D12 02 Bijlage bij Memo - MvT modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel.pdf
Tekst van het document
Dit brengt mee dat in die gevallen de verjaringstermijn aanvangt op de dag na die waarop die persoon achttien jaren is geworden. B (Wijziging artikel 77d) Artikel 77d Sr bevat, ten opzichte van de artikelen 70 en 71 Sr, een bijzondere verjaringsregeling voor feiten die worden gepleegd door minderjarige plegers. In dat geval worden de verjaringstermijnen genoemd in artikel 70 Sr in de regel tot de helft ingekort (artikel 77d, eerste lid, Sr). Inkorting van de verjaringsregeling is niet aan de orde in de gevallen die zijn omschreven in artikel 77d, eerste lid, Sr. Het gaat om specifieke misdrijven gepleegd door een persoon die ten tijde van het begaan daarvan de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, ten aanzien van een persoon die de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt. Om de redenen genoemd in de toelichting op Artikel I, onder A, kan de verwijzing in artikel 77d, eerste lid, Sr naar artikel 273f Sr eveneens komen te vervallen en behoeven de misdrijven mensen- en kinderhandel (artikel 273f, eerste en tweede lid) hier niet te worden opgenomen.
Voor de strafbare feiten die volgens het huidige artikel 70, tweede lid, Sr niet verjaren – waaronder mensen- en kinderhandel – bepaalt het huidige derde lid van artikel 77d dat zij in twintig jaren verjaren, indien zij zijn gepleegd ten aanzien van een persoon die de leeftijd van zestien jaren, maar nog niet die van achttien jaren heeft bereikt. C (Wijziging artikel 273f) Artikel 273f In dit artikel zijn allereerst de strafbaarstelling van mensenhandel en kinderhandel opgenomen (respectievelijk eerste en tweede lid). Daarnaast bevatten de artikelleden drie tot en met zeven nadere omschrijvingen van wetstermen die beide vormen van mensenhandel en ernstige benadeling (artikel 273fa) inkaderen. Eerste en tweede lid De generieke strafbaarstelling van mensenhandel tegen een persoon (eerste lid) en de specifieke strafbaarstelling van kinderhandel tegen jeugdigen beneden de leeftijd van achttien jaren (tweede lid) vormen de rechtsopvolgers van het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 1 en 2, Sr. De delictsomschrijvingen zijn inhoudelijk in lijn met hun voorlopers. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan bestaande internationale verplichtingen tot strafbaarstelling van mensenhandel tegen meerder- en minderjarigen. Die verplichtingen zijn opgenomen in het Palermo Protocol (artikel 3, aanhef en onder a, c en d in verbinding met artikel 5, eerste lid), het RvE-Verdrag tegen
29
mensenhandel (artikel 4 in verbinding met artikel 18) en Richtlijn 2011/36/EU (artikel 2, eerste, vijfde en zesde lid). Om zeker te stellen dat elke handeling die ten aanzien van een persoon wordt verricht en instrumenteel is aan de beoogde uitbuiting kan kwalificeren als een vorm van mensenhandel, zijn de nader omschreven handelingen in het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 1 en 2, Sr in de hier voorgestelde artikelleden aangevuld met de restcategorie ‘enige andere handeling’. Daarmee staat buiten twijfel dat het delict mensenhandel (voorgesteld artikel 273f, eerste lid) zich ook uitstrekt tot het met een dwangmiddel bewegen van een persoon om zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, met het oogmerk om die persoon in dat kader uit te buiten (zie nader paragraaf 2.1 van deze toelichting). Voor het generiek omschreven delict blijft de juridische kwalificatie ‘mensenhandel’ en het huidige strafmaximum van twaalf jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie gelden. Kinderhandel wordt voorzien van een eigen juridische kwalificatie en een strafmaximum van zestien jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie, zoals al is toegelicht in paragraaf 2.1 van het algemeen deel.
Anders dan op grond van het huidige artikel 273f, derde lid, onder 2, Sr het geval is, wordt de strafverhoging met een derde ten opzichte van het generieke delict mensenhandel al verdisconteerd in het hogere strafmaximum dat op het kinderdelict zelf is gesteld. Met die strafbedreigingen wordt voldaan aan de in artikel 4 van de genoemde richtlijn neergelegde verplichting om bepaalde mensenhandelgedragingen te voorzien van een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar. Voor mensenhandel is vereist dat een van de wettelijk omschreven handelingen wordt verricht (zoals werven, vervoeren of huisvesten) met het oogmerk om zelf de desbetreffende persoon uit te buiten of die persoon door een derde te laten uitbuiten. Het begrip ‘uitbuiting’ komt ook de orgaanverwijdering te omvatten (zie hierna in de toelichting op het voorgestelde vijfde lid). Bij het generieke delict mensenhandel is daarnaast vereist dat de verrichte handeling gepaard gaat met het aanwenden van een van de ruim omschreven dwangmiddelen. Die dwangmiddelen zijn in een definitiebepaling opgenomen (artikel 273f, derde lid). Het dwangmiddelvereiste geldt niet bij mensenhandel tegen kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren (kinderhandel).
Bij mensenhandel gaat het kort gezegd om het verrichten van handelingen die iemand in zodanige positie brengen of houden dat deze bewogen kan worden om zich beschikbaar te (blijven) stellen tot – toegespitst op arbeidsuitbuiting – het verrichten van arbeid of diensten, met het oogmerk van uitbuiting van die ander. Vaak zal het oogmerk van uitbuiting dan bestaan in de bedoeling van de dader om een persoon uit te buiten. De juridische ondergrens van die oogmerkeis houdt in dat het handelen van de dader, naar deze moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander werd of zou kunnen worden uitgebuit.55 Daarmee omvat dit vereiste allereerst gevallen waarin het einddoel is verwezenlijkt, doordat die ander daadwerkelijk wordt uitgebuit. De strafbaarheid is evenwel niet afhankelijk van het intreden van dat gevolg. Het oogmerkvereiste is ook vervuld indien de beoogde uitbuiting (nog) niet is verwezenlijkt.56 In die gevallen heeft mensenhandel kenmerken van een voorbereidingsdelict: het oogmerk van uitbuiting van een ander volstaat, niet is vereist dat die ander daadwerkelijk wordt of zal worden uitgebuit. Dat delictskarakter is van belang voor het bewijs van het bestanddeel “oogmerk van uitbuiting van die ander”.
