CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

D05 04 Bijlage bij AVA HVC 4 - HVC Contextanalyse najaar 2022.pdf

Gemeenteraad 12 december 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Lijst ingekomen stukken14.123 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Ook willen ze weten of de bewindslieden bereid zijn om het totale effect van de afvalimportheffing, inclusief vermeden emissies door de energieproductie door AEC’s, (metaal)recycling en het voorkomen van het storten van afval in het buitenland, door het PBL te laten berekenen. Het rapport van Royal Haskoning constateerde dat als er in Nederland AEC’s gesloten worden, dit betekent dat er elders in de EU of in het VK meer afval gestort zal worden. De Kamerleden vragen of de bewindslieden dat beeld 5

https://www.letsrecycle.com/news/rdf-exports-down-10-in-2022-ea-data-shows/

25

herkennen en vragen hoe zij dit meewegen in hun visie op de toekomstige rol van de Nederlandse capaciteit aan afvalverbranding.

2.1.3 SER pleit voor afrekenbare doelen m.b.t. grondstoffentransitie De Sociaal-Economische Raad (Ser) heeft een verkenning ‘Evenwichtig sturen op de grondstoffentransitie en de energietransitie voor de brede welvaart’ gepubliceerd. De SER schrijft herin o.a. dat we radicaal efficiënter moeten omgaan met grondstoffen, materialen en producten. De SER wijst daarbij tevens op het belang van samenhangend beleid m.b.t. de energie- en de grondstoffentransitie. De Ser vindt dat het kabinet concrete en afrekenbare doelen op het gebied van de grondstoffentransitie moet vastleggen en dat met wet- en regelgeving de grondstoffentransitie veel meer worden uitgedragen. Bijvoorbeeld door bepaalde percentages gerecycled materiaal in producten in wetten vast te leggen. Andere instrumenten om de grondstoffentransitie sterker op gang te brengen, zijn beprijzen en subsidiëren. Hierbij wordt b.v. gedacht aan een grondstoffenbelasting die er bijvoorbeeld voor kan zorgen dat fossiele grondstoffen worden vervangen door hernieuwbare of secundaire grondstoffen of milieuvriendelijkere alternatieven.

2.1.4 Kabinetsbeleid Circulaire economie Het kabinet wil in 2050 een economie zonder afval realiseren en in 2030 het grondstoffengebruik halveren. Om tot concrete stappen te komen, worden circulaire doelen op productgroepniveau geformuleerd. Deze moeten een zo groot mogelijk effect hebben op biodiversiteit, klimaat, leveringszekerheid en milieu. De uitwerking van de doelen voor 2030 en 2050 vormt een belangrijke basis van het Nationaal Programma Circulaire Economie dat in het najaar van 2022 verschijnt. Mede op basis van de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) zal besloten worden welke circulaire beleidsmaatregelen in ieder geval worden ingevoerd. Begin 2023 verschijnt de Integrale Circulaire Economie Rapportage van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) waarin de stand van de circulaire transitie wordt weergegeven. De middelen die in de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) zijn begroot voor deze transitie naar een circulaire economie bedragen 72 miljoen euro (‘duurzaamheid’, hoofdzakelijk bedoeld voor deze transitie). Deze middelen steken schril af bij de tientallen miljarden die de komende jaren voor CO2- en stikstofbeleid worden gereserveerd.

2.1.5 Earth Overshoot Day Earth Overshoot Day is de dag waarop de hele mensheid meer van de natuur heeft gebruikt dan de aarde in een heel jaar kan genereren. Deze viel vorig jaar (evenals in 2019) op 29 juli. In 2020 viel de dag iets later, namelijk op 22 augustus, waarschijnlijk een gevolg van de mondiale coronapandemie. In de jaren ’70 viel Earth Overshoot Day nog in de laatste twee maanden van het jaar, maar schoof tot 2019 steeds verder naar voren in het jaar. Alleen in tijden van economische crisis werd die trend tijdelijk doorbroken, bijvoorbeeld begin jaren ’80 en in de jaren 2008/2009. Volgens de berekeningen van de internationale duurzaamheidsorganisatie Global Footprint Netwerk zou het mondiale grondstoffenbudget voor heel 2022 er vandaag (12 april) doorheen zijn gejaagd als iedereen op aarde zo zou leven als de gemiddelde Nederlander. Vorig jaar viel de Nederlandse Overshoot Day vorig jaar nog op 27 april. We nemen als Nederlanders dus steeds meer van de aarde. De transitie naar een circulaire economie is een oplossing voor de alsmaar toenemende ecologische overbesteding maar deze transitie naar die economie gaat vooralsnog langzaam. Nederland heeft zichzelf tot doel gesteld in 2050 volledig circulair te zijn, maar lijkt daar dus nog heel ver van verwijderd.

26

2.1.6 Uitgebreide producenten verantwoordelijkheid. Eind mei vroeg de Europese Commissie om input van belanghebbenden voor de herziening van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Met de herziening van de Kaderrichtlijn beoogt de Commissie het milieurendement van afvalbeheer te verbeteren in lijn met de afvalhiërarchie en het beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’ beter te implementeren in beleid. De NVRD heeft in dit kader, samen met haar Europese koepelorganisatie Municipal Waste Europe (MWE), ervoor gepleit om bij de totstandkoming van een systeem voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) alle ketenpartners gelijkwaardig en formeel te betrekken. Ook op nationaal niveau is de NVRD, samen met de VNG, hard bezig om voor een gelijk speelveld bij de totstandkoming van UPV-systemen te zorgen. Oók de Vereniging Afvalverwerkers is voorstander om alle betrokken ketenpartners actiever en in een eerder stadium bij de totstandkoming van UPV’s te betrekken. Daarnaast wil de NVRD dat er duidelijkere rollen en verantwoordelijkheden komen tussen producenten(organisaties) en gemeenten. Specifiek voor de aankomende UPV op textiel benadrukt de vereniging dat een UPV op textiel niet de reeds bestaande en succesvolle inzamelings- en sorteersystemen mag ondermijnen. Verder willen de MWE en de NVRD een stimulans van ecodesign.

