CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

9.3 Bestemmingsplan Emmeloord Dokter Jansenpark 13022023 VA_Deel3.pdf

Commissie Woonomgeving 20 maart 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan ‘Emmeloord, Dokter Jansenpark’23.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld

Bijlage 10

Nader ecologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

73

Rapport

Lelystad, november Auteur: R. Wielink

Nader onderzoek ecologie: Dokter J.H Jansencentrum, Emmeloord

Landschap verbindt Landschapsbeheer Flevoland streeft naar ontwikkeling, beheer en behoud van een ecologisch waardevol landschap met een streekeigen karakter, zowel in het landelijk als stedelijk gebied. Samen met bewoners, overheden en agrariërs zoekt Landschapsbeheer naar kansen voor natuur en landschap.

Burgerparticipatie Landschapsbeheer stimuleert betrokkenheid van bewoners bij de natuur en het landschap in de eigen leefomgeving. Samen verantwoordelijk voor de inrichting en het beheer van de eigen ‘achtertuin’.

Het werk van Landschapsbeheer Flevoland is onder te verdelen in vier werkvelden :

Soortenbeheer In het Flevolandse landschap horen tal van plant- en diersoorten. De (tijdelijke) aanvullende maatregelen die Landschapsbeheer uitvoert, dragen bij aan het realiseren van een zelf functionerend ecosysteem.

Cultuurhistorie en Aardkunde De geschiedenis van Flevoland heeft mens en landschap bepaald. Om de eigen leefomgeving goed te begrijpen speelt kennis van het ontstaan van het gebied een belangrijke rol.

Landschap Singels, laanbomen, bermen, dijken, dorpsbossen, weilanden, akkers, stedelijk groen en groot open water zijn dragers van het landschap. Beheer, behoud en ontwikkeling van deze landschapselementen dragen bij aan de beleving van ons landschap.

Titel Auteur Rapportnummer Datum

: Nader onderzoek ecologie: Dokter J.H Jansencentrum, Emmeloord : R. Wielink : LBF-2021-064 : november 2021

Landschapsbeheer Flevoland Botter 14-03 8232 JP Lelystad t: 0320-294939 e: flevoland@landschapsbeheer.net www.landschapbeheer.net

2

Inhoud Samenvatting...................................................................................................................................... - 4 1. Inleiding .......................................................................................................................................... - 5 1.1 Beschrijving studiegebied........................................................................................................ - 6 1.2 Wet natuurbescherming .......................................................................................................... - 8 2. Methode.......................................................................................................................................... - 9 2.1 Gierzwaluw................................................................................................................................ - 9 2.2 Huismus .................................................................................................................................... - 9 2.3 Nesten van jaarrond beschermde roofvogels ........................................................................ - 9 2.4 Ransuil ....................................................................................................................................

- 10 2.5 Spreeuw en grote bonte specht ............................................................................................ - 10 2.6 Vleermuizen ............................................................................................................................ - 10 2.7 Steenmarter en boommarter ................................................................................................ - 12 2.8 Kleine marterachtingen ......................................................................................................... - 12 3. Resultaat ...................................................................................................................................... - 13 3.1 Beschermde soorten waarop de voorgenomen ontwikkeling geen effect kan hebben. ... - 13 3.1.1 Gierzwaluw .......................................................................................................................... - 13 3.1.2 Huismus. ............................................................................................................................. - 13 3.1.3 Steen/boommarter ............................................................................................................. - 13 3.1.4 Jaarrond beschermde nesten van roofvogels ..................................................................

- 14 3.1.5 Laatvlieger ........................................................................................................................... - 14 3.1.6 Jachtgebied voor vleermuizen ........................................................................................... - 15 3.2 Beschermde soorten waarop de voorgenomen ontwikkeling wel effect kan hebben ....... - 15 3.2.1 Ransuil................................................................................................................................. - 17 3.2.2 Ransuil staat van instandhouding ..................................................................................... - 17 3.2.3 Gewone dwergvleermuis .................................................................................................... - 19 3.2.4 Gewone dwergvleermuis staat van instandhouding ........................................................ - 19 3.2.5 Spreeuw............................................................................................................................... - 25 3.2.6 Grote bonte specht ............................................................................................................. - 27 3.2.7 Wezel en bunzing ................................................................................................................

- 29 3.2.8 Broedende vogels algemeen ............................................................................................. - 30 4. Natuurinclusief bouwen............................................................................................................... - 31 4.1 Invasieve exoten. ................................................................................................................... - 34 Conclusie........................................................................................................................................... - 35 Bronnen ............................................................................................................................................ - 36 Bijlage 1:........................................................................................................................................ - 37 Bijlage 2:........................................................................................................................................ - 37 -

-3-

Samenvatting De gemeente Noordoostpolder wil werkzaamheden uitvoeren bij het Dokter J. H. Jansencentrum te Emmeloord. Om deze werkzaamheden uit te voeren wil zij rekening houden met de beschermde planten en dieren in het gebied. Om goed rekening te houden met de beschermde planten en dieren wordt meestal het volgende stramien gevolgd: • Een quick-scan van de soorten die in het gebied aanwezig kunnen zijn en die wellicht hinder ondervinden van de werkzaamheden • Een nader onderzoek of die soorten daadwerkelijk aanwezig zijn en suggesties hoe de schade beperkt kan worden • Een activiteitenplan met daarin de planning en uitvoer van de werkzaamheden in relatie tot de beschermde soorten. Dit laatste document is vaak ook noodzakelijk om een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soorten, aan te vragen bij het bevoegd gezag. De Groene Ruimte (2021) heeft de quick-scan uitgevoerd. Dit rapport gaat in op het nader onderzoek. Op basis van de quick-scan en het nader onderzoek blijken de volgende soorten hinder te ondervinden van de geplande werkzaamheden: • Ransuil • Grote bonte specht • Wezel • Bunzing • Spreeuw • Gewone dwergvleermuis Hierbij zijn de eerste vier soorten sterk gebonden aan het openbare groen rondom het Jansencentrum en de spreeuw en gewone dwergvleermuis aan het gebouw zelf.

In zijn algemeenheid moet rekening gehouden met broedende vogels, deze mogen niet dusdanig verstoort raken door werkzaamheden dat het broedsucces in gevaar komt. De aanwezigheid van deze soorten heeft grote implicaties voor het project. Bekeken moet worden of bij het ontwerp van het gebied meer rekening gehouden kan worden met de natuurwaarden zoals bijvoorbeeld het behoud van belangrijke groenstructuren op het terrein. Voor de werkzaamheden die alsnog schade opleveren voor de beschermde soorten zal een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, noodzakelijk zijn Daarnaast heeft de aanwezigheid van de beschermde soorten invloed op de planning. Enerzijds omdat de mitigerende maatregelen meerdere maanden voordat er schade optreedt al functioneel moet zijn: de dieren moeten een nieuw verblijf weten te vinden. Anderzijds omdat de soorten een kwetsbare periode kennen: periodes waarin hun verblijf niet aangetast mag worden. Hierdoor zal het in bepaalde manden van het jaar niet mogelijk zijn om in de buurt van zo’n verblijf werkzaamheden uit te voeren. De aanwezige natuurwaarden dienen dus een volwaardige plek te krijgen in het ontwerp en planningsproces van dit project. De ervaring leert dat hoe eerder in het proces dit onderdeel een plek krijgt hoe eenvoudiger het is.

Het geheel zal vormgegeven moeten worden in een activiteitenplan dat uiteindelijk voorgelegd wordt aan het bevoegd gezag voor een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soorten. Het is de Provincie Flevoland die uiteindelijk deze ontheffing verleend. Een dergelijke ontheffing aanvragen heeft een doorlooptijd van 13 weken (met eventueel een uitloop van 7 weken).