Het bewijs daarvan kan – behalve op vaststellingen over daadwerkelijk plaatsvinden van uitbuiting – ook worden gebaseerd op voortekenen van de beoogde uitbuiting van een ander. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheden waaronder de gedragingen hebben plaatsgevonden – waaronder begrepen vaststellingen over de mate waarin die ander van diegene afhankelijk is – en de aard van en wijze waarop een of meer dwangmiddelen zijn toegepast. Concreet kan daarvoor onder andere van belang zijn of die ander, bijvoorbeeld ten tijde van de in artikel 273f, eerste en tweede lid genoemde werving, al dan niet kan beschikken over zijn of haar reisdocumenten en andere persoonlijke bezittingen en de mate waarin sprake is van 55
Vgl. o.a. HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099; Gerechtshof Den Haag 14 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2098 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 28 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10335. 56 HR 6 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2771. 30
bedreiging, mishandeling of anderszins onheuse bejegening. Dergelijke vaststellingen kunnen in combinatie met bijvoorbeeld vaststellingen over de voorbereidingen die iemand heeft getroffen voor de fase daarna, zoals relevante contacten die zijn gelegd met derden en de kwaliteit van de geregelde huisvesting, bijdragen aan het bewijs van oogmerk van uitbuiting. De precieze wijze waarop de beoogde uitbuiting vorm zal krijgen – denk aan het tijdstip, de plaats en de wijze van uitvoering – kan tot op zekere hoogte in het midden blijven. Derde lid Voor strafbaarheid op grond van het generieke delict mensenhandel is het gebruik van een dwangmiddel vereist. Met het oog op de leesbaarheid van die delictsomschrijving is de opsomming van middelen in de definitiebepaling van dit derde artikellid opgenomen. Die opsomming sluit rechtstreeks aan bij de omschrijving daarvan in het samenstel van internationale verplichtingen dat in de toelichting op het eerste lid van artikel 273f is genoemd. Bij elkaar genomen hebben de middelen een zeer breed bereik. In de praktijk spelen de dwangmiddelen “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” en “misbruik van een kwetsbare positie” in het kader van artikel 273f Sr een belangrijke rol. Beide dwangmiddelen zijn eveneens bestanddeel van het nieuwe delict ernstige benadeling (artikel 273fa).
Deze dwangmiddelen hebben bij beide delicten dezelfde inhoud. Beide dwangmiddelen overlappen elkaar grotendeels en worden in de praktijk vaak naast elkaar gebruikt. Destijds heeft de wetgever beoogd aan deze middelen een ruime betekenis te geven, met als doel ruime bescherming te bieden aan slachtoffers.57 Daarbij past een relatief lage bewijsdrempel. Bij “misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht” ligt het accent op het relationele aspect van de ongelijkwaardige positie tussen de betrokkenen. Daarvoor volstaat het brengen of houden van een ander in een afhankelijke situatie waarin deze in diens keuzevrijheid wordt beperkt. Met andere woorden: een situatie waarin een onafhankelijke zelfstandige opstelling niet mogelijk is. Bij “misbruik van een kwetsbare positie” speelt dat relationele karakter geen of in minderde mate een rol. Omstandigheden die kwalificeren als zo’n kwetsbare positie zijn: illegale binnenkomst of illegaal verblijf, een ongedocumenteerde status, verslaving aan verdovende middelen dan wel de aanwezigheid van een psychische of lichamelijke beperking.58 Tussen beide dwangmiddelen bestaat geen strafrechtelijk relevant verschil.
Ook de omstandigheid dat iemand afkomstig is uit een land met een significant lager welvaartspeil – in de huidige omstandigheden kan het bijvoorbeeld gaan om Bulgarije, Polen of Roemenië – en niet of in beperkte mate beschikt over financiële middelen zal in de regel onder het bereik van één of beide dwangmiddelen vallen. Daarnaast valt te denken aan dat iemand de Nederlandse en Engelse taal onvoldoende machtig is en niet op de hoogte is van de in Nederland geldende wet- en regelgeving en daaruit voortvloeiende rechten en plichten. De wetsterm “misbruik” brengt tot uitdrukking dat steeds is vereist dat de dader voorwaardelijk opzet moet hebben ten aanzien van de feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht onderscheidenlijk de kwetsbaarheid voortvloeit.59 Dat slachtoffers zichzelf vrijwillig hebben gemeld of zichzelf blijven melden voor het verrichten van arbeid of diensten, vormt geen grond om misbruik van een kwetsbare positie afwezig te achten.60 De aard van grensoverschrijdende arbeid maakt dat migranten uit derde landen zich in een kwetsbare positie bevinden. Het Europees Hof voor de rechten van de Mens stelde dat de kwetsbaarheid van de migranten dan ook ligt opgesloten in de migratiestatus, namelijk de
57
Kamerstukken II 2011/12, 33309, 3, p. 16 en de wetsgeschiedenis die wordt aangehaald in HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, rov. 2.4.2. 58 Kamerstukken II 2011/12, 33309, 3, p. 16. Factoren als deze worden ook internationaal erkend. Zie ILO, Operational indicators of trafficking in human beings (2009) en UNODC, Issue Paper. Abuse of a position of vulnerability and other “means” within the definition of trafficking in persons (2013), p. 71. 59 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, rov. 2.5.1. 60 Punt 25 van de Conclusie van A-G Knigge voorafgaand aan HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099. 31
afwezigheid van een verblijfs- en werkvergunning.61 Dit is anders bij arbeidskrachten afkomstig uit een ander land binnen de Europese Unie: zij hebben geen tewerkstellingsvergunning nodig vanwege het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie. Dit betekent niet dat een EUarbeidskracht – zo bleek hiervoor al – zich niet in een kwetsbare positie kan bevinden. Daarbij geldt dat het vrijelijk beschikken over een reisdocument, de mogelijkheid om tijdens verlof naar het thuisland af te reizen en het beschikken over een eigen bankrekening op zichzelf geen contraindicaties zijn voor een kwetsbare positie. In soortgelijke zin als bij mensenhandel en kinderhandel geldt ten aanzien van de beschermingsomvang van de nieuwe strafbaarstelling van ernstige benadeling dat – kort gezegd – de feitelijke instemming van het slachtoffer met diens ernstige benadeling zonder betekenis is, wanneer die instemming onder invloed van een van de genoemde dwangmiddelen tot stand is gekomen (zie nader de toelichting op het zevende lid). Vierde lid Dit artikellid brengt tot uitdrukking dat “kwetsbare positie” als bedoeld in het derde lid van het voorgestelde artikel 273f mede omvat een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Dit lid is de rechtsopvolger van het huidige artikel 273f, zesde lid.
Het betreft de omzetting van de identieke begripsomschrijving die is opgenomen in artikel 2, tweede lid, van Richtlijn 2011/36/EU. Het staat de lidstaten vrij om slachtoffers van mensenhandel een ruimere strafrechtelijke bescherming te bieden. Uit de toelichting op het derde lid blijkt dat het dwangmiddel “misbruik van een kwetsbare positie” zich niet beperkt tot situaties waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan. Kenmerkend is veeleer dat iemand zich in een zodanig kwetsbare positie bevindt dat deze vanwege bepaalde persoonlijke omstandigheden in verminderde mate tot een vrije wilsbepaling in staat is, waarvan de mensenhandelaar beoogt misbruik te maken. Vijfde lid Dit artikellid bevat een niet-limitatieve opsomming van vormen van uitbuiting en volgt daarmee het huidige artikel 273f, tweede lid, Sr op. Deze opsomming sluit aan bij de verschijningsvormen die ten minste tot ‘uitbuiting’ moeten worden gerekend op grond van artikel 3, aanhef en onder a, van het Palermo Protocol, artikel 4, aanhef en onder a, van het RvE-Verdrag tegen mensenhandel en artikel 2, derde lid, van Richtlijn 2011/36/EU. Het voorgestelde artikellid verschilt op drie punten van de huidige bepaling.
In de eerste plaats wordt – in lijn met de genoemde internationale bepalingen – de verwijdering van organen nu ook in de wet als een vorm van uitbuiting aangemerkt (onderdeel a). Daarmee is het niet langer nodig om in de verschillende strafbaarstellingen die uitbuiting als bestanddeel kennen, telkens ook de orgaanverwijdering als alternatief bestanddeel op te nemen. In de tweede plaats is de wetsterm “andere vormen van seksuele uitbuiting” die in het huidige artikel 273f, tweede lid, is opgenomen, naast uitbuiting van een ander in de prostitutie, vervangen door uitbuiting van een persoon “bij het verrichten van andere seksuele handelingen met of voor een ander” (onderdeel b).
