CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

A. Bestemmingsplan Middengebied-Landschapspark - Toelichting

Gemeenteraadsvergadering 18 mei 2021, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Middengebied Landschapspark 2021 (onder voorbehoud agendapunt 2)16.145 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

MiddengebiedLandschapspark Gemeente Noordwijk

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0575.BPMGLandschapspark-ON01

Datum:

2020-02-10

Contactpersoon Buro SRO: Kenmerk Buro SRO:

SR170181

Opdrachtgever:

Gemeente Noordwijk

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Initiatief .................................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 20

4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 22 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 22 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 23 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 31 4.4 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 35 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 36 4.6 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 39

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 42 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 42 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 42

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 45 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 46 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 46 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg en inspraak .................................................................................................... 46 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 46

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Tussen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen ligt het Middengebied. In deze strook liggen bollenvelden, sportvelden, een zwembad en parken. Te midden van dit gebied lag een zwembad, dat inmiddels is gesloopt. Er is een nieuw zwembad gebouwd net naast de oude locatie. Op de oude locatie van het zwembad wordt momenteel een nieuwbouwwijk ontwikkeld, genaamd Duineveld. De gemeente Noordwijk heeft het voornemen om naast de nieuwe woonwijk Duineveld een landschapspark met speeleiland te realiseren. Daarnaast sluit de planregeling ter plaatse niet meer aan op de regelingen die zijn opgenomen in de actuele aangrenzende bestemmingsplannen. Om het landschapspark met speeleiland mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen tussen Noordwijk aan Zee en Noordwijk Binnen. Hierbinnen ligt het Middengebied. De plangrenzen worden bepaald door de omliggende bestemmingsplannen. Op bijgevoegde afbeelding is de ligging van het plangebied in de omgeving weergegeven.

Globale ligging plangebied in omgeving

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied gelden de bestemmingsplan 'Middengebied Zuid' en 'Sportfondsenbad'. Het noordelijke deel van de gronden valt binnen het geldende bestemmingsplan 'Sportfondsenbad', dit plan is op 24 juni 1984 vastgesteld door de gemeenteraad van Noordwijk. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan Sportfondsenbad

In het geldende bestemmingsplan 'Sportfondsenbad' hebben de gronden de bestemming 'Duinterrein', 'Zwembad', 'Weg'. Het zuidelijke deel van de gronden valt onder het geldende bestemmingsplan 'Middengebied Zuid'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld in 1984 door de gemeenteraad van Noordwijk. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan Middengebied Zuid

In het geldende bestemmingsplan 'Middengebied Zuid' hebben de gronden de bestemming 'Agrarische doeleinden, onbebouwd' en is er een 'Hoofdwaterleiding' aanwezig.

6

Het voorgenomen plan is in strijd met de geldende bestemmingsplannen, een landschapspark met speeleiland is niet toegestaan binnen deze bestemmingen. Om die reden dient een partiële herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daarin. In aanvulling op het voorgaande geldt het 'Paraplu Bestemmingsplan Parkeren' (vastgesteld op 15 maart 2018). Hierin is vastgelegd dat voldaan moet worden aan de bepalingen uit de Nota Parkeren en Stallen Noordwijk 2013.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldend ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De juridisch toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 5, waarna de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde komen in hoofdstuk 6 en 7.

7

2 Initiatief 2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt in het gebied tussen Noordwijk Binnen en Noordwijk aan Zee, ook bekend als het Middengebied. Het gebied is omsloten door aan de noordwestzijde een woonwijk en aan de zuidwestzijde een bollenveld. Tevens ligt aan de westzijde van het plangebied een begraafplaats en aan oostzijde een zwembad en de te ontwikkelen nieuwbouwwijk Duineveld. In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit grasland, bollenvelden, bebossing en een kleine waterplas. Aan de zijde van Noordwijk aan Zee staan bomen ter afscherming van de achterliggende wijk. Op bijgevoegde afbeelding is de bestaande situatie en planbegrenzing van het plangebied weergegeven.

