CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg'.pdf

Gemeenteraad 31 januari 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg25.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg Omdat de gemeente de belanghebbenden wil betrekken bij de planvorming, wordt op basis van de Inspraakverordening van de gemeente het plan in deze periode aangeboden aan overlegpartners. Er heeft overleg plaatsgevonden met de provincie Flevoland en waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap had een enkele opmerking op de waterparagraaf. De waterpargraaf is hierop aangepast. De provincie heeft aangegeven dat de aspecten van provinciaal belang voldoende geborgd zijn.

Zienswijzen Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijzen in te dienden.

Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het vaststellingsbesluit beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wro van belang voor de economische uitvoerbaarheid. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan.

Financiële haalbaarheid De ontwikkeling is een particulier initiatief. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis. De kosten voor de procedure worden verhaald via leges.

Grondexploitatie De grondexploitatieregeling uit de Wro is van toepassing op bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatieregeling bepaalt dat de gemeente in beginsel samen met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als de kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten. Daarbij moet het stellen van eisen en een fasering niet noodzakelijk zijn.

Toetsing Voor dit plan is de grondexploitatieregeling niet van toepassing. Het bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging. Wel wordt een planschadeovereenkomst opgesteld tussen gemeente en initiatiefnemer.

30

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

bestemmingsplan (ontwerp)

31

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

32

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan (ontwerp)

33

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

Bijlage 1

34

Situatietekening beoogde ontwikkeling

bestemmingsplan (ontwerp)

Deze tekening is eigendom van Boes + Kok B.V. en mag zonder haar schri

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

Bijlage 2

36

Watertoets

bestemmingsplan (ontwerp)

datum 30-8-2021 dossiercode 20210830-37-27482 Geachte heer/mevrouw Christian van der Heijden, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de normale procedure. Uitgangspuntennotitie met concept waterparagraaf Hierbij ontvangt u de uitgangspuntennotitie voor de normale procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige beleidsthema's, streefbeelden en de belangrijkste bijbehorende uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Dit document bestaat uit drie delen: 1. Uitnodiging tot vooroverleg met waterschap Zuiderzeeland 2. De concept waterparagraaf De concept waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling. 3.

Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen Na de concept waterparagraaf volgt een onderdeel met overige relevante informatie, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen. De informatie in het laatste deel is niet relevant voor de ruimtelijke procedure. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Ook kan het zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (06) 1132 4178 (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl _________________________________________________________________________ Deel 1: Vooroverleg wateradvies met waterschap Zuiderzeeland Met de digitale watertoets heeft u Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte gebracht van het ruimtelijk plan, hiermee doet u nog geen aanvraag voor een wateradvies. Wanneer het ruimtelijk plan officieel in procedure wordt gebracht zal het bevoegd gezag (meestal de gemeente) het waterschap verzoeken om een wateradvies in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening.

Het is mogelijk om, vooruitlopend op het ambtelijk vooroverleg, een verzoek bij het waterschap in te dienen voor een informeel wateradvies. Wij nodigen u van harte uit voor een overleg over uw plannen. Een verzoek voor een informeel wateradvies kunt u indienen via watertoets@zuiderzeeland.nl. Sluit bij dit verzoek een concept ruimtelijk plan met waterparagraaf en overige noodzakelijke informatie bij. U kunt ook telefonisch contact opnemen om informatie in te winnen of een afspraak te maken. In een aantal specifieke situaties verzoeken wij u om zeker contact op te nemen met het waterschap. Bij deze situaties kan gedacht worden aan grote waterbelangen, ingrepen in het watersysteem (bijvoorbeeld plaatsing kunstwerken), onvoldoende drooglegging of slechte kwelkwaliteit. Hieronder worden de situaties die van toepassing zijn in uw plangebied benoemd. Mocht u niet zeker zijn of een vooroverleg met het waterschap noodzakelijk is dan adviseren wij u om contact op te nemen. Thema Voldoende Water Bij plannen waarbij meer dan 250.000 m2verharding wordt toegevoegd, kan niet worden volstaan met de bergingsnorm. Dan is het nodig om

de te realiseren compensatie door middel van een model te toetsen aan de normering wateroverlast Flevoland. Als overwogen wordt om het plangebied te voorzien van één of meerdere stuwen dan moet door middel van een specifieke maatwerkberekening worden aangetoond dat er voldoende gecompenseerd wordt zodat de afvoer gelijk blijft en/of geen sprake is van afname van bergingscapaciteit in het oorspronkelijke peilgebied. Bij een nieuwe ontwikkeling die gelegen is in een natuurgebied en waarbij meer dan 2.500 m2verharding wordt toegevoegd is de bergingsnorm niet van toepassing. Hierbij is een maatwerkberekening nodig om aan te tonen dat de toekomstige afvoer bij maatgevende gebeurtenissen gelijk blijft aan de huidige afvoer. Thema Schoon Water Bij het ontwerp van een nieuw watersysteem moet rekening gehouden worden met de hoeveelheid kwel en de kwelwaterkwaliteit. Het plangebied is (gedeeltelijk) gelegen in een gebied met kwel van matige tot slechte kwaliteit. Het waterschap wil graag vroegtijdig betrokken worden voor advies over het ontwerp van het nieuwe watersysteem. In het geval huishoudelijk of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via het bestaande vuilwaterrioolstelsel denken wij graag met u mee over de verwerking van dit afvalwater. U wordt vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap via e-mail watertoets@zuiderzeeland.nlom de aanpak te bespreken.