Met het verrichten van seksuele handelingen met een ander wordt aangesloten bij de afbakening in artikel 239, eerste lid, van het wetsvoorstel seksuele misdrijven, dat bij de Tweede Kamer is ingediend.62 Het verrichten van seksuele handelingen voor een ander – dat al in verschillende strafbaarstellingen van het huidige artikel 273f, eerste lid, Sr is opgenomen – verduidelijkt dat seksuele uitbuiting zich ook uitstrekt tot vormen van seksuele dienstverlening zoals de deelname aan een erotisch-pornografische show, waarbij de desbetreffende persoon onvrijwillig of als minderjarige is betrokken.63 Bij elkaar genomen beoogt het voorgestelde onderdeel b uit te drukken dat ruime bescherming wordt geboden tegen seksuele uitbuiting van volwassenen en minderjarigen. In paragraaf 2.2 van deze toelichting is al gesignaleerd dat ook sprake kan zijn van
61
Conny Rijken & Eefje de Volder, Arbeidsuitbuiting onder de loep. Een analyse van de uitleg van arbeidsuitbuiting in Nederland (Tilburg University en Impact: Center against Human Trafficking and Sexual Violence in Conflict), 2022, p. 10. 62 Kamerstukken II 2022/23, 36 222, nr. 2. 63 Kamerstukken II 2000/01, 27745, 3, p. 7 en 12. 32
arbeidsuitbuiting, zonder dat artikel 4 EVRM – waarin slavernij, dienstbaarheid, dwangarbeid en verplichte arbeid zijn verboden – is geschonden. Dit is, tot slot, in onderdeel c van het vierde lid van artikel 273f, beter in de wettekst zichtbaar gemaakt. Zesde lid Dit onderdeel legt wettelijk vast dat van oogmerk van uitbuiting van een kind beneden de leeftijd van achttien jaren in ieder geval sprake is bij het oogmerk dat een kind zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zich beschikbaar stelt tot het verwijderen van diens organen tegen betaling. In de huidige rechtspraak lijkt – toegespitst op seksuele uitbuiting – voor de vaststelling van dit oogmerk relevant of de verdachte het oogmerk had om van die seksuele handelingen te profiteren en/of daaruit daadwerkelijk voordeel heeft getrokken.64 Naar het oordeel van het kabinet zou in deze gevallen voor het antwoord op de vraag of sprake is van oogmerk tot uitbuiting van een kind irrelevant moeten zijn of de verdachte al dan niet heeft willen profiteren of daadwerkelijk heeft geprofiteerd.
Gelet op de grove inbreuk op de lichamelijke (en seksuele) integriteit die inherent is aan betaalde seksuele dienstverlening door kinderen en betaalde orgaanverwijdering bij kinderen, dient het enkele ertoe brengen van een kind om zich daartoe beschikbaar te stellen te volstaan voor strafbaarheid wegens kinderhandel. Dit standpunt wordt uitgedrukt in het voorgestelde zesde lid in verbinding met het tweede lid van artikel 273f. Vanuit de gedachte dat kinderen in het algemeen te weinig inzicht en ervaring hebben om de gevolgen van de keuze voor seksuele dienstverlening of orgaanverwijdering te kunnen overzien, blijft hiermee de specifieke strafrechtelijke bescherming van het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 5, eerste subonderdeel, Sr onverkort gehandhaafd. Van kinderhandel is immers sprake bij het verrichten van enige handeling ten aanzien van een kind met het oogmerk om het desbetreffende kind uit te buiten. Daaronder valt dus zonder meer het een kind ertoe brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling of zich beschikbaar te stellen tot het verwijderen van diens organen tegen betaling.
Van dit causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat de desbetreffende jeugdige zich mede onder invloed van de gedragingen van de dader beschikbaar heeft gesteld tot het verrichten van de genoemde seksuele handelingen of orgaanverwijdering.65 In lijn met de uitleg van het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 5, Sr kan van “ertoe brengen” ook sprake zijn in het geval de jeugdige zich al prostitueerde en iemand op verzoek van die jeugdige de prostitutiewerkzaamheden faciliteert of – in het verlengde hiervan – iemand de jeugdige belemmert in diens vrijheid met prostitutie op te houden.66 Voor strafbaarheid is niet vereist dat dergelijke seksuele handelingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Datzelfde geldt voor de orgaanverwijdering. Daarmee strekt kinderhandel zich bijvoorbeeld uit tot de situatie dat een slachtoffer op verzoek van de dader seksueel getint beeldmateriaal van zichzelf heeft vervaardigd met behulp waarvan die dader seksadvertenties heeft gemaakt en deze op internet heeft geplaatst, waarbij vervolgens geen seksuele handelingen tussen het slachtoffer en een derde hebben plaatsgevonden.67 Met artikel 273f, tweede lid in verbinding met het vijfde en zesde lid, is zeker gesteld dat uitvoering wordt gegeven aan het Facultatief Protocol inzake de verkoop van kinderen.
Daarin wordt de staten die partij zijn bij dit protocol opgedragen strafbaar te stellen – kort gezegd – het aanbieden of afleveren van een kind met als doel de seksuele uitbuiting van het kind dan wel de overdracht met winstoogmerk van organen van het kind (artikel 3, eerste lid, onder a, sub i) en het aanbieden, verkrijgen of beschikbaar stellen van een kind voor prostitutie (artikel 3, eerste lid, onder b). 64
Zie o.a. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1452 en de voorafgaande conclusie van A-G Hofstee; Rechtbank Gelderland 29 augustus 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:5420 en 19 december 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:7054. 65 Vgl. in ander verband: HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892 en HR 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1013. 66 HR 20 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1174 en HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823. 67 Vgl. HR 2 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1823. 33
Zevende lid Deze bepaling bepaalt uitdrukkelijk dat instemming van het slachtoffer met de beoogde of daadwerkelijke uitbuiting niet relevant is, wanneer die instemming onder invloed van een van de in het tweede lid genoemde dwangmiddelen tot stand is gekomen. Hiermee wordt rechtstreeks aangesloten bij bepalingen uit het Palermo Protocol, het RvE-Verdrag tegen mensenhandel en Richtlijn 2011/36/EU (zie respectievelijk de artikelen 3, aanhef en onder b, 4 aanhef en onder b en 2, vierde lid). Het onderhavige lid strekt vooral tot uitleg van de beschermingsomvang van de strafbaarstellingen waarin het uitbuitingsbestanddeel voorkomt. Strikt genomen is dit overbodig: het begrip uitbuiting impliceert onvrijwilligheid.
