D07 02 Bijlage bij Nota -Woondeals-Flevo-Zund.pdf
Tekst van het document
Regionale woondeal ZUND-gemeenten
Partijen: Provincie Flevoland Gemeente Zeewolde Gemeente Urk Gemeente Noordoostpolder Gemeente Dronten Waterschap Zuiderzeeland Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Woningcorporaties (steunverklaring)
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 2
Kaart met regionale woningbouwopgave en woningbouwlocaties van desbetreffende woondealregio. Warm welkom door onze ambassadeurs
600 4
Emmelhage
1650 Urk
5
Emmeloord Dr. Jansen terrein
6
Zeeheldenwijk
700 Swifterbant
1500
2
1
Swifterbant Zuid
Dronten
Hanzekwartier
Lelystad
Biddinghuizen
De Graafschap
500 3
1500
Almere Zeewolde
7 GEO-FL-230025
Polderwijk
500 Esri Nederland, Community Map Contributors Aantal woningen plancapaciteit 2030
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 3
1. Overwegingen • Om het woningtekort terug te dringen tot een gezonder evenwicht, wordt met het programma Woningbouw nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot en met 2030. Om dit te realiseren wordt gestreefd naar de groei tot 100.000 nieuwbouwwoningen per jaar vanaf 2024. Daarbij is het streven dat ten minste twee derde van de nieuwbouwwoningen betaalbaar zijn. Daarom is nationaal de bouw van 250.000 sociale corporatiewoningen en 350.000 woningen in het middensegment (middenhuur waarvan 50.000 door woningcorporaties, en koopwoningen onder de 355.000 euro) nodig. Gemeenten, provincies en Rijk maken samen afspraken over ieders aandeel in het behalen van deze doelstellingen. De nationale opgave is vastgesteld in de Nationale Woon- en Bouw Agenda en de onderliggende programma’s en is uitgewerkt in wederkerige bestuurlijke afspraken op provinciaal niveau en in deze Woondeal op regionaal niveau. • Met provincie Flevoland zijn in oktober 2022 afspraken gemaakt over het provinciale aandeel in de Nationale opgaven. Deze opgave is in bijlage 4 gevoegd. In deze woondeal wordt een doorvertaling gemaakt van deze afspraken naar gemeenten. • Met deze woondeal worden de krachten van de verschillende overheidslagen gebundeld met als doel het versnellen en behouden van voldoende (betaalbare) woningbouw in de regio.
Hiertoe leggen het Rijk, de provincies en de gemeenten hun wederzijdse verantwoordelijkheden en inspanningen vast en erkennen zij wederzijds de in deze woondeal opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven en de randvoorwaarden die moeten worden ingevuld om deze afspraken tot realisatie te (kunnen) brengen. De bouw van woningen hangt samen met tal van andere ruimtelijke en volkshuisvestelijke opgaven, waaronder borgen van de betaalbaarheid van opgeleverde nieuwbouw en de bestaande voorraad. Via de Woondealoverleggen (bijlage 5 governance) kunnen knelpunten binnen deze opgaven vanuit rijk en regio geagendeerd worden, om gezamenlijk het gesprek te voeren en naar oplossingen te zoeken. Indien hiervoor andere gremia zijn, wordt in gezamenlijkheid bekeken waar de regionale context en betrokkenheid daarin worden meegenomen. De langere horizon van deze afspraken (tot en met 2030) vereist ook realisme en aanpassingsvermogen als • de omstandigheden wijzigen en als randvoorwaarden niet (geheel, of niet tijdig) kunnen worden ingelost. De bouw van woningen behelst niet alleen een ruimtelijke, maar ook een sociaal-maatschappelijke puzzel en is daarmee complex, tijdrovend en kostbaar. Daarnaast is het een uitdaging voor de overheid en bouwsector om aan de benodigde mensen te komen voor de uitvoering van de gemaakte plannen en de talrijke belemmeringen het hoofd te bieden.
We moeten er dan ook samen alles aan doen om de opgave te realiseren. We bespreken frequent de voortgang van de realisatie van de woningbouw en ondernemen in een vroegtijdig stadium actie als de voortgang daarvoor aanleiding geeft. • De Nationale Woon- en Bouwagenda en de daartoe behorende afspraken zoals deze regionale Woondeal zijn tot stand gekomen in tijden van onzekere (externe) maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Daarnaast werkt het Rijk aan aanvullende wet- en regelgeving waarmee het Rijk meer regie pakt voor de volkshuisvesting (Wet versterking Regie op de Volkshuisvesting). Ook zijn in de Nationale Prestatieafspraken namens de woningcorporaties voorbehouden gemaakt. Partijen houden er rekening mee dat deze omstandigheden of voorbehouden ertoe kunnen leiden dat deze regionale Woondeal moet worden aangepast.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 4
Regionale context • Flevoland bestaat uit een drietal polders en is daarmee een entiteit op zichzelf. De ZUND-regio beslaat al deze polders: Noordoostpolder met de gemeenten Noordoostpolder en Urk, Oostelijk Flevoland met de gemeente Dronten en Zuidelijk Flevoland met de gemeente Zeewolde. De steden en dorpen in Flevoland zijn in hoog tempo gepland en gebouwd door de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders en de gemeenten. In deze snelle ontwikkeling van de steden en dorpen (de zogenoemde ‘new towns’) zijn voorzieningen zoals recreatiemogelijkheden, culturele hotspots en onderwijs achtergebleven bij de groei van het aantal inwoners. Dat komt mede doordat de beschikbaarheid van voorzieningen in gemaakte groeiafspraken onvoldoende is geborgd. Ook de balans tussen inwoners en werkgelegenheid is scheef geraakt, waardoor Flevoland gemiddeld de langste woon-werkafstanden kent. • Flevoland is een relatief jonge provincie die de afgelopen decennia hard is gegroeid qua inwoners en naar verwachting de komende tijd blijft groeien. Met de getekende woningbouwafspraken d.d. 13 oktober 2022 zal de provincie qua woningen met 20% groeien. De regio draagt via verschillende trajecten bij aan de nationale woningbouwopgave en is bereid dat te blijven doen, maar wel onder de juiste voorwaarden. Er moet in Flevoland namelijk meer gebeuren dan het stapelen van stenen.
Rijk en regio willen bouwen aan een samenleving met inclusieve woonomgevingen waar voor iedereen een thuis is. Door diverse woonomgevingen te creëren wordt Flevoland een aantrekkelijke regio voor alle groepen in de samenleving, wat de vitaliteit van de regio ten goede komt. Dat vraagt om aandacht voor randvoorwaarden zoals bereikbaarheid, onderwijs, voorzieningen, aantrekkelijkheid van het landschap, banen en verdienvermogen. Binnen Flevoland werken provincie, de zes gemeenten en het waterschap hieraan nauw samen onder de noemer “Samen maken we Flevoland”, waarbij afspraken worden gemaakt tussen Rijk en regio. Momenteel is hiervoor de Strategische Agenda Flevoland in voorbereiding. • Ook in de ZUND-gemeenten is sprake van krapte op de woningmarkt en van hogere woningprijzen ten opzichte van 10 jaar geleden. Vooral voor lage inkomens is de kans op het vinden van een betaalbare koop- of huurwoning kleiner geworden, maar ook (lage) middeninkomens vallen steeds vaker tussen wal en schip door de gestegen koopprijzen. De gemiddelde verkoopprijs van woningen in de ZUND-gemeente ligt op €308.783 (peil 2021). • Naast de grote opgave om voldoende, betaalbaar en divers aanbod te bouwen en te behouden, zijn er ook grote inspanningen nodig om de kwaliteit van bestaande woningen en wijken te versterken.
