CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

9.1 Bestemmingsplan Emmeloord Dokter Jansenpark 13022023 VA_Deel1.pdf

Commissie Woonomgeving 20 maart 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 9: Bestemmingsplan ‘Emmeloord, Dokter Jansenpark’27.955 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Afbeelding 4.6

Ligging plangebied binnen de kaart ‘Ruimte’ (Bron: Omgevingsprogramma provincie Flevoland)

Het verstedelijkingsbeleid is gericht op de ontwikkeling van vitale steden en dorpen. Het beleid maakt behoud en versterking van de kwaliteit van de fysieke omgeving mogelijk. Het gaat hierbij om efficiënt ruimtegebruik, kwaliteitsverbetering en herstructurering van het stedelijk gebied en versterking van het draagvlak voor voorzieningen. Deze doelen worden gediend door de stedelijke ontwikkeling van de kernen te bundelen. Nieuwe bebouwing wordt geconcentreerd in of aansluitend aan het bestaande bebouwde gebied. Dit ondersteunt de optimale benutting van infrastructuur en centrumvorming rondom belangrijke vervoerknooppunten. Het provinciale bundelingsbeleid is gebaseerd op enkele principes waarvan onderstaande in voorliggend geval het meest van belang zijn: •

De specifieke ruimtelijke kwaliteiten van steden en dorpen worden benut door de kwaliteit van deze kenmerken te behouden en te versterken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld • •

Stedelijke uitbreiding moet aansluiten bij bestaande ruimtelijke structuren, zodat de vitaliteit van de kernen wordt ondersteund. De omvang van nieuwe ruimte voor wonen, werken en voorzieningen moet in verhouding staan tot de grootte van de kern en de positie ervan in de stedelijke en groen-blauwe hoofdstructuur.

Van de gemeenten wordt verwacht dat zij het provinciale bundelingsbeleid vertalen in lokaal beleid en in concrete (ruimtelijke) plannen. Plannen voor uitbreiding worden uitgewerkt in samenhang met herstructurering van het bestaande bebouwd gebied.

4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Omgevingsprogramma Provincie Flevoland’ Het voorliggende plan heeft betrekking op de herontwikkeling van het Dokter Jansenterrein en voldoet aan de door de provincie voorgestane bundeling van stedelijke ontwikkeling en concentratie van nieuwe bebouwing aansluitend op of in bestaand bebouwd gebied. Daarnaast is het plangebied reeds aangeduid als stedelijk gebied.

4.2.3

Omgevingsverordening Provincie Flevoland

4.2.3.1 Algemeen In de Omgevingsverordening van provincie Flevoland zijn alle regels vastgelegd die de provincie hanteert op het gebied van onder andere wegen, water, milieu, bodem, natuur, wonen en ruimte. Dit kunnen zowel regels zijn voor burgers of bedrijven als (instructie-)regels voor andere overheden.

4.2.3.2 Relevante artikelen In geval van voorgenomen ontwikkeling is met name artikel 7.5 van de omgevingsverordening van belang. Artikel 7.5 (Bescherming) - Natuurnetwerk Nederland 1.

2.

Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland: a. strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; b. maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. Voor zover een bestemmingsplan strijdig is met de bescherming en de mogelijkheden bedoeld in het eerste lid stelt de gemeenteraad binnen drie jaar na het inwerkingtreden van deze titel dat plan opnieuw vast met inachtneming van de bepalingen in het eerste lid.

4.2.3.3 Toetsing van het initiatief aan artikel 7.5 van de Omgevingsverordening De locatie waar voorgenomen ontwikkeling betrekking op heeft ligt op circa 200 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Zoals aangegeven in paragraaf 5.6.2.3 worden er gelet op de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling geen negatieve effecten verwacht op de gebieden die behoren tot het NNN. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Flevoland.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 4.2.4

Toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Structuurvisie Noordoostpolder 2025

4.3.1.1 Algemeen De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen en hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent de Structuurvisie Noordoostpolder 2025 een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid. Ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten.

