8.1 Ruimtelijke Onderbouwing - Marknesserweg 13 Emmeloord
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing
Marknesserweg 13, Emmeloord
November 2024
Definitief
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
Ruimtelijke onderbouwing Marknesserweg 13, Emmeloord
Plannaam: Plantype: Datum:
Emmeloord, Marknesserweg 13 Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning 4 november 2024
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
1
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING .................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 3 LIGGING VAN HET PROJECTGEBIED ................................................................................................................... 3 HUIDIG PLANOLOGISCH REGIME ...................................................................................................................... 4 EISEN AAN EEN RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ................................................................................................... 5 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 5
HOOFDSTUK 2 PLANBESCHRIJVING ........................................................................ 6 2.1 2.2 2.3
HUIDIGE SITUATIE PROJECTGEBIED................................................................................................................... 6 GEWENSTE SITUATIE ..................................................................................................................................... 6 VERKEER EN PARKEREN ................................................................................................................................. 8
HOOFDSTUK 3 BELEIDSKADER .............................................................................. 9 3.1 3.2 3.3
RIJKSBELEID ................................................................................................................................................ 9 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 11 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 14
HOOFDSTUK 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN ................................................... 16 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10
GELUID .................................................................................................................................................... 16 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 16 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 17 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 18 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 20 GEUR ...................................................................................................................................................... 22 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 23 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 25 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ..............................................................................................................
26 WATERASPECTEN....................................................................................................................................... 27
HOOFDSTUK 5 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 32 HOOFDSTUK 6 VOOROVERLEG EN INSPRAAK ......................................................... 33 6.1 6.2 6.3
VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 33 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 33 PARTICIPATIE ............................................................................................................................................ 33
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 34 BIJLAGE 1: BIJLAGE 2: BIJLAGE 3: BIJLAGE 4: BIJLAGE 5: BIJLAGE 6: BIJLAGE 7:
BEPLANTINGSPLAN ............................................................................................................................. 34 AANMELDNOTITIE VORMVRIJE M.E.R.-BEOORDELING ................................................................................ 34 AERIUS-BEREKENING......................................................................................................................... 34 QUICKSCAN ECOLOGIE ........................................................................................................................ 34 AANVULLING OP QUICKSCAN ECOLOGIE .................................................................................................. 34 ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK............................................................................................................... 34 WATERTOETSRESULTAAT ..................................................................................................................... 34
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
2
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op de locatie aan de Marknesserweg 13 te Emmeloord. Hier bevindt zich een pluimveehouderij met biologische legkippen. Binnen de inrichting zijn twee stallen met in totaal 40.000 legkippen aanwezig en een omliggende weide voor vrije uitloop. Vanwege aanscherping van de regels, kunnen vanaf 1-1-2025 minder kippen in de bestaande stallen worden gehuisvest. Om het aantal kippen te behouden is meer stalruimte nodig. Om meer stalruimte te verkrijgen, bestaat het voornemen om de noordelijke stal te verlengen. Beide stallen verlengen is te kostbaar. Op deze manier kan het aantal kippen dat gehouden wordt gelijk blijven. Het aantal kippen zal niet omhoog gaan. Het voornemen is niet mogelijk binnen de ‘beheersverordening ‘Landelijk gebied’, omdat de uitbreiding van de bestaande schuur buiten het bouwvlak plaatsvindt. In de structuurvisie ‘Noordoostpolder 2025’ is aangegeven dat agrarische bedrijven kunnen uitbreiden tot maximaal 3 hectare, op voorwaarde dat er een volledige erfsingel voor (terug) komt en het plan dus een goede landschappelijke inpassing krijgt. Door middel van een uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure, conform artikel 2.12, eerste lid, onder a sub 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarbij van het geldende bestemmingsplan kan worden afgeweken.
