CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D12 04 Bijlage 4 bij Nota - Welstandsnota noordoostpolder 2016 update zonnepanelen op monumenten.pdf

Gemeenteraad 14 november 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken10.066 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2016

Hoofddeel Versie 2022-12

Inhoud 1.

ALGEMEEN......................................................................................................................6 1.1 INLEIDING..................................................................................................................................................... 6 1.2 GEBRUIKERSHANDLEIDING........................................................................................................................... 7 1.3 OVERGANGSREGELING................................................................................................................................. 7

2.

WELSTAND IN NOORDOOSTPOLDER..................................................................................8 2.1 WAT IS WELSTAND?...................................................................................................................................... 8 2.2 SNELTOETSCRITERIA.................................................................................................................................... 8 2.3 GEBIEDSGERICHTE BENADERING................................................................................................................. 8 2.4 FLANKEREND BELEID.................................................................................................................................... 9

3.

ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA....................................................................................10 3.1 BELEID........................................................................................................................................................ 10 3.2 ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA...............................................................................................................10

4.

GEBIEDSCRITERIA EN SNELTOETSCRITERIA......................................................................12 4.1 EMMELOORD, DE DORPEN EN BEELDBEPALENDE GEBIEDEN BEHALVE NAGELE EN SCHOKLAND..............12 4.1.1 Beleid................................................................................................................................................... 12 4.1.2 Gebiedscriteria.................................................................................................................................... 13 4.1.3 Sneltoetscriteria.................................................................................................................................. 14 4.2 NAGELE....................................................................................................................................................... 16 4.3 SCHOKLAND............................................................................................................................................... 16 4.3.1 Beleid................................................................................................................................................... 16 4.3.2 Gebiedscriteria....................................................................................................................................

16 4.4 HET LANDELIJK GEBIED............................................................................................................................... 17 4.4.1 Beleid................................................................................................................................................... 17 4.4.2 Gebiedscriteria.................................................................................................................................... 20 4.4.3 Sneltoetscriteria.................................................................................................................................. 24

5.

OBJECTGERICHTE CRITERIA.............................................................................................26 5.1

MONUMENTEN..................................................................................................................................... 26

5.1.1 Beleid................................................................................................................................................... 26 5.1.2 Welstandscriteria................................................................................................................................. 26

5.2 ZONNEPANELEN EN –COLLECTOREN OP MONUMENTEN.............................................................................27 5.2.1 Beleid................................................................................................................................................... 27 5.2.2 Welstandscriteria................................................................................................................................. 27 5.3 RECLAME.................................................................................................................................................... 28 5.3.1 Beleid................................................................................................................................................... 28 5.3.2 Welstandscriteria................................................................................................................................. 28 6.

BEELDKWALITEITSPLANNEN EN OVERIGE WELSTANDSBELEIDSPLANNEN...........................31 6.1 BELEID........................................................................................................................................................ 31 6.2 STANDAARDOPBOUW................................................................................................................................. 31 6.3 VERVALLEN VAN EEN BEELDKWALITEITSPLAN............................................................................................31 6.4 VASTGESTELDE BEELDKWALITEITSPLANNEN..............................................................................................31

7.

EXCESSENREGELING......................................................................................................32

8.

HARDHEIDSCLAUSULE....................................................................................................33

9.

HANDHAVING................................................................................................................34

10.

BEGRIPPENLIJST............................................................................................................35

11.

KAARTEN.......................................................................................................................38

Vind snel de relevante welstandsregels Uw bouwplan betreft: • • •

Monument Zonnepaneel op een monument Reclame

Zie hoofdstuk 5 Objectgerichte criteria ja

•

Aanpassingen of toevoegingen aan cultuurhistorisch erfgoed vragen om een zorgvuldige aanpak. Daarom gelden voor monumenten (5.1) en zonnepanelen op monumenten (5.2) altijd welstandseisen.

•

Voor reclame-uitingen (5.3) gelden specifieke welstandscriteria per gebied.

nee Zie paragraaf 4.1.3 onder het kopje sneltoetscriteria Plan voor één van onderstaande bouwwerken in Emmeloord of dorpen? • • • • •

Bijbehorend bouwwerk Dakkapel Kozijn of kozijninvulling of gevelpaneel Erf- of perceelafscheiding voor de voorgevelrooilijn Rolhek, luik en rolluik

Op een aantal veel voorkomende vergunningplichtige plannen zijn sneltoetscriteria van toepassing. Hierbij volstaat meestal een ambtelijke sneltoets. ja

nee

Zie paragraaf 4.1.2 en 4.4.2 gebiedscriteria en paragraaf 6.4 vastgestelde beeldkwaliteitsplannen Bouwplannen worden getoetst aan gebiedscriteria. De gebieden waarvoor criteria gelden staan beschreven op de kaarten in hoofdstuk 11.

Plan voor een ander bouwwerk dan bovenstaand in:    

Emmeloord en de dorpen Nagele Schokland Landelijk gebied

Deze plannen zijn overigens vaak vergunningsvrij. Er vindt dan geen welstandstoets plaats. Informatie hierover kunt u verkrijgen bij de gemeente of omgevingsloket.nl.

ja

Voor sommige gebieden geldt een beeldkwaliteitsplan met daarin opgenomen welstandseisen. Deze gebieden zijn niet opgenomen op de kaarten in hoofdstuk 11. Voor Nagele geldt het beeldkwaliteitsplan Nagele.

nee

De glastuinbouwgebieden bij Ens en Marknesse zijn welstandsvrij.

Zie hoofdstuk 6 beeldkwaliteitsplannen en overige welstandsplannen Nieuwe ruimtelijke ontwikkeling? Bijvoorbeeld:   

Nieuwbouwwijk Herstructureringsproject Zichtlocatie bedrijfsterrein

ja

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan met welstandscriteria vaststellen. In bijlage 5 is de standaardopbouw van een beeldkwaliteitsplan opgenomen.

1. Algemeen 1.1 INLEIDING De gemeente Noordoostpolder hecht waarde aan de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Oude en nieuwe gebouwen, in al hun verscheidenheid, vormen met elkaar het aanzien en daarmee de welstand van de gemeente. De gemeente wil zorgvuldig omgaan met die bebouwing en de openbare ruimte waarin die bebouwing is geplaatst, maar wil haar burgers en bedrijven daarin ook vrijheid geven. Zij wil hen inspireren en stimuleren om zorgvuldig om te gaan met hun gebouwde eigendommen in het vertrouwen dat eigen ontwerp en initiatief daaraan bijdraagt. Bouwsteen van het gemeentelijk erfgoedbeleid Deze welstandsnota is één van de bouwstenen van het gemeentelijk erfgoedbeleid. Voor bebouwing met een cultuurhistorische betekenis en/of een beeldbepalend karakter gelden eisen van welstand. Deze eisen zijn echter veelal beperkt tot de voorgevel van gebouwen. Het gaat hier bijvoorbeeld om de hoofdentrees en gedeelten van de oudste kernen van Emmeloord en de dorpen, en om oorspronkelijke en nieuwe woningen in het buitengebied. Andere gebieden en bouwwerken zijn geheel welstandsvrij of welstandsluw. Hier gaat het om de gebieden buiten de oorspronkelijke kernen en om industrieterreinen en bedrijfsgebouwen in het buitengebied. Zo wordt de gewenste ruimte aan burgers en bedrijven bij het realiseren van hun bouwplannen gegeven.

