CConstaterende datNoordwijk
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Ruimtelijke onderbouwing

Gemeenteraadsvergadering 24 april 2025, gemeente NoordwijkBij agendapunt: Ontwerp VVGB en ontwerp-omgevingsvergunning De la Bassecour Caanstraat naast nr. 13322.251 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ruimtelijke onderbouwing De la Bassecour Caanstraat (naast 133) Noordwijk

6 februari 2025

Inhoud 1

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Het plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

5 5 6 8

2

De omgeving van het plangebied en het plan

9

2.1 2.2

Huidige situatie Het plan

9 10

3

Beleidskader

14

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5

Inleiding Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

14 14 16 19 20

4

Milieu- en omgevingsaspecten

27

4.1 4.2 4.3

Inleiding Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

27 27 36

5

Economische uitvoerbaarheid

47

5.1 5.2 5.3

Inleiding Beoordeling plan Conclusie

47 47 47

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48

6.1 6.2 6.3

Overleg Zienswijzen Conclusie

48 49 49

Bijlagen 1. Verkennend Bodemonderzoek Wilhelminastraat 30, Noordwijk, Wijnands Milieu Consultancy, 6 februari 2023 2. Stikstofrapportage De la Bassecour Caanstraat Noordwijk, Wijnands Milieu Consultancy, 28 februari 2024 3. Quickscan Wet natuurbescherming De la Bassecour Caanstraat te Noordwijk, Wijnands Milieu Consultancy, 27 februari 2024 4. Burgerparticipatie De la Bassecour Caanstraat te Noordwijk, F. Meiland, 13 november 2024

3

4

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan De la Bassecour Caanstraat in Noordwijk bevindt zich tussen 127 en 133 een braakliggend terrein. Er is een plan ontwikkeld hier een tweetal woningen te realiseren, in één hoofdmassa. Met het plan wordt de straat in stedenbouwkundig opzicht afgerond zonder dat belangen van omwonenden onevenredig worden aangetast. Het plan levert een bijdrage aan de nog altijd grote woningbehoefte. Het plan is wel in strijd met het bestemmingsplan, maar er kan worden meegewerkt door gebruik te maken van artikel 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Toepassing van dit wetsartikel vereist een goede ruimtelijke onderbouwing, waar dit document in voorziet.

1.2

Het plangebied Het plangebied ligt aan het De la Bassecour Caanstraat in Noordwijk, staat kadastraal bekend NWK02-F-6592 en meet 569 m2.

Plangebied, uitgezoomd

5

Plangebied ingezoomd

1.3

Geldend bestemmingsplan Ter plaatse geldt primair het bestemmingsplan Noordwijk Binnen, vastgesteld op 27 juni 2013. Er is ter plaatse een bestemming Wonen toegekend, zonder bouwvlak en een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 4.

Uitsnede geldend bestemmingsplan Noordwijk Binnen De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: • •

wonen; aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven;

6

• • • • •

tuinen en erven; (..) aan de functie als bedoeld onder a, b, d, e, f, g, h en i gebonden (ondergrondse) parkeervoorzieningen; bij de bestemming behorende voorzieningen, waaronder groen, water en paden; (..)

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming en aanduidingen uitsluitend worden gebouwd: • hoofdgebouwen in de vorm van grondgebonden woningen; • hoofdgebouwen in de vorm van gestapelde woningen ter plaatse van de aanduiding ‘gestapeld’; • bijbehorende bouwwerken; • andere bouwwerken. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak; b. het aantal woningen per bouwvlak mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp van dit bestemmingsplan, tenzij anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; (..) Hoewel het gebruik (wonen) en de bouwvorm (grondgebonden woningen) zijn toegestaan, ontstaat er op twee manieren strijd: hoofdgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd en dat is niet aanwezig ter plaatse plus het aantal woningen neemt toe ten opzichte van het ter inzage leggen van het ontwerp van het bestemmingsplan. De dubbelbestemming voor Archeologie levert geen strijd op, in de zin dat archeologisch onderzoek moet worden verricht, aangezien voldaan wordt aan de in het bestemmingsplan opgenomen uitzonderingsregel, namelijk die genoemd onder lid b.

(archeologisch onderzoek is niet nodig als het gaat om): a) vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; b) en bouwwerk met een oppervlak kleiner dan 50.000 m2; c) een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst. Tevens geldt een Paraplu Bestemmingsplan Parkeren, vastgesteld op 15 maart 2018. In essentie wordt hierin geregeld dat er voldoende ruimte voor parkeergelegenheid op eigen terrein moet zijn, gegeven de aanwezige functies. Zie hiervoor hoofdstuk 2. Tot slot heeft in 2022 een ontwerp bestemmingsplan parapluplan Gebruik woningen ter inzage gelegen, waarin regels worden gesteld ten aanzien van de wijze waarop woningen gebruikt mogen worden, bijvoorbeeld als het gaat om kamerverhuur, short stay en Bed & Breakfast. Dit bestemmingsplan is nog niet vastgesteld en kent dus geen juridische werking.

7

1.4

Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een omschrijving gegeven van de huidige situatie, de omgeving van het plangebied en de beoogde ontwikkelingen. In hoofdstuk 3 komt het beleidskader aan bod waarin de relevante beleidsplannen die de verschillende overheden hebben opgesteld, wordt beschreven. De sectorale aspecten ten behoeve van het aantonen van de uitvoerbaarheid van het plan worden tot slot in hoofdstuk 4 behandeld. In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de aspecten verkeer en verkeerslawaai, milieu, waterhuishouding, ecologie en archeologie beschreven. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en in hoofdstuk 6 op de maatschappelijke uitvoerbaarheid.