4.3.1.2 Ambitie Bevolking en wonen De gemeente Noordoostpolder streeft naar een aantrekkelijke, uitnodigende fysieke woon- en leefomgeving en daarbij richt de gemeente zich vooral op (tijdelijke) inwoners van de gemeente Noordoostpolder. De gemeente zet in op een afwisselend woningaanbod en voegt bijzondere woonmilieus toe, zoals in de Wellerwaard. Er zijn mogelijkheden voor het realiseren van landgoederen en woningen in vrijkomende agrarische bebouwing. De aandacht verschuift van kwantiteit (veel bouwen) naar kwaliteit (dat wat er al is behouden, verbeteren en/of transformeren). Er zijn mogelijkheden voor het realiseren van landgoederen en wonen in vrijkomende agrarische bebouwing: Vernieuwen van binnenuit De gemeente Noordoostpolder vindt het belangrijk dat (nieuwe) inwoners kunnen kiezen uit verschillende woonmilieus en dat tijdelijke inwoners adequaat en legaal gehuisvest kunnen worden. Er wordt daarom gestreefd naar een gevarieerde woningvoorraad waar ruimte is voor diverse leeftijds-, huishoudens- en inkomensgroepen. De unieke kwaliteiten die het wonen in de polder aangenaam maken, wil men hierbij benutten voor de bestaande bewoners, waaronder jongeren/starters en senioren, maar ook om nieuwkomers naar de gemeente te trekken. De onzekerheid op de woningmarkt en de afnemende woningbehoefte maakt een zorgvuldige, stapsgewijze ontwikkeling noodzakelijk.

Het accent ligt op vernieuwing van binnenuit, op inbreiding in plaats van alleen maar uitbreiding. Geplande en nog niet in ontwikkeling zijnde uitbreidingen bij de dorpen vervallen. De overige (grotere) nieuwe woningbouwlocaties in de dorpen en Emmeloord worden niet in één keer ontwikkeld, maar steeds gedoseerd en gefaseerd in kleine afrondbare eenheden. Het plangebied is op de structuurvisiethemakaart ‘Bevolking en wonen’ aangeduid als woningbouwlocatie in ontwikkeling. Flexibiliteit is het sleutelwoord. Per locatie/gebied wordt bekeken wat de wensen en mogelijkheden zijn.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld

Afbeelding 4.7

Uitsnede structuurvisie-themakaart ‘Bevolking en wonen’ (Bron: gemeente Noordoostpolder)

4.3.1.3 Ambitie voorzieningen en leefbaarheid Sociaal en vitaal blijven in de toekomst vraagt om het maken van keuzes. De gemeente wil daarin aansluiten bij wat inwoners nodig hebben om die sociale en vitale samenleving te kunnen blijven. De gemeente richt zich op behoud en verbetering van de kwaliteit. Ondernemerschap, zelforganisatie en het aangaan van nieuwe allianties zijn belangrijke kernkwaliteiten wordt gestimuleerd en gefaciliteerd in het belang van een toekomstbestendige samenleving. Maatschappelijke voorzieningen zoals peuterspeelwerk, sport, onderwijs, zorg, kinderopvang, cultuur en ontmoetingsfuncties dragen bij aan de leefbaarheid en hebben een plaats dichtbij de inwoners en hun leefomgeving: de buurt en de wijk. Ze dragen bij aan de leefbaarheid, omdat mensen elkaar kunnen ontmoeten, talenten kunnen ontwikkelen, dingen van elkaar kunnen leren, elkaar kunnen helpen, bezig kunnen zijn, enzovoorts. Een goede spreiding en bereikbaarheid van voorzieningen is belangrijk. Het voorzieningenniveau moet passen bij dat wat er nodig is en bij het schaalniveau van een leefgemeenschap.

4.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’ Het voorliggende bestemmingsplan gaat uit van de herontwikkeling van het Dokter Jansenterrein in de kern Emmeloord. Zoals ook is aangegeven in paragraaf 3.1, voorziet de voorgenomen herontwikkeling is een divers woningbouwprogramma en ligt het plangebied midden in de kern Emmeloord in de nabijheid van diverse voorzieningen. Hierdoor kunnen diverse doelgroepen worden bediend. Daarnaast is er een variatie van huurwoningen/appartementen (goedkoop tot duur) en koopwoningen/appartementen (goedkoop tot duur). Verder is er binnen het plangebied ruimte voor het realiseren van maatschappelijke voorzieningen, zoals een buurtcentrum. Hiermee wordt er binnen de te realiseren woonbuurt ruimte geboden voor een plek wel

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld mensen elkaar kunnen ontmoeten, talenten kunnen ontwikkelen, dingen van elkaar kunnen leren, elkaar kunnen helpen, bezig kunnen zijn, enzovoorts. Dit draagt bij aan de leefbaarheid van de beoogde woonbuurt. Het plangebied is op de structuurvisie-themakaart ‘Bevolking en wonen’ aangewezen als bestaand woongebied. Het plan voorziet in de kwantitatieve en kwalitatieve woningbouwbehoefte van Emmeloord (zie ook paragraaf 4.3.2). Geconcludeerd wordt dat dit plan in overeenstemming is met de uitgangspunten zoals verwoord in de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’.