Voor nieuwe ontwikkelingen in een bepaald gebied kan welstand gelden wanneer een voorgestane uitstraling ervan gewenst is. Welstandscriteria zijn dan opgenomen in een beeldkwaliteitsplan. Gemeentelijk kwaliteitsteam Om opdrachtgevers en architecten “mee te nemen” in dit proces willen we hen daarbij eerder dan voorheen betrekken. Het gaat dan om bouwplannen van aantoonbaar stedenbouwkundig en welstandelijk belang. Ze kunnen binnen een gemeentelijk kwaliteitsteam met de ontwerper worden besproken. Wij denken dat deze vorm van werken niet alleen leidt tot betere plannen, maar ook tot meer wederzijds begrip. Voor de goede orde: deze gesprekken staan los van het “normale” vooroverleg waarin de vraag aan de orde komt of een bouwproject wellicht vergunbaar is. Dat overleg blijft gewoon bestaan.

Pagina 6 van 39

1.2 GEBRUIKERSHANDLEIDING Na een korte kenschets van welstand in Noordoostpolder en de algemene welstandscriteria volgt met hoofdstuk 4 de kern van deze nota. Het beschrijft de welstandscriteria die in de verschillende gebieden van toepassing zijn. Voor monumenten en reclames gelden aparte welstandscriteria. Deze staan beschreven in hoofdstuk 5. Met behulp van het schema aan het begin van de nota vindt u snel de juiste plaats van de welstandscriteria die op uw voorgenomen bouwplannen van toepassing zijn. Hoofdstuk 7 beschrijft de excessenregeling. Bij een exces gaat het om een bestaand bouwwerk dat in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Wanneer van een exces sprake kan zijn en welke procedure voor de beoordeling daarvan wordt gevolgd komt in dit hoofdstuk aan de orde. Hoofdstuk 8 gaat in op de hardheidsclausule. Het beschrijft welke uitzonderingsmogelijkheden het college van burgemeester en wethouders heeft om van het advies van de welstandscommissie af te wijken. Hoofdstuk 9 gaat kort in op toezicht en handhaving van het welstandsbeleid. Hoofdstuk 10 beschrijft de belangrijkste begrippen die in deze nota voorkomen. Hoofdstuk 11 tenslotte bevat gedetailleerde kaarten waarop de verschillende welstandsgebieden zijn weergegeven. Bijlagen Bij dit hoofddeel hoort een los document met bijlagen. In dat document zijn de volgende bijlagen opgenomen:

    

Bijlage 1 Karakteristieken van de Noordoostpolder Bijlage 2 Nadere onderbouwing gebiedsgericht welstandsbeleid Bijlage 3 Gebiedsbeschrijvingen Bijlage 4 Beeldkwaliteitsplannen en overig welstandsbeleid Bijlage 5 Interne werkdocumenten

1.3 OVERGANGSREGELING Het proces van afhandelen van aanvragen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen vraagt een zekere tijd. Op het moment van inwerkingtreding van deze welstandsnota zullen er dan ook zeker aanvragen in behandeling zijn. Met het oog op de rechtszekerheid van onder andere de aanvrager is het van belang te bepalen hoe met deze aanvragen in het licht van de inwerkingtreding van de welstandsnota wordt omgegaan. De overgangsregeling houdt in dat op een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, die is ingediend vóór het tijdstip waarop deze herziene welstandsnota in werking treedt, en waarop op dat tijdstip nog niet is beschikt, de welstandsbepalingen uit deze nota van toepassing zijn, indien dat gunstiger is voor de aanvrager. Wanneer deze bepalingen niet gunstiger zijn, dan wordt nog getoetst aan het welstandsbeleid dat van toepassing was op het moment van indienen van de aanvraag.

Pagina 7 van 39

2. Welstand in Noordoostpolder 2.1 WAT IS WELSTAND? Het gaat bij welstand over het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, op zichzelf beschouwd als ook in verband met de bestaande omgeving of te verwachten ontwikkeling daarvan. Dit laatste is met name van belang bij herstructurering van woonwijken. Aan de hand van criteria opgenomen in deze welstandsnota vindt de toetsing, advisering en besluitvorming plaats. In zijn algemeenheid zal er sprake moeten zijn van redelijke eisen van welstand. In de praktijk gaat het daarbij om zaken als de situering in relatie tot de omgeving, de vorm en verhoudingen van het bouwwerk en het toepassen van materialen en kleuren. Toetsing welstand Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt gekeken of een plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Dit is uiteraard niet aan de orde voor bouwplannen die in welstandsvrije gebieden liggen. De advisering is in handen gelegd van de welstandscommissie. Zij toetst een bouwplan aan de redelijke eisen van welstand, zoals verwoord in deze welstandsnota. De organisatie hiervan wordt gefaciliteerd door Het Oversticht. De samenstelling, werkwijze en verantwoordelijkheden van de commissie zijn in een dienstverleningsovereenkomst geregeld. In de meeste gevallen wordt het advies van de welstandscommissie overgenomen.

Burgemeester en wethouders hebben echter de mogelijkheid om op inhoudelijke gronden of om andere redenen ervan af te wijken. Voor de beoordeling van een bestaand bouwwerk geldt altijd een ondergrens: het mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Zo nodig kan daartegen worden opgetreden. 2.2 SNELTOETSCRITERIA Voor bepaalde bouwwerken in Emmeloord en de dorpen, behalve Nagele en Schokland, en voor de kleuren van bedrijfsgebouwen in het buitengebied gelden sneltoetscriteria. Voorbeelden van die bouwwerken zijn: bijbehorende bouwwerken, dakkapellen en schuttingen. Deze bouwplannen worden niet meer aan de welstandscommissie voorgelegd, maar worden getoetst door de gemeente1 zelf aan de hand van de gegeven sneltoetscriteria. Blijkt uit deze toets dat een bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, dan wordt het plan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst aan de gebiedscriteria. 2.3 GEBIEDSGERICHTE BENADERING Een groot deel van het grondgebied van de gemeente Noordoostpolder is welstandsvrij of welstandsluw. In deze gebieden hoeven bouwplannen niet meer of slechts beperkt getoetst te worden aan redelijke eisen van welstand. Voorbeelden hiervan zijn 1

Door een wijziging van het Besluit Omgevingsrecht in 2013 kan de gemeente zelf vergunningplichtige bouwplannen toetsen aan redelijke eisen van welstand en hoeft dat niet meer per se te gebeuren door de welstandscommissie.

Pagina 8 van 39

woonwijken gebouwd na de jaren 50 van de vorige eeuw, bedrijventerreinen en kanten van een gebouw die niet naar openbaar toegankelijk gebied zijn gekeerd. De basis voor de keuze welstand, welstandsluw en welstandsvrij vormt de visie: Voor (bestaande, te veranderen of nieuw te bouwen) bebouwing, die duidelijk bijdraagt aan het karakteristieke beeld en de ruimtelijke identiteit van de gemeente Noordoostpolder is welstand relevant, voor andere bebouwing minder of helemaal niet. Of het uiterlijk van de bebouwing van betekenis is voor de karakteristiek van de polder als geheel, hangt samen met de cultuurhistorische betekenis en de zichtbaarheid van de bebouwing. 2.4 FLANKEREND BELEID De gemeente Noordoostpolder kiest voor het doorgaan met het met de vorige nota ingezette beleid ten aanzien van het verminderen van eisen van welstand voor bouwwerken. Wel hebben we oog voor onze cultuurhistorie. Hoewel dit gepaard gaat met vermindering van de bestuurlijke sturing op esthetische kwaliteiten van bebouwing is flankerend beleid op zijn plaats. Dat kan op de volgende wijze:  

het inzetten van het bestemmingsplan om bijvoorbeeld de kavelgrootte, bouwvlakken, rooilijnen, bouwhoogten en goothoogten te reguleren; afspraken maken in het gemeentelijk kwaliteitsteam met opdrachtgevers, bouwbedrijven en woningcorporatie Mercatus over voorgenomen bouwplannen die van wezenlijke invloed zijn op de bebouwde omgeving. Met goede afspraken kan een groot deel van de onzekerheid over eventueel kwaliteitsverlies worden weggenomen; de gemeente kan beeldkaarten ontwikkelen, die een impressie geven van esthetische kwaliteiten van bouwwerken. Zo kan proactief worden gehandeld. Deze beeldkaarten kunnen ingezet worden bij zowel nieuwbouw als bij verbouw. Deze kaarten hebben overigens geen juridische status, maar dienen als richtinggevend en ter inspiratie.