Deze afwijking van het bestemmingsplan moet gemotiveerd worden met een ruimtelijke onderbouwing, waarin wordt aangetoond dat de ontwikkeling in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied ligt aan de Marknesserweg 13 in Emmeloord. In afbeelding 1.1 is de ligging van het projectgebied ten opzichte van de directe omgeving en in Emmeloord weergegeven.
Afbeelding 1.1
Ligging van het projectgebied ten opzichte van de (directe) omgeving (Bron: plattekaart.nl)
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
3
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
1.3
Huidig planologisch regime
1.3.1
Algemeen
Het projectgebied ligt binnen de grenzen van de ‘beheersverordening Landelijk gebied’ (vastgesteld 21 maart 2016) en het ‘Parapluplan parkeren’ (vastgesteld 8 juli 2019). In dit geval is met name de ‘beheersverordening Landelijk gebied’ relevant. In de beheersverordening wordt verwezen naar het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004, wijziging aanduiding intensieve veehouderij Marknesserweg 13, Emmeloord 2008”. In afbeelding 1.2 is de uitsnede van dit bestemmingsplan weergegeven. Het projectgebied is met de rode omlijning aangegeven.
Afbeelding 1.2 Uitsnede van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2004, Marknesserweg 13 te Emmeloord” (Bron: Ruimtelijkeplannen.nl)
1.3.2
Bestemmingen
De gronden in het projectgebied zijn bestemd als ‘Agrarisch gebied’. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Er is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de bebouwing moet worden gebouwd. Ook is een bedrijfswoning toegestaan. Tevens is op het perceel sprake van de aanduiding ‘gebied met archeologische waarde of verwachtingswaarde’. Dit houdt in dat binnen het projectgebied sprake is van archeologische waarden dan wel een archeologische verwachtingswaarde. 1.3.3
Strijdigheid
De gewenste ontwikkeling is op basis van de beheersverordening niet mogelijk, omdat de verlenging van de schuur buiten het geldende bouwvlak plaats zal vinden. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken wordt via een omgevingsvergunning afgeweken van het geldende bestemmingsplan ex artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 30 van de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (uitgebreide voorbereidingsprocedure).
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
4
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
1.4
Eisen aan een ruimtelijke onderbouwing
Een op artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 30 Wabo gebaseerde zelfstandige instructie voor de inhoud en inrichting van deze ruimtelijke onderbouwing ontbreekt in het Besluit omgevingsrecht (Bor). Artikel 5.20 van het (Bor) verklaart voor de inhoud van het besluit de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing belicht alle relevante aspecten vanuit de ruimtelijke ordening en toont aan dat voorliggende ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Hieronder is verwoord waaraan een ruimtelijke onderbouwing moet voldoen. In een goede ruimtelijke onderbouwing zijn neergelegd: 1. 2. 3. 4. 5. 6.
een verantwoording van de gemaakte keuzen; een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding; Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.10; de uitkomsten van het in artikel 3.1.1 bedoelde overleg; Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 6; de uitkomsten van het met toepassing van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht verrichte onderzoek; verwezen wordt naar de gehele ruimtelijke onderbouwing waaruit blijkt dat met alle relevante feiten en af te wegen belangen rekening is gehouden; een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding zijn betrokken; het ontwerpbesluit wordt voor een ieder ter inzage gelegd. Er wordt gelegenheid geboden om zienswijzen in te dienen; de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan; Verwezen wordt naar hoofdstuk 5.
Voor zover bij het project geen milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer wordt opgesteld, waarin de hierna volgende onderdelen zijn beschreven, worden in de ruimtelijke onderbouwing ten minste neergelegd: 7. 8. 9.
1.5
een beschrijving van de wijze waarop met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden; Verwezen wordt naar paragraaf 4.8. voor zover nodig een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met overige waarden van de in het besluit begrepen gronden en de verhouding tot het aangrenzende gebied; In hoofdstuk 4 is aandacht besteed aan relevante aspecten; een beschrijving van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het besluit zijn betrokken; het betreffende hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer heeft betrekking op luchtkwaliteitseisen. Deze zijn beschreven in paragraaf 4.3.