_________________________________________________________________________ Deel 2: Concept waterparagraaf normale procedure <De concept waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling.> Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding.

De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Wet- en regelgeving en beleid De belangrijkste wet- en regelgeving en beleid op het gebied van water is hier opgenomen. KRW De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratieen kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden.

De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast zal de onttrekking van grondwater in evenwicht worden gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. Een andere aanpak in het licht van verwachte ontwikkelingen inzake zeespiegelstijging, toenemende neerslag en rivierwaterafvoer en verdergaande bodemdaling is noodzakelijk. De adviezen van de commissie staan in het rapport Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw(WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: l vasthouden, bergen en afvoeren l schoonhouden, scheiden en zuiveren

Waterwet De Waterwet is op 22 december 2009 in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering' centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De

voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het gebiedseigen water wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke ordening (Wro).

Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke ambities hierin zijn het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Nederland voldoet met dit plan aan de Europese eisen beschreven in de KRW, de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS), het plan geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.

Thema Veiligheid Het plangebied ligt niet buitendijks. Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van een overige waterkering. Op basis van dit aspect zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Voldoende Water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Met de planontwikkeling wordt netto geen verhard oppervlak in stedelijk gebied toegevoegd of is de toename van het verhard oppervlak minder dan 750 m2en daarmee is geen is compensatie noodzakelijk. Randvoorwaarde(n) wateroverlast Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met 140 m2toe. Als deze toename groter of gelijk is aan 2.500 m2dan is compensatie noodzakelijk.

Ontwerprichtlijnen compensatie toename verharding De oppervlakte te realiseren waterberging is gerelateerd aan de maximaal toelaatbare peilstijging in het peilvak en de netto oppervlakte nieuw te realiseren verharding. Uw plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,0% van de netto toename aan verharding* als open water moet worden gecompenseerd. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Bij de hantering van de bergingsnorm (onderdeel van beleidsregel compensatie toename verharding en versnelde afvoer) gaat het om het benodigde oppervlak open water op de hoogte van het streefpeil. <* Als in de tekst sprake is van meerdere opgegeven percentages voor compensatie van de toename van verharding dan betekent dit dat uw plangebied zich over meerdere peilgebieden uitstrekt. Het percentage kan namelijk per peilgebied verschillen.>

Oplossingen voor eventuele waterhuishoudkundige problemen worden bij voorkeur in het eigen projectgebied gevonden. Als dit niet mogelijk is, wordt dichtbij het projectgebied compensatie gezocht. Dit moet binnen hetzelfde peilgebied zijn of eventueel benedenstrooms. De compensatie wordt niet later gerealiseerd dan de uitvoering van de rest van het plan. De reeds aanwezige ruimte voor berging mag niet afnemen. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon hemelwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Als hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig.

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Voor bestaand gebied wordt gestreefd naar het afkoppelen van niet-vervuild verhard oppervlak van het rioolstelsel. Het ombouwen van bestaande gemengde rioolstelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. ___________________________________________________________________________________ Deel 3: Aanvullende informatie, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen In dit deel van de uitgangspuntennotitie vindt u relevante aanvullende informatie, randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen. Deze zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. Het kan zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. De randvoorwaarden en ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden.

Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Thema Voldoende Water Wateroverlast Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken.

Als (vanwege lange termijn ontwikkelingen) een inrichtingsplan nog niet is uitgewerkt, wordt voor een indicatieve berekening van aan te leggen berging de toename van het verhard oppervlak ingeschat. Voor een bedrijventerrein wordt uitgegaan van een verhard oppervlak van 90% van het uitgeefbaar terrein (60% daken en 30% wegen en terreinen). Voor een woonwijk is dit een verhard oppervlak van 45% van het uitgeefbaar terrein (30% daken en 15% wegen en terreinen). Het plangebied is gelegen in een gebied met een substantieel risico op opbarsten van de grond bij 100 cm ontgraving. Voordat u overgaat tot het ontgraven van de grond adviseren we om gericht onderzoek te doen naar het opbarstrisico ter plaatse. Opbarsten of (bijna) aansnijden van het pleistocene zandpakket dient voorkomen te worden vanwege de kans op instabiliteit van de bodem of ongewenste kwel of inzijging. In bepaalde situaties kan van deze lijn worden afgeweken. Bijvoorbeeld als het kwelwater van goede kwaliteit benut kan worden. Anticiperen op watertekort Ontwerprichtlijnen grondwateronttrekkingen Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland zijn samen verantwoordelijk voor de regulering van grondwateronttrekkingen ten behoeve van een goed beheer van het grondwater.

