CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D08 02 Bijlage 2 bij Nota - Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2023.pdf

Gemeenteraad 30 januari 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken51.447 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 6

Daarnaast is begeleiding in samenspraak met de behandelaar gericht op het leren omgaan met de beperkingen (cognitief en psychisch) en het beheersbaar houden en gaandeweg doen afnemen van de gedragsproblemen. Het uiteindelijke doel is zelfstandig wonen eventueel met ambulante ondersteuning in de gemeente van herkomst. De intensiteit van de ondersteuning fluctueert en sluit aan bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Ondersteuning bestaat uit:  Samen met de cliënt een ondersteuningsplan opstellen gericht op herstel.  Ondersteunen en motiveren van de cliënt bij het behalen van zijn (herstel)doelen.  Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden gericht op de zelfredzaamheid en bij het omgaan met beperkingen.  Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van basale ADL, zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de basale ADL kan uitvoeren. Wanneer er een somatische grondslag is, wordt zo nodig wijkverpleging /verzorging ingezet voor het overnemen van taken.  Toezien op, begeleiding bij en aanleveren van instrumentele ADL vaardigheden, indien nodig taken tijdelijk overnemen en ondersteunen bij het verwerven van vaardigheden zodat de cliënt zo zelfstandig mogelijk de instrumentele ADL kan uitvoeren.

 Toezien op de geestelijke- en lichamelijke gezondheid van de cliënt en indien nodig contact opnemen met behandelaar/huisarts/specialist  Ondersteuning bij het vergroten van de sociale redzaamheid.  Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden om zelfstandig de dag in te vullen/een weekplanning te maken en overnemen waar nodig.  Ondersteuning bij het aanleren van vaardigheden met betrekking tot het doen van de financiën, administratie en contact met instanties.

3

Onder basale ADL wordt verstaan: persoonlijke hygiëne, zelfstandig kunnen verplaatsen binnenshuis, aankleden, eten en drinken. 4 Onder instrumentele ADL wordt verstaan: reizen, maaltijd bereiden, boodschappen doen, huishouden voeren, administratie, financiën, medicatie beheren, afspraken maken en nakomen, problemen oplossen en besluiten nemen.

53

         

Resultaat

Looptijd beschikking

Geldbeheer moet indien nodig bij een bewindvoerder/curator worden ondergebracht. Monitoren en tijdig signaleren van het gedrag van de cliënt. Ondersteunen van de cliënt bij het formuleren van de hulpvraag. Ondersteunen van de cliënt bij het behouden dan wel vergroten van zijn sociale netwerk. Ondersteuning bij contact met politie/justitie. Ondersteuning bij het behouden en vergroten van het sociale netwerk. Begeleiding bij afstemming met de, eventueel, betrokken behandelaar. Ondersteuning bij duurzame uitstroom naar de gemeente van herkomst. Ondersteuning richting een passende vervolgplek. Ondersteunen bij het vinden en vasthouden van zinvolle en passende dagbesteding. Begeleiding bij het organiseren van aanvullende hulpverlening (somatisch/thuiszorg/WMO-voorzieningen (scootmobiel etc.).

De beschermd wonen locatie biedt:  24/7 beschikbaar is voor cliënt, met in de nacht een slapende wacht of digi-contact waarbij begeleiding binnen 30 minuten aanwezig is  Minimaal 4 uur individuele ondersteuning per week.  Begeleiding, bescherming en stabiliteit in een veilige en weinig eisende woonomgeving.  Gemiddeld minimaal vier dagdelen dagbesteding of passende activering per week die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel van dagbesteding uit. Er is sprake van stabiliteit op het gebied van de psychische en psychosociale problematiek van de cliënt. De financiële en algemene administratie zijn georganiseerd en geborgd. De cliënt is in staat om door te stromen naar een passende vervolgplek of om zelfstandig te wonen met ambulante ondersteuning. Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt maximaal 3 jaar.

9.4.3 Beschut wonen Beschut wonen Psychosociale of psychische problemen Kenmerken pakket Beschut Wonen is een lichtere vorm van ondersteuning binnen de financiering van beschermd wonen. De volwassene woont in een accommodatie van de aanbieder en krijgt hier gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week. Begeleiding is 24/7 beschikbaar en kan binnen 30 minuten aanwezig zijn. Het uiteindelijke doel van Beschut Wonen is uitstroom naar zelfstandig wonen. Daarnaast moet Beschut Wonen uitstroom vanuit intensievere vormen van beschermd wonen of andere (intramurale) setting bevorderen of instroom naar intensievere vormen van beschermd wonen of andere (intramurale) setting voorkomen. Beschut Wonen kan bijvoorbeeld ook ingezet worden voor cliënten die uitstromen vanuit de Forensische Zorg, een GGZ-instelling of de Jeugdhulp. Cliënten kunnen een aanvraag doen voor Beschut Wonen met óf zonder dagbesteding. De aanvraag wordt beoordeeld door de GGD (dus regionaal). Indien een aanvraag Beschut Wonen met dagbesteding wordt beschikt, dan ontvangt de aanbieder hiervoor één tarief, waarbij het onderdeel dagbesteding gebaseerd is op gemiddeld 4 dagdelen dagbesteding per week. Dit wordt bekostigd vanuit de regionale Wmo-

54

No. 22.0002017 middelen.

Acties uit te voeren door aanbieder

Resultaat Looptijd beschikking

De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Beschut Wonen. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen. Over het algemeen geldt dat de cliënt:  Een psychiatrische/ psychische aandoening heeft, mogelijk in combinatie met een verstandelijke beperking. Op het gebied van de psychiatrische aandoening is stabiliteit behaald, echter is het nog noodzakelijk dat er dagelijks contact is met de cliënt om dit te monitoren.  Zelf de ondersteuningsvraag kan formuleren.  De hulpvraag 30 minuten kan uitstellen.  Dagbesteding, opleiding en/of werk volgt.  Basale ADL-vaardigheden beheerst. De ondersteuning bestaat uit:  De cliënt ondersteunen bij het stabiel blijven en begeleiden naar zelfstandigheid.  De aanbieder werkt samen met de cliënt aan doelen om de uitstroom naar een zelfstandige woning mogelijk te maken.  Aanbieder begeleidt de cliënt naar dagbesteding of passende activering die aansluit bij de hersteldoelen, waarbij onderwijs en werk voorliggend zijn aan dagbesteding. Trajecten die lopen via het UWV maken geen onderdeel uit van dagbesteding. De aanbieder meldt de cliënt zes maanden voordat iemand naar verwachting klaar is voor uitstroom aan voor de Uitstroomtafel. De aanbieder biedt:  Aanbieder biedt gemiddeld vier uur individuele begeleiding per week.  Er is in principe geen sprake van groepsbegeleiding.

Het staat de aanbieder vrij om groepsbegeleiding in te zetten vanuit de beschikbare uren individuele begeleiding.  Aanbieder biedt planbare zorg buiten kantoortijden.  Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 op alle weekdagen.  Aanbieder is 24/7 beschikbaar en indien nodig binnen 30 minuten aanwezig (oproepbaar).  De aanbieder biedt een woning waarbij de cliënt in staat is om zelfstandig naar een locatie van de hulpverlenende instantie te gaan. Dit kan zowel een woning op het terrein van de hulpverlenende instantie zijn of daarbuiten, afhankelijk van de behoeften van de cliënt.  Beschut wonen vindt zo veel als mogelijk plaats in de herkomstgemeente van de cliënt. De cliënt heeft voldoende vaardigheden ontwikkeld om zelfstandig te kunnen wonen en functioneren met de benodigde ondersteuning. Maximaal 1,5 jaar, met een evaluatiemoment na 1 jaar. Verlenging van de beschikking is mogelijk.