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige en gewenste situatie ter plaatse van het projectgebied. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op alle relevante milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 staat in het teken van de economische uitvoerbaarheid. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op het vooroverleg.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
5
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 2 2.1
PLANBESCHRIJVING
Huidige situatie projectgebied
Het projectgebied ligt in Emmeloord aan de Marknesserweg 13, ten oosten van de kern van Emmeloord. Het projectgebied ligt in het buitengebied en wordt globaal gezien omsloten door agrarische gronden. Ten zuiden van het projectgebied ligt de Marknesserweg met vlak daaronder de Zwolse Vaart. Het projectgebied zelf betreft een agrarisch perceel met een grondgebonden agrarisch bedrijf en een bedrijfswoning. Het gaat om een pluimveehouderij met biologische legkippen. Het bedrijf bestaat uit twee pluimveestallen met in totaal 40.000 legkippen. Aan de westzijde van de stallen ligt een weide. Ook is er een omliggende weide voor vrije uitloop van de kippen. Rondom het perceel is sprake van een erfsingel. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het projectgebied opgenomen.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto projectgebied
2.2
Gewenste situatie
2.2.1
Het voornemen
Aangezien de regelgeving rond het houden van biologische legkippen aangescherpt wordt, kunnen er minder kippen in de bestaande stallen worden gehuisvest. Daarom bestaat het voornemen om de noordelijke stal met 40 meter te verlengen zonder dat dit tot een toename van het aantal dieren leidt. Hierdoor krijgen de kippen meer leefruimte. In afbeelding 2.2 is een plattegrond van de gewenste uitbreiding weergegeven. De
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
6
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing uitbreiding is hier weergegeven in het zwart. In afbeelding 2.3 is een doorsnede van de gewenste uitbreiding weergegeven.
Afbeelding 2.2
Gewenste uitbreiding in het zwart (Bron: Hoeve Advies)
Afbeelding 2.3
Doorsnede gewenste situatie (Bron: Hoeve Advies)
2.2.2
Landschappelijke inpassing
De uitbreiding van de noordelijke stal is mogelijk onder voorwaarde dat het geheel een goede landschappelijke inpassing krijgt. Dat betekent in dit geval dat om het volledige bedrijf een erfsingel dient te worden aangelegd. Op sommige plekken rond het erf is al sprake van een erfsingel. Deze erfsingel wordt doorgetrokken om de uitbreiding. In bijlage 1 is het beplantingsplan opgenomen. Hierna wordt kort op de ruimtelijke inpassing ingegaan. De nieuw aan te planten singel krijgt een totale lengte van 211 meter. De singel wordt 5 rijen bomen breed. Per 15 meter worden circa 50 boompjes aangeplant. Dit zijn allemaal inheemse soorten. Het gaat om BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
7
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing veldesdoorn, zomereik, winterlinde, zwarte els, rode kornoelje, esdoorn, hazelaar, schietwilg en zomerlinde. In afbeelding 2.2 is in het lichtgroen de nieuwe singel weergegeven.
2.3
Verkeer en parkeren
2.3.1
Algemeen
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat. De voorgenomen ontwikkeling uit gaat van het verlengen van een bestaande stal, zonder dat dit leidt tot een toename van het aantal dieren. Daarom zullen er ten opzichte van de bestaande situatie geen wijzigingen optreden wat betreft het onderdeel verkeer en parkeren. Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt daarom geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
8
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 3
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit projectgebied geldende uitgangspunten weergegeven.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
3.
Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd.