Mede daarom heeft de wetgever het in het verleden niet nodig geacht om de betekenisloosheid van de bedoelde feitelijke instemming met uitbuiting – die ook spreekt uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad68 – in de strafwetgeving te expliciteren.69 In de literatuur wordt evenwel gesignaleerd dat de feitelijke instemming met uitbuiting soms toch als een contra-indicatie voor uitbuiting lijkt te worden meegewogen.70 Tegen die achtergrond strekt artikel 273f, zevende lid, ertoe buiten twijfel te stellen dat de instemming van het slachtoffer met de beoogde of daadwerkelijke uitbuiting niet relevant is, wanneer die instemming onder invloed van een van de in het tweede lid genoemde dwangmiddelen tot stand is gekomen. Datzelfde geldt voor situaties waarin een slachtoffer zich uit eigen beweging kan onttrekken aan de arbeidssituatie; indien dwangmiddelen zijn aangewend, vormt zo’n (mogelijkheid van) onttrekking geen aanwijzing dat de desbetreffende werkzaamheden in juridische zin vrijwillig worden verricht. Diezelfde uitlegregels gelden ten aanzien van de beschermingsomvang van de nieuwe strafbaarstelling van ernstige benadeling (artikel 273fa): ook dan is – kort gezegd – de feitelijke instemming van het slachtoffer met diens ernstige benadeling zonder betekenis, wanneer die instemming onder invloed van een van de in die bepaling genoemde dwangmiddelen tot stand is gekomen.
D (Nieuwe artikelen 273fa tot en met 273fb) Artikel 273fa Nieuwe strafbaarstelling Dit artikel introduceert de strafbaarstelling van ernstige benadeling. Zoals toegelicht in het algemene deel van deze memorie vormt deze strafbaarstelling een extra sport op de strafrechtelijke ladder op basis waarvan personen die door misbruik van andermans kwetsbare en afhankelijke positie grof verdienen, gericht en krachtig kunnen worden aangepakt. Dit artikel stelt degene die door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht of door misbruik van een kwetsbare positie een persoon onder zodanige voorwaarden of zodanige omstandigheden arbeid doet verrichten strafbaar. In paragraaf 2.3 van het algemeen deel is aangegeven dat sprake is van ernstige benadeling wanneer in het concrete geval het samenstel van voorwaarden en omstandigheden waaronder iemand arbeid verricht in disproportionele verhouding staat met het samenstel van geldende voorwaarden en/of omstandigheden waaronder die arbeid naar Nederlandse maatstaven in de desbetreffende arbeidssector wordt verricht. Het doel van de voorgestelde strafbaarstelling is het beschermen van werkenden op de arbeidsmarkt, die in het bijzonder vatbaar zijn voor ernstige benadeling. Hierbij wordt gedacht aan personen die behoren tot kwetsbare arbeidsgroepen, zoals arbeidsmigranten uit een andere
68
HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099; HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309 en HR 19 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:383. 69 Zie meest recentelijk: Kamerstukken II 2011/12, 33309, 3, p. 16-17. 70 Conny Rijken & Eefje de Volder, Arbeidsuitbuiting onder de loep. Een analyse van de uitleg van arbeidsuitbuiting in Nederland (Tilburg University en Impact: Center against Human Trafficking and Sexual Violence in Conflict), 2022. 34
lidstaat van de Europese Unie of uit derde landen voor zover die een relatief zwakke sociaaleconomische positie hebben, en personen met een verstandelijke beperking. Om dat specifieke beschermingsbereik uit te drukken zijn de dwangmiddelen (1) misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiende overwicht en (2) misbruik van een kwetsbare positie in de delictsomschrijving opgenomen. Deze twee middelen geven uitdrukking aan een bestaand gebrek aan keuzevrijheid aan de zijde van de tewerkgestelde. Voor de uitleg van deze dwangmiddelen wordt verwezen naar de toelichting op artikel 273f, derde lid. Ernstig benadeeld In dit artikel wordt bepaald dat degene die door gebruik van een van twee dwangmiddelen een persoon onder zodanige voorwaarden of zodanige omstandigheden arbeid doet verrichten dat die persoon daardoor ernstig wordt benadeeld. Of sprake is van ernstige benadeling laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een casusgerichte afweging op grond van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan het gaan om financieel of andersoortig nadeel dat in verband staat met de arbeidssituatie, of een combinatie van beide. Bij financieel nadeel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan substantiële onderbetaling van het minimumloon, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Wet minimumloon en vakantiebijslag (WML).
Hoewel de vraag wanneer een onderbetaling ‘substantieel’ is zich niet in algemene zin laat beantwoorden, kan als ijkpunt gedacht worden aan onderbetaling, inhouding, verrekening in strijd met artikel 13 van de WML, of het niet-compenseren of uitbetalen van de langere arbeidsduur in strijd met artikel 13a van de WML, van een enkele werknemer, waarbij het bedrag 50 procent van het wettelijk minimumloon bedraagt. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft een onderbetaling van 37 procent als substantieel beschouwd.71 Bij beide percentages is sprake van zodanig financieel nadeel dat het ernstig benadelings-bestanddeel daarmee is vervuld. Dit laat onverlet dat het bestanddeel “ernstig wordt benadeeld” ook bij een mindere mate van onderbetaling vervuld kan zijn, wanneer die onderbetaling zich in combinatie met andersoortig nadeel voordoet. Het gaat immers om een totaaloordeel.
Indicatoren die kunnen wijzen op onderbetaling zijn: ingehouden boetes door de werkgever, ingehouden schulden na rekrutering, loonsverhoging niet tijdig doorvoeren bij verjaring werknemer, contante uitbetalingen, geen uitbetaling van vakantietoeslag, foutieve loonstrook en – in het geval van een uitlenerconstructie - het niet uitbetalen van overuren en het langer dan de toegestane periode houden van uitzendkrachten in de onzekere eerste fase van hun uitzendcontract (fase A), waarin onder andere geen loondoorbetaling plaatsvindt als er (toch) geen werk is of in geval van ziekte. Voor de werkgever is betaling conform de volgende fasen duurder.72 Bij andersoortig nadeel dat in verband staat met de arbeidssituatie kan worden gedacht aan opgelegde vrijheidsbeperkingen, zoals het innemen van reisdocumenten. Ook valt te denken aan slechte arbeidsvoorwaarden, bijvoorbeeld ten aanzien van de arbeidsduur- en tijden en vakantiedagen. Daarbij kan het gaan om (een samenstel van) ernstige overtredingen van normen uit de andere arbeidswetten.
Als een ernstige overtreding in de zin van de Arbeidstijdenwet kan worden aangemerkt een handelen of nalaten van de werkgever waardoor een werknemer ten minste het dubbele van het in de wet en de daarop berustende bepalingen toegestane aantal uren dat hij per dienst arbeid mag verrichten, arbeid verricht dan wel de onafgebroken rusttijd in elke aaneengesloten periode van 24 uren de helft of minder is van de in de wet en de daarop berustende bepalingen gegeven onafgebroken rusttijd. Als een ernstige overtreding als bedoeld in de Arbeidsomstandighedenwet, kan worden aangemerkt een overtreding van normen met betrekking tot het werken met gevaarlijke stoffen en biologische agentia. Het gaat hier bijvoorbeeld om situaties waarin een persoon dient te werken met chemische stoffen zonder bescherming; het werken in arbeidsomstandigheden die direct gevaar voor de gezondheid opleveren en voor langere tijd werken met gevaarlijke machines zonder bescherming. Ook het voorzien in dan wel uitbesteden van huisvesting van werkenden die ondermaats is, kan het 71 72
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 maart 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:2189. Kamerstukken II 2021/22, 28544, nr. 1080, p. 4. 35
delictsbestanddeel “ernstig wordt benadeeld” vervullen. De normering in relatie tot huisvesting van arbeidsmigranten in Nederland is neergelegd in een aantal regelingen waaronder het Besluit Omgevingsrecht, het Bouwbesluit 2012, het bestemmingsplan en gemeentelijke verordeningen en diverse beleidsregels. Daarnaast zijn er voor de huisvesting een keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF) en een speciaal keurmerk voor huisvesting in de agrarische sector (het Agrarisch Keurmerk Flexwonen). Het SNF-keurmerk garandeert een minimum aan woonkwaliteit. Normen strekken zich onder andere uit tot privacy, sanitair, veiligheid en hygiëne, en zijn een inkleuring van de bepalingen van het Bouwbesluit 2012. Van ondermaatse huisvesting is in ieder geval sprake wanneer het niet voldoen aan de relevante normering in voorgenoemde regelingen, resulteert in een slecht woon- en leefklimaat. Te denken valt aan (een samengaan van) slechte hygiëne, weinig tot geen sanitaire voorzieningen, beperkte elektriciteitsvoorziening, mannen en vrouwen in één ruimte, weinig tot geen privacy en overbewoning. Het gewicht dat ondermaatse huisvesting in de schaal legt bij de beoordeling of het genoemde delictsbestanddeel is vervuld, hangt af van de mate waarin de geldende huisvestingsnormen zijn overschreden en de aard en ernst van de negatieve effecten daarvan op het woon- en leefklimaat.