Dit kan door middel van tariefdifferentiatie gericht op het stimuleren van herstelbaarheid, recyclebaarheid en duurzaamheid. Om daadwerkelijk te zorgen dat de beoogde doelstellingen van tariefdifferentiatie bereikt worden, pleiten ze voor minimumvereisten aan het ontwerp hiervan.

2.1.7 Afvalpreventie Afval voorkomen is beter dan afval verwerken. Want zelfs als al het afval perfect wordt gescheiden, blijft er veel afval over. Afvalpreventie is dus een absolute noodzaak voor een circulaire economie. Toch ontbreken in zowel nationaal als EU-beleid kwantitatieve doestellingen op het gebied van afvalpreventie. In het kader van de herziening van de EU-Kaderrichtlijn afvalstoffen pleiten milieuorganisaties o.a. voor adequate kwantitatieve doelstellingen die er voor moeten ervoor zorgen dat producenten verantwoordelijk worden gehouden voor de enorme hoeveelheid materialen, goederen en stoffen die zij op de markt brengen.

HVC en afvalpreventie. HVC is onlangs een samenwerking aangegaan met Zero Waste Nederland, een non-profit organisatie die zich inzet voor een wereld zonder afval. Het voorkomen van afval is het beste voor het klimaat en geeft de hoogste CO2-reductie. HVC pakt een actieve rol op in afvalpreventie om onze gemeenten nog meer te verduurzamen.

27

2.2

Ontwikkelingen inzameling

2.2.1 Martkontwikkeling inzameling De al jaren zichtbare trend van een geleidelijke toename van de inzameling van huishoudelijk afval door publieke bedrijven, zet zich nog steeds door (fig.14). Het aandeel inzameling door private bedrijven (incl. PPS (publiek-private samenwerking)) is gedaald tot 21%.

Figuur 14. Marktverdeling inzameling huishoudelijk afval

2.2.2 Diftar/recycletarief In steeds meer gemeenten wordt een betaalsysteem voor restafval (diftar, recycletarief) ingevoerd. De helft van de gemeenten (50 procent), met daarin iets minder dan 40% van het totaal aantal huishoudens van Nederland, hadden in 2021 een diftar tariefsysteem (fig. 15). Dat was in 2020 48 procent en 27 procent in 2003. Ook in West-Nederland wordt geleidelijk in steeds meer gemeenten Diftar ingevoerd (fig. 16). In alle gemeenten waar een degelijk systeem is ingevoerd, leidt dit tot een forse reductie van de hoeveelheid restafval. Zo is in de gemeente Ridderkerk in de eerste vijf maanden van 2022 de hoeveelheid restafval ten opzichte van het jaar ervoor gedaald met 26%. In de gemeente Middelburg, waar Diftar in 2021 is ingevoerd, is de hoeveelheid restafval per inwoner met een derde gedaald (van 225 kilo in 2020 naar 148 kilo in 2021). De invoer van een diftar-systeem leidt ‘gemiddeld’ tot minder restafval per inwoner en lagere afvalbeheerskosten (fig. 17). Vertraagde implementatie door externe omstandigheden De tekorten aan zowel materialen als personeel spelen in de hele samenleving, dus ook in de afvalsector. De gemeente Katwijk stelt de invoering van diftar met een jaar uit naar 2024. De reden daarvoor is dat de benodigde chips die op de containers worden geplaatst, nog niet leverbaar zijn.

Ook de implementatie van diftar in Waarland-gemeentes loopt mogelijk vertraging op. Waardlanden en haar leveranciers hebben last van materiaal- en personeelstekorten.

28

Figuur 15. Ontwikkeling aantal huishoudens per tariefsysteem

Figuur 16. Overzicht tariefsysteem afvalstoffenheffing in Nederland

29

Figuur 17. Relatie afvalaanbod per inwoner en gemiddelde afvalbeheerskosten. HVC en recycletarief.. Steeds meer ‘HVC-gemeenten’ gaan over op recycletarief/diftar. Het gaat daarbij om zowel gemeenten waarbij HVC de inzameling verzorgt als bij gemeenten waar HVC deze inzameling niet verzorgt. Van de HVC inzamelgemeenten is de gemeente Noordoostpolder in 2021 met het reycletarief gestart, de gemeenten Hollands Kroon, Medemblik en Wormerland in 2022. De uitrol van het recyctarief is in de volgende gemeenten in voorbereiding: Velsen en Zwijndrecht (per 1-12023) en Hendrik-Ido-Ambacht en Papendrecht (per 1-1-2024). De invoering van het recycletarief leidt in alle gemeenten tot een sterke daling van de hoeveelheid restafval en een toename van de hoeveelheid gescheiden ingezamelde grondstofstromen. HVC heeft tijdig voldoend chips ingekocht om gemeenten die overgaan op het recycletarief te kunnen voorzien. Ook heeft HVC voldoende middelen en bemensing beschikbaar voor de uitrol.