8

2 2.1

De omgeving van het plangebied en het plan Huidige situatie Alvorens de huidige en gewenste nieuwe situatie te benoemen, is het nuttig het gebied in zijn cultuurhistorische context te beschouwen. Niet alleen is de geschiedenis vaak een bron voor inspiratie en tegelijk iets van het verleden zichtbaar te houden. Maar het verleden verklaart ook waarom de fysieke ruimte is ingericht en gebruikt wordt zoals ze is en waarom er veranderingen gewenst zijn. Cultuurhistorische waarde zijn tastbare elementen en structuren die een beeld geven van onze geschiedenis. Ze vormen oriëntatiepunten, zorgen voor afwisseling en maken dat bewoners zich met een stad of streek kunnen identificeren. De locatie is gelegen in Noordwijk, en daarbinnen in Noordwijk-Binnen. Noordwijk wordt feitelijk gevormd door afzonderlijke kernen, waarvan Noordwijk-Binnen er één is. Waar Noordwijk aan Zee voornamelijk een vissersdorp was, vormde vanaf de 19 e eeuw (bloem)bollenteelt in Noordwijk-Binnen juist een belangrijke bron van inkomsten. Daarvoor en daarna was ook de kruidenteelt van belang.

Historische atlas Kuyper, 1865-1870 De kern ligt dan ook grotendeels op hoger gelegen geestgronden, zandiger en geschikt voor (bloem) bollenteelt.

9

Noordwijk Binnen blijft lange tijd tot een qua omvang beperkte fysieke omvang, het huidige historische dorpshart, aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Pas na de Tweede Wereldoorlog vinden planmatige uitbreidingen plaats, waartoe de bebouwing aan De la Bassecour Caanstraat behoort. Aan de ‘zuidwest’zijde van de straat staan hier twee-onder-één kappers en rijenwoningen, veelal bestaand uit drie bouwlagen en plat afgedekt. Aan de andere kant van de straat beschikken de woning vaak wel over een kap, maar ook het eerst genoemde type komt voor. Hoewel de straat gerekend wordt tot de kern Noordwijk Binnen Noord, is de bebouwing hier relatief recent en modern qua uitstraling. De stedenbouwkundige kwaliteit in dit gebied doet rustig en verzorgd aan. Ter plaatse van het plangebied wordt de bebouwing onderbroken en is sprake van een onbebouwd perceel met vrije dichte, hoogopgaande en enigszins verwilderde bosschages met hekwerk. Aan de achterzijde grenst het perceel aan de Kruizemunt, een straat die hier doodloopt met enkele parkeerplaatsen en woningen er haaks op gelegen. .

Impressies plangebied e.o.

2.2

Het plan Het plan bestaat er zoals aangegeven uit hier nieuwbouw te realiseren in de vorm van een twee-onder-één kapper, bestaande uit drie bouwlagen (plat afgedekt) met een oppervlakte van elk ca. 75 m2. De woningen worden ca. 9,3 m hoog en het ontwerp vertoont kenmerken van een bollenloods. Dit woningtype, in deze verschijningsvorm, past binnen het straat- en bebouwingsbeeld. Met dit plan wordt een gat in de bebou-

10

wing opgevuld en een ietwat ontsierende situatie beëindigd. Het parkeren vindt plaats op het achtererf; de ontsluiting vindt plaats via de Kruizemunt:

Ten behoeve van de bouw verdwijnen er enkele bomen (in de voortuin), doch er blijft voldoende ruimte over voor een (groene) tuin, ook als daar enkele parkeerplaatsen komen. Zie navolgende situatieschets, gevelbeelden en impressies. De belangen van derden worden niet onevenredig aangetast met de nieuwbouw. Zo komen er geen ramen binnen 2 m tot belendende percelen van de nieuwe woningen (afstand artikel 5.50 Burgerlijk Wetboek om voldoende privacy te garanderen). Er kan voldaan worden aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm1. Zodoende is er geen onaanvaardbare schending van de privacy of onaanvaardbare schaduwwerking. Met het plan wordt een bijdrage geleverd aan de leniging van de nog altijd grote woningbehoefte. De woningen komen naar verwachting in middensegment, koop. Dit bevordert de mogelijkheden tot doorstroming. Het gaat om een gewenst initiatief. In navolgende hoofdstukken wordt getoetst of het initiatief past binnen het ruimtelijk relevante beleid van diverse overheden en milieu-en omgevingsaspecten.

1

De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam.

De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

11

Situatieschets, Impressies, getekend TekenBuroMeiLand en foto achtererf bestaande situatie 12

13

3 3.1

Beleidskader Inleiding Aan ieder ruimtelijk plan ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag ten aanzien van de inrichting van de omgeving. Deze uitgangspunten vinden hun grondslag in algemeen gemeentelijk beleid. Ook is er beleid op deelaspecten ten aanzien van bijv. wonen, detailhandel, groen, welzijn etc. dat voor een ruimtelijk plan als het bestemmingsplan van belang is. Dit gemeentelijk beleid ten aanzien van de inrichting van het gemeentelijk gebied, heeft gestalte gekregen mede op grond van ruimtelijk beleid van hogere overheden, zoals het rijk en de provincie. Ook het beleid van het Hoogheemraadschap ten aanzien van waterbeheer en veiligheid speelt een rol. Provinciaal en gemeentelijk beleid en het beleid van het hoogheemraadschap zijn ieder op hun beurt weer een vertaling van de meer abstracte regie op nationaal niveau, het rijksbeleid. Rijks- en provinciaal ruimtelijk beleid, worden hierna kort uiteengezet. Het gemeentelijk beleid komt daarna aan de orde. Het beleid van hoogheemraadschap en gemeente met betrekking tot het aspect water is in een separate paragraaf in hoofdstuk 4 opgenomen, als onderdeel van de watertoets.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld en per 1 januari 2021 in werking getreden. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisatie, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen

14

voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), zie ook paragraaf hierna. Beoordeling en conclusie In relatie tot het plan is het nationale belang 5 'Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften' van belang. Doel is om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen en daarmee een bijdrage te leveren aan de verbetering van de leefbaarheid. Ook nationaal belang 13: zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten is relevant; verankerd in de Ladder voor Duurzame verstedelijking (zie paragraaf 3.2.3). 3.2.2

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan (=ruimtelijk plan) dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverle-

15

ning, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4201501297/1/R4. Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Bedrijfsuitbreidingen tot 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409), van een winkel met 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409), of van een kantoor met 540 m2 (201506789/1/A1) worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Er worden 2 woningen gerealiseerd binnen Bestaand Stedelijk Gebied.