9.4.4 Gewoon Thuis Gewoon Thuis Psychosociale of psychische problemen Kenmerken pakket Gewoon thuis biedt ambulante ondersteuning met 24x7 beschikbaarheid en oproepbaarheid. Hulp is indien nodig binnen 45 minuten aanwezig. De begeleiding sterkt de volwassene in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom. Met ondersteuning vanuit Gewoon Thuis wonen volwassen in hun eigen huis, en betalen ze zelf het levensonderhoud. Wonen en zorg zijn dus gescheiden. Het doel van Gewoon Thuis is instroom in Beschermd Wonen

55

voorkomen of uitstroom vanuit intramurale setting bevorderen. Cliënten kunnen indien nodig logeren. Logeren is een apart product, wat door de aanbieder kan worden aangevraagd. Cliënten doen - als daar behoefte aan is - een aanvraag voor dagbesteding bij de lokale gemeente. De gemeente beoordeelt deze aanvraag en beschikt (indien de aanvraag positief wordt beoordeeld) een lokaal dagbestedingsproduct, zoals gebruikelijk bij zelfstandig wonende inwoners die behoefte hebben aan dagbesteding. De dagbesteding wordt bekostigd vanuit de lokale Wmo-middelen van desbetreffende gemeente. De hieronder genoemde criteria gelden als randvoorwaarde voor Gewoon Thuis. Uitgangspunt is echter altijd maatwerk. Er is daarom ruimte voor uitzonderingen.

Acties uit te voeren door aanbieder

Resultaat Looptijd beschikking

Over het algemeen geldt dat de cliënt: • Gerichte intensieve ambulante belgeleiding nodig heeft ter voorkoming van Beschermd Wonen en/of gericht op ambulantisering. • De hulpvraag minimaal 45 minuten kan uitstellen en in staat is om zelf een beroep te doen op ondersteuning. • Met de nodige ondersteuning een netwerk kan opbouwen, aanwezigheid van enig netwerk is wenselijk. • Zelfstandig kan reizen en zich fysiek zelfstandig verplaatsten. • De basale ADL vaardigheden beheerst en met hulp meer inzicht kan krijgen in financiën, eetpatroon, leefpatroon en zelfzorg. • Matig tot ernstige gedragsproblemen heeft. Hanteerbaar is met begeleiding waarbij gewerkt kan worden aan herstel richting zelfredzaamheid, opleiding/werk/dagritme/invulling en participatie. De ondersteuning bestaat uit:  De ondersteuning is gericht op het aanleren van woonvaardigheden om zelfstandig te functioneren en op het stabiliseren van de situatie.  De begeleiding sterkt de volwassene in verbinding met de wijk en het sociale netwerk en andersom.  Aanbieder werkt samen met de cliënt aan persoonlijke veiligheid en weerbaarheid. De aanbieder biedt: • Gemiddeld zes uur begeleiding per week. Begeleiding kan op- en afgeschaald worden naar behoefte.  24X7 beschikbaarheid en oproepbaarheid, hulp kan binnen 45 minuten aanwezig zijn.  Zorg kan worden geleverd tussen 07:00 uur en 22:00 op alle weekdagen.

 Tussen 22:00 en 07:00 uur wordt ongeplande zorg opgevangen middels een slaapwacht  Vraagt logeren aan in geval van terugval.  Aanbieder organiseert vervolg als logeren niet volstaat en begeleiding vanuit intramurale setting nodig is. De situatie van volwassene is gestabiliseerd, er is geen opname in kliniek of in beschermde woonvorm noodzakelijk. Passend bij de ondersteuningsbehoefte van de cliënt.

9.5 PGB Beschermd Wonen Beschermd wonen kent twee verzilveringsvormen: zorg in natura en via een pgb. Bij zorg in natura krijgt de cliënt de ondersteuning via een aanbieder die een contract heeft met centrumgemeente Almere. Bij een pgb krijgt de cliënt via de Sociale Verzekeringsbank een geldbedrag om zelf de benodigde ondersteuning in te kopen. Zo is er meer keuzevrijheid en behoudt de cliënt de regie over

56

No. 22.0002017 de ondersteuning. Voor het beheren van een pgb is kennis en vaardigheid nodig, zie Hoofdstuk 13 Persoonsgebonden budget van deze beleidsregels.

Hoofdstuk 10 Ondersteuning gericht op het wonen en in en om de woning verplaatsen Hoofdstuk 7 van de Verordening (ondersteuning gericht op het wonen) 10.1 Inleiding Uitgangspunt is dat iedereen in Nederland zelf voor een woning moet zorgen. Een woning kan zowel een eigen woning zijn als een huurwoning. Ook een woonwagen en een woonschip met vaste standof ligplaats wordt gezien als een woning, zie daarvoor ook de begripsbepaling van een woning in de Verordening. Woningen die niet geschikt en bedoeld zijn om het gehele jaar te bewonen (zoals vakantiewoningen zonder gedoogvergunning, hotels en pensions) vallen niet onder het begrip ‘eigen woning’. Ook instellingen die gericht zijn op het verstrekken van zorg zijn geen woning. Verder geldt dat men normaal gebruik moet kunnen maken van de woning. Het gaat om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties (eten, koken wassen en slapen). Onder omstandigheden kan het normale gebruik van de woning zich uitstrekken tot de berging, de toegang tuin of balkon van de woning. Afhankelijk van de woonfunctie en het daadwerkelijke noodzakelijke gebruik daarvan kunnen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.

Verder is het zo dat bij de beoordeling van de aanvraag beperkende voorwaarden en/of weigeringsgronden aan de orde kunnen zijn. In dat kader wordt ook nog opgemerkt dat in de Verordening verschillende begrippen aan de orde kunnen zijn. Zo bepaalt de Verordening dat onder een woonvoorziening een woningaanpassing (als bedoeld in de wet) wordt verstaan maar ook een hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning. Deze begripsbepaling is van belang omdat een traplift niet als woningaanpassing kan worden gekwalificeerd. De Verordening bepaalt bijvoorbeeld dat het college bevoegd is om het primaat van verhuizen toe te passen in het geval de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een traplift. Ondersteuning bij het wonen bestaat uit het in staat stellen van de cliënt tot het normale gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. 10.2 Aanbrengen woningaanpassingen Met het inwerking treden van de Wmo 2015 is artikel 16 van de Woningwet geschrapt. De eigenaar van de woning moet een noodzakelijke woningaanpassing die door het college of de cliënt wordt aangebracht op grond van de Wmo 2015 accepteren. Dit om te voorkomen dat de eigenaar door het weigeren van toestemming een noodzakelijke aanpassing zou kunnen blokkeren.

Daarom regelt artikel 2.3.7 van de wet dat het college of de cliënt, zonder toestemming van de eigenaar van de woning als bedoeld in artikel 7:215 BW, de noodzakelijke woningaanpassing kan (laten) aanbrengen. Wel moet de woningeigenaar in de gelegenheid worden gesteld daarover zijn mening te geven. Dit geeft de woningeigenaar de gelegenheid om bij uitvoeringskwesties betrokken te zijn. In afwijking van artikel 7:216, eerste lid, BW hoeft de woningaanpassing bij het vertrek van de cliënt niet te worden verwijderd. In de Wmo 2015 brengt het college dan wel de cliënt de woningaanpassing aan. Het resultaat is echter gelijk aan de regels die voor 1 januari 2015 golden: de cliënt hoeft bij vertrek de woningaanpassing niet ongedaan te maken. Overleg Het is niet zo dat het college zonder overleg met de eigenaar een woningaanpassing aanbrengt. Het ligt in de rede - net als voor 1 januari 2015 het geval was - dat wel te doen. Derde-belanghebbende Verder wordt opgemerkt dat de woningeigenaar derde-belanghebbende kan zijn bij het toekennen van een woningaanpassing (vergelijk CRVB:2013:2716). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin het college of de cliënt zelf een woningaanpassing of woonvoorziening aanbrengen die in strijd is met bijvoorbeeld het vigerende Bouwbesluit.