Pagina 9 van 39

3. Algemene welstandscriteria 3.1 BELEID De welstandsbeoordeling in Noordoostpolder beperkt zich tot die (onderdelen van) bouwwerken waarvoor welstandscriteria gelden. Deze welstandscriteria zijn beschreven voor bepaalde gebieden (hoofdstuk 4), objecten (hoofdstuk 5) of zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan (hoofdstuk 6). De algemene welstandscriteria vormen een hulpmiddel bij deze welstandsbeoordeling. Algemene welstandscriteria worden namelijk gezien als algemene richtlijnen voor goede architectuur. De algemene welstandscriteria zijn daarnaast leidend en bepalend als een bouwwerk niet aan de van toepassing zijnde gebieds- of objectcriteria voldoet, maar volgens de welstandscommissie vanwege zijn kwaliteit wel als positief moet worden beoordeeld. Zie hiertoe de hardheidsclausule in hoofdstuk 8 Uit het voorgaande volgt dat algemene welstandscriteria alleen betrekking hebben op die (onderdelen van) bouwwerken waarvoor welstandscriteria zijn geformuleerd. Zijn op een bouwwerk geen welstandscriteria van toepassing, dan zijn de algemene welstandscriteria ook niet van toepassing.

3.2 ALGEMENE WELSTANDSCRITERIA Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk, waarop welstandscriteria van toepassing zijn, mag worden verwacht dat de verschijningsvorm of het uiterlijk van het gebouw een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen, krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij bepaalde associaties op. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl.

Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan: die vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Pagina 10 van 39

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door eenvoud verloren gaat. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Indien de belevingswaarde van een lager niveau is kunnen er minder hoge eisen worden gesteld. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk mag worden verwacht dat het een samenhangend geheel vormt van maatverhoudingen, die beheerst worden toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. Voorbeeld: als een dakkapel te dominant is ten opzichte van de hoofdmassa, verstoort zij het beeld niet alleen van het gebouw zelf, maar ook van de omgeving waarin het is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en merkbare kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. Materialen en kleuren dienen niet los te staan van het ontwerp. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren niet meer passen bij de aard en ontstaansperiode van het bouwwerk.

Pagina 11 van 39

4. Gebiedscriteria en sneltoetscriteria Naast algemene welstandscriteria zijn gebiedscriteria en sneltoetscriteria geformuleerd. Deze criteria zijn alleen van toepassing in een specifiek gebied. Het gaat hier respectievelijk over de gebieden Emmeloord en de dorpen, Schokland en het landelijk gebied. Voor Nagele geldt sinds 2015 een apart beeldkwaliteitsplan met bijhorende welstandscriteria. Hoofdstuk 11 bevat de kaarten waarop de verschillende welstandsgebieden zijn weergegeven. De gebiedscriteria moeten in samenhang worden gezien met het beleid zoals dat per gebied is beschreven, en de gebiedsbeschrijvingen die zijn opgenomen in het document welstandsnota bijlagen. 4.1 EMMELOORD, DE DORPEN EN BEELDBEPALENDE GEBIEDEN BEHALVE NAGELE EN SCHOKLAND 4.1.1 Beleid Kernen en beeldbepalende gebieden De kernen en de beeldbepalende gebieden van Emmeloord en de dorpen bepalen feitelijk de identiteit van deze gebieden. Het zijn gebieden met cultuurhistorische waarden, die verband houden met de ontstaansgeschiedenis van de Noordoostpolder. Momenteel bestaat er veel (her)waardering voor de vormgeving uit deze periode. Met deze waarden moet dan ook nadrukkelijk rekening worden gehouden. Het beleid is er op gericht de oorspronkelijke karakteristieken te beschermen en te versterken met passende en goede architectuur, waarbij de positieve elementen van het oude een eigen plek krijgen.

De toevoeging van stijlkenmerken bij bouwen en verbouwen moet daarom in harmonie zijn met de oorspronkelijke stijlkenmerken. Dit sluit niet uit dat bij vernieuwing andere stijlkenmerken niet passend kunnen zijn. In het centrum van Emmeloord is veel van de oorspronkelijke bebouwing verloren gegaan of ingrijpend verbouwd. Ook de stedenbouwkundige structuur wijzigde op verschillende plaatsen. Niettemin is de oorsprong nog herkenbaar. Herstel en renovatie kunnen het centrum een positieve kwaliteitsimpuls geven. Het beleid neemt de oorspronkelijke structuur en bebouwing als uitgangspunt voor ontwikkelingen. Nieuwe bebouwing dient een verbetering van de huidige situatie te bewerkstelligen. Grenzen van het welstandsgebied Bij de vaststelling van de grenzen van het gebied waar welstand geldt, is gebruik gemaakt van een inventarisatie van Het Oversticht in het kader van toekomstige (herstructurerings)opgaven in de dorpen. De inventarisatie vormde mede de basis voor de beschrijving van het DNA van Emmeloord en de dorpen 2.

2

Zie de rapporten ‘ de Noordoostpolder-stad Emmeloord, DNA van een stad als bouwsteen voor de toekomst’, en ‘de Noordoostpolder-dorpen, DNA van een dorp als bouwsteen voor de toekomst’.

Pagina 12 van 39

4.1.2 Gebiedscriteria Welstand geldt alleen in het op de kaart aangegeven gebieden (zie hoofdstuk 11) en is daar alleen van toepassing op naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde kanten van hoofdgebouwen en van bijbehorende bouwwerken. Plaatsing 1. Bebouwing richt zich naar de openbare ruimte en de plaatsing wordt afgestemd op de karakteristieken van de directe omgeving. 2. In een winkelgebied zijn de gevelwanden zo mogelijk aaneengesloten. 3. In gebieden waarbij wat betreft de plaatsing sprake is van een grote mate van eenheid en herhaling, mag nieuwbouw dit beeld niet verstoren tenzij deze een nieuwe, binnen het oorspronkelijke dorpsontwerp passende, stedenbouwkundige eenheid vormt. 4. Bijbehorende bouwwerken zijn zodanig gesitueerd dat zij ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. 5. Bijzondere en openbare gebouwen kunnen afwijkend zijn gesitueerd. Vormgeving 6. Voor zover stijlkenmerken van oorspronkelijke karakteristieke bebouwing aanwezig zijn (Delftse school) wordt bij verbouw hier rekening mee gehouden. In andere gevallen zal een keuze moeten worden gemaakt in stijlkenmerken die harmoniëren3 met de oorspronkelijke en karakteristieke stijlkenmerken. 7. Bij nieuwbouw is vernieuwende vormgeving mogelijk maar met respect voor maat, schaal en kapvorm van de bestaande bebouwing in de directe omgeving. 8.

De vormgeving van bijzondere en openbare gebouwen kan afwijken van de vormgeving in de directe omgeving. 9. Een bijbehorend bouwwerk is niet dominant ten opzichte van het hoofdgebouw. Hij moet bovendien qua vorm goed aansluiten op de bestaande bouw, of als deze afwijkt van een gelijkwaardige architectonische kwaliteit zijn. 10. Bij uitbreidingen en verbouwingen aan bijzondere en openbare gebouwen worden de bebouwingskarakteristieken behouden en hersteld. Speciale aandacht is daarbij vereist voor materiaalgebruik en detaillering. Detaillering, materialen en kleuren 11. Diverse kleuren en materialen zijn toegestaan mits deze harmoniëren met de directe omgeving. 12. Binnen een architectonische eenheid harmonieert de detaillering, kleur en materiaalgebruik met de overheersende detaillering van deze eenheid.