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
9
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 3.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
3.1.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In de SVIR, de voorloper van NOVI, is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. 3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid Voorgenomen ontwikkeling betreft een uitbreiding van een pluimveebedrijf waarbij enkel de leefruimte voor het pluimvee wordt vergroot. Er worden niet meer dieren gehouden in de beoogde situatie. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een goed leefklimaat voor de dieren in de stal. Binnen de ontwikkeling is daarmee geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Gelet op het gegeven dat de ontwikkeling betrekking heeft op een bestaand agrarisch bedrijf en een agrarisch bedrijfsperceel in het buitengebied, wordt gesteld dat dit geen stedelijke ontwikkeling betreft en daarmee tevens geen nieuwe stedelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet van toepassing. Verder is er slechts sprake van een geringe uitbreiding van bebouwing en neemt het aantal dieren niet toe. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in deze onderbouwing opgenomen herontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
10
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing Ook wanneer de Ladder niet van toepassing is, zal gemotiveerd moeten worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en uitvoerbaar is (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). In de navolgende hoofdstukken wordt daar nader op ingegaan. 3.1.3
Conclusie toetsing aan het Rijksbeleid
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met het Rijksbeleid.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie FlevolandStraks
3.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven: • • •
Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving), Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: • • • •
Duurzame Energie Regionale Kracht Circulaire Economie Landbouw: Meerdere Smaken
Landbouw: Meerdere smaken Flevoland is van oorsprong een landbouwprovincie. Ontwikkelingen in deze sector vragen een groot aanpassingsvermogen. De ambitie van de provincie Flevoland is dat het in 2030 en verder bekend staat om het aanpassingsvermogen in de agrosector. De beste garantie om blijvend een speler van wereldformaat te zijn, is een agrosector met diversiteit en het vermogen om zich voortdurend te verbeteren. Om de agroinnovatiemotor optimaal te laten draaien, zorgt Flevoland ervoor dat in Flevoland de fysieke en beleidsmatige omstandigheden goed zijn en blijven. 3.2.1.2 Toetsing van het initiatief aan Omgevingsvisie FlevolandStraks Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een kippenstal uitgebreid. Het agrarisch bedrijf blijft hierdoor voldoen aan de regelgeving op het gebied van het houden van biologische legkippen. Door het vergroten van de stal hebben de kippen meer leefruimte en is het kippenbedrijf toekomstbestendig. Hiermee draagt het voornemen bij aan de ambitie van de provincie Flevoland om een agrosector te hebben met diversiteit en het vermogen om zich voortdurend te verbeteren. Het voornemen sluit daarmee aan bij de Omgevingsvisie.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
11
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing 3.2.2
Omgevingsprogramma Provincie Flevoland
3.2.2.1 Algemeen Per 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Op dat moment moet elke provincie beschikken over een Omgevingsvisie, een of meer programma's en een Omgevingsverordening. Het op 27 februari 2019 door de Provinciale Staten van de provincie Flevoland vastgestelde Omgevingsprogramma Flevoland vindt haar grondslag dan ook in de Omgevingswet. Daarnaast is de grondslag te vinden in diverse vigerende wetten, zoals de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet natuurbescherming. Het Omgevingsprogramma omvat daarmee de op dit moment verplichte plannen: het milieubeleidsplan, het regionale waterplan en het verkeer- en vervoersplan. In 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Met de vaststelling van het Omgevingsprogramma is dan ook een groot aantal beleidsnota's komen te vervallen. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd.
De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid. Zo kunnen in volgende versies onderwerpen worden toegevoegd die betrekking hebben op bijvoorbeeld economisch of sociaal beleid. Ook kunnen programma's worden toegevoegd met een meer gebiedsgebonden of thematische aanpak. In voorliggend geval is met name hoofdstuk 1 ‘Ruimte’ van het Omgevingsprogramma van belang. 3.2.2.2 Ruimte Algemeen Het belangrijkste doel van de provincie is een goede woon-, werk- en leefomgeving in heel Flevoland. Daarbij moet verstedelijking worden ingepast in een hoogwaardig landschap en passen bij de gerealiseerde en de geplande infrastructuur. Aantrekkelijke woongebieden in een groenblauwe omgeving maken Flevoland concurrerend met andere gebieden. Er is sprake van overloop uit de drukke, dure Randstad naar een ruimer, goedkoper Flevoland (push factor). Ook kiezen mensen bewust voor het attractieve woonmilieu van Flevoland (pull factor). De provincie wil verdere grootschalige ontwikkelingen mogelijk maken en deze deels zelf ter hand nemen, samen met partners. De provincie is bereid om ruimte te reserveren voor functies waarvoor in omliggende regio's onvoldoende ruimte is. De voorwaarde daarvoor is een evenwichtige ontwikkeling.