57

10.3 Hoofdverblijf Artikel 7.1 van de Verordening Een woningaanpassing of een woonvoorziening in de vorm van een traplift wordt slechts verstrekt voor de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben. Het hoofdverblijf is de woning, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven. Ook kan het gaan om het feitelijke adres, als de cliënt een briefadres heeft. 10.3.1 Uitzondering hoofdverblijf Er is een uitzondering. In het geval van co-ouderschap waar het kind geen normaal gebruik kan maken van de woningen. Bij co-ouderschap delen de ouders de zorg voor het kind. In die situaties kan voor twee woningen een woningaanpassing en/of een traplift worden verstrekt. In het geval van losse hulpmiddelen wordt beoordeeld of één hulpmiddel voldoende is omdat het hulpmiddelen meegenomen kan worden naar de woning van de betreffende co-ouder. Alleen in geval van coouderschap kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden en niet in situaties waarin sprake is van een bezoekregeling tussen ouders. 10.4 Primaat van verhuizen Artikel 7.3 van de Verordening Omdat het college de goedkoopst passende bijdrage mag hanteren bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening kan het primaat van verhuizen worden toegepast.

Dat is het geval bij een aanvraag om een woningaanpassing en/of een traplift. 10.4.1 Kosten Het college neemt de volgende kosten in ieder geval mee in de overwegingen: a. het kostenverschil tussen de woningaanpassing en/of een traplift en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten. b. de huidige en voorzienbare aanpassingskosten en/of traplift van de reeds bewoonde woning; c. de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe beschikbare woning. Op basis van de kostenafweging kan het college besluiten om het primaat niet toe te passen maar de huidige woning aan te passen. Voor de cliënt die toch gaat verhuizen, wordt geen financiële tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten verstrekt (art. 7.3, tweede lid, van de Verordening). Ad. a. Het kostenverschil tussen bijvoorbeeld de woningaanpassing en de tegemoetkoming verhuiskosten en/of inrichtingskosten is van belang om te het primaat van de verhuizen toe te kunnen passen. Dat wil zeggen als deze tegemoetkoming goedkoper en ook adequaat is. Daarvoor zijn de afwegingsfactoren in 10.4.2 van deze beleidsregels ook van belang. Dat de cliënt graag in zijn huidige woning wil blijven wonen maakt, hoe begrijpelijk die wens ook kan zijn, niet dat het college, een gevraagde woningaanpassing moet verstrekken (bijv. CRVB:2022:477). Dit mede gelet op het kostenverschil.

Een aanzienlijk kostenverschil van is in ieder geval een bedrag € 8.000,00 (CRVB:2018:2602). Het spreekt voor zich dat er binnen een medisch aanvaardbare termijn wel een geschikte woning beschikbaar moet zijn. Ad b. Het kan voorkomen dat de cliënt op het moment van de beslissing op de aanvraag een relatief eenvoudige woningaanpassing en/of traplift is aangewezen. Maar dat het, gelet op de aard en prognose van de beperkingen, voor de hand ligt dat er op termijn nog een woningaanpassing en/of een traplift nodig zal zijn. Zeker wanneer aannemelijk is dat hier hoge kosten aan verbonden zijn of de woning zelfs niet meer geschikt zal zijn omdat deze niet kan worden aangepast. Het college zal moeten beoordelen of de toe te kennen woningaanpassing en/of traplift, in samenhang met de volgende voorzienbare maatwerkvoorziening, wel langdurig als passende bijdrage kan worden

58

No. 22.0002017 aangemerkt. Wat onder langdurig wordt verstaan laat zich niet makkelijk vertalen in tijd. Ingeval van woonvoorzieningen die niet zijn terug te draaien zonder hoge kosten, meestal een woningaanpassing, moet sprake zijn van langdurige beperkingen. Ad. c Het kan bijvoorbeeld ook zijn dat in de nieuwe beschikbare en op dat moment meest geschikte woning ook weer een aangepaste keuken of stalling voor de vervoersvoorziening moet worden gerealiseerd. Verder kan ook de beoordeling van het verstrekken van een losse woonunit aan de huidige woning aan de orde zijn als dat als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. Het ligt echter niet voor de hand omdat deze kosten vaak hoger zijn dan de eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning. 10.4.2 Afwegingsfactoren primaat van verhuizen Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen bij de toepassing van het primaat van verhuizen, omdat elke situatie anders kan zijn. De beleidsregels geven een overzicht van relevante factoren die daar, afhankelijk van de situatie, een rol bij kunnen spelen. Belangenafweging Aan de hand van de belangenafweging kunnen er zwaarwegende redenen zijn waardoor een uitzondering moet worden gemaakt op het verhuisprimaat. Voorbeelden waarin het college de belangen weegt zijn: 1.

Er blijkt uit medisch onderzoek een contra-indicatie voor verhuizen. Bijvoorbeeld als verwacht wordt dat een cliënt binnen een redelijke termijn niet zal aarden of vertrouwd zal kunnen geraken in de nieuwe woning of woonomgeving. Denk bijvoorbeeld aan een cliënt met dementie. 2. Er blijkt uit onderzoek dat de medische situatie van de cliënt zich verzet tegen een zoektijd/wachttijd naar een geschikte woning. Uit het medisch advies moet dan bijvoorbeeld blijken wat een medisch aanvaardbare termijn is waarbinnen de cliënt over een aangepaste/geschikte woning moet beschikken. Dat is afhankelijk van de individuele situatie. 3. De aanwezigheid van mantelzorg door mensen in de directe omgeving van de woning maakt het niet acceptabel dat de cliënt verhuist. Daarvan is sprake als de te verlenen mantelzorg wordt geleverd in een bepaalde intensiteit en een wezenlijke bijdrage leveren aan het behoud van de zelfredzaamheid van de cliënt met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dat is ook het geval als de mantelzorger zorg op grond van de Zvw of ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening overbodig maakt en duidelijk is dat de mantelzorg in zijn bestaande omvang en intensiteit bij een eventuele nieuwe woning niet (meer) kan worden verleend. 4.

De verhuizing leidt tot inkomstenderving doordat bedrijfsmatige activiteiten niet meer kunnen worden uitgeoefend of het verplaatsen van het bedrijf onredelijke kosten met zich meebrengt. Deze kosten kunnen voor de ondernemer in kwestie mogelijk wel aftrekbaar zijn op diens aangifte Inkomstenbelasting. Hierbij kan het gaan om de cliënt zelf maar ook zijn partner. 5. Er is een substantiële stijging van woonlasten verbonden aan de woning waar naar moet worden verhuisd (zie verder hierna). Woonlastenconsequenties woning Een nieuwe huurwoning kan een (aanzienlijke) stijging van de huurprijs met zich meebrengen. Deze huidige huurprijs wordt vergeleken met de huurprijs van de beschikbare woning rekening houdend met het recht op huurtoeslag en eventueel toename of afname van het wooncomfort. Het college beoordeelt in ieder geval of een eventuele huurlastenstijging voor de aanvrager en zijn eventuele echtgenoot redelijkerwijs niet aanvaardbaar zijn. Daarbij is het niet zo dat het hebben van erg lage woonlasten zonder meer betekent dat het primaat van verhuizen niet kan worden toegepast. Immers iedereen wordt geacht de toepasselijke basishuur te kunnen betalen van zijn eigen inkomen. Bij toewijzing van een woning wordt overigens door de woningbouwcoöperaties rekening gehouden met

59

de verhouding tussen het inkomen en de toe te wijzen woning qua huurprijs op grond van de Wet op de huurtoeslag (Wht). Het kan ook gaan om een koopwoning. Daarvoor gelden een aantal dezelfde uitgangspunten. Een stijging van de woonlasten die aan een eigen woning verbonden zijn hoeven dan ook niet in de weg te staan aan het toepassen van het primaat van verhuizen. Woonlastenconsequenties bij verhuizing eigen woningbezit Om de woonlastenconsequenties voor woningeigenaren te berekenen worden de netto woonlasten van deze eigen woning als volgt berekend:  Rente die verband houdt met de woning (netto hypotheeklasten),  Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom,  Opstalverzekering. Restschuld Toepassing van het primaat van verhuizen is niet toegestaan als de cliënt en/of de mede-eigenaar van de woning, bijvoorbeeld diens partner, met een aanzienlijke restschuld blijven zitten na de verkoop van de woning. Het college beoordeelt of daar sprake van is. 10.5 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid Artikel 7.4, eerste lid, van de Verordening Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt gericht op de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.