3

Harmoniëren is in de begrippenlijst omschreven als: zorgvuldig op elkaar afstemmen. Deze omschrijving biedt ook ruimte voor contrast tussen oud en nieuw.l

Pagina 13 van 39

13. Bij beeldbepalende, uitbreidingen of verbouwingen aan een gebouw binnen een stedenbouwkundige of architectonische eenheid, zal de eerste, positief beoordeelde, aanvraag maatgevend zijn voor latere aanvragen. 14. Bij uitbreidingen en verbouwingen aan bestaande (oorspronkelijke) bebouwing sluit de detaillering aan c.q. harmonieert deze bij de oorspronkelijke vormgeving van het gebouw. 15. Bijzondere en openbare gebouwen kunnen in kleur- en materiaalgebruik afwijken van hun directe omgeving. 16. Materialen en kleuren van een uitbreiding van een gebouw zijn gelijk aan, of harmoniëren met die van het bestaande gebouw.

4.1.3 Sneltoetscriteria Bouwplannen die aan de hierna beschreven sneltoetscriteria voldoen, worden in eerste instantie niet meer aan de welstandscommissie voorgelegd, maar door de gemeente zelf getoetst aan de hand van een ambtelijke toets. Blijkt uit de ambtelijke toets dat een bouwplan niet voldoet aan de sneltoetscriteria, dan kan het plan alsnog worden voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst aan de gebiedscriteria. A. Aan een woning aangebouwd bijbehorend bouwwerk Plaatsing en maatvoering 1. hoogte maximaal 0,30m boven de vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; Vormgeving 2. plat afgedekt; serres hebben eventueel een flauw hellend dak; 3. kozijnen en ramen gelijk aan of afgestemd op die van de woning. Detaillering, materialen en kleuren 4. detaillering is afgeleid van de woning; 5. materiaal- en kleurgebruik zijn gelijk of gelijkwaardig aan die van de woning. B. Dakkapellen Plaatsing 1. 2. 3. 4.

onderzijde meer dan 0,50m en minder dan 1m boven de dakvoet; bovenzijde meer dan 0,50m onder de daknok; zijkanten meer dan 0,50m van de zijkanten van het dakvlak; bij meerdere dakkapellen: de onder- en bovenkant van de dakkapellen bevinden zich op één horizontale lijn.

Maatvoering en vormgeving 5. gemeten van de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75m; 6. plat dak. Detaillering, materialen en kleuren 7. detaillering is afgestemd op die van het gebouw waarop de dakkapel staat. Pagina 14 van 39

8. materiaal- en kleurgebruik zijn gelijk of gelijkwaardig aan en passend bij die van de woning. C. Kozijn en kozijninvulling of gevelpaneel Maatvoering 1. nieuwe gevelopeningen zijn gelijk aan of een afgeleide van de bestaande of oorspronkelijke gevelopeningen. 2. profielafmetingen van kozijnen en/of raamhout zijn overeenkomstig bestaand of oorspronkelijk. Vormgeving 3. de gevelwijziging blijft in overeenstemming met de architectuur/het tijdsbeeld van de oorspronkelijke gevel; 4. kenmerkende samenhang en ritmiek van de straatwand blijft behouden; 5. bij samenhang van de gevel op de begane grond en verdieping(en) blijft deze behouden. Detaillering, materialen en kleuren 6. bij verandering van kozijn- of raamindelingen is sprake van een geringe wijziging door toevoegen of weglaten van stijlen, dorpels, roedes of ramen; 7. details die kenmerkend zijn voor de oorspronkelijke architectuur van de gevel blijven behouden: bijvoorbeeld lateien, onderdorpels, raamlijsten, speklagen, rollagen, metselwerkversieringen, dakgoten en ornamenten; 8. profielafmetingen van kozijnen en/of raamhout zijn overeenkomstig oorspronkelijke of bestaande afmetingen; 9. het materiaal- en kleurgebruik is overeenkomstig of gelijkwaardig aan de al aanwezige materialen en kleuren van het gebouw; 10. gevelopeningen zijn voorzien van blank glas (dichte panelen of schilderwerk zijn niet toegestaan); 11.

bij vervanging van stalen kozijn- en raamprofielen, worden deze vervangen door aluminium renovatieprofielen (alleen aluminium kan de dimensionering en profilering van staal benaderen); 12. bij vervanging van houten kozijnen door kunststof kozijnen wordt de oorspronkelijke of gelijkwaardige profilering van de houten kozijnen aangehouden. D. Erf- of perceelafscheidingen voor de voorgevelroolijn Op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat: Maatvoering en vormgeving 1. de hoogte bedraagt maximaal 2 meter, mits deze boven de eerste meter voor tenminste 85% open is. E. Rolhekken, luiken en rolluiken Plaatsing, vormgeving, materiaal en kleuren 1. Rolhekken, luiken en rolluiken zijn toegestaan aan de buitengevel, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. alleen voor ramen of gevelpanelen; Pagina 15 van 39

b. voor minimaal 90% bestaand uit glasheldere doorkijkopeningen; c. ingetogen kleurgebruik of kleuren harmoniërend met de gevel.

4.2 NAGELE Voor Nagele is in 2015 het beeldkwaliteitsplan Nagele vastgesteld. Het beschrijft de huidige beeldkwaliteit van Nagele en aan welke welstandscriteria nieuwbouw en verbouw moeten voldoen om zo de unieke ruimtelijke beleving van Nagele te waarborgen en waar mogelijk te versterken. Vanwege dit beeldkwaliteitsplan zijn aparte welstandscriteria in deze nota niet nodig. 4.3 SCHOKLAND 4.3.1 Beleid Voor Schokland is het uitgangspunt om de bestaande bebouwingskarakteristieken van de gebouwen te behouden en waar mogelijk te versterken. Het Werelderfgoed ‘Schokland en omgeving’ staat als archeologisch monument symbool voor de eeuwig durende strijd tussen de mens en de zee. Het bijzondere cultuurhistorische karakter van Schokland dient te worden bewaard. 4.3.2 Gebiedscriteria Plaatsing 1. De situering van de gebouwen is zoveel mogelijk afgestemd op de bebouwingskarakteristieken in de directe omgeving. Vormgeving 2. De bebouwing sluit in maat, schaal en vorm aan bij de bebouwingskarakteristiek van de directe omgeving. 3. Een bijbehorend bouwwerk is niet dominant ten opzichte van het hoofdgebouw en sluit qua vorm goed aan op de bestaande bouw. Detaillering, kleuren en materialen 4. Diverse kleuren en materialen zijn toegestaan mits deze harmoniëren met de directe omgeving. 5.

Bij uitbreidingen of verbouwingen sluit de detaillering aan op de oorspronkelijke vormgeving van het gebouw.