Geconcludeerd wordt dat gezien de aangehaalde jurisprudentie geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Ladder zodat nadere toetsing op dit punt achterwege kan blijven.

3.3

Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (2024) Wat wil de provincie bereiken? Het bestuur en de provinciale organisatie is weerbaar, betrouwbaar, transparant, legitiem en handelt integer. De kwaliteit van beleid en de taakuitvoeringen zijn structureel op orde, het bestuur is weerbaar tegen ondermijning en oneigenlijke druk en er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van digitalisering. Het omgevingsbeleid en participatie worden vormgegeven en uitgevoerd. Door samenwerking internationaal, nationaal en binnen het Interprovinciaal Overleg (IPO) gaat Zuid-Holland strategische allianties aan. Daartoe werkt de provincie aan het vormgeven, coördineren en uitvoeren van beleid, public affaires en lobby. Aanleiding De verbinding en wisselwerking tussen beleidsdoelen en -prestaties van het domein bestuur en het omgevingsbeleid dragen bij aan het versterken van de slagkracht van decentrale overheden. De basis voor die bijdrage, is een daadkrachtig provinciaal bestuur dat betrouwbaar, transparant, weerbaar en integer is. De basis voor het handelen van het provinciale bestuur en de organisatie ligt daarbij in de provincie- en de ambtenarenwet, de omgevingswet, in de WOO (Wet Open Overheid), de wet Bibob (Bevorderen integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) en de ambtsinstructie van de commissaris van de Koning.

16

Motivering Provinciaal Belang Samen met andere overheden en partners werkt de provincie aan oplossingen voor de complexe opgaven waar de samenleving voor staat. Het welslagen daarvan draagt bij aan het functioneren en aan het vertrouwen in het openbaar bestuur en de democratie. De maatschappelijke opgaven waar overheden voor staan zijn complexer geworden, terwijl middelen schaarser zijn. Die opgaven stoppen niet bij de provinciegrens en worden ook beïnvloed door (inter)nationale ontwikkelingen. Daarom wil de provincie optrekken met anderen en functioneren als één overheid en daarbij leren van én met andere overheden, aan ons verbonden partijen en andere partners. Waar dat kan en passend is, zal de provincie een voorbeeldfunctie vervullen en via lobbyactiviteiten draagvlak en middelen organiseren om doelen te bereiken. De provincie voert beleidscoördinatie uit op het omgevingsbeleid.

Nadere uitwerking Programma Omgevingsbeleid De provincie heeft een actuele en digitale lange termijn agenda Omgevingsbeleid, Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en Omgevingsprogramma. Het omgevingsbeleid is modulair vormgegeven, dit betekent continu werken aan actualisatie. De beleidsdoelen geven aan wat de provincie wil bereiken. De beleidsdoelen zijn een uitwerking van de ambities en komen voort uit de begroting. De 20 beleidsdoelen zijn: 1-1 Beter Bestuur 1-2 Sterke Samenleving 2-1 Snel van A naar B 2-2 Beheer en onderhoud: op orde en duurzaam 2-3 Veilig en duurzaam 3-1 Schone en duurzame elektriciteitsvoorziening 3-2 Verduurzaming gebouwde omgeving 3-3 Duurzaam energie- en grondstoffensysteem in de industrie 4-1 Innovatie: richting duurzaam en digitaal 4-2 Creëren van een rijk vestigingsklimaat 4-3 Erfgoed, cultuur en toerisme 5-1 Gezonde natuur 5-2 Toekomstbestendige landbouw 5-3 Leven met water 6-1 Voldoende juiste woningen op de juiste plek 6-2 Vitaliteit en kwaliteit in de leefomgeving 6-3 Afspraken met regio’s 7-1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid 7-2 Gezonde en bewegingsvriendelijke leefomgeving 7-3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering en bodemdaling Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit.

Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het

17

doelmatig benutten van de fysieke leefomgevingvoor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit is het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). WoON 2021 In het rapport De Zuid-Hollandse woningmarkt in beeld is beschreven hoe mensen in 2021 (willen) wonen in Zuid-Holland en of dit afwijkt in de tijd (2015 en 2018) en van het landelijk beeld. Dit beeld is gebaseerd op de uitkomsten van het WoonOnderzoek Nederland (WoON) 2021 waarin mensen onder meer zeggen hoe zij willen wonen. Woningmarktverkenning In het rapport Woningmarktverkenning. Zuid-Holland 2022-2040 is beschreven welk soort nieuwe woningen er moeten komen in de periode 2022 tot en met 2030 en daarna als de woonwensen van mensen centraal staan. Het onderzoek laat zien dat er vraag is naar allerlei nieuwe woningen. Het gaat de provincie vooral om het aanbod aan sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbare koopwoningen. Dit beeld is gebaseerd op de uitkomsten van het woningmarktmodel Socrates van ABF Research waarin woonvoorkeuren van mensen een rol spelen. Verkenning wonen met zorg Voor dit plan niet relevant.