Denk bijvoorbeeld ook aan het verbreden van een toegangspad of toegangsdeur als dat gericht is op het kunnen uitvoeren van een elementaire woonfunctie en het opheffen of verminderen van problemen bij het normale gebruik van de woning. In dat kader wordt geen rekening gehouden met voorzieningen met een therapeutisch doel (bijvoorbeeld dialyseruimten, therapeutisch baden). Voor het gebruik van hobbyruimtes en/of studeerkamers worden in beginsel geen woonvoorzieningen verstrekt, omdat dit in het algemeen geen ruimtes zijn met een elementaire woonfunctie. Verwezen wordt naar de begripsbepalingen van een woning en het normale gebruik van de woning in artikel 1.1, eerste lid, van de Verordening. Gemeenschappelijke ruimte Omdat de cliënt zijn woning moet kunnen bereiken en/of de aan hem verstrekte vervoersvoorziening moet kunnen stallen, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de gemeenschappelijke ruimte (art. 7.4, derde lid aanhef en onder f, van de Verordening). 10.6 Specifieke criteria Artikel 7.4 tweede en derde lid van de Verordening Dit artikel van de Verordening bepaalt een aantal specifieke criteria voor het verstrekken van ondersteuning gericht op het wonen. Er zijn situaties opgenomen waaronder geen aanspraak bestaat of kan bestaan. In de meeste van deze bepalingen ligt het beginsel van de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt besloten.

Het gaat om situaties waarin:  Er geen dringende reden is om te verhuizen.  De cliënt zonder toestemming verhuist naar de niet meest geschikte en beschikbare woning.  De cliënt een woning bewoont die niet geschikt of bestemd is om het gehele jaar te bewonen.  De aanvraag betrekking heeft op de aard van de materialen in de woning.  De aanvraag gericht op renovatie of het in overeenstemming brengen met de eisen die aan de woning gesteld mogen worden. 10.7 Uitraasruimte Bepaalde stoornissen van cliënten met bijvoorbeeld een verstandelijk beperking (hyperactiviteit en moeilijkheden in het doseren van omgevingsprikkels), kunnen aanleiding geven tot problemen bij het verblijf in de woning. Deze problemen kunnen worden opgevangen door in de woning een

60

No. 22.0002017 uitraaskamer te realiseren. De voorwaarden (aangewezen zijn op) voor het verstrekken van een uitraaskamer zijn:  de cliënt beschadigt of zal zichzelf beschadigen (zelfverwonding),  de cliënt beschadigt of zal de omgeving beschadigen (vernielzucht),  er is sprake van ernstig ontremd gedrag (gedragsstoornis). Individueel gericht De uitraaskamer is bedoeld om de cliënt, die bovenstaande problemen ondervindt tegen zichzelf te beschermen. Immers een maatwerkvoorziening is in overwegende mate individueel gericht (art. 4.3 eerste lid aanhef en onder c van de Verordening). Ook worden de ouders/verzorgers hierdoor in staat gesteld beter toezicht uit te oefenen. Daarbij gaat het er om dat de uitraaskamer alleen het belang van de cliënt dient. Gaat het bij de gevolgen van de gedragsproblemen niet om de belangen van de cliënt, maar om die van anderen, bijvoorbeeld doordat zij bestaan uit hinder voor hen, dan is er geen sprake van een uitraasruimte. Doel uitraasruimte Het doel van de uitraaskamer is het tot rust kunnen komen van de cliënt. Daarom moet de ruimte prikkelarm en veilig zijn. Ook kan de uitraasruimte uitgerust worden met voorzieningen die toezicht door de ouders mogelijk maken. Uit het medisch advies (door een arts) moet blijken of de cliënt is aangewezen op een uitraasruimte én de eisen waaraan die ruimte moet voldoen.

Mogelijk dat het college ook kan volstaan met een aanpassing van een bestaande ruimte, bijvoorbeeld de slaapkamer van de cliënt. 10.8 Hulpmiddelen Onder hulpmiddelen worden roerende zaken verstaan die bedoeld zijn om beperkingen in de zelfredzaamheid of de participatie te verminderen of weg te nemen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het kan gaan om een roerende woonvoorziening zoals een douchestoel of een traplift. Of de cliënt in aanmerking komt voor een hulpmiddel, hangt mede af van de bouwkundige situatie van de woning en van de geobjectiveerde beperkingen van de cliënt in het normale gebruik van de woning. 10.8.1 Wettelijke afbakening hulpmiddelen Sinds 1 januari 2013 is de uitleen van hulpmiddelen onder de werking van de Zvw gebracht (Stcrt. 2012, nr. 14946). Of een verzekerde in aanmerking komt voor bepaalde hulpmiddelen via de uitleen is afhankelijk van de vraag of hij daar voor een beperkte of onzekere duur op is aangewezen (art. 2.12, tweede lid, van de Regeling zorgverzekering). Het gaat om rolstoelen, drempelhulpen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang. Staat op voorhand vast dat de cliënt voor onbeperkte duur is aangewezen op een dergelijk hulpmiddel wordt deze op grond van de Wmo 2015 verstrekt.

In de praktijk kan overigens nog steeds de zes-maandentermijn worden gehanteerd (2 x 3 maanden uitleen) zoals die gold tot 1 januari 2013. Zodra voor gebruik van het hulpmiddel moeten worden betaald, kan aanspraak bestaan op een maatwerkvoorziening. In het algemeen geldt dat als en voor zover de cliënt gebruik kan maken van de kosteloze uitleen, het tot zijn eigen verantwoordelijkheid behoort dat ook te doen. 10.8.2 Eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen De reden om de rollator en andere eenvoudige mobililiteitshulpmiddelen uit het basispakket van de zorgverzekering te halen is dat de verzekerden ook zelf een verantwoordelijkheid hebben en dat zij zorg waarvan de kosten te overzien zijn en die bij het dagelijks leven behoren, zelf worden geacht te kunnen dragen. Voorbeelden van eenvoudige mobiliteitshulpmiddelen zijn krukken, loophulpen met drie of vier poten, looprekken en rollators. Het college heeft daarvoor dan ook geen ondersteuningsplicht. Analoog aan de uitleg van artikel 15 PW (Participatiewet) zijn de eenvoudige mobiliteitmiddelen uit de AWBZ geschrapt, omdat deze voorzieningen, gezien de lage kosten en de duurzaamheid, voor eigen rekening komen. Er kan weliswaar - voor de problematiek in voorkomende gevallen - aanleiding zijn voor de noodzaak tot ondersteuning, maar de eenvoudige

61

mobililiteitshulpmiddelen zijn bewust door de wetgever uit de voorliggende wettelijke regeling gehaald. Het ligt dan ook niet op de weg van het college om op grond van de Wmo die voorzieningen te verstrekken. 10.8.3 Patiëntenliften Er zijn zowel losse (mobiele) als vaste patiëntenliften. Laatstgenoemde worden geplaatst middels een vloer-, muur- of wandbevestiging. Bij de beoordeling over de noodzaak van een dergelijke woonvoorziening worden de volgende factoren betrokken:  de te verwachten transfers,  de mogelijkheden van de cliënt/het kind,  de indeling van de woning en de aanwezige inrichtingselementen,  de beschikbare ruimte,  de noodzakelijke lichamelijke ondersteuning van de cliënt/het kind. 10.8.4 Douchehulpmiddelen, toilethulpmiddelen Losse hulpmiddelen voor gebruik in de "natte cel" en het toilet vallen onder de ondersteuningsplicht van het college. Voorbeelden zijn badzitjes, badplanken, douchestoel, douchewagens, douchebrancards, toiletstoelen. 10.9 Kindvoorzieningen Het verlenen van kindvoorzieningen valt onder de Wmo 2015 en niet onder de Jeugdwet. Voorbeelden zijn: speelvoertuigen, aangepaste driewielers en kruiphulpmiddelen. Deze maatwerkvoorzieningen hebben een ontwikkelingsgericht karakter en kunnen ook dienen als mobiliteitshulpmiddel. Driewielers Het college kan een driewieler verlenen die zonodig is aangepast aan de beperking van het kind.

