9.1 Ontwerpbestemmingsplan 'Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse'.pdf
Tekst van het document
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
5.3.2
Situatie plangebied
In paragraaf 5.3.1.1 is een lijstje met categorieën van gevallen beschreven die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling in vergelijking met voorgenoemde voorbeelden van categorieën kan worden aangenomen dat voorliggende ontwikkeling 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Dit mede gelet op het feit dat er geen sprake is van een toevoeging van een woning en geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen is te verwachten. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ^ ^ ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: ^ ^ ^
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In het volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de rode ster) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl, bewerkt)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: ^ ^ ^ ^
niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; zich wel bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is;
Het plangebied bevindt zich op een locatie met overstromingsgevaar. Voorliggend plan voorziet echter niet in een toename (of wijziging) van het aantal personen ter plaatse. De personen die ter plaatse verblijven zijn in beginsel zelfredzaam en kunnen zichzelf dan ook in veiligheid brengen. Het uitvoeren van een kwantitatieve risicoanalyse wordt, gelet op de lage bevolkingsdichtheid van de omgeving en de omvang van de ontwikkeling, niet noodzakelijk geacht. 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door middel van milieuzonering. Onder milieuzonering wordt het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds verstaan. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: ^
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
^
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of milieubelastende functies op een passende afstand van milieugevoelige functies (zoals woningen) worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een 'rustige woonwijk' is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het projectgebied is gelegen binnen in het buitengebied nabij Marknesse. Het plangebied ligt in het buitengebied, waar geen sprake is van een matige of sterke functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie projectgebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de functie toe? (interne werking).
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie 'wonen' betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving, de bestemming semi-agrarisch betreft eveneens geen milieubelastende activiteit. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Er is vanuit milieukundig oogpunt geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval is sprake van bestaande woningen welke aangemerkt worden als milieugevoelige functie. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich enkele veehouderijen bedrijfspercelen waar veehouderijen zijn toegestaan . Bij veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', de grootste richtafstand veelal voor het aspect geur.
Bij veehouderijen zijn echter niet de richtafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in de volgende paragraaf nader op ingegaan. In de nabijheid van het plangebied zijn uitsluitend agrarische bedrijfspercelen aanwezig waar grondgebonden veehouderijen zijn toegestaan. Voor grondgebonden veehouderijen geldt, indien het aspect geur buiten beschouwing wordt gelaten, een grootste richtafstand van 30 meter voor de aspecten stof en geluid. Voor intensieve veehouderijen geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Binnen een contour van 50 meter van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijfspercelen. De dichtstbijzijnde intensieve veehouderij (Baarloseweg 18) is gelegen op een afstand van circa 370 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden en brengt voorliggend plan geen belemmeringen met zich mee. Bovendien gaat de voorgenomen ontwikkeling uit van het vergoten van de woonbestemming. Daar waar de woonbestemming wordt vergroot komt deze niet dicht op nabij gelegen agrarische bedrijfspercelen te liggen. Daarnaast bevind zich op een afstand van circa 420 meter een kassencomplex. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden en brengt voorliggend plan geen belemmeringen met zich mee. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ^ ^
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan kom 2 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.2
Activiteitenbesluit
Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type Bbedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom de zelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.3
Situatie plangebied
In het kader van de toetsing aan de Wgv en de Verordening geurhinder dient beoordeeld te worden of er sprake is van de realisatie van een 'geurgevoelig object'. In de Wet geurhinder en veehouderijen is een geurgevoelig object gedefinieerd als: 'gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt'. De voorgenomen ontwikkeling gaat niet uit van het toevoegen of verplaatsen van een 'geurgevoelig object'. Tevens komt de woonbestemming niet dichter op nabij gelegen agrarische bedrijfspercelen te liggen. Gelet op het vorenstaande vormt de Wgv geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.6.4
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.2
Natura 2000-gebieden
Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden weergegeven.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Afbeelding 5.2
Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden (Bron: European Natura 2000 viewer)
Het plangebied is niet gelegen binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden is gelegen op een afstand van 4 kilometer van het plangebied. Gezien de aard en omvang, ten opzichte van de huidige situatie, wordt geconcludeerd, dat er geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.