Bestaande situatie plangebied

8

2.2 Toekomstige situatie Met onderhavig plan wordt een landschapspark met een speeleiland gerealiseerd in het Middengebied. Het plan maakt onderdeel uit van een groter plan in de omgeving. Naast onderhavig plan ligt een zwembad en wordt een woonwijk gerealiseerd. Het landschapspark krijgt een groene uitstraling met veel bomen, grasweides en water. Door het landschapspark lopen verschillende verharde paden met bruggen over het water. De indeling zorgt voor een levendig en bruikbaar park. Het speeleiland met een centrale toren wordt in het midden van het plangebied gerealiseerd. Er worden verschillende speelelementen geplaatst zoals een kabelbaan, schommels, rekstokken, glijbaan en klimnetten etc. Het speeleiland is met een houten brug over het water vanaf de noordoostzijde te bereiken. De brug wordt voorzien van een herkenbare toegangspoort. Bij de noordoostelijke entree is een verdiepte fietsenstalling met 50 plaatsen aanwezig, met een uitbreidingsmogelijkheid tot 100 plaatsen die alleen benut zal worden als daar behoefte aan blijkt te zijn. Ten zuidwesten van het speeleiland is ruimte voor buiten sportelementen en een trapveldje. Tevens wordt hier (op de proef) een hondenlosloopterrein aangelegd. Dit gedeelte van het landschapspark heeft een meer open karakter met in het midden een rij fruitbomen. De meeste noordelijke strook bos op de steilrand blijft behouden.

Tussen de steilrand en het speeleiland bestaat het landschapspark voornamelijk uit een meer open grasweide met enkele bomen.

9

De navolgende afbelding toont de beoogde inrichting van het landschapspark (concept).

Inrichting van het plangebied (concept)

10

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is gezien de aard en omvang van het project niet specifiek van toepassing op het plangebied. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.

Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op diverse momenten geactualiseerd en aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening - Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' die per 1 juli 2017 geldt.

11

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Met onderhavig plan worden geen woningen of andere bouwwerken toegevoegd. Het betreft slechts een nadere invulling van een landschapspark met kleinschalige natuurlijke recreatieve voorzieningen, wat niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. De voorgenomen ontwikkeling hoeft dus niet nader getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De Omgevingsvisie is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit 4 onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

•

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

• •

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

• • • •

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur;

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

het bodem- en watersysteem; energie.

In aanvulling hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond.

12

2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

• • • • • •

naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level;

3.

Omgevingskwaliteit

naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

•

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

•

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

•

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullen de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.

13

Laag van de ondergrond Op de kaart van de 'Laag van de ondergrond' staat aangegeven dat het plangebied in een 'Rivierdeltacomplex - Jonge zeeklei' gelegen is. Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoet-zoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden.

Uitsnede kaart 'Laag van de ondergrond', plangebied rood omkaderd

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in het 'Bollenlandschap' en het 'Duinlandschap'. Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Ontwikkelingen dragen bij aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Het landschapspark ligt in het midden van het bebouwde gebied van Noordwijk. De ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op het bollenlandschap. Het duinlandschap is een reliëfrijk, overwegend niet gecultiveerd, zandlandschap van strand en jonge duinen met hoge natuur- en recreatiewaarden. Duingebieden worden afgewisseld door grote en kleine badplaatsen en havens.

Ontwikkelingen dragen bij aan of versterken de bijzondere landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van het strand en de duinen en dragen zorg voor het behoud van het openbare karakter en de afwisseling in de belevingskwaliteit langs de kust van Zuid-Holland. Het gedeelte van het plangebied dat gelegen is in het duinlandschap betreft de steilrand met bos. Deze bosrand blijft behouden, waardoor de ontwikkeling verder geen invloed heeft op het duinlandschap. Wel wordt met de ontwikkeling van het landschapspark de belevingskwaliteit van het gebied verbeterd.

14

Uitsnede 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen', plangebied rood omkaderd

Laag van stedelijke occupatie Op de kaart van de 'Laag van stedelijke occupatie' staat het plangebied aangegeven als 'Stads- en dorpsranden' en 'Steden en dorpen'. De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). Tevens dragen ze bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp. Het plangebied is te typeren als overlapgebied, waar programma's van bebouwd gebied en landschap geleidelijk in elkaar overgaan. Het gebied heeft een hybride uitstraling en betekenis, zoals recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, etc. met een goede dooradering van recreatieve routes. Het realiseren van een landschapspark op de planlocatie is dan ook passend oor de stads- en dorpsranden.