Samen met partners binnen en buiten het gebied biedt de provincie zicht op oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken, die het tempo van de ruimtelijke ontwikkelingen in Flevoland met zich meebrengt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om achterblijvende bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid. Landelijk gebied Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Bovendien wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economisch draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. In de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn de voorwaarden en maatvoering concreter uitgewerkt. Verder moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening, waaronder een landschappelijke inpassing en een goede verkeersafwikkeling. De landbouw verandert in hoog tempo van een beschermde en ondersteunde sector naar een sector die moet concurreren op de wereldmarkt. Bedrijven reageren hierop met schaalvergroting, specialisatie, intensivering BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
12
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing en een verschuiving van akkerbouw naar veehouderij. Ook zijn er bedrijven die oplossingen zoeken in verbreding van de bedrijfsvoering, zoals verwerking van agrarische producten, het telen van energie- of andere gewassen, mestvergisting, recreatie en toerisme. De provincie wil de agrarische sector in de verdere ontwikkeling faciliteren en ondersteunen. In een duurzame, vitale landbouwsector ontstaan er meer mogelijkheden voor de ontwikkeling van andere economische functies in het landelijk gebied. In paragraaf 1.2.1.5 van het Omgevingsprogramma geeft de provincie aan dat de intensieve veehouderij zich kan ontwikkelen binnen de in het bestemmingsplan aangegeven grenzen van het bestaande bouwperceel. Als een ondernemer kan aantonen dat grotere bedrijfsgebouwen en vergroting van het agrarisch bouwperceel nodig zijn om te kunnen voldoen aan de huisvestingseisen die ingevolge de nationale wet- en regelgeving worden gesteld en bedrijfseconomisch rendabel kunnen blijven ondernemen, kan van voorgaande bepaling worden afgeweken. 3.2.2.3 Toetsing Door het vergroten van de kippenstal blijft het kippenbedrijf economisch vitaal en klaar voor de toekomst. Als gevolg van verscherping van de regelgeving dienen biologische kippen meer leefruimte te hebben.
Door het verlengen van de kippenstal blijft initiatiefnemer voldoen aan de regelgeving en kan initiatiefnemer hetzelfde aantal dieren blijven houden, zodat het bedrijf kan blijven concurreren. Daarom kan worden afgeweken van het bepaalde in paragraaf 1.2.1.5 van het Omgevingsprogramma, waarin staat dat een veehouderij zich alleen kan ontwikkelen binnen de in het bestemmingsplan aangegeven grenzen van het bestaande bouwperceel. De voorgenomen ontwikkeling is zoals hiervoor beschreven noodzakelijk om te kunnen blijven voldoen aan regelgeving en om bedrijfseconomisch rendabel te kunnen blijven ondernemen. Bovendien gaat de ontwikkeling gepaard met een goede landschappelijke inpassing van het geheel. Het voornemen leidt niet tot extra verkeersbewegingen. Het voornemen is daarmee in overeenstemming met het Omgevingsprogramma Provincie Flevoland. 3.2.3
Omgevingsverordening provincie Flevoland
3.2.3.1 Algemeen In de Omgevingsverordening van provincie Flevoland zijn alle regels vastgelegd die de provincie hanteert op het gebied van onder andere wegen, water, milieu, bodem, natuur, wonen en ruimte. Dit kunnen zowel regels zijn voor burgers of bedrijven als (instructie-)regels voor andere overheden. 3.2.3.2 Relevante artikelen In geval van voorgenomen ontwikkeling is met name artikel 7.5 van de omgevingsverordening van belang. Artikel 7.5 (Bescherming) - Natuurnetwerk Nederland 1.