Normadressaat Met het bestanddeel “arbeid doet verrichten” is beoogd een ruime kring van tewerkstellers en uitleners te adresseren tot wie de strafbepaling zich richt. Voor de vraag of sprake is van het doen verrichten van arbeid in de zin van artikel 273fa is de feitelijke situatie doorslaggevend. Daarmee omvat dit delictsbestanddeel de situaties die ressorteren onder het werkgeversbegrip van artikel 1, onderdeel b, van de Wet arbeid vreemdelingen onderscheidenlijk de Wet arbeid vreemdelingen BES.73 Op grond daarvan is werkgever degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten (onderdeel b, sub 1) en de natuurlijke persoon die een ander huishoudelijke of persoonlijke diensten laat verrichten (onderdeel b, sub 2). Gelet op de breedte van het bestanddeel “arbeid doet verrichten” zullen (rechts)personen door middel van schijnconstructies niet snel buiten het toepassingsbereik van artikel 273fa vallen. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat onder de reikwijdte van “arbeid doet verrichten” ook valt het ter beschikking stellen van een persoon aan een ander voor het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c en d, van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs of artikel 1, eerste lid, van de Wet arbeidsvoorwaarden gedetacheerde werknemers in de Europese Unie.
Er kunnen verschillende vormen van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten worden onderscheiden. Een eerste vorm – uitzending – ziet op situaties waarin een werknemer door een werkgever (uitlener) ter beschikking wordt gesteld aan een andere onderneming (inlener). De inlener verstrekt voor het verrichten van de arbeid een opdracht aan de uitlener, terwijl de leiding en het toezicht over de werknemer berust bij de inlener. Payrolling kan als tweede vorm worden onderscheiden (artikel 1, aanhef en onder d, van de Waadi). Het gaat hier om de situatie waarin de werkgever geen allocatieve functie vervult. De werknemer wordt exclusief ter beschikking gesteld aan een inlener. Naast deze vormen van terbeschikkingstelling kan ook worden gedacht aan situaties waarin een overeenkomst van opdracht/dienstverlening is gesloten (contracting). Het gaat hier om situaties waarin de opdrachtgever werkzaamheden, werkprocessen of bepaalde activiteiten uitbesteed aan een ander bedrijf – de opdrachtnemer. De opdrachtnemer voert de activiteiten uit met zijn eigen personeel. Voor de vraag of er sprake is van contracting of het ter beschikking stellen van arbeidskrachten – die beide vallen onder het bereik van “arbeid doet verrichten” in de zin van artikel 273fa – is de feitelijke situatie doorslaggevend.
Strafmaximum en ne bis in idem Het strafmaximum wordt gesteld op zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. De strafbaarstelling van ernstige benadeling vormt een aanvullend strafrechtelijk instrument bij de aanpak van ernstige misstanden op de arbeidsmarkt. Bij strafrechtelijke vervolging dan wel bestuursrechtelijk handhavend optreden geldt onverkort het ne bis in idem-beginsel, en in het verlengde daarvan het una via-beginsel welke zijn neergelegd in de artikelen 68 Sr, 243 Sv en 73
Zie ook Kamerstukken II 1993/94, 23 574, nr. 3. 36
5:43 Awb. Artikel 5:44 van de Awb bepaalt dat geen bestuurlijke boete wordt opgelegd indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Artikel 243, tweede lid, Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv staat er in beginsel aan in de weg dat na de oplegging van een bestuurlijke boete dezelfde persoon voor hetzelfde feit opnieuw in rechte wordt betrokken. Voor de vraag of sprake is van ’hetzelfde feit’ zijn de juridische aard van de feiten en de gedragingen van de verdachte van belang.74 Gelet op het aanzienlijk verschil tussen de aard en ernst van enerzijds de feiten die aanleiding kunnen geven tot bestuursrechtelijk optreden en anderzijds het delict ernstige benadeling – waarop maximaal zes jaren gevangenisstraf is gesteld – zal bij een strafvervolging ter zake van dit delict niet snel sprake zijn van ‘hetzelfde feit’ in de hiervoor bedoelde zin. Artikel 273fb Dit onderdeel stelt verschillende vormen van opzettelijke voordeeltrekking uit mensenhandel, kinderhandel en ernstige benadeling strafbaar.
Telkens is vereist dat de voordeeltrekker weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de arbeid of diensten van het slachtoffer (bijvoorbeeld seksuele dienstverlening) dan wel de handelingen ten aanzien van het slachtoffer (bijvoorbeeld het huisvesten of vervoeren van het slachtoffer) waaruit voordeel wordt getrokken, het voorwerp zijn van mensenhandel, kinderhandel of ernstige benadeling. In het eerste voorbeeld zou aan dit vereiste zijn voldaan wanneer de voordeeltrekker weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat die seksuele dienstverlening door het slachtoffer voorwerp is van mensenhandel in de vorm van seksuele uitbuiting. In het tweede voorbeeld wanneer de voordeeltrekker weet of vermoedt in de hiervoor bedoelde zin dat het huisvesten of vervoeren van het slachtoffer, waarvoor de voordeeltrekker betalingen heeft ontvangen, plaatsvindt onder de in artikel 273f, eerste lid, omschreven omstandigheden. Artikel 273fb vormt de rechtsopvolger van het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 6 en 7, Sr. De beoogde strafbaarstelling houdt een verbreding in ten opzichte van de huidige strafbaarstelling van opzettelijk voordeel trekken uit de uitbuiting van een ander (artikel 273f, eerste lid, onder 6).
In de eerste plaats wat betreft de gronddelicten waaruit voordeel kan worden getrokken: ook het trekken van voordeel uit het nieuwe delict ernstige benadeling van een persoon wordt onder het bereik van de strafbaarstelling gebracht. In de tweede plaats is het vereiste schuldverband verruimd. Dit schuldverband is drieledig. Toegespitst op voordeeltrekken uit ernstige benadeling brengen de delictsbestanddelen “opzettelijk voordeel trekt uit arbeid of diensten van een persoon” tot uitdrukking dat de voordeeltrekker (i) opzet heeft op het verrichten van arbeid of diensten door een persoon en (ii) opzet heeft op het voordeel trekken uit die arbeid of diensten. De delictsbestanddelen “terwijl diegene weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat die arbeid, diensten (…) het voorwerp zijn van (…) ernstige benadeling” drukken uit dat de voordeeltrekker (iii) weet (opzetvariant) of ernstige reden heeft om te vermoeden (schuldvariant) dat die arbeid of diensten het voorwerp zijn van ernstige benadeling. De voordeeltrekker moet dus weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat de bron waaruit het voordeel wordt getrokken het voorwerp is van ernstige benadeling. Met andere woorden: de persoon die deze arbeid verricht, wordt in het kader daarvan ernstig benadeeld.