Verkenning studentenhuisvesting Voor dit plan niet relevant. Beoordeling en conclusie Het plan geeft invulling aan de woningbehoefte voor de komende tijd. Dit wordt nader uiteengezet in navolgende paragrafen. Er wordt gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied en zodoende is sprake van een duurzaam gebruik van de ruimte. Het plan doet geen afbreuk aan de omgevingskwaliteit en draagt bij aan het versterken van het economisch klimaat. Het plan is zodoende in overeenstemming met de Omgevingsvisie.

3.3.2

Omgevingsverordening Zuid-Holland (2024) De provincie Zuid-Holland heeft ervoor gekozen om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet – de omgevingsvisie en de omgevingsverordening – op basis van huidig recht vast te stellen. Deze verordening integreert achttien verordeningen met het oog op het vereenvoudigen en harmoniseren van de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Het algemene artikel 6.10 uit afdeling 6.2 is op de gehele provincie van toepassing:

18

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stadsen dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvaarding van een regionale visie aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale visie bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Afdeling 6.2 is van overeenkomstige toepassing op besluiten op een aanvraag om een: a. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken, voor zover het betreft de in bijlage VIII van deze verordening genoemde situaties.

Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een plan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie. In dit hoofdstuk is ingegaan op de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Dit plan is voorts niet in strijd met de regionale visie voor wonen (zie tevens elders dit hoofdstuk). Datzelfde geldt voor een aantal andere algemene artikelen, die buiten beschouwing blijven omdat deze niet van toepassing zijn (bijvoorbeeld het algemene artikel 6.12 dat een bestemmingsplan bedrijven mag toestaan tot de hoogste mogelijke milieucategorie passend bij de omgeving, of art. 6.18 dat nieuwe agrarische bebouwing aan bepaalde voorwaarden moet voldoen of art. 5.7 dat gaat over de zorg voor stedelijk afvalwater). Beoordeling en conclusie In dit hoofdstuk is ingegaan op de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Het plan is in overeenstemming met de provinciale omgevingsverordening.

3.4

Regionaal beleid

3.4.1

Regionale woonvisie Holland Rijnland 2023 De Regionale Woonagenda beschrijft de afspraken over woningbouw in de regio. Die afspraken gaan over het aantal te bouwen woningen, waar deze moeten komen, wat voor soort woningen het zijn en voor wie. De gemeenten in Holland Rijnland maken

19

zich sterk om tot en met 2030 30.500 nieuwe woningen te bouwen, oftewel ca. 3.000 woningen per jaar, waarvan 30% een sociale huurwoning is en 35% een middeldure huurwoning of een betaalbare koopwoning. Men stuur aan op 130% harde plannen en verhogen de programmeerruimte naar circa 4.000 woningen per jaar (was circa 3.000 per jaar). De opgave wordt per regio verdeeld. Noordwijk ligt in de subregio Noord, waarvoor de opgave luidt 6.500-7.500 woningen/jaar. De nieuwbouw moet aansluiten bij de woonbehoeften. Uitgangspunten zijn het verbeteren van de doorstroom, het versnellen van de woningbouw, het realiseren van betaalbare woningen en het geven van ruimte aan aandachtsgroepen, dat zijn mensen met specifieke zorg- en ondersteuningsbehoeften. Alle gemeenten leveren hieraan een bijdrage. De afspraken in de Woonagenda vormen de kaders waarbinnen gemeenten hun eigen ruimtelijke projecten kunnen realiseren. Beoordeling en conclusie De behoefte is afgezet tegen de geplande nieuwbouw, en dan blijkt er een tekort te zijn:

In de provincie Zuid-Holland zijn de tekorten in de afgelopen jaren verder opgelopen. De nieuwe Woningbehoefteraming van de provincie Zuid-Holland spreekt wat dat betreft boekdelen: deze is in alle regio’s van de provincie aanzienlijk hoger dan raming 2019, mede door het meenemen van het woningtekort in de berekening. In de regio is de door de provincie ingeschatte woningbehoefte voor de periode 2021-2030 + 30.500, terwijl de vorige prognose voor deze periode nog uitkwam op 22.800 (33% hoger). Bovendien is circa 60-70% van onze inwoners afhankelijk van het betaalbare segment (tot ongeveer €355.000; NHG grens prijspeil 2022). Dat levert een forse opgave op voor de woningbouwproductie in de komende jaren. Deze nieuwe opgave is nog niet verwerkt in het lokale beleid van de gemeenten. Geconcludeerd wordt daarom dat in kwalitatieve zin er behoefte is aan de geprojecteerde woningen. Het gaat om grondgebonden eengezinswoningen, waar doorlopende vraag naar is; er wordt dus ook voorzien in een kwalitatieve behoefte.

3.5

Gemeentelijk beleid

3.5.1

OMGEVINGSVISIE 1.0, Samen maken we de toekomst voor Noordwijk! (2022) De gemeente Noordwijk heeft op 22 februari 2022 voornoemde Omgevingsvisie vastgesteld. De Omgevingsvisie is een complete visie op de leefomgeving, voor de lange termijn en voor de hele gemeente. Er komen tal van ontwikkelingen op de gemeente

20

Noordwijk die opnieuw tot verandering zullen leiden. Om de kwaliteiten van de gemeente Noordwijk ook in de toekomst te kunnen behouden is het belangrijk om op deze ontwikkelingen in te spelen en ze in goede banen te leiden. Het uitgangspunt van deze Omgevingsvisie is dat alle initiatieven binnen de gemeente Noordwijk aansluiten op de identiteit) en bijdragen aan de gewenste koers Relevant voor dit plan is de identiteit met betrekking tot de dorpen: De veelzijdigheid van de dorpen, met elk hun eigen karakter, vormen de kwaliteit van Noordwijk. De dorpen hebben voldoende voorzieningen en horeca, er is wat te doen. Er is een gevarieerd winkelaanbod, passend bij de identiteit van het dorp. De historie van de dorpen is zichtbaar en voelbaar in de gebouwen en de omgeving. Hier wil de gemeente (onder meer) op voortbouwen in Noordwijk aan Zee Noordwijk Zeeërs zijn trots op de combinatie van de charmante kleinschaligheid van hun oude dorpskern, het internationale karakter (dankzij de congressen) en de kust met zijn natuur. Dit evenwicht wil de gemeente graag behouden. Noordwijk onderscheidt zich als kwaliteitsbadplaats en kuuroord, met bijpassende horeca. Hoogwaardige voorzieningen en een prettige ambiance van Noordwijk als heilzame badplaats dragen bij aan de kwaliteit van leven.