2.
Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland: a.
strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied;
b.
maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden.
Voor zover een bestemmingsplan strijdig is met de bescherming en de mogelijkheden bedoeld in het eerste lid stelt de gemeenteraad binnen drie jaar na het inwerkingtreden van deze titel dat plan opnieuw vast met inachtneming van de bepalingen in het eerste lid.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
13
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing 3.2.3.3 Toetsing van het initiatief aan artikel 7.5 van de Omgevingsverordening De locatie waar voorgenomen ontwikkeling betrekking op heeft ligt op circa 44 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Zoals wordt aangegeven in paragraaf 4.7.2.2 worden er gelet op de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling geen negatieve effecten verwacht op de gebieden die behoren tot het NNN. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Flevoland. 3.2.4
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie en -verordening.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Noordoostpolder 2025
3.3.1.1 Algemeen De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen en hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent de Structuurvisie Noordoostpolder 2025 een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid. Ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. 3.3.1.2 Ambitie Landbouw De gemeente Noordoostpolder is trots op haar agrarische achtergrond en wil dit blijven uitstralen. De landbouwsector en de innovatie die daarin plaatsheeft moet ook in de toekomst internationaal hoog aangeschreven staan.
De gemeente Noordoostpolder wil ontwikkelingsruimte bieden voor schaalvergroting, maar ook aan vrijkomende bedrijven. Dit laatste is noodzakelijk om de vitaliteit van het gebied te borgen. Landbouw blijft de primaire functie in het landelijk gebied. Het zorgt ervoor dat het unieke polderlandschap open blijft en niet langzaam ‘verrommelt’ door andere functies. Het inzetten op functiescheiding tussen landbouw en andere functies draagt hieraan bij. In de rand langs het oude land en in de corridor tussen Emmeloord en het Kuinderbos is juist een zekere verdichting van het landschap gewenst; niet-agrarische functies kunnen hieraan bijdragen. In de tussenzone is een verdere ontwikkeling van de (glas)tuinbouw mogelijk. Verruimen van agrarische erven Voor de agrariërs die hun bedrijf opschalen is een erfuitbreiding noodzakelijk. Omdat de agrarische erven met hun karakteristieke singels van grote betekenis zijn voor het beeld van de Noordoostpolder, stelt de gemeente randvoorwaarden aan de erfuitbreiding. De gemeente biedt bedrijven ruimte voor uitbreiding van het agrarische erf ten behoeve van een rendabele agrarische bedrijfsvoering. Erven mogen in de toekomst tot 3,0 ha bruto worden uitgebreid, waarbij de breedte maximaal 150 meter mag zijn en de diepte maximaal 200 meter.
De grens van het erf wordt daarbij aan de achterkant en zijkant gevormd door het hart van de erf/kavelsloot, terwijl de grens aan de voorkant van het erf wordt gevormd door de (kadastrale) begrenzing met
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
14
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing de weg. Afhankelijk van de situatie en functie wordt maatwerk geleverd. Er geldt overigens een rooilijn van 33 meter vanaf de weg. Van belang voor het polderlandschap is het regelmatige kavelpatroon en de concentrische opbouw van de polder. Hierbij spelen structuurbepalende beplantingselementen, zoals erfsingels, een belangrijke rol. Als voorwaarde voor de uitbreiding van het agrarische bedrijf wordt dan ook een goede landschappelijke inpassing vereist. 3.3.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’ In de structuurvisie ‘Noordoostpolder 2025’ is aangegeven dat agrarische bedrijven kunnen uitbreiden tot maximaal 3 hectare, op voorwaarde dat er een volledige erfsingel voor (terug) komt en het plan dus een goede landschappelijke inpassing krijgt. De maximale afmetingen voor een dergelijk uitbreiding zijn 150 meter breedte en 200 meter diepte. Dit is op basis van het standaardformaat van de agrarische percelen in de Noordoostpolder, namelijk 300 bij 800 meter. Het perceel aan de Marknesserweg 13 is wat formaat betreft een uitzondering en het perceel is breder dan gebruikelijk, namelijk circa 340 meter breed. De eerder genoemde 150 meter is de helft van een normaal perceel.
