meter hoog op het balkon een stille buitenruimte worden gerealiseerd. Alle andere woningen, waar op één gevel sprake is van een geluidbelasting van meer dan 48 dB, hebben tenminste één stille gevel en stille buitenruimte. Omdat vanwege één weg sprake is van een overschrijding van de voorkeurswaarde, is er geen sprake van een relevante cumulatie met het geluid van andere wegen. 4.8.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder en de algemene criteria uit het gemeentelijk geluidbeleid.

Er is zodoende vanuit het aspect geluidhinder geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

37/45

uit te voeren. Woningbouwlocaties van 1.500 woningen en één ontsluitingsweg ofwel 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.9.2 Betekenis voor het plan Het plan blijft ruim onder het aantal van 1.500 woningen. Er kan worden gesteld dat het plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Op basis van de Atlas Leefomgeving is nagegaan wat de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen zijn ter plaatse van het plangebied. Voor het plangebied geldt een achtergrond concentratie stikstofdioxide (NO 2) van op zijn hoogst 12,8 µg/m3 voor het meetjaar 2021. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) voor het plangebied is op zijn hoogst 16,5 µg/m3 voor het meetjaar 2021. Dit is tevens ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3. Tenslotte is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) voor het plangebied 8,3 µg/m3 in het meetjaar 2021. Dit bevindt zich ruim onder de grenswaarde van 25 µg/m3. 4.9.3 Conclusie voor het plan Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Ook voldoet de huidige luchtkwaliteit aan grenswaarden voor fijnstof en stikstofdioxide. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken.

4.10

Externe veiligheid

4.10.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt (zoals woningen).

Groepsrisico Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.10.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een quickscan externe veiligheid uitgevoerd (Aveco de Bondt, 31 maart 2023). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 bij de toelichting. Hieronder is de uitkomst beschreven.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

38/45

De functies die binnen het plangebied worden gerealiseerd betreffen geen risicobronnen volgens het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Een nadere beschouwing naar de effecten van het plan op de omgeving is vanuit de wetgeving op het gebied van externe veiligheid dus niet benodigd. Uit de inventarisatie blijkt dat direct rondom het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. De dichtstbijzijnde risicobron, een buisleiding voor transport van aardgas, ligt op voldoende afstand en vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwplannen. Vanuit het perspectief van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de verdere planontwikkeling en de planologische inpassing daarvan. 4.10.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.11

Besluit milieueffectrapportage

4.11.1 Wet en regelgeving De m.e.r.-procedure is bedoeld om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in plan- en besluitvorming in te brengen, om zo belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Een m.e.r. is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of omgevingsvergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r. zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer en in het Besluit m.e.r.. Voor plannen en besluiten die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (kunnen) hebben wordt de m.e.r.-toets doorlopen. Er zijn drie gradaties in de zwaarte van de m.e.r.-toets. afbeelding 14 geeft schematisch twee drempelwaarden weer die van belang zijn waarmee wordt beoordeeld of sprake is van: • een directe m.e.r.-plicht of • een (formele) m.e.r.-beoordelingsplicht of • een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht.

afbeelding 14: soorten milieueffectrapportage

In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten wanneer m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is in feite een beknopte opsomming van de beoordeling van de ontwikkeling op verschillende milieuaspecten. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. 4.11.2 Betekenis voor het plan Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Dit temeer omdat het plangebied op ruime afstand van Natura 2000gebied is gelegen en de ontwikkeling relatief beperkt van aard is. Voor een toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.6.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

39/45

Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Er is sprake van m.e.r.-beoordelingsplicht indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is een aanmeldnotitie opgesteld met een vormvrije m.e.r. beoordeling (Aveco de Bondt, 26 oktober 2023). De aanmeldnotitie is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting. Hieronder is de conclusie weergegeven. Het voornemen voor de realisatie van een appartementengebouw aan de Susanna van Ettenstraat 2 in Noordwijk leidt in zeer beperkte mate tot effecten voor het milieu en de omgeving. Voor alle onderzochte aspecten geldt dat er geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Wanneer er geen ‘belangrijke nadelige gevolgen’ zijn voor het milieu is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet noodzakelijk om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Op basis van de huidige kennis en uitgangspunten ten tijde van het uitvoeren van deze m.e.r.beoordeling, kan voor alle aspecten worden uitgesloten dat onderhavig plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu oplevert. Op basis van de aanmeldnotitie kan het college van B&W van Gemeente Noordwijk besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

40/45

5

Juridische planbeschrijving

5.1

Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.

5.2

Nadere toelichting op de regels

De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

41/45

Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Wonen (artikel 3) Het hele plangebied heeft de bestemming Wonen gekregen. Deze bestemming maakt de bouw van het beoogde appartementengebouw mogelijk binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, tuinen en erven en zaken als parkeren, groen, nutsvoorzieningen en dergelijke. Het nieuwe gebouw dient in het bouwvlak te worden gebouwd en er zijn twee verschillende maximum bouwhoogtes opgenomen. Voor het lage deel van drie lagen geldt een maximum bouwhoogte van 10 meter en voor het deel van vier lagen geldt een maximum bouwhoogte van 13 meter. Het deel dat geen bouwvlak heeft, zal worden ingericht als parkeerterrein. De exacte inrichting is niet vastgelegd, zodat er nog enige flexibiliteit is richting de voorbereiding van de vergunningsaanvraag. Waarde - Archeologie 5 (WA-5)’ (artikel 4) en Waarde – Archeologie 6 (WA-6)’ (artikel 5) Deze twee dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden (zie paragraaf 4.2).