2.2.3 Verduurzamen afvalinzameling Inzamelbedrijven zetten volop in op het verduurzamen van de afvalinzameling met name via elektrificatie en de inzet van biobrandstoffen. PreZero gaat in Arnhem de eerste inzamelwagen op waterstof inzetten. Hierbij wordt waterstof getankt en wordt deze waterstof in het voertuig via en brandstofcel omgezet in elektriciteit. Het voertuig rijdt dus elektrisch maar heeft via deze route een veel grotere actieradius dan een elektrisch inzamelvoertuig. HVC en verduurzamen inzameling.. Naast de inzet van biobrandstoffen en een toename van het aantal elektrische inzamelvoertuigen, waarbij HVC op dit moment de voorbereidingen treft om ook in Dordrecht elektrische inzamelvoertuigen in te zetten, zet HVC sterk in op het verhogen de efficiëncy. HVC wil de komende drie jaar circa 11.000 onder- en bovengrondse verzamelcontainers bij flatgebouwen en appartementencomplexen in haar werkgebied voorzien van zogeheten vulgraadsensoren. Vuilniswagens komen de containers dan alleen legen als deze (bijna) vol zijn. Daarmee wordt het aantal vervoersbewegingen van vuilniswagens omlaag gebracht. Dat scheelt naar verwachting brandstof, uitstoot en vermindert bovendien de kans op verkeersongelukken. 30

Terwijl gemeenten verantwoordelijk zijn voor het inzamelen en laten verwerken van het huishoudelijk afval, zijn bedrijven zelf verantwoordelijk voor het laten inzamelen en verwerken van hun bedrijfsafval. Zij maken daarvoor gebruik van inzamelbedrijven waarbij er binnen een bepaalde stad/wijk/bedrijventerrein vaak meerdere actief zijn. Dat leidt tot veel transportbewegingen van inzamelauto’s. Green Collective is een initiatief van Renewi en PreZero waarbij het restafval bij bedrijven in binnensteden gezamenlijk wordt ingezameld. Dit gebeurt met gezamenlijke wagens, via gecombineerde inzamelroutes. Het scheelt de helft aan vrachtwagenritten. Deze duurzame vorm van inzamelen rolden de bedrijven al eerder uit in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Leeuwarden en Den Haag. De Green Collective wil nog verder uitbreiden. In 2023 willen de afvalbedrijven minstens 30 gemeenten helpen met de duurzame inzameling van bedrijfsafval. Dit najaar breidt het initiatief zich uit naar Eindhoven, Alkmaar en Tilburg. Ook de soorten afval willen de bedrijven uit gaan breiden naar bijvoorbeeld de gezamenlijke inzameling van papier en karton en PBD-afval (plastic, blik en drinkpakken) van bedrijven.

2.2.4 Zwerfafval Zwerfafval op land en in water heeft negatieve gevolgen voor de leefbaarheid en het milieu: het verontreinigt de bodem en het water, trekt ongedierte aan en dieren eten het op of raken er in verstrikt. Afval belandt via onze stranden, rivieren of de wind ook in zee en zorgt ook daar voor vervuiling, de zogenoemde 'plasticsoep'. De Rijksoverheid is in september gestart met de landelijke campagne ‘Zwerfafval, natuurlijk raap je ook iets op!’ die ervoor moet zorgen dat zwerfafval opruimen een nieuwe, normale gewoonte wordt. Gemeenten en bedrijven kunnen dankzij een toolbox eenvoudig zelf de campagne inzetten. Het doel van de campagne is om ervoor te zorgen dat nog meer Nederlanders dagelijks iets opruimen. Op dit moment raapt een derde van de Nederlanders al af en toe afval op. HVC en zwerfafval. HVC is in 8 gemeenten verantwoordelijk voor het opruimen van zwerfafval nl. de gemeenten Dordrecht, Beverwijk, Heemskerk, Velsen, Wormerland, Den Helder, Hollands Kroon en een deel van Purmerend. Daarnaast is HVC in veel gemeenten verantwoordelijk voor het opruimen van dumpingen, het weghalen van bijplaatsingen en het legen van prullenbakken in de openbare ruimte. Het goed uitvoeren van deze taken, zorgt ook voor minder zwerfafval in de openbare ruimte.

Ook faciliteert HVC inwoners die zelf zwerfafval in hun eigen omgeving of gemeente willen opruimen met middelen die zij daarbij kunnen gebruiken (bv. een grijper en ook een bak waar zij het geraapte afval in kunnen doen). Bij een aantal gemeentes geven we samen vorm aan een integrale aanpak met de volgende pijlers: interne samenwerking, hotspots monitoren en reduceren, basis op orde (van voorzieningen en communicatie), hotspots opnieuw monitoren en gedragsinterventies kiezen.

2.3

Kunststoffen

2.3.1 Statiegeld Ook trekken we samen met gemeenten op om te komen tot een structurele aanpak van dumpingen en zwerfafval. Gemeente Dordrecht enkan Medemblik zijn hiervan voorbeelden van. worden Volgens milieuorganisatie Zero Waste Europe (ZWE) de circulariteit glas kan verder verbeterd door het toepassingsgebied van statiegeldsystemen uit te breiden. Op grond van onderzoek uitgevoerd in opdracht van ZWE blijkt dat zonder tot maar liefst 30 procent aan glas verloren kan gaan. Van alle glazen drankverpakkingen waar statiegeld op staat wordt tot 98 procent ingezameld. 31

Steeds meer regeringen in Europa beslissen om statiegeld in te voeren op blikjes en plastic flessen. Het tempo versnelt sinds de goedkeuring van Europese richtlijn over wegwerpplastics in 2019. De Single Use Plastic richtlijn (SUPD) bepaalt immers dat alle plastic flessen minstens 25% recycled content moeten bevatten in 2025, en de lidstaten 90% van de plastic flessen gescheiden moeten inzamelen tegen 2029. De ene lidstaat na de andere beslist daarom om statiegeld in te voeren en zo de strijd met zwerfafval en plastic vervuiling aan te gaan. Sinds de invoer van statiegeld op kleine plastic flesjes voor water en frisdrank op 1 juli 2021, blijkt het aandeel plastic flesjes in het zwerfafval met 70 procent te zijn afgenomen. Hiermee wordt nog niet aan de doelstelling van een vermindering met 90 procent voldaan. Dit wordt mogelijk veroorzaakt doordat op flesjes met zuivel, vruchtensap en alcoholische dranken geen statiegeld zit. De hoeveelheid blikjes nam juist met 14 procent toe. Op blikjes gaat op 31 december de verplichting voor het heffen van statiegeld in. Ondanks verzet vanuit het bedrijfsleven, houdt de staatsecretaris vast aan deze invoerdatum.