Pagina 16 van 39

4.4 HET LANDELIJK GEBIED Het landelijk gebied omvat het grondgebied van de gehele gemeente Noordoostpolder, met uitzondering van de bebouwde kommen van Emmeloord, de dorpen en Schokland en het IJsselmeergebied4. Op de grote overzichtskaart in hoofdstuk 11 is dit gebied met een groene kleur aangeduid. 4.4.1 Beleid Algemeen De aandacht voor de cultuurhistorie van Noordoostpolder is groot en de verwachting is dat dit naar de toekomst toe nog belangrijker wordt. Met ons unieke verhaal kunnen wij ons blijvend onderscheiden. Dit vraagt om een werkwijze, waarbij we ons bewust zijn van de kwaliteiten van de polder en hier zorgvuldig mee omgaan. Niet voor niets vormt het landschap de Het landschapsbeeld van de nadrukkelijke basis van de Structuurvisie Noordoostpolder wordt in Noordoostpolder en stelt de gemeentelijke belangrijke mate bepaald door Erfgoednota dat het adequaat beschermen van ons de agrarische bebouwing. Met erfgoed structureel aandacht vraagt binnen name de opvallende verschillende beleidsterreinen van de gemeente.

schokbetonnen schuren en de Tegelijk zien we dat, juist vanwege de ouderdom honderden bakstenen pachtersvan de bebouwing in het buitengebied, de en landarbeiderswoningen vrijkomende agrarische bedrijfskavels, de hebben door hun architectuur en mogelijkheden voor niet-agrarische materiaalgebruik een zekere bedrijfsactiviteiten en de mogelijkheden voor eenheid in het nieuwe land alternatieve woonvormen, in de (nabije) toekomst gebracht. Die samenhang is nog nieuwbouw van woningen in het buitengebied meer geaccentueerd door de dan ooit aan orde is. uitgekiende verdeling van boerderijen over de polder en In deze welstandsnota zijn bovenstaande door erfbeplantingen, die een uitgangspunten vertaald naar welstandscriteria voor belangrijke rol spelen in de het buitengebied. Naast welstandscriteria voor de ‘groene aankleding’ van de oorspronkelijke bebouwing bevat deze nota polder. Daarbij mag niet worden welstandscriteria voor nieuw te bouwen woningen vergeten dat de situering, en bedrijfshallen in het buitengebied. Criteria die grootte, indeling en beplanting enerzijds vernieuwing mogelijk maken en anderzijds van de boerenerven, de een verbinding te leggen met de historie van het terreinen die direct rond de betreffende erf. Daarmee kunnen we blijvend het boerderijen gelegen waren, verhaal vertellen van de polder.

ontleend zijn aan een Afwijkingsmogelijkheid Naast het feit dat de welstandscriteria alleen de hoofdlijnen bepalen en ruimte laten voor vernieuwing, bestaat ook nog de mogelijkheid af te wijken van welstandscriteria. Het gaat dan om bouwplannen, die weliswaar niet voldoen aan de gebiedsgerichte of objectgerichte welstandscriteria, maar wel een hoogwaardige, moderne en/of innovatieve 4

Voor een deel van het IJsselmeergbied gelden overigens wel welstandscriteria, namelijk voor het gebied waar lijnopstellingen van windmolens in het IJsselmeer zijn geplaatst. De criteria zijn vastgesteld in 2009 in het welstandsbeleid “Windmolenlijnopstellingen Noordoostpolder”.

Pagina 17 van 39

architectuur kennen en een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Dit is te beoordelen aan de hand van de algemene welstandscriteria. Ook om redenen van economische of maatschappelijke aard kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van de welstandscriteria. Hoofdstuk 8 gaat hier nader op in. Hoofdkenmerken van de welstandscriteria De hoofdkenmerken van de welstandscriteria voor het buitengebied laten zich als volgt omschrijven: • • • •

De criteria leggen een link met de oorspronkelijke bebouwing en kavelindeling. De criteria zijn niet gedetailleerd maar op hoofdlijnen. De criteria laten ruimte voor traditionele bouw, maar ook voor een meer vernieuwende manier van uitvoering en/of materialisering. Het is mogelijk af te wijken van de criteria.

Ter inspiratie en informatie is aanvullend in bijlage 3 een beschrijving opgenomen van de beeldkwaliteit van de erven, de erfsingel, de oorspronkelijke erfinrichting en de traditionele boerderijen, woonhuizen en bijgebouwen en hun kenmerken. Oorspronkelijke bebouwing De boerderijen en landarbeiderswoningen in het buitengebied van Noordoostpolder hebben een grote cultuurhistorische waarde. Het regelmatige patroon van boerderijen met erven met daarop veelal montageschuren, de landarbeiderswoningen en de beplantingsmantel5 rond de erven zijn uniek voor Nederland en zeer kenmerkend voor

Noordoostpolder. Karakteristiek is verder het beperkt aantal hoofdtypen en de korte periode van realisatie. Uitbreidingen en verbouwingen aan deze woningen, boerderijen inclusief eventueel aangebouwde schuur/stal en montageschuren dienen met respect voor de bestaande architectuur te worden uitgevoerd. Volstaan is echter met het stellen van eisen aan de meest naar de weg toegekeerd zijde van deze gebouwen, aangeduid met het begrip voorzijde. 5

Uit stedenbouwkundig en cultuurhistorisch oogpunt is het van belang de groensingels rond de erven te handhaven. Dat wordt echter niet door de welstandsnota geregeld maar via het bestemmingsplan.

Pagina 18 van 39

Nieuwbouw Als afwijkingen op dit beeld vallen de nieuwe bedrijfsgebouwen en recent gebouwde woningen op, waarbij geen relatie met de bestaande bebouwing is gezocht. Deze zijn niet gebiedsspecifiek en dragen daardoor niet bij aan de samenhangende beeldkwaliteit van de polder. Bij vervanging van een boerderij of woning wordt de karakteristiek van de oorspronkelijke bebouwing en indeling van erven als vertrekpunt gekozen. Daarbinnen is ruimte voor eigentijdse vernieuwingen en toevoegingen. Hierdoor blijft de karakteristiek levend en, in zekere zin, afleesbaar en herkenbaar. De ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’ biedt, onder voorwaarden, de mogelijkheid van extra wonen op erven door toevoeging van een extra bouwvolume (lees woning) naast de van oorsprong aanwezige bebouwing; nieuwbouw als toevoeging. Deze toevoeging vraagt om enkele criteria die toezien op een goede architectonische inpassing van dit nieuwe volume. Het is belangrijk dat dit nieuwe volume rekening houdt met de totale compositie op het erf; in ordening en hiërarchie. Hiermee blijft de oorspronkelijke opzet en inrichting van de erven herkenbaar. Bedrijfsgebouwen, behalve de voorzijde van de oorspronkelijke montageschuren, zijn welstandsvrij op eisen voor het kleurgebruik na. De agrarische bedrijfsgebouwen kennen hun eigen dynamiek in de tijd.

Zij zijn niet medebepalend voor het oorspronkelijke cultuurhistorische beeld van de polder. Door middel van ruimtelijke ordening (het bestemmingsplan) kan voldoende gestuurd worden op aard en omvang van die bouwmassa’s en de plaatsing daarvan om tot een acceptabel geheel te komen. Dat zijn belangrijke redenen waarom er in deze nota voor is gekozen aan deze gebouwen beperkte eisen van welstand te stellen. Tuindersgebied In het zuidoosten van de Noordoostpolder, nabij Kraggenburg, ligt van oudsher het zogeheten tuindersgebied (zie onderstaande kaart). Dit tuindersgebied kent een andere opzet en inrichting dan overige delen van Noordoostpolder en onderscheid zich daarmee. Dat eigen karakter willen we behouden. De standaard regeling in de Structuurvisie voor een extra bouwvolume is ook hier van toepassing, maar houdt geen rekening met dit ‘eigen’ karakter. Toepassing van deze regeling vereist daarom maatwerk in de daarvoor benodigde juridischplanologische procedure. Dit maatwerk bestaat uit een situering, vormgeving, detaillering en kleur- en materiaalgebruik dat rekening houdt met de oorspronkelijke opzet en inrichting van het tuindersgebied. De hierna genoemde ‘Gebiedscriteria voor extra woning(en) op een erf’ zijn dan ook niet van toepassing in het gearceerde gebied.