Afbeelding 5.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (Bron: nnn.flevoland.nl)
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Het plangebied behoort niet tot het NNN. Gronden die tot het NNN behoren liggen op circa 4 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot het NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 5.7.3.2 Situatie plangebied Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Voorliggend plan voorziet in het vergroten van het arbeiderserf middels het wijzigen van de bestemming van omliggende gronden van 'Agrarisch gebied' naar 'Wonen'. De huidige inrichting en beheer van het plangebied maken het tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. De sloot wordt verlegt, de huidige inrichting en staat van de sloot (waterkwaliteit) maakt dit tot een ongeschikte locatie voor flora en fauna.
Zo wordt grijswater van omliggende woningen afgevoerd op de sloot, wordt de sloot beïnvloed door naastgelegen agrarische gronden en liggen delen van de sloot zomers droog. Tot slot wordt de matige kwaliteit van het water bevestigt. De sloot is namelijk in het verleden afgedamd van de hoofdwatersloot om verontreiniging hiervan te voorkomen. Door voorgenomen bestemmingswijziging wordt verwacht dat er geen beschermde soorten verstoord, beschadigd of gedood worden en er wordt geen beschermd functioneel leefgebied van bepaalde soorten zoals bijvoorbeeld vleermuizen aangetast. Daarnaast wordt gesteld dat het plangebied, mede gelet de terreingesteldheid er het onderhoud hiervan, ongeschikt is voor beschermde flora. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen. Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. 5.7.4
Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft een Archeologische Basis- en Beleidsadvieskaart voor haar grondgebied op laten stellen in 2007. In 2018 is hier een actualisatie voor uitgevoerd door RAAP. Op de Basiskaart staan de archeologische waarden en verwachtingen weergegeven en op de beleidsadvieskaart staan de maatregelen aangegeven die nodig zijn om het archeologisch erfgoed te beschermen. In afbeelding 5.4 is een uitsnede van de Archeologische Beleidsadvieskaart weergegeven met daarin het plangebied rood gearceerd.
Het plangebied kent op basis van de beleidsadvieskaart de beleidscategorie 'geen'. Voor deze gronden geldt geen onderzoeksplicht bij bodemingrepen. Een archeologisch onderzoek in het kader van voorliggend bestemmingsplan wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan "een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden" dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart Flevoland is het plangebied aangewezen als cultuurhistorisch waardevol gebied, 'openheid van het landschap': "Het landschap in alle drie polders van Flevoland kenmerkt zich door grote, open en centraal gelegen ruimtes. Dit geeft de bewoners en bezoekers van Flevoland een beleving van veel ruimte. In de Noordoostpolder is de beplanting van wegen sober uitgevoerd. De erven, dorpen en de stad Emmeloord zijn wel van veel bomen voorzien en zijn als groene eilanden in het open polderlandschap.
In Oostelijk Flevoland zijn de hoofdwegen als lanen vormgegeven, maar zijn de polderwegen onbeplant gelaten."
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Doordat wordt voldaan aan de 'Beleidsregel uitbreiding arbeiderserven Noordoostpolder' is er geen sprake van aantasting van het cultuurhistorisch waardevol gebied. 5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Als gevolg van voorliggende ontwikkeling worden de aanwezige cultuurhistorische waarden niet aangetast. De huidige erfsingels blijven behouden waardoor het erf de identiteit van de Noordoostpolder behouden blijft.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: ^ ^
^
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 4 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het bestemmingsplan. Dit betekent dat voorgenomen ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. De ontwikkeling in een bestemmingsplan is m.e.r. beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het vergroten van de bestaande woonbestemming aan de Baarloseweg 15a. Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling waarbij het aantal verkeersbewegingen niet toeneemt. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen.
Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.9.3
Conclusie
Dit project is niet m.e.r.-plichtig omdat het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend project.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Hoofdstuk 6 6.1
Wateraspecten
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2
Beleidskaders
6.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema 'water en ruimte'. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 6.2.2
Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)
De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: ^ ^ ^
afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.
Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen. 6.2.3
Beleid gemeente Noordoostpolder en waterschap Zuiderzeeland
De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke 'Maatwerkovereenkomst stedelijk water' ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigen water' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken.
Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
(water)overlast. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van het Waterschap of de provincie is om maatregelen te nemen. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken).
6.3
Watertoetsproces
6.3.1
Algemeen
Voor de ontwikkeling is een digitale watertoets uitgevoerd. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de procedure de normale procedure van toepassing is. De planontwikkeling leidt namelijk tot effecten met betrekking tot de waterhuishouding of de afvalwaterketen. Het waterschap heeft vooraf op het principeverzoek een positief advies gegeven, met daarbij het verzoek om de waterbelangen, die eventueel aanwezig zijn in het plangebied, juist te bestemmen en te reguleren. Op basis van inhoudelijke beoordeling is de korte procedure van toepassing in het kader van de watertoets. De watertoets is opgenomen in bijlage 2 van deze plantoelichting. 6.3.2
Gevolgen voor de waterhuishouding
De ontwikkeling is gelegen in landelijk gebied. De verharding binnen het plangebied kan in voorliggend plan toenemen maar er bestaat voor de locatie geen compensatieopgave. Er ontstaat de mogelijkheid voor het realiseren van een schuur en eventuele erfverharding. Gelet op voorgaande ontwikkeling zal deze toename onder de 2500m2 blijven. De erfsloot loopt na aanpassing conform het erfinrichtingsplan onafgebroken rondom de erven en voert af naar de kavelsloot. Voor het plan moet er een erfsloot worden verplaatst, hier is een watervergunning voor nodig. Waar rekening mee gehouden moet worden is dat de afvoer van hemelwater richting de erfsloot plaatsvindt. De lozingspunten van hemelwater van 15a en, indien bestaand van de buren zullen in dat geval verlegd moeten worden zodat afvoer geborgd blijft. Hierover wordt vroegtijdig in overleg getreden met het waterschap Zuiderzeeland om te komen tot een wenselijke inrichting/ verplaatsing. De wijziging van de lozingspunten kan meegenomen worden in de watervergunning of los via een melding inzake de Keur/Waterwet. Het voornemen is om geen uitlogende bouwmateriaal toe te passen voor de nieuwe schuur en zonnepanelen. Hemelwater afkomstig van een nieuwe schuur en eventuele erfverharding zal worden afgevoerd naar de omgelegde erfsloot.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische aspecten en planverantwoording
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de in het plangebied aanwezige bestemmingen nader toegelicht. 'Agrarisch' (artikel 3) De gronden aan de noordzijde van de uitbreiding van de woonbestemming hebben overeenkomstig de huidige situatie de bestemming 'Agrarisch'. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - semi-agrarisch' is tevens semi-agrarisch gebruik toegestaan zoals het hobbymatig houden van vee, moestuin, speelweide, en soortgelijke functies ten behoeve van de naastgelegen bestemming 'Wonen'.
Daarbij zijn deze gronden bestemd voor instandhouding van het aanwezige cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatroon en instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende erfsloot. Op en in deze gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming. Voor erf- en terreinafscheidingen geldt een maximale hoogte van 1 meter met dien verstande dat deze wordt uitgevoerd in de vorm van palen met draad. In de specifieke gebruiksregels is een zogenaamde voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging dat er geen opgaande beplanting aanwezig is ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - semiagrarisch'. Om de agrarische uitstraling te behouden dienen de gronden niet als erf te worden beschouwd in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). 'Wonen' (artikel 4) Het arbeiderserf en de uitbreiding aan de noordzijde is voorzien van de bestemming 'Wonen' en de functieaanduiding 'voormalige arbeiderserf'.
Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor wonen, instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfbeplanting, met daarbij behorende sloot, aan de zijgrenzen en de achtergrens van het bestemmingsvlak en kleinschalige agrarische activiteiten op voormalige agrarische erven zoals het kweken van fruit, groente, (sier)heesters en het houden van dieren. Op en in de gronden zoals hierboven benoemd, mogen uitsluitend woningen, bijgebouwen, waaronder begrepen hobbykassen, dierenverblijven en soortgelijke gebouwen en andere bouwwerken worden gebouwd. De maatvoering van bebouwing is gelimiteerd in de regels, hiervoor gelden de regels van het voormalige arbeiders erf. Overeenkomstig het geldende bestemmingsplan is de aanduiding met betrekking als 'voormalige arbeiderswoning' overgenomen, evenals de specifiek daarvoor geldende bouwregels. Zo ligt het maximum aantal woningen binnen het plangebied op 4. In de specifieke gebruiksregels is een zogenaamde voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting voorziet in een borging van de aanleg en instandhouding van erf afscheidingen conform de in Bijlage 2 van de regels opgenomen erfinrichtingsplan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - voorwaardelijke verplichting'.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Hoofdstuk 8
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Met de initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Hoofdstuk 9 9.1
Vooroverleg en zienswijzen
Vooroverleg
9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2
Provincie Flevoland
In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Flevoland. Dit heeft niet geleid tot aanpassingen. 9.1.3 Waterschap Zuiderzeeland De watertoets heeft plaatsgevonden op de website www.dewatertoets.nl. Deze toets resulteerde in een 'korte procedure. Vooraf aangegeven waterschap advies is overgenomen in deze toelichting het waterschap heeft op de watertoets gereageerd, dit heeft geleid tot enkele tekstuele aanpassingen in de plantoelichting.
9.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De huidige omwonenden op straatnummers 15b en 15d hebben reeds aan de eigenaar van de Baarloseweg 15a aangegeven in principe positief tegenover het plan te staan. Daarnaast heeft initiatiefnemer met de buren van 15 d overlegd over het oprichten en in stand houden van de erfinrichtingsplannen als de erfsingel. Alle omwonenden hebben aangegeven in principe positief tegenover het voornemen te staan. Hiervan zijn bewijzen toegevoegd aan bijlage 3.
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Bijlage 2
Watertoetsresultaat
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan "Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse" Noordoostpolder
Bijlage 3
Verklaringen omwonenden
BJZ.nu
Ruimtelijke plannen en advies
42
Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse ontwerp
BJZ.nu Bestemmingsplannen
46
Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse ontwerp
Bijlage bij de toelichting
BJZ.nu Bestemmingsplannen
47
Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse ontwerp
Bijlage 1
Erfinrichtingsplan
BJZ.nu Bestemmingsplannen
48
Legenda Aangepaste erfsingel: geen boomvormers Erfsingel aanbrengen Semi - agrarisch: geen opgaande beplanting
Erfsingel ontbreekt, erfsingel aanbrengen in de vorm van vier beukenbomen en vijf boomvormers met onderbeplanting conform beplantingsplan
In verband met beperkte ruimte enkel onderbeplanting conform beplantingsplan
Erfsingel ontbreekt, erfsingel aanbrengen in de vorm van drie beukenbomen met onderbeplanting conform beplantingsplan
(B o)
(0 S Űû S0 Ö)Q O
c ŜN > Q.
® is X
«M
JĽ O o
fll ŪCQ
arpinus Belutus aanplanten
(/) E
0 o oo r-
ll C
0
0
200
0 3
1 :
0 ^
Schaal:
truiken aanplanten
r
Legenda Nieuwe bomen - boomsoort Nieuwe struik - struiksoort
Struiken
Prunus Padus Euonymus europaea Rosa Canina Viburnum opuus Rhamnus Carthartica Cornus sanguinea Cornus Mas Ligustrum vulgare Corylus avallana
hoogte in cm
Haagbeuk Winterlinde Eik veldesdoorn Els Gewone esdoorn Vogelkers Kardinaalmuts Hondsroos Gelderse roos Wegedoorn Rode kornoelje Gele kornoelje Gewone liguster Hazelaar
60-100 80-100 80-120 60-100 80-100 80-100 aandeel
50Zo 50Zo 50Zo 10oZo 50Zo 50Zo 50Zo 50Zo 50Zo
hoogte in cm
50-80 50-80 60-100 50-80 50-80 60-100 50-80 50-80 60-100
^ Een erfsingel bestaat uit een struik-- en een boomlaag. De mis aan soorten is hierboven vastgelegd. rxxï\\\\\\\\\\\\\\ĩ Er dient in drie rijen te zijn geplant. De onderlinge afstand van en in de rijen is maximaal 150 cm. Per 2,25 m2 wordt tenminste een boom/struik aangeplant. De erfinsingel dient minimaal 3 m breed te zijn, gemeten van hart boom/struik 1e rij tot hart boom/struik laatste rij.