De provincie is verantwoordelijk voor onttrekkingen en infiltraties ten behoeve van warmte-koude-opslag, openbare drinkwaterwinning en voor industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Het waterschap is verantwoordelijk voor de overige grondwateronttrekkingen. Deze grondwateronttrekkingen moeten gemeld worden bij het waterschap. In de Keur van Waterschap Zuiderzeeland zijn de criteria opgenomen waarmee wordt bepaald of een aanvraag voor een grondwateronttrekking als melding of vergunning wordt afgehandeld. Voor een melding gelden algemene regels en kan maatwerk worden gesteld, voor een vergunning is een individuele beoordeling van de onttrekking noodzakelijk. Het waterschap kijkt onder andere naar effecten van de onttrekking op verontreinigingen in de omgeving, verzakking, bodemdaling of gevolgen voor de natuur. Als ten behoeve van de planontwikkeling een bronnering nodig is waarbij het grondwater wordt weggepompt voor een bodemsanering of om werkzaamheden in de bodem onder de grondwaterstand te kunnen uitvoeren dan moet dit gemeld worden en in bepaalde gevallen is een vergunning nodig. Hiervoor kunt u zich wenden tot het team Waterprocedures van Waterschap Zuiderzeeland ( waterprocedures@zuiderzeeland.nl) of via het Omgevingsloket (www.olo.nl) een aanvraag indienen. In het plan wordt geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag.

Als bij deze planontwikkeling permanent grondwater zal worden onttrokken ten behoeve van bijvoorbeeld beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen is hiervoor een melding of vergunning nodig. Deze kunt u aanvragen bij het waterschap of via het omgevingsloket. Thema Schoon Water Goed omgaan met afvalwater <In het geval huishoudelijk- of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via een (bestaand) vuilwaterrioolstelsel wordt u vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap team Waterprocedures (waterprocedures@zuiderzeeland.nl)>. De volgende voorkeursvolgorde in het omgaan met afvalwater wordt gehanteerd: 1. Lozingen / emissies worden voorkomen; 2. Afvalwater wordt vergaand hergebruikt; 3. Aansluiting afvalwaterstroom op riolering; 4. Afvoer per as (transport); 5. Opslag en gelijkmatige verspreiding; 6. Lokale zuivering.

Randvoorwaarde(n) Schoon hemelwater wordt niet afgevoerd naar een centrale rioolwaterzuivering. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: l Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; l Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; l Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; l Hemelwater van onverhard terrein; l Hemelwater van centrumgebieden (Met uitzondering van marktterreinen).

Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd of direct afgevoerd naar open water. Als een compensatieopgave bestaat voor het afgekoppelde verharde oppervlak dient extra open water of alternatieve berging te worden aangelegd. Het hemelwater stroomt onder vrij verval af, direct of indirect (eventueel via een lokale zuivering) richting open water. Het afstromend hemelwater wordt vanaf de erfgrens, en waar mogelijk, bovengronds aangeboden. Vuil hemelwater is afstromend hemelwater dat niet onder schoon is vermeld. Verharde oppervlakken die vervuild zijn of waar de kans op vervuiling groot is worden afgevoerd via een (in)filtratievoorziening, (in)filtratieberm en/of slibafscheider. Een bodempassage wordt gedimensioneerd volgens de Leidraad Riolering. De afvoer van minder schone verharde oppervlakken via het rioolstelsel vindt plaats op basis van expert-judgement.

<In het geval huishoudelijk of bedrijfsafvalwater niet wordt aangeboden via een (bestaand) openbaar vuilwaterrioolstelsel wordt u vriendelijk verzocht contact op te nemen met het waterschap. Vul aan: vermeld hier het resultaat van het vooroverleg met het waterschap>.> ___________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. www.dewatertoets.nl

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

Bijlage 3

Stikstofonderzoek

bestemmingsplan (ontwerp)

43

- MEMO Memo

DATUM KENMERK VAN AAN CC

14 april 2021 20210556_0024JT Jasper Tromp

PROJECT OPDRACHTGEVER AANWEZIG AFWEZIG BIJLAGE(N)

Neushoornweg 33 - Kraggenburg Loonbedrijf gouweleeuw Stikstofberekening

BEREKENING STIKSTOFDEPOSITIE

1. INLEIDING In opdracht van de Loonbedrijf Gouweleeuw is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de aanleg van 1 grondgebonden eengezinswoningen aan de Neushoornweg 33 te Kraggenburg, waarbij rekening is gehouden met verkeersbewegingen en de inzet van diesel aangedreven materieel. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 met betrekking tot het Programma Aanpak Stikstof wordt bij vrijwel ieder plan stilgestaan bij de mogelijke stikstofemissie en het effect daarvan op Natura 2000-gebieden. In het kader van het bestemmingsplan Landelijkgebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg is het voorliggende onderzoek uitgevoerd. Het bestemmingsplan Landelijkgebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg maakt een bestemmingswijziging van een bestaand bedrijf mogelijk. Wat betreft het gebruik van het plangebied verandert er in de nieuwe situatie niets ten opzichte van de huidige situatie. Ook valt er geen verkeerstoename te verwachten. Hierbij is dus ook geen verhoogde stikstofuitstoot te verwachten. Daarnaast bestaat het voornemen om de bestaande bedrijfswoning te slopen en een nieuwe (gasloze) bedrijfswoning terug te bouwen. Het gaat hier om eengezinswoningen van het type vrijstaand. Omdat in de exploitatiefase geen toename is in stikstofdepositie.

Is in onderhavige berekening uitsluitend de stikstofdepositie van de sloop en realisatie berekend.

2. AERIUS-CALCULATOR EN UITGANGSPUNTEN 2.1

AERIUS, release 15 oktober 2020

Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-calculator (release 15 oktober 2020) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. In figuur 1 is het plangebied met de daaromheen liggende Natura 2000-gebieden weergegeven. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 is het Zwarte Meer, dit gebied is niet stikstof gevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Wieden. Het plangebied ligt op ruime 10 kilometer van afstand van Natura 2000-gebied de Wieden.