Glastuinbouwgebieden bij Ens en Luttelgeest Pagina 19 van 39

De bebouwing in de glastuinbouwgebieden Ens en Luttelgeest heeft een meer neutrale kwaliteit en draagt in veel mindere mate bij aan het karakteristieke beeld en de ruimtelijke identiteit van de gemeente. Deze gebieden zijn welstandsvrij. De hierna genoemde gebiedscriteria voor het landelijk gebied zijn hier dan ook niet van toepassing. Op bijgaande kaarten zijn met een arcering de glastuinbouwgebieden aangegeven waar geen welstandseisen gelden.

Welstandsvrij glastuinbouwgebied bij Luttelgeest.

Welstandsvrij glastuinbouwgebied bij Ens.

4.4.2 Gebiedscriteria Gebiedscriteria voor oorspronkelijke woningen en boerderijen6 De welstandscriteria gelden voor de voorzijde van: a. verbouwingen en uitbreidingen van oorspronkelijke woningen en boerderijen; b. montageschuren en oorspronkelijk aan woningen aangebouwde schuur/stal. Vormgeving 1. Bebouwingskarakteristieken van de voorzijde van woningen, de voorzijde van boerderijwoningen inclusief eventueel aangebouwde schuur/stal, en montageschuren dienen bij verbouwingen en uitbreidingen in acht te worden genomen, zodat een harmoniërend geheel ontstaat. 2. Relevant daarbij is: het woning- of boerderijtype, de kapvorm, de schaal en de maat.

Detaillering, kleuren en materialen 3. De detaillering dient aan te sluiten bij de oorspronkelijke vormgeving. 6

Onder oorspronkelijke woningen en boerderijen worden verstaan de woningen en boerderijen uit de periode 1942-1962, zoals:    

De Brabantse langgevelboerderij De ontginningsboerderij (Wieringermeerboerderij) Montagebouwboerderijen waarbij de woning in baksteen of hout (Oostenrijkse woning) is gebouwd en de schuur met behulp van schokbetonelementen. Landarbeiderswoningen.

Pagina 20 van 39

4. Toe te passen materialen dienen gelijk te zijn aan of aan te sluiten bij die van de bestaande voorzijde. Ook kunnen materialen worden gebruikt die bijdragen aan het verhogen van de architectonische kwaliteit. Gebiedscriteria voor bedrijfsgebouwen 1. Bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied zijn overwegend7 uitgevoerd in de RALkleuren die zijn opgenomen in paragraaf 4.4.3 of daarop gelijkende kleuren 8. 2. Wanneer al een bedrijfsgebouw aanwezig is op het erf dan moet een nieuw bedrijfsgebouw overwegend zijn uitgevoerd in een toegestane RAL-kleur, die zoveel mogelijk aansluit bij de kleuren van het al aanwezige bedrijfsgebouw 9. 3. Aanvullend op 2: Mocht er geen toegestane RAL-kleur zijn, die goed aansluit bij de kleur van het al aanwezige bedrijfsgebouw, dan wordt een nieuw bedrijfsgebouw overwegend uitgevoerd in dezelfde kleur(en) als het al aanwezige bedrijfsgebouw.

7

Overwegend wil zeggen dat kleinere onderdelen als kozijnen, windveren en loopdeuren in afwijkende kleuren mogen zijn uitgevoerd. Sectionaaldeuren vallen hier niet onder vanwege hun omvang. 8 Niet altijd is van een kleur een RAL-nummer bekend. Een kleur zonder RAL-nummer is ook toegestaan mits deze nagenoeg overeenkomt met een toegestane RAL-kleur. 9 Voor alle duidelijkheid het gaat hier om de situatie waarbij de bestaande schuur blijft staan. Wordt de bestaande schuur vervangen dan geldt voor de nieuwe schuur gebiedscriterium 1.

Pagina 21 van 39

Gebiedscriteria voor vervangende nieuwbouw boerderij of woning Plaatsing 1. De bebouwing is asymmetrisch gesitueerd op de kavel. 2. De nok-richting is gelijk aan die van de oorspronkelijke bebouwing. Vormgeving 3. De bebouwing heeft een heldere hoofdvorm die qua breedte, hoogte en diepteverhouding refereert aan de oorspronkelijke bebouwing en voorzien is van een zadeldak of schilddak. 4. Bij een aangekapte dakkapel is de omvang ondergeschikt aan het dakvlak. Detaillering, kleuren en materialen 6. Glimmende dakbedekking is niet toegestaan, met uitzondering van zonnepanelen. 7. Gebruik of refereer aan de stijlkenmerken van de oorspronkelijke bebouwing.

Referentiebeelden van nieuwbouwwoningen in het buitengbied. De beelden zijn bedoeld om een idee te geven van de grote verscheidenheid in vormgeving, detaillering, kleur- en materiaalgebruik, die de welstandscriteria mogelijk maken. Daadwerkelijke toetsing vindt plaats aan de hand van de welstandscriteria, de beelden hebben een richtinggevend karakter.

Pagina 22 van 39

Gebiedscriteria voor extra woning(en) op een erf Plaatsing 1. De bebouwing ligt vanaf de wegzijde gezien achter het midden van het oorspronkelijke erf; 2. De bebouwing is vrij liggend en asymmetrisch op de kavel gesitueerd. Vormgeving 3. De bebouwing heeft een robuust volume en heldere hoofdvorm; 4. De bebouwing is afgestemd op de verhoudingen van aanwezige bebouwing; 5. De hoofdvorm is voorzien van een zadeldak of schilddak. Detail/materiaal/kleur 6. Glimmende dakbedekking is niet toegestaan, met uitzondering van zonnepanelen; 7. Vernieuwende toepassingen zijn mogelijk, mits afgestemd op de oorspronkelijke bebouwing. Afwijkingsmogelijkheid Net als bij de hiervoor genoemde gebiedscriteria bestaat ook bij gebiedscriteria voor extra woning(en) op een erf de mogelijkheid af te wijken. De hardheidsclausule in hoofdstuk 8 gaat hier nader op in. Na realisatie van vervangende nieuwbouw of extra woning zijn op verbouwingen en uitbreidingen van het betreffende bouwwerk de gebiedscriteria voor oorspronkelijke woningen en boerderijen van toepassing. De gebiedscriteria voor vervangende respectievelijk extra nieuwbouw zijn dan niet meer van toepassing. Nadere toelichting plaatsing op het erf Voor de mogelijkheid van extra wonen op een erf zijn ter inspiratie en informatie onderstaande impressies gemaakt van een erfinrichting. Het betreft een noord- en zuid georiënteerd erf.

De impressies verbeelden met name de plaatsing op het erf van: 

de bestaande woning of een nieuwe woning ter vervanging van de bestaande woning (1);

de verbouwde bestaande, in dit geval schokbeton, schuur (2) en (3);

een nieuw gebouwde woning (4).

Noord georiënteerd erf

Pagina 23 van 39

Zuid georiënteerd erf

4.4.3 Sneltoetscriteria De kleur van bedrijfsgebouwen wordt in eerste instantie ambtelijk getoetst aan de hand van sneltoetscriteria. Blijkt uit deze ambtelijke toets dat de kleur niet voldoet aan de sneltoetscriteria, dan wordt het plan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie en getoetst aan de gelijkluidende gebiedscriteria. Sneltoetscriteria nieuwbouw bedrijfsgebouwen 1. Bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied zijn overwegend10 uitgevoerd in onderstaande RAL-kleuren of daarop gelijkende kleuren 11. 2. Wanneer al een bedrijfsgebouw aanwezig is op het erf dan moet een nieuw bedrijfsgebouw overwegend zijn uitgevoerd in een toegestane RAL-kleur, die zoveel mogelijk aansluit bij de kleuren van het al aanwezige bedrijfsgebouw 12. 3. Aanvullend op 2: Mocht er geen toegestane RAL-kleur zijn, die goed aansluit bij de kleur van het al aanwezige bedrijfsgebouw, dan wordt een nieuw bedrijfsgebouw overwegend uitgevoerd in dezelfde kleur(en) als het al aanwezige bedrijfsgebouw. Toegestane RAL-kleuren Roodtinten De RAL-kleuren 3003 tot en met 3011 en 2032 zijn toegestaan. Deze roodtinten zijn alleen toegestaan voor de dakbedekking (inclusief eventuele knikstukken).