Het is een echte familiebadplaats met een mooi, schoon en weids strand gecombineerd met gezellige strandpaviljoens. Bruisend vakantieoord met veel bezoekers en kwalitatieve recreatie, winkels en overnachtings- en congresmogelijkheden. Noordwijk aan Zee is een sterk merk met uitstraling. Een bruisende badplaats waar je heerlijk kunt wonen, ondernemen, werken en verblijven. Authentiek dorpskarakter, met nog een paar vissershuisjes en de vuurtoren; het dorp heeft een ons kent ons gevoel. Van jong tot oud, je kunt er gezond en gelukkig wonen. De gewenste koers wordt beschreven aan de hand van vijf thema’s voor de toekomst 1. Ondernemende gemeente; voldoende welvaart voor iedereen 2. Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen 3. Welzijn en gezondheid (cultuur en sport) 4. Bereikbaarheid 5. Duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig (natuur). Relevant voor dit plan zijn met name thema’s 2 en 5. Prettig wonen met voldoende woningen voor iedereen Betaalbare (starters)woningen. Neveneffect van de hoge woonkwaliteit is dat juist dóór deze aantrekkelijkheid de huizenprijzen hoog zijn. Jongeren maken zich zorgen of zij in de toekomst zelf ook nog in de gemeente Noordwijk kunnen wonen. Om aan deze vraag te kunnen voldoen wordt expliciet ingezet op behoud en nieuwbouw van

21

betaalbare woningen en starterswoningen. Waarbij de gemeente de grote variatie aan woningen voor verschillende categorieën in stand wil houden. Voortbouwen op identiteit Nieuwbouw vindt bij voorkeur plaats in de dorpen, of er tegenaan. Daarbij is de identiteit van de dorpen zelf leidend, ook qua sfeer en architectuur. Bouwen in hogere dichtheid zorgt voor meer woningen en tegelijkertijd minder ruimtebeslag. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om meer woningen per perceel, het bebouwen van open plekken in dorpen of om gestapelde bouw. Bij alle nieuwbouw wordt voortgebouwd op de identiteit van de dorpen. Ook innovatieve woonvormen, behoren tot de mogelijkheden. Net als passende woningen voor senioren, zodat zij langer zelfstandig thuis kunnen wonen. Renovatie en verbouw van het huidige woningbestand kan daarbij wenselijk zijn. Zowel bij nieuwbouw als verbouwen is duurzaamheid een vanzelfsprekend uitgangspunt. Isoleren van woningen is een effectieve manier om energie te besparen. Het opwekken van energie door zonnepanelen of een warmtepomp zijn bij (ver)bouwen vanzelfsprekende opties. Ook bouwen in hout is in principe zeer duurzaam. Aandacht voor extra ondersteuning Er is aandacht voor een prettige woon- en leefomgeving, ook voor wie niet volledig zelfstandig kan wonen of op een andere manier ondersteuning behoeft.

Met de maatschappelijke partners (zoals woningcorporaties, welzijnzorganisaties en het Zorgpact ‘wonen welzijn zorg’) zorgt de gemeente voor een woningvoorraad die aansluit bij de veranderende woonwensen vanuit het langer zelfstandig wonen, dus voor ouderen en alle andere groepen met een zorgvraag. Er is uitdrukkelijk aandacht voor tijdelijke huisvesting. Deze woningen zijn in de eerste plaats voor Noordwijkse jongeren/starters en voor kleine Noordwijkse huishoudens die een tijdelijke woonoplossing zoeken, zoals spoedzoekers. Arbeidsmigranten zijn essentieel onderdeel van onze samenleving. De gemeente wil ook hen adequate huisvestingplaatsen bieden, volgens kwaliteitseisen zoals vastgelegd in de (regionale) beleidsregel. Duurzaam, klimaatneutraal en klimaatbestendig (natuur). ‘Kleine’ oplossingen, grote impact Waar het om het terugdringen van klimaatverandering gaat is de inzet: een klimaatneutraal Noordwijk in 2050. Dit heeft gevolgen voor zowel bedrijven als voor wonen. Woningisolatie en inzet van zonnepanelen en warmtepompen is gewenst. Dit zijn de relatief ‘kleine’ oplossingen die een minimale impact hebben op de omgeving, maar die bij elkaar opgeteld wél een substantiële bijdrage leveren aan de duurzame energietransitie. Toch is de gemeente er met deze oplossingen nog lang niet. Ook grootschalige oplossingen zullen nodig zijn om de veranderingen op te vangen.