Figuur 1

2.2

Weergave plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden

Aanlegfase

Om te verkennen welke effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfase is een berekening uitgevoerd. Voor het dieselgebruik is uitgegaan van ervaringsgegevens elders. Het aantal verkeersbewegingen in de sloop- en aanlegfase bedraagt nooit meer dan het aantal in de exploitatiefase, maar is wel afzonderlijk opgenomen in de berekening. De volgende uitgangspunten voor de aanlegfase zijn gehanteerd: 1. Voor de aanleg en sloop fase wordt uitgegaan van 40 verkeersbewegingen (zware motorvoertuigen) per jaar voor de aan- en afvoer van materiaal en machines. Dit zijn 20 verkeersbewegingen per jaar voor de sloop en 20 voor de realisatie. Voor het vervoer van personeel zijn er 4 verkeersbewegingen per etmaal. Wegverkeer wordt in AERIUS niet verder berekend dan 5 km van het plangebied. Aangezien de wieden op meer dan 5 kilometer liggen, is de emissie van het wegverkeer eerst middels AERIUS bepaald op in totaal 1,0 kg NOx per jaar en 0,1 kg NH3 per jaar. Vervolgens is het brontype aangepast naar “Anders” waarbij deze emissies handmatig zijn ingevoerd. Op die manier wordt de verkeersbijdrage ook op afstanden verder dan 5 km berekend. 2. De aanlegfase is te splitsen in de sloop, voorbereiding-/grondwerk en de bouwfase. Voordat begonnen kan worden moet eerste de bestaande woning worden gesloopt. Gedurende voorbereiding-/grondwerk vindt het bouw- en woonrijp maken plaats.

Het gaat hier om de aanleg van de funderingen, rioleringen, bekabeling, wegen, bestrating, straatmeubilair en groenvoorzieningen. Gedurende de bouwfase vindt de daadwerkelijke constructie van de woning plaats.

2/4

3.

Het aantal uren dat materieel stationair draait bedraagt 30% van de gehele inzetduur van het dieselmaterieel. Gedurende de sloop het materieel 8 uur stationair, voorbereiding-/grondwerk is het materieel 8 uur stationair en gedurende de bouwfase is het materieel 5 uur stationair.

Tabel 1: uitgangspunten berekening dieselverbruik aanlegfase activiteit

klasse

dieselverbruik

uren/dag

[liter/uur]

aantal dagen/

totaal diesel-

woning

verbruik [liter]

woningen (1 stuks) Sloop

stage IV, 130-300 kW

20

8

3

960

voorbereiding/grondwerk

stage IV, 130-300 kW

20

8

3

960

bouwfase

stage IV, 75-130 kW

10

8

2

320

Totaal

1.280

Omdat de machines verspreid over het bouwterrein worden ingezet is de emissie ingevoerd als vlakbron in het plangebied. In AERIUS wordt per jaar berekend. Het totale brandstofverbruik komt op 1.280 liter. Zwaar transport komt op 40 vrachtwagens mvt/jaar en licht verkeer op 4 mvt/etmaal. Voor de berekening maakt het niet uit of er 10 kleine of 1 grote machine aan het werk is. Het gaat om de hoeveelheid brandstof en de STAGE klasse (in dit geval IV, bouwjaar 2014). Het aantal uren dat machines stationair draaien, bedraagt 30% van de gehele inzetduur van de machines.

3. RESULTAAT EN CONCLUSIE In het bijgevoegde pdf-bestand is de ligging van de bronnen en het resultaat weergegeven. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn derhalve niet aan de orde. Voor dit plan geldt geen vergunningplicht op basis van de Wet natuurbescherming (Wnb).

3/4

BIJLAGE 1: STIKSTOFBEREKENING

4/4

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RZwGZNzH9Mqy (14 april 2021) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Rho adviseurs

Keizerstraat, 7411HD Deventer

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Neushoornweg 33 - Kraggenburg RZwGZNzH9Mqy

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

14 april 2021, 15:24

2021

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

10,60 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Aanlegfase en verkeer 'Anders'

Situatie 1

RZwGZNzH9Mqy (14 april 2021) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Resultaten

Bron Sector

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

Bron 1 Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

1,04 kg/j

Aanlegfase Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

< 1 kg/j

9,55 kg/j

RZwGZNzH9Mqy (14 april 2021) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Bron 1 188372, 517803 1,04 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Soort

Voertuig

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

Standaard

Licht verkeer

Aantal voertuigen Stof

Emissie

40,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

4,0 / etmaal NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Voertuig

Omschrijving

STAGE V, 130 <= kW < 300, bouwjaar 2019 (Diesel)

Sloop

Aanlegfase 188801, 516833 9,55 kg/j < 1 kg/j

Brandstof verbruik (l/j)

Stationair bedrijf (uren/j)

Cilinder Stof inhoud (l)

Emissie

960

8

14,0 NOx NH3

4,24 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 130 <= Voorbereiding / kW < 300, bouwjaar grondwerk 2014 (Diesel)

960

8

14,0 NOx NH3

4,06 kg/j < 1 kg/j

STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel)