4.3.2

Woonvisie Gemeente Noordoostpolder 2020: Kansen grijpen

4.3.2.1 Algemeen De gemeenteraad heeft in 2020 een nieuwe woonvisie vastgesteld. De woonvisie heeft als subtitel “kansen grijpen” en dat is precies wat de gemeente wil gaan doen. De gemeente wil de vraag van vandaag beantwoorden en tegelijkertijd inspelen op de toekomst. En wil een gemeente blijven waar het goed wonen is. Dat betekent dat de gemeente inspeelt op de markt en ruimte bieden voor experimenten en nieuwe woonvormen. Dit draagt bij aan de variatie in het woonaanbod, waardoor Noordoostpolder voor meer mensen aantrekkelijker wordt. Mensen die een band hebben met Noordoostpolder geeft de gemeente de ruimte om te blijven en te komen. Zowel in Emmeloord als in de dorpen.

4.3.2.2 Kwantitatieve behoefte Uitgangspunt voor de programmering is de bevolkingsprognose van de gemeente. Tegelijk is het beeld dat de groei hoger uit kan vallen. De ambitie van de gemeente is dan ook om aan die grotere behoefte te voldoen. Dat betekent dat er een flexibele programmering is, waarbij een jaarlijkse bijstelling van prognose en planning nodig is. Het doel is om meerjarig te voldoen aan de kwantitatieve behoefte die wordt afgeleid van de huishoudensprognose. Dat betekent dat er de komende 10 jaar in ieder geval de ruimte is om 1000 woningen toe te voegen. Dat aantal staat los van de intentie van de provincie Flevoland om in het kader van het project “Flevoland bouwt voor Nederland” in de provincie tot 2050 100.000 woningen extra te bouwen. Momenteel wordt onderzocht welke bijdrage de gemeente Noordoostpolder daaraan kan leveren. Het is cruciaal steeds zowel in Emmeloord als in de dorpen de ontwikkelruimte beschikbaar te hebben om aan de vraag te voldoen. Er zijn geen harde cijfers per kern om zo de programmering flexibel te houden en in te kunnen spelen op de behoefte.

4.3.2.3 Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve woningprogrammering kent drie invalshoeken: 1. 2. 3.

De vraag en tekorten van vandaag. De behoefte van morgen. Zelfstandige kwaliteitsdoelstellingen.

Bij het bouwen van nieuwe woningen wordt gekeken naar inbreidingsmogelijkheden, transformatie van bestaand vastgoed en uitbreiding. De inzet van de woonvisie is om de vraag en tekorten van vandaag op te lossen door een op doorstroming gericht seniorenprogramma dat invulling geeft aan de behoefte van morgen. Het doel is om zowel in Emmeloord als in de kernen een dergelijk programma te realiseren. Het gaat daarbij om huur- én koopwoningen, appartementen én grondgebonden woningen. Een dergelijk programma kan door doorstroming ruimte scheppen voor starters en andere groepen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 4.3.2.4 Betaalbaarheid De basisstrategie is om door het stimuleren van doorstroming de betaalbare woningen in de voorraad beschikbaar te krijgen voor de groepen die daaraan behoefte hebben. Bijvoorbeeld door het toevoegen van seniorenwoningen kunnen betaalbare woningen in de bestaande voorraad beschikbaar komen. Als de doorstroming niet voldoende op gang komt, moeten er andere maatregelen genomen worden om woningen beschikbaar te krijgen voor bijvoorbeeld starters. Hierbij kan gedacht worden aan een middenhuurprogramma, levensloopgeschikte woningen die nu voor starters zijn, maar straks voor senioren. Daarnaast is het doel om voor de groepen die tussen de sociale huurmarkt en de koopmarkt vallen, te komen tot een nieuw middenhuurprogramma.