2.3.2. Mechanische vs. chemische recycling Bij mechanische recycling wordt plastic afval via uitsluitend ‘mechanische/fysische’ behandeling opgewerkt tot nieuw toepasbare kunststoffen. De chemische samenstelling van deze opgewekte kunststoffen is gelijk aan die van de ‘afvalinput’. Bij chemische recycling wordt het plastic afval via chemische processen in het algemeen ‘afgebroken’ tot nieuwe grondstoffen die vervolgens weer voor o.a. de productie van nieuwe kunststoffen kunnen worden ingezet. Mechanische recycling heeft een groot milieuvoordeel t.o.v. chemische recycling. Mechanische recycling vermindert de carbon footprint met 2,5 tot 3,5 kilo CO2 per kilo afvalplastic vergeleken met verbranding, bij pyrolyse (een vorm van chemische recycling) is dat ongeveer 1,5 kilo CO2 terwijl bij depolymerisatie (een andere vorm van chemische recycling) de CO2-winst ongeveer 3 kilo per kilo afvalplastic bedraagt. Helaas is mechanische recycling door vervuiling, samenstelling van de kunststoffen etc., niet mogelijk voor een aanzienlijk deel van het afvalplastic en zal naar verwachting in de toekomst chemische recycling in toenemende mate een rol spelen om ambities en doelstellingen m.b.t. recycling van plastics te realiseren. In Nederland zijn meerdere installaties voor pyrolyse van plasticafval in aanbouw c.q. ontwikkeling. Het gaat hierbij b.v.

om een installatie bij SABIC/Chemelot (20 kton pyrolyse olie) en bij Shell Moerdijk (30 kton pyrolyse olie). Deze techniek is met name geschikt voor de chemische recycling van polyethyleen (PE) en polypropyleen (PP), bekend van plastic zakjes en folies, maar ook water- en gasleidingen, jerrycans en auto-onderdelen. Voor PET (polyethyleentereftalaat), veel gebruikt voor voedselverpakkingen zoals drankflessen, kan chemische recycling plaats vinden via de route van depolymerisatie. De Eindhovense start-up Ioniqa ontwikkelde een depolymerisatieprocedé voor polyesters en heeft sinds 2019 een 10 kton pilotplant voor PET. Dankzij een investering van 30 miljoen euro van Koch Technology Solutions (KTS), gaat Ioniqa haar plasticrecyclingtechnologie verder opschalen en de technologie wereldwijd commercialiseren. KTS heeft ook een samenwerkingsovereenkomst getekend met Ioniqa, met als doel om jaarlijks voor 30 Mton gerecycled petplastic te produceren.

2.3.3 Export plasticafval In 2021 exporteerden de 27 EU-lidstaten in totaal 887 kton plasticafval naar niet-Oeso-landen. Van de individuele landen staat Nederland wereldwijd op de derde plaats, met 211 kton aan export. Alleen Japan en de Verenigde Staten exporteerden meer plasticafval naar niet-Westerse landen.

32

Vooral Indonesië, Vietnam en Maleisië zijn in 2021 dé bestemming voor veel plasticafval. Indonesië is in 2021 zelfs de grootste exportbestemming voor plastic vanuit Nederland. Maar Indonesië is helemaal niet in staat zoveel plasticafval op een verantwoorde wijze te verwerken. 83 procent van het afval wordt in Indonesië niet goed verwerkt, volgens cijfers gepubliceerd in het wetenschappelijk tijdschrift Science. Er wordt jaarlijks 12,24 Mton plasticafval geïmporteerd, maar de recyclingcapaciteit bedraagt slechts 730 kton. De plasticafvalstromen die naar deze bestemmingen worden geëxporteerd, zijn waarschijnlijk m.n. afvalstromen afkomstig van bedrijven. Kunststofverpakkingen afkomstig van huishoudens, die via bron- en nascheiding uit het huishoudelijk afval worden afgescheiden, worden binnen Europa verwerkt.

2.3.4 Plannen grootschalige verwerkingsinstallaties Europa’s grootste installatie voor plastic recycling naar Groningse Eemshaven De grootste plasticrecycling installatie van Europa komt in de Groningse Eemshaven. Zo schrijft de website Petrochem. De bedrijven Clariter, BioBTX, Bollegraaf en N+P werken samen om in de Eemshaven de grootste en volgens de initiatiefnemers de meest geavanceerde installatie te ontwikkelen voor het scheiden van plastic afval. De installatie moet volgens het bericht 350.000 ton plastic afval gaan verwerken. Het gaat daarbij om laagwaardig plastic afval. Het zogeheten Raw Material Preparation Center (RMPC) zet het plastic om naar een grondstof die verderop in de keten weer hergebruikt kan worden. Het wordt gesorteerd, verkleind, gewassen en gedroogd. Chemische recyclinginstallatie voor plastic door Dow en Mura Dow wil samen met het Britse Mura Technology in Duitsland de grootste Europese chemische recycling installatie voor kunststof bouwen. De faciliteit moet een capaciteit van 120 kton per jaar krijgen, en komt te staan op de locatie van Dow in Böhlen, nabij Leipzig. Eind 2023 zal een definitieve investeringsbeslissing worden genomen. Bij een positief resultaat is de faciliteit naar verwachting in 2025 operationeel.