-4-

1. Inleiding De gemeente Noordoostpolder wil werkzaamheden uitvoeren bij het D. H. Jansencentrum te Emmeloord. Voordat deze werkzaamheden kunnen plaatsvinden, is inzicht nodig in de aanwezige natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming, onderdeel soorten. Eerder is een quick-scan uitgevoerd door De Groene Ruimte. Uit deze quick-scan bleek dat er nader onderzoek noodzakelijk is naar verblijfplaatsen van vleermuizen, boommarter en steenmarter, gierzwaluw en nesten van beschermde roofvogels, waaronder ook ransuil (De Groene Ruimte BV, 2020). Daarnaast heeft Landschapsbeheer geadviseerd om ook nader onderzoek uit te voeren naar huismus en spreeuw. De ervaring van Landschapsbeheer leert dat in elke wijk in Emmeloord huismus voorkomt: daarmee kunnen nesten van deze soort op voorhand niet uitgesloten worden. Uit de quick-scan van de Groene Ruimte blijkt dat spreeuw aanwezig is; in Flevoland een categorie 5b soort. Daarom is het zinvol om te onderzoeken waar de nesten van spreeuw zich precies bevinden en wat de kansen zijn voor deze soort in de directe omgeving. Daarnaast zijn spechtenholen aangetroffen van de grote bonte specht: in Flevoland een categorie 5b soort. Deze spechtenholtes zijn tevens in beeld gebracht. In januari 2021 zijn de kleine marterachtingen van de vrijstellingslijst gehaald door Gedeputeerde Staten.

Hierdoor zijn hermelijn, wezel en bunzing in de praktijk strenger beschermd bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aansluitend bij het beleid van de Provincie Flevoland, adviseert Landschapsbeheer om in te zetten op mitigerende maatregelen voor bunzing en wezel (Provincie Flevoland, 2021). Hermelijn is in Flevoland teruggedrongen naar de nattere natuurgebieden, waardoor het erg onwaarschijnlijk is dat deze soort hier voorkomt. Verblijfplaatsen van hermelijn worden daarmee uitgesloten. Vanwege haar expertise in ecologie, heeft de gemeente Noordoostpolder aan Landschapsbeheer Flevoland gevraagd om het nader onderzoek naar bovenstaande soorten uit te voeren. Daarnaast moet opgemerkt worden dat voor alle soorten, dus inclusief de soorten met een vrijstelling en soorten zonder bijzondere beschermingsstatus, de wettelijke zorgplicht geldt. Dit houdt in dat al het redelijke gedaan moet worden om verstoring van deze soorten te voorkomen.

-5-

1.1 Beschrijving studiegebied Het studiegebied bestaat uit een groot, complex en hoog gebouw. Voor het grootste deel bestaat het pand uit vier verdiepingen. Rondom het pand bevindt zich een groengebied met een parkachtige structuur. Er bevinden zich twee ruime parkeerplaatsen aan de oost- en westzijde. Aan de zuidzijde is buiten de omheining een smalle bosstrook aanwezig. In de quick-scan wordt verwezen naar lettercodes waarmee de verschillende zijden van het gebouw aangegeven worden (De Groene Ruimte BV, 2020). Zie bijlage 1 voor foto’s van het gebouw, deze corresponderen met de lettercodes uit figuur 1 (De Groene Ruimte BV, 2020).

Figuur 1. Onderzoeksgebied. De lettercodes verwijzen naar foto's in bijlage 1 (De Groene Ruimte BV, 2020).

-6-

Figuur 2. Afbeelding uit offerte met kenmerk 072005-054-rw. Onderzoeksgebied (binnen de groene cirkel).

Binnen het stedenbouwkundig plan (Imoss, 2021) valt op dat ook het gebouw van de Stichting Zorggroep Oude en Nieuwe Land verdwenen is. Dit gebouw viel buiten de scope van het ecologisch onderzoek, conform de offerte (figuur 2). Dit gebouw heeft zeker kansen voor vleermuizen en is in beeld als mogelijke verblijflocatie voor de vleermuissoort laatvlieger. Voordat er werkzaamheden aan dit pand kunnen plaatsvinden, dient duidelijk te zijn of er daadwerkelijk vleermuizen in dit pand huizen.

-7-

1.2 Wet natuurbescherming Binnen de Wet natuurbescherming zijn drie onderdelen te onderscheiden. 1. Beschermde natuurgebieden 2. Soortbescherming 3. Houtopstanden Landschapsbeheer heeft in het kader van onderdeel 2, Soortbescherming, nader onderzoek uitgevoerd. Bij elke initiatiefnemer rust de wettelijke plicht om aan te tonen dat door de werkzaamheden geen beschermde soorten (soortenbescherming) worden verstoord. Als verstoring niet is te voorkomen, dient door het bevoegd gezag (Provincie Flevoland) een ontheffing te zijn verleend voordat verstorende activiteiten mogen plaatsvinden. Daarnaast moet voldaan worden aan de voorwaarden voor een ontheffing in figuur 3 (citaat: (Provincie Flevoland, 2021)).

Welke regels gelden voor u? U komt alleen in aanmerking voor een ontheffing onder de volgende voorwaarden: • •

•

er is geen andere goede oplossing; er is sprake van een wettelijk belang: • het is in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid; • het is in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; • het doel is het voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren; • het doel is het beschermen van planten- en diersoorten; • het doel is het bevorderen van onderzoek of onderwijs, het uitzetten of opnieuw invoeren van planten- en diersoorten • als het gaat om bepaalde vogels: het is nodig om het vangen, houden en verstandig gebruiken van deze vogels in kleine hoeveelheden selectief en streng gecontroleerd toe te staan; én door uw activiteiten gaat de hoeveelheid van de planten- of diersoort niet achteruit.

Figuur 3. Regels bij het aanvragen bij een ontheffing Wet natuurbescherming (Provincie Flevoland, 2021).

Een aanvraag Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, kan worden opgestart middels een speciaal ontwikkeld formulier. Dit formulier is te vinden op de website van de Provincie Flevoland. Binnen 13 weken na ontvangst van de aanvraag wordt een beslissing genomen. De Provincie kan de termijn met 7 weken verlengen. In het aanvraagformulier kan verwezen worden naar de diverse hoofdstukken. Voor onderdeel 1 Beschermde natuurgebieden, is waarschijnlijk een AERIUS-berekening noodzakelijk voor deze ontwikkeling om te bepalen of er (negatieve) effecten zijn op gebied van stikstofdepositie. Dit valt buiten de expertise van Landschapsbeheer. Dit dient de gemeente Noordoostpolder aan te vragen bij een deskundig adviesbureau op dit gebied. Onderdeel 3, houtopstanden, gaat over het doen van kapmeldingen buiten de bebouwde kom. Het plangebied bevindt zich echter binnen de bebouwde kom. Hierdoor is een kapmelding bij de Provincie Flevoland niet noodzakelijk (Provincie Flevoland, 2021) en gelden de gemeentelijke regels. Indien er bomen verdwijnen waarin zich verblijfplaatsen van beschermde soorten bevinden, dient er wel een ontheffing te worden verkregen in het kader van onderdeel 2, soortenbescherming, voordat de kap kan plaatsvinden.

-8-

2. Methode De Wet natuurbescherming kent een lange lijst van beschermde soorten. Op basis van de quickscan (De Groene Ruimte BV, 2020) en op basis van expert judgement is bepaald naar welke soorten nader onderzoek verricht moest worden. Welke soorten kunnen in het gebied voorkomen en vormt dan de geplande ontwikkeling een bedreiging voor de soort. Dit resultaat is beschreven in hoofdstuk 3. Nader onderzoek is uiteindelijk verricht naar: - Gierzwaluw - Huismus - Nesten van roofvogels met jaarrond beschermd nest - Ransuil - Spreeuw en grote bonte specht - Vleermuizen - Steenmarter en boommarter - Daarnaast is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van de kansen voor kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing). De data waarop het veldwerk is uitgevoerd zijn terug te vinden in bijlage 2.

2.1 Gierzwaluw De gevraagde onderzoeksinspanning voor de gierzwaluw is vastgelegd in een soortenstandaard (RVO). Op basis van deze soortenstandaard is de volgende onderzoeksinspanning uitgevoerd: In de periode 1 juni-15 juli zijn drie bezoeken afgelegd. Onderzoek vindt plaats bij het invliegen in de avondschemer.