Een driewieler kan, mede gelet op de hoogte van de kosten, wel als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Immers, tot vier jaar is het in ieder geval normaal dat een kind een driewieler of een fiets met zijwieltjes gebruikt, mits het natuurlijk een passende oplossing is voor de problematiek. Speelvoorzieningen Speelmobielen en vliegende Hollanders zijn maatwerkvoorzieningen gericht op het spelen en verplaatsen voor buiten (vervoersvoorziening). Deze speelvoorzieningen zijn sneller en wendbaarder dan handbewogen rolstoelen. Bovendien geeft het kinderen de mogelijkheid langere afstanden af te leggen. Het college beoordeelt ook hier of een speelvoorziening als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden gekwalificeerd. Kruipwagens en kruiphulpmiddelen Kinderen kunnen zich liggend of zittend op deze hulpmiddelen voortbewegen. Ze zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Het gaat vaak om hulpmiddelen die op grond van de Zvw verstrekt worden. 10.10 Woningaanpassing Aanpassingen in de keuken zijn mogelijk, tenzij deze kosten zonder meerkosten kunnen worden meegenomen in de bouw. Wel kan van de cliënt en zijn partner en/of huisgenoten worden gevergd dat de taakverdeling wordt aangepast.

Uit jurisprudentie blijkt dat, wanneer activiteiten ook door andere gezinsleden kunnen worden gedaan zoals het in- en uitladen van de wasmachine, er geen ondersteuningsplicht voor het college is (CRVB:2006:AV3943). Alleen met de door het college verleende toestemming kan worden begonnen met de werkzaamheden van de woningaanpassing. Het spreekt voor zich dat de woningaanpassing binnen het programma van eisen wordt uitgevoerd. Nadat de werkzaamheden zijn voltooid controleert het college dat aan de hand van bescheiden en tekeningen die betrekking hebben op de woningaanpassing.

62

No. 22.0002017 Na de voltooiing van de werkzaamheden zal de woningeigenaar of huurder binnen 15 maanden een gereedmeldingsformulier met facturen van de werkzaamheden in moeten leveren. Dan kan de definitieve hoogte van het pgb worden opgemaakt. Bij de gereedmelding moet door de cliënt ook een verklaring worden bijgevoegd waaruit blijkt dat is voldaan aan de voorwaarden waaronder het pgb is verstrekt. De gereedmelding wordt tevens beschouwd als een verzoek om vaststelling en uitbetaling van het pgb. 10.11 Zich verplaatsen in en om de woning Artikel 7.5 van de Verordening Met het oog op het zich verplaatsen in en om de woning kan een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik worden verstrekt. Bij het verstrekken van een rolstoel gaat het om cliënten met geen of onvoldoende loopcapaciteit. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand niet in staat is om korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen. Hoewel een rolstoel strikt genomen geen vervoersvoorziening is, kan daar in het kader van deelname aan het maatschappelijk verkeer wel rekening mee worden gehouden. Immers kan de cliënt een (elektrische) rolstoel ook gebruiken (of kunnen gebruiken) voor lokale verplaatsingen in de directe woon-en leefomgeving. Incidenteel rolstoelgebruik Een rolstoel voor incidenteel gebruik is niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk.

Doorgaans wordt deze gebruikt als de cliënt zich elders moet verplaatsen (wat zonder rolstoel niet kan), zoals tijdens een uitstapje of ziekenhuisbezoek. Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor beschikbare uitleendepots op grond van de Zvw of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen, in het winkelcentrum, bij ziekenhuizen en dergelijke. Selectie van een rolstoel Bij de selectie van een rolstoel door de aanbieder wordt gekeken naar de volgende factoren: a. Het gebruik b. Het gebruiksgebied c. De aandrijving  door middel van het eigen lichaam  door het bedienen van een aandrijfmechanisme  voortduwen door anderen d. De zithouding en de eisen aan de ondersteuning e. De meeneembaarheid f. Antropometrische gegevens 10.12 Rolstoelen Er zijn verschillende soorten rolstoelen te onderscheiden:  handbewogen rolstoelen;  elektrische rolstoelen;  kinderrolstoelen;  stoelen op wielen. 10.12.1 Handbewogen rolstoelen Bij de handbewogen rolstoelen is een onderscheid mogelijk tussen zelfbewegers en duwrolstoelen. Voor zelfbewegers is een goede arm- en handfunctie van de cliënt noodzakelijk en een redelijk uithoudingsvermogen. Zelfbewegers hebben kleine wielen voor en grote wielen met hoepels achter.

Voor degene die slechts in één hand of arm een sterke functie hebben zijn rolstoelen ontwikkeld die aan één kant voortbewogen kunnen worden. Duwrolstoelen hebben over het algemeen vier kleine wielen.

63

10.12.2 Elektrische rolstoelen Bij elektrische rolstoelen kan het gaan om rolstoelen met zogenaamde joystick-besturing, computergestuurde rolstoelen, sta-rolstoelen of plateaurolstoelen. Onderscheid kan worden gemaakt tussen:  elektrische rolstoelen voor binnenshuis: compact, wendbaar, kleine wielen;  elektrische rolstoelen voor buitenshuis: groot, grote actieradius, stabiel, grote wielen. Onder omstandigheden kan deze rolstoel in aanmerking komen als vervoersvoorziening en kan een korting gelden op de financiële tegemoetkoming voor vervoer;  rolstoel voor zowel binnens- als buitenshuis: een combinatie van kenmerken van de binnen- en buitenrolstoelen. De verstrekking is afhankelijk van de afmetingen van de woning, rijvaardigheid van de cliënt en het gebruiksgebied. 10.12.3 Kinderrolstoelen Voor kinderen spelen andere behoeftes ook een belangrijke rol, te weten: veiligheid, nabijheid moeder/vader, beweging, ontdekken van en deelname aan alle facetten van het gezinsgebeuren en daarbuiten. De rolstoel moet makkelijk mee te nemen zijn voor gebruik binnenshuis. Verder moeten de kinderrolstoel zeer wendbaar zijn en tegen een stootje kunnen. Aan lichtgehandicapte kinderen, die nog niet aan een rolstoel toe zijn kan een aangepaste buggy verstrekt worden. Aangezien deze buggy's relatief weinig ondersteuning bieden, zijn ze bedoeld voor kinderen met een redelijke spierfunctie.

Een aangepaste buggy wordt voor een kind in de leeftijd tot en met drie jaar niet als algemeen gebruikelijk beschouwd en wordt afhankelijk van de aard van de beperking verstrekt. Bij kinderrolstoelen is een aantal aspecten van bijzonder belang:  Een aantal voorzieningen wordt in principe standaard aangebracht: anti-kiepwieltjes, duwhandvatten (verstelbaar in hoogte) en spaakbeschermers.  Belangrijk is dat de groei van de rolstoelgebruiker kan worden opgevangen door het rolstoelsysteem. Dit kan door rolstoelsystemen met de volgende nastelbare onderdelen: zitbreedte, zitdiepte, beenlengte, zit-, rug- en armhoogte. Bij levering van rolstoelen aan kinderen wordt hiermee rekening gehouden.  Vanuit therapeutisch oogpunt kan het belangrijk zijn dat kinderen niet de hele dag in een rolstoel zitten maar van tijd tot tijd rechtop kunnen staan en zich staand kunnen voortbewegen. Het zitgedeelte valt onder de Wmo. Vanwege alleen het therapeutische doel van het sta-gedeelte komt dit niet voor vergoeding in het kader van de Wmo in aanmerking, eventueel wel voor vergoeding vanuit de Zvw. In voorkomende gevallen neemt het college contact op met de betreffende zorgverzekeraar om de mogelijkheid van een gezamenlijke financiering te bespreken.