De nieuwe installatie moet Dow in staat stellen gerecycled plastic te produceren waar veel vraag naar is, met name voor high-end gevoelige markten zoals voedsel en medische toepassingen. Het recyclingproces van Mura's HydroPRS (Hydrothermal Plastic Recycling Solution) gebruikt stoom om kunststoffen - inclusief flexibele en meerlaagse kunststoffen – om te zetten in de oorspronkelijke oliën en chemicaliën waaruit ze zijn gemaakt. Deze kunnen vervolgens worden gebruikt om nieuwe, plastic producten te maken die ook geschikt zijn voor verpakkingen die in contact komen met voedsel. De twee bedrijven werken sinds 2021 samen, toen zij de eerste installatie aankondigden die met behulp van Mura's HydroPRS-proces plastic zou gaan recyclen. Deze fabriek met een jaarlijkse capaciteit van 20 kton staat in Teesside, Verenigd Koninkrijk, en is naar verwachting in 2023 operationeel. De twee ondernemingen hebben nog meer plannen. Eind 2030 willen ze samen een recyclingcapaciteit voor kunststof hebben gerealiseerd van in totaal 600 kton in de Verenigde Staten en Europa.

2.4

Ontwikkelingen afvalverbranding

2.4.1 PBL-studie naar minder uitstoot voor Nederlandse verbranders Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de broeikasgasuitstoot van afvalverbranding in Nederland te verminderen. Het PBL maakt daarbij uitdrukkelijk onderscheid tussen het doel van de studie - een lagere netto-uitstoot van broeikasgassen bij afvalverbranding - en het bredere doel van de transitie naar een circulaire 33

economie. Daarom worden opties als afvalpreventie en recyclingmethoden die niet tot een uitstootvermindering leiden niet meegenomen. PBL komt tot de conclusie dat een combinatie van CO2-afvang en opslag en vergassing kan de broeikasguitstoot van Nederlandse afvalverbranders met circa 1,2 Mton per jaar verminderen. Andere opties voor het verlagen van de emissies hebben een veel kleiner reductiepotentieel, met name omdat ze toepasbaar zijn op kleinere stromen. Zo is de emissiereductie van solvolyse en depolymerisatie groot als gekeken wordt naar de reductie per input-eenheid. Omdat de input zelf laag is, komt de uiteindelijke reductie echter ook laag uit.

2.4.2 CO2-afvang Vrijwel alle Nederlandse AEC’s hebben ‘plannen’ voor de afvang van CO2 (fig. 18) met een totale capaciteit van 2.060 kton. De fase waarin deze plannen zich bevinden varieert sterk. AVR heeft in Duiven een grootschalige installatie (100 kton/jaar) gerealiseerd terwijl bij HVC en Twence pilotinstallaties van 4 kton per jaar operationeel zijn. HVC en Twence hebben daarnaast subsidies toegewezen gekregen waarmee grootschalige installaties kunnen worden gerealiseerd. Grootschalige plannen voor andere AEC’s gericht op afvang en ondergrondse opslag van CO2 , waaronder AEB en AVR, hebben (nog) geen SDE+-subsidie toegewezen gekregen zodat realisatie nog onzeker is. De mogelijkheden voor CO2-afvang bij diverse andere AEC’s in nog in onderzoek.

Figuur 18. Overzicht plannen voor CO2-afvang (in kton per jaar) per Nederlandse AEC.

2.4.3 Bodemassen In de bodemassen, die overblijven na het verbranden van restafval in AEC’s, zitten o.a. de nietbrandbare verontreinigingen die in het te verbranden afval aanwezig waren. In het verleden werden bodemassen toegepast waarbij strenge maatregelen moesten worden getroffen om nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen. Tegenwoordig moeten bodemassen worden toegepast op een manier waarbij zonder het treffen van dergelijke IBC-maatregelen nadelige gevolgen voor het milieu achterwege blijven. Daarvoor zijn in principe 2 mogelijkheden nl. het toepassen in ‘gebonden vorm’ zoals beton waarbij de verontreinigingen er nog wel in zitten maar niet meer uitlogen omdat ze ‘opgesloten’ zitten in de structuur. De andere optie is de verontreinigingen uit de bodemassen te verwijderen, o.a. via een wasproces, deze verontreinigingen vervolgens af te voeren naar een stortplaats en de opgewekte bodemassen als vrij toepasbare bouwstof te recyclen. De Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) constateert in een zgn. signaalrapportage dat vanwege de hogere kosten voor de ‘wasroute’ van de bodemassen, veel bedrijven zoeken naar de goedkopere toepassingen in beton, bakstenen etc. Er is hierdoor geen sprake van de beoogde kwaliteitsverbetering voor bodemassen. De ILT is van mening dat hiermee de risico’s op korte 34

termijn wel zijn afgenomen maar dat op langere termijn bij recycling of hergebruik de verontreinigingen alsnog vrij kunnen komen. HVC en bodemassen. HVC heeft voor het opwerken van de bodemassen gekozen voor de meest duurzame opwerkingstechniek nl. het verwijderen van de verontreinigingen en door het storten daarvan deze te onttrekken aan de materialenkringloop. De door de ILT geschetste risico’s zijn daarom niet van toepassing op de door HVC geproduceerde vrij toepasbare bouwstoffen. In de wASH-installatie worden daarnaast ferro en non-ferro metalen maximaal teruggewonnen met hogere recyclingspercentages tot gevolg.