Het Rijksbeleid eist bijvoorbeeld dat in 2030 geen woningen meer worden verhuurd met een E, F of G-label. In Flevoland zijn er nauwelijks meer woningen met een E, F of G-label. Hier loopt Flevoland voorop bij de rest van het land en om koploper te blijven gaan Flevolandse corporaties door met verduurzaming, want ook label A t/m D moeten van het gas af. Gelet op de landelijke situatie is de opgave om woningen duurzaam te maken beperkter in de ZUND-regio. • De problematiek op de woningmarkt vraagt om een fundamentele en brede aanpak van de opgaven door middel van nieuwbouw, in combinatie met maatregelen ten aanzien van betaalbaarheid, leefbaarheid, kwaliteitsverbetering en verduurzaming. In de Nationale Woon-en Bouwagenda (NWBA) zijn deze opgaven dan ook in samenhang gebracht. In Flevoland is sprake van een groei van 20% van het aantal woningen in 2030 vergeleken met 2022. Daarmee is er een grote mate van afhankelijkheid met investeringen op het gebied van arbeidsmarkt en is sociale leefbaarheid een nog groter aandachtspunt dan in de andere woonregio’s (waar de groei tussen de 5 en 10% ligt). In deze Woondeal ligt het accent op afspraken over de bouwopgave en de randvoorwaarden die daaraan verbonden zijn. Andere maatregelen en thema's uit de NWBA die niet onderdeel zijn van deze Woondeal, kunnen wel via de Woondealoverleggen geagendeerd worden.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 5
• Om de genoemde woningbouwopgave tijdig te kunnen realiseren dient een aantal randvoorwaarden te worden opgelost, zijnde stikstof, energie-infrastructuur en nutsvoorzieningen, betaalbaarheid, mobiliteit, toekomstbestendigheid (inclusief klimaat, water, bodem en duurzaamheid), uitvoeringscapaciteit. Deze randvoorwaarden zijn ook onderdeel van de bestuurlijke afspraken tussen Rijk en provincies van oktober 2022. Rollen en verantwoordelijkheden • Eén overheid: Gemeenten, provincies, en Rijk zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de versterking van de regie op de woningbouw en het realiseren van de woningbouwopgave. Alle overheidslagen dragen hieraan bij, elk vanuit hun specifieke rol in aansluiting op het huis van Thorbecke, en wet- en regelgeving zoals de Woningwet, de Huisvestingswet, de Wet Ruimtelijke Ordening en de Omgevingswet. Duidelijk moet zijn wat de rol van eenieder is in de Woondeal. Overheden werken samen vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid en zetten gezamenlijk en gecoördineerd hun instrumenten en middelen in. In aansluiting daarop herbevestigen we het volgende: • Het College van B&W is als eerste bestuursorgaan verantwoordelijk voor de zorg voor de fysieke leefomgeving met onder andere voldoende en passend woningaanbod.
In aansluiting daarop zetten de gemeenten zich in voor voldoende bouwlocaties in ruimtelijke plannen voor de realisatie van de woningbouwafspraken uit de regionale woondeals. Met inzet van de wettelijke instrumenten zorgen gemeenten voor de benodigde (harde) plancapaciteit in de verschillende prijs/kwaliteitssegmenten, de programmering (sociale huur, middenhuur en betaalbare koop en overig) en voor verlening van omgevingsvergunningen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het maken van prestatieafspraken met de corporaties en het opnemen van de woningbouwafspraken in hun woonvisie. • De Provinciale Omgevingsvisie en omgevingsverordening vormen het bovenliggende beleidskader en bevatten de regels en voorwaarden voor de regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's. Vanuit deze wettelijke bevoegdheid is het college van Gedeputeerde Staten van de provincie verantwoordelijk voor de gebiedsgerichte coördinatie van de (ruimtelijke) doorvertaling van de provinciale woningbouwopgave in regionaal verband met de gemeenten. Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie stuurt actief op de kwantitatieve (voldoende plancapaciteit en bouwlocaties bij gemeenten) en kwalitatieve woningbouwprogrammering (de prijssegmentering: verdeling sociale huur, middenhuur, betaalbare koop en overig), waarbij het kwalitatieve in deze afspraken voor nu vooral de betaalbaarheid betreft.
Doel is het toewerken naar meer balans in de woningvoorraad, met een streven naar 30% sociale huurwoningen in de bestaande voorraad op provinciaal niveau, regionaal niveau en lokaal niveau, waarbij 30% sociale huur geen bovengrens is: gemeenten hebben de ruimte om een hoger percentage sociale huur aan te houden. Daarbij kunnen provincies rekening houden met specifieke situaties in regio’s waarbij het toegroeien naar 30% evident niet logisch of haalbaar is. Provincies bevorderen door actieve sturing deze evenwichtige verdeling tussen en in de woondealregio’s. Eventueel extra noodzakelijk juridisch instrumentarium zal onderdeel uitmaken van de wet regie volkshuisvesting.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 6
• Het dagelijks bestuur van het waterschap is verantwoordelijk voor een doelmatig waterbeheer. In het Omgevingsplan houdt de gemeenteraad rekening met het waterbelang met het oog op behoud van waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast, droogte en overstromingen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locatie, onder meer woningbouwlocaties. Daarbij geldt onder meer het uitgangspunt van ‘’water en bodem sturend’’. De concrete uitwerking daarvan vindt plaats in het programma water en bodem sturend. • De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is verantwoordelijk voor de realisatie van de nationale opgave en stelselverantwoordelijk voor de versterking van het wettelijk instrumentarium voor de medeoverheden voor de woningbouwopgaven en voor ondersteuning van de uitvoering via inzet van (financiële) middelen. De minister stuurt actief op de realisatie van de nationale opgave door intensief en periodiek overleg met medeoverheden en monitoring van de woningbouw, waarbij ook de samenhang met andere woningmarktontwikkelingen agenderend kan worden besproken. Daarnaast coördineert de minister de opgaven die samenhangen met de woningbouw met de medeoverheden en andere departementen. Zo nodig hakt de minister voor VRO samen met collega-bewindspersonen knopen door.
Voortgangsrapportage Floriade–Flevo Campus | 7
2. Inhoud regionale woondeals 1. Woningbouwopgave: van provinciale naar regionale opgave 1.1 We hebben een gezamenlijke opgave. Om het huidige woningtekort aan te pakken is het noodzakelijk om de komende jaren het bouwtempo flink te verhogen en sneller en meer woningen bij te bouwen. In heel Nederland zijn tot en met 2030 in totaal 900.000 woningen nodig. Circa 40.000 van deze woningen moeten worden gerealiseerd in de provincie Flevoland, waarvan 8.343 in de ZUND-gemeenten. Deze gemeenten zetten zich, in samenwerking met corporaties en marktpartijen, in voor de realisatie van onderstaande opgave (tabel 1). 1.2 Elke gemeente neemt een ‘fair share’ van de regionale opgave. Dat betekent dat elke gemeente een bijdrage levert aan de regionale opgave die past bij de lokale opgave en het karakter van de gemeente. In de geïnventariseerde informatie en gesprekken met de gemeenten zien de partijen dat elke gemeente een fair share van de regionale opgave neemt. Het grootste deel hiervan zit in de sleutelprojecten (zie bijlage 2), waar de schop voor 2026 in de grond gaat. Het overige deel van de regionale opgave wordt gerealiseerd in andere projecten, deels op de langere termijn, waarbij wederom gekeken wordt naar een evenredige verdeling over de regio. De precieze uitwerking hiervan per gemeente vraagt nader invulling, de uitwerking zal in 2023 plaatsvinden.
Er wordt gestreefd deze uitwerking begin Q4 gereed te hebben. 1.3 Provincies, Rijk en gemeenten geven zich er rekenschap van dat er op het moment van tekenen bij gemeenten en provincies vigerende afspraken en woonbeleid zijn, die vastgesteld zijn in College en Raad/Staten. Deze kunnen afwijken van bovenstaande betaalbaarheidsdoelstellingen. Vanaf 2023 worden de afspraken uit deze Woondeal over het woningbouwprogramma in gezamenlijkheid nader uitgewerkt (waaronder aantal en aandeel betaalbare woningen per gemeente). In lijn met de in voorbereiding zijnde Wet Versterking Regie op de Volkshuisvesting dienen deze uitgewerkte afspraken vervolgens opgenomen te worden in lokaal beleid. 1.4 De gemeenten zetten zich in voor voldoende plancapaciteit. In deze regio is voldoende plancapaciteit om in de woningbouwopgave te voorzien, maar realisatie is afhankelijk van invulling van de randvoorwaarden. De planvoorraad is niet statisch en wordt steeds aangevuld met nieuwe plannen, terwijl reeds gerealiseerde plannen worden afgevoerd. Dit overzicht wordt, in lijn met de landelijke monitor voorgang woningbouw, halfjaarlijks geüpdatet om actueel inzicht in de planvoorraad te houden. 1.5 In de ZUND-regio is geen sprake van 130% plancapaciteit ten opzichte van de woningbouwopgave.