Vergroot een sta-op rolstoel voor een kind ook de deelname aan het leven van alle dag, dan is verstrekking op grond van de Wmo wel mogelijk (CRVB:2010:BL8894). 10.12.4 Stoelen op wielen Deze stoelen worden ook wel werkstoel of trippelstoel genoemd. Deze stoelen vallen in principe niet onder de ondersteuningsplicht van het college, aangezien het primair gaat om een combinatie van een sta-, zit- en loopvoorziening en niet om een verplaatsingsvoorziening. De cliënt verplaatst zich namelijk zonder hulpmiddelen, bijvoorbeeld door met zijn voeten af te zetten (trippelen). Een trippelstoel valt onder de Zvw. Ook een aangepaste kinderstoel met bijvoorbeeld een zitkuipje en verplaatsbaar middels kleine wielen kan hieronder vallen. Er wordt enkel tot verstrekking overgegaan als een dergelijke stoel als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 10.12.5 Aanpassingen aan rolstoelen Aanpassingen zijn noodzakelijke maatwerkvoorzieningen om de rolstoel een adequate voorziening te laten zijn. Rolstoelen zijn in diverse maatvoeringen leverbaar. Toch zijn dan nog vaak individuele aanpassingen nodig. Een deel hiervan kan gerealiseerd worden door standaardcomponenten aan de rolstoel toe te voegen. Een ander deel moet individueel en op maat gemaakt worden.

64

No. 22.0002017 Deze aanpassingen vinden plaats bij handbewogen, duw en elektrische rolstoelen, voor zowel kinderen als volwassenen. Een onderscheid in aanpassingen is: a. Zit-, rug- en ondersteuningsdelen. Dit is in het bijzonder van belang voor cliënten die de hele dag of een groot deel van de dag in een rolstoel zitten. Het kan dan gaan om zit-orthesen (op maat gemaakte zitkuip, op een onderstel kunnen meerdere maten van kuipen geplaatst worden), rugsteunen, fixatiegordels, kantel- en zithoekverstellingen, speciale arm-, hoofd- en beenondersteuningen, anti-decubituskussens, werkbladen voor ondersteuning of activiteiten aan de rolstoel. b. Rijgedeelte. Het gaat hierbij onder andere om verzwaring van het frame, aandrijving van de wielen en eventueel motoren, rubber hoepelovertrekken of hoepels met extra tussenruimte, kogelkoppen of staafjes bij handbewogen rolstoelen om een goede greep mogelijk te maken. c. Bediening en/of besturing. Te denken valt aan het mogelijk maken van besturing door middel van voet, mond of kin. 10.12.6 Rolstoelaccessoires Accessoires zijn extra’s die, in tegenstelling tot aanpassingen, in principe niet noodzakelijk zijn om de rolstoel op zich een adequate voorziening te laten zijn.

Hiertoe behoren: rolstoelhandschoenen, regenpakken, bagagetas of boodschappennet dat aan de rolstoel bevestigd kan worden, been- en voetenzak, winterbekleding, asbak, overtrekhoezen om de rolstoel tegen neerslag te beschermen, spaakbeschermers en zonneschermen voor buggy’s en wandelwagens. Voorwaarden Rolstoelaccessoires vallen onder de ondersteuningsplicht van het college voor zover deze noodzakelijk zijn voor dagelijks gebruik van de rolstoel. Het kan dan gaan om bijvoorbeeld: een beenen voetenzak, winterbekleding, spaakbeschermers, of een zonnescherm wanneer er sprake is van allergie. Aard van de verstrekking Bij een maatwerkvoorziening in natura worden noodzakelijke rolstoelaccessoires verstrekt door de aanbieder (leverancier). De kosten komen direct voor rekening van de gemeente. Net als voor de rolstoel, zijn cliënten geen eigen bijdrage verschuldigd voor rolstoelaccessoires. Indien de cliënt zelf accessoires aanschaft voor de in bruikleen ontvangen maatwerkvoorziening, dan moeten deze accessoires geplaatst en verwijderd kunnen worden zonder de maatwerkvoorziening te beschadigen. 10.12.7 Kosten rolstoeltraining Net als bij een scootmobiel kunnen, als het onduidelijk is of de cliënt wel gebruik kan maken van een rolstoel, rijvaardigheidslessen (gewenning) noodzakelijk zijn.

Een ergotherapeut kan beoordelen of de cliënt kan leren om gebruik te maken van de rolstoel (of scootmobiel). In andere gevallen wordt ervan uitgegaan dat een korte instructie van de rolstoelleverancier voldoende is en bij de prijs is inbegrepen.

Hoofdstuk 11 Ondersteuning deelname maatschappelijk verkeer Artikel 5.2 en hoofdstuk 8 van de Verordening 11.1 Inleiding Deelname aan het maatschappelijk verkeer heeft betrekking op het zich lokaal kunnen verplaatsen. Onder lokaal wordt volgens de Verordening 15 tot 35 kilometer rondom de woning verstaan. Afwijken hiervan kan alleen als de cliënt bepaalde basisvoorzieningen niet kan bereiken. Daaronder vallen bijvoorbeeld winkels voor het doen van boodschappen, een zwembad en het ziekenhuis. Ook moet het lokale vervoer aansluiten op Valys. In de praktijk kunnen cliënten basisvoorzieningen en Valys

65

bereiken. Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken voor het zich lokaal verplaatsen over de korte en de langere afstand. Voor de langere afstand (middellange afstand) hanteert het college in principe het primaat van de Regiotaxi (zie verder hierna). 11.2 Beoordelingskader vervoersbehoeften en vervoersmogelijkheden Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag beoordeelt het college of de cliënt is aangewezen op ondersteuning bij zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer. Een te verstrekken vervoersvoorziening is afhankelijk van de vervoersbehoefte en andere geschikte en beschikbare oplossingen. Denk in dat kader bijvoorbeeld aan:  Gebruikelijke hulp,  Mantelzorg of hulp van de andere personen uit het sociale netwerk,  Gebruikmaking van de scootmobielpool (algemene voorziening). Beoordeling Bij de beoordeling van de aanvraag om een (collectieve) vervoersvoorziening worden de volgende zaken meegenomen: a. Mobiliteit:  maximale loopafstand op goede dag;  maximale loopafstand op slechte dag;  gebruik algemeen gebruikelijk loophulpmiddel: (rollator, wandelstok, kruk, etc.);  gebruik rolstoel/scootmobiel: (type, bijv. elektrische rolstoel);  in staat gebruik te maken van de scootmobielpool. Denk met name aan de beschikbaarheid van een scootmobiel en geschiktheid gelet op de vervoersbehoefte (omvang en frequentie). b.

Organisatie en hulp (meegaan) van de reis:  kan zonder hulp met het OV;  kan met hulp (meegaan) in het OV, zonder hulp met de taxi;  kan met hulp (meegaan) in het OV en met hulp met de taxi;  kan alleen met hulp (meegaan) met de taxi. De cliënt zorgt zelf voor iemand die met hem meegaat. 11.3 Het verplaatsingsmotief en de verplaatsingsbestemming De vervoersbehoefte van de cliënt wordt onderzocht aan de hand van de volgende kenmerken: a. verplaatsingsgedrag; b. het verplaatsingsmotief (waarom); en c. de verplaatsingsbestemming (waarheen). Zoals gezegd is de ondersteuningsplicht van het college voor deelname aan het maatschappelijk verkeer gericht op het zich lokaal verplaatsen zodat de cliënt:  winkels kan bereiken,  sociale contacten kan onderhouden, en  deel kan nemen aan maatschappelijke activiteiten. Onder maatschappelijke activiteiten vallen bijvoorbeeld: het bezoeken van clubs en sociaal-culturele of religieuze instellingen. Recreatie Recreatieve verplaatsingen kunnen deel uitmaken van het dagelijkse patroon van het leven van alledag. In dat geval wordt met het verstrekken van een vervoersvoorziening ook met deze bestemmingen rekening gehouden. Een vervoersvoorziening die uitsluitend wordt aangevraagd met het oog op recreatie en ontspanning, wordt echter niet in het kader van de Wmo verstrekt.