2.2 Huismus De gevraagde onderzoeksinspanning voor de huismus is vastgelegd in een soortenstandaard (RVO). Op basis van deze soortenstandaard is de volgende onderzoeksinspanning uitgevoerd: Huismus:

Voor de huismus wordt in het voorjaar gezocht naar een zonnige dag met relatief hoge temperaturen. Het gebied wordt geïnventariseerd door alle territorium indicerende dieren te noteren. Het betreft vooral tjilpende mannetjes, parende mussen, mussen die voer brengen, maar ook dieren die nestmateriaal onder het dak aanbrengen of waarvan de nesten gedeeltelijk zichtbaar zijn worden genoteerd. Minimaal twee bezoeken dienen plaats te vinden in de periode 1 april-15 mei. Onderzoek vindt overdag (9.00-16.00 uur) plaats.

2.3 Nesten van jaarrond beschermde roofvogels Nesten van de meeste roofvogels en uilen zijn jaarrond beschermd. Reden om deze nesten te zoeken in het voorjaar (geen bladeren aan de bomen). Nesten van roofvogels en uilen kunnen vooral gevonden worden in de bomen. Tijdens de bomeninspectie is meteen gekeken of er nesten van deze vogels aanwezig (kunnen) zijn.

-9-

2.4 Ransuil Aansluitend bij de telrichtlijnen van SOVON, zijn in de periode tussen 20 februari t/m 20 juli twee bezoeken afgelegd in de schemering. Roepende ransuilen in deze periode zijn hierbij een indicatie voor een broedgeval. Daarnaast zijn tijdens de schemer en nacht diverse onderzoeken geweest omdat dit te combineren was met het vleermuizenonderzoek. Binnen de quick-scan waren ook al aanwijzingen gevonden voor broedende ransuilen (De Groene Ruimte BV, 2020). Bekend is dat ransuilen reageren op de roep van een soortgenoot die afgespeeld wordt via een speaker. Hier is gebruik van gemaakt tijdens het bezoek van 19 februari en 28 mei, bij antwoord is direct gestopt met het afspelen van geluid om verplaatsing richting speaker te voorkomen.

2.5 Spreeuw en grote bonte specht Nesten van verschillende spechtensoorten en spreeuw vallen binnen de Wet natuurbescherming onder categorie 5b, nesten die in beginsel niet jaarrond beschermd zijn, tenzij door aantasting van. Reden om holten in bomen in kaart te brengen en te bepalen of er aanleiding is om te veronderstellen dat de soort in het gebied broedt. In het voorjaar (geen bladeren aan de bomen) is gezocht in de bomen naar holtes waar spreeuw en grote bonte specht gebruik van kunnen maken. Daarnaast is voor spreeuw gekeken naar de mogelijkheden in de aanwezige gebouwen. Het onderzoek naar spreeuw in de gebouwen is gecombineerd met de veldbezoeken voor huismus.

2.6 Vleermuizen De gevraagde onderzoeksinspanning voor vleermuizen is gebaseerd op het vleermuisprotocol (Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2021). Vleermuis:

In de periode 15 mei-15 juli: twee bezoeken. In de periode 15 augustus -1 oktober 2 bezoeken. Rond 15 augustus ook een onderzoek naar mogelijke massawinterverblijven. Onderzoek vindt bij voorkeur plaats in de ochtendschemer (invliegen) m.u.v. het zoeken naar massawinterverblijven dat in de middernacht plaatsvindt. 1 extra avondbezoek voor 15 augustus i.v.m. de Laatvlieger/meervleermuis. Uitvliegende vleermuizen zijn lastiger te inventariseren dan invliegende vleermuizen, het bezoek bij uitvliegen is afgelegd met 4 waarnemers.

Voor het inventariseren van een groter gebied is inventariseren in de ochtend noodzakelijk. In de schemer zijn de dieren ongeveer een half uur aan het zwermen bij de opening. In dit half uur moet de onderzoeker deze locatie dus passeren om het verblijf te kunnen vinden. Voor de start van de schemer zijn de onderzoekers in het gebied op zoek naar de zwermende dieren. Binnen anderhalf uur wordt minimaal drie keer een ronde om het gebouw gelopen. De resterende tijd wordt meestal benut om het gebied waar de laatste dieren zijn aangetroffen nog eens extra te controleren. Meervleermuis, laatvlieger en gewone dwergvleermuis zijn de belangrijkste gebouwbewonende vleermuissoorten van Flevoland. Het tijdstip waarop de dieren inzwermen verschilt. Meervleermuis vroeg in de schemer, gewone dwergvleermuis laat in de schemer en laatvlieger ertussen in. Omdat we altijd voor de start van de schemer in het gebied zijn, zouden we alle drie de soorten moeten kunnen aantreffen. Ruige dwergvleermuis en watervleermuis zijn de belangrijkste boombewonende vleermuizen van Flevoland. Hierbij geldt ook dat de onderzoekers altijd ruim op tijd aanwezig zijn. Voor watervleermuis is een extra bezoek afgelegd waarbij gekeken is met vier waarnemers of er

- 10 -

watervleermuizen uit het plangebied kwamen (wat indicatie is voor een verblijfplaats) door op strategische plekken langs de Lemstervaart te posten. Voor het vleermuisonderzoek geldt tevens het volgende: De temperaturen waren altijd ruim boven de 10°C in de periode mei-augustus en boven de 7°C in september, er was geen neerslag en de wind was minder dan 5 Bf. Dwergvleermuizen zwermen in de ochtendschemer gedurende ongeveer een half uur nabij de verblijfplaats alvorens binnen te gaan. Een ideaal tijdstip om een verblijfplaats van een vleermuis te vinden. In de ochtend roepen in de paartijd de mannetjes van de gewone dwergvleermuis vooral vanuit de paarplek en veel minder vliegend. Vleermuizen worden geïnventariseerd met vleermuisdetectoren. Tijdens het onderzoek is door verschillende medewerkers van Landschapsbeheer gebruik gemaakt van de volgende apparatuur Petterson D100, D240 en Skye SBR 1200. Om (massa)winterverblijven in kaart te brengen wordt in augustus-september rond middernacht gezocht naar zwermende dieren. Deze indiceren het gebruik van dat gebouw in de winterperiode. Voorwaarde voor deze controle is dat de temperatuur relatief hoog is (>7 graden; geen neerslag en wind kleiner 5 Bf).

Het onderscheid tussen een kraamkolonie, zomerverblijf en paarverblijf is enerzijds afhankelijk van het aantal dieren en/of de periode van het jaar: • Aantal dieren > 10 in periode mei-15 juli is kraamkolonie • Aantal dieren < 10 in periode mei-15 juli of geen roepactiviteit in periode 15 juli-1 oktober is zomerverblijf • Roepend dier in de periode 15 juli-1 oktober is paarverblijf.

- 11 -

2.7 Steenmarter en boommarter Het onderzoek naar steenmarter en boommarter is uitgevoerd met behulp van wildcamera’s met lokstoffen (pindakaas). Het plaatsen van lokstof vergroot de kans op het aantreffen van steenmarter en boommarter. Zie bijlage 2 voor de data waarop de wildcamera’s actief waren. Daarnaast is in en rondom het gebouw gezocht naar mogelijkheden voor een verblijfplaats, door te zoeken naar geschikte holtes, takkenhopen, openingen in gebouwen, e.d.

Figuur 4. Locaties van wildcamera's voor onderzoek naar steenmarter en boommarter.

2.8 Kleine marterachtingen In januari 2021 zijn de kleine marterachtingen van de vrijstellingslijst gehaald door Gedeputeerde Staten. Hierdoor zijn hermelijn, wezel en bunzing in de praktijk strenger beschermd bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aansluitend op het beleid van de Provincie Flevoland, adviseert Landschapsbeheer om in te zetten op mitigerende maatregelen voor bunzing en wezel (Provincie Flevoland, 2021). Voor de kleine marterachtigen is gebruik gemaakt van expert judgement. Hermelijn is in Flevoland teruggedrongen naar de nattere natuurgebieden, waardoor het erg onwaarschijnlijk is dat deze soort hier voorkomt. Verblijfplaatsen van hermelijn worden daarmee uitgesloten. Verblijfplaatsen van wezel en bunzing kunnen niet uitgesloten worden.