Uitsnede 'Laag van de stedelijke occupatie', plangebied rood omkaderd

15

Laag van beleving Het plangebied ligt deels in een 'Recreatiegebied'. Recreatieterreinen liggen veelal op de overgang van de stedelijke dynamiek naar het luwe buiten. De kwaliteit van deze overgangen kan versterkt worden door het vergroten van de robuustheid, continuïteit, beleefbaarheid en aantrekkingskracht van zowel de recreatie- als de natuurgebieden. Richtpunten voor het recreatiegebied zijn:

•

Ontwikkelingen vergroten de diversiteit in ruimtelijke inrichting en programma tussen de verschillende recreatie- en groengebieden.

•

Recreatieve routes dragen bij aan een betere verbinding van de buitenstedelijke groengebieden onderling en met de stedelijke groen- en waterstructuur.

•

Ontwikkelingen dragen bij aan het verbeteren van de kwaliteit ter plaatse en de samenhang tussen het binnenstedelijk en buitenstedelijk groen.

•

(Her)inrichting van recreatiegebieden is gebaseerd op de ligging ten opzichte van het stedelijk weefsel, de recreatievraag, de landschappelijke kenmerken ter plaatse en de ligging ten opzichte van andere stedelijk groen.

•

Ontwikkelingen behouden of versterken de openbaarheid van recreatiegebieden.

Met de ontwikkeling van het landschapspark wordt een recreatiegebied gerealiseerd. Daarbij worden er nieuwe groen- en waterstructuren aangelegd. De ligging van het plangebied in het Middengebied is gunstig ten opzichte van Noordwijk. Gesteld kan worden dat een landschapspark passend is in het recreatiegebied.

Uitsnede 'Laag van de beleving', plangebied rood omkaderd

4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Daarnaast zijn er gebiedsprofielen opgesteld, gezamenlijk met decentrale overheden en andere partijen in de regio. De gebiedsprofielen hebben de status van handreiking, maar nadrukkelijk niet de status van toetsingskader. Het plangebied valt binnen het gebiedsprofiel 'Duin- en Bollenstreek'. Voor elk gebiedsprofiel zijn meerdere kaarten beschikbaar. Hieronder worden alleen de voor het plangebied relevante kaarten besproken die een aanvulling vormen op de reeds genoemde aspecten van de kwaliteitskaart:

16

Natuurlijke duinen De steilrand is in het gebiedsprofiel aangeduid als 'Duinen', de rest van het plangebied betreft een 'Strandvlakte'. De natuurlijke duinen van de Duin- en Bollenstreek liggen als een relatief smalle strook langs de kust. De duinen vormen een sterk contrast met het aangrenzende agrarische gebied. De provincie ZuidHolland wil hier de bijzondere landschappelijke en natuurlijke kwaliteit behouden. In de steilrand blijft het bos behouden en zo ook de natuurlijke kwaliteit. Door afgraving van de strandwallen zijn de hoogteverschillen tussen de strandwallen en -vlaktes nauwelijks nog zichtbaar. Oorspronkelijk waren de lager gelegen en natte strandvlaktes graslanden, vandaag vindt op een groot deel van de strandvlaktes ook bollenteelt plaats. Ontwikkelingen dragen bij aan het in stand houden van de nog gave graslanden op de strandvlaktes als contrast met de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. Nieuwe ontwikkelingen nemen de ruimtelijke eenheden, die samenhangen met de poldergrenzen (bijvoorbeeld Lageveenseen Hogeveense Polder, Zilkerpolder, Zanderijpolder) als leidraad. Op de planlocatie zijn deze elementen niet (meer) aanwezig. Kwaliteit in stads- en dorpsgebied Het plangebied is aangeduid als 'Badplaats'. De badplaats Noordwijk aan Zee ligt vooruit geschoven voor Noordwijk-Binnen aan de kust tussen de duinen.

De oude vissersplaats heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste badplaatsen langs de Hollandse kust. De ambities van de Provincie zijn als volgt:

•

Rond en in bebouwd gebied wordt de versterking van de waterkering samen opgepakt met de stedelijke vernieuwing.

•

De visuele en functionele relatie tussen boulevard, strand en zee versterken, door het zicht op de zee te behouden en versterken en door bijvoorbeeld strandopgangen toe te voegen (zie ook dorpsrand: Zeefront). Bij Noordwijk de relatie met het bollengebied in het achterland versterken en zo seizoensverbreding.