11.4 Bovenlokaal vervoer Het college is alleen verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening gericht op het zich lokaal kunnen verplaatsen (CRVB:2018:1972, CRVB:2018:1961). Dat betekent ook dat het

66

No. 22.0002017 onderzoek naar de vervoersbehoefte alleen gericht is op de lokale verplaatsingen. Het lokale vervoer moet wel aansluiten op het gebruik kunnen maken van Valys. Valys Voor bovenlokale verplaatsingen kan gebruik worden gemaakt van Valys (beschikbaar vanaf 5 OVzones vanaf het woonadres). Met Valys kan een reis van deur tot deur geboekt worden, waar het gebruik van taxi mogelijk gecombineerd kan worden met openbaar vervoer of aanvullend openbaar vervoer. Elke pashouder ontvangt een persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarnaast kent Valys een hoog persoonlijk kilometerbudget per jaar. Daarvoor is een indicatie nodig. 11.5 Primaat Regiotaxi De Regiotaxi is collectief aanvullend openbaar vervoer. De Regiotaxi is in principe geschikt voor de lokale middellange afstanden. Deze afstanden gaan doorgaans over het bereiken van bestemmingen waarvoor afspraken gemaakt kunnen worden met derden; het zijn gerichte bestemmingen waarvoor de Regiotaxi kan worden gereserveerd (bijv. CRVB:2019:3669). Het spreekt voor zich dat de Regiotaxi als passende bijdrage kan worden aangemerkt. Dat is het geval als:  de cliënt daar - medisch gezien - gebruik van kan maken, al dan niet met begeleiding. Heeft de cliënt (medische) begeleiding nodig bij dat vervoer, dan moet hij daarin beginsel - zelf zorg voor dragen.

Bij het bezit van een begeleiderspas, heeft de begeleider gratis toegang voor het collectief vervoer.  En of de Regiotaxi geschikt is voor de verplaatsingen gelet op de vervoersbehoefte en frequentie daarvan. Voor gebruikmaking van de Regiotaxi geldt ook dat het hebben van enige wachttijd niet zodanig bezwarend is dat daardoor niet meer gesproken kan worden van een passende bijdrage (bijv. CRVB:2019:1330). Heeft de cliënt een lokale vervoersbehoefte op de korte én middellange afstand, dan kunnen twee vervoersvoorzieningen zijn aangewezen. Niet gezamenlijk kunnen reizen Bij gebruikmaking van de Regiotaxi kan het voorkomen dat het gezin niet gezamenlijk kan reizen. Op zichzelf genomen is het voorstelbaar dat een dergelijke wens bestaat en dat het voor een gezin prettiger en gemakkelijker is om samen te reizen. Uit de jurisprudentie blijkt echter dat het niet samen kunnen reizen niet betekent dat de Regiotaxi niet als passende bijdrage kan gelden. Gebruik maken van de Regiotaxi betekent namelijk niet dat het onmogelijk is om een gezamenlijke bestemming te bereiken (bijv. CRVB:2018:1487 en vergelijk CRVB:2014:2101). Betreft het een minderjarig kind met beperkingen kan het college een uitzondering maken op het primaat van de Regiotaxi. Hardheidsclausule Om af te wijken van het primaat van de Regiotaxi kan onder zeer bijzondere omstandigheden de hardheidsclausule worden toegepast.

Het gaat er in voorkomende gevallen om dat er bij de cliënt ten opzichte van de personenkring die gebruik maakt (kan maken) van de Regiotaxi bijzondere omstandigheden zijn aan te wijzen waarom het college onder toepassing van de hardheidsclausule moeten afwijken van het primaat. Deze omstandigheden moeten door de cliënt worden gesteld en zonodig desgevraagd worden onderbouwd. Aard van de beperkingen en bezit van eigen (aangepaste) auto Het hanteren van het primaat van de Regiotaxi kan ook zijn toegestaan bij progressieve aandoeningen. Het kan in voorkomende gevallen aannemelijk zijn dat een autoaanpassing (of verdere aanpassingen) op zichzelf wel aangewezen kunnen zijn, maar dat het duidelijk is dat de eigen (aangepaste) auto binnen afzienbare termijn niet meer kan worden gebruikt. Deze overweging heeft ook betrekking op het kostenaspect (goedkoopst passende bijdrage).

67

Ritbijdrage Regiotaxi Voor het gebruik van het OV is iedereen - ongeacht het hebben van beperkingen - een gebruikelijk OV-tarief verschuldigd. Gebruikers van de Regiotaxi zijn in dat kader een de zogeheten ritbijdrage verschuldigd. 11.6 Beleidsuitgangspunten Het college hanteert verder de volgende beleidsuitgangspunten. Gebruiken en bereiken regulier Openbaar Vervoer Kan de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer gebruiken, dan heeft het college geen ondersteuningsplicht. Bij de beoordeling van de aanspraak onderzoekt het college of de cliënt het reguliere Openbaar Vervoer kan bereiken al dan niet met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Dat wil zeggen te voet, met een (elektrische) fiets, brommer of met de bus. Voor wat betreft het bereiken is het redelijk om uit te gaan van de vraag of de cliënt een afstand van 800 meter in 20 minuten kan afleggen (CRVB:2012:BX7649). Mogelijk kan dat met een loophulpmiddel zoals een rollator. Het spreekt voor zich dat dit ook afhankelijk kan zijn van de afstand waarbinnen zich een opstaphalte voor de bus bevindt. Het kan dan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt die afstand kan overbruggen met een voor de cliënt algemeen gebruikelijk vervoermiddel. Bushaltes zijn over het algemeen opgehoogd en mogelijk zijn ook lage instapbussen beschikbaar eventueel met een uitklapbare oprijplaat.

Bij de beoordeling wordt ook rekening met de cognitieve of visuele beperkingen of een gedragsstoornis van de cliënt. Algemeen gebruikelijke voorziening Bij de beoordeling van de aanspraak op een vervoersvoorziening wordt bezien of een algemeen gebruikelijke voorziening zoals bijvoorbeeld een elektrische fiets of brommer een adequaat vervoermiddel is voor de cliënt. Zie 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening van deze beleidsregels. Beschikbare voorzieningen Het kan voorkomen dat een cliënt een (extra) vervoersvoorziening aanvraagt terwijl met de tot zijn beschikking staande vervoersvoorzieningen wordt voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:2123). Vervoer in verband met vrijwilligerswerk In geval van vrijwilligerswerk voor maatschappelijke organisaties ligt het in de eerste plaats op de weg van die organisaties om de vrijwilligers in staat te stellen dat werk te doen. Dat wil zeggen om op zijn minst een redelijke bijdrage in hun eventuele (reis)kosten te leveren (CRVB:2004:AO4037 en CRVB:2018:1961). Dit betekent overigens wel dat het college kan afwijken van dit beleidsuitgangspunt als daar in het individuele geval aanleiding voor is.