Doordat er veel grootschalige uitbreidingslocaties zijn, maar minder ‘reservelocaties’ en vanwege de hoge marktvraag, is de slaagkans doorgaans groot en de ervaring is dat de beoogde jaarproductie vaak wordt gehaald. In de regio is de woningbouwambitie met circa 600 woningen verhoogd ten opzichte van de provinciale afspraken van 13 oktober 2022. Middels deze overprogrammering kan, bij eventuele vertraging of planuitval, de provinciale woningbouwopgave toch worden gerealiseerd. 1.6 De gemeenten dragen zorg voor het afgeven van voldoende vergunningen voor de realisatie van de met de provincie afgesproken woningbouwopgave in de regio.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 8
1.7 Om de woningbouwopgave uit tabel 1 te realiseren, is het noodzakelijk dat er steeds voldoende harde plancapaciteit is. Dit gebeurt door jaarlijks voldoende plannen uit de plancapaciteit planologisch hard te maken. In de ZUND-regio is de beschikbare netto plancapaciteit gelijk aan de bruto nieuwbouw en is 2/3e van de netto plancapaciteit harde plancapaciteit. Om vertraging in de productie op te kunnen vangen sturen gemeenten en provincies erop dat de woningbouwdoelstelling voor de komende vijf jaar overeind blijft, met specifieke aandacht voor de plannen voor de eerstkomende twee jaar. Om tegelijkertijd wel te kunnen anticiperen op wijzingen in voorkeuren en de woningvraag, is adaptief (aanpasbaar aan de vraag) programmeren het uitgangspunt. Dat betekent dat plancapaciteit voor vijf jaar en verder deels zacht blijft, zodat er binnen de planvoorraad ruimte is om adaptief programmeren mogelijk te maken. Tabel 1: Regionale aandeel ZUND-gemeenten in de opgave
[1]
Aantal woningen door woningcorporaties
945
945
150
22
456
150
0
2023
1.006
1.006
947
231
94
420
231
0
2024
1.265
1.265
938
274
57
519
274
0
2025
1.083
1.083
432
295
32
394
295
0
2026
977
977
440
175
35
459
165
0
Aantal woningen in harde plancapaciteit
945
(aantal woningen)
2022
Beschikbare netto plancapacitei
Jaartal
Bruto nieuwbouw (te realiseren woningen)
Betaalbaarheid[1] (prijspeil 2022)
Sociale huur woningen[2]
Huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot €1000 per maand
Koopwoningen onder de €355.000
Sociale huurwoningen
Midden huurwoningen
2027
968
968
428
143
35
430
143
0
2028
783
783
382
149
35
393
149
0
2029
699
699
393
201
35
238
201
0
2030
617
617
343
223
35
206
223
0
Tot.
8.343
8.343
5.248
1.842
378
3.514
1.832
0
Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van €1000 per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen onder de €355.000. Aantal van de bruto nieuwbouw
[2]
Toelichting bij bovenstaande tabel Bovenstaande tabel geeft een overzicht van de aantallen op regioniveau. Programmering in jaarschijven suggereert een mate van voorspelbaarheid die – helaas - niet reëel is bij woningbouw. Dit geldt voor de planning, waarbij – ook voor de korte termijn – sprake is van een zogenaamde ‘boeggolf’ van plannen waaraan wordt gewerkt en waarvan oplevering op korte termijn is voorzien, maar waarvan een deel alsnog doorschuift. Daarnaast geldt dat er vaak ook een verschil is tussen daadwerkelijke oplevering en de administratieve afhandeling daarvan. De verdeling over jaarschijven in bovenstaande tabel is daarom
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 9
indicatief, het is aan de voorkant duidelijk dat hierin jaarlijks verschillen op gaan treden. Tegelijkertijd is inzicht in de productie in jaarschijven en per gemeente wel van groot belang voor het volgen van en sturen op de voortgang. Om die reden volgen Rijk, regio en provincies dit nauwgezet, rekening houdend met de haalbaarheid van de doelstelling voor de periode 2022 t/m 2030 als geheel. In lijn met de governance afspraken over versnelling (zie 3.1) wordt dit ook met de andere stakeholders – corporaties, marktpartijen, en waterschappen – besproken en waar nodig bijgestuurd. De provincie levert jaarlijks ter voorbereiding van de bestuurlijke gesprekken over de voortgang van de woningbouw een geüpdatet overzicht van de plancapaciteit, waarbij vanaf 2023 ook onderscheid wordt gemaakt naar jaarschijven per gemeente. 1.8 Flexibele of tijdelijke woningen kunnen snel en fabrieksmatig worden gebouwd en ook worden geplaatst op locaties die slechts tijdelijk beschikbaar zijn om te wonen. Daarmee helpt dit type woningen om de acute woningnood te verkleinen. Landelijk wordt gestreefd naar de realisatie van 15.000 flexwoningen per jaar. Hierbij wordt ingezet op kwalitatief hoogwaardige woningen. Alle gemeenten in de regio onderzoeken de mogelijkheden voor het inzetten van flexwonen, waarbij een aantal gemeenten deze woningen in de programmering heeft opgenomen.
Deze woningen zijn onderdeel van de totale opgave opgenomen in tabel 1. 1.9 Met het transformeren van vastgoed worden extra woningen gecreëerd. Daarnaast kan het bijdragen aan de vitaliteit van steden, dorpen en gebieden. Daarom wordt landelijk gestreefd naar de realisatie van 15.000 woningen doormiddel van transformatie per jaar. De regio zet zich in om vastgoed niet leeg te laten staan en waar mogelijk en wenselijk woningen door transformatie te realiseren. Deze woningen zijn onderdeel van de totale opgave opgenomen in tabel 1.
2. Bouwlocaties 2.1.1 De regio heeft in een apart overzicht (bijlage 2) de grote gebiedsontwikkelingen opgenomen die cruciaal zijn voor realisatie van de totale regionale opgave. Eventuele knelpunten voor de realisatie van deze locaties zijn eveneens de overzichtstabel in bijlage 2 opgenomen. We blijven via de woondealoverleggen met elkaar het continue gesprek voeren om gesignaleerde knelpunten ten behoeve van de realisatie aan te pakken.
In deze lijst zijn de volgende locaties opgenomen:
•
• Woningbouwprojecten die een financiële bijdrage hebben ontvangen van Rijk (bijvoorbeeld
Regionaal significante locaties Woningbouwimpuls).
Deze locaties zijn op kaart in de bijlage 2 en op de kaart op pagina 2 opgenomen.
De lijst is niet statisch maar wordt jaarlijks voor het BO Woondeal geagendeerd en zo nodig geüpdatet.
Bij het bespreken van de voortgang en jaarproductie kunnen ook specifieke knelpunten aan de orde
Voor een groot deel van de projecten in de ZUND-gemeenten geldt dat deze afhankelijk zijn van
worden gesteld en wordt informatie hierover voor de projecten in beeld gebracht. het invullen van de randvoorwaarden uit de woondeal (H11). Deze randvoorwaarden betreffen knelpunten waarvoor generieke oplossingen nodig zijn.
Bij het volgen van de voortgang worden in voorbereiding op de gesprekken tussen Rijk, regio en provincies ook de woningcorporaties, (een afvaardiging van) marktpartijen en de waterschappen
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 10
betrokken via de regionale versnellingstafels (zie hoofdstukken 3 en 10).