•

De ontwikkeling heeft verder geen invloed op de bovenstaande ambities. Wel wordt de gebruiks- en belevingswaarde van het gebied versterkt. Conclusie Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen belemmeringen vanuit de Omgevingsvisie. De ruimtelijke kwaliteit verbetert en er wordt aangesloten bij de gebiedsprofielen. De beoogde herontwikkeling past binnen de Omgevingsvisie en is in lijn met de provinciale ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. De Omgevingsverordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

b.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: i. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid;

17

c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: i. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en ii. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a). Met de ontwikkeling wordt een landschapspark met speeleiland. Daarmee past de ontwikkeling bij de aard en schaal van het gebied. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn in toelichting paragraaf 3.2.1 toegelicht. Hieruit blijkt dat het beoogde plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 3.1.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstelijking. Hieruit is gebleken dat de beoogde ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat bij onderhavig initiatief geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is sub b niet van toepassing. Er wordt daarmee voldaan aan artikel 6.10 van de Omgevingsverordening. Bollenteeltgebied Het plangebied is deels gelegen in het 'Bollenteeltgebied'. Artikel 6.17 stelt dat voor gronden binnen het bollenteeltgebied primair bollenteeltbedrijven, bestaande uit gemengde bollenteelten glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toestaat. In lid 8 wordt aangegeven dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt is toegestaan, mits voorzien wordt in compensatie van bollenteeltgebied door middel van een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. Hiertoe zal er moeten worden voorzien in compensatie van bollenteeltgebied door middel van een overeenkomst met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. Voor de compensatie van de bollengrond is een overeenkomst met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duinen Bollenstreek afgesloten.

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

18

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland Op 24 juni 2009 heeft het Algemeen Bestuur de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland vastgesteld. Op 28 maart 2012 is door het Algemeen Bestuur ingestemd met de eerste partiële herziening. De structuurvisie van de regio Holland-Rijnland is de toekomstvisie op de ruimtelijke kwaliteit en ontwikkeling van de regio tot 2020, met een doorkijk naar 2030. De visie gaat in op het behouden en versterken van haar kwaliteiten, zoals de hoge landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de regio en de ruimtelijke structuur gebaseerd op een compacte historische centrumstad, een stedelijke kern midden in het Groene Hart, de vele hechte dorpen en de groene omgeving. De structuurvisie kent zeven kernpunten, te weten:

• • • • • • •

Holland-Rijnland als een topwoonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groenblauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Het realiseren van een landschapspark met speeleiland versterkt de landschappelijke en groenblauwe kwaliteit van de omgeving. Het plan sluit daarmee aan bij de uitgangspunten van de Regionale Structuurvisie 2020 Holland Rijnland. 3.3.2 Intergemeentelijk Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek In juli 2016 is door de betrokken gemeenteraden de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport Duin- en Bollenstreek 2016 (ISG2016) vastgesteld. Het doel van deze structuurvisie is drieledig:

•

het gedetailleerder dan in de Regionale StructuurVisie (RSV) vastleggen van het ruimtelijke ontwikkelingskader voor de vitalisering van de Duin- en Bollenstreek tot en met 2030;

•

het, in tegenstelling tot de RSV, wettelijk verankeren van het ontwikkelingskader als zelfbindend ontwikkelingskader voor de greenportgemeenten;

•

het verschaffen van een planologisch juridische basis voor het verevenen van plankosten op basis van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro).

De ISG2016 heeft een integraal karakter en geldt voor nagenoeg het hele buitengebied van de zes greenportgemeenten. Het beleid richt zich hoofdzakelijk op de toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkeling van het buitengebied. Met als doel een gemeenschappelijk inzet voor de herstructurering en revitalisering van de Greenport Duin- en Bollenstreek. Dit in samenspraak met verbetering van de natuurlijke, landschappelijk en recreatieve kwaliteiten. Om het doel te bereiken hanteren de gemeenten een aantal pijlers voor het ruimtelijk beleid tot 2030, te weten:

• • • •

faciliteren van de herstructurering, versterking en vernieuwing van het gehele bollen-, vaste planten- en bloemencomplex in combinatie met verbetering van het landschap; realiseren van de daarvoor benodigde ruimtelijke functiewijzigingen in de Duin- en Bollenstreek; bijdragen aan de sociaaleconomische vitaliteit van de greenportgemeenten; bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van de gehele regio Holland-Rijnland.

