CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

8.1 Ruimtelijke Onderbouwing - Marknesserweg 13 Emmeloord

Gemeenteraad 29 juni 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 8: Verklaring van geen bedenkingen Marknesserweg 13 te Marknesse13.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.2

Situatie projectgebied

Voorliggend geval gaat uit van de uitbreiding van een stal voor biologische legkippen. Hiermee is geen sprake van het toevoegen van een nieuw geurgevoelig object. Ten aanzien van de werking van de ontwikkeling op de omgeving geldt dat er planologisch gezien een geurbelastend object wordt gebouwd buiten het bouwvlak. De BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

22

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing bepalende geurgevoelige objecten zijn de woningen aan de Lindeweg 3a en Ecopark 38. Deze liggen op respectievelijk 205 meter en 1,3 kilometer. In bijlage 2 is de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Hierin is het aspect geur nader toegelicht. Hierna volgen de conclusies: Voor leghennen zijn geuremissiefactoren vastgesteld. De geuremissie van legkippen in volièrehuisvesting is 0,34 OUE/d/s. De pluimveestallen zijn voorzien van nokventilatoren en maken gebruik van warmtewisselaars met ventilatiekokers met onbelemmerde uitstroom. Hiervoor geldt een uittreesnelheid van 4,0 m/s. De XYcoördinaat van het emissiepunt en de emissiepunthoogte per stal zijn berekend aan de hand van het aantal ventilatoren per stal (geometrisch gemiddeld EP). De meest bepalende woningen/geurgevoelige objecten zijn: • •

Buitengebied max. 8,0 OUE/m3 : Lindeweg 3a Bebouwde kom max. 2,0 OUE/m3 : Ecopark 38, industrieterrein Emmeloord

De geurbelasting op deze objecten is: Geurbelasting OUE/m3 Woningen buitengebied Lindeweg 3a Woningen bebouwde kom Ecopark 38

Norm Wgv

Vergunde situatie

Beoogde situatie

Verschil

8,0

1,6

1,5

-0,1

2,0

0,3

0,2

-0,1

Er wordt ruim voldaan aan de geurnormen van de Wet geurhinder en veehouderij. De voorgenomen ontwikkeling leidt zelfs tot een lagere geurbelasting op de naaste buren. 4.6.3

Conclusie

De Wet geurhinder en veehouderijen vormt geen belemmering voor deze ontwikkeling. Tevens worden omliggende agrarische bedrijven niet belemmerd als gevolg van de ontwikkeling. Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor voorliggend initiatief.

4.7

Ecologie

4.7.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Nederlands Natuurnetwerk (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.2

Gebiedsbescherming

4.7.2.1 Natura 2000-gebieden Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het projectgebied ligt niet binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “De Wieden” ligt op een afstand van circa 9,6 kilometer van het projectgebied. Voor elk Natura

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

23

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, dan wel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling.

Uit de salderingsberekening van de gebruiksfase, weergegeven in bijlage 3, blijkt dat tijdens de gebruiksfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie. In de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (bijlage 2) wordt hier nader op ingegaan. Voor de aanlegfase geldt dat gelet op de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden het nagenoeg met zekerheid uit te sluiten is dat deze werkzaamheden invloed hebben op Natura 2000-gebied. Daarom kan een stikstofonderzoek in dit geval achterwege blijven. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 4.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden die tot NNN behoren liggen op circa 44 meter afstand van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de onderlinge afstand tot de NNN is geen sprake van een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. 4.7.3

Soortenbescherming

4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. 4.7.3.2 Situatie projectgebied Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is opgenomen in bijlage 4. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Het projectgebied is niet van belang voor bedreigde of beschermde plantensoorten. Tevens zijn er geen negatieve effecten te verwachten op vleermuizen, reptielen, vissen en ongewervelden. Uit de toetsing van het plan aan de Wnb is gebleken dat het plan alleen voor broedvogels zonder vaste nestplaatsen en algemene zoogdieren en amfibieën een negatief effect kan opleveren. Vogels zijn strikt beschermd. Tijdens het rooien van begroeiing tijdens het broedseizoen kunnen broedsels verstoord worden en sterfte optreden. Dit is verboden volgens de Wnb. Daarom dient dit te gebeuren buiten het broedseizoen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode van 1 maart tot 15 juli, maar latere broedsels komen geregeld voor. In de periode van 15 augustus tot 1 maart is de kans op broedsels in jonge begroeiing te verwaarlozen.

Voor de te verwachten soorten zoogdieren en amfibieën geldt een algemene vrijstelling van de Wnb in geval van ruimtelijke ingrepen. Mits rekening wordt gehouden met broedvogels zijn geen aanvullende maatregelen of een ontheffing van de Wnb benodigd. BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

24

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing Naar aanleiding van opmerkingen van de provincie over marterachtigen is een aanvulling op de quickscan ecologie gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 5 bij deze ruimtelijke onderbouwing. Hieruit blijkt dat het voornemen geen wezenlijk effect heeft op marterachtigen. 4.7.4

Conclusie

De ecologische aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.8

Archeologie & cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 4.8.1.2 Situatie projectgebied Ter plaatse van het projectgebied geldt de aanduiding ‘gebied met archeologische waarde of verwachtingswaarde’. Tevens is bekend dat ten noorden van het projectgebied een scheepswrak van een 14eeeuwse kogge ligt. Daarom is ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.