4.3.2.5 Duurzaamheid Landelijk doel is om in 2050 een energie neutrale woningvoorraad te hebben. De gemeente heeft daarbij als subdoelstellingen de betaalbaarheid van het wonen én de kwaliteit van de bestaande voorraad. Vooral in de goedkopere delen van de koopvoorraad ligt hier een belangrijke opgave. De komende jaren moet op gebiedsniveau invulling worden gegeven aan deze doelstelling. Vooruitlopend daarop is het doel te leren van experimenten en met die experimenten ook draagvlak onder de bevolking te creëren. Bijzonder aandachtspunt is dat de verwachting dat op het moment dat de strategie voor de energietransitie in een afrondende fase komt daar de nieuwe opgave van de circulaire transitie overheen komt. De oplossingen voor de energietransitie kunnen strijdig zijn met die van circulair bouwen. Parallel zijn er ook de opgaven van de klimaatadaptatie en biodiversiteit. Het doel is om tijdig met de nieuwe opgaven rekening te houden in het formuleren van de strategieën.

4.3.2.6 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie Noordoostpolder De voorgenomen herontwikkeling voorziet in een divers woningbouwprogramma en het plangebied ligt midden in de kern Emmeloord in de nabijheid van diverse voorzieningen. Hierdoor kunnen diverse doelgroepen worden bediend. Daarnaast is er een variatie van huurwoningen/appartementen (goedkoop tot duur) en koopwoningen/appartementen (goedkoop tot duur). De doelgroepen die kunnen worden bediend zijn, starters, senioren en gezinnen. Hierdoor kan in diverse woonsegmenten bijgedragen worden aan de doorstroming op de woningmarkt. Het bestemmingsplan is overigens flexibel opgesteld om optimaal invulling te kunnen geven aan individuele woonwensen en in te kunnen spelen op de actuele vraag vanuit de markt. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de gemeentelijke woonvisie.

4.3.3

Welstandsnota gemeente Noordoostpolder 2016

4.3.3.1 Algemeen Op 29 november 2016 heeft de raad de welstandsnota "Ruimte voor kwaliteit en welstandsvrijheid" vastgesteld. De welstandsnota geeft richting aan het welstandstoezicht in de Noordoostpolder en voor de inwoners van de gemeente biedt het plan helderheid over de welstandsbeoordeling van hun bouwplannen. Zoals de titel van de nota al aangeeft wordt onderscheid gemaakt tussen welstandsvrije en niet welstandsvrije gebieden. De selectie van niet-welstandsvrije gebieden heeft plaats gevonden aan de hand van twee criteria: • •

de cultuurhistorische betekenis van de bebouwing; de zichtbaarheid van de bebouwing vanuit belangrijke openbare ruimtes.

Op basis van deze criteria is besloten dat in de volgende gebieden welstandstoezicht blijft gelden:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 1. 2. 3. 4.

de kernen en beeldbepalende gebieden van Emmeloord; de dorpskernen en beeldbepalende gebieden van Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel, Tollebeek, Kraggenburg en Rutten; Nagele en Schokland in zijn geheel; het landelijk gebied.

Op basis van de welstandsgebiedenkaart blijkt dat het plangebied in welstandsgebied ligt. In paragraaf 6.1 van de welstandnota wordt aangegeven dat voor nieuwbouwontwikkelingen mogelijk beeldkwaliteitsplannen opgesteld kunnen worden.

4.3.3.2 Beeldkwaliteitsplan Ten behoeve van het Dokter Jansenpark is een beeldkwaliteitsplan opgesteld als toetsingskader voor de beeldkwaliteit binnen het plangebied. In paragraaf 3.3 is ingegaan op het beeldkwaliteitsplan die is opgesteld voor het Dokter Jansenpark. Onderdelen hiervan worden samen met de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota.

4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota gemeente Noordoostpolder Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen dient te worden getoetst aan de geldende welstandseisen en beeldkwaliteitscriteria.

4.3.4

Duurzaamheidsvisie Noordoostpolder

In haar duurzaamheidsvisie streeft de gemeente Noordoostpolder naar energieneutraliteit in 2030. De gemeente focust daarnaast op inzet van schone energie. Energiegebruik en –besparing in woningen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Het energiegebruik door woningen bedraagt ongeveer 16% van het totale energiegebruik in Noordoostpolder. Landelijke eisen Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vloeien voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Een gemeente kan een ontheffing verlenen, waardoor toch op het gasnet aangesloten mag worden. Dit kan echter alleen in uitzonderlijke situaties waarbij grote maatschappelijke effecten ontstaan door het niet aansluiten op gas.