3. Versnellingsafspraken Vanwege de grote urgentie van de opgave is het nodig dat woningen sneller worden gerealiseerd; sneller dan de gemiddeld 10 jaar die nu landelijk gebruikelijk is. In Flevoland en de ZUND-regio is er sprake van een aantal regionaal significante locaties waar nieuwbouw wordt gerealiseerd, zoals de Zeeheldenwijk in Urk, Emmelhage in Noordoostpolder, Polderwijk in Zeewolde en Hanzekwartier, Swifterbant-Zuid en De Graafschap in Dronten. Om deze in gebiedsgerichte opgaven met een juiste fasering op te pakken en de gewenste versnelling mogelijk te maken is financiering vanuit het Rijk noodzakelijk. De gemeenten hebben doorgaans zelf grondposities of hebben deze recent verworven. Binnen Flevoland is er voor de ZUND-gemeenten ook de komende jaren ondersteuning beschikbaar door middel van de regeling specifieke uitkering flexibele inzet ondersteuning woningbouw. In de afgelopen jaren heeft gemeente Dronten vanuit de ZUND-regio hiervan gebruik gemaakt. Het doel is dat meer gemeenten hiervan kunnen profiteren, waarbij onderzocht wordt door gemeenten in hoeverre expertise in gezamenlijkheid ingehuurd wordt. Door nauwe samenwerking tussen provincie, gemeente, corporaties en marktpartijen kan er gemiddeld meer snelheid gemaakt worden dan het landelijke gemiddelde, met name wanneer er ook financiering vanuit het Rijk ingezet kan worden.
Het is cruciaal dat er daarbij wordt gewerkt aan het sneller, slimmer en efficiënter inrichten van de processen en procedures die bij de realisatie van woningbouw van toepassing zijn. Hierbij bezien we het gehele bouwproces tot en met de bezwaarprocedure. Ook is het van belang samen een goed participatieproces in te richten, informeel en formeel. Door BZK is in overleg met medeoverheden en marktpartijen een actieplan Versnellen Processen en Procedures opgesteld. De volgende aanbevelingen – voor zover nodig – worden (regionaal) gezamenlijk opgepakt; o B ij de initiatieffase, bij het organiseren van het plan- en realisatieproces, zorgen voor heldere beslismomenten en benodigde mandaten. Dit zorgt voor het efficiënt en binnen termijnen doorlopen van procedures. o V ersterking van de samenwerking tussen provincie en gemeenten bij het zo efficiënt mogelijk inzetten van de beschikbare ambtelijke capaciteit en expertise. Op dit moment vindt dat plaats door middel van capaciteitsondersteuning woningbouwprojecten. Provincie Flevoland onderzoekt de mogelijkheden voor een regionale flexpool Flevoland, waarmee op regionaal niveau experts ingehuurd worden door gemeenten. o A ctueel houden van ruimtelijke beleidskaders en beleid rondom participatie en ruimtelijke plannen ten behoeve van een transparant en zorgvuldig proces.
Om de woningbouwproductie te versnellen en de regionale woningbouwopgave te realiseren, is samenwerking met alle partijen in de woningbouwketen essentieel, met besef van ieders rol en verantwoordelijkheid. Dit vraagt om een nauwe betrokkenheid van corporaties, marktpartijen en waterschappen bij de regionale woondeal. 3.1 Partijen richten daarom een regionale versnellingstafel in waaraan afspraken gemaakt kunnen worden om de voortgang van de woondealafspraken te bespreken, specifieke woningbouwprojecten te versnellen en thematische knelpunten op te lossen. Naast de provincie, de gemeente(n) en het Rijk, sluiten ook marktpartijen en corporaties, en afhankelijk van het vraagstuk waterschappen, kennisinstellingen en bewonersorganisaties aan. Partners aan deze tafel prioriteren met elkaar de te bespreken gebiedsspecifieke thema’s (zip hoofdstuk 10 Samenwerking
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 11
en sturing en de schematische weergave van de governance in bijlage 5). Indien er sprake is van landelijke thema’s kunnen deze worden doorgezet naar de landelijke versnellingstafel. Het is van belang bij vertraging samen naar oplossingen te zoeken. 3.2 In de realisatie van de regionale woningbouwopgave geven partijen prioriteit aan projecten die snel en relatief gemakkelijk te realiseren zijn. Ook wordt bekeken welke projecten versneld gerealiseerd kunnen worden en op welke wijze, rekening houdend met de randvoorwaarden, betaalbaarheidsdoelstellingen en ruimtelijke mogelijkheden, waaronder ook water en bodem.
4. Betaalbaarheid 4.1 Er is een grote behoefte aan betaalbare woningen in Nederland. Om aan te sluiten bij die grote behoefte streven we ernaar dat twee derde (600.000 woningen) van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Onder het betaalbare segment vallen de sociale huurwoningen, huurwoningen vanaf de sociale huurgrens tot een max van €1000 per maand en koopwoningen tot onder de €355.000. In provincie Flevoland wordt gestreefd naar in totaal 23.540 betaalbare huur- en koopwoningen. Hiervan worden 5.734 woningen gerealiseerd in de ZUND-regio. Hiermee wordt 69% van de opgave in de regio gerealiseerd in het betaalbare segment. 4.2 In de Nationale prestatieafspraken met de corporatiesector is opgenomen dat corporaties verantwoordelijk zijn voor de bouw van nationaal 250.000 sociale huurwoningen en 50.000 middenhuur woningen. Gezien de behoefte aan sociale huurwoningen is het belangrijk dat de totale sociale huurvoorraad groeit. De corporaties in de ZUND-gemeenten zetten zich in voor de realisatie van 1.832 corporatiewoningen (22% van totaal). Hiervan is 100% sociale huur en 0% middenhuur (zie ook tabel 1). Deze aantallen zijn, wat betreft de nieuwbouwopgave, richtinggevend voor de lokale prestatieafspraken die gemeenten, corporaties en huurders maken.
Realisatie van deze aantallen is afhankelijk van de randvoorwaarden (hoofdstuk 11). Daarnaast betreffen deze aantallen deels ambities, waarvoor in de lokale prestatieafspraken tussen gemeenten en corporaties nog geen concrete afspraken over locaties zijn gemaakt. 4.3 In het beleidsprogramma “Een thuis voor iedereen” is opgenomen dat met de nieuwbouw van sociale huurwoningen wordt toegewerkt naar een meer evenwichtige verdeling met een streven naar 30% sociale huurwoningen in de woonvoorraad. Zo wordt regionaal gekomen tot een betere balans in de woningvoorraad waarbij tevens het uitgangspunt is dat het aantal sociale huurwoningen in de regio voldoet aan de totale behoefte naar deze woningen. Het Rijk gaat meer sturen op deze doelstellingen en heeft hiertoe de Wet Versterking Regie Volkshuisvesting in voorbereiding. Met deze in voorbereiding zijnde Wet werkt het Rijk aan instrumentarium voor het Rijk, provincies en gemeenten om onder meer op de betaalbaarheidsdoelstellingen te kunnen sturen. Dit is inclusief aanscherping van de definitie van sociale huur, waarbij uitgangspunt is dat deze langjarig betaalbaar blijft en de huisvesting van aandachtsgroepen waarborgt. 4.4 In de nieuwbouw (plannen waarvan de ruimtelijke procedure op het moment van het sluiten van deze Woondeal nog moet starten) streven wij naar een verdeling van 30% sociale huur en 40% betaalbaar
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 12
(incl. koop en/ of middenhuur). Dit is een inspanningsverplichting. Het streven geldt op gemeente- en regionaal niveau, dus niet bij elk afzonderlijk plan en wordt op regionaal niveau gemonitord. Partijen spannen zich hier gezamenlijk voor in. Lokaal maatwerk is mogelijk, rekening houdend met de specifieke gemeentelijke situatie en de aantoonbare behoefte. Bij plannen waarvan de ruimtelijke procedure reeds gestart is of gemeentelijke projecten waar het participatietraject afgerond is, maken we geen wijzigingen in de programmering en blijven we sturen op versnellingsafspraken. Deze 30-40 systematiek sluit aan bij en is een verfijning van het nationale streven van tweederde betaalbare woningen. Het is daarmee een middel om de doelgroep sociale huur en de middeninkomens in de regio beter te kunnen huisvesten en geen doel op zich. De gemeenten spreken hierbij de intentie uit om te blijven bouwen aan gemengde wijken. Het prijspeil behorend bij de categorieën wordt in beginsel elke twee jaar geïndexeerd. In 2023 wordt het nieuwbouwprogramma per gemeente nader uitgewerkt (zie 4.6 en 4.7). Voor deze uitwerking gelden de volgende uitgangspunten:
• Na vaststelling van de Woondeal wordt in 2023 het nieuwbouwprogramma per gemeente nader uitgewerkt in een lokaal woonprogramma. Het Rijk stelt via de provincies subsidie beschikbaar voor ondersteuning bij deze uitwerking (zie ook 1.3).