- 12 -

3. Resultaat Er is onderzoek gedaan naar diverse soorten. Landschapsbeheer adviseert om een ecologisch werkprotocol te ontwikkelen in samenwerking met een ecoloog en tijdig met het bevoegd gezag te overleggen over de mitigatie en aangetroffen verblijfplaatsen van beschermde soorten. Zodat de benodigde ontheffingsprocedures zo spoedig mogelijk verlopen. Er is onderscheid gemaakt in soorten waarvan een verblijfplaats is aangetroffen en waarop de voorgenomen ontwikkelingen effect (zouden kunnen) hebben en soorten waarop de voorgenomen ontwikkelingen geen effect hebben.

3.1 Beschermde soorten waarop de voorgenomen ontwikkeling geen effect kan hebben

Verschillende beschermde soorten kunnen aanwezig zijn in het plangebied zonder dat de planvorming leidt tot een effect op de soort. Binnen het nader onderzoek is gekeken of er een verblijfplaats van de beschermde soort aanwezig is en of de voorgenomen werkzaamheden effect kunnen hebben op de desbetreffende soort.

3.1.1 Gierzwaluw

Tijdens het onderzoek vlogen er 1-5 gierzwaluwen boven het stadsdeel. Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen van gierzwaluwen binnen het nader onderzoek. Hiermee worden er geen gierzwaluwen gestoord in hun leefomgeving door de voorgenomen werkzaamheden en is voor deze soort geen ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk.

3.1.2 Huismus

Er zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen van huismussen binnen het nader onderzoek. Hiermee worden er geen huismussen gestoord in hun leefomgeving door de voorgenomen werkzaamheden en is voor deze soort geen ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk.

3.1.3 Steen/boommarter

Met behulp van wildcamera’s is in maart om 02:27 uur één keer een boommarter waargenomen in de bosstrook aan de H-zijde (bijlage 1). Gezien het tijdstip dat de boommarter is aangetroffen (in combinatie met het aantal waarnemingen), is het zeer onwaarschijnlijk dat deze boommarter een verblijfplaats in de nabijheid heeft van het J. H. Jansencentrum. Bij een waarneming midden in de nacht, is het waarschijnlijker dat de boommarter dit terrein gebruikt als foerageergebied. Daarnaast is de boommarter maar een keer vastgesteld met de wildcamera. Bij een actieve verblijfplaats binnen het plangebied zou het aannemelijk zijn dat de boommarter vaker vastgesteld zou worden via de wildcamera. In de gebouwen, schuren en aangrenzende groenstroken is gezocht naar locaties waar steenmarter en boommarter gebruik van zouden kunnen maken. Er is bijvoorbeeld gezocht naar openingen in gebouwen, takkenhopen, grote holtes in bomen, e.d. Er zijn geen plekken aangetroffen die zouden kunnen dienen als verblijfplaats voor steenmarter en boommarter. Hiermee wordt een verblijfplaats van deze soorten uitgesloten. Er is geen ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor steenmarter en boommarter omdat er geen verblijfplaatsen verstoord raken. In de plannen voor het plangebied is veel aandacht voor groen en de aanwezige groenstructuren worden zoveel mogelijk behouden.

Er wordt daardoor ook geen effect verwacht op de functie van het gebied als foerageergebied en migratiegebied voor deze soorten. Figuur 5. Boommarter Daarnaast profiteert de boommarter mee van de mitigerende maatregelen die genomen worden voor andere soorten. De combinatie geen verblijfplaats, aandacht voor groen in de plannen en de mitigerende

- 13 -

maatregelen voor andere soorten die ook een positief effect hebben op de boommarter, maakt dat er geen speciale rekening gehouden hoeft te worden met deze soort.

3.1.4 Jaarrond beschermde nesten van roofvogels

Naast de verblijfplaatsen van ransuil zijn er geen andere jaarrond beschermde nesten van roofvogels en/of uilen aangetroffen binnen het plangebied. Hiermee hoeft geen rekening gehouden te worden met jaarrond beschermde nesten van roofvogels, buiten de ransuil.

3.1.5 Laatvlieger

Een verblijfplaats van laatvlieger binnen het originele plangebied is uitgesloten (figuur 6). Maar een verblijfplaats in het gebouw van de Stichting Zorggroep Oude en Nieuwe Land van laatvlieger kan niet uitgesloten worden. Ten tijde van het onderzoek was er activiteit van laatvlieger rondom dit gebouw, hetgeen kan wijzen op een verblijfplaats van deze soort. Dit gebouw viel buiten de scope van het ecologisch onderzoek, conform de offerte. Dit gebouw heeft zeker kansen voor vleermuizen. Voordat dit gebouw gesloopt kan worden, dient duidelijkheid te zijn over het daadwerkelijke gebruik door vleermuizen.

Figuur 6. Onderzoeksgebied (binnen de groene cirkel).

- 14 -

3.1.6 Jachtgebied voor vleermuizen

Bij de bosrand en op de parkeerplaatsen zijn alle keren dat er veldbezoeken waren, jagende laatvliegers (maximaal 5 exemplaren) geconstateerd (figuur 7). Daarnaast zijn er langs de bosrand ook veelvuldig jagende gewone dwergvleermuizen (maximaal 25) en sporadisch ruige dwergvleermuizen (maximaal 5, in het najaar) aangetroffen (figuur 7). De hoeveelheid jagende vleermuizen verschilde iets per seizoen, maar duidelijk is wel dat tijdens elk bezoek jagende vleermuizen aanwezig waren. Het gebied rondom het complex is aantrekkelijk voor vleermuizen door zijn parkachtige landschap en de vaart langs het terrein. Gecombineerd met een robuust gebouw is de afstand verblijfplaats - jachtgebied hierdoor beperkt, wat onnodig energieverlies van de vleermuizen scheelt. Of er sprake is van een essentieel jachtgebied (bij verlies zou de lokale populatie daar effect van ondervinden) valt te betwijfelen. Het oppervlak is beperkt voor dieren die een actieradius hebben van enkele kilometers (dwergvleermuis) tot tientallen kilometers (laatvlieger). Het gebied krijgt binnen het plan een parkachtige uitstraling met veel groen. Voor jagende vleermuizen levert dit nog steeds kansen op. Laatvlieger, ruige- en gewone dwergvleermuis zijn niet erg gevoelig voor verstoring door licht. Daarmee wordt geen negatief effect verwacht door de ontwikkeling op de mogelijkheden om te jagen op deze locatie.

Figuur 7. Gebieden waar jagende vleermuizen zijn geconstateerd. Rood: Laatvlieger, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis (najaar). Blauw: laatvlieger. Elk bezoek waren jagende vleermuizen aanwezig, waarbij concentraties van dieren zich bevinden in de gekleurde gebieden.

3.2 Beschermde soorten waarop de voorgenomen ontwikkeling wel effect kan hebben

Binnen het nader onderzoek zijn beschermde soorten aangetroffen waarop de voorgenomen ontwikkeling effect heeft. Het gaat hierbij om: ransuil, gewone dwergvleermuis, spreeuw, grote bonte specht, wezel en bunzing. Daarnaast moet rekening gehouden worden met broedende vogels. Voor deze soorten geldt dat er een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is en dat er - 15 -

mitigerende maatregelen getroffen moeten worden. De mitigerende maatregelen moeten verder omschreven worden in een ecologisch activiteitenplan waarin exact aangegeven wordt hoe en waar de alternatieven gerealiseerd worden. Dit activiteitenplan moet bijgesloten worden bij de ontheffingsaanvraag. Voor de soorten waarop de werkzaamheden effect (kunnen) hebben, is ook de staat van instandhouding beschreven. Dit is een maat waarmee de duurzaamheid van een populatie wordt uitgedrukt, waarin de volgende aspecten worden meegewogen: verspreiding, populatie, leefomgeving en toekomstperspectief.