320

5

6,0 NOx NH3

1,25 kg/j < 1 kg/j

Situatie 1

Bouwfase

RZwGZNzH9Mqy (14 april 2021) pagina 4/5

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

RZwGZNzH9Mqy (14 april 2021) pagina 5/5

bestemmingsplan Landelijk gebied, Neushoornweg 33 te Kraggenburg

Bijlage 4

Quickscan Ecologie

bestemmingsplan (ontwerp)

53

Kraggenburg Neushoornweg 33 QuickScan

JM ecologie b.v., 2021

QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33 Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming Rapportnummer R21.052 Status 1.0 (concept) Datum 06-04-2021 Opdrachtgever RHO Adviseurs Druifstreek 72-C 8911 LH Leeuwarden Auteur Jessica Hovius Controle Henri Zomer Voorpagina Bedrijfswoning en schuur in plangebied Te citeren als Hovius, J., 2021. QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33; Ecologische beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming. Rapport R21.052 JM ecologie b.v., Gorredijk.

JM ecologie b.v. Wetterwille 9 8401 GB Gorredijk

Copyright © 2021 JM ecologie b.v.

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

Inhoud 1

Inleiding .............................................................................................................................................................. 2 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 2 1.2 Globale ligging .................................................................................................................................................... 2 1.3 Structuur natuurwetgeving in Nederland ........................................................................................................... 3 1.4 Scope van de QuickScan ..................................................................................................................................... 4 1.5 Werkwijze ........................................................................................................................................................... 5

2

Beschrijving locatie en ingreep ........................................................................................................................... 6 2.1 Locatie ................................................................................................................................................................. 6 2.2 Ingreep ................................................................................................................................................................ 7

3

Resultaten veldbezoek en bureaustudie ............................................................................................................. 9 3.1 Vogels.................................................................................................................................................................. 9 3.2 Vleermuizen ...................................................................................................................................................... 11 3.3 Overige zoogdieren ........................................................................................................................................... 12 3.4 Overige fauna .................................................................................................................................................... 13 3.5 Vaatplanten ...................................................................................................................................................... 13

4

Effecten en gevolgen ..........................................................................................................................................14 4.1 Overzicht beschermde soorten......................................................................................................................... 14 4.2 Effecten op de in het plangebied (mogelijk) aanwezige flora en fauna ........................................................... 14

5

Mitigerende maatregelen ..................................................................................................................................16 5.1 Jaarrond beschermde broedvogels; mitigatie en nader onderzoek ................................................................. 16 5.2 Algemene broedvogels; mitigatie ..................................................................................................................... 17 5.3 Vleermuizen; nader onderzoek en mitigatie .................................................................................................... 17

6

Conclusie............................................................................................................................................................19

Geraadpleegde bronnen ............................................................................................................................................20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In opdracht van RHO adviseurs heeft ecologisch adviesbureau JM ecologie b.v. een QuickScan uitgevoerd aan de Neushoornweg 33 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland. De opdrachtgever is voornemens de huidige bedrijfswoning te slopen en te vervangen voor een nieuwe bedrijfswoning.

1.2

Globale ligging Het plangebied is gelegen ten oosten van het dorp Ens en ten zuiden van het dorp Kraggenburg. De omgeving van het plangebied bestaat uit landelijk, agrarisch gebied en is een typisch polderlandschap. De globale ligging van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1. Globale ligging van het plangebied (rode stip). (Bron achtergrond: Esri)

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 2 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

1.3

Structuur natuurwetgeving in Nederland De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) heeft per 1 januari 2017 de Boswet, Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Naast bescherming vanuit de Wet natuurbescherming, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Dit betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen) en niet via de natuurwetgeving. Na de decentralisatie (2017) zijn enkele provincies andere namen gaan voeren voor de NNN. De provincie Flevoland hanteert de benaming NNN en heeft geen extra beschermde leefgebieden aangewezen. Decentralisatie Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de provincies. Het Rijk behoud echter het bevoegd gezag en de verantwoordelijkheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk, zoals bijvoorbeeld hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij en bijvoorbeeld activiteiten Koninklijk Huis. Soortbescherming In de Wet natuurbescherming is soortbescherming opgedeeld in categorieën.

Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het gaat om de volgende categorieën: 1. soorten van de Vogelrichtlijn; 2. soorten van de Habitatrichtlijn, inclusief bijlage I en II uit Verdrag van Bern en bijlage I uit Verdrag van Bonn; 3. ‘andere soorten’ (onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’). De verbodsbepalingen en ontheffingsgronden voor de eerste twee categorieën komen rechtstreeks uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. De derde categorie vindt zijn oorsprong in de nationale wetgeving. De meeste provincies en het Rijk hanteren de voorheen geldende “Lijst met jaarrond beschermde nesten 2012” in de Wet natuurbescherming. Flevoland heeft ervoor gekozen om een eigen “lijst met jaarrond beschermde nesten” op te stellen. Bij voorliggende toetsing is deze nieuwe lijst gehanteerd. In deze lijst wordt een onderscheid gemaakt tussen jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) en mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5a en 5b). Soorten van de Vogelrichtlijn Voor Vogelrichtlijnsoorten is het verboden om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen.

Dit laatste verbod geldt niet voor een aantal aangewezen vogelsoorten, indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding en het nest zelf zijn functionaliteit behoudt.