• Gemeenten met minder dan 30% sociale huur geven in deze uitwerking aan hoe ze toegroeien naar de beoogde (minimaal) 30% sociale voorraad.
• Gemeenten waar dit evident niet logisch of haalbaar is (bijvoorbeeld gemeenten met geen/
• De 30% sociale huur is geen bovengrens: gemeenten hebben de ruimte om een hoger percentage
onvoldoende nieuwbouwmogelijkheden) dienen dit te onderbouwen. sociale huur aan te houden.
• Uitgangspunt is in principe dat bestaande, contractuele afspraken (bijvoorbeeld anterieure overeenkomsten) van woningbouwprojecten niet worden opengebroken om het aandeel betaalbaar te verhogen, omdat hierdoor vertraging zou kunnen ontstaan. Wel worden in projecten waar al afspraken over zijn, onderzocht welke mogelijkheden benut kunnen worden om het aandeel betaalbaar te verhogen.
4.5 Als onderdeel van de in voorbereiding zijnde Wet Versterking regie op de Volkshuisvesting dienen alle gemeenten lokaal een woonprogramma op te stellen. De woonzorgvisie uit het beleidsprogramma “Een thuis voor iedereen” is onderdeel van dit woonprogramma. Dit betekent dat gemeenten in het woonprogramma de woonbehoefte van alle aandachtsgroepen kwantificeren en vertalen in de woningbouwprogrammering en regionale afspraken dienen te maken over de huisvesting en ondersteuning van aandachtsgroepen (verdeling van woningen, mensen en middelen). Hiervoor wordt in de ZUND-regio in 2023 via het regionaal programma huisvesting aandachtsgroepen gezamenlijk een analyse gemaakt van zowel de woon-, de zorg- als ondersteuningsbehoefte van de aandachtsgroepen in de gemeenten en/of de regio. Op basis hiervan worden regionale afspraken gemaakt. De lokale woonzorgvisies vormen dus een invulling van de regionale afspraken. Voor de invulling van de bouwopgave die voortvloeit uit de woonbehoefte van ouderen met een Wlz-indicatie worden het Zorgkantoor en de zorgaanbieders betrokken. De provincies krijgen een coördinerende rol in het afstemmingsproces om erop toe te zien dat de woonzorgvisies van de gemeenten congruent zijn met de regionale afspraken over huisvesting aandachtsgroepen en de afspraken gemaakt in deze Woondeal.
4.6 Om provincies, gemeenten en corporaties te ondersteunen bij het realiseren van versnelling van de nieuwbouw van sociale woningen, kunnen de expertteams, de Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 13
en de Taskforce versnellen tijdelijke huisvesting worden ingezet. De Taskforce Nieuwbouw Woningcorporaties, die bestaat uit leden namens alle betrokken partijen, kan bestuurlijk hulp bieden wanneer er belemmeringen worden geconstateerd bij het realiseren van de gemeentelijke bouwopgave voor sociale huurwoningen, waaronder flexwoningen. Om te zorgen dat er voldoende woningen zijn voor starters en mensen met een middeninkomen zijn 4.7 tot en met 2030 Nationaal 350.000 betaalbare koop- en midden huurwoningen nodig. In het landelijke beleidsprogramma ‘betaalbaar wonen’ is opgenomen dat 40% van de nieuwbouw dient plaats te vinden in deze segmenten. Het provinciale aandeel in deze nationale opgave is 6.516 middenhuurwoningen en 7.330 goedkope koopwoningen. De ZUND-regio zet zich in voor de realisatie van 378 middenhuurwoningen en 3.514 goedkope koopwoningen. Dit is 47% van de totale opgave in de ZUND-regio. 4.8 Gemeenten zetten zich in voor steun en locaties om de richtinggevende opgave aan sociale huurwoningen, middenhuur en betaalbare koop uit tabel 1 en bijlage 1 daadwerkelijk te realiseren. Gemeenten zetten de instrumenten in die ze hiervoor tot hun beschikking hebben.
In geval gemeenten geen eigen grondposities hebben, maken ze gebruik van de publiekrechtelijke instrumenten die tot hun beschikking staan, zoals de doelgroepenverordening en overig instrumentarium uit de Omgevingswet, maar zijn zij voor de realisatie afhankelijk van de medewerking van marktpartijen. Het gaat naast locaties ook om de inzet van (voldoende) ambtelijke capaciteit (grondzaken, mobiliteit, economie, stedenbouw, OCW) vanuit de gemeente(n).
5. Woningbouw voor ouderen en verpleegzorgplekken 5.1 Specifieke aandacht is nodig voor de ondersteuning van de woonbehoeften van ouderen. Door de vergrijzing zijn er over twintig jaar naar schatting in heel Nederland 1,6 miljoen 80+ers. Dat is twee keer zoveel als op dit moment. Er is een toenemende behoefte aan woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. In het beleidsprogramma ‘wonen en zorg’ is aangekondigd dat er, binnen de opgave van 900.000 woningen, nationaal behoefte is aan 290.000 woningen geschikt voor ouderen. Het betreft 170.000 nultredenwoningen1 80.000 geclusterde woonvormen2 en 40.000 woningen met verpleegzorg op basis van scheiden wonen en zorg (VPT) die ook geschikt zijn voor ouderen. De ZUND-regio heeft dit regionale aandeel in de landelijke opgave nog niet geanalyseerd en onderschreven. De opgave wordt als onderdeel van het regionaal programma huisvesting aandachtsgroepen in 2023 uitgewerkt in lokale en regionale woonzorgvisies. 5.2 De regio vraagt aandacht voor de financiering van verpleegzorg, waar ook het Rijk, beleggers, het Zorgkantoor en de zorgverzekeraars voor nodig zijn.
1
Nultredenwoningen zijn woningen waarbij je niet hoeft trap te lopen, zowel binnen het huis als om naar binnen te komen. Vaak betreffen het gelijkvloerse woningen/appartementen in de buurt van voorzieningen.
2 Geclusterde woonvormen, vaak met ontmoetingsruimtes, zijn onder andere hofjeswoningen, serviceflats en seniorenflats. Geclusterde woonvormen voorzien niet alleen in prettige huisvesting, maar verminderen ook eenzaamheid doordat ze het aangaan van sociale contacten vergemakkelijken.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 14
5.3 Bij het opstellen van de woonzorgvisies besteden gemeenten expliciet aandacht aan de woon-, de zorg- en ondersteuningsbehoefte van ouderen. Afstemming met het Zorgkantoor en de zorgaanbieders is daarbij gewenst. Bij de inrichting van de leefomgeving (o.a. voorzieningen, inrichting buitenruimte) is aandacht voor de behoefte van ouderen.
6. Herstructurering 6.1 In het Nationaal programma leefbaarheid en veiligheid is aangekondigd dat er naast afspraken over woningbouw, ook afspraken over herstructurering worden gemaakt. Het betreft zeer slecht onderhouden woningen in een onaantrekkelijke woonomgeving waardoor de leefbaarheid onder druk staat. Deze woningen sluiten niet aan op de lokale behoefte. In deze herstructureringsopgave onderscheiden we drie categorieën: vervangende nieuwbouw, sloop en grootschalige renovatie. In de ZUND-regio is er sprake van een aantal kleine herstructureringsprojecten, waarbij er in een aantal gevallen sprake is van gedeeltelijke transformatie van gebieden.