Blauwtinten De RAL-kleuren 5003, 5004, 5008, 5010, 5011, 5013, 5020, 5022, 5026 zijn toegestaan.

Groentinten 10

Overwegend wil zeggen dat kleinere onderdelen als kozijnen, windveren en loopdeuren in afwijkende kleuren mogen zijn uitgevoerd. Sectionaaldeuren vallen hier niet onder vanwege hun omvang. 11 Niet altijd is van een kleur een RAL-nummer bekend. Een kleur zonder RAL-nummer is ook toegestaan mits deze nagenoeg overeenkomt met een toegestane RAL-kleur. 12 Voor alle duidelijkheid het gaat hier om de situatie waarbij de bestaande schuur blijft staan. Wordt de bestaande schuur vervangen dan geldt voor de nieuwe schuur gebiedscriterium 1.

Pagina 24 van 39

De RAL-kleuren 6004 t/m 6009, 6012, 6014, 6015, 6020, 6022 en 6028 zijn toegestaan. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Grijstinten De RAL-kleuren 7000 t/m 7031, 7033 t/m 7043, 7045, 7046, 7048 zijn toegestaan.

Wit- en zwarttinten De RAL-kleuren 9004, 9005, 9006, 9007, 9011, 9017, 9022, 9023 zijn toegestaan.

Status kleurweergave De hiervoor opgenomen kleurweergave van de toegestane RAL-kleuren dient enkel ter illustratie. Bij toetsing zijn de genoemde nummers van de RAL-kleuren bepalend. Reden hiervoor is dat de kleurweergave (enigszins) kan afwijken van de daadwerkelijke RAL-kleur.

5. Objectgerichte criteria Pagina 25 van 39

1.1

MONUMENTEN

5.1.1 Beleid Voor monumenten gelden altijd welstandscriteria, ook al zijn ze gelegen in een welstandsvrij gebied. In Noordoostpolder zijn zowel rijks- als gemeentelijke monumenten te vinden. Rijksmonumenten zijn beschermd door de Monumentenwet 1988, gemeentelijke monumenten op grond van de Erfgoedverordening 2012 Noordoostpolder. Voor de meeste monumenten is een beschrijving en een waardering gemaakt. Deze beschrijvingen kunnen bij de gemeente worden ingezien, en dienen als basis voor de beoordeling door de welstandscommissie. Een overzicht van de monumenten is opgenomen in de Erfgoednota van de gemeente Noordoostpolder. Een lijst met rijksmonumenten staat in het Monumentenregister van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Monumenten hebben een unieke waarde. Uitgangspunt voor de toetsing van een bouwplan is dat deze unieke waarde en daarmee de bebouwingskarakteristieken worden behouden en waar mogelijk hersteld. Monumenten blijven veelal alleen in goede staat als zij een nuttige maatschappelijke functie hebben. Bij een verantwoord gebruik van een monument is er een gerede kans dat de cultuurhistorische waarde van het pand behouden blijft. De plaatsing, vormgeving, detaillering, materialen en kleuren dienen te worden afgestemd op de bebouwingskarakteristieken van het monument. Een ter bescherming gegeven beschrijving van het monument is daarbij leidend.

Vernieuwende bouwplannen zijn mogelijk voor zover de bebouwingskarakteristieken, die de cultuurhistorische waarde van het monument bepalen, behouden blijven. 5.1.2 Welstandscriteria 1. Hoofdvorm en plaatsing passen bij het monument; 2. Het bouwplan past in de structuur van het erf waarop het monument staat; 3. De verschijningsvorm heeft voldoende kwaliteit en de bebouwingskarakteristieken van het monument worden gerespecteerd. Hierbij worden ook de algemene welstandscriteria gehanteerd; 4. Plaats, afmetingen en onderlinge verhoudingen van raam- en deuropeningen in de gevels zijn op elkaar afgestemd; 5. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik passen bij het monument.

Pagina 26 van 39

5.2 ZONNEPANELEN EN –COLLECTOREN OP MONUMENTEN 5.2.1 Beleid De gemeente voert een actief beleid om het gebruik van zonnepanelen en zonnecollectoren te stimuleren. Op monumenten kunnen dergelijke voorzieningen wel zorgen voor een aantasting van de unieke cultuurhistorische waarde van het betreffende pand. Deze nota bevat daarom specifieke welstandscriteria, die enerzijds zonnepanelen en – collectoren op monumenten wel toestaan, maar anderzijds de cultuurhistorische waarde van het bouwwerk zo veel mogelijk beschermen. Voorkeurslocatie Om aantasting te voorkomen of tot een minimum te beperken gaat de voorkeur uit naar het zo mogelijk plaatsen van zonnepanelen of - collectoren in de (achter)tuin, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, in plaats van op een dak. Bij plaatsing op een dak gaat de voorkeur uit naar het plaatsen op een niet-beschermd bijbehorend bouwwerk in plaats van op het beschermde hoofdgebouw. Tenslotte verdient plaatsing op een plat dak de voorkeur boven een schuin dak. 5.2.2 Welstandscriteria In de hierna volgende welstandscriteria wordt omwille van de leesbaarheid alleen gesproken over zonnepanelen. De criteria zijn echter ook van toepassing op zonnecollectoren. Algemeen 1. De plaatsing van zonnepanelen is zodanig dat het de monumentale waarden en de zichtbaarheid hiervan zo min mogelijk schaadt. 2. De oorspronkelijke dakbedekking mag niet worden verwijderd. 3.

Bestaande daken mogen alleen worden versterkt voor de zonnepanelen wanneer de monumentale waarde van de inwendige constructie niet wordt aangetast. 4. Zonnepanelen worden op zodanige wijze geïnstalleerd dat zij later weer verwijderd kunnen worden zonder blijvende schade aan het pand. 5. Bevestiging aan of op een gevel is niet toegestaan. Plaatsing Schuine daken 1. Zonnepanelen mogen niet aan de voorkant van het beschermde pand zijn aangebracht, tenzij plaatsing op het erf, in de (achter)tuin of op een nietbeschermd bijbehorend bouwwerk niet mogelijk is én plaatsing aan een van de overige dakvlakken van het beschermde pand substantieel minder opbrengsten genereert. 2. Plaatsing direct op en evenwijdig aan het dakvlak. 3. Plaatsing op minstens 50 cm van de randen van een dakvlak, kapvoeten, kil- en hoekkepers, dakkapellen en schoorstenen. 4. Plaatsing zo laag mogelijk in het dakvlak. 5. Bij meerdere panelen in het dakvlak moeten de panelen een regelmatige rangschikking op een horizontale lijn hebben en in een eenduidig patroon worden geplaatst. Hierbij moet rekening worden gehouden met andere voorzieningen zoals dakkapellen, dakramen en schoorstenen.

Pagina 27 van 39

Platte daken 1. De zonnepanelen moeten ten minste net zo ver verwijderd blijven van de dakrand als het hoogste punt van deze zonnepanelen. Vormgeving 1. Bij zonnecollectoren is alleen de vlakkeplaatcollector toegestaan. 2. Alleen vierkante of rechthoekige panelen zijn toegestaan. Detaillering, materialen en kleuren 1. Bij schuine daken met een donkere en/of grijze dakbekleding zijn de zonnepanelen uitgevoerd in zwart, antraciet of donkergrijs. De randen moeten donker zijn uitgevoerd. 2. Bij vanaf de openbare weg zichtbare schuine daken met een rode of oranje dakbekleding zijn de zonnepanelen uitgevoerd in rood respectievelijk oranje, mits deze goed aansluiten bij de originele pankleur. Een te groot contrast in kleur dient te worden vermeden. Alternatieven zijn mogelijk, mist een overtuigend voorbeeld van een materiaalmonster(kleur) ter beoordeling aan de gemeente wordt voorgelegd. 3. Zonnepanelen mogen onderling niet van kleur verschillen.