De schuldvariant vereist dat de voordeeltrekker ondanks duidelijke signalen dat de arbeid of dienstverlening waaruit voordeel wordt getrokken mogelijk onder ernstige benadeling van de desbetreffende persoon wordt verricht er ten onrechte vanuit gaat ‘dat het wel goed zal zitten’, in plaats van op toereikende wijze te verifiëren of dit het geval is. De schuldvariant vormt een verruiming ten opzichte van het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 6, waarbij het onder c genoemde deel van het schuldverband is beperkt tot de opzetvariant. De verruiming sluit evenwel aan bij de huidige strafbaarstelling van voordeeltrekking uit orgaanverwijdering als bedoeld in het huidige artikel 273f, eerste lid, onder 7, in welk geval op het bedoelde punt een vorm van schuld ook al voldoende is.
74
Vgl. o.a. HR 15 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:364 en HR 4 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1364. 37
Het bestanddeel “voordeel trekt” drukt de centrale gedraging uit die de dader wordt verweten. De wetsgeschiedenis van het huidige artikel 273f Sr en zijn voorlopers, waarin deze wetsterm ook voorkomt, geeft geen eenduidig antwoord op de vraag hoe dit bestanddeel moet worden uitgelegd en – in meer algemene zin – tot welke kring van daders de strafbaarstelling zich richt (normadressaatschap).75 Tegen die achtergrond wordt hier opgemerkt dat voor voordeeltrekken als bedoeld in artikel 273fb niet is vereist dat het verkrijgen van daadwerkelijk concreet voordeel uit het gronddelict wordt aangetoond. Niet bewezen hoeft te worden dat ‘winst’ of een concreet concurrentievoordeel is behaald, wat – al naar gelang de situatie – bijvoorbeeld zou moeten blijken uit de hoogte van ontvangen betalingen of de besparing van kosten. Het behalen van economisch voordeel ten opzichte van rechtmatige activiteiten vormt immers niet de kern van het strafrechtelijk verwijt. Bovendien zouden dergelijke bewijseisen aan een effectieve toepassing van deze strafbepaling in de weg kunnen staan.
Voldoende is dat wordt bewezen dat de voordeeltrekker enig economisch profijt trekt uit de arbeid of diensten van het slachtoffer van mensenhandel, kinderhandel of ernstige benadeling dan wel uit de handelingen die de voordeeltrekker ten aanzien dat slachtoffer verricht (zoals het huisvesten of vervoeren van dat slachtoffer als bedoeld in artikel 273f, eerste en tweede lid). Wat dat laatste betreft kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het ontvangen van betalingen voor het verrichten van bodyguardwerkzaamheden in het kader van de seksuele uitbuiting van een ander. De precieze hoogte van die betalingen is irrelevant voor de strafbaarheid wegens voordeeltrekken in de zin van artikel 273f.76 Wat betreft het normadressaatschap wordt opgemerkt dat de strafbaarstelling zich allereerst richt tot de mensenhandelaren en de plegers van ernstige benadeling die profiteren van de door henzelf begane gronddelicten. Daarbij vormt de algemene samenloopregeling een waarborg tegen onevenredige aansprakelijkstelling. Het voorgaande geldt ook voor profiteurs die anderszins werkzaamheden verrichten die direct dienstig zijn aan het begaan van het gronddelict en die behoren tot de schil van personen die dergelijke plegers omringt.77 Te denken valt aan een meewerkende bodyguard, portier of chauffeur.
Bij dergelijke vormen van betrokkenheid kan onder omstandigheden ook sprake zijn van medeplichtigheid aan het begane gronddelict.78 Buiten de beoogde werkingssfeer van artikel 273fb valt de consument in het algemeen en – bij prostitutie – de prostituant in het bijzonder. In laatstgenoemde context voorziet artikel 273g onder specifieke omstandigheden in strafbaarheid. Mensenhandel en ernstige benadeling zijn in de regel gericht op financieel gewin. Mede in het licht daarvan strekt het toepassingsbereik van artikel 273fb zich naar de huidige opvatting ook uit tot (rechts)personen die direct profiteren van mensenhandel en ernstige benadeling en daarmee rechtstreeks bijdragen aan de markt die het plaatsvinden van deze misdrijven in stand houdt. In het kader van ernstige arbeidsgerelateerde misstanden valt te denken aan constellaties waarbij een (rechts)persoon in de hoedanigheid van inlener gebruik maakt van kwetsbare werkenden zoals groepen arbeidsmigranten die door een uitlener – bijvoorbeeld een uitzendbureau – aan hem ter beschikking zijn gesteld, terwijl de desbetreffende werkenden ernstig worden benadeeld door de uitlener. Steeds zal aan het voor voordeeltrekking vereiste schuldverband moeten zijn voldaan.
Toegespitst op het voorbeeld is daarvoor allereerst nodig dat de inlener opzet heeft op het verrichten van arbeid of diensten door die arbeidsmigranten en dat de inlener opzet heeft op het voordeel trekken uit die arbeid of diensten (hiervoor onder i en ii). In het genoemde voorbeeld zullen beide opzeteisen in de regel zijn vervuld: de inlener zal weten dat de arbeidsmigranten feitelijk arbeid voor deze verrichten, terwijl het benutten van die 75
Zie K. Lindenberg, Prostituant en strafrecht. Quickscan van de strafrechtelijke verantwoordelijkheden van de prostituant bij mensenhandel en minderjarigheid, Uitgeverij Paris: 2014, p. 41-44. Dit onafhankelijke onderzoek is op verzoek van de fracties van PvdA en VVD uitgevoerd (zie Kamerstukken II 2014/15, 34091, 3, p. 5). 76 Vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 november 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8827, welke uitspraak nader wordt geduid in K. Lindenberg, Prostituant en strafrecht. Quickscan van de strafrechtelijke verantwoordelijkheden van de prostituant bij mensenhandel en minderjarigheid, Uitgeverij Paris: 2014, p. 42. 77 Vgl. K. Lindenberg, Prostituant en strafrecht. Quickscan van de strafrechtelijke verantwoordelijkheden van de prostituant bij mensenhandel en minderjarigheid, Uitgeverij Paris: 2014, p. 41-42. 78 Zie bijvoorbeeld HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1570 en 1571. 38
arbeidskracht door de inlener gewild economisch profijt impliceert. In het voorbeeld zal het aankomen op de derde poot van het schuldverband (hiervoor onder iii), die vereist dat de inlener weet (opzetvariant) of ernstige reden heeft om te vermoeden (schuldvariant) dat – kort gezegd – de desbetreffende arbeidsmigranten ernstig worden benadeeld door de uitlener. De schuldvariant eist dat de inlener op de hoogte is van duidelijke signalen dat die arbeidsmigranten mogelijk ernstig worden benadeeld door de uitlener en die inlener – in plaats van op toereikende wijze te verifiëren of dit het geval – er ten onrechte vanuit gaat ‘dat het wel goed zal zitten’. Wat betreft die duidelijke signalen valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat de genoemde arbeidsmigranten bij de inlener melding maken van ernstige benadeling door de uitlener of het geval dat een inlener in zee gaat met een uitzendbureau waarvan algemeen bekend is dat deze het niet zo nauw neemt met arbeidsrechten en huisvesting van arbeidsmigranten. Dan getuigt de verkeerde inschatting van dergelijke duidelijke signalen van een zodanige verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid dat strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens voordeeltrekking uit ernstige benadeling aangewezen is. Daarin voorziet artikel 273fb. De strafbaarstelling beperkt zich tot directe profijttrekking.