Daarom is het wenselijk dat voor voorliggende uitbreiding ook de helft van de breedte van het perceel wordt aangehouden, namelijk 170 meter. Hierbij wordt het maximum van drie hectare uit de structuurvisie aangehouden. De aanvraag past niet binnen de kaders van de structuurvisie, maar door de ongewone vorm van het perceel is maatwerk op deze locatie mogelijk. Wat betreft de landschappelijke inpassing zal rondom het erf een volledige erfsingel worden aangelegd, waarmee aan de kaders uit de structuurvisie wordt voldaan. Voor de verdere uitwerking van het inpassingsplan wordt verwezen naar paragraaf 2.2.2. 3.3.2
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
15
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
HOOFDSTUK 4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage en verkeer & parkeren.
4.1
Geluid
4.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan/wijzigingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. 4.1.2
Situatie projectgebied
In dit geval gaat het om een uitbreiding van een kippenstal buiten het bouwvlak. De stal is geen geluidsgevoelige functie. Het aspect geluid is daarmee niet relevant. 4.1.3
Conclusie
Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.
4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 4.2.2
Situatie projectgebied
In voorliggend geval gaat het om de uitbreiding van een bestaande kippenstal. Dit is een ruimte die niet voor langdurig verblijf van mensen bedoeld of geschikt is. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe langdurige verblijfsfunctie. Een bodemonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 4.2.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘bodem’ geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
16
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Algemeen
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Toch is het niet altijd noodzakelijk om met behulp van een berekening vast te stellen of er sprake is van NIBM. Dit kan ook gedaan worden met een motivering, bijvoorbeeld op basis van ervaring. Er zijn genoeg projecten die namelijk overduidelijk NIBM zijn en waar een berekening niets toevoegt aan de conclusie. Als hulpmiddel bij de motivering is een vuistregel opgesteld waarmee aangetoond kan worden dat een uitbreiding/oprichting NIBM is. Deze staan in de onderstaande tabel, die gebaseerd is op de 3% NIBM grens. In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. Met behulp van de emissiefactorenlijst van het ministerie van Infrastructuur en Milieu kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. De getallen in de tabel zijn worst-case genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM.
Afstand tot te toetsten 70 m 80 m 90 m 100 m 120 m 140 m 160 m plaats Totale emissie in g/jr 324.000 387.000 473.000 581.000 817.000 1.075.000 1.376.000 Getallen op basis van berekeningen met STACKs (Bron: ECN)
4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
17
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 4.3.2
Situatie projectgebied
In bijlage 2 is de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Onderdeel van deze beoordeling is fijnstof. Middels ISL3a is de fijnstofconcentratie doorgerekend om te bepalen of de nieuwe situatie voldoet aan de gestelde normen. Uit deze berekening blijkt dat de achtergrondconcentratie aan fijnstof circa 13,28 μg/m3 bedraagt. De bijdrage vanuit het bedrijf naar de omwonenden varieert afhankelijk van de afstand tot het bedrijf. De hoogste fijnstofconcentratie bij de omliggende woningen is 13,59 μg/m3. Na aftrek van de 2 μg/m3 aan zeezoutcorrectie geeft dit een netto concentratie van 11,59 μg/m3. Dit is lager dan het maximale jaargemiddelde van 40 μg/m3 wat is toegestaan. Het aantal dagen overschrijding van 50 μg/m3 is ten hoogste 6,4 dagen per jaar. Na aftrek van de 3 correctiedagen voor zeezout is het 3,4 dagen, terwijl het maximaal 35 dagen zou mogen zijn. Het totaal aan PM10 bestaat voor een beperkt deel uit PM2.5. De fijnstofconcentratie van PM2.5 is een fractie van 11,59 μg/m3 en kan dus nooit groter zijn dan deze waarde zelf. Hieruit volgt dat de PM2.5 concentratie onder de maximale concentratie van 25,0 μg/m3 blijft, waarmee voldaan wordt aan de randvoorwaarden van de Wet luchtkwaliteit. Er zijn geen andere bedrijven in een straal van 500 meter, er is geen sprake van cumulatie.