Daarbij denkt de gemeente bij voorkeur aan maatregelen weinig tot geen impact hebben op het landschap. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om aardwarmte. Ook kan, zodra dit op grotere schaal inzetbaar is, waterstof als energiedrager een rol gaan spelen bij de verduurzaming van de energievoorziening. Hoe groot de energieopgave is, en hoe de maatschappij de bijdrage aan de energietransitie uiteindelijk vormgeeft, legt de gemeente samen met onze regionale partners vast in een Regionale Energie Strategie (RES). Daaruit blijkt ook dat wanneer maatregelen gevolgen hebben voor het landschap we daar zeer zorgvuldig mee zullen om-

22

gaan. De identiteit van de gemeente en de dorpen is daarbij leidend. Maar in de toekomst kunnen windmolens en/of zonnepanelen onvermijdelijk blijken te zijn op de weg naar duurzame opwekking. Kustversterking en watervoorziening Wat klimaatbestendigheid betreft ligt de focus op versterking van de kuststrook, ook voor de periode na 2050. Daarnaast streeft de gemeente naar een duurzaam en robuust watersysteem, met een hoge waterkwaliteit. In de gemeente wordt straks geen regenwater meer in het riool geloosd, want dit water is onder andere in de bollenteelt hard nodig. Bovendien werkt de gemeente samen aan initiatieven tot vergroening. Het vergroenen van tuinen en tegengaan van verstening zorgt dat we water beter vasthouden. In de directe woonomgeving is groen in de vorm van bosjes en bosschages ook belangrijk om hittestress tegen te gaan en de biodiversiteit te verbeteren. De aanleg van Tiny Woods ziet de gemeente dan ook als een positieve verandering. Biodiversiteit heeft ook in bredere zin de aandacht. Noordwijk zet zich actief in voor de natuurlijke rijkdom die het landschap kenmerkt. Beoordeling en conclusie Het plan draagt aan de woningopgave en indirect profiteert het voorzieningenniveau mee. Voorts wordt het straat- en bebouwingsbeeld versterkt, hetgeen de leefbaarheid bevordert. Voor duurzaamheid zie paragraaf 4.3.6 en voor natuur zie paragraaf 4.3.2.

Het plan past zodoende op meerdere manieren in de Omgevingsvisie. 3.5.2

Woonvisie Noordwijk 2020-2030 De gemeenteraad heeft op 26 januari 2021 de woonvisie ‘Alle zeilen bij voor voldoende en juiste woningen’ vastgesteld. In de woonvisie staan 2 prioriteiten voorop: zorg voor het toevoegen van voldoende woningen in de gemeente Noordwijk én zorg voor de juiste woningen in het bijzonder voor mensen die zonder onze aandacht geen huis kunnen krijgen. Daarnaast wordt ingezet op prettig zelfstandig thuis wonen en verduurzaming. De Woonvisie ‘Alle zeilen bij voor voldoende en juiste woningen’ kent dan ook 4 belangrijke opgaven. 1. Volle inzet voor meer nieuwbouw: in de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om volop op de bouw van voldoende woningen voor minimaal de lokale woningbehoefte in te zetten, te zoeken naar meer bouwmogelijkheden én om de druk op de woningmarkt te verlichten het toevoegen van tijdelijke woningen. 2. Juiste woningen toevoegen: in de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om te zorgen dat groepen die nu moeilijk aan bod komen in Noordwijk extra huisvestingsmogelijkheden krijgen én om actief te sturen op meer passend woningaanbod voor lage en middeninkomens: en dan in het bijzonder jongeren en jonge gezinnen. 3.

Mogelijkheden voor prettig thuis wonen: in de woonvisie worden maatregelen voorgesteld om ouderen en andere mensen met een ondersteuningsbehoefte of zorgvraag passende huisvesting te kunnen bieden én voor leefbare buurten met een sluitende woonzorginfrastructuur in onze kernen, waardoor mensen langer thuis kunnen wonen. 4. Op naar een klimaatneutraal Noordwijk: de gemeente wil in 2050 klimaatneutraal zijn. Hieraan levert een energiezuinige woningvoorraad een belangrijke bij-

23

drage. Daarom worden in de woonvisie maatregelen voorgesteld om de energetische verbeteringen van bestaande huur- en koopwoningen te bevorderen én een klimaatbestendige woonomgeving. De maatregelen, prioriteitsstelling en actiehouders zijn gevat in een bijhorend uitvoeringsprogramma. Woningbouwplannen Bij nieuwe bouwaanvragen voor realisatie van 3 woningen of meer, die niet passen binnen het bestemmingsplan, worden woningbouwplannen aan de woonvisie getoetst. Bij de realisatie van woningbouwplannen vanaf 3 woningen is de te hanteren actualisatie van de segmentering voor 2024 met de ingangsdatum van 1 februari 2024 als volgt vastgesteld: ▪ Minimaal 30% sociale huur tot € 879,66 (prijspeil liberalisatiegrens 2024). ▪ Minimaal 15% middeldure huur van € 879,66 tot van 186 WWS-punten of € 1.123,13 (CPI, prijspeil juli 2023). ▪ Minimaal 25% middeldure koop vastgesteld op € 390.000,- (aangehouden op basis van regionale Woonvisie en rijksbeleid). Er is geen aparte grens opgenomen voor energiebesparende maatregelen. Beoordeling en conclusie Dit plan geeft invulling aan de woonvisie doordat een bijdrage aan de behoefte aan woningen wordt geleverd. Er wordt daarbij onder de grens van 3 woningen gebleven. 3.5.3

Omgevingsvisie Noordwijk 2030 De Omgevingsvisie Noordwijk 2030 is een uitnodiging aan de samenleving om samen met de gemeente vorm te geven aan Noordwijk als ‘Energieke 7 Sterren Kustplaats’. De omgevingsvisie bevat de hoofdlijnen van de kwaliteiten die we willen koesteren en ontwikkelen. Ruimtelijk, maatschappelijk en economisch. Niet alles is vastgelegd, de gemeente laat waar mogelijk graag ruimte voor initiatieven uit de samenleving. Bij de afweging rondom initiatieven kunnen de volgende aspecten worden meegenomen: • beantwoordt het aan de gemeentelijke leidende principes: duurzaamheid, behoud van het overwegend dorpse karakter met menselijk maat, streven naar hoge ruimtelijke kwaliteit en versterking van de sociaaleconomische vitaliteit. • past het in de gemeentelijke centrale visie voor Noordwijk over de ‘zeven sterren’? • doet het één of het liefst meerdere sterren sterker stralen? Met andere woorden draagt het bij aan de versterking van de ster, de uitwerking of het realiseren van daarbijhorende ambities? Die zeven sterren zijn de volgende:

24

De gemeente werkt aan een klimaatbestendig Noordwijk en een energieneutraal Noordwijk. Daarbij is gemeente zich bewust van de volgende belangrijke ontwikkelingen: • een steeds sterkere ontwikkeling naar een economisch systeem waarin producten steeds weer hergebruikt worden: van afval naar grondstoffen, ‘cradle to cradle’ duurzaamheid is veranderd: van bijzaak naar hoofdzaak mensen gaan steeds meer zelf op zoek naar duurzame kansen • de rol van de overheid verandert: van alleen sturen op wet- en regelgeving naar meer een rol bij het creëren van condities (co-creatie) waarmee duurzame ontwikkeling gestalte krijgt. Beoordeling en conclusie De twee oningen sluiten aan bij het dorpse karakter en dragen bij aan een aantrekkelijke leefomgeving. 3.5.4

Welstandsnota Noordwijk 2019 De gemeente Noordwijk heeft in 2019 de gemeentelijke Welstandsnota vastgesteld. In deze Welstandsnota staan algemene uitgangspunten (deel A), gebiedsgerichte criteria (deel B) en objectgerichte criteria (deel C) aangegeven. Een bouwplan wordt door de welstandscommissie getoetst aan de Welstandsnota. De gemeente is ingedeeld in de volgende drie welstandsniveaus: 1. hoog welstandsniveau, Rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht; 2. bijzonder welstandsniveau, extra inspanning ten behoeve van ruimtelijke kwaliteit gewenst; 3. regulier welstandsniveau, basiskwaliteit moet worden gehandhaafd. De locatie is gelegen in regulier welstandsniveau. Op voorhand worden geen belemmeringen verwacht ten aanzien van het ontwerp van de woningen. De welstands-

25

commissie heeft voorts op 5 december 2024 een positief advies onder een voorwaarde gegeven, zie hierna. Met de voorwaarde van de welstandscommissie wordt rekening gehouden.

26

4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten Inleiding Aan de verschillende overheden zijn op basis van milieuwetgeving zoals de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming, de Wet geluidhinder en de Wet luchtkwaliteit vele taken en bevoegdheden op milieugebied toegekend. Deze hebben ook betrekking op de ruimtelijke ordening. Het milieubeleid van de verschillende overheden is er op gericht om te komen tot een integrale verbetering van de leefomgeving door een vroegtijdige integratie van milieukwaliteit in ruimtelijke planvormingsprocessen.

4.2

Milieu-aspecten

4.2.1

Besluit m.e.r Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Het besluit is aangepast omdat de Europese rechter heeft geoordeeld dat de drempelwaarden voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten onvoldoende recht deden aan de vraag of er sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Het besluit is aangepast en de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn nu indicatief. Dit betekent dat als een plan onder de richtwaarden blijft er wel een toetsing moet worden gedaan. Het bevoegd gezag moet zich er van vergewissen of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De toetsing vindt plaats aan de hand van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieu-effectbeoordeling. Getoetst moet worden op: − de kenmerken van het project; − de plaats van het project; − de kenmerken van de mogelijke gevolgen. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(beoordeling) noodzakelijk en het plan kan worden vastgesteld; 2. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. en het plan is daarmee m.e.r.-plichtig. Beoordeling en conclusie Het plan biedt de mogelijkheid om 2 woningen te realiseren.

Het gaat niet om activiteiten die zijn genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Hiermee wordt immers bedoeld grootschalige integrale gebieds (her)ontwikkeling 2. Uit verschillende uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als 2 ECLI:NL:RVS:2022:2394

27

aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. In dit plan neemt het verhard oppervlak niet in grote mate toe ten opzichte van de bestaande situatie en mede gezien de binnenstedelijke ligging en de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling(sproject) en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. M.e.r.-plicht op grond van de Wet natuurbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Beoordeling M.e.r.-plicht De beoordeling of er significante effecten zijn te verwachten vindt plaats in paragraaf 4.3.2. In deze paragraaf wordt geconcludeerd dat significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Beoordeling en conclusie Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.2.2

Milieuzonering Beleid en regelgeving Bij het realiseren van een nieuwe functie dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1 past de nieuwe functie in de omgeving? 2 laat de omgeving de nieuwe functie toe? Richtinggevend hierin zijn de indicatieve onderzoekszones zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de belasting op grotere afstand van de bron afneemt. Daarnaast is de mate waarin een bedrijfstype personen- en/of goederenverkeer aantrekt, mede bepalend voor de mate van hinder. Onderstaande tabel geeft inzicht in het verband tussen de (richt)afstand en de milieucategorie.

28

Richtafstand 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

Deze gaat uit van een “rustige woonwijk”. In zogenaamde “gemengde gebieden” echter kan gemotiveerd een kleinere afstand van milieugevoelige functies (wonen) tot overlast veroorzakende gebieden worden aangehouden. Het idee is dat een rustige woonwijk een hoger beschermingsniveau verdient dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In een gemengd gebied komt matige tot sterke functiemenging voor. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Een indicatie van richtafstanden bij verschillend bedrijfstypes voor gemengde gebieden is weergegeven in onderstaande tabel. Uitgangspunt is dat steeds één stapje lager kan worden aangehouden wat betreft afstand. Richtafstand 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 150 m 300 m

Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5

Beoordeling en conclusie Het gebied is gelegen in een woonwijk van Noordwijk, waar hoofdzakelijk woningen aanwezig zijn. Het gaat om een rustig gebied. Zichtbaar op navolgende uitsnede van het geldend bestemmingsplan is een bestemmingsvlak gemengd op ca. 47 m. er is hier een dienstverlenend bedrijf gevestigd, waar geen overlast van uitgaat. Datzelfde geldt voor het bestemmingsvlak Dienstverlening, dat op meer dan 90 m ten oosten van het plangebied ligt en een Maatschappelijke bestemming op vergelijkbare afstand (dit betreft een huisartsenpraktijk). Omgekeerd gaat van woningen geen overlast uit. Zodoende werpt het onderdeel bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen op.