Niet beoogd is te voorzien in een vorm van ketenaansprakelijkheid, waarbij bijvoorbeeld ook afnemers van diensten van zo’n inlener onder het toepassingsbereik van strafbare voordeeltrekking zouden kunnen vallen. Zoals in het algemene deel van deze memorie van toelichting al is uiteengezet wordt voordeeltrekking voorzien van een eigen juridische kwalificatie en strafbedreiging (zes jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie), die recht doen aan het karakter en de strafwaardigheid van het opzettelijk profiteren van de hiervoor genoemde gronddelicten. Voordeeltrekken uit kinderhandel of uit ernstige benadeling van een kind beneden de leeftijd van achttien jaren wordt bedreigd met een gevangenisstraf van acht jaren (artikel 273fb in verbinding met artikel 273h, eerste lid, onder 4). In lijn met het geldende recht ligt dit maximum een derde hoger dan de maximale gevangenisstraf die op het basisdelict is gesteld. E (Wijziging artikel 273g) De voorgestelde wettelijke regeling geeft aanleiding om dit artikel, dat bij Wet strafbaarstelling misbruik prostituees die slachtoffer zijn van mensenhandel (Stb. 2021, 467) is ingevoerd, aan te passen. De wijzigingen zijn vooral redactioneel van aard, waaronder vervanging van de verwijzing naar “de in artikel 273f, eerste lid, onder 1°, bedoelde omstandigheden” door “de in artikel 273f, eerste lid, bedoelde omstandigheden”.
Daarbij wordt aangesloten bij de terminologie en het bereik van het voorgestelde artikel 273f, vijfde lid, voor zover daar tot uitdrukking wordt gebracht dat de uitbuiting van een persoon ook kan plaatsvinden bij het verrichten van seksuele handelingen “voor” een ander (zie de toelichting op deze bepaling). De bij minderjarige slachtoffers toepasselijke strafverzwaringsgrond die in het tweede lid van het huidige artikel 273g Sr is opgenomen, wordt overgeheveld naar het voorgestelde artikel 273h. In laatstgenoemde bepaling zijn alle strafverzwaringsgronden samengebracht die in het kader van de voorgestelde regeling relevant zijn. F (Nieuwe artikelen 273h en 273i) Artikel 273h Dit artikel is de rechtsopvolger van artikel 273f, derde tot en met vijfde lid, Sr. Het bevat de strafverzwaringsgronden die gelden voor de delicten die in de artikelen 273f tot en met 273g zijn omschreven. Bij bewezenverklaring van een of meer van de in het eerste lid opgenomen strafverzwaringsgronden kan de wettelijk bepaalde gevangenisstraf met een derde worden verhoogd. De keuze voor een relatieve verhoging is ingegeven door het feit dat voor de verschillende gronddelicten uiteenlopende strafmaxima gelden. Hiermee ontstaat een evenrediger relatie tussen de aard en ernst van het gronddelict, tot uiting komend in het strafmaximum, en de toepasselijke strafverzwaringsgrond.
In het geval dat mensenhandel of ernstige benadeling zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft of daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is – gelet op
39
de ernst van dat gevolg en dat gevaar – voorzien in een gefixeerd wettelijk strafmaximum van achttien jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie (tweede lid). Ingeval deze misdrijven de dood tot gevolg hebben, kan levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie worden (derde lid). Eerste lid, onder a De strafverzwaringsgronden dat het in de artikelen 273f tot en met 273g omschreven feit wordt begaan door twee of meer verenigde personen, wordt voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door ernstige geweldpleging dan wel wordt begaan tegen een persoon bij wie misbruik van een bijzonder kwetsbare positie wordt gemaakt, zijn overgenomen uit het huidige artikel 273f, derde lid, onder 1 tot en met 3, Sr. Bij die laatste strafverzwaringsgrond valt bijvoorbeeld te denken aan een bijzonder kwetsbare positie als gevolg van een psychische stoornis dan wel verstandelijke of lichamelijke handicap. Vereist is dat de dader wetenschap heeft van de bijzonder kwetsbare positie waarin het slachtoffer verkeert. Het toepassingsbereik van deze strafverzwaringsgronden wordt verbreed tot ernstige benadeling als bedoeld in artikel 273fa.
Met opname van beide strafverzwaringsgronden wordt mede uitvoering gegeven aan artikel 4, tweede lid, onder a, b en d, van de Richtlijn 2011/36/EU, op grond waarvan een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar moet worden gesteld op – kort gezegd – in georganiseerd verband begane, met ernstige geweldpleging gepaard gaande vormen van mensenhandel alsmede vormen van mensenhandel gericht tegen een bijzonder kwetsbaar slachtoffer. In de preambule van de richtlijn komt naar voren dat bij de beoordeling van de bijzondere kwetsbaarheid van het slachtoffer ook rekening kan worden gehouden met bijvoorbeeld geslacht, zwangerschap en gezondheidsproblemen (overweging 12). Aan voormelde strafverwaringsgronden wordt toegevoegd het begaan van een in de artikelen 273f tot en met 273g omschreven feit door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt. Dergelijk handelen heeft een strafverzwarend karakter. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als het maken van een ‘gewoonte’, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld.79
Eerste lid, onder b Dit onderdeel voorziet in strafverzwaring indien een in de artikelen 273fa, 273fb en 273g omschreven feit wordt begaan tegen een kind beneden de leeftijd van achttien jaren. Het toepassingsbereik van deze strafverzwaringsgrond is beperkt tot de algemeen omschreven misdrijven ernstige benadeling, voordeeltrekking en – kort gezegd – het onder nader bepaalde omstandigheden verrichten van seksuele handelingen met een slachtoffer van mensenhandel. Verhoging van de wettelijk bepaalde gevangenisstraf met een derde is dan aangewezen, indien zo’n misdrijf wordt begaan tegen een kind beneden de leeftijd van achttien jaren. Met opname van deze strafverzwaringsgrond wordt mede uitvoering gegeven aan artikel 4, tweede lid, onder a, van de Richtlijn 2011/36/EU, op grond waarvan een maximumgevangenisstraf van ten minste tien jaar moet worden gesteld op vormen van mensenhandel tegen kinderen beneden de leeftijd van achttien jaren. Voor de toepasselijkheid van de strafverzwaringsgrond is niet relevant of de dader wist dat deze met een kind in een bepaalde leeftijd te maken had. Uitsluitend de leeftijd hoeft te worden bewezen. Het belang van kinderen bij een ongestoorde (seksuele) ontwikkeling en de bescherming van kinderen tegen exploitatie door anderen prevaleert hier.