inus Belutus aanplanten
» 1 o J
"T“ o S .© 0 (u ^ ^
0 11
DÛ
0 N Ì0-
®|S
.E— Qoooo
Twentepoort Oost 16a 6709RG Almelo
Bomen
Carpinus Betulus Tila Cordata Quercus robur Acer campeste Alnus glutinosa Acer pseudopatanus
.info@bjz.nu
Q
Landelijk gebied, Baarloseweg 15a te Marknesse ontwerp
Bijlage 2
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Bestemmingsplannen
52
Digitale Watertoets Resultaat van de check gedaan op 28-03-2022
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.
normale procedure
2.
Advies geen primaire waterkeringen
3.
Advies kwelwaterkwaliteit
4.
Advies watersysteem
5.
Advies nieuw open water
6.
Advies geen regionale waterkeringen
7.
Advies geen overige kering
8.
Advies wateroverlast toename verharding zonder compensatie
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
28-03-2022, 09:52
Pagina 1 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
28-03-2022, 09:52
Pagina 2 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.
Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? »
2.
Is er sprake van een uitbreiding of wijziging van de lozing(en)? «
3.
nee
Kernzone overige kering *
11.
nee
Buitendijksgebied beschermd *
10.
nee
Buitendijksgebied dubbelregime «
9.
nee
Buitendijksgebied kernzone »
8.
nee
Primaire waterkering buitenbeschermingszone »
7.
nee
Primaire waterkering tussenbeschermingszone «
6.
nee
Primaire waterkering binnenbeschermingszone *
5.
nee
Primaire waterkering kernzone *
4.
nee
nee
Beschermingszone overige kering «
nee
28-03-2022, 09:52
Pagina 3 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets 12.
Aandachtsgebieden wateroverlast en onvoldoende drooglegging 2050 *
13.
Neemt het verhard oppervlak in stedelijk gebied toe? «
14.
nee
nee
Neemt het verhard oppervlak in landelijk gebied toe? . ja
15.
Betreft het een nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied groter dan 2500 m2 of in stedelijk gebied groter dan 750m2? »
16.
Is er sprake van afstromend regenwater van een oppervlak van 50 of meer parkeerplaatsen en/of een weg met meer dan 1000 voertuigbewegingen per dag? »
17.
nee
nee
Wordt er nieuw open water aangelegd? (bijv. ter compensatie toename verharding) . ja
18.
Kwelkwaliteit slecht - ja
19.
Worden kunstwerken zoals bijvoorbeeld duikers of bruggen aangelegd? *
20.
Is er binnen het plangebied sprake van de toelating, aanwezigheid of aanleg van drijvende woningen/woonboten? *
21.
nee
Worden in het plan maatregelen getroffen waardoor het waterpeil verandert met 10 cm of meer? *
22.
nee
nee
Wordt er in het plangebied mogelijk gebruik gemaakt van bodemenergie, ook wel warmte koude opslag (WKO) genoemd? *
nee
28-03-2022, 09:52
Pagina 4 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets 23.
Rijkswater *
nee
28-03-2022, 09:52
Pagina 5 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS i.
normale procedure Op basis van de uitgevoerde digitale watertoets volgt u de normale procedure.
Wat moet ik doen? U dient een waterparagraaf op te nemen in uw ruimtelijke plan. Zo onderbouwt u een goede ruimtelijke ordening voor het omgevingsaspect water. Onderstaande concept-waterparagraaf kunt u gebruiken als basis. Deze vult u aan met de teksten van de relevante adviezen en concrete uitwerkingen voor de ontwikkeling. De relevante wateraspecten, zoals waterkeringen, rioolwaterzuiveringen en oppervlaktewater, neemt u ook op in de verbeelding en/of in de regels van het ruimtelijk plan. In de loop van 2021 wordt de digitale watertoets nog geoptimaliseerd om u een beter resultaat te geven. Gebruik de knop......DIRECT AANVRAGEN...... om Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte te stellen van uw plannen. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. Als u een wateradvies wilt ontvangen stuurt u uw uitgewerkte conceptwaterparagraaf mee met de aanvraag of via watertoets@zuiderzeeland.nl. Concept waterparagraaf normale procedure Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging).