7. Vakantieparken 7.1 De provincie Flevoland heeft, in lijn met de provinciale bestuurlijke afspraken, geïnventariseerd of vakantieparken potentieel getransformeerd kunnen worden naar wonen. Uit deze inventarisatie is naar voren gekomen dat er géén vakantieparken voor transformatie in aanmerking komen. In de uitwerking van de woondealafspraken kan de situatie zich voordoen dat er alsnog een vakantiepark in aanmerking komt voor transformatie. Deze woningbouwaantallen zullen dan opgenomen worden in de woningbouwopgave.
8. Duurzame en toekomstbestendige bouw 8.1 Het versneld bouwen van voldoende duurzame en betaalbare woningen vraagt – versterkt door de beperkte capaciteit in de bouwsector, de klimaatdoelen en de stikstofproblematiek – om vormen van innovatie, standaardisatie en industrialisatie zodat de gewenste bouwproductie slimmer kan worden gerealiseerd. Daarbij is aandacht voor zowel duurzaamheidsprestaties in gebruik (energie) als duurzaamheidsprestaties in de realisatie (milieu-impact & stikstof), hergebruik van bestaande materialen en het verlagen van de milieu-impact van groot belang. 8.2 De regio spant zich in om in 2025 één gezamenlijke werkwijze te hebben voor aanbestedingen en afspraken met de markt op het gebied van toekomstbestendige woningbouw. De verschillende prestaties op het gebied van energie, materiaal, mobiliteit, gezondheid, natuurinclusiviteit en klimaatadaptatie worden in samenhang benaderd in het convenant toekomstbestendige woningbouw dat door een deel van de overheden en marktpartijen is ondertekend. Met het bijbehorende toetsingskader wordt gestreefd naar het bevorderen van innovaties in de markt waardoor de onderstaande doelstellingen gehaald kunnen worden. Dit toetsingskader maakt bij het thema circulariteit gebruik van Het Nieuwe Normaal3 als eenduidige taal voor circulair bouwen.
3 Het Nieuwe Normaal voorziet nu in een aantal criteria die gezamenlijk de circulariteit van een bouwwerk kwantificeren.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 15
8.3 Rijk en regio spannen zich in om in 2030 minimaal de helft van het aantal woningen circulair en industrieel te laten bouwen, zoals ook benoemd in het Programma Woningbouw van BZK. Deze verschuiving leidt onder meer tot een kortere bouwtijd, minder stikstofuitstoot op de bouwplaats en een betere milieuprestatie. 8.4 Woningbouw met een lage milieu-impact (uitgedrukt in de Milieuprestatie Gebouwen, MPG) is technisch mogelijk. Betrokken partijen zetten binnen aanbestedingen in op een scherpere milieuprestatie, vooruitlopend op de voorgenomen aanscherping van nationale wetgeving. De huidige MPG (Milieu Prestatie Gebouwen) biedt onvoldoende perspectief om actief te kunnen sturen op CO2-impact van gebouwen. Het Rijk spant zich in voor een tweede sturingsnorm die is gebaseerd op de GWP-waarde van bouwmaterialen inclusief de bijdrage van biogene CO2- opslag daaraan.4 8.5 Toepassing van biobased materialen levert een grote bijdrage aan het verbeteren van de milieuprestatie en slaat bovendien CO2 op. Deze toepassing wordt actief gestimuleerd in nieuwbouw en renovatieprojecten, waarbij partijen zich inspannen om het gebruik van hernieuwbare (biobased) bouwmaterialen en/of het hergebruik van bouwmaterialen te verhogen. Hierbij volgt de regio de definities die gehanteerd worden in de green deal houtbouw.
Om te zorgen voor een toekomstbestendige woningvoorraad besteden we aandacht aan de aanpasbaarheid, 8.6 losmaakbaarheid en flexibiliteit van woningen, om in te kunnen spelen op toekomstige behoeften. 8.7 De norm voor energie in de woningbouw stuurt nu aan op bijna energie neutrale gebouwen (BENG). Om de klimaatdoelen te halen, de energierekening van huishoudens te verlagen en minder afhankelijk te zijn van externe (deels fossiele) energiebronnen (ook met het oog op netcongestie) is het nodig om zo snel mogelijk van BENG naar energieneutrale (ENG) woningen te gaan. De regio spant zich samen met het Rijk in om te stimuleren zoveel mogelijk ENG te (ver)bouwen en zoveel mogelijk praktijkvoorbeelden op te halen om aanpassingen in de wet te onderbouwen. Vanuit de Europese Energy Performance Directive (EPBD) wordt momenteel een nieuwe kostenoptimaliteit-studie uitgevoerd, naar verwachting komen in Q3 2023 de resultaten van deze studie beschikbaar. Op basis van de resultaten worden nieuwe BENG-eisen vastgesteld. Naar verwachting worden in 2025 de nieuwe eisen in het Bouwbesluit/BBL opgenomen. Als de Omgevingswet van kracht gaat wordt het huidige Bouwbesluit vervangen voor Besluit Bouw- en leefomgeving (BBL). Onder het BBL bestaat de mogelijkheid om wat MPG-eis en BENG-eis betreft lokaal strengere eisen te stellen.
8.8 Woningen die nu gebouwd worden moeten ook in het toekomstige klimaat veilig, aantrekkelijk en betaalbaar zijn. Partijen in deze woondeal spannen zich dan ook in om klimaatadaptief en natuurinclusief te (ver)bouwen en in te richten. In dat kader werken overheden in Flevoland samen aan een Regionale Adaptatiestrategie (RAS). Na bestuurlijke vaststelling van de RAS onderzoeken partijen hoe de ambities en strategieën zoals benoemd in de RAS kan worden geborgd. Bescherming van natuur is een belangrijk onderdeel van de gebiedsontwikkeling. Bij bebouwing van de openbare ruimte is ‘groen groeit mee’ het uitgangspunt. Bij gebiedsontwikkeling wordt ook de natuur in en rondom de woning en de buurt meegenomen. Het Rijk vraagt partijen - vooruitlopend op mogelijke wettelijke borging de ‘landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ toe te passen.5 Op het moment dat de landelijke maatlat beschikbaar is, onderzoeken partijen hoe deze maatlat – vooruitlopen op mogelijke wettelijke borging - kan worden geborgd. Klimaat adaptieve gebiedsontwikkeling vraagt om extra investering, hiermee worden op lange termijn hogere maatschappelijke kosten voorkomen.
4 Bron; Kamerbrief beleidsagenda normeren en stimuleren circulair bouwen van 23 december 2022 https://www.rijksoverheid.nl/documenten/ kamerstukken/2022/12/23/kamerbrief-over-beleidsagenda-normeren-enstimuleren-circulair-bouwen 5 Zie voetnoot 4
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 16
9. Ruimtelijke ordeningskaders 9.1 Het realiseren van de in deze Woondeal opgenomen woningen moet samengaan met verschillende andere grote ruimtelijke opgaven op het gebied van onder meer klimaat, landschap, natuur en energie. Met het programma NOVEX wordt deze brede ruimtelijke indeling de komende maanden opgepakt. De woningbouwaantallen die bestuurlijk afgesproken zijn in oktober, en in deze woondeal regionaal is uitgewerkt en bestuurlijk tussen de overheden is afgesproken, zijn hiervoor uitgangspunt. 9.2 In de ZUND-regio werken Rijk en Regio aan de Verstedelijkingsstrategie Zwolle en Lelylijn. Deze twee gebieden zijn benoemd tot NOVEX-gebied. Dit betekent dat er verder uitwerking wordt gegeven aan de Verstedelijkingsstrategie binnen de NOVEX-aanpak. De fasering en investeringsstrategie worden uitgewerkt in een Uitvoeringsagenda inclusief regionale investeringsagenda. Uitgangspunt is dat de woningbouwopgave onderdeel is van een integrale gebiedsontwikkeling, waar wordt gebouwd aan een prettige en toekomstbestendige leefomgeving en samenleving.