2.4.4 Stikstof-emissies Stikstofemissies zijn op te delen in emissies van ammoniak (NH3) en emissies van stikstofoxiden (NOx). Afvalenergiecentrales vallen onder de sector Industrie, Energie en Raffinaderijen. De bijdrage van deze sector aan de ammoniakuitstoot is minder dan 2% van de totale emissies in Nederland (fig. 19). De bijdrage van de sector aan de emissies van stikstofoxiden is ruim 13% (fig. 19). Van de 42 miljoen kg. stikstofoxiden die de sector uitstoot, is ca. 0,4 miljoen kg afkomstig van HVC (fig. 20). Deze stokstofoxiden zijn ‘restemissies’ die overblijven nadat het grootste deel van de stikstofverbindingen in de verbrandingsgassen, via de uitgebreide rookgasreiniging is verwijderd. Stofstofoxiden (NOx) 2020 Industrie, Energie en Raffinaderijen Verkeer Consumenten HDO en Bouw Landbouw Totaal

Ammoniak (NH3) 2020 miljoen kg % Industrie, Energie en Raffinaderijen 2,3 1,8% Verkeer 3,9 3,1% Consumenten 4,2 3,4% HDO en Bouw 0,6 0,5% Landbouw 113,4 91,2% Totaal 124,4 100,0%

miljoen kg 42,0 222,8 6,0 3,4 39,6 313,8

Figuur 19. Emissies van ammoniak en stikstofoxiden in Nederland per sector.

Figuur 20. Onderverdeling emissies stikstofoxiden naar de diverse industriële sectoren.

35

% 13,4% 71,0% 1,9% 1,1% 12,6% 100,0%

2.5

Marktontwikkelingen (secundaire) grondstoffen.

2.5.1 Ferro en non-ferro De prijzen voor metalen kennen een stormachtig verloop in 2022. De markt voor ferro (-schroot) is altijd al zeer volatiel en de ontwikkelingen in 2022 zijn zelfs in dat licht extreem te noemen (fig. 21). De prijs is naar extreme hoogten gestegen rond medio 2022; daarna volgde een sterke daling. Het niveau lijkt momenteel zich momenteel wat te stabiliseren maar ligt gemiddeld wel hoger dan voorgaande jaren. De achtergronden van deze prijsschommelingen laten zich lastiger duiden, hoewel oorlog in Oekraïne ook een rol zal spelen in de onrust. Ook voor de non-ferro metalen geldt dat de prijzen sterk hebben gefluctueerd en medio 2022 een hoog niveau hebben genoteerd. Anders dan bij ferro worden hier nadrukkelijk wel de vraagkant als belangrijkste ‘driver’ genoteerd: investeringen in duurzame energie drijft prijzen op van metalen als koper en aluminium. Recentelijk daalden de prijzen sterk; waarbij de verwachte productiestops bij fabrieken c.q. uitval van vraag als gevolg van stijgende energiekosten, een logische verklaring lijkt. In figuur 22 is de prijsontwikkeling weergegeven voor aluminium ingots, een prijs die in belangrijke mate is gelieerd aan de opbrengsten voor aluminium uit de recyclingprocessen van HVC.

Tevens is de gemiddelde zwaar metaal prijs weergegeven (‘HNF’) die in belangrijke mate wordt bepaald door de koperprijs zoals die op de LME wordt verhandeld. Op beide metaal-categorieën is dus een sterke schommeling te zien in 2022, waarbij het huidige niveau (september) nog steeds wel relatief hoog ligt ten opzichte van voorgaande jaren.

Figuur 21. Prijsontwikkeling ferro-schroot

36

Figuur 22. Ontwikkeling voor aluminium ingots en de gemiddelde zwaar metaal prijs (‘HNF’)

2.5.2 Oud papier en karton In de papiermarkt is tevens sprake van turbulente ontwikkelingen. Stegen de prijzen eerder dit jaar naar recordhoogten, door een sterke vraag en vooral door een krapte aan aanbod van oud papier, is er nu sprake van een vrije val van de prijs (fig. 23). Deze val wordt veroorzaakt doordat de energiecrisis ertoe leidt dat papierfabrieken hun producties stilzetten, door te hoge productiekosten. Tevens is het economisch perspectief ongunstig waardoor fabrieken ook eerst hun voorraden verkopen.

Figuur 23. Prijsontwikkeling oud papier.

2.5.3 Afvalhout Terwijl bij papier en metalen sprake is van sterk dalende marktprijzen, is de vraag naar afvalhout -als energiedrager- zeer sterk toegenomen. Vooral de Duitse energie-industrie zoekt naarstig naar 37

zekerheden voor de winterperiode, hetgeen een sterk prijsopdrijvend effect heeft op allerlei soorten biomassa, waaronder afvalhout (fig. 24).

Figuur 24. Prijsontwikkeling afvalhout

2.6

Ontwikkeling bedrijven

2.6.1 AEB Vanaf 2023 komt er door het wegvallen van een aantal gemeentelijke aanbieders, capaciteit vrij in de scheidingsinstallatie van AEB. AEB wil het gat vullen met KWD-afval. De scheidingsinstallatie heeft een totale verwerkingscapaciteit van 300 kton. Die wordt gevuld met zo’n 220 kton aan Amsterdams afval dat tot minimaal 1 augustus 2025 bij AEB blijft. Dat betekent dat er (mogelijk) een gat van 80 kton zal ontstaan als alle andere bij AEB aangesloten gemeenten besluiten hun afval elders te laten verwerken. Om dat mogelijke gat in te vullen, heeft AEB bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied een vergunning aangevraagd voor het vervangen van huishoudelijk afval door kantoor-, winkel- en dienstenafval (KWD-afval). AEB heeft momenteel al een groot tonnage van dit KWD-afval onder contract, maar dat gaat nu nog direct de verbranding in. Vanaf 2023 zal de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid echter ook gaan gelden voor de inzameling en recycling van verpakkingen in het bedrijfsafval. Het Afvalfonds Verpakkingen faciliteert met ingang van 2023 dan ook nascheiding van bedrijfsmatig restafval. Dit betekent dat er ook voor de nascheiding van bedrijfsafval vergoedingen beschikbaar komen. AEB is dan ook met bedrijven in gesprek met als doel afspraken te maken over de nascheiding van dit afval.