5.3 RECLAME 5.3.1 Beleid Reclame-uitingen kunnen verspreid liggen over de gehele gemeente. Vanwege het verschil in karakter tussen bebouwde kom en landelijk gebied wordt een reclameobject al naar gelang waar dit geplaatst is, verschillend beoordeeld. Reclame-uitingen in de bebouwde kom worden meer beoordeeld in relatie tot de vormgeving van de omliggende bebouwing dan reclame-uitingen in het landelijk gebied. Daar wordt vooral gelet op de relatie met het landschap. Voor zowel de bebouwde kom als het buitengebied is reclame alleen acceptabel als er een rechtstreeks functioneel verband is met het pand waar de reclame op, aan of bij is geplaatst. Anders gezegd: reclame mag niet verwijzen maar moet visueel verbonden zijn met het pand waarin het bedrijf of de winkel, die de reclame voert, is gevestigd. Voor zover reclame gevoerd wordt op bijvoorbeeld billboards, aan bushokjes en/of lantaarnpalen: daar kan binnen specifieke kaders beleid voor worden gemaakt en gevoerd. Deze vormen van reclame vallen buiten het bestek van deze nota. Binnen de bebouwde kom Reclame-uitingen binnen de bebouwde kom komen voornamelijk voor waar winkels en/of bedrijven gevestigd zijn. Daar is het passend en gewenst en kan dus een soepel beleid gevoerd worden. In andere plaatsen binnen de bebouwde kom, zoals woonwijken, is reclame in principe niet passend en daarmee ongewenst.

Om die reden wordt daar dan ook een restrictief beleid gevoerd. Het landelijk gebied In het landelijk gebied is de kwaliteit van het landschap bepalend voor de mogelijkheid reclame te voeren. De provincie Flevoland heeft ter bescherming van het landschap in haar ‘Verordening voor de fysieke leefomgeving Flevoland 2012’ (VFL 2012) regels opgenomen over het plaatsen van ‘borden’13 buiten de bebouwde kom.

13

Het begrip bord is in de provinciale verordening ruim omschreven: opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook.

Pagina 28 van 39

Daarnaast geeft de provinciale ‘Beleidsregel Bescherming Landschap 2008’ richtlijnen die de provincie hanteert bij het verlenen van ontheffingen voor het mogen plaatsen van reclame en welke nadere eisen mogelijk zijn. Deze regels reguleren reclame in het buitengebied afdoende. Voor het verlenen van toestemming voor reclame-uitingen bij agrarische bedrijven heeft de gemeente wel een specifieke beleidsregel vastgesteld. Deze ‘Beleidsregel reclameuitingen agrarische bedrijven Noordoostpolder’ maakt onder voorwaarden grotere reclame-uitingen mogelijk dan momenteel binnen het vigerende bestemmingsplan is toegestaan. 5.3.2 Welstandscriteria De hierna gegeven afmetingen van reclames behoren tot het primaire welstandstoetsingskader. Afwijkingen zijn mogelijk: de in de voorschriften van een bestemmingsplan gegeven maatvoering van andere bouwwerken, waaronder reclames vallen, prevaleert. Woonomgeving 1. Op woningen mag in principe geen reclame worden gevoerd. 2. Lichtreclame en verlichte reclameborden zijn niet toegestaan. 3. Daar waar kleinschalige bedrijven zijn gevestigd, bijvoorbeeld bij aan huis gebonden beroepen, is alleen een bescheiden reclame acceptabel. Te denken valt aan een groter dan normaal uitgevoerd naambord of een vrijstaand bord in de tuin. 4. De reclame-uiting heeft een functionele relatie met het betreffende pand. Er mag geen verwijzing zijn naar andere panden. 5.

Een vrijstaand reclame-object in de tuin is niet groter dan 0,4 m2 en steekt niet hoger uit dan 1 meter boven het maaiveld. Bedrijventerreinen 1. De vormgeving, materiaaltoepassing, kleurstelling, verlichting en bevestiging passen bij de bebouwingskarakteristieken van de omgeving en het pand waarop de reclame wordt bevestigd. 2. Verlichting van reclame-uitingen is in de reclame-uiting zelf opgenomen en mag niet knipperen of van kleur veranderen. 3. De reclame heeft een functionele relatie met het betreffende pand. 4. Er mag geen verwijzing zijn naar andere panden. 5. Een reclame-uiting mag maximaal 10 m2 zijn. Afhankelijk van de grootte van bedrijfsgebouwen en de situering kan de constructie groter zijn. 6. Vrijstaande reclame-uitingen zijn alleen toegestaan op bedrijventerreinen en mogen maximaal 5 meter hoog zijn en 3 meter breed.

Reclame-uitingen op een bedrijventerrein. De reclame is in deze voorbeelden deels tegen de gevel, deels boven de daklijn geplaatst.

Pagina 29 van 39

Winkelgebieden 1. De vormgeving, materiaaltoepassing, kleurstelling, verlichting en bevestiging passen bij de bebouwingskarakteristieken van de omgeving en het pand waarop de reclame wordt bevestigd. 2. Reclame-uitingen worden uitsluitend aan de voorgevel ter hoogte van de begane grond aangebracht. 3. Als aan een gevel een luifel aanwezig is, wordt de reclame-uiting als onderdeel van de vormgeving van de luifel uitgevoerd. 4. Als geen luifel aanwezig is, is één haaks op de gevel aangebracht reclamebord toegestaan van maximaal 1m hoog en 1m breed. 5. Op etalageruiten en ramen op de eerste verdieping zijn reclames niet toegestaan. Tankstations Reclame-uitingen van tankstations zijn over het algemeen gestandaardiseerd op basis van de kleuren en vormgeving van de betreffende franchisegever. Op tankstations en het bijbehorende terrein zijn daarom geen welstandscriteria voor reclame van toepassing.

Pagina 30 van 39

6. Beeldkwaliteitsplannen en overige welstandsbeleidsplannen 6.1 BELEID Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan de gemeenteraad een beeldkwaliteitsplan (BKP) vaststellen voor het betreffende gebied. Te denken valt aan nieuwbouwwijken, herstructureringsprojecten en zichtlocaties van bedrijfsterreinen. Door uitvoering te geven aan een beeldkwaliteitsplan kan een bepaalde voorgestane uitstraling van een te ontwikkelen gebied worden bewerkstelligd. Via het bestemmingsplan kan uiteraard ook het nodige worden gereguleerd. Nu de gemeente welstandsvrije of welstandsluwe gebieden aanwijst, ligt het voor de hand dat een beeldkwaliteitsplan ook terughoudend wordt ingezet. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijventerreinen waar geen welstandscriteria gelden vanwege enerzijds de aard van de bebouwing (bedrijfsgebouwen) en anderzijds de situering (op een bedrijventerrein). De esthetische kwaliteit van de nieuwe bebouwing is over het algemeen gemiddeld tot goed. Op zichtlocaties vestigen zich veelal bedrijven die het bedrijfsgebouw als ‘visitekaartje’ inzetten. Een argument om eventueel wel een beeldkwaliteitsplan op te stellen voor zichtlocaties kan gelegen zijn in het creëren van samenhangende uitstraling van de bebouwing. 6.2 STANDAARDOPBOUW Bij het verbinden van welstandscriteria aan het beeldkwaliteitsplan wordt de opbouw en systematiek gevolgd van de criteria uit deze welstandsnota.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1963/documents/32333