Water en bodemsturend 9.3 Partijen in deze Woondeal spannen zich in om het water- en bodemsysteem sturend te laten zijn bij gebiedsontwikkeling en locatiekeuze. Hiertoe worden waterschappen door gemeenten vanaf het begin in het planvormingsproces betrokken. In het Omgevingsplan houden gemeenten rekening met het waterbelang met het oog op behoud van waterkwaliteit en het voorkomen van wateroverlast, droogte en overstromingen om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locatie, onder meer woningbouwlocaties. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat werkt verdere richtinggevende uitspraken en randvoorwaarden uit in het programma ‘Water en Bodem Sturend’. In de MRA wordt dit opgepakt via de NOVEX Uitvoeringsagenda en Ruimtelijke arrangementen provincies. 9.4 In de water en bodem brief van 25 november 2022 is aangegeven dat het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en BZK gezamenlijk een richtinggevend kader ontwikkelen, in overleg met mede-overheden. Doel van dit kader is om ondersteuning te bieden aan het regionale proces en om een bewuste afweging te maken over waar wordt gebouwd gegeven het water en bodem systeem en de ‘risico’s vanuit wateroverlast, overstromingen, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid. Hiermee worden water en bodem sturend bij ruimtelijke planvorming.
Ook wordt binnenkort de Landelijke maatlat ‘Groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ gepresenteerd. 9.5 Voor bouwplannen op locaties die op dit moment al in een vergevorderd stadium van ontwikkeling zijn en waarvoor geldt dat heroverweging vanuit water en bodem tot onevenredige vertraging zou leiden, wordt het richtinggevend kader niet toegepast. Deze plannen blijven onveranderd. 9.6 Voor alle andere ontwikkellocaties wordt het richtinggevend kader zoveel mogelijk toegepast, waarbij de locatiekeuze wordt geëvalueerd en lokale afwegingen en keuzes worden gemaakt voor inrichting van de locatie en de bouwwijze voor nieuwe bebouwing. 9.7 Knelpunten als gevolg van de uitgangspunten van water en bodem sturend, worden geagendeerd op de regionale woondealtafel en regionale versnellingstafel. Desgewenst kan het aan de orde worden gesteld bij de landelijke versnellingstafel.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 17
10. Samenwerking en sturing Met de woondeal wordt de basis gelegd voor een langjarige (t/m 2030) samenwerking tussen Rijk, provincie, regio en gemeenten. Dit partnerschap is van groot belang om uitvoering te geven aan versnelling van de complexe woonopgave. We maken daarom – naast de afspraken over de woningbouwopgave - ook afspraken over onderstaande elementen, de governance:
o Monitoring en rapportage om zicht te houden op de voortgang, zowel kwantitatief als kwalitatief.
o
De overlegstructuur om de voortgang en eventuele knelpunten te bespreken.
o
Het indien nodig oplossen van belemmeringen en nemen van besluiten
A. Monitoring en bespreking voortgang 10.1 De voortgang ten aanzien van de wederkerige bestuurlijke afspraken wordt gemonitord met de interbestuurlijke landelijke monitor voortgang woningbouw. Het doel van de monitor is enerzijds het voorzien van de (semi)overheden in informatie over plancapaciteit (woningbouwplannen), de voortgang van de woningbouw en opgeleverde (gerealiseerde) woningen. Anderzijds draagt de monitor bij aan inzicht in eventuele knelpunten en in informatie in verband met voor de woningbouw noodzakelijke opgaven ten einde deze te kunnen oplossen. Voor de monitoring is het relevant dat er overeenstemming is over de te gebruiken definities en dat (eenduidige en betrouwbare) data beschikbaar zijn voor relevante indicatoren (onder andere gerealiseerde sociale woningen). Het Ministerie zorgt, in afstemming met provincies en gemeenten, dat hier overeenstemming over is. 10.2 Om gezamenlijk zicht te houden op de voortgang van de uitvoering van de voorliggende bestuurlijke afspraken vindt er regulier overleg plaats tussen vertegenwoordigers van het Ministerie van BZK, de provincies en de regio. De frequentie van het regulier Woondealoverleg over de voortgang van de ZUND-woondeal wordt in 10.3 onderling overleg tussen rijk en regio bepaald. Op ambtelijk niveau nemen hieraan het Ministerie van BZK, de provincie en andere afgevaardigden vanuit de woondealregio deel.
Een overleg tussen de directeur Woningbouw en directeuren en/of opgavemanagers vanuit Flevoland vindt vier keer per jaar plaats. Er vindt één keer per jaar een Bestuurlijk Overleg Woondeal (BO Woondeal) plaats met een bestuurlijke afvaardiging vanuit BZK en de regio. 10.4 De afspraken worden zo nodig jaarlijks herijkt. Daarbij worden de nieuwste prognose van de woningbouwbehoefte tot en met 2030 betrokken. Deze wordt eveneens jaarlijks bijgewerkt. De richtinggevende doelstelling voor de woningbouwproductie per jaar tot en met 2030 wordt bijgewerkt op basis van deze prognose, de gerealiseerde bouwproductie en ontwikkeling van de woningvoorraad. In 2023 wordt de herijking gepland na het beschikbaar komen van de volgende prognose van de woningbouwbehoefte en het provinciaal ruimtelijk arrangement, waarbij in de herijking ook randvoorwaarden zoals water en bodem, stikstof, geluid aan bod kunnen komen. Daarnaast wordt in 2023 eenmalig een tussenbalans opgemaakt ten aanzien van het provinciale aandeel in de nationale opgave, zoals afgesproken in de Woningbouwafspraken tussen Rijk en provincies, op basis van de optelsom van alle Woondeals. Waar nodig wordt deze landelijke tussenbalans bestuurlijk besproken.
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 18
In 2025, en eerder indien nodig, maken Rijk en Regio een tussenevaluatie van de voortgang en geboekte resultaten op de wederkerige afspraken over de volle breedte van de Woondeal. Als deze evaluatie hier aanleiding toe geeft, kan actie worden ondernomen en kunnen de afspraken in de Woondeal worden gewijzigd. 10.5 Vanuit de taskforce nieuwbouw woningcorporaties en tafels als de landelijke versnellingstafel agenderen partijen waar nodig eventuele knelpunten in ambtelijke en directeuren en bestuurlijke overleggen. 10.6 Via de Woondealoverleggen kunnen ruimtelijke en volkshuisvestelijke knelpunten vanuit rijk en regio geagendeerd worden, om gezamenlijk het gesprek te voeren over de samenhang met de woningbouwopgave en naar oplossingen te zoeken. Indien hiervoor andere gremia zijn, wordt in gezamenlijkheid bepaald hoe de regionale context en betrokkenheid daarin worden meegenomen B. Belemmeringen oplossen en besluiten nemen 10.7 Doel is door monitoring en intensief en kort-cyclisch ambtelijk en bestuurlijk overleg goed zicht te krijgen en te houden op de uitvoering. Hierdoor signaleren we vroegtijdig wanneer de voortgang van de woningbouw en de uitvoering van de bestuurlijke afspraken stokt. Wanneer (gezamenlijk) wordt geconstateerd dat de voortgang stokt, stellen we gezamenlijk vast wat de achterliggende oorzaken daarvan zijn (fact finding).
Op basis daarvan worden de benodigde en gewenste acties in gang gezet. Hierbij kan ondersteuning worden ingeschakeld van de landelijke versnellingstafel, verstedelijkingstafel, tafels van andere ministeries of via onder andere de taskforce nieuwbouw woningcorporaties of expertteams. Uitgangspunt is dus: ‘’los het op, of schaal het op’’. 10.8 Hierbij kunnen bestuurlijke of in het uiterste geval juridische interventies nodig zijn. Bestuurlijk overleg blijft het uitgangspunt. Juridische interventie vindt plaats in aansluiting bij het huis van Thorbecke. 10.9 Voor gebieds- of locatie-specifieke knelpunten wordt via de regionale versnellingstafel aan oplossingen gewerkt. Alle partijen die in de keten zijn betrokken bij woningbouw zoals marktpartijen, corporaties, waterschappen, drinkwaterbedrijven, netbeheerders en zorgkantoren kunnen knelpunten agenderen en bespreken op de regionale versnellingstafel. Dit kan ook via andere tafels zoals de taskforce nieuwbouw woningcorporaties en de landelijke versnellingstafel of specifieke gebiedstafels (zie bijlage 5). 10.10 De landelijke versnellingstafel is opgericht voor alle bovenregionale problematiek waar een oplossing voor moet worden gevonden. Dit team zorgt ervoor dat de juiste experts en ministeries worden aangesloten om gezamenlijk de problematiek te analyseren en zoeken naar een oplossing.