Er is nog steeds geen ‘groen licht’ voor de definitieve overname van AEB door AVR. De Autoriteit Consument & Markt gaat de geplande overname van AEB door AVR verder onderzoeken waarbij met name de concurrentiegevolgen voor zowel het verbranden als het sorteren van afval (en het mogelijk ontbreken daarvan na overname) centraal staan.

2.6.2 Twence De Autoriteit Consument & Markt (ACM) heeft het handhavingsverzoek van AVR tegen de gemeenten die aandeelhouder zijn van afvalverwerker Twence afgewezen. Volgens AVR bevoordelen de gemeenten het overheidsbedrijf Twence. Zo zouden de gemeenten onder meer de aanbestedingsregels niet in acht nemen en betalen de gemeenten aan Twence te hoge tarieven voor de verwerking van het afval. Daarmee overtreden de gemeenten volgens AVR het bevoordelingsverbod in de Wet Markt en Overheid. De ACM constateert dat een groot deel van het 38

handhavingsverzoek zich richt op de aanbestedingsregels. De ACM houdt echter geen toezicht op die regels. Bovendien is het op basis van een eerste inventariserend onderzoek niet aannemelijk dat er sprake is van bevoordeling. Daarmee is er geen overtreding van de Wet Markt & Overheid. Tot slot blijkt dat, als er al sprake is van bevoordeling, de maatschappelijke schade hiervan beperkt is. Een haalbaarheidsonderzoek naar een nascheidingsinstallatie bij Twence heeft bij diverse Twentse gemeenten tot de conclusie geleid dat nader onderzoek naar nascheiding niet nodig is. Zij willen de bronscheiding in stand houden. De verwachting is dat een eventuele nascheiding in Twente minder effectief is dan de bronscheiding. Ook is de kwaliteit uit nascheiding in het algemeen van minder goede kwaliteit dan goed functionerende bronscheiding. Deze verminderde kwaliteit kan ertoe leiden dat de gemeenten minder inkomsten ontvangt voor het recyclebare verpakkingsafval.

39

3.

(Afval-)water en zuiveringsslib

3.1

Beleidsmatige ontwikkelingen

3.1.1 Energietransitie en klimaatadaptatie Energietransitie en klimaatadaptatie zijn sterk verbonden aan klimaatverandering. Beide opgaven vragen om investeringen in de openbare ruimte. Een koppeling ligt voor de hand. In opdracht van STOWA en Stichting RIONED hebben is onderzoek uitgevoerd in hoeverre gebeurt in de praktijk al sprake is van een dergelijk koppeling en kunnen we er iets van leren? Het overall beeld uit de bronnenstudie en het voeren van gesprekken met experts bracht 24 projecten in beeld waar sprake was van een of andere vorm van koppeling tussen energietransitie en klimaatadaptatie (fig. 25). Bij bestuderen van deze projecten vielen twee algemene beelden op, aldus de opsteller van de verkenning: koppelen is pionieren en koppelen is maatwerk.

Figuur 25. Verschillende soorten koppelingen tussen energietransitie en klimaatadaptatie

3.1.2 UPV voor medicijnen. Door het huidige beleid rondom ongebruikte medicijnen komt bijna een kwart ervan in het oppervlaktewater terecht. Dat gebeurt via ontlasting en urine, door het afspoelen na gebruik op de huid en door het wegspoelen van oude medicijnen via de gootsteen. Ziekenhuizen en apotheken die zelf medicijnen maken zijn eveneens een belangrijke bron. Een deel van deze medicijnen en 40

medicijnresten kunnen de rwzi’s niet goed verwijderen en komen dus na de zuivering alsnog in het oppervlaktewater terecht. Daar zijn de medicijnresten een risico voor de dieren en planten die in het oppervlaktewater leven. De Unie van Waterschappen steunt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) van farmaceutische bedrijven voor medicijnen. Zo’n UPV bestaat in Nederland nog niet. Eind oktober komt de Commissie met het voorstel voor de herziene Richtlijn stedelijk afvalwater en de Richtlijn prioritaire stoffen. Die bevatten mogelijk voorstellen voor een UPV voor de farmaceutische industrie. Zo’n UPV kan helpen door de producenten en importeurs van medicijnen verantwoordelijk te maken voor inzameling en correcte verwerking van ongebruikte medicijnen.

3.1.3 Impact aquathermie op aquatische organismen STOWA heeft literatuuronderzoek laten doen naar de mogelijk schade aan aquatische organismen door de warmtewisselaars en filters in installaties voor het winnen van warmte uit oppervlaktewater. In de onderzochte literatuur ontbrak echter voldoende informatie over de kenmerken van deze installaties, waardoor het lastig is de vergelijking te maken met de terugwininstallaties. Wel kan men concluderen dat de effecten op populatie- en ecosysteemniveau in grote dynamische wateren mogelijk beperkt zijn. In kleine afgesloten wateren kunnen mogelijk wel grotere effecten optreden. Toepassing van een gesloten systeem, dat geen water inneemt, kan dan de voorkeur hebben. De onderzoekers bevelen aan om veld- en modelstudies uit te voeren om hierover meer duidelijkheid te krijgen.