Aangezien voor de geplande woningen technische oplossingen beschikbaar en financieel haalbaar zijn voor aardgasloos wonen/bouwen, verleent de gemeente voor deze locatie geen ontheffing.

4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De beoogde woningen zijn aan te merken als een geluidsgevoelige functies.

5.1.2

Situatie plangebied

5.1.2.1 Industrielawaai In de omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering).

5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op zeer ruime afstand van het plangebied ligt.

5.1.2.3 Wegverkeerslawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van de Urkerweg en de Scandinaviëlaan. Daarnaast ligt het projectgebied nabij meerdere 30 km/uur woning. Deze wegen hebben geen formele wettelijke geluidszone. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is echter de Kometenlaan wel meegenomen vanwege de aanzienlijke verkeersintensiteit op deze weg. BJZ.nu B.V. heeft in voorliggend geval onderzoek uitgevoerd voor het aspect wegverkeerslawaai. De resultaten worden in deze paragraaf beschreven. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 5 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten De geluidbelasting als gevolg van de Urkerweg bedraagt minstens 49 dB en hoogstens 56 dB (inclusief reductie) ter plaatse van de noord-, oost- en westgevels van de rijen 1, 4, 5 en toren 1, de noord- en oostgevel van rij 9 en de noord- en westgevel van rij 8 en toren 3.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld De geluidbelasting van de Scandinaviëlaan bedraagt hoogstens 44 dB (inclusief reductie). De geluidbelasting als gevolg van de niet-gezoneerde Kometenlaan bedraagt hoogstens 50 dB (inclusief reductie) ter plaatse van de westgevel van rij 2. De cumulatieve geluidbelasting van alle wegen gezamenlijk bedraagt 63 dB (exclusief reductie) ter plaatse van de noordgevel van toren 1. Een hogere waarde als gevolg van wegverkeerslawaai afkomstig van de Urkerweg is in voorliggend geval benodigd. De Kometenlaan kent op basis van de Wgh geen wettelijke geluidszone en hieruit volgend kan er voor deze weg geen hogere waarde worden vastgesteld. Afwijken van de voorkeurswaarde is alleen mogelijk als bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard en een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd kan worden. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. Met het nemen van gevelmaatregelen met een geluidwering van minimaal 28 dB wordt ter plaatse van alle woningen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB voldaan.

Standaard HR++ beglazing zorgt voor een geluidwering van circa 28 dB. Met het vaststellen van de benodigde hogere waarde van hoogstens 56 dB voor de Urkerweg en het nemen van de gevelmaatregelen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen.

5.1.3

Conclusie

Met inachtneming van het verkrijgen van een hogere waarde inzake wegverkeerlawaai, vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. Opgemerkt wordt dat in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is om te bouwen. Greenhouse Advies heeft ter plaatse van het plangebied een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Een samenvatting van de resultaten en de conclusies uit dit onderzoek zijn in de volgende subparagrafen opgenomen. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar het complete bodemonderzoek welke is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Hierbij wordt opgemerkt dat het noordwesten van het plangebied (locatie Stichting ZONL) niet is onderzocht. Hier zal voorafgaand aan het mogelijke herontwikkeling van dit gebied een separaat bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden.

5.2.2

Situatie plangebied

In de bovengrond wordt gedeeltelijk een zintuiglijke bijmenging aangetroffen met sporen baksteen. Uit de analyseresultaten kan het volgende worden geconcludeerd: • • • •

De bovengrond van de mengmonsters BG1 t/m BG3 is licht verontreinigd met PCB; De bovengrond van de mengmonsters BG4 t/m BG6 is niet verontreinigd met één van de onderzochte parameters; De ondergrond van de mengmonsters OG1 t/m OG5 is niet verontreinigd met één van de onderzochte parameters; Het grondwater is licht verontreinigd met barium;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld •

In geen van de onderzochte mengmonsters is asbest aangetroffen in een gehalte boven het detectielimiet.

Op basis van het aantreffen van verontreinigingen in grond en grondwater dient de hypothese “locatie is onverdacht” formeel verworpen te worden. De bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen. Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader onderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.

5.2.3

Conclusie

Uit milieukundig oogpunt is geen bezwaar tegen de voorgenomen ontwikkeling. De bodem wordt geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen en tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied

In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is onderhavig plan zeker aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat de functies binnen het plangebied niet worden aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.