- 16 -

3.2.1 Ransuil

Uit de quick-scan van De Groene Ruimte bleken dat er aanwijzingen zijn voor een nest en roestplaats van de ransuil. Verblijfplaatsen van ransuil vallen in categorie 4, ‘vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en niet of nauwelijks in staat zijn zelf een nest te bouwen’. Landschapsbeheer heeft nader onderzoek gedaan en heeft geconcludeerd dat er een nest aanwezig is in het gele perceel (figuur 5). Op 19 februari 2021 zijn twee ransuilen gezien in het territorium. Hierbij zijn baltsgeluiden waargenomen en het luid klapperen met vleugels, hetgeen wat indicatie is voor een nestlocatie. Deze waarnemingen zijn gedaan vanuit de tuin, de waarnemer stond binnen het rode vierkant op figuur 8. Vanuit eerder onderzoek was al bekend dat hier ransuilen in het geel omrande perceel gebroed hebben (De Groene Ruimte BV, 2020). In dit onderzoek werd ook een roestplaats (16 juni 2020) geconstateerd (De Groene Ruimte BV, 2020). Indicatie hiervan waren de aanwezige poepsporen en braakballen en een verse (dode) huisspitsmuis. Deze roetsplaats is gebruikt in de zomer, waarschijnlijk zijn hier ook jongen gevoerd. De precieze nestlocatie is niet aan te wijzen. In het perceel staan verschillende met klimop begroeide bomen, die geschikt zijn.

Door de klimop is niet te zien of er bijvoorbeeld oude kraaiennesten aanwezig zijn in deze bomen, maar dit wordt wel vermoed door Landschapsbeheer. De wet natuurbescherming schrijft voor dat het nest functioneel behouden moet worden, m.a.w. niet alleen het nest moet behouden worden maar ook een zodanig deel van het bos dat de ransuil hier weer wil broeden. Voor de functionaliteit van het nest zou het gehele gele perceel behouden moeten worden. De structuur wordt gekenmerkt door dichte begroeiing.

Figuur 8 Roestplaats ransuil en nestplaats ransuil binnen het aangegeven bosperceel (oranje lijn). Het rode vierkant geeft aan op welke locatie de ecoloog stond toen hij twee ransuilen waarnam.

Mogelijke mitigatie Het zal niet eenvoudig zijn om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van de rustplaats en nestplaats van ransuil vanwege het ontbreken van een goed belang om een vogelrichtlijnsoort - 17 -

te verstoren. Landschapsbeheer adviseert om de bestaande structuren te behouden en in te bouwen in het inrichtingsplan. Daarmee adviseert Landschapsbeheer om het geel omlijnde bosperceel op figuur 5 te behouden gezien de aanwezigheid van de ransuil. Mocht de gemeente Noordoostpolder kiezen voor een ontheffingsprocedure, zal het wettelijk belang goed beargumenteert moeten worden. De uitgangspositie moet dan tevens zijn dat het eindresultaat gunstiger is voor de ransuil dan de huidige situatie. Indien nesten van ransuil verstoord raken, dienen minimaal 2 alternatieve nestlocaties aangeboden te worden. Kunstmatige nestgelegenheid voor ransuil kan aangeboden worden door rieten manden met een diameter van 46 cm, hoogte 15 cm. Deze dient dicht tegen de stam aan geplaatst te worden in een V-vormige tak van een boom. Er dient een vrije aanvliegroute te zijn voor de ransuil. De mand dient voor de helft gevuld te worden met turf, bosgrond of dor blad. De locatie voor de alternatieve nestgelegenheid dient beoordeeld te worden door een ecologisch deskundige. Eventuele werkzaamheden dienen buiten de kwetsbare broedperiode van de ransuil uitgevoerd te worden (1 maart tot 1 oktober) of dienen buiten de invloedssfeer van het nest plaats te vinden (Stowa, 2009). Ransuilen keren jaarlijks terug naar dezelfde roestplaats.

Indien de roestplaats verstoord raakt, zijn er voldoende alternatieve roestlocaties beschikbaar. Ransuilen houden van dichte bosjes in een parkachtig landschap. Er dienen voldoende van deze plekken over te blijven. Gezien de plannen waarbij er een parkachtige structuur nagestreefd wordt, is dit voldoende gewaarborgd.

3.2.2 Landelijke en lokale staat van instandhouding: Ransuil

De landelijke Staat van Instandhouding van de Ransuil als broedvogel in Nederland is zeer ongunstig (Sovon, 2021). Er is geen reden om aan te nemen dat de lokale staat van instandhouding een andere trend volgt dan de landelijke. Lokaal spelen er dezelfde bedreigingen als dat er landelijk zijn. Ook in Emmeloord staat het leefgebied onder druk en speelt nestconcurrentie met o.a. zwarte kraai en ekster. Hiermee is de lokale stand van instandhouding tevens zeer ongunstig. Door het treffen van mitigerende maatregelen is er geen effect op de staat van instandhouding van de ransuil.

- 18 -

3.2.3 Gewone dwergvleermuis

Er is onderzoek gedaan naar diverse vleermuissoorten. Er zijn alleen verblijfplaatsen aangetroffen van gewone dwergvleermuis. Op basis van het nader onderzoek worden verblijfplaatsen van andere vleermuissoorten binnen het plangebied uitgesloten. Binnen het nader onderzoek zijn diverse verblijven van gewone dwergvleermuis geconstateerd (figuur 12, blz 22). Het gaat hierbij om een zomerverblijf, een paarverblijf en twee massawinterverblijven. Het paarverblijf is vastgesteld op 15-08-2020. Er is 1 waarnemer die 1 vleermuis op deze locatie naar binnen heeft zien gaan. Een paarverblijf bestaat doorgaans uit 1 tot 5 vleermuizen. Dit lagere gedeelte van het gebouw heeft (houten) gevelbekleding, hier zit ruimte achter waar het dier naar binnen ging. Het zomerverblijf is vastgesteld op 10 juni 2021 door 1 waarnemer. Op 18-08-2020 werd hier ook al een zomerverblijf vermoed door diezelfde waarnemer. Dit verblijf is in augustus 2020 gedefinieerd als zomerverblijf omdat er geen paarroepjes te horen waren. Van 1 vleermuis is vastgesteld dat deze hier naar binnen ging, maar een zomerverblijf bestaat doorgaans uit 1 tot 10 dieren. Het zwermen gebeurde vooral in de nabijheid van het zonnescherm (linkerbovenhoek). Hier is ook een gewone dwergvleermuis naar binnen gegaan. De twee massawinterverblijven zijn gedefinieerd als aparte verblijven gezien de grote afstand tussen de invliegopeningen.

Dit zijn de enige massawinterverblijven van gewone dwergvleermuis die bekend zijn bij Landschapsbeheer in Emmeloord. Hierbij is het belang voor de gewone dwergvleermuis van deze groot. Het gaat om enkele honderden gewone dwergvleermuizen (150300 exemplaren bij beide locaties). De massawinterverblijven zijn geconstateerd op 18 augustus 2020 door twee waarnemers. Er is geteld met zaklampen. De zwermduur was duidelijk afwijkend. Vanaf 00.00 uur tot 02.00 uur is er een continue zwerm aanwezig geweest bij beide locaties. Er zijn ook dode vleermuizen gemeld bij Landschapsbeheer in dit gebouw, in totaal gaat het om twee meldingen die bekend zijn bij Landschapsbeheer. Er zijn dode vleermuizen gevonden in het gebouw in april 2020 en op 6 september 2021 (tijdens de eerste melding werd ook opgemerkt werd dat in het verleden ook dode vleermuizen gevonden werden). De soort betrof gewone dwergvleermuis. Dit wijst tevens op de aanwezigheid van een massawinterverblijf, met name de melding van vroeg in het jaar. Het zwermen vond hoog in het gebouw plaats. Waar de invliegopeningen precies zijn, is niet te bepalen. Bij het massawinterverblijf bij de liftschacht is duidelijk dat er dakranden aanwezig zijn waar de dieren achter kunnen. Hoog in de hoek gaan de vleermuizen naar binnen.