Via de regionale versnellingstafel worden problemen en oplossingen aangedragen voor de landelijke versnellingstafel, waarbij ook (een afvaardiging van) de betreffende Woondealregio’s wordt betrokken
11. Kritische succesfactoren en ondersteuning De ZUND-regio wil graag een substantiële bijdrage leveren aan de nationale woningbouwopgave, met de bouw van 8.343 woningen tot en met 2030. Of dit gaat lukken, hangt niet alleen af van gemeenten, woningcorporaties, marktpartijen, de provincies en andere stakeholders af, maar ook van de kaderstellende, faciliterende, stimulerende en financierende rol die het Rijk kan nemen. Deze hoge productie is alleen haalbaar als tijdig in de kritische succesfactoren / randvoorwaarden – inclusief ‘wat de regio vraagt’ - wordt voorzien. Deze
Regionale woondeal ZUND-gemeenten | 19
randvoorwaarden zijn behalve van deze Woondeal ook onderdeel van de provinciale afspraken tussen Rijk en de provincie. Dit vraagt wederkerige afspraken tussen Rijk en regio over onderstaande randvoorwaarden, het wegnemen van knelpunten en financiële ondersteuning van de opgave. Indien de randvoorwaarden niet of niet tijdig worden ingevuld, zal dit er onvermijdelijk toe leiden dat we de benoemde aantallen niet (tijdig) kunnen realiseren. Indien er binnen het Rijk al acties lopen om de juiste randvoorwaarden te creëren, is dit hieronder toegelicht. De Minister voor VRO spant zich maximaal in om samen met de verantwoordelijke collega-ministeries de kritische succesfactoren in relatie tot woningbouw aan te pakken. In het geval het creëren van de juiste randvoorwaarden onder de verantwoordelijkheid van een ander Ministerie valt, geldt dat het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties fungeert als ‘toegangspoort’ naar het Rijk. We scheppen duidelijkheid, door het maken van afspraken en stellen van kaders. Het doel is om de voortgang op de woningbouw te behouden. Voor onduidelijkheden in beleid, die belemmerend kunnen werken op het besluitvormingsproces en de bouw van woningen, zal het Rijk zich inspannen om deze weg te nemen. 11.1 Het realiseren van de opgave is complex.
Kritische succesfactoren6 dienen aangepakt te worden om de realisatie van de woningbouwopgave mogelijk te maken. Hiervoor is zowel inzet vanuit het Rijk nodig als vanuit provincie en gemeenten. Onderstaand wordt aangegeven op welke wijze Rijk en provincies ondersteunen in de realisatie van de regionale woningbouwopgave. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen locatie specifieke- en generieke ondersteuning. 11.2 Het Rijk ondersteunt in het opstellen en uitvoeren van de regionale woondeal middels procesgeld. Dit bedrag kan onder meer gebruikt worden voor de inhuur van capaciteit om gemeenten en provincies te ondersteunen bij het opstellen en uitvoeren van de woondeals. Dit procesgeld wordt uitgekeerd via de provincies. De provincie is verantwoordelijk voor de verdeling van dit geld over de verschillende woondealregio’s. 11.3 Rijk en medeoverheden zorgen ervoor dat knelpunten om te kunnen voldoen aan randvoorwaarden voor woningbouw zoveel mogelijk worden weggenomen. Dit met oog voor een gezond, veilig en schoon leefmilieu voor nu en in de toekomst. Het gaat om knelpunten op het vlak van klimaatbestendig bouwen, natuur inclusief bouwen, verduurzaming, geluid, stikstof, een gezond, klimaatbestendig en veilig leefmilieu, luchtkwaliteit, energievoorziening en erfgoed. We scheppen duidelijkheid, door het maken van afspraken en het stellen van kaders.
Het streven is om onduidelijkheden in beleid, die belemmerend kunnen werken op het besluitvormingsproces en de bouw van woningen, weg te nemen. 11.4 Daar waar het kan, worden de kritische succesfactoren zoveel mogelijk lokaal of regionaal opgelost en daar waar nodig, worden ze landelijk besproken.
- D e meeste van de belemmeringen kunnen gebiedsgericht worden opgelost. Hierbij kan er gebruik worden gemaakt van de landelijke regelingen die er zijn voor bijdragen aan de realisatie van woningbouw. Daar waar nodig kan de regionale versnellingstafel en/of het expertteam woningbouw worden ingezet.
- De landelijke versnellingstafel is opgericht voor alle bovenregionale problematiek waar een oplossing voor moet worden gevonden. Dit team zorgt ervoor dat de juiste experts en ministeries worden aangesloten om gezamenlijk de problematiek te analyseren en te zoeken naar een oplossing. Voor een aantal van de kritische succesfactoren is al een governance structuur ingericht en wordt naar besluitvorming toegewerkt.
6 Kritische succesfactoren zijn randvoorwaarden die invloed hebben op realisatie van de woningbouw, dit kan zowel op landelijke schaal als regio-specifiek zijn.
Voortgangsrapportage Floriade–Flevo Campus | 20
11.5 Voor alle opgenomen (afspraken over) kritische succesfactoren geldt dat deze periodiek besproken zullen worden in de Woondealoverleggen om de voortgang te monitoren. Het Rijk informeert de regio indien er nieuwe regelingen of subsidiemogelijkheden worden opengesteld. Ook dient het Rijk als vraagbaak bij eventuele onduidelijkheden omtrent de aanvraag van financiële middelen. Kritische succesfactoren: randvoorwaarden voor de woningbouwdoelstelling (A t/m F) A. Elektriciteitsnetwerken en aansluitingen Om de woningbouwdoelstellingen tijdig te kunnen realiseren is er voldoende capaciteit op het energienetwerk nodig. Door congestie op het regionale energienetwerk is aansluiten van grootgebruikers lastig. Hierdoor kunnen op woningbouwlocaties geen commerciële en maatschappelijke functies met een grootverbruik aansluiting zoals een supermarkt, school of sporthal worden gerealiseerd. Ook snellaadpleinen voor elektrisch (openbaar) vervoer kunnen niet worden geplaatst. Dit heeft een maatschappelijke impact op de leefbaarheid in nieuwe woonwijken en het is bovendien de vraag of exploitatiebegrotingen rondkomen. Ook kunnen bedrijven van binnenstedelijke locaties niet verhuizen naar bedrijventerreinen, omdat zij daar niet worden aangesloten, waardoor woningbouwlocaties in transformatiegebieden niet vrijkomen.
De regio constateert dat, om de woningbouwopgave (tijdig) te kunnen realiseren, de netcongestie aangepakt moet worden. Dit vergt een versnelde uitbreiding van het energienetwerk en het vergroten van de netcapaciteit. Het Rijk heeft hiertoe de volgende acties uitgezet: • In samenspraak met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat wordt door BZK gekeken of- en waar er in het energienetwerk moet worden geïnvesteerd, zodat woningbouw en voorzieningen in wijken geen vertragingen oplopen. • De P-MIEK-tafels7 worden benut om knelpunten ten aanzien van het netwerk en het aansluiten aan de orde te stellen. Mocht er een te grote netwerkvraag zijn om op te lossen in de P-MIEK overleggen, dan wordt het geagendeerd bij het landelijke MIEK-overleg. Om de woningbouwdoelstellingen tijdig te kunnen realiseren vraagt de regio aan het rijk hierbij specifiek aandacht voor:
- Tijdige realisatie van voldoende netcapaciteit in relatie tot het tempo van woningbouw en bijbehorende voorzieningen
-
Voldoende capaciteit bij de rechterlijke macht en bij netbeheerders
-
Experimenteerruimte in regelgeving