5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe contour) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)

Zoals is te zien in afbeelding 5.1 is ten zuiden van het plangebied een risicovolle inrichting aanwezig: Industrieweg 1, Emmeloord Op een afstand van circa 250 meter van het plangebied is aan de Industrieweg 1 Agrifirm Plant BV aanwezig. Agrifirm Plant BV betreft een groothandel in bestrijdingsmiddelen en kunstmeststoffen. Ter plaatse is sprake van opslag van gevaarlijke stoffen. In voorliggend geval gaat het om kunstmeststoffen. De grootse risicoafstand (PR 10-6) bedraagt 60 meter (zie zwarte contouren in afbeelding 5.1). Het plangebied ligt hier ruim buiten. Voor de betreffende inrichting gelden geen groepsrisicoafstanden. Een verantwoording van de groepsrisico is dan ook niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. In de nabijheid van het plangebied zijn diverse functies aanwezig. Het gaat hierbij onder andere om woonfuncties, maatschappelijke functies en de aanwezige bedrijventerreinen ten zuiden en oosten van het plangebied. Bovendien ligt het plangebied aan de Urkerweg. Dit is een drukke en belangrijke ontsluitingsweg voor het centrum van Emmeloord.

Gelet op het vorenstaande is er sprake van een verhoogde milieubelasting waardoor uit kan worden gegaan van het omgevingstype ‘gemengd gebied’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Ten aanzien van de beoogde woningen wordt opgemerkt dat de functie ‘wonen’ geen milieubelastende activiteit voor de omgeving betreft. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. De beoogde maatschappelijke functie ligt centraal in het plangebied en is beoogd in één van de geplande woontorens op de begane grond. Dergelijke maatschappelijke functies worden aangemerkt als milieucategorie 1 of 2 functies. Hiervoor geldt een grootste richtafstand van 10 meter. Ten aanzien van de in de omgeving (buiten het plangebied) voorkomende milieugevoelige functies, wordt aan de richtafstand van 10 meter voldaan. Binnen het plangebied kan niet in alle gevallen aan de voorgenoemde richtafstand worden voldaan. Dit omdat de maatschappelijke functie inpandig in één van de geplande woontorens is beoogd. Gelet op het vorenstaande kan voor dit deel van het plangebied uit worden gegaan van de gebiedstype ‘functiemengingsgebied’.

Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: •

Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld •

•

Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.

De beoogde maatschappelijke functie betreft een categorie B activiteit. Deze functies dienen bouwkundig afgescheiden te zijn van woningen of andere gevoelige functies. Hier dient in voorliggend geval aan te worden voldaan. Zolang er sprake is van een bouwkundige scheiding tussen de maatschappelijke functie en de beoogde woningen in de directe nabijheid zal er sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe inrichting(en) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende inrichting(en)/bedrijven aantasten. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie. In de nabijheid van de beoogde woningen zijn een aantal maatschappelijke functies aanwezig. Het gaat hierbij om milieucategorie 1 en 2 functies, met een grootste richtafstand van 10 meter. De beoogde woningen binnen het plangebied liggen allen op meer dan 10 meter van de omliggende maatschappelijke functies. Verder is ten oosten van het plangebied een bedrijventerrein aanwezig waar bedrijven zijn toegestaan tot maximaal milieucategorie 3.1. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. In het stedenbouwkundigplan is rekening gehouden met deze richtafstand. Alle woningen liggen op meer dan 30 meter van het betreffende bedrijventerrein. Opgemerkt wordt dat op dit bedrijventerrein tevens een betonmortelmenginstallatie is toegestaan. Voor dit bedrijf is in het bestemmingsplan “Emmeloord, tussen Gracht en Vaarten” en “Emmeloord-West” een geluidszone opgenomen. Het plangebied ligt hier buiten. Ook ten zuiden van het plangebied is een bedrijventerrein aanwezig. Ter plaatse zijn bedrijven toegestaan tot maximaal milieucategorie 3.2.

Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het plangebied ligt op circa 250 meter afstand van dit bedrijventerrein. Hiermee wordt voldaan aan de richtafstanden. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden omliggende bedrijven/functies niet in hun bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Natura 2000 gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 13,4 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000- gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op ten minste 200 meter afstand ten zuiden van het plangebied. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied.