Gezien de constructie lijkt dit de meest waarschijnlijke plek waar de vleermuizen naar binnen gaan bij dit verblijf. Bij het andere massawinterverblijf (daar waar ook het zomerverblijf aanwezig is) zwermen de vleermuizen in aan de kopse kant in een hoge stootvoeg. Voor het verstoren van verblijven van vleermuizen is een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, noodzakelijk. Mogelijke mitigatie Voor elke verblijfplaats die zijn functie niet meer kan vervullen, dienen meerdere alternatieve verblijfplaatsen aangeboden te worden. Afhankelijk van de precieze planning is het mogelijk dat er zowel tijdelijke als permanente mitigatie noodzakelijk is. De alternatieve verblijfplaatsen dienen van dezelfde of verbeterde kwaliteit te zijn als de oorspronkelijke verblijfplaats. Permanente vleermuiskasten dienen ingebouwd te worden in de nieuwe gebouwen of de spouwmuur dient beschikbaar gesteld te worden. Vleermuizen beschadigen spouwmuren niet; zij knagen niet aan isolatiemateriaal en hebben geen riekende uitwerpselen. Doordat vleermuizen insecten eten, zijn hun keutels droog en geurloos. - 19 -

Het beschikbaar stellen van de spouwmuren kan door het aanbrengen van open stootvoegen. De stootvoegen dienen 1,5 cm breed te zijn (dit komt erg nauw, bij grotere stootvoegen is er teveel tocht. Bij smallere stootvoegen past de vleermuis niet door de stootvoeg). Verschillende verblijffuncties Voor de verschillende verblijffuncties is andere mitigatie noodzakelijk. Zoals te zien is in figuur 9, worden de verblijven in verschillende perioden in het jaar gebruikt. Zoals ook op te maken is uit figuur 9, is er geen optimale periode voor de werkzaamheden bij de locatie waar zowel een massawinterverblijf als een zomerverblijf geconstateerd is. Binnen de paartijd zijn gewone dwergvleermuizen het meest mobiel en flexibel. Aansluitend op de informatie uit het kennisdocument gewone dwergvleermuis, adviseert Landschapsbeheer om in de paarperiode te werken (15 augustus – 15 oktober) (BIJ12, 2017). Ook bij het andere massawinterverblijf is dit de meest optimale periode om te werken omdat dit buiten de kwetsbare periode valt voor kraamgroepen en de gewone dwergvleermuis in deze periode mobieler is en meer migreert. Daarnaast moeten er aanvullende mitigerende maatregelen getroffen worden. Gewone dwergvleermuizen gebruiken een netwerk aan paarplekken. Werken bij de geconstateerde paarplek, kan met een ontheffing buiten de kwetsbare periode in figuur 9 (15 oktober – 15 augustus).

Daarnaast moeten er aanvullende mitigerende maatregelen getroffen worden.

Figuur 9. Vleermuizen gebruiken hun verblijfplaatsen voor verschillende functies. De kwetsbare periodes voor de verblijfplaatsen is aangegeven in deze kalander. Gefaseerd werken is noodzakelijk bij de uitvoering.

Massawinterverblijven In de nieuwbouw dient plaats gemaakt te worden voor verschillende massawinterverblijfplaatsen. Elke gevonden locatie dient met een factor 2 gemitigeerd te worden. Er dienen in totaal 4 alternatieve locaties gerealiseerd te worden, waar grote groepen gewone dwergvleermuizen kunnen overwinteren. In de hoogbouw van 8 lagen, dient van de vier verblijfplaatsen er minimaal 1 alternatieve massawinterverblijfplaats gerealiseerd te worden. Er dient een gefaseerd sloopplan gehanteerd te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid hebben om het gerealiseerde massawinterverblijf plek in fase 1 te ontdekken. Gezien de gefaseerde bouw, kunnen niet alle alternatieve verblijfplaatsen in jaar 1 gerealiseerd worden. Hierdoor zijn er tijdelijk minder mogelijkheden voor de gewone dwergvleermuis, maar in het eindbeeld is de situatie voor de gewone dwergvleermuis verbeterd ten opzichte van de huidige situatie. Het bevoegd gezag dient deze werkwijze voorafgaand goed te keuren, Landschapsbeheer adviseert hierover in gesprek te gaan met het bevoegd gezag.

- 20 -

Een vervangende massawinterverblijfplaats dient aan een aantal eisen te voldoen: - Op een minimale hoogte van 3 bouwlagen; - De luchtvochtigheid van de ruimte dient hoog te zijn zodat overwinterende vleermuizen niet uitdrogen; - De verblijfplaats dient vorstvrij te zijn; Er is nog weinig bekend over massawinterverblijven. Monitoring van de maatregelen is noodzakelijk om de effectiviteit te garanderen. Indien blijkt dat de maatregelen geen gunstig effect hebben, kan het nodig zijn om nog aanvullende maatregelen te nemen. De huidige locaties waar overwinterd wordt dienen ongeschikt te worden gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het aanbrengen van licht bij de invliegopeningen en het maken van openingen waardoor er tocht ontstaat in de spouwmuur. Het is noodzakelijk om een apart ecologisch werkprotocol te (laten) ontwikkelen door een ecologisch deskundige op gebied van gewone dwergvleermuizen. Duidelijk is dat de aanwezigheid van twee massawinterverblijven een groot effect heeft op de uitvoer en planning van de werkzaamheden en dat alleen gewerkt kan worden met een ontheffing Wet natuurbescherming en een ecologisch werkprotocol. Dit ecologisch werkprotocol zal niet vrijblijvend zijn; de voorschriften in het ecologisch werkprotocol dienen verplicht opgevolgd te worden.

Figuur 10. Fasering werkzaamheden. Binnen fase 1 moet gelijk gemitigeerd worden voor 1 massawinterverblijven van gewone dwergvleermuis. In de daaropvolgende fases worden tevens mogelijkheden voor een massawinterverblijf voor gewone dwergvleermuis gerealiseerd (minimaal 4).

- 21 -

Figuur 11. Verdeling laag- en hoogbouw uit het stedenbouwkundig plan (Imoss, 2021). De massawinterverblijven dienen gemitigeerd te worden in de hoogbouw (vanaf 4 lagen, de geel uitgelichte gebouwen op dit figuur. In de hoogbouw met 8 lagen, moet minimaal 1 voorziening getroffen worden voor een winterverblijf voor gewone dwergvleermuis.

Figuur 12. Locaties van de diverse vleermuisverblijven.

- 22 -

Zomerverblijf en paarverblijf Indien het zomerverblijf en het paarverblijf van de gewone dwergvleermuis verstoord raken, dienen de verblijfplaatsen gemitigeerd te worden door ten minste 4 alternatieve locaties. De alternatieve locaties dienen minimaal twee maanden (effectief) beschikbaar te zijn alvorens het verblijf te verstoren. Er is één paarverblijf en één zomerverblijf aangetroffen. Daarmee dienen er minimaal 8 alternatieve locaties gerealiseerd te worden vanwege het paarverblijf en het zomerverblijf. Dit kan door het beschikbaar stellen van de spouwmuur of door het inbouwen van vleermuiskasten, geschikt voor gewone dwergvleermuis. Dit dienen extra locaties te zijn, naast de verblijven die al gerealiseerd worden als massawinterverblijf. Het gebruik van standaard inbouwkasten voor de mitigatie van zomer- en paarverblijven kan aangehouden worden. Echter, het heeft de voorkeur om de spouwmuur beschikbaar te stellen door het aanbrengen van open stootvoegen.