19

Planspecifiek De ontwikkeling omvat de realisatie van een landschapspark met speeleiland. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt is in eerste instantie niet toegestaan. Om de gewenste ontwikkeling toch mogelijk te maken is voor de compensatie van de bollengrond een overeenkomst gesloten met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. Middels een financiële bijdrage á € 40,- per m² wordt de onttrokken bollengrond gecompenseerd, met als doel de natuurlijke, landschappelijk en recreatieve kwaliteiten van de greenportregio te verbeteren. In totaal wordt er 24.600 m² aan bollengronden gecompenseerd. Het volkstuincomplex heeft nooit de functie van bollengrond gehad waardoor deze gronden niet gecompenseerd hoeven te worden. Het initiatief is in overeenstemming met ISG2016.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Noordwijk 2030 Op 12 oktober 2017 is door de gemeenteraad van Noordwijk de Omgevingsvisie Noordwijk 2030 'Noordwijk voor elkaar' vastgesteld. Op 8 november 2018 is de actualisatie vastgesteld. De visie geeft een beeld van hoe Noordwijk zich verder wil ontwikkelen richting 2030. In de visie wordt uitgegaan van drie leidende principes:

• • •

duurzaamheid; behoud van het overwegend dorpse karakter met menselijk maat; streven naar hoge ruimtelijke kwaliteit en versterking van de sociaal economische vitaliteit;

Noordwijk heeft de ambitie om tot een duurzame gemeente te komen, waarbij maatregelen in het sociale, economische en ruimtelijke domein elkaar zoveel mogelijk versterken. Een belangrijk doel is om een duurzame gemeente te zijn. De komende jaren wil de gemeente met duurzaamheid flink doorpakken en versnellen. De meest ingrijpende duurzaamheidsambitie is: Noordwijk energieneutraal in 2030. Noordwijk wil tegen die tijd voorzien in haar eigen energiebehoefte en per saldo jaarlijks evenveel energie opwekken als de gemeente nodig is. Daarnaast wil de gemeente de omgeving ‘klimaatbestendig’ inrichten. Dat betekent dat er maatregelen genomen moeten worden om langdurige regenval, heftige buien en langere periodes van droogte te kunnen opvangen. Om dit te bereiken dient ieder bouwproject en gebiedsontwikkeling bij te dragen aan een energieneutraal en klimaatbestendig Noordwijk. Planspecifiek Om Noordwijk een gewilde plaats te laten zijn om te wonen wil de gemeente een aantrekkelijk woonmilieu bieden met behoud van het kleinstedelijk-dorps karakter. Algeheel uitgangspunt voor de leefomgeving is het streven naar hoge ruimtelijke kwaliteit, beeldkwaliteit en hoogwaardige openbare ruimte. Een aantrekkelijke leefomgeving bevat ruimte voor jeugd en jongeren met sportmogelijkheden en voldoende speelgelegenheid in de wijken.

Daarnaast heeft de gemeente vanuit het thema 'Groen' de ambitie om te zorgen voor een goede inrichting en beheer van de openbare ruimte met als uitgangspunten duurzaam, schoon, heel en veilig. Per gebied zorgt de gemeente ervoor dat de oorspronkelijke landschappelijke zones en de typische kenmerken van verschillende dorpsgebieden in de inrichting terugkomen. Daarbij wordt de ecologische kwaliteit versterkt door ecologische processen als uitgangspunt te nemen bij groeninrichting. Bij de inrichting zullen de richtlijnen van duurzame GWW-werken gehanteerd worden en dient hout met FCSkeurmerk (of gelijkwaardig) toegepast te worden. Het voorliggende landschapspark in het Middengebied is opgenomen in de Omgevingsvisie. De nieuwbouw van de wijk Duineveld dient gerealiseerd te worden in een groenblauwe setting. De gemeente wil het landschapspark ontwikkelen als groene zone met natuur- en landschappelijke waarden, met behoud van de aanwezige sportvoorzieningen. Het behoud van een aantal duidelijke zichtlijnen is daarbij essentieel, bijvoorbeeld naar de watertoren en landschappelijke open vensters richting de bollengebieden. Het bollengebied blijft behouden, evenals de steilrand, wat een belangrijke overgang moet blijven tussen het hogere duingebied en het lager gelegen open middengebied. Daarnaast is de verbetering van het

20

watersysteem noodzakelijk, om bij te dragen aan de oplossing van het waterprobleem van Noordwijk aan Zee. In lijn met de wens van de omwonenden zal het park gaan fungeren als een ontmoetingsplek voor de Noordwijkers. Deze plek zal de levendigheid van deze plek en identiteit van de Noordwijkse samenleving versterken. Deze visie voor het middengebied is tevens weergegeven in de ontwikkelingsperspectiefkaart. De kaart presenteert het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief richting 2030.