5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 5.6.3.2 Resultaten quickscan natuurwaardenonderzoek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is in 2020 en 2021 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. De volledige onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 8 en 9 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Quickscan 2020 Vogels: •

• •

Nader onderzoek dient uitsluitsel te geven over de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van Gierzwaluw tenzij is uit te sluiten dat de handeling de mogelijke nestplaatsen kan aantasten. Nader onderzoek naar nestplaatsen van roofvogels (Sperwer, Boomvalk, Havik) is noodzakelijk omdat er in een bepaalde straal rondom nesten van deze vogels geen verstoring mag optreden. Indien het buitengebied en met name het westelijke bosperceel wordt aangetast of geamoveerd dan is een ontheffing noodzakelijk voor een nestplaats van Ransuil.

Vleermuizen en overige zoogdieren: •

•

• •

•

•

Nader onderzoek naar vleermuizen (acht soorten) is noodzakelijk omdat er zeker verblijfplaatsen zijn (bijvoorbeeld rond kozijnen, in de spouwruimtes, onder lijsten en achter boeiboorden) en deze bij een ingrijpende verbouwing zoals voorzien, dan ook zullen worden verstoord. Indien bomen gekapt gaan worden met name in de bosplantsoenen dan is nader onderzoek naar verblijfplaatsen in de bosplantsoenen noodzakelijk om vast te stellen of hier verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het nader onderzoek dient zich dan ook te richten op het vinden van een massa-winterverblijfplaats van Gewone dwergvleermuis, aanvullend op de overige verblijf-\plaatsen. Aangezien de omgeving waarschijnlijk een essentieel jachtgebied voor vleermuizen is en in en om het plangebied essentiële vliegroutes kunnen liggen is nader onderzoek naar jachtgebied en vliegroutes noodzakelijk indien de handeling invloed zou kunnen hebben op deze functies (bijvoorbeeld door bomenkap, bouw en verlichting). Indien uit het nader onderzoek blijkt dat er vaste verblijfplaatsen in het plangebied aanwezig zijn, en verstoring of vernietiging van deze verblijfplaatsen niet te voorkomen is, is een ontheffing in het kader van de Wnb-soortenbescherming nodig. Aan het verkrijgen van een ontheffing zijn voorwaarden verbonden.

Nader onderzoek naar Steenmarter en Boommarter is noodzakelijk indien de handeling effect op eventuele verblijfplaatsen zou kunnen hebben. Dat is voor Steenmarter aan de orde bij een grondige verbouwing zoals voorzien, en als er werkzaamheden in het bosplantsoen of bos plaatsvinden; bij Boommarter is nader onderzoek aan de orde indien er werkzaamheden in het bosplantsoen en het bos er omheen plaatsvinden.

Quickscan 2021 Binnen het huidige plangebied komen mogelijk verschillende beschermde soorten voor van de Wet natuurbescherming. Het stedenbouwkundig ontwikkelen van het huidige gebied kan dus de nodige beschermde soorten hinderen. Bij de ontwikkeling moet rekening houden met de volgende zaken: 1. 2.

3.

Werkzaamheden uitvoeren in het broedseizoen vraagt aandacht omdat broedende vogels niet verstoord mogen worden. Er is nader onderzoek nodig naar gebouwbewonende vleermuizen. Het slopen van panden met daarin verblijfplaatsen van vleermuizen is met een ontheffing Wet Natuurbescherming waarschijnlijk goed mogelijk omdat de staat van instandhouding waarschijnlijk niet in het geding is. Indien er uit nader onderzoek blijkt dat er vleermuisverblijven aanwezig zijn in het gebouw, is er een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk en moet hier in de uitvoering, planning en bij het eindresultaat rekening mee gehouden worden. Geadviseerd wordt om voor de bunzing en wezel in te zetten op mitigerende maatregelen, dit sluit aan bij het beleid van de Provincie Flevoland. Er is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor wezel en bunzing.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld Geen van deze soorten zal een bestemmingsplanwijziging tegenhouden. Wel kan het zo zijn dat als er uit het nader onderzoek aanwezigheid blijkt van bepaalde beschermde soorten en dat de aanwezigheid van deze soorten invloed heeft op de planning van de werkzaamheden en op het eindresultaat. Bijvoorbeeld doordat er in de kwetsbare periode niet gewerkt mag worden en/of omdat er mitigerende maatregelen nodig zijn, zoals het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen.