Figuur 13. Verdeling laag- en hoogbouw uit het stedenbouwkundig plan (Imoss, 2021). De massawinterverblijven dienen gemitigeerd te worden in de hoogbouw (4 lagen en hoger, de geel uitgelichte gebouwen op dit figuur. In de hoogbouw met 8 lagen, moet minimaal 1 voorziening getroffen worden voor een winterverblijf voor gewone dwergvleermuis.

- 23 -

3.2.4 Landelijke en lokale staat van instandhouding: Gewone dwergvleermuis

Uit elk onderzoek dat uitgevoerd wordt door Landschapsbeheer in Flevoland blijkt dat de gewone dwergvleermuis een zeer gewone verschijning is en dat hij veelvuldig voorkomt. Dat er gewone dwergvleermuis in dit onderzoek aangetroffen werden voorkwamen was dan ook weinig verrassend. De populatie van de gewone dwergvleermuis wordt in Nederland beschouwd als thans niet bedreigd. De landelijke staat van instandhouding wordt beschouwd als gunstig (rode lijst, 2009). Hoewel er weinig onderzoeksgegevens beschikbaar over de lokale stand van instandhouding van de gewone dwergvleermuis in Emmeloord, ziet Landschapsbeheer geen reden om aan te nemen dat de populatie een andere trend volgt dan de landelijke. Daarmee is de populatie van de gewone dwergvleermuis in Emmeloord gunstig (rode lijst, 2009). De verspreiding van de gewone dwergvleermuis heeft een nationale dekking. Daarmee is de populatie in Emmeloord niet geïsoleerd, er kan uitwisseling plaatsvinden met andere populaties. Er lijken in Emmeloord geen andere bedreigingen te zijn dan dat er landelijk zijn.

- 24 -

3.2.5 Spreeuw

Er zijn vijf nesten van spreeuwen geconstateerd binnen het plangebied (figuur 14, 15). Deze bevinden zich in diverse gaten in het gebouw, aan zijde M en K (bijlage 1). De nesten van spreeuw vallen in categorie 5b, nesten die in beginsel niet jaarrond beschermd zijn, tenzij door aantasting de lokale staat van instandhouding van de soort in het geding komt, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Dit betekent dat de lokale staat van instandhouding bepaald of de nesten extra bescherming genieten en dat het aantal alternatieve locaties wat al beschikbaar is tevens van belang is. De landelijke staat van instandhouding van spreeuw als broedvogel is matig ongunstig (Sovon, 2021). Als gekeken wordt naar de dichtheden in de Noordoostpolder, valt op dat de relatieve dichtheden relatief laag zijn, zeker vergeleken met de aangrenzende delen van Friesland en de gemeente Steenwijkerland in Overijssel (Sovon, 2021). Over de lokale staat van instandhouding van de spreeuw in Emmeloord is weinig bekend. Wel is duidelijk dat er een toename is van broedgevallen in zuidelijk Flevoland en een afname in de Noordoostpolder. Aangenomen wordt dat de lokale trend in Flevoland de landelijke volgt, hiermee is de lokale staat van instandhouding matig ongunstig.

In acht nemend dat de staat van instandhouding matig ongunstig is, beoordeeld Landschapsbeheer dat door het verloren gaan van deze nesten de lokale staat van instandhouding in het geding komt. Er is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor het verstoren van deze nesten. Daarnaast dient gemitigeerd te worden. Dit kan door het aanbieden van nestkasten. Omdat vervangende nestgelegenheid nooit van dezelfde kwaliteit is als de oorspronkelijke nestplek, dient met een factor 2 gemitigeerd te worden. Er dienen 10 alternatieve locaties gerealiseerd te worden, indien de oorspronkelijke nestlocaties verloren gaan. Het aanbieden van alternatieve nestgelegenheid kan door het ophangen van spreeuwenkasten. De spreeuwenkasten kunnen opgehangen worden aan gebouwen of in bomen op minimaal 3 tot 5 meter hoogte. Een nestkast dient solide te zijn en water- en winddicht. Het formaat van de nestkast is 16 x 16 x 30 met een opening van 4,5 cm. Er zijn diverse standaard types beschikbaar. Indien deze voldoen aan deze specificaties, kunnen deze gebruikt worden als mitigatie. De nestkasten dienen minimaal 3 maanden voor het verstoren van de oorspronkelijke locaties gereed te zijn.

- 25 -

Figuur 14. Nestlocatie van spreeuw. Er zijn 5 nestlocaties vastgesteld.

Figuur 15. Nestlocaties van spreeuw.

- 26 -

3.2.6 Grote bonte specht

Binnen het onderzoeksgebied is een nestlocatie van de grote bonte specht geconstateerd (figuur 16). De nesten van de grote bonte specht vallen in categorie 5b, nesten die in beginsel niet jaarrond beschermd zijn, tenzij door aantasting de lokale staat van instandhouding van de soort in het geding komt, bijvoorbeeld omdat er geen of onvoldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Daarmee moet een beoordeling gemaakt worden over de uitwijkmogelijkheden voor deze soort en moet er een inschatting gemaakt worden van de lokale staat van instandhouding. De landelijke staat van instandhouding van de grote bonte specht wordt beoordeeld als gunstig (Sovon, 2021). Als gekeken wordt naar de verspreiding van de grote bonte specht over Nederland, is duidelijk te zien dat gebieden waar grotere bossen aanwezig zijn (Veluwe, Veluwezoom, Sallandse heuvelrug, Dwingelderveld) dichter bevolkt zijn dan de rest van Nederland. In de Noordoostpolder komen relatief weinig grote bonte spechten voor, met uitzondering van het Kuinderbos, het Urkerbos en Voorsterbos/Waterloopbos. Het nabijgelegen Emmelerbos biedt relatief veel mogelijkheden voor de grote bonte specht. Ondanks de kap van zieke essen een aantal jaar geleden, zijn hier nog veel mogelijkheden voor deze soort. Dat er minder grote bonte spechten voorkomen in de Noordoostpolder dan in andere delen van het land, is gezien het landschap geen verrassing.

Duidelijk is wel dat de soort in de bossen in de Noordoostpolder aanwezig is. Ook is duidelijk dat de soort zich relatief goed kan aanpassen aan de omgeving in de stad. Er zijn lokaal geen andere bedreigingen dan dat er landelijk zijn. Hiermee wordt de lokale staat van instandhouding van de grote bonte specht beoordeeld als gunstig. Er dient gewaarborgd te worden dat er na de werkzaamheden nog voldoende groene structuren over zijn voor deze soort. Daarbij is het van belang dat er voldoende volwassen bomen overblijven, die dik genoeg zijn voor het herbergen van een nest (diameter-borsthoogte: minimaal 20 centimeter). Gezien de parkachtige structuur die in het nieuwe stadsdeel nagestreefd wordt, is dit voldoende gewaarborgd. De huidige groene structuren worden zoveel mogelijk behouden. Hiermee beoordeeld Landschapsbeheer dat er geen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn voor de grote bonte specht. Wel dient met de het bevoegd gezag (Provincie Flevoland) afgestemd te worden of er een ontheffing noodzakelijk is voor het eventueel verwijderen van de holteboom. De holteboom heeft geen andere functies behalve die voor de grote bonte specht; er zijn bijvoorbeeld geen vleermuisverblijven aanwezig in deze boom.

- 27 -

Figuur 16. Locatie grote bonte specht

- 28 -

3.2.7 Wezel en bunzing

Mogelijk komen er kleine marterachtigen in de omgeving van het J. H. Jansencentrum voor, waarbij er een redelijke kans is op wezel en bunzing. Hermelijn is onwaarschijnlijk, deze soort is in Flevoland teruggedrongen tot de nattere natuurgebieden. Het huidige parkachtige landschap met het grasvelden in combinatie met de bomen en struweel zou gebruikt kunnen worden door kleine marterachtigen als jachtterrein en als migratieroute. Een verblijfplaats binnen het plangebied is niet uit te sluiten. Daarom is aan te raden om werkzaamheden aan groene structuren uit te voeren buiten de kwetsbare voortplantingsperiode van wezel en bunzing van 15 maart tot 1 september (Brouwers, 2017). Kleine roofdieren zoals de wezel en bunzing hebben veel behoefte aan dekking (Brouwers, 2017). In het leefgebied moet het gehele jaar opgaande begroeiing aanwezig zijn. Mitigerende maatregelen voor wezel en bunzing zijn waarschijnlijk vrij goed in te passen in het ontwerp (Imoss, 2021). Groen krijgt de overhand in het ontwerp en bestaande bomen (dekking) worden zoveel mogelijk ingepast. Daarnaast dienen er alternatieve verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Dit kan door het aanleggen van minimaal 2 takkenhopen. Er komt meer dekking, door de takkenhoop krijgen muizen meer kans (grotere voedselbeschikbaarheid) en de takkenhoop kan voorzien in de behoefte aan mogelijke verblijfplaatsen.