De strafverzwaringsgrond is niet toepasselijk op het specifiek omschreven kinderdelict kinderhandel (de artikelen 273f, tweede lid). De minderjarigheid van het slachtoffer is dan immers een constitutief bestanddeel van de delictsomschrijving. Bij dit misdrijf is de strafverhoging met een derde al verdisconteerd in het daarop gestelde hogere strafmaximum. Tweede lid
79
HR 23 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1702. 40
In dit artikellid is de huidige strafverzwaringsgrond die betrekking heeft op zwaar lichamelijk letsel als gevolg of te duchten levensgevaar opgenomen. Het huidige strafmaximum van vijftien jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie (artikel 273f, vierde lid, Sr) biedt voldoende strafruimte voor passende bestraffing en is gehandhaafd. Derde lid In dit artikellid is het huidige artikel 273f, vijfde lid, Sr inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, met dien verstande dat deze strafverzwaringsgrond – kort gezegd: de dood als gevolg – ook van toepassing is op het nieuwe delict ernstige benadeling. In alle gevallen geldt een gefixeerd strafmaximum van levenslange gevangenisstraf of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren dan wel geldboete van de vijfde categorie. Artikel 273i Eerste en tweede lid Artikel 273i is de rechtsopvolger van het huidige artikel 273f, zevende lid, in verbinding met artikel 251 Sr. Het eerste lid van artikel 273i bepaalt dat bij veroordeling wegens de in de artikelen 273f tot en met 273fb omschreven misdrijven de rechter een veroordeelde kan ontzetten van de rechten, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder 1, 2 en 4, Sr. Het betreft ontzetting van het recht op het bekleden van (bepaalde) ambten, het dienen bij de gewapende macht en het zijn van raadsman of gerechtelijk bewindvoerder.
Diezelfde mogelijkheden bestaan bij de meeste andere misdrijven die in dezelfde titel ‘Misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’ van het Wetboek van Strafrecht zijn opgenomen (artikel 286 Sr). Op grond van het tweede lid kan de veroordeelde van de uitoefening van zijn beroep worden ontzet. Deze bijkomende straf ziet in de regel op de uitoefening van het beroep waarin de schuldige het misdrijf begaan heeft. De beroepsontzetting dient betrekking te hebben op het recht op uitoefening van een beroep dat in voldoende verband staat met het beroep waarin het strafbaar feit is begaan. Er is niet slechts sprake van een beroep als het een hoofdwerkzaamheid of betaald beroep betreft.80 ARTIKEL II (Wetboek van Strafrecht BES) In paragraaf 2.4 van het Algemeen Deel van deze toelichting is aangegeven dat en waarom in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de materiële strafwetgeving van Nederland. Op grond van dit uitgangspunt wordt voorgesteld de modernisering van de strafbaarstelling van mensenhandel die voor Europees Nederland wordt voorzien (Artikel I), ook door te voeren in het Wetboek van Strafrecht BES. Daartoe strekt de in Artikel II opgenomen regeling. A (Wijziging artikel 286f) Dit artikel vormt het equivalent van het gewijzigde artikel 273f, dat in Artikel I, onderdeel C van een toelichting is voorzien.
Deze bepaling bevat de strafbaarstellingen van mensenhandel en kinderhandel (eerste en tweede lid). Daarnaast geeft artikel 286f nadere omschrijvingen van wetstermen en uitgangspunten (het derde tot en met het zevende lid). B (Nieuwe artikelen 286fa en 286fb) De artikelen 286fa en 286fb zijn de pendanten van de voorgestelde artikelen 273fa en 273fb, die in Artikel I, onderdeel D zijn toegelicht. Dit zijn de strafbepalingen van respectievelijk ernstige benadeling en voordeeltrekking. C (Wijziging artikel 286g)
80
HR 17 januari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6285. 41
Dit artikel vormt het equivalent van artikel 273g dat in het Wetboek van Strafrecht is opgenomen. Beide bepalingen zijn bij Wet strafbaarstelling misbruik prostituees die slachtoffer zijn van mensenhandel (Stb. 2021, 467) ingevoerd. Dit wetsvoorstel strekt ertoe artikel 286g op dezelfde wijze aan te passen als het genoemde artikel 273g, dat in Artikel I, onderdeel E is toegelicht. D (Nieuwe artikelen 286h en 286i) Artikelen 286h (strafverzwaringsgronden) en 286i (bijkomende straffen) zijn de pendanten van de voorgestelde artikelen 273h en 273i. Laatstgenoemde bepalingen zijn in Artikel I, onderdeel F toegelicht. Ten opzichte van het huidige artikel 286, derde tot en met zesde lid, Sr BES – dat thans de toepasselijke strafverzwaringsgronden bevat – bevat het beoogde artikel 286h een ruimere regeling van strafverzwaringsgronden. Daarbij is aangesloten bij de systematiek van het voorgestelde artikel 273h. Daarom is bij de strafverzwaringsgronden die zijn opgenomen in het eerste lid van artikel 286h gekozen voor een relatieve verhoging van de wettelijk bepaalde gevangenisstraf met een derde.
In het geval van ernstige gevaren of gevolgen is voorzien in een gefixeerd wettelijk strafmaximum van achttien jaren gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie (tweede lid: bij levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel) onderscheidenlijk levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie worden (derde lid: dodelijk letsel). Ten opzichte van het huidige artikel 286f, zevende lid in verbinding met artikel 261 Sr BES is de mogelijkheid tot het opleggen van de daar genoemde bijkomende straffen verbreed tot gevallen van veroordeling wegens het nieuwe misdrijf ernstige benadeling. ARTIKEL III (Wetboek van Strafvordering) Het tweede lid van artikel 481 Sv bepaalt in welke gevallen het openbaar ministerie mededeling moet doen aan slachtoffers of nabestaanden van de beslissing van de Hoge Raad over een herzieningsaanvraag en van de einduitspraak in de herzieningszaak tegen de (gewezen) verdachte. Het informatierecht van artikel 481 Sv is voorbehouden aan ernstiger misdrijven, in het bijzonder de misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Op de misdrijven mensen- en kinderhandel (artikel 273f, eerste en tweede lid) wordt een wettelijke strafbedreiging van respectievelijk twaalf en zestien jaren gevangenisstraf gesteld, zodat genoemd informatierecht geldt.
De huidige verwijzing naar artikel 273f Sr kan dus komen te vervallen. ARTIKEL IV (Evaluatiebepaling) De effecten van de nieuwe wetgeving en de werking hiervan in de praktijk worden binnen vijf jaar na inwerkingtreding geëvalueerd. ARTIKEL V (Inwerkingtredingsbepaling) Dit artikel regelt de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Gezien het grotere beschermingsbereik waarin de nieuwe wetgeving voorziet en de ingrijpende aard van mensenhandel en daarmee verband houdende misdrijven, is het van belang dat de inwerkingtreding plaatsvindt op het moment dat uitvoeringsorganisaties daarvoor klaar zijn. Effectieve uitvoering van de nieuwe wetgeving is ook in het belang van burgers die door de nieuwe wetgeving worden geraakt, zowel slachtoffers als (potentiële) verdachten. In het licht daarvan wordt ervan uitgegaan dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel plaatsvindt in de loop van 2024. De bepalingen in dit wetsvoorstel zijn van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtreding hiervan worden begaan. Ingevolge artikel 1, tweede lid, Sr worden bij verandering in de wetgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de verdachte gunstigste bepalingen toegepast. ARTIKEL VI
42
De citeertitel luidt: Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel. Deze toelichting wordt ondertekend mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
43
44