De kans dat binnen het projectgebied een archeologische vindplaats aanwezig is, wordt daarom klein geacht. De middelmatige archeologische verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat Paleolithicum en het Mesolithicum en voor nederzettingsresten uit het Vroeg Neolithicum kan op basis van de resultaten naar ‘laag’ worden bijgesteld. Ook de hoge verwachting voor scheepswrakken uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kan op grond van de resultaten van het veldonderzoek naar ‘laag’ worden bijgesteld. De lage verwachting voor nederzettingsresten uit het Midden Neolithicum tot en met de Romeinse Tijd kan ‘laag’ blijven. Wat betreft het scheepswrak ten noorden van het projectgebied, zijn op basis van het booronderzoek geen aanwijzingen gevonden dat het scheepswrak binnen het projectgebied ligt. Gezien de aard van de verstoring in dat gedeelte van het projectgebied, zouden eventuele resten ook niet in gevaar komen Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen ontwikkeling van het projectgebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd. 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

25

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich in het projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 4.8.3

Conclusie

De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

4.9

Besluit milieueffectrapportage

4.9.1

Kader

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een ruimtelijk besluit kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.9.2

Beoordeling

4.9.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 9,6 kilometer afstand van het projectgebied. Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening is reeds gebleken dat er in de gebruiksfase geen sprake is van een toename van stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 4.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en daarmee geen sprake van een directe m.e.r.-plicht. In onderdeel D 11.2 van het besluit wordt de “aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” genoemd. Indien BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

26

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing geoordeeld wordt dat sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' is mogelijk een vormvrije m.e.r.beoordeling noodzakelijk. Uit jurisprudentie volgt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. In bijlage 2 is de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. 4.9.3

Conclusie

Gezien de impact op het milieu en de omgeving is er geen dringende of zwaarwegende reden een milieueffectrapport op te stellen en kan de veranderingsvergunning voor milieu worden aangevraagd dan wel worden verleend. Er is op grond van de kenmerken van het project, de plaats en het potentiële effect van de verandering (milieubelasting) geen aanleiding een m.e.r. te verplichten.

4.10

Wateraspecten

4.10.1 Vigerend beleid 4.10.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd en heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. De gemiddelde jaarlijkse grondwateronttrekking mag de beschikbare grondwatervoorraad op lange termijn niet overschrijden. 4.10.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Waterprogramma (NWP) 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en het Beheer en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren 2016-2021. Het NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 – 2027.

Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer. De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaat- en landbouwtransitie en herstel voor natuur. 4.10.1.3 Gemeentelijk beleid De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de “watersysteembenadering” centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein.

Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

27

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 20192024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving.

Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. 4.10.1.4 Beleid Waterschap Zuiderzeeland De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.

4.10.2 Weging van het waterbelang 4.10.2.1 Algemeen Het watertoetsproces dat sinds november 2003 wettelijk verplicht is door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening, komt onder de Omgevingswet terug als ‘Weging van het waterbelang’. De weging van het waterbelang is een proces dat ervoor zorgt dat bij alle ruimtelijke plannen de waterhuishouding voldoende toekomstbestendig is ingericht en alle waterbelangen gewogen worden. In de waterparagraaf van het ruimtelijk plan staat hoe er binnen het plan omgegaan wordt met de waterhuishouding. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. In deze afweging worden de gevolgen van het plan voor het beheer van het watersysteem aangegeven en de benodigde maatregelen bepaald voor een toekomstbestendige waterhuishouding, waarin onder andere aspecten als waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit geborgd zijn. Er zijn drie mogelijke procedures voor de weging van het waterbelang. De effecten van het plan op de waterhuishouding bepalen welke procedure geldt. Bij de procedure geen waterschapsbelang kan de weging volledig digitaal doorlopen worden. De korte procedure is voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.

De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

28

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing consequenties voor de waterhuishouding. Bij de korte en normale procedure is informeel vooroverleg met Waterschap Zuiderzeeland nodig. 4.10.2.2 Watertoetsproces Het voorliggende plan is door middel van de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap Zuiderzeeland. In bijlage 7 is de watertoets bijgevoegd. In het kader van de weging van het waterbelang is de korte procedure van toepassing. Uit de navolgende waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Voor de weging van het waterbelang / ruimtelijk plan zijn drie beleidsthema’s van toepassing: Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water. Deze worden hieronder per beleidsthema nader uitgewerkt. Waterveiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het projectgebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Uitgangspunt: Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het projectgebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. De beleidsregel 'Compensatie toename verhard oppervlak en versnelde afvoer' is begin 2013 door het waterschap vastgesteld. Vanaf het moment van vaststelling van de beleidsregel is de situatie van het beheergebied op dat moment het referentiekader geworden, oftewel de nulsituatie. De compensatie-plicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak voor een bouwvlak sinds begin 2013. Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder en valt dus binnen landelijk gebied.