Uitsnede kaart Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief Omgevingsvisie Noordwijk 2030 (plangebied rood omcirkeld)

Conclusie Voorliggende ontwikkeling is een directe uitwerking van de ambitie in de visie om de locatie in te richten als landschapspark. Het plan is daarmee geheel in lijn met de Omgevingsvisie.

21

4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Het plangebied is momenteel in gebruik als duinterrein en graslanden. Een aantal jaren geleden was een volkstuincomplex aanwezig. De ontwikkeling omvat de realisatie van een landschapspark met speeleiland. Gezien de beperkte aard en omvang van de ontwikkeling is bij het voorgenomen plan geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom D 11.2 zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Evenmin is de

22

beoogde herontwikkeling te categoriseren als een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan (Besluit m.e.r., kolom D 9) of als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (Besluit m.e.r., kolom D 11.3). Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d: de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht. Dit betekent dat het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. Het opstellen van een aanmeldingsnotitie is derhalve niet noodzakelijk. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Ook het opstellen van een passende beoordeling in het kader van de Europese Habitatrichtlijn is niet aan de orde. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de afstand tot gebieden is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake (zie ook toelichting paragraaf 4.5).

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek In december 2017 is een historisch vooronderzoek conform NEN 5725 verricht ter plaatse van de Prins Hendrikweg e.o. te Noordwijk (Inventerra, 19 december 2017, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Het doel van het vooronderzoek is het vaststellen of ter plaatse van de onderzoekslocatie sprake is geweest van potentieel bodembedreigende activiteiten. Het plangebied is onderverdeeld in enkele deellocaties, zie navolgende afbeelding.

23

Deellocaties ter plaatse van het plangebied

Uit de resultaten van het uitgevoerde onderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Deellocatie A2 - volkstuinen Op grond van eerder uitgevoerd onderzoek wordt verwacht dat sprake is van een lichte verontreiniging in de grond en een lichte verontreiniging met zink in het grondwater. Aangezien het uitgevoerde onderzoek dateert uit 2004 is een actualiserend verkennend onderzoek noodzakelijk. Hierbij dient tevens onderzoek te worden uitgevoerd naar eventuele verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen. Verder wordt opgemerkt dat indertijd bijmengingen van sporen puin zijn aangetroffen. Volgens het huidige beleid betekent de aanwezigheid van puin in de bodem (ongeacht de mate) dat een verkennend asbestonderzoek (inclusief) analyses uitgevoerd dient te worden om uit te sluiten dat de bodem verontreinigd is met asbest. Bij dit onderzoek zijn geen asbestverdachte materialen en slechts sporen puin aangetroffen. Op grond daarvan is besloten om geen analyse op asbest uit te voeren. Deellocatie B/C Nieuwe Zeeweg 53/Centraal Park Bij het in 2007 uitgevoerd onderzoek zijn in de grond en het grondwater geen noemenswaardige verontreinigingen vastgesteld. Geadviseerd wordt om een actualiserend onderzoek uit te voeren, waarbij tevens onderzoek dient te worden uitgevoerd naar eventuele verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen, aangezien dit bij het uitgevoerde onderzoek niet is uitgevoerd.