Vanuit de ecologie van de bunzing en wezel bekeken is het gunstig om een takkenhoop in o.a. struweel aan te leggen (Zoogdiervereniging, 2018). Daarmee kan de takkenhoop in het bestaande bos verwerkt worden. Het opbouwen van een takkenhoop kan via de volgende aanwijzingen (Zoogdiervereniging, 2018), zie ook figuur 3: - Onderop dikkere stammen, in los verband (stammen van 15 á 20 cm diameter). - Minimaal 3 meter lang - Minimaal 2 meter breed - Minimaal 1 meter hoog Voor het realiseren van de takkenhoop, kan (indien gewenst) vrijkomend takhout gebruikt worden van de bomen die geveld worden. In de directe omgeving zijn voldoende alternatieven die de bunzing en wezel tijdens een korte verstoringsperiode kunnen gebruiken. Daarnaast is het wenselijk om verbindingen te creëren tussen de verschillende bosjes. Dit kan door het Figuur 17. Voorbeeld takkenhoop voor wezel en bunzing. planten van laagblijvende struikvormers, zoals bijvoorbeeld duinroos. De breedte van dit laagblijvende struweel moet minimaal 1 meter breed zijn. Zeer waarschijnlijk is er een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor wezel en bunzing.

Landschapsbeheer adviseert om te overleggen met de Provincie Flevoland, afdeling natuurbescherming, voor een ontheffing met als mitigerende maatregel het werken na 1 september, het aanleggen van een minimaal 2 takkenhopen en een laagblijvend struweel langs bijvoorbeeld enkele wandelpaden.

- 29 -

Staat van instandhouding: wezel Het gaat niet goed met de wezel in Nederland. De landelijke staat van instandhouding is ongunstig – slecht (Arcadis, 2018). Uit de NDFF en de Atlas van de Nederlandse Zoogdieren blijkt dat de wezel verspreid voorkomt over de provincie en in mindere mate in Oostelijk Flevoland en de Noordoostpolder (Provincie Flevoland, 2021). Duidelijk is dat het aantal waarnemingen afneemt in de Noordoostpolder. De lokale staat van instandhouding van de wezel is slecht ongunstig (Provincie Flevoland, 2021). Staat van instandhouding: bunzing Landelijk gaat het niet goed met de bunzing, er is een afnemende trend. De landelijke populatie van bunzing wordt beschouwd als slecht – ongunstig (Arcadis, 2018). Uit de NDFF en de Atlas van de Nederlandse Zoogdieren blijkt dat de bunzing verspreid voorkomt over de provincie (Provincie Flevoland, 2021). Het aantal waarnemingen en km-hokken neemt af vooral in Oostelijk Flevoland en Noordoostpolder (Provincie Flevoland, 2021). De lokale staat van instandhouding van de wezel is slecht – ongunstig (Provincie Flevoland, 2021).

3.2.8 Broedende vogels algemeen

Er dient rekening gehouden te worden met de andere broedende vogels, die geen speciale status hebben in de Wet natuurbescherming. Broedende vogels mogen nooit verstoord worden door de werkzaamheden, dus dienen ook nesten die in de verstoringszone van de werkzaamheden liggen niet verstoord te worden. Het merendeel van de vogels broedt tussen 15 maart en 15 juli zodat werken in de periode lastig kan zijn. Maar soorten als boerenzwaluw broeden soms wel tot in september, dit vraagt altijd aandacht. Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verstoren van broedende vogels.

- 30 -

4. Natuurinclusief bouwen Naast de wettelijke verplichting, adviseert Landschapsbeheer de gemeente Noordoostpolder om in beginsel natuurinclusief te bouwen. In de plannen is veel aandacht voor groen en de invloed van groene structuren op de mens. Natuurlijk profiteert flora en fauna hier indirect van. Maar door kleine aanpassingen kan er nog meer ecologische waarde toegevoegd worden, wat het toekomstige Jansenpark nog natuurinclusiever maakt. Er worden een aantal suggesties gegeven aan de hand van specifieke soorten die niet wettelijk verplicht zijn, maar wel wenselijk vanuit ecologisch oogpunt. Aansluitend bij het Beleidsplan Openbare Ruimte is speciale aandacht voor kansen voor tevens natuurontwikkeling gewenst (Gemeente Noordoostpolder, 2013). Gierzwaluw Vergeleken met de rest van de Noordoostpolder, zijn de belangrijkste broedkolonies van de gierzwaluw in Emmeloord. Indien er in de nieuwbouw voorzieningen getroffen worden voor deze soort, is de verwachting dat de nieuwe broedlocaties relatief snel gevonden worden door gierzwaluwen omdat broedmogelijkheden een belangrijke beperkende factor zijn voor deze soort. Mogelijkheden voor de gierzwaluw verwerken in hogere gebouwen, is relatief eenvoudig. De soort maakt goed gebruik van ingemetselde nestkasten (figuur 18, 19). Deze dienen op minimaal drie meter hoogte geplaatst te worden met een vrije uitvliegroute.

De hoogbouw binnen het plan zou hier uitstekend geschikt voor zijn. Het is mogelijk om de nestkasten opvallend te verwerken in het ontwerp, maar subtiele openingen behoren ook tot de mogelijkheden. De soort broed in kolonies, het plaatsen van minimaal 10 kasten bij elkaar in de buurt is aan te bevelen. De gierzwaluw is een vogel die door veel mensen gewaardeerd wordt. De soort kondigt de zomer aan en is van half april tot uiterlijk oktober aanwezig in Nederland (hoewel de meeste gierzwaluwen rond augustus naar het overwinteringsgebied vertrekken). De dieren eten veel insecten, zoals muggen. Hierdoor kan de gierzwaluw een positieve invloed hebben op het woongenot als natuurlijke plaagbestrijding tegen muggen.

Figuur 18. Inmetselsteen voor gierzwaluwen.

- 31 -

Figuur 19. Onopvallende nestkast voor gierzwaluw. Ingebouwd in de spouwmuur.

Grind- of schelpendak als broedplaats Het gaat niet goed met de weidevogels in Nederland. De scholekster lijkt zich als een van de weinige soorten enigszins aan te passen aan veranderende omstandigheden. De laatste jaren broed de soort meer op platte daken mits deze een geschikte dakbedekking hebben. De soort houd vooral van platte daken die bedekt zijn met grind of schelpen. Mogelijkheden creëren voor deze soort kan door op de laagbouw of delen van de laagbouw te beleggen met grind (op de basishoogte, 3 lagen) of desnoods op de hoogbouw van 4 lagen. Met name deze hoogtes zijn geschikt gezien de ecologie van de soort. Indien het niet mogelijk is het volledige dak met grind te bedekken, volstaat het ook om op een aantal locaties vakken te maken van enkele vierkante meters, zoals vakken van 6 x 6 vierkante meter (of groter). Om de vogels extra schuilmogelijkheden te bieden, kunnen enkele betonbuizen met een kleine diameter (10 cm) of pallets geplaatst worden, zodat de jongen kunnen schuilen voor hitte en roofvogels. Eventuele open regenpijpen die in open verbinding staan met het schelp- of grinddak, dienen afgedicht te worden met een stukje kippengaas, zodat de jonge vogels er niet in kunnen vallen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2015/documents/33650