Tot slot wordt opgemerkt dat voorliggende ontwikkeling niet is aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 4.3.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de in deze ruimtelijke onderbouwing voorgenomen ontwikkeling.
4.4
Externe veiligheid
4.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
18
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing •
de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2
Situatie in en bij het projectgebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied en omgeving weergegeven. Het projectgebied is met de rode ster aangeduid.
Afbeelding 4.1
Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
Uit de inventarisatie blijkt dan ook dat het projectgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Op circa 910 meter afstand van het projectgebied ligt een aardgasleiding met een uitwendige diameter van 8 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. De 1% letaliteitsgrens bedraagt derhalve 100 meter. De 100% letaliteitsgrens ligt op 50 meter. Het projectgebied ligt ruim buiten deze afstanden. •
Op circa 320 meter afstand ten oosten van het projectgebied ligt een tankstation. Het projectgebied ligt buiten het brand- en explosieaandachtsgebied. Tevens ligt het buiten de PR106 contour van deze inrichting.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
19
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing Ten noorden van het projectgebied op circa 530 meter afstand ligt een inrichting met een propaan/propeenopslagtank. Het projectgebied ligt buiten het brand- en explosieaandachtsgebied. Tevens ligt het buiten de PR106 contour van deze inrichting. Daarnaast is er in dit geval geen sprake van het verhogen van het groepsrisico of plaatsgebonden risico, aangezien het niet gaat om het toevoegen van extra mensen in het projectgebied. Een nadere verantwoording is niet benodigd. 4.4.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Milieuzonering
4.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype 'gemengd gebied' wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' als volgt omschreven: 'Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen.
Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.' De richtafstanden (met uitzondering van het aspect gevaar) uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
20
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het projectgebied ligt in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder. In de omgeving zijn voornamelijk agrarische cultuurgronden en agrarische bedrijven aanwezig. Binnen het projectgebied is een agrarisch bedrijf aanwezig. Gelet op de geringe functiemenging kan het gebied daarom worden aangemerkt als omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes: Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
4.5.3
Beoordeling
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: • •
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.5.3.1 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Het voornemen behelst de uitbreiding van een kippenstal ten behoeve van biologische legkippen. Dit wordt op basis van de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ ingeschaald als ‘Fokken en houden van pluimvee: legkippen’, met een milieucategorie van 4.1. Hierbij is de grootste richtafstand 200 meter voor geur. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij veehouderijen zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 4.6 nader op ingegaan. Geur buiten beschouwing latend, geldt de grootste richtafstand van 50 meter voor geluid. De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige functie, de woonbestemming van de woning aan de Lindeweg 3a, ligt op circa 205 meter van het nieuwe agrarische bouwvlak.
Andere woningen van derden liggen op verdere afstand. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor omwonenden. 4.5.3.2 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het projectgebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Het uitbreiden van het pluimveebedrijf wordt niet aangemerkt als een ontwikkeling
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
21
Marknesserweg 13, Emmeloord Ruimtelijke onderbouwing waarbij een milieugevoelig object wordt gerealiseerd, waardoor van het ondervinden van hinder van bestaande milieubelastende functies in de omgeving geen sprake is. 4.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Geur
4.6.1
Algemeen
4.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijk vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht. De definitie van een geurgevoelig object luidt: ‘gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.’ 4.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).