Binnen het projectgebied is sprake van een geringe toename in verhard oppervlak. Het voornemen gaat uit van de uitbreiding van een bestaande stal waar biologische kippen worden gehouden. De uitbreiding van de stal zal een oppervlakte hebben van circa 870 m2. Daarnaast is sprake van erfverharding rondom de uitbreiding van de schuur. Dit betreft circa 225 m2. Ook is sprake van een historische toename verharding van circa 900 m2. Daarmee valt het project onder de grens van 2.500 m2 in landelijk gebied. Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld: Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

29

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het projectgebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Door de uitbreiding van de stal wordt de bestaande kavelsloot verlegd. De kavelsloot komt rondom de nieuwe singel te liggen. Voordat met enige demping wordt gestart, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit en /of de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Er wordt in het nieuw aan te leggen oppervlaktewater gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Schoon water Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld: Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Uitgangspunt: In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde: Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn meldingsplichtig. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het "Besluit bodemkwaliteit (BBK)" en/of de Waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxydeerbaar zijn. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld: Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen.

Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Uitgangspunt: De lozingssituatie blijft ongewijzigd. Door de ontwikkeling wijzigt de hoeveelheid afvalwater en hemelwater niet. Ook de samenstelling van de bestaande lozingen wijzigt niet. Door de toename verharding neemt de hoeveelheid afstromend hemelwater toe. Dit kan afstromen naar de verlengde kavelsloot. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Indien er geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt, is het hemelwater schoon en mag het direct in oppervlaktewater worden geloosd. Dit dient gemeld te worden in het kader van het Activiteitenbesluit (of na 1 januari; het Bal). Het voornemen leidt niet tot lozingen van huishoudelijk afvalwater op oppervlaktewater. Ten aanzien van bedrijfsafvalwater geldt dat het spoelwater dat ontstaat bij het (nat) schoonmaken van de stallen wordt opgevangen in een spoelwaterput en vandaaruit periodiek door een loonwerker over het land uitgereden. Het hemelwater komt niet in aanraking met bedrijfsprocessen en is schoon en vrij van bedrijfsafvalwater en voerresten. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd.

Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Goede structuurdiversiteit

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

30

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing Streefbeeld: Het waterschap streeft naar goede leef-, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Uitgangspunten: Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit. Randvoorwaarden: Oppervlaktewater met een doelstelling voor goede chemische en/of biologische waterkwaliteit (vaak helder) wordt niet nadelig beïnvloed door water met een lagere waterkwaliteitsdoelstelling (vaak troebel). Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijke ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Door de uitbreiding van de stal wordt de bestaande kavelsloot verlegd. De kavelsloot komt rondom de nieuwe singel te liggen. Aan de noordzijde van het projectgebied wordt de kavelsloot met circa 40 meter verlengd. De kavelsloot aan de westkant van het projectgebied wordt circa 40 meter verderop naar het westen verplaatst.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

31

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 5

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing . Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarmee de economische uitvoerbaarheid is verzekerd.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

32

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6 6.1

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. 6.1.1

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Geoordeeld wordt dat deze ontwikkeling geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 6.1.2

Provincie Flevoland

Voorliggende ontwikkeling is in het kader van vooroverleg toegezonden aan de provincie Flevoland. 6.1.3

Waterschap Zuiderzeeland

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure’ van de watertoets wordt toegepast. Dit houdt in dat het waterschap positief adviseert over de ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling heeft een geringe invloed op de waterhuishouding. In bijlage 7 is het watertoetsresultaat opgenomen.

6.2

Inspraak

Tijdens de omgevingsvergunningsprocedure wordt de mogelijkheid geboden om gedurende 6 weken zienswijzen tegenover het project kenbaar te maken.

6.3

Participatie

Om de omwonenden op de hoogte te stellen van de voorgenomen ontwikkeling, is de initiatiefnemer persoonlijk langs geweest bij de directe omwonenden. Dit vond plaats op 18 augustus 2023. Het gaat om de adressen Lindeweg 3a, 3b en 3c. Initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gesteld van het voornemen om de noordelijke kippenschuur uit te breiden. De omwonenden gaven aan geen bezwaren te hebben tegen het voornemen.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

33

Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1:

Beplantingsplan

Bijlage 2:

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Bijlage 3:

AERIUS-berekening

Bijlage 4:

Quickscan ecologie

Bijlage 5:

Aanvulling op Quickscan ecologie

Bijlage 6:

Archeologisch onderzoek

Bijlage 7:

Watertoetsresultaat

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2321/documents/44976