Gronden met deze bestemming zijn, behalve voor de ander daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een gebied met een archeologische verwachtingswaarden. Een omgevingsvergunningenstelsel beschermt de archeologische waarden. In gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ (het deel van het plangebied met een hoge verwachting) moeten ingrepen met een oppervlakte van meer dan 250 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter beneden maaiveld worden voorafgegaan door een archeologisch onderzoek. In het gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ (het deel van het plangebied met een middelhoge verwachting) geldt dit voor ingrepen met een oppervlakte van meer dan 500 m2 en een diepte van meer dan 30 centimeter beneden maaiveld. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitbepalingen en algemene bepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om: Anti-dubbeltelregel (artikel 6) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene bouwregels (artikel 7) In dit artikel zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van bestaande bebouwing en ondergeschikte bouwdelen.

Algemene gebruiksregels (artikel 8) Strijdig gebruik In de algemene gebruiksbepaling wordt voor een aantal zaken expliciet aangegeven, dat deze als strijdig gebruik worden aangemerkt en daarmee onder het verbod vallen zoals opgenomen in artikel 2.1 van de Wabo. Indien in een bepaald geval gebruik in strijd met bijvoorbeeld de doeleindenomschrijving van een bestemming of met een verleende vrijstelling wordt geconstateerd, dan is er sprake van een overtreding, waartegen kan worden opgetreden. Specifieke gebruiksregels huisvesting Op 16 februari 2021 heeft de raad van de gemeente Noordwijk de beleidsnotitie ‘Gebruik Woningen’ vastgesteld. De beleidsnotitie is uitgewerkt in een (ontwerp) paraplubestemmingsplan

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

42/45

Gebruik Woningen. Dit parapluplan omvat definities en regelingen om te kunnen sturen op het gebruik van woningen en aan wonen gerelateerd passend nevengebruik. Omdat het paraplubestemmingsplan niet is vastgesteld, is het de bedoeling dat de hierin opgenomen definities en regelingen in het voorliggende bestemmingsplan worden opgenomen zodat deze voor dit plangebied gelden. Algemene afwijkingsregels (artikel 9) Dit artikel geeft een regeling om in beperkte mate af te wijken van voorgeschreven maatvoeringen zoals bouwgrenzen, hoogtes en afmetingen. Ook zijn enkele afwijkingsmogelijkheden benoemd voor specifieke objecten, zoals balkons, zend- en ontvangstmasten en kleinschalige nutsvoorzieningen. Overige regels (artikel 10) In dit artikel is een regeling opgenomen die voorziet in de verplichting om aan de parkeernorm te voldoen. Hiervoor dient de Nota parkeernormen 2020 van de gemeente te worden gehanteerd, danwel de opvolger hiervan als er een actuelere beleidsnota is vastgesteld. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 11) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 12) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

43/45

6

Financieel-economische uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de toelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. de ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Het voorliggende plan betreft een particulier initiatief. De financiering van de kosten die verbonden zijn met de uitvoering van het bestemmingsplan komen dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. In dit kader heeft de gemeente met de initiatiefnemer een overeenkomst gesloten waarin afspraken worden vastgelegd inzake het kostenverhaal. Het plan heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente.

Concluderend kan gesteld worden dat er geen kosten voor de gemeente verbonden zijn aan de uitvoering van het bestemmingsplan en het bestemmingsplan economisch uitvoerbaar is. Er kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan ex artikel 6.12 Wro, omdat dekking van het kostenverhaal anderszins verzekerd is.

6.2

Planschade

Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade. In een tussen de gemeente en de initiatiefnemer gesloten overeenkomst is opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.

Bestemmingsplan Susanna van Ettenstraat 2, Noordwijk, Vastgesteld

44/45

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er geen voorontwerp ter inzage gelegd.

7.2

Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro

Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan toegezonden aan de vooroverlegpartners. De provincie Zuid-Holland en de Veiligheidsregio hebben geen opmerkingen op het plan gemaakt. Het Waterschap van Rijnland heeft wel een opmerking gemaakt. Deze is hieronder beschreven en van een gemeentelijke reactie voorzien. 7.2.1 Waterschap van Rijnland Vooroverlegreactie Het waterschap stemt in met de bevindingen in de waterparagraaf. Er wordt minder dan 500m2 verharding aangelegd, dus er hoeft ook geen aanvraag bij het waterschap te worden gedaan. De zorgplicht geldt en volstaat. Wel wordt ter aanvulling nog gevraagd om in de toelichting toe te voegen dat het waterschap momenteel werkt aan het omzetten van de Keur in de Waterschapsverordening, waar nieuwe klimaatregels aan worden toegevoegd. Deze nieuwe regels zijn op basis van het Convenant Klimaatadaptief Bouwen nader uitgewerkt voor het beheergebied van Rijnland en gaan in per 1 januari 2024. Dit heeft geen invloed op het plan. Beantwoording De gevraagde aanvulling is toegevoegd aan paragraaf 4.5.1. Dit heeft niet geleid tot wijziging van de regels en/of verbeelding.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=f6df7367-036f-49fc-93ed-3c68fa43c893