Aangezien bij het onderzoek geen asbestverdachte materialen of bijmengingen met puin zijn waargenomen kan dit deel van de locatie als onverdacht voor asbest worden beschouwd. Overig terrein Op een deel van de onderzoekslocatie (kadastrale percelen 1029, 3497 en 3519) is nog geen bodemonderzoek uitgevoerd. Geadviseerd wordt om ter plaatse van deze percelen een verkennend bodemonderzoek uit te voeren. Op grond van het uitgevoerde onderzoek dient hierbij uitgegaan te worden van een verdachte locatie ten aanzien van het mogelijke gebruik van bestrijdingsmiddelen. Voor het overige kan uitgegaan worden van een onverdachte locatie. Verkennend bodemonderzoek Om de bodemkwaliteit van de planlocatie vast te stellen is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Inventerra, 13 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Uit de resultaten van het verkennend bodem- en asbestonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:

•

In de onderzochte mengmonsters van de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met lood en/of kwik aangetoond en (na uitsplitsing) lichte verontreinigingen met diverse bestrijdingsmiddelen.

24

• • •

In de onderzochte mengmonsters van de ondergrond zijn met uitzondering van een licht verhoog gehalte kobalt in mengmonster MM11 geen verontreinigingen geconstateerd. In het grondwater zijn licht verhoogde concentratie barium en/of xylenen gemeten. Bij het uitgevoerde asbestonderzoek is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond.

De licht verhoogde concentraties barium in het grondwater worden als natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden beschouwd. De lichte concentraties aan xylenen zijn niet direct verklaarbaar, maar kunnen mogelijk toegeschreven worden aan het feit dat het grondwater uit deze peilbuizen is bemonsterd binnen de voorgeschreven standtijd van één week. De lichte verontreinigingen met OCB in de bovengrond zijn toe te schrijven aan het vroegere gebruik hiervan. Voor de lichte verontreinigingen met lood en/of kwik in de bovengrond is geen oorzaak aan te geven. Deze gehalten zijn zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.2 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³.

Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden

25

van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling zal resulteren in een toename van het aantal verkeersbewegingen ter plaatse. In de bestaande situatie bestaat het plangebied uit grasland en bomen. Met onderhavig plan worden geen woningen toegevoegd. De NIBM-grens ligt op 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen en de verkeersbewegingen die daarmee samen gaan. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de te verwachten verkeersbewegingen (zie ook toelichting paragraaf 4.4) kan gesteld worden dat er sprake is van een project die aan te merken is als een project van 'niet in betekenende mate'.

Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2018 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 19,85 μg/m³, 11,77 μg/m³ en 16,92 µg/m³. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. 4.2.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): o verzorgingstehuizen; o psychiatrische inrichtingen; o medisch centra; o poliklinieken; o medische kleuterdagverblijven.

26

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft in het kader van de Wet geluidhinder geen gevoelige bestemming. Voorliggend initiatief omvat geen strijdigheden met de Wet geluidhinder en is ook in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet strijdig. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.2.4. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.2.4 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een rustige woonwijk. Planspecifiek De ontwikkeling omvat de realisatie van een landschapspark met speeleiland. Daarmee is er geen sprake van een gevoelige functie. In het vervolg wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening wil ingegaan op de spuitzonering van de nabijgelegen gronden waar bollenteelt plaats vindt. Speeleiland Visa versa heeft het initiatief mogelijk invloed op het omliggende gebied. In het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt op de locatie van de voormalige volkstuinen een speeleiland gerealiseerd. Met de komst van deze functie is het niet uitgesloten dat het aantal aanwezige mensen (stemgeluid van spelende

27

kinderen) en daarmee de eventueel groeiende geluidsoverlast voor de omliggende woningen toeneemt op deze plek. Een speeleiland is echter geen inrichting die getoetst moet worden in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In artikel 2.18 lid 1 onder i van dit besluit is aangegeven dat de voorschriften van de geluidniveaus niet van toepassing zijn op het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang. Dit is qua hinder vergelijkbaar met een speeleiland. In het kader van een goede ruimte ordening dient het speeleiland wel nader beschouwd te worden. Voor de waarborging van een goed woon- en leefklimaat wordt aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom en nabij het speeleiland zijn woningen aanwezig. Hierdoor kan het gebied worden getypeerd als ‘rustige woonwijk'. Het speeleiland (vergelijkbaar met een kinderopvang (SBI-2008 8891.2 milieucategorie 2) en een kinderboerderij (SBI-2008 91041, milieucategorie 2) heeft in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 m. De dichtstbijzijnde woningen ten westen van het speeleiland (bestemming 'Recreatie) gelegen op een afstand van minimaal 70 m. Hiermee wordt er voldaan aan de gewenste afstand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=87dfe230-7762-4add-bbd6-4e5955f8211c