5.6.3.3 Nader onderzoek ecologie Naar aanleiding van de uitgevoerde quickscan is een nader onderzoek ecologie uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 10 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. De gemeente Noordoostpolder wil werkzaamheden uitvoeren bij het D. H. Jansencentrum te Emmeloord. Het ecologisch onderzoek heeft uitgewezen dat er verschillende beschermde soorten aanwezig zijn binnen het huidige plangebied. Dit heeft grote implicaties voor het project. Er is een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, noodzakelijk voor meerdere beschermde diersoorten. Er moet op tijd nagedacht worden over hoe de huidige verblijfplaatsen zowel tijdelijk als permanent gemitigeerd worden en dit moet goed omschreven worden zodat dit voorgelegd kan worden aan het bevoegd gezag (Provincie Flevoland). Gezien de kwetsbare periode van de verschillende verblijfsfuncties en verschillende beschermde soorten, heeft de aanwezigheid van verschillende diersoorten sterke invloed op de planning en fasering. Zo zal het in bepaalde maanden van het jaar niet mogelijk zijn om bepaalde werkzaamheden uit te voeren. De aanwezigheid van beschermde soorten heeft ook veel invloed op het ontwerp van het gebouw. Er moet ruimte ingebouwd worden in de toekomstige gebouwen voor beschermde soorten.

De architect zal hier in grote mate rekening mee moeten houden wil de ontwikkeling doorgang vinden. Binnen de werkzaamheden is aandacht nodig voor de volgende beschermde soorten: ransuil, gewone dwergvleermuis (massawinterverblijven en zomerverblijf, spreeuw, grote bonte specht, kleine marterachtigen als wezel en bunzing en broedende vogels in zijn algemeenheid. Gezien de beschermde soorten die voorkomen zijn werkzaamheden bij en rondom het D. H. Jansencentrum op veel vlakken gecompliceerd. Er is een ecologisch werkplan nodig waarin omschreven wordt welke werkzaamheden op welke manier kunnen plaatsvinden. De werkzaamheden zullen uitgevoerd moeten worden onder ecologische begeleiding. Naast de wettelijke verplichting, adviseert Landschapsbeheer de gemeente Noordoostpolder om in beginsel natuurinclusief te bouwen. In de plannen is veel aandacht voor groen en de invloed van groene structuren op de mens. Natuurlijk profiteert flora en fauna hier indirect van. Maar door kleine aanpassingen kan er nog meer ecologische waarde toegevoegd worden, wat het toekomstige Jansenpark nog natuurinclusiever maakt.

5.6.3.4 Ontheffing Op 1 juni 2022 (aangevuld op 2 mei 2022) is bij de provincie Flevoland een aanvraag ingediend voor een ontheffing van artikel 3.5 lid 2 en 4 Wet natuurbescherming voor het verstoren en vernietigen van drie verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Daarnaast is een ontheffing aangevraagd voor artikel 3.10 Wet natuurbescherming voor het vernielen van voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van de wezel en bunzing vanwege herontwikkeling van het zorgcomplex (Dr. Jansencentrum) aan de Urkerweg 1 te Emmeloord. Op 11 augustus 2022 heeft de provincie Flevoland de aangevraagde ontheffingen verleend.

5.6.4

Conclusie

Het plan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN. Het aspect soortenbescherming vormt tevens geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling, mits wordt voldaan aan de in de verleende ontheffing gestelde voorschriften.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie plangebied Ten behoeve van voorliggend bestemmingsplan is een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 11 en 12 van deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkst resultaten. Bureauonderzoek Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek geldt een middelhoge verwachting voor het plangebied, met uitzondering van de locaties met bebouwing. Er wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om de intactheid van de bodem(-opbouw) in kaart te brengen. De boringen dienen tot in de top van het dekzand te reiken om vast te stellen in hoeverre er sprake is van bodemvorming of erosie en/of verspoeling. Inventariserend veldonderzoek Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. De kans op het aantreffen van (onverstoorde) archeologische resten wordt klein geacht. De voorgenomen ingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Indien tijdens de uitvoering alsnog onverwachte archeologische resten worden aangetroffen, dient hiervan direct melding gemaakt te worden bij het bevoegd gezag in het kader van de wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet.

5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan ‘een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden’ dient te bevatten.

5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Emmeloord, Dokter Jansenpark” Vastgesteld 5.7.3

Conclusie

De aspecten archeologie & cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2015/documents/33648