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 3 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

Soorten van de Habitatrichtlijn Voor soorten van artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, Bern en Bonn) is het eveneens verboden om in het wild levende dieren en planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen. Voortplantings- of rustplaatsen mogen niet beschadigd of vernield worden. Daarnaast geldt er een verbod om planten behorend bij artikel 3.5 te plukken, verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In tegenstelling tot de Vogelrichtlijnsoorten in artikel 3.1, mogen dieren behorend bij artikel 3.5 niet opzettelijk verstoord worden, ook niet als er geen wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding. Daarbij dient opgemerkt te worden dat een aantal vogelsoorten ook vallen onder artikel 3.5 en daarom niet verstoord mogen worden. Andere soorten Naast de Europees aangewezen beschermde flora en fauna, is er in Nederland ook een Nationale soortenlijst gemaakt die niet gedekt wordt door de Vogel- en Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern of Verdrag van Bonn. Deze soorten zijn opgenomen in bijlage A en B van de Wet natuurbescherming. Voor soorten in bijlage A geldt een verbod op opzettelijk doden of vangen van dieren en opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantings- of rustplaatsen van dieren.

Voor soorten in bijlage B geldt een verbod op opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen en ontwortelen van planten. In tegenstelling tot artikel 3.1 en 3.5, is verstoring van deze soorten toegestaan. Met betrekking tot de ‘andere soorten’ zijn per provincie beleidsregels opgesteld waarin voor een deel van deze soorten vrijstelling is verleend. De grond waarop deze vrijstelling geldt verschilt per provincie en hoeft dus niet in alle situaties van toepassing te zijn. Vrijstelling op basis van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling is een geldige reden in alle provincies. Indien bij het project-voornemen een of enkele gestelde verboden in artikel 3.1, 3,5 of 3.10 worden overtreden, dient gewerkt te worden conform een gedragscode. Biedt een gedragscode geen oplossing, dan is het mogelijk om een ontheffing aan te vragen bij de provincie waarin het voornemen plaats vindt. De grond waarop een ontheffing mogelijk is, verschilt per categorie.

1.4

Scope van de QuickScan Deze QuickScan is opgesteld om de ecologische waarden van het plangebied te bepalen, en de, ten gevolge van de geplande bestemmingswijziging, eventuele strijdigheden met de Wet natuurbescherming (Wnb) in kaart te brengen, waaruit een advies zal volgen over hoe te handelen volgens deze wet. Er wordt in deze QuickScan niet ingegaan op raakvlakken met de gebiedsbescherming (Natura 2000, Natuur netwerk Nederland, overige provinciaal beschermde gebieden en de bescherming Houtopstanden). Een initiatiefnemer is, vanuit de natuurwetgeving, bij ruimtelijke ingrepen (maar ook maatregelen en activiteiten) verplicht op de hoogte te zijn van mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden binnen het plangebied, zodat hiermee rekening kan worden gehouden. De consequenties van de beoogde ruimtelijke ingreep zijn getoetst aan de bepalingen van de soortenbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De natuur is onvoorspelbaar. Het veldbezoek beschrijft een momentopname. Indien de periode tussen veldbezoek en de invoer van de geplande verandering in het bestemmingsbesluit meerdere jaren wordt, dient overwogen te worden een herhaald veldbezoek te laten uitvoeren, hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de QuickScan wordt herzien.

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 4 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

1.5

Werkwijze Bureaustudie Voorafgaand aan het veldbezoek wordt de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door het raadplegen van online- en fysieke atlassen en databases, zoals bijvoorbeeld de NDFF. Het doel van de bureaustudie is het inschatten van de ligging van het projectgebied, de aanwezige habitattypes en de bekende beschermde soorten, alsmede het verkrijgen van inzicht in de kans dat beschermde soorten in een projectgebied aanwezig kunnen zijn. Veldbezoek Het veldbezoek is afgelegd door ecoloog Jessica Hovius van JM ecologie b.v. op 16 maart 2021. Het bezoek is uitgevoerd van 10:00 tot 11:00 uur, bij 6⁰C en 4 Bft, op een bewolkte en regenachtige dag. Het doel van het veldbezoek is het inschatten van de aanwezige habitattypes en het verkrijgen van inzicht in het plangebied. Maatregel(en) en effecten De derde stap is de beschrijving van de geplande maatregel en de omstandigheden (planning, methode) waarin deze uitgevoerd gaat worden. Tezamen met het veldbezoek en de bureaustudie kunnen hieruit eventuele strijdigheden van de plannen met de betreffende natuurwetgeving opgespoord worden, en kunnen eventuele kennishiaten benoemd worden. Hieraan worden conclusies verbonden en hieruit zal duidelijkheid ontstaan over de eventuele noodzaak tot het nemen van vervolgstappen, met als doel de wijziging conform de huidige Wet natuurbescherming te laten plaatvinden.

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 5 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

2

Beschrijving locatie en ingreep

2.1

Locatie Het plangebied is gelegen ten zuiden van Kraggenburg, aan de Neushoornweg 33, in de gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland. Rondom het plangebied liggen enkele vergelijkbare percelen met bedrijfswoningen en grote schuren. De wijdere omgeving van het plangebied is landelijk met veel agrarische percelen en kan beschreven worden als een typisch polderlandschap. Langs de Neushoornweg en rondom de percelen staan bomenrijen. Binnen het plangebied bevindt zich de huidige bedrijfswoning, een lange oprit en parkeerplaats, een grote schuur, stacaravan en een kapschuur. Het dak van de bedrijfswoning bestaat uit twee zadeldaken bedekt met dakpannen. Er staan meerde bomen en heggen in en rond het plangebied.