3.1.4 Hergebruik waterijzer voor behandeling afvalwater Waterijzer, dat ontstaat bij de drinkwaterproductie, kan in de vorm van ijzerzouten opnieuw als vlokmiddel worden ingezet voor bijvoorbeeld de behandeling van afvalwater. Uit het slib van drinkwaterzuivering Loenderveen kon 93% ijzer worden teruggewonnen bij een Duits bedrijf, dat vervolgens werd toegepast op rwzi Bath. De pilot is uitgevoerd in het kader van de regeling Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s) van het Ministerie van EZ. De milieu-impact van het teruggewonnen vlokmiddel is veel lager dan van commerciële vlokmiddelen. Het draagt daarom bij aan het circulair maken van de economie, en vormt een oplossing voor de steeds schaarser, en duurder wordende commerciële vlokmiddelen. Bovendien lijken de kosten voor hergebruik ook lager dan die van commerciële middelen.

3.1.5 Waterschappen willen duurzamere polymeren op de rwzi Polymeren zijn chemicaliën die de waterschappen gebruiken bij het indikken en ontwateren van het zuiveringsslib. Ruim 18 procent van de totale CO2-uitstoot van waterschappen wordt veroorzaakt door het gebruik van polymeren bij de rioolwaterzuiveringen. Daarom willen de waterschappen minder polymeren gebruiken bij het proces van afvalwaterzuivering. Of polymeren die minder CO2 uitstoten. Uit onderzoek van STOWA blijkt namelijk dat er duurzame alternatieven beschikbaar zijn. Zeven waterschappen onderzoeken hoe ze er bij het inkopen van polymeren voor kunnen zorgen dat er polymeren worden gebruikt met lagere of zelfs geen CO2-uitstoot. Ze maken daarbij gebruik van een nieuwe aanbestedingstool, CETenderTool, waarmee de CO2-uitstoot in kaart wordt gebracht en de waterschappen inzicht geeft in de eigen CO2-voetafdruk. De waterschappen gebruiken het inzicht in de CO2-uitstoot vervolgens om in aanbestedingen te kiezen voor polymeren met een lagere voetafdruk.

41

3.2

Specifieke ontwikkelingen bedrijf/RWZI

3.2.1 EEW start bouw vierde verbrandingslijn voor rioolslib Afvalenergiebedrijf EEW is begonnen met de bouw van de geplande vierde verbrandingslijn in Delfzijl. Die lijn moet rioolslib gaan verwerken. De plannen voor een vierde verbrandingslijn om in Delfzijl rioolslib te gaan verwerken bestaan al sinds 2019. De installatie moet het rioolslib van drie waterschappen gaan werken. Het gaat in totaal om 185 kiloton per jaar, die verwerkt wordt in een installatie van 18 MWth. De installatie moet in 2024 gaan draaien, en vanaf 2026 ook fosfaat gaan terugwinnen. De vergunning voor de vierde lijn werd al in oktober 2020 verleend, maar de bouw ving pas afgelopen week aan. Terwijl de plannen voor de vierde lijn liepen, kampte EEW met problemen rondom de vergunning voor de derde, al bestaande verbrandingslijn. Die vergunning werd in 2017 verleend en in 2019 ging de verbrandingslijn open. Maar na het stikstof-arrest greep milieuclub Mobilisation for the Environment zijn kans om die vergunning aan te vechten, en kreeg gelijk. De vergunning voor de derde lijn werd vernietigd. EEW moest voor de derde lijn een nieuwe vergunning aanvragen. Dat is inmiddels gebeurd en deze vergunning is onlangs verleend.

3.2.2 Rijnland gaat lachgas meten bij waterzuiveringen Rioolwaterzuiveringen zijn grote producenten van lachgas en methaan. De gassen komen vrij bij de afbraak van verontreinigingen in het water. De uitstoot is een probleem omdat lachgas en methaan zware broeikasgassen zijn: methaan heeft een impact op het klimaat die 28 keer zo groot is als die van CO2, een ton lachgas staat zelfs gelijk aan 265 ton CO2. Omgerekend bestaat tweederde van de uitstoot van broeikasgassen van rioolwaterzuiveringen uit lachgas. STOWA en de waterschappen doen op de rioolwaterzuiveringen intensief onderzoek naar de uitstoot van broeikasgassen, zoals lachgas en methaan. Ook wordt er gekeken hoe de uitstoot van deze broeikasgassen op de zuiveringen kan worden verminderd. Zo gaat het hoogheemraadschap van Rijnland lachgas meten bij de rioolwaterzuiveringen in Leiden, Haarlem en Velsen-Zuid. Met behulp van de metingen wordt kennis vergaard over de invloed van de beluchting tijdens het zuiveringsproces op de gasuitstoot. Dit moet inzicht geven in manieren om de uitstoot van het gas terug te dringen.

3.2.3 Aanpassing zuivering HHR Rijnland in Velsen. Het Hoogheemraadschap van Rijnland plaatste begin juli 15 BioCurlz modules van de Duitse leverancier Jaeger in de zuivering van Velsen. De in deze modules aanwezig kunststof draden hebben een hoge oppervlakteruwheid. Daarom zijn ze ideaal voor het afzetten van biomassa. Dit moet gaan bijdragen aan het realiseren van de strengere stikstofeisen. De vijftien geplaatste modules staan in één straat. Op basis van de resultaten besluit het Hoogheemraadschap op korte termijn om de tweede straat ook met BioCurlz uit te rusten. Alhoewel dit systeem wereldwijd al op veel grotere schaal is toegepast, is deze toepassing een primeur voor Nederland. Het systeem wordt vooral toegepast om de capaciteit van bestaande zuiveringen te vergroten zonder dat daarvoor extra beluchtingstanks voor gebouwd moeten worden.

42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1976/documents/32746