Uitsnede geldend bestemmingsplan 29

4.2.3

Geluid Inleiding De mate waarin het geluid veroorzaakt door het (spoor) wegverkeer het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Voor wegverkeer stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op geluidsgevoelige functies de voorkeurgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle (spoor)wegen op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Algemeen Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Spoorverkeer is ter plaatse niet relevant. De breedte van de zone bij wegverkeer is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg: stedelijk of buitenstedelijk. De zone ligt aan weerszijden van de weg en is gemeten vanuit de rand van de weg. De zones, zoals beschreven in artikel 74 van de Wgh, zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Aantal rijstroken

Zones langs wegen Stedelijk gebied

Buitenstedelijk gebied

1 of 2 rijstroken

200 meter

250 meter

3 of 4 rijstroken

350 meter

400 meter

5 of meer rijstroken

350 meter

600 meter

Tabel 4-1. Overzicht van de zones langs wegen

Artikel 74 lid 2 van de Wgh maakt een uitzondering voor wegen met een 30 km-regime en woonerven. Deze wegen hebben geen zone en zijn daarmee niet onderzoeksplichtig3. Beoordeling en conclusie Zowel De la Bassecour Caanstraat als de omliggende wegen kennen een 30km/h regime. Formeel is op basis van de Wgh dus geen akoestisch onderzoek. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening wordt overwogen dat het gecumuleerde geluidniveau volgens de Atlas voor de Leefomgeving op ~50 dB ligt. Wetende dat een gevel standaard 20 dB isoleert (tegenwoordig feitelijk meer), zal de binnenwaarde ruimschoots beneden de 33 dB liggen, de waarde die in het Bouwbesluit is opgenomen en waaraan voldaan moet worden wanneer een Hogere Waarde is vastgesteld. 3

Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh is voor 30 km/uur-wegen geen onderzoeksplicht. Op 3 september 2003 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitgesproken (nr. 200203751/1: Abcoude) dat nog niet geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening (goed woon- en leefklimaat, zoals opgenomen in het Bouwbesluit). Daarom wordt bij 30 km/uur-zones onderzocht of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB of de hoogst toelaatbare geluidbelasting op de gevel.

30

Wanneer voldaan wordt aan die waarde, wordt geacht sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat. Onder deze omstandigheden kan zonder specifiek onderzoek de gemotiveerde conclusie worden getrokken dat wegverkeer geen belemmering vormt en er ter plaatse een goed woon- en leefklimaat aanwezig zal zijn.

Uitsnede Atlas Leefomgeving 4.2.4

Geurhinder Beleid en regelgeving In de Wet geurhinder en veehouderij en in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn regels gegeven om agrarische geurhinder te beperken. Beoordeling en conclusie Nabij het plangebied liggen geen geuroverlast veroorzakende functies.

4.2.5

Bodem De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen / Waboprocedures regels stellen voor een goede ruimtelijke ordening. Dit betekent voor de bodem (grond en grondwater) dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming dienen te zijn. Of de bodem een planontwikkeling in de weg staat, wordt middels een historisch onderzoek eventueel aangevuld met een bodemonderzoek bepaald. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) In de Wabo staat dat een omgevingsvergunning, voor het bouwen op een vermoeden van ernstig verontreinigde grond, pas in werking treedt nadat: − er is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; − het bevoegd gezag heeft ingestemd met het saneringsplan/BUS-melding; − er een melding is gedaan van een voornemen tot saneren.

31

Grond wordt in Nederland als volgt ingedeeld:

Beoordeling en conclusie Er worden woningen toegevoegd en mede daarom is bodemonderzoek uitgevoerd 4. De verkregen onderzoeksresultaten worden onderstaand in samenvattende vorm opgesomd: − De bovengrond is hooguit licht verontreinigd − De ondergrond is niet verontreinigd met de onderzochte parameters − Het grondwater is hooguit licht verontreinigd De aangetoonde lichte verontreinigingen geven conform de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van nader bodemonderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt worden geen belemmeringen voorzien met betrekking tot de voorgenomen verkoop van het perceel en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor eventuele nieuwbouw. 4.2.6

Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende de luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen -uitzonderlijke situaties daargelaten- bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1 er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;

4 1. Verkennend Bodemonderzoek Wilhelminastraat 30, Noordwijk, Wijnands Mili-eu Consultan-

cy, 6 februari 2023

32

2 3 4

een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.

Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van NSL. Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL, in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Voor woningen bedraagt de drempelwaarde 1.500 bij één ontsluitingsweg.

Beoordeling en conclusie Het aantal van 2 extra woningen blijft ruimschoots onder genoemde grens, zodat het initiatief NIBM is hierom haalbaar vanwege luchtkwaliteit. Ook blijkt uit de Atlas voor de leefomgeving dat er ter plaatse geen jaargrenswaarden worden overschreden voor wat betreft PM2,5 en stikstof (als er geen overschrijding is voor PM2,5, dan is dat automatisch ook het geval voor PM10). Zie afbeelding onder paragraaf 4.2.3. Het onderwerp luchtkwaliteit werpt zodoende geen belemmeringen op. 4.2.7

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico’s bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpgtankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen.

33

Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden. Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De Wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG).

Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn. Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan (lees: afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo waar in dit geval sprake van is) de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan (in dit geval dus een afwijkingsbesluit ex art. 2.12, lid 1 onder a sub 3 Wabo) dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Noordwijk&id=5f1c8df0-0e01-4eca-a4c2-15057c2dbbdc