Afbeelding 2.1. Begrenzing van het plangebied (rood kader), het blauwe kader geeft de locatie van de te slopen bedrijfswoning aan. (Bron achtergrond: Esri)

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 6 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

2.2

Afbeelding 2.2. Te slopen bedrijfswoning.

Afbeelding 2.3. Schuur gezien vanaf noordoosten.

Afbeelding 2.4. Kapschuur.

Afbeelding 2.5. Stacaravan.

Ingreep Het plan is om de huidige bedrijfswoning te slopen en te vervangen door een nieuwe bedrijfswoning. Deze nieuwe bedrijfswoning zal gebouwd worden op dezelfde locatie als de huidige woning. Achter de grote schuur, aan de oostkant van het plangebied zal een noodwoning neergezet worden. Daarnaast is er het plan om in de verre toekomst een paar bed en breakfast kamers te bouwen achter in de kapschuur. Hier zijn echter nog geen concrete plannen voor. De erfafscheiding zal aan de oost- en zuidzijde aangevuld worden met bomen (afbeelding 2.6). Ten behoeve van de werkzaamheden worden geen bomen gekapt of watergangen aangetast. De rest van de bebouwing zal ook niet worden aangetast. De opdrachtgever is voornemens te starten met de werkzaamheden zodra alle vergunningen binnen zijn (naar verwachting in januari/februari 2023).

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 7 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

Afbeelding 2.6. Nieuwe situatie. (Bron: RHO adviseurs)

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 8 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

3

Resultaten veldbezoek en bureaustudie Waargenomen soorten en verwachte soorten (op basis van de aanwezige habitat en de bekende verspreiding) worden samengenomen en hun gebruik van het plangebied wordt beschreven. Hierbij ligt de nadruk op beschermde soorten, maar er zullen ook algemene en lichter beschermde soorten betrokken worden indien waargenomen of van belang voor de ingreep.

3.1

Vogels Alle broedgevallen van vogels zijn beschermd. Van 16 vogelsoorten zijn ook de nesten, vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 1 t/m 4 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Daarnaast zijn van 34 vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd als hier een zwaarwegende ecologische reden voor is. Dit zijn soorten die vallen in de categorie 5 van de aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten (2012). Deze soorten zijn: blauwe reiger, boerenzwaluw, bonte vliegenvanger, boomklever, boomkruiper, bosuil, brilduiker, draaihals, eidereend, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, hop, huiszwaluw, ijsvogel, kleine bonte specht, kleine vliegenvanger, koolmees, kortsnavelboomkruiper, oeverzwaluw, pimpelmees, raaf, ruigpootuil, spreeuw, tapuit, torenvalk, zeearend, zwarte kraai, zwarte mees, zwarte roodstaart en zwarte specht. Indien sprake is van een ecologisch zwaar wegende reden voor één of meerdere van deze soorten, dan worden deze hieronder behandeld onder ‘Jaarrond beschermd’.

Zo niet, dan worden deze soorten net als overige broedvogels behandeld onder ‘Algemene broedvogels’. Jaarrond beschermd Tijdens het veldbezoek is gezocht naar jaarrond beschermde nesten in en binnen de verstoringszone van het plangebied. In de bomen binnen de verstoringszone zijn geen potentieel jaarrond beschermde nesten aangetroffen. Wel hangt er een uilenkast in de schuur die in het verleden in gebruik was door de kerkuil. De eigenaar van het perceel heeft één kerkuil die gebruik maakte van de nestkast een paar maanden terug verzwakt gevonden op het perceel; deze is toen helaas overleden. Er kan echter niet worden uitgesloten dat de partner van de kerkuil weer gebruik gaat maken van de nestkast (afbeelding 3.1). Kerkuilen zijn over het algemeen trouw aan hun broedplaats en bij het overlijden van een partner, komt er vaak weer een nieuwe partner voor in de plaats. De bedrijfswoning is geschikt als broedlocatie voor de huismus. Tijdens het veldbezoek is er onder de dakpannen van de bedrijfswoning gekeken. Bij het oostelijke dakdeel is vogelschroot aanwezig, alleen is er onder de balk voor het vogelschroot ruimte waar huismussen door passen. Hier zijn ook mestsporen van vermoedelijk de huismus aangetroffen (afbeelding 3.2).

Afbeelding 3.1. Uilenkast schuur.

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

Afbeelding 3.2. Toegang huismussen onder vogelschroot.

blad 9 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

Consequenties van de ingreep op jaarrond beschermde nesten van kerkuil en huismus staan beschreven in paragraaf 4.2. Algemene broedvogels In dezelfde schuur als waar de uilenkast hangt, zijn oude nestsporen en één intact nest van de boerenzwaluw aangetroffen (afbeelding 3.3). Nesten van de boerenzwaluw vallen onder categorie 5 van de lijst met jaarrond beschermde vogelnesten. Deze nesten zijn alleen beschermd als er een ecologisch zwaarwegende reden voor is. Er staan meerdere vergelijkbare schuren in de directe omgeving van het plangebied waardoor het intacte boerenzwaluwnest niet als jaarrond beschermd wordt aangemerkt, voor dit nest geldt daarom hetzelfde als voor algemene broedvogels. In en rondom het plangebied kunnen diverse algemene broedvogels tot broeden komen in het broedseizoen. In bomen, bebouwing en heggen kunnen diverse zangvogels tot broeden komen. In de agrarische percelen rondom het plangebied kunnen akker- en weidevogels tot broeden komen. Tot slot zijn er vier nesten in de kapschuur aangetroffen van vermoedelijk een duivensoort (afbeeldingen 3.4 en 3.5).