Andere wettelijke aanspraak Artikel 4.3, tweede lid onder a, van de Verordening Volgens dit artikel is het college in principe niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken als aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke aanspraak waarmee een gelijk doel kan worden bereikt als met de maatschappelijke ondersteuning. In voorkomende gevallen behoort het tot de eigen verantwoordelijkheid (eigen kracht) van de cliënt om de aanspraak naar volle vermogen te gelde te maken. Het moet gaan om een werkelijke aanspraak en daarmee een afdwingbaar recht. Hieronder staan een aantal voorbeelden genoemd. Ziekenvervoer Op grond van de Zvw bestaat aanspraak op ziekenvervoer als de cliënt onder de doelgroep valt of met succes een beroep kan doen op de hardheidsclausule. Het gaat om verzekerden die nierdialyses, oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moeten ondergaan, zich uitsluitend per rolstoel kunnen verplaatsen of het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat zij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Ook ambulancevervoer valt onder de Zvw. Het college mag van de cliënt

68

No. 22.0002017 verwachten dat bij de zorgverzekeraar wordt verzocht om een schriftelijk gemotiveerde afwijzing van een aanspraak op ziekenvervoer. Daaronder wordt ook een vergoeding van de reiskosten verstaan. Medisch vervoer Is vastgesteld dat er geen aanspraak bestaat op ziekenvervoer op grond van de Zvw, dan is een bezoek aan het ziekenhuis, huisarts of ander 'medisch vervoer' onderdeel van een lokale vervoersbehoefte (CRVB:2010:BL4037) Het feit dat de cliënt met de Regiotaxi - in geval van een medische spoedsituatie - niet of niet tijdig in het ziekenhuis kan komen vormt geen reden om het primaat niet toe te passen (vergelijk CRVB:2014:2101). De ondersteuningsplicht van het college is namelijk gericht op lokale (sociale) verplaatsingen. Verplaatsingen in verband met medische spoedsituaties vallen daar niet onder. Leefvervoer WIA Op grond van de Wet inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan aanspraak bestaan op een zogeheten leefvervoersvoorziening (art. 35, derde lid, WIA). Doelgroep leefvervoersvoorziening Allereerst moet vaststaan dat aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening (art. 35, tweede lid onder a, van de WIA).

Die kan worden verstrekt aan de persoon met een structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten, of die scholing of opleiding in het kader van de bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces volgt of gaat volgen of arbeid op een proefplaats verricht of gaat verrichten. De vervoersvoorziening is nodig voor verzekerden om de werkplek of opleidingslocatie te bereiken. Dit in het kader van arbeidsintegratie. Er zijn personen die zijn uitgesloten, waaronder zij die werkzaam zijn als werknemer in de zin van de Wet sociale werkvoorziening. Leefvervoersvoorziening De zogeheten leefvervoersvoorziening kan worden verstrekt aan de verzekerde aan wie een vervoersvoorziening is toegekend (art. 35, derde lid, van de WIA). De leefvervoersvoorziening heeft een functie in de leefsfeer net als in de Wmo (CRVB:2012:BV9433). Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager deze leefvervoersvoorziening aan te vragen en de gelden in te zetten waarvoor zij bestemd zijn. Verzekerden met een hoog inkomen hebben overigens geen aanspraak op deze WIA- voorziening omdat er een inkomensgrens van toepassing is. Dit betekent dat het college op die grond een aanvraag niet mag afwijzen omdat het hanteren van inkomensgrenzen onder de Wmo 2015 - net als onder de Wmo - niet is toegestaan.

Vervoer onderwijs Er kan aanspraak bestaan op vervoer van en naar school op grond van de Verordening Leerlingenvervoer. Het UWV kan vergoedingen en hulpmiddelen verstrekken voor leerlingen en studenten met een ziekte of handicap. 11.7 Omvang lokale vervoersbehoefte Uit de vaste jurisprudentie van de CRvB blijkt dat voor de omvang in kilometers in verband met de lokale vervoersbehoefte in beginsel mag worden uitgegaan van 1500-2000 kilometer per jaar (CRVB:2018:1961, CRVB:2012:BV7463). Dit uitgangspunt is ook neergelegd in de Verordening. Maatwerk Het college kan afwijken van deze norm. Dat kan zowel naar beneden als ook naar boven zijn. De noodzaak van kilometers boven deze algemene norm moet door de cliënt wel aannemelijk worden gemaakt. Is dat het geval, dan zal het college daar onderzoek naar moeten doen. Dit is ook neergelegd in de Verordening.

69

Ernstig beperkte mobiliteit en vervoersbehoefte voortvloeiend uit zorgtaken Bij een cliënt met beperkingen die uiterst beperkt mobiel is, moet in beginsel mede de vervoersbehoefte die voortvloeit uit zorgtaken voor minderjarige kinderen worden betrokken (vergelijk CRVB:1998:AA8703). Dit kan betekenen dat de Regiotaxi zich niet als passende bijdrage laat kwalificeren. Daarbij wordt overigens wel rekening gehouden met de bijdrage die van de andere ouder en/of andere daarvoor in aanmerking komende personen redelijkerwijs kan worden gevergd (vergelijk CRVB:2010:BM7989). Dergelijke overwegingen spelen een rol bij een totale vervoersbehoefte waarvoor meerdere voorzieningen aangewezen kunnen zijn. Onder uiterst beperkt mobiel wordt een loopafstand van minder dan 100 meter verstaan. 11.8 Soorten vervoersvoorzieningen Er zijn verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die het college kan verstrekken zoals vervoersvoorzieningen en een gebruikerspas voor de Regiotaxi. Onder vervoersvoorzieningen vallen bijvoorbeeld een:  scootmobiel,  fietsvoorziening, of  autoaanpassing. Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. 11.8.1 Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 in beginsel niet relevant (CRVB:2020:2644).

Het is echter wel zo dat het college bij de vraag welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid of participatie rekening moet houden met: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt (art. 2.3.2, eerste lid onder a, van de wet). De maatwerkvoorziening moet immers zijn afgestemd op de individuele omstandigheden en mogelijkheden van de aanvrager (art. 2.3.5, derde lid, van de wet). Daaronder valt bijvoorbeeld de wens voor een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) in plaats van een scootmobiel in het geval de beperkingen van de cliënt zijn afgenomen. Eenvoudig gezegd: een scootmobiel zou tot overcompensatie kunnen leiden en daarmee geen passende bijdrage vormen (RBLIM:2021:1824). Een driewielfiets (al dan niet met hulpmotor) kan primair gericht zijn op het oplossen van de beperkingen in de mobiliteit en secundair op het verbeteren van conditie (gezondheid). Een (gevraagde) maatwerkvoorziening kan een medisch of therapeutisch doel hebben maar ook als doel hebben de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie te compenseren (CRVB:2021:1595). Opgemerkt wordt dat het oplossen van het mobiliteitsprobleem voor woonwerkverkeer buiten de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. 11.8.2 Scootmobiel Een scootmobiel is een open elektrische buitenwagen bestemd voor gebruikers met een matige tot slechte sta- loopfunctie.

De scootmobiel is bedoeld voor lokale verplaatsingen in de directe omgeving van de woning, het onderhouden van sociale contacten, het doen van boodschappen, et cetera. Het gaat in ieder geval om situaties waarbij gebruik van bijvoorbeeld de algemene voorziening scootmobielpool geen passende oplossing is. Een scootmobiel wordt alleen verstrekt als:  er sprake is van een zekere sta- en loopfunctie, ook gelet op het kunnen maken van transfers,  de cliënt een beperkte loopafstand heeft en gelet op de beperkingen en de vervoersbehoefte op de korte afstand (directe omgeving) is aangewezen op een scootmobiel (CRVB:2021:3222),  er niet op een andere wijze kan worden voorzien in deze vervoersbehoefte zoals met een hand- of duwstoel of een aangepaste (niet algemeen gebruikelijke) fiets,  de maatwerkvoorziening collectief vervoer alleen niet in de lokale vervoersbehoefte kan voorzien (geen passende bijdrage),  de cliënt zelf het voertuig veilig kan bedienen en besturen (eventueel vaststellen met een rijvaardigheidstest),

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1996/documents/33119