De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle 28-03-2022, 09:52
Pagina 6 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren schoonhouden, scheiden en zuiveren Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet.
De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het 'gebiedseigen water' wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wat Ruimtelijke ordening (Wro). Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig 28-03-2022, 09:52
Pagina 7 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen."
Waar moet ik op letten? Het (concept)wateradvies is geen aanvraag voor een (water)vergunning. U dient zelf na te gaan welke meldingen en vergunningen nodig zijn om het plan te realiseren. Of u meldingen en/of een vergunningaanvraag moet indienen bij het waterschap kunt u nagaan op onze website of via een vergunningcheck: Vergunningen | Waterschap Zuiderzeeland https://www.zuiderzeeland.nl/vergunningen
Achtergrondinformatie Voor meer informatie over het watersysteem in uw plangebied kunt u terecht op: https://geo-zzl.opendata.arcgis.com/. U vindt hier datasets, services en kaarten die vrij te gebruiken zijn. Zoals informatie over het oppervlaktewatersysteem met kunstwerken, de peilgebieden, de ligging van waterkeringen en de afvalwaterketen. Heeft u vragen of suggesties over deze Digitale Watertoets? Laat het ons weten per e-mail: watertoets@zuiderzeeland.nl of telefonisch: 0320-274 911. Waterschap Zuiderzeeland, Postbus 229, 8200 AE Lelystad https://www.zuiderzeeland.nl
28-03-2022, 09:52
Pagina 8 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 2.
Advies geen primaire waterkeringen Geen primaire waterkering geraakt.
Wat moet ik doen? Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de waterparagraaf. Thema Waterveiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een primaire waterkering. Voor het onderdeel primaire waterkering zijn geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
28-03-2022, 09:52
Pagina 9 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 3.
Advies kwelwaterkwaliteit Aandachtspunten ligging in gebied met slechte kwel.
Wat moet ik doen? Als u een nieuw watersysteem wilt aanleggen vragen wij u om contact op te nemen met het waterschap via watertoets@zuiderzeeland.nl. Onderstaande tekst neemt u op in de waterparagraaf als deze van toepassing is, na afstemming met het waterschap. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf. Thema Schoon water Slechte kwaliteit kwelwater: Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wordt vroegtijdig betrokken voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. Vul aan: uitkomst van het overleg met het waterschap
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
28-03-2022, 09:52
Pagina 10 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 4.
Advies watersysteem Aandachtspunten bij gevolgen voor het bestaande watersysteem.
Wat moet ik doen? Van onderstaande tekst neemt u de relevante delen op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf. In de loop van 2021 wordt dit adviesonderdeel nader uitgewerkt. Over beoogde wijzigingen dient mogelijk eerst overeenstemming te zijn met het waterschap voordat een positief wateradvies gegeven kan worden. Wj vragen u om contact op te nemen met het waterschap via watertoets@zuiderzeeland.nl Thema Voldoende Water Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water.
In nieuwe watersystemen wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Optioneel: Dempen bestaand oppervlaktewater In het plangebied wordt water gedempt. Voordat met enige demping wordt gestart, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit en /of de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Vul aan: beschrijf de eventueel beoogde wijzigingen in en/of gevolgen voor het bestaande watersysteem, eventueel na afstemming met het waterschap.
Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie
28-03-2022, 09:52
Pagina 11 van 17
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 5.
Advies nieuw open water Aandachtspunten bij aanleg van nieuw open water.
Wat moet ik doen? Van onderstaande tekst neemt u de relevante delen op in de waterparagraaf. Dit in aanvulling op het algemene deel van de concept waterparagraaf. In de loop van 2021 wordt dit adviesonderdeel nader uitgewerkt. Over beoogde wijzigingen dient mogelijk eerst overeenstemming te zijn met het waterschap voordat een positief wateradvies gegeven kan worden. Wj vragen u om contact op te nemen met het waterschap via watertoets@zuiderzeeland.nl Goede structuurdiversiteit Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunt: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Randvoorwaarde(n) nieuw oppervlaktewater: Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Vul aan met een beschrijving van de wijzigingen.