Afbeelding 3.3. Boerenzwaluwnest in schuur.

Afbeelding 3.4. Twee nesten in kapschuur.

Afbeelding 3.5. Nest in kapschuur.

Consequenties van de ingreep op algemene broedvogels staan beschreven in paragraaf 4.2.

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 10 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

3.2

Vleermuizen Alle vleermuizen zijn zwaar beschermd (alle in Nederland voorkomende soorten staan vermeld in de Habitatrichtlijn). Vleermuizen kunnen een plangebied gebruiken als verblijfplaats, vaste vliegroute en/of foerageergebied. Verblijfplaatsen kunnen uitgesplitst worden in vier categorieën, te weten kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven. Vleermuizen maken op verschillende manieren en in verschillende seizoenen gebruik van deze verblijfplaatsen. De eisen die vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen zijn afhankelijk van de vleermuissoort en het gebruik van de verblijfplaats. Kraamverblijven worden in het voorjaar en de vroege zomer gebruikt door grote groepen drachtige vrouwtjes om hun jongen te baren en groot te brengen. Tegelijkertijd bevinden kleinere groepen mannetjes zich in de zomerverblijfplaatsen. Later in de zomer en in het najaar verplaatsen de mannetjes zich naar de paarverblijven, waaromheen ze een territorium bezetten en verdedigen tegen andere mannetjes. Binnen het territorium proberen de mannetjes langskomende vrouwtjes te lokken naar de paarverblijven, waar vervolgens de paring plaatsvindt. Het paarseizoen eindigt in de herfst, waarna de vleermuizen de winterverblijven opzoeken om te overwinteren. Sommige soorten migreren hiervoor over behoorlijke afstanden.

Vleermuizen gebruiken vliegroutes voor dagelijkse verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebieden en in het geval van migrerende soorten, voor de jaarlijkse trek van en naar de winterverblijven. Meestal maken vleermuizen langdurig gebruik van vaste routes die ze onthouden. Daarbij worden lijnvormige elementen zoals bomenrijen, dijken en watergangen gebruikt als vliegrouteondersteuning. Het onderbreken of verwijderen van deze elementen bij een (potentiële) vliegroute kan een negatief effect hebben op de mogelijkheid van vleermuizen om hun doel te bereiken. Ten slotte kunnen vleermuizen een plangebied gebruiken als foerageergebied. De vleermuizen komen via vaste routes naar het foerageergebied om daar in de buurt van bomen en water te jagen op vliegende insecten. Net zoals vaste vliegroutes die veelvuldig gebruikt worden, maken vleermuizen ook gebruik van vaste foerageergebieden. Het ongeschikt maken van een foerageergebied door bijvoorbeeld het kappen of verlichten van bomen of het dempen van waterpartijen, kan tot gevolg hebben dat vleermuizen geen toegang meer hebben tot voldoende voedsel. Verblijven Het gehele pand is gecontroleerd op de aanwezigheid van invliegmogelijkheden voor gebouwbewonende vleermuizen, die toegang bieden tot potentiële verblijfplaatsen.

Daarnaast zijn alle bomen binnen een straal van 250 meter gecontroleerd op geschikte holtes voor mogelijke verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er zijn geen geschikte boomholtes aangetroffen. Echter is er op de zolder van de te slopen bedrijfswoning, vleermuismest aangetroffen (afbeelding 3.6 en 3.7). Er zijn vermoedelijk invliegopeningen in de nokken van het westelijk dakdeel. De aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen als gewone- en ruige dwergvleermuis, maar ook de gewone grootoorvleermuis, kan hierdoor niet uitgesloten worden.

Datum: 6 april 2021 rapport: R21.052, versie 1.0

blad 11 van 20

RHO Adviseurs QuickScan Kraggenburg, Neushoornweg 33

Afbeelding 3.6. Vleermuismest op zolder.

Afbeelding 3.7. Vleermuismest.

Afbeelding 3.8. Binnenkant westelijk dakdeel.

Vliegroutes Rondom het plangebied zijn lijnvormige elementen in de vorm van bomen en heggen die mogelijk dienst kunnen doen als vliegroute ondersteuning voor vleermuizen. De bomenlaan aan de Neushoornweg vormt daarbij mogelijk een essentiële vliegroute doordat er weinig andere lijnvormige elementen in de omgeving aanwezig zijn. De aanwezigheid van een essentiële vliegroute in de omgeving van het plangebied kan hierdoor niet worden uitgesloten. Foerageergebied De omgeving van het plangebied is geschikt als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen. Aangezien er in de omgeving van het plangebied genoeg minstens even geschikt foerageergebied aanwezig is, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd. Consequenties van de ingreep op verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen staan beschreven in paragraaf